CConstaterende datLeudal
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting

Raadsvergadering 26 september 2023, gemeente LeudalBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan ‘CPO Grasheim’ te Grathem31.763 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De missie van de gemeente Leudal is geoperationaliseerd in doelen op centrale thema's van de strategische overallvisie: samenleving, omgeving, wonen, werken en vrije tijd. Het doel voor het aspect wonen is hierbij om binnen de eigen gemeente te zorgen voor passende huisvesteging van elke inwoner plus gedoseerde ontwikkeling van enkele regionaal onderscheidende woonmilieus. Middels het beoogd initiatief wordt voorzien in een groene woningbouwontwikkeling aan de rand van Grathem. Door de ruimtelijke opzet met veel groen en ruime kavels wordt er een onderscheidend woonmilieu gerealiseerd, waarbij bestaande groenstructuren behouden blijven. Deze groenstructuren waarborgen mede een landschappelijke inpassing van de locatie en daarmee een geleidelijke transitie naar het achterliggende buitengebied. Het initiatief wordt hiermee passend geacht binnen de Strategische Overallvisie 2020 “Leven in Leudal” op het gebied van wonen. 3.4.2 Strategische visie Leudal – “Mooi Leven in Leudal” Op 14 december 2021 heeft de gemeenteraad van Leudal de Strategische visie “Mooi leven in Leudal” vastgesteld. De strategische visie is een lange termijnvisie, waarin het jaar 2035 als horizon fungeert. In de strategische visie schetst de gemeente enkele belangrijke ontwikkelingen en vraagstukken waar Leudal mee te maken heeft en krijgt.

De gemeente schetst een strategisch perspectief dat inspeelt op de opgaven van de toekomst en ambities en wensen van haar inwoners. Het strategisch perspectief beschrijft de richting die de gemeente op wil en waar zij korte-termijndoelen en -acties op kunnen afstemmen. In de strategische visie geeft de gemeente aan dat Leudal een prachtige plek is om te wonen, vanwege het groen en de rust. Inwoners voelen zich er thuis. De hoop en verwachting wordt uitgesproken dat dat ook in de toekomst zo blijft. Daartoe zijn er in de dorpen niet alleen meer (betaalbare) woningen nodig die geschikt zijn voor ouderen, maar juist ook voor de jeugd. Ook zij moeten hun plek kunnen vinden in Leudal. Onder andere de veranderingen in de economie en de bevolkingsomvang en -samenstelling, de opgaven rond veilige bereikbaarheid en de beschikbaarheid van passende woningen hebben gevolgen voor de leefbaarheid en de vitaliteit van Vastgesteld

22

de dorpen. De gemeente wil actief inspelen op die ontwikkelingen en eraan bijdragen dat in 2035 jong en oud in Leudal kan wonen in een goed verzorgde omgeving, met een goed en bereikbaar voorzieningenaanbod. De gemeenschapszin in de dorpen vormt een belangrijk uitgangspunt voor het nieuw te ontwikkelen beleid van de gemeente. De ambitie is om passend bij de schaal van Leudal en aansluitend bij de cultuur in onze dorpen verder te bouwen aan de sociale structuur en de ondersteuning van inwoners. Leudal is in 2035 een thuis voor mensen die de rust, de ruimte en het groen waarderen. Daartoe moet de doorstroming op de lokale woningmarkt gestimuleerd worden. Zodat de eigen inwoners die dat willen in hun dorp kunnen blijven én mensen van buiten de kans krijgen om te genieten van het mooie leven in Leudal. Leudal kiest ervoor om binnen de kaders die het Rijk en de provincie stellen de woningvoorraad te vernieuwen, te verduurzamen en waar nodig uit te breiden. De gemeente heeft zodoende de volgende ambities: ▪ De gemeente legt het accent op de realisatie van woonruimte voor starters, jonge gezinnen en voor ouderen. Om te voorkomen dat voor de toekomstige leegstand wordt gebouwd, zoeken zij samen met inwoners en bouwers naar nieuwe manieren van bouwen; ▪ De woonbehoefte en het potentieel voor woningbouw is niet in elk dorp in Leudal hetzelfde.

De gemeente zet er daarom op in, om samen met haar inwoners in beeld te brengen wat de lokale mogelijkheden en behoeften precies zijn. In Grathem zijn al jaren nauwelijks nieuwe woningen gebouwd. Er heerst onder de inwoners wel een behoefte om nieuwe woningen te bouwen. De gemeente is voornemens om samen met de inwoners 12 nieuwe woningen te realiseren. De woningen zijn beoogd ter plaatse van de voormalige voetbalvelden in Grathem. De woningen sluiten goed aan bij de concrete vraag naