Toelichting
Tekst van het document
van
het
Cumulatie met andere projecten Gebruik van natuurlijke grondstoffen Productie van afvalstoffen
Verontreiniging en hinder Risico van ongevallen
Toets Het project heeft betrekking op het realiseren van 12 woningen op en ter vervanging van de voormalige voetbalvelden. Het geldende bestemmingsplan staat deze herontwikkeling van de locatie niet toe. Om de herontwikkeling mogelijk te maken wordt het bestemmingsplan gewijzigd Het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in de D-lijst voor stedelijke ontwikkelingsprojecten Nee Nee Nee, behoudens (regulier) huishoudelijk afval wat door erkende verwerkers opgehaald en verwerkt zal worden. Ook de (tijdelijke) afvalstoffen die ontstaan door de bouw worden door erkende verwerkers opgehaald en verwerkt. Daarbij vindt zoveel mogelijk als kan recycling plaats Er is geen sprake van een activiteit die leidt tot verontreiniging of hinder voor het milieu Nee, het plangebied bevindt zich buiten plaatsgebonden risicocontouren en er is geen sprake van een verslechtering van het groepsrisico
Conclusie: vanuit de kenmerken van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. Plaats van het project Criteria Bestaand grondgebruik Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor: ▪ gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) ▪ gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden
Vastgesteld
Toets Sportvelden N.v.t. Nee, uit de onderzoeken die in het kader van het initiatief zijn uitgevoerd, blijkt dat het project geen significante effecten veroorzaakt voor de
42
Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid Landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
omgeving (zie hiervoor betreffende aspecten in hoofdstuk 5 van deze toelichting) Nee Nee
Conclusie: vanuit de plaats van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Criteria Beschermd natuurmonument Habitat- en Vogelrichtlijngebieden Watergebied van internationale betekenis EHS Landschappelijk waardevol gebied Waterwinlocaties, waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden Beschermd monument Belvédère-gebied
Toets Nee Nee Nee Nee Nee Ja, plangebied is gelegen in de boringsvrije zone Roerdalslenk en grondwaterbeschermingsgebied Beegden en Heel. Diepe boringen zijn daarom uitgesloten en in het kader van het initiatief dus niet aan de orde Nee Nee
Conclusie: het plangebied is niet gelegen binnen een gevoelig gebied en op een zodanige afstand van gevoelige gebieden dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn. Conclusie milieueffectrapportage a. De woningbouwontwikkeling komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dus niet direct een MER te worden opgesteld; b. De activiteit valt wel onder categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. De daarbij genoemde drempelwaarden worden niet overschreden; c. Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 2, lid 5, aanhef onder b. van het Besluit m.e.r. is voor dit initiatief een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Uit de uitgevoerde vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn en dat een MER niet zinvol is. Er is met deze woningbouwontwikkeling sprake van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is dan onderdeel D11.2 als ondergrens hanteert. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen significant nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.
5.5 Gezondheid 5.5.1 Veehouderijen Het RIVM doet onderzoeken naar de effecten van veehouderijen op de gezondheid van omwonenden, veehouders, de gezinnen van veehouders en mensen die op de veehouderij werken. Dieren kunnen ziekteverwekkers bij zich dragen
Vastgesteld
43
waar mensen ziek van kunnen worden zoals Q-koorts of Salmonella. Daarnaast kunnen fijnstof en endotoxinen (celwandbestanddelen van bepaalde bacteriën) gezondheidsproblemen veroorzaken. Ook kan het voorkomen dat mensen hinder ondervinden van de stank die afkomstig is van de mest uit de veehouderijen. In 2016 zijn de resultaten gepubliceerd van het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO). In dit onderzoek is gekeken naar de gezondheidseffecten bij omwonenden van ziekteverwekkers en luchtverontreiniging afkomstig van veehouderijen. In 2017 is er een tweede rapport ‘Veehouderij en gezondheid omwonenden – aanvullende studies’ gepubliceerd. Daarin zijn nieuwe analyses gedaan om de eerdere resultaten nog eens extra bevestigd te krijgen. De Notitie “Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid; Endotoxine toetsingskader 1.0” maakt gebruik van de onderzoeken naar endotoxinen uit 2016. Het kader is gebaseerd op de relatie tussen fijnstofemissie en het endotoxinegehalte in de, van fijn stof afgeleide, emissie van inhaleerbaar stof. Met dit toetsingskader kan per locatie en voor iedere individuele varkens- of pluimveehouderij in Nederland worden bepaald of er in de huidige en/of aangevraagde situatie sprake is van de aanwezigheid van (bedrijfs-)woningen of gevoelige bestemmingen binnen de afstand waarbij de endotoxinewaarde boven de 30 EU (European Union)/m3 ligt.
In de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 van 30 april 2018 is een stappenplan opgenomen om te beoordelen of er knelpunten worden gevonden voor een bestemmingsplan en of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. Dit stappenplan is voor het te realiseren plan doorlopen. 1. Endotoxine (varkens- / pluimveehouderijen) Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Het is van belang dat ter plaatse van de ontwikkeling sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. ▪ De dichtstbijzijnde varkenshouderij is gelegen aan de Napoleonsweg Noord 8. De fijnstofemissie voor dit bedrijf bedraagt PM10: 170 kg/jaar. Derhalve dient een afstand te worden aangehouden van 77 meter, de huidige afstand (hemelsbreed) is 1,2 kilometer. Het plangebied ligt daarmee buiten de endotoxine risicocontouren van varkenshouderijen. ▪ De dichtstbijzijnde pluimveehouderij (leghennen) is gelegen aan de Kuiperweg 2. De fijnstofemissie voor dit bedrijf bedraagt PM10: 375 kg/jaar. Derhalve dient een afstand te worden aangehouden van 91 meter, de huidige afstand tot aan het plangebied (hemelsbreed) is 85 meter. Het plangebied ligt binnen de endotoxine risicocontour van de pluimveehouderij.
Belemmeringen ten aanzien van de volksgezondheid worden echter niet verwacht gezien de woningen en bouwvlakken van de woningen op 120 meter zijn gelegen. Wel is het van belang dat de nieuwe bewoners worden geïnformeerd over de (mogelijk) voorkomende gezondheidsrisico’s. Toekomstige bewoners van de te realiseren woningen zullen in dat kader worden ingelicht over de (mogelijk) voorkomende gezondheidsrisico’s. 2. Emissies Uit het VGO onderzoek komt naar voren dat diverse gezondheidseffecten gerelateerd lijken te zijn aan de blootstelling van omwonenden aan de emissie van fijnstof, micro-organismen en ammoniak (via de bijdrage aan secundair fijnstof) afkomstig van veehouderijen. Gekeken dient te worden of sprake is van een toename van deze emissies. Onderhavige woningbouwontwikkeling voorziet in de realisatie van 12 nieuwe woningen. Het initiatief leidt niet tot een toename van emissies van geur en/of fijnstof en/of ammoniak. 3. Wijze waarop met overbelasting geur wordt omgegaan 3a. Wettelijke uitgangspunten Op grond van de Wet geurhinder veehouderij kan bij een ontwikkeling sprake zijn en blijven van een overbelaste geursituatie. Het uitgangspunt hierbij is dat er geen sprake is of blijft van een overbelaste situatie voor geur (voorgrond of achtergrond). De ontwikkeling vindt niet plaats in een gebied met een overbelaste geursituatie.
Met het initiatief is daarnaast geen sprake van een toename van geuremissie. 3b. Gezondheidskundige uitgangspunten Naast een toets op de wettelijke aspecten kan ook gekozen worden voor een gezondheidskundige beoordeling ten aanzien van het aspect geur. Toetsing vindt dan plaats aan de door de GGD gehanteerde gezondheidskundige advieswaarde. De GGD hanteert het Vastgesteld
44
standpunt dat het onderzoek van Geelen et al. (2015). De op grond van het onderzoek van Geelen hierbij behorende geurbelasting is weliswaar niet juridisch houdbaar aangezien dit niet is opgekomen binnen het gemeentelijk beleid. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg van de geursituatie in het gebied. 4. De aanwezige diersoort(en) binnen een veehouderij De soort landbouwhuisdieren dat wordt gehouden en ook de combinatie van te houden dieren kan van invloed zijn op het eventuele risico voor de volksgezondheid. Dit heeft te maken met een mogelijk verhoogde infectiedruk en het risico van vermenging bacteriën of virussen. Indien er sprake is van het gecombineerd houden van varkens en pluimvee, of rundvee en kleine herkauwers (schapen/geiten) of kleine herkauwers onderling dan is advisering vanuit de GGD wenselijk in hoeverre dit voor wat betreft volksgezondheid verantwoord is. Er zijn geen veehouderijen in de buurt waar bovenstaande combinaties worden gehouden. Daarnaast zijn er geen varkensen/ of pluimveebedrijven in de buurt waarvan de afstand tussen de inrichtingsgrenzen minder dan 100 meter bedraagt. 5. Veehouderijen 5a. Geitenbedrijven Uit recente bevindingen van het VGO-2 rapport (2017) blijkt dat er in een straal van 2 kilometer rondom geitenhouderijen een verhoogde incidentie op longontstekingen wordt gevonden.
Hierom bedraagt de minimale afstand tussen geitenhouderijen en gevoelige bestemmingen 2 kilometer. Binnen 2 kilometer van het plangebied zijn geen geitenhouderijen gelegen. Binnen het plangebied is dan ook geen sprake van een verhoogde incidentie op longontstekingen; ter plaatse kan een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd ten aanzien van geitenhouderijen in de omgeving, 5b. Pluimveebedrijven Uit het VGO-2 rapport (2017) blijkt dat er binnen een straal van 1 kilometer rondom één pluimveehouderij omwonenden een verhoogd risico op longontsteking hebben. Uit het aanvullende VGO3-onderzoek komt naar voren dat bij mensen die in de buurt van geitenhouderijen wonen, ook in de jaren 2014 tot en met 2016 vaker longontstekingen voor komen. Voor pluimveehouderijen kon het eerder gevonden verband tussen longontsteking en woonafstand alleen worden bevestigd voor het jaar 2014. Verder onderzoek is nodig. Zoals uit stap 1 blijkt is de dichtstbijzijnde pluimveehouderij gelegen op 85 meter. De afstand tot woningen en bouwvlakken bedraagt 120 meter. Ten aanzien van de beoordeling op basis van de ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden gesteld dat het plangebied is gelegen binnen de richtafstand van een pluimveehouderij. Belemmeringen ten aanzien van de volksgezondheid worden echter niet verwacht.
Wel worden de toekomstige bewoners ingelicht over de (mogelijk) voorkomende gezondheidsrisico’s. 5c. Overige veehouderijen Indien een overige veehouderij op kortere afstand ligt dan 250 meter van een bebouwde kom is het advies om een aanvullend risicobeoordeling uit te voeren. Het plangebied is gelegen aan de rand van de bebouwde kom van Grathem, waar sprake is van een goed woon- en leefklimaat. 6. De aanwezigheid van mestbe- of verwerking Bij een veehouderij kan mestbewerking als nevenactiviteit bij het houden van de dieren aan de orde zijn. Maar het kan ook een op zichzelf staande activiteit betreffen, waar mest van meerdere veehouderijen wordt bewerkt. Er is in de nabijheid van het plangebied geen mestbewerkings- of mestverwerkingsbedrijf aanwezig. 7. Ongerustheid bij omwonenden Indien er rond een veehouderij veel ongerustheid bestaat over het aspect volksgezondheid (gerelateerd aan de betreffende veehouderij of meerdere veehouderijen in de omgeving), dan is een advies vanuit de GGD wenselijk. Er is in de omgeving geen ongerustheid over de volksgezondheid bij omwonenden. Uit het stappenplan blijkt dat sprake is van een gezond woon- en leefklimaat en dat advies van de GGD niet nodig wordt geacht.
Vastgesteld
45
Kernrandzone Van belang is dat de veehouderijen aan de Kuiperweg gelegen zijn in de kernrandzone van Grathem. In het bestemmingsplan “Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016” zijn de kernrandzones aangewezen, dit zijn zones van 200 meter rondom de kernen. Het doel van de kernrandzones is om te komen tot een scheiding van mens- en dierconcentraties en de intensieve veehouderijen in de kwetsbare gebieden - rond dorpen en natuurgebieden - op termijn af te bouwen. Om dat doel te bereiken bepaalt dit bestemmingsplan dat in de kernrandzone geen uitbreiding mag plaatsvinden van de bestaande intensieve veehouderij; uitbreiding van het aantal dieren is niet toegestaan en het is eveneens niet mogelijk om stalruimte uit te breiden, dieren mogen uitsluitend worden gehouden binnen de aanduiding ‘intensieve veehouderij’, deze aanduiding is opgenomen op de bestaande stallen, en niet op het gehele bouwvlak. Dit draagt bij aan de waarborging van een goed woon- en leefklimaat in de kernen. 5.5.2 Spuitzones gewasbescherming In een ruimtelijk plan dient te worden beoordeeld of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient ook rekening gehouden te worden met spuitzones ten behoeve van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.
Hoewel er voor het gebruik en de introductie van gewasbeschermingsmiddelen diverse wetten, besluiten en regels van toepassing zijn, zijn er geen wettelijke bepalingen inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt en nabijgelegen gevoelige functies, waaronder woningen. In de praktijk is een vuistregel ontstaan die aangeeft dat er ten minste een afstand van 50 meter tussen een boomkwekerij en een gevoelig object in acht moet worden genomen. Deze afstand van 50 meter rondom boomgaarden is een indicatieve afstand. Op basis van specifieke omstandigheden kan gemotiveerd van deze 50 meter worden afgeweken. De afstand tot een boomkwekerij wordt bepaald door de driftblootstelling aan de gewasbeschermingsmiddelen. Deze driftblootstelling is afhankelijk van de toxiciteit van het gewasbeschermingsmiddel, de toegepaste spuittechnieken, kale of volle bladsituatie van de (fruit)bomen, een (gedeeltelijke) windhaag rondom het perceel en de overheersende windrichting. In dit geval grenst het plangebied in noordelijke richting aan het buitengebied waar landbouwpercelen aanwezig zijn. Afstand van de woon- of tuinbestemming tot deze landbouwpercelen bedraagt minimaal 10 meter (ertussen bevinden zich nog de houtwal). Deze landbouwpercelen zijn thans in gebruik als akker- of weiland.
Er is geen sprake van de aanwezigheid van boomkwekerijen. Boomkwekerijen zijn zonder omgevingsvergunning hier ook niet toegestaan vanwege de aanduiding ‘overige zone – openheid’ zoals die thans voor de omgeving geldt op basis van het vigerende bestemmingsplan. Zoals hiervoor reeds aangegeven is de in de praktijk gegroeide vuistregel van 50 meter indicatief. Dat betekent dat er onder omstandigheden gemotiveerd van kan worden afgeweken en er toch sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Omdat elk geval anders is, dient dit per ruimtelijk initiatief te worden onderzocht en afgewogen. Dat is maatwerk. Uit onderzoek en jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State komen de volgende aandachtspunten naar voren: 1. Wat wordt planologisch mogelijk gemaakt en wat zijn de geldende bestemming(en); 2. Welke gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt; 3. Wat is de overheersende windrichting. Ad. 1. De bestaande bestemmingen ‘Sport’ en ‘Groen’ worden gewijzigd in ‘Wonen’, ‘Tuin’, ‘Verkeer’ en ‘Groen’. De landbouwpercelen ten noorden van het plangebied zijn bestemd als ‘Agrarisch’ en voorzien van de aanduiding ‘overige zone – openheid’. De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn o.a. bestemd voor een agrarisch grondgebruik.
Vastgesteld
46
Bij het bepalen van een verantwoorde afstand tussen woningen en landbouwpercelen waarop agrarische bedrijvigheid in planologisch opzicht is toegestaan, dient te worden gekeken naar wat het bestemmingsplan in juridische zin toelaat. Op grond van het vigerende bestemmingsplan is het niet direct toegestaan om bomen aan te planten (waaronder bomen ten behoeve van de fruit- of boomteelt) op de landbouwpercelen. Hiervoor dient een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden te worden verleend. Als in de toekomst een dergelijke omgevingsvergunning wordt aangevraagd is onderhavig bestemmingsplan inmiddels leidend. Een dergelijke omgevingsvergunning voor het realiseren van fruit- of boomteelt kan dan niet zondermeer verleend worden omdat binnen het plangebied dan woningbouw kan worden gerealiseerd. Fruit- en boomteelt kan door de spuitzones een negatieve impact hebben op de toekomstige bewoners. Op basis daarvan kan een omgevingsvergunning voor het realiseren van een boomgaard niet meer worden verleend. Ad. 2. Uit onderzoek van de Wageningen Universiteit (door J.C. van der Zande) blijkt dat de gezondheidsrisico’s van gewasbeschermingsmiddelen voor omwonenden en bezoekers met name liggen bij opname van stoffen door de huid.
Uit het onderzoek blijkt dat voor het middel Dimetheoaat (het middel met het hoogste risico) het blootstellingseindpunt niet wordt overschreden bij bespuiting op bomen met blad op een afstand van 10 m. Dit komt onder meer omdat in de bomenteelt in een neerwaartse richting gespoten wordt. Deze spuitmethode is voor de kweker het meest efficiënt en effectief, omdat er zo minder spuitvloeistof verloren gaat en de bomen het meest worden geraakt. Bij het gebruik van de gewasbeschermingsmiddelen wordt uitgegaan van bespuiting met een standaard axiaalspuit en een axiaalspuit op een boomhoogte van 0-3 m respectievelijk 3-6 m. Dit zijn standaard spuitmethoden en is in het onderzoek het worst-case scenario. De indicatieve afstand hangt onder meer af van het soort teelt ter plaatse. Drift in de bomenteelt en bij containervelden is door de aard van de bespuiting; met name neerwaartse bespuitingen, lager dan in de fruitteelt waar op- en zijwaarts gericht gespoten wordt. Het plangebied ligt verder dan 10 meter verwijderd dan de landbouwpercelen. Zoals beschreven blijkt dat een afstand van 10 meter tussen het spuiten en de woningen toereikend is voor het waarborgen van een goed woonen leefklimaat. Ad. 3. In verband met de mogelijke verwaaiing van spuitvloeistof is de overheersende windrichting tevens van belang.
De meest voorkomende windrichting in Nederland is de wind uit zuidwestelijke richting. De wind waait daarmee over het algemeen van het plangebied af naar de landbouwpercelen toe. Er zijn geen regels voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen nabij woningen of andere voor driftgevoelige bestemmingen. Evenmin zijn er regels die toezien op bescherming van omstanders, recreanten of omwonenden. Eventuele klachten kunnen daarom niet leiden tot het aanpassen van de bedrijfsvoering van de teler. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen belemmeringen vanuit de wet- en regelgeving voor de eigenaar en/of gebruiker van de andere landbouwpercelen c.q. de boomkwekerij tot gevolg.
5.6 Natuur 5.6.1 Algemeen De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (wnb). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (met in het bijzonder Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden.
Vastgesteld
47
5.6.2 Gebiedsbescherming Natura2000 Binnen een afstand van 10 km van het plangebied zijn de volgende (Nederlandse) Natura2000-gebieden gelegen: ▪ Grensmaas, afstand 5,2 km ▪ Leudal, afstand 6,2 km ▪ Roerdal, afstand 8,2 km ▪ Sarsven & de Banen, afstand 8,3 km Verder ligt op een afstand van 3,8 km van het plangebied de Belgische grens. Direct over de grens in België bevinden zich ook enkele Natura2000-gebieden. In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een Wnb-vergunning vereist is. Over een afstand van bijna 4 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op de Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting. Verzuring en vermesting zijn een van de mogelijk negatieve effecten van een initiatief op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOx of NH3), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. Voor ieder habitattype binnen een Natura2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie.
Door middel van het rekeninstrument AERIUS Calculator wordt de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden als gevolg een initiatief berekend. Als uit de AERIUS Calculator blijkt dat er geen stikstofdepositie door de gebruiksfase van het project of plan op de Natura2000-gebieden plaatsvindt, hoeft geen vervolgonderzoek plaats te vinden en is geen vergunning nodig. Als er wél een toename van stikstofdepositie plaatsvindt is vervolgonderzoek nodig om te beoordelen of een vergunning verleend kan worden. Bouwfase Het voornemen bestaat om woningbouw mogelijk te maken ter plaatse van de voormalige sportvelden in Grathem. Ter plaatse is de bouw van 12 woningen voorzien. Tevens wordt de omliggende openbare ruimte ingericht met onder andere groen, ontsluitingswegen en parkeerplaatsen. Bij de realisatie van de woningen en de inrichting van de openbare ruimte wordt gebruik gemaakt van meerdere (mobiele) werktuigen en vinden verkeersbewegingen plaats. Dit zorgt voor een emissie van stikstof, deze emissie is berekend.
Vastgesteld
Totale emissie (kg/j)
verbruik Adblue (l/j)
Brandstofverbruik (l/j)
Draaiuren (u/j)
Brandstof verbruik (l/u)*
Belasting (%)
Vermogen (kW)
Brandstof
Bouwjaar
Werktuig
Voor de inzet van (mobiele) werktuigen is uitgegaan van een gemiddeld gebruik van mobiele werktuigen bij de aanpak van de openbare ruimte en de realisatie van woningen (tabel 6). De overige werkzaamheden worden uitgevoerd door elektrisch aangedreven machines, zoals een elektrische hoogwerker. Elektrisch aangedreven machines hebben geen uitstoot NOx. De betonpomp, tractor, graafmachine en laadschop zullen worden voorzien van AdBlue om de stikstofdioxide (NOx) uitstoot te verlagen.
48
Betonpomp Mobiele hijskraan Tractor Graafmachine Graafmachine Laadschop Laadschop Asfaltfreesmachine Asfaltwerkinstallatie Wals Trilplaat Totaal
2014 2015 2015 2015 2014 2015 2014 2014 2015 2013 2008
Diesel Diesel Diesel Diesel Diesel Diesel Diesel Diesel Diesel Diesel Benzine
200 100 100 100 200 100 200 140 60 60 20
50 50 40 60 60 60 60 60 55 40 40
27,78 14,02 11,39 16,65 33,09 16,65 33,09 23,33 9,42 7,12 2,93
28 28 100 35 35 35 35 7 7 10 35
778 393 1139 583 1158 583 1158 163 66 71 103
50 0 75 0 80 0 80 0 0 0 0
2,8 13,1 3,6 19,4 1,6 19,4 1,6 5,4 2,2 1,5 3,3 73,9
Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van een reguliere bouw voor vergelijkbare woningen. Dit betreffen de volgende gegevens: ▪ Aanvoer beton voor fundering 12 vrachtwagens (waarvan 1 betonpomp) ▪ Aanvoer stenen 12 vrachtwagens ▪ Aanvoer beton voor begane grondvloer 12 vrachtwagens (waarvan 1 betonpomp) ▪ Aanvoer breedplaatvloeren eerste verdieping: 4 vrachtwagen ▪ Aanvoer beton voor eerste verdiepingsvloer: 16 vrachtwagens (waarvan 1 betonpomp) ▪ Aanvoer breedplaatvloeren tweede verdieping: 4 vrachtwagen ▪ Aanvoer beton voor tweede verdiepingsvloer: 16 vrachtwagens (waarvan 1 betonpomp) ▪ Aanvoer dakplaten 4 vrachtwagen ▪ Aanvoer dakpannen 4 vrachtwagen ▪ Aanvoer divers klein materiaal (kozijnen, ramen, deuren, etc.) 20 vrachtwagens ▪ Afvoer afval en materiaal 20 vrachtwagens In totaal zullen 124 vrachtwagens de locatie tijdens de bouw aandoen, wat resulteert in 248 zware verkeersbewegingen. Dagelijks zal personeel (bouwvakkers) de bouwlocatie bezoeken om bouwwerkzaamheden aldaar te verrichten. Het personeel komt over het algemeen gezamenlijk in 1 bestelbusje per woning. Uitgaande van een bouwperiode van 1 jaar (met circa 260 werkdagen) betekent dit in totaal 3.120 bestelbusjes, wat resulteert in 6.240 middelzware verkeersbewegingen.
Met de ingevoerde gegevens geeft AERIUS Calculator aan dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j (zie bijlage 9). Er is derhalve geen merkbaar c.q. negatief effect voor wat betreft stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000gebieden door de bouw van de woningen. Gebruiksfase De gebruiksfase is ingevoerd in AERIUS Calculator. Sinds 1 juli 2018 is het voor nieuwe woningen niet meer toegestaan een gasaansluiting te realiseren. Vanuit de nieuwe woningen vindt derhalve geen uitstoot van NOx door het verbranden van gas plaats. De enige wijze van uitstoot van stikstof in en bij de woningen is door de uitstoot van verkeer. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Er is uitgegaan van de volgende gegevens; ligging in de rest bebouwde kom in niet stedelijk gebied. Dit leidt tot de volgende verkeersgeneratie: Functie Vrijstaande woningen
Vastgesteld
Aantal 12
Verkeersgeneratie 7,8 – 8,6
Totaal (worst-case) 103,2
49
Op basis van de kencijfers genereert het initiatief maximaal 103,2 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 52 voertuigen (elk arriverend voertuig vertrekt weer en genereert dus per saldo 2 verkeersbewegingen). Vanwege het karakter van het initiatief wordt verondersteld dat de voertuigen van en naar de locatie lichte voertuigen betreffen (personenauto’s) die grotendeels vanaf de Sportlaan en via de Lindestraat / Brugstraat naar de N273 zullen rijden en daar zullen opgaan in het overige verkeer. Uit de ingevoerde gegevens blijkt dat door het verkeer de emissie NOx 16,1 en NH3 1,2 kg/jaar bedraagt. Met de ingevoerde gegevens geeft AERIUS Calculator aan dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j (zie bijlage 8). Er is derhalve geen merkbaar c.q. negatief effect voor wat betreft stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000gebieden door het initiatief. 5.6.3 Soortenbescherming Soortenbescherming vanuit de Wnb heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en een aantal vaatplanten Om het voorkomen van flora en fauna binnen het plangebied aan te tonen en het effect van het initiatief hierop te onderzoeken is een quickscan flora- en fauna7 uitgevoerd.
Uit deze quickscan blijkt het volgende wat betreft flora en fauna: ▪ In het kader van de herbestemming is het niet noodzakelijk om nader onderzoek te verrichten naar vleermuizen, om de aanwezigheid ervan en de functie ervoor vast te stellen. Effecten op vleermuizen en daarmee overtredingen van verbodsbepalingen treden in het kader van de Wnb niet op. ▪ Effecten op beschermde soorten grondgebonden zoogdieren zijn uit te sluiten omdat dergelijke soorten (zoals das en steenmarter) geen verblijfplaatsen hebben op deze locatie. ▪ De ingebruikname van het terrein kan leiden tot effecten ten aanzien van (kleine) marterachtigen indien de struiken en bomen onderhevig zijn aan grootschalige werkzaamheden (kap- en rooiwerkzaamheden). Als dit het geval is dient onderzocht te worden welke functie de locatie heeft voor soorten als wezel, bunzing en hermelijn. De bomen en struiken rond het plangebied blijven in het kader van de woningbouwontwikkeling overeenkomstig in stand waardoor nader onderzoek naar wezel, bunzing en hermelijn niet noodzakelijk is. ▪ Effecten op broedvogels met jaarrond beschermde nesten zijn op voorhand uit te sluiten. Nesten die jaarrond beschermd zijn, zijn niet aangetroffen en ook niet te verwachten.
▪ Effect op algemeen voorkomende soorten vogels die in het gebied broeden zijn te voorkomen door herinrichtingswerkzaamheden uit te voeren buiten de broedperiode (dus buiten de periode half maart – half juli). ▪ Ter plaatse van het plangebied is het voorkomen van andere beschermde soorten zoals planten, libellen, dagvlinders, vissen, reptielen, amfibieën en overige ongewervelden geheel uit te sluiten. 5.6.4 Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wnb, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wnb, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wnb om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud.
7
Ecolybrium, Rapportage quickscanonderzoek ecologische waarden Sportlaan 1 Grathem, 16 februari 2022, kenmerk: 21-988
Vastgesteld
50
Aangezien binnen het plangebied geen (onderdelen van) houtopstanden verloren gaan is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wnb in dit geval niet aan de orde. Hiernaast kunnen bomen beschermd zijn op grond van de APV gemeente Leudal (uit 2018). Het is verboden om zonder vergunning van het bevoegd gezag bomen te kappen die vermeld staan op de gemeentelijke bomenlijst. Binnen het plangebied zijn geen bomen gelegen die vermeld staan op de gemeentelijke bomenlijst. 5.6.5 Conclusie natuur Vanuit het natuuraspect bestaan er geen belemmeringen voor de woningbouwontwikkeling binnen het plangebied.
5.7 Verkeer en parkeren Het toevoegen of wijzigen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit effect heeft op het wegverkeer en het parkeren. Verkeer De realisatie van de woningen binnen het plangebied heeft een bepaalde verkeersaantrekkende werking tot gevolg. Alle woningen ontsluiten op een nieuw te realiseren rondweg binnen het plangebied, welke ontsluit via de Sportlaan. Er wordt verwacht dat het meeste verkeer via de Sportlaan naar de Lindestraat / Brugstraat naar de N273 zal ontsluiten. Door de korte afstand van Grathem tot de provinciale weg N273 en de snelweg A2 is het plangebied naar alle richtingen toe uitstekend ontsloten. De aansluiting met de Sportlaan zal worden vormgegeven door een verkeersplateau (drempel) om de aansluiting zo verkeersveilig te maken. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Er is uitgegaan van de volgende gegevens; ligging in de rest bebouwde kom in niet stedelijk gebied. Dit leidt tot de volgende verkeersgeneratie: Functie Vrijstaande woningen
Aantal 12
Verkeersgeneratie 7,8 – 8,6
Totaal (worst-case) 103,2
Op basis van de kencijfers genereert het initiatief maximaal 103,2 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 52 voertuigen (elk arriverend voertuig vertrekt weer en genereert dus per saldo 2 verkeersbewegingen). Ervan uit gaande dat deze verkeersbewegingen hoofdzakelijk in de dag- en avondperiode zullen plaatsvinden (07:00 – 23:00 uur) komt dit neer op circa 6,5 verkeersbewegingen per uur. Dit aantal verkeersbewegingen kan moeiteloos worden afgewikkeld binnen de huidige verkeersstructuur. Parkeren Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is gekeken naar het type woning ‘koop vrijstaand’ in de “Nota Parkeernormen 2016”. Per woning dient in dit geval 2,7 parkeerplaatsen te worden aangelegd. Deze parkeereis moet op eigen terrein worden gerealiseerd. In de planregels is geborgd dat per woning minimaal 2,0 parkeerplaatsen op eigen terrein worden aangelegd. De rest wordt voorzien in het openbare gebied van het plangebied. Aan de rondweg worden daarbovenop nog eens 8 openbare parkeerplaatsen gerealiseerd welke voornamelijk zullen dienen als parkeerplaatsen voor bezoekers. Vastgesteld
51
Opgemerkt wordt dat de huidige parkeerplaatsen aan de Sportlaan in het kader van deze woningbouwontwikkeling gehandhaafd blijven. Deze parkeerplaatsen blijven derhalve bestaan en kunnen door eenieder gebruikt blijven worden. Deze parkeerplaatsen kunnen zodoende ook worden gebruikt als bezoekersparkeerplaatsen.
5.8 Waterhuishouding In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan de benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Leudal als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. 5.8.1 Beleidskader water Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het besluitgebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld. Nationaal: ▪ Nationaal Waterplan; ▪ Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21); ▪ Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); ▪ Waterwet. Provinciaal: ▪ Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021. Beleid waterschap Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen nodig zijn om de watertaken goed te kunnen uitvoeren. Dit gebeurt in het waterbeheerprogramma (WBP).
Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Limburgs water in een veranderend klimaat’ is op 8 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van Waterschap Limburg. Brochure 'Regenwater schoon naar beek en bodem' In deze brochure van de Limburgse waterbeheerders worden de richtlijnen en de voorkeursvolgorde voor het afkoppelen van regenwater van het riool beschreven bij (vervangende) nieuwbouw. De voorkeursvolgorde gaat voor het afkoppelen uit van de trits vasthouden, bergen, afvoeren. Voor het grondoppervlak, dakoppervlak, en voor hergebruik worden richtlijnen gegeven voor het afkoppelen. 5.8.2 Kenmerken van het watersysteem Bodemgesteldheid en grondwater Op de Bodemkaart van Nederland wordt de deklaag van het plangebied aangeduid als Formatie van Boxtel, hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand, weinig zandige klei en grof zand en een spoor klei, veen en grind. Conform de algemene gegevens van het Waterschap Limburg blijkt de omgeving van het plangebied een redelijk goede bodemdoorlatendheid te hebben van 0,45 tot 0,75 m/dag. Vastgesteld
52
Op basis van de kaarten behorende bij het Nieuw Limburgs Peil (NLP) blijkt dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand ten noorden van Grathem, zo ook ter plaatse van het plangebied, dieper dan 250 cm-mv is gelegen. Dit wordt bevestigd door de resultaten uit het bodemonderzoek (zie paragraaf 5.4.1) toen de feitelijke grondwaterstand dieper dan 450 cmmv is aangetroffen. Oppervlaktewater Op de leggerkaarten van Waterschap Limburg is te zien dat binnen het plangebied geen oppervlaktewater ligt. Ook in de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig. Grondwaterbescherming Het plangebied is gelegen in het freatisch grondwaterbeschermingsgebied Beegden en Heel. Grondwaterbeschermingsgebieden zijn erop gericht om de kwaliteit van het grondwater zodanig op peil te houden dat het middels eenvoudige zuivering geschikt is en blijft voor de drinkwaterwinning. Voor deze gebieden bevat de Omgevingsverordening Limburg 2014 één of meer verboden, uitzonderingen op deze verboden, ontheffingsmogelijkheden, meldingen en de mogelijkheid om algemene voorschriften vast te stellen. Om in het bestemmingsplan deze voorwaarden uit de omgevingsverordening te borgen is aan het plangebied de gebiedsaanduiding ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’ toegekend. Dit betekent dat de nieuwe woningen geen negatieve effecten mogen hebben voor het grondwater.
Het grondwater blijft onaangetast in de bodem in stand door het initiatief; er is bijvoorbeeld geen sprake van het oprichten van een boorput of het roeren van grond dieper dan 3 meter, het aanleggen van een aardwarmtesysteem of het inbrengen van verontreinigende stoffen in de bodem. Door het van toepassing te verklaren van de gebiedsaanduiding ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’ zijn dergelijke activiteiten binnen het plangebied uitgesloten. Verder ligt het plangebied in de boringsvrije zone Roerdalslenk. Diepe boringen kunnen de natuurlijke geologische bescherming aantasten. In deze zones worden alleen (nieuwe) diepe onttrekkingen voor menselijke consumptie via vergunningverlening toegestaan. Met de woningbouwontwikkeling binnen het plangebied zijn dergelijke diepe onttrekkingen echter niet aan de orde waardoor het initiatief geen nadelige effecten teweegbrengt voor de positieve instandhouding van de Roerdalslenk. Dit wordt tevens geborgd door de gebiedsaanduiding ‘milieuzone – boringsvrije zone’ van toepassing te verklaren voor het plangebied. Hemelwater Binnen het plangebied worden nieuwe woningen gerealiseerd. Als gevolg hiervan zal het plangebied deels verhard worden met daken van de gebouwen, erfverhardingen en wegverharding.
Het hemelwater wat valt op deze nieuwe verhardingen wordt niet afgevoerd middels het riool, maar conform het beleid in het gebied vastgehouden door het binnen het plangebied te bergen en vervolgens te infiltreren. Conform de Keur van het waterschap (in werking getreden op 1 april 2019) geldt de norm dat 100 mm (per 24 uur) per m2 verhard oppervlak opgevangen dient te worden binnen het plangebied. De manier waarop het hemelwater wordt geborgen en geïnfiltreerd per woning is in dit stadium nog onvoldoende uitgewerkt om dit uitgebreid te kunnen beschrijven. De richtlijnen, zoals eerder beschreven, dienen in ieder geval in acht te worden genomen, zodat de voorziening voldoende capaciteit heeft om de maatgevende buien op te vangen en te infiltreren in de bodem. De exacte wijze waarop het hemelwater per woning wordt geïnfiltreerd zal nader worden uitgewerkt in het kader van de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen. In tegenstelling hoe het hemelwater bij de woningen wordt geborgen en geïnfiltreerd is wel bekend hoe het hemelwater van de openbare verharding wordt geborgen en geïnfiltreerd. Hemelwater dat valt op de nieuwe (rond)weg wordt naar een verlaging in het middengebied van de rondweg geleidt alwaar het hemelwater kan worden geborgen en daarna Vastgesteld
53
infiltreren. Bij een maatgevende bui dient het middengebied minimaal 2.000 m2 (oppervlakte verkeersbestemming) * 100 mm = 200 m3 te kunnen bergen. De oppervlakte van het middengebied bedraagt circa 1.800 m2. Zou dit geheel ingericht worden als bergings- en infiltratievoorziening dan dient het middengebied 11 cm verlaagd te worden, dit is ruim boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand. Derhalve zal het hemelwater afkomstig van het verhard openbaar gebied volledig binnen het plangebied geborgen kunnen worden. In zijn algemeenheid betreft het initiatief een klimaatbestendige ontwikkeling, omdat wordt voorzien in veel gronden met een groene functie. Hierdoor is er voldoende ruimte beschikbaar om het hemelwater ruimte te bieden om binnen het plangebied te infiltreren. Afvalwater / riolering Het afvalwater wordt geloosd op een nog aan te leggen rioleringsstelsel binnen het plangebied. De voorgenomen is beperkt van omvang (12 woningen) en heeft derhalve geen zwaarwegend effect op het gemeentelijk rioleringsstelsel. 5.8.3 Conclusie waterhuishouding Concluderend kan gesteld worden dat door het initiatief geen knelpunten ontstaan tussen grondgebruik en de waterhuishouding.
Vastgesteld
54
6 JURIDISCHE ASPECTEN
6.1 Planstukken Het bestemmingsplan bestaat uit de toelichting, de regels en de verbeelding. De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van de aanwezige bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk worden de diverse bepalingen artikelsgewijs besproken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding zijn de bestemmingen weergegeven. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is opgesteld conform de landelijke richtlijn voor bestemmingsplannen (SVBP 2012), alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
6.2 Plansystematiek Ten behoeve van de uniformiteit van bestemmingsplannen binnen de gemeente Leudal voldoet het bestemmingsplan qua systematiek aan het bestemmingsplan “Woonkernen Leudal 2017” zoals dat voor de kernen in de gemeente Leudal geldt.
Vastgesteld
55
7 UITVOERBAARHEID
7.1 Economische uitvoerbaarheid In afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel waarin mogelijkheden voor een bouwplan gecreëerd worden, verplicht is een exploitatieplan vast te stellen. Artikel 6.2.1. onder a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat (o.a.) sprake is van een bouwplan wanneer één of meer woningen gerealiseerd worden. Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op de bouw van 12 woningen en is hiermee een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 van het Bro. De gemeente is dus verplicht om de kosten van de grondexploitatie te verhalen en een exploitatieplan vast te stellen. Hiervan kan worden afgeweken, indien het kostenverhaal van de grondexploitatie anderszins verzekerd is. Het kostenverhaal is anderszins verzekerd. De gronden zijn in eigendom van de gemeente en de kosten worden verrekend in de verkoopprijs van de grond. Er hoeft daarom geen exploitatieplan te worden vastgesteld. Naast het kostenverhaal wordt ook de kwaliteitsbijdrage, in dit geval een financiële bijdrage aan het gemeentelijk groenfonds, verrekend in de verkoopprijs van de grond. Voor het initiatief is een grondexploitatie geopend, waarbinnen de kosten en baten worden opgenomen. Er is sprake van een batige exploitatie.
Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd kan worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.
7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpbestemmingsplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. 7.2.1 Omgevingsdialoog Bij de ontwikkeling van een woningbouwproject van dergelijke omvang is het belangrijk om voorafgaand aan de feitelijke bestemmingsplanprocedure andere (betrokken) partijen van informatie te voorzien. De gemeente Leudal heeft op 18 oktober 2021 een inloopavond in Grathem georganiseerd en zijn geïnteresseerden daarna op de hoogte gehouden door het verspreiden van een nieuwsbrief met actuele ontwikkelingen. Voorafgaand aan de inloopavond is eerst de Dorpsraad Grathem geïnformeerd. Op diverse contactmomenten is het initiatief zowel met het bestuur als de werkgroep Wonen, Verkeer en Veiligheid van de dorpsraad besproken. De dorpsraad juicht het initiatief toe en onderstrepen het belang dat er woningbouw en doorstroming wordt gerealiseerd in Grathem.
Ook in het verdere verloop van het traject is en wordt de dorpsraad tussentijds geïnformeerd over de voortgang. De inloopavond is van te voren breed aangekondigd en direct omwonenden zijn uitgenodigd. Tijdens de inloopavond, waarop er uiteindelijk 88 personen aanwezig waren, zijn de uitgangspunten van het initiatief gepresenteerd. Hier werd o.a. ingegaan op kavelgroottes, inhoud woning, verschijningsvorm en is een eerste versie van het stedenbouwkundig plan gedeeld. Daarnaast was er ruime gelegenheid voor het stellen van vragen, maar ook het meegeven van suggesties en tips. Er waren veel positief geïnteresseerde / nieuwsgierige inwoners aanwezig, dit zorgde voor een positieve sfeer. Hieruit
Vastgesteld
56
blijkt de betrokkenheid van de inwoners van Grathem bij de ontwikkelingen in Grathem en de voormalige voetbalvelden in het bijzonder. Vier maanden later, op 21 februari 2022, is een tweede contactmoment georganiseerd, deze keer specifiek voor de omwonenden. Tijdens deze avond is het haalbaarheidsonderzoek en stedenbouwkundig plan gepresenteerd. Naast het informeren had deze avond bovenal het doel omwonenden, net als tijdens de eerste inloopavond, de ruimte te bieden om aanvullingen en/of opmerkingen mee te geven. Enkele benoemde aandachtspunten tijdens deze avond waren o.a. het doortrekken van het wandelpad vanuit de huidige ingang van het sportpark bovenlangs tot de Kuiperweg, de voorkeur voor gebruik van wintergroen en aandacht voor verkeersveiligheid met betrekking tot de beoogde nieuwe ontsluiting. Weer later, op 23 mei 2022, is een presentatie gehouden tijdens een bijeenkomst van de dorpsraad. Hierbij waren 150 inwoners aanwezig. De gemeente hecht een groot belang aan de omgevingsdialoog. Er is daarom bewust gekozen om op meerdere momenten de dialoog aan te gaan met de omwonenden. Uit de positieve geluiden van de eerste (brede) én de tweede (specifiek vooromwonenden) omgevingsdialoog blijkt de maatschappelijke haalbaarheid. Op 2 maart 2023 is een derde contactmoment georganiseerd voor omwonenden en toekomstige bewoners.
Tijdens deze avond is het landschappelijk inpassingsplan en is het bestemmingsplan toegelicht met daarbij de beoogde vervolgstappen. Het doel van deze avond was informeren, daarnaast was er ruimte voor eventuele aanvullingen en/of opmerkingen. Enkele benoemde aandachtspunten tijdens deze avond waren o.a. de goot- en bouwhoogte van de woningen, hoogte van de aan te planten bomen en aandacht voor de parkeervakken aan de Sportlaan buiten het plangebied. Naar aanleiding van de omgevingsdialoog is de goot- en bouwhoogte bijgesteld van standaard 7 en 10 meter naar 5 en 9 meter. 7.2.2 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening geeft aan dat het college van Burgemeester van Wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg dienen te plegen met betrokken instanties. Van de Veiligheidsregio Limburg-Noord is in dat kader een reactie ontvangen d.d. 12 oktober 2022 (zie bijlage 10). Zij hebben enkele opmerkingen gemaakt inzake de bereikbaarheid van het plangebied en het realiseren van een of twee bluswatervoorzieningen. Deze opmerkingen hebben geleidt tot aanpassingen in het bestemmingsplan. De provincie Limburg heeft gereageerd via email d.d. 10 januari en 6 februari 2023 (zie bijlage 12) dat het bestemmingsplan geen aanleiding maakt tot het maken van opmerkingen.
Indien het bestemmingsplan op deze wijze wordt voortgezet zal er geen aanleiding zijn om in de verdere procedure een zienswijze in te dienen. Waterschap Limburg heeft gereageerd via email d.d. 19 december 2022 (zie bijlage 13) dat het bestemmingsplan akkoord maar dat het waterhuishoudkundig beleid tegenwoordig is vastgelegd in het Waterbeheerprogramma van 2022-2027. Dit is in het bestemmingsplan aangepast. 7.2.3 Zienswijzen Het ontwerp bestemmingsplan heeft van 31 maart 2023 tot en met 11 mei 2023 ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn in totaal 2 zienswijzen ontvangen. De beantwoording van de zienswijzen is opgenomen in het bijgevoegde zienswijzenverslag (bijlage 15).
Vastgesteld
57
8 PROCEDURE De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: ▪ Vooroverleg met betrokken instanties; ▪ Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; ▪ Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; ▪ Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; ▪ Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad; ▪ Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; ▪ Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; ▪ Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van
de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Vastgesteld
58
RAPPORT Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek door middel van boringen Sportlaan (ong.) te Grathem (gemeente Leudal)
AM22388
RAPPORT Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek door middel van boringen Sportlaan (ong.) te Grathem (gemeente Leudal) Aeres Milieu Projectnummer Status rapport ISSN Nummer Datum
: AM22388 : Definitief(versie 2) : 2214-5656 : 18 januari 2023
Opdrachtgever
: Bureau Leefomgeving B.V. Schoolstraat 7 5961 EE Horst
Opsteller rapport Paraaf
: L. Kruithof MSc. | drs. D. Hagens :
Redactie Paraaf
: drs. ing. N.J.W. van der Feest :
Vrijgave Paraaf
: drs. ing. N.J.W. van der Feest :
Aeres Milieu B.V. Noordhoven 4 6042 NW ROERMOND (t) 0475 – 320 000 e-mail: info@aeres-milieu.nl www.aeres-milieu.nl
4002 + 4003
Disclaimer Het onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden (opzet conform de geldende richtlijnen en protocollen). Aeres Milieu accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid voor maatregelen of mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Aeres Milieu uitgevoerde onderzoek neemt. Tevens wordt opgemerkt dat Aeres Milieu voor het verkrijgen van de voor het bureau onderzoek noodzakelijke informatie (mede) afhankelijk is van externe bronnen. Voor Aeres Milieu is niet te verifiëren of deze bronnen altijd volledig en zonder fouten zijn. Hierdoor kan Aeres Milieu niet instaan voor de juistheid en volledigheid van de verzamelde historische informatie.
Pagina | 2
AM22388
INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING ..................................................................................................................................................................................................................... 4 ADMINISTRATIEVE GEGEVENS ......................................................................................................................................................................................... 6 1. INLEIDING ........................................................................................................................................................................................................................... 7 2. 2.1 2.2
WERKWIJZE ............................................................................................................................................................................................................ 10 Inleiding ............................................................................................................................................................................................................. 10 Verkennend veldonderzoek door middel van boringen ................................................................................................................... 10
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
BUREAU-ONDERZOEK ....................................................................................................................................................................................... 12 landschappelijke situatie - geomorfologie ........................................................................................................................................... 12 Landschappelijke situatie - bodem.......................................................................................................................................................... 14 Bewoningsgeschiedenis – historisch overzicht .................................................................................................................................. 14 Bewoningsgeschiedenis – archeologische waarden ........................................................................................................................ 15 Bewoningsgeschiedenis – historisch kaartmateriaal ....................................................................................................................... 18
3.
4.
VERWACHTINGSMODEL .................................................................................................................................................................................... 21
5. 5.1 5.2 5.3 5.4
VELDWERKZAAMHEDEN ................................................................................................................................................................................... 23 Algemeen .......................................................................................................................................................................................................... 23 Fysisch geografische beschrijving van de bodemopbouw .............................................................................................................. 24 Interpretatie ..................................................................................................................................................................................................... 24 Archeologische indicatoren ........................................................................................................................................................................ 25
6. CONCLUSIE ....................................................................................................................................................................................................................... 26 6.1 Algemeen .......................................................................................................................................................................................................... 26 6.2 Beantwoording onderzoeksvragen .......................................................................................................................................................... 26 7.
AANBEVELINGEN ................................................................................................................................................................................................. 28
Bijlagen: 1 2 3 4 5 5b 6 7 8
Topografische ligging onderzoeksgebied Boorpuntenkaart Archeologische gegevens cf. Archis 3 Archeologische Beleidskaart gemeente Leudal Overzicht geomorfologische kaart Stroomgordelkaart Limburg Overzicht bodemkaart Reliëfkaart Boorkernbeschrijvingen
Pagina | 3
AM22388
SAMENVATTING Op 12 oktober 2022 is door Aeres Milieu een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd aan de Sportlaan (ong.) te Grathem (gemeente Leudal). De aanleiding voor het laten uitvoeren van dit bodemonderzoek is de voorgenomen (her)ontwikkeling van de locatie ten behoeve van 12 vrijstaande nieuwbouwwoning. De diepte van de toekomstige verstoring is ten tijde van dit onderzoek niet bekend, maar uitgaande van een standaard funderingsdiepte naar verwachting tot ten minste 0,8-1,0 meter beneden maaiveld reiken. De onderzoekslocatie ligt volgens de Archeologische Beleidskaart van de gemeente Leudal (2009) in een zone met Beleidscategorie WA-5: hoge archeologische verwachting voor droge landschappen. Binnen het bestemmingsplan Woonkernen Leudal 2017 (vastgesteld 2017) geldt de dubbelbestemming Waarde – Archeologie 5. Voor deze zone geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 1.000 m2 en een verstoringsdiepte vanaf 40 centimeter onder maaiveld. De gemeente heeft middels deze kaart aangegeven dat er een archeologische onderzoeksplicht geldt. Het plangebied ligt op een Maasterras dat in het Pleniglaciaal (circa 40.000 – 20.000 jaar geleden) is gevormd. Het plangebied maakte in het laat-paleolithicum A onderdeel uit van de actieve riviervlakte van de Maas en was geen geschikte vestigingsplaats.
De kans is groot dat sporen uit deze periode en uit eerdere periode, indien toch aanwezig, in het plangebied zijn geërodeerd door latere rivieractiviteiten. Op basis van deze gegevens geldt een lage verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het midden- en laat-paleolithicum A. Van oudsher zijn de kampementen van de jager-verzamelaars gesitueerd op de overgang van nat naar droog. Het plangebied ligt relatief hoog in het landschap nabij beekdalen. De ligging binnen een gradiëntzone was een ideale bewoningslocatie voor jager-verzamelaars. Op basis hiervan is de verwachting voor het aantreffen van vindplaatsen van de jager-verzamelaars binnen het plangebied middelhoog. Het plangebied ligt op een hoger gelegen maasterras nabij watervoorzieningen. Vanwege de landschappelijke ligging in combinatie met gunstige grondwaterstanden is de kans groot op het aantreffen van nederzettingsresten uit de periode neolithicum tot en met vroege middeleeuwen. Om deze redenen geldt er een middelhoge archeologische verwachting voor de periode neolithicum tot en met vroege middeleeuwen. Het plangebied ligt ten noordwesten van de historische dorpskern van het van oorsprong vroegmiddeleeuwse Grathem. Uit bestudering van historische kaarten blijkt dat het plangebied sinds tenminste circa 1800 als bouwland in gebruik was.
De bebouwing concentreert zich grotendeels binnen de bestaande dorpskern van Grathem. Aan de Lindestraat en de Kuiperweg, ten westen en oosten van het plangebied, is sporadisch bebouwing aanwezig in de vorm van boerderijen. Op basis van deze gegevens geldt voor het plangebied een middelhoge verwachting voor de periode late middeleeuwen en nieuwe tijd. Wat betreft de conservering en gaafheid van eventueel aanwezige archeologische resten kan het volgende gesteld worden: Wegens de verwachte aanwezigheid van enkeerdgrond en daarmee een plaggendek zijn archeologische resten beschermd tegen latere invloeden. Bij hoge enkeerdgronden zijn de omstandigheden voor het aantreffen van organische resten minder goed: door de lage grondwaterstand (GWT VI en VII) kunnen organische resten vaak enkel in dieper, waterhoudende sporen zoals waterputten bewaard blijven. Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat de bodemopbouw in een groot deel van het plangebied bestaat uit een scherp AC-profiel.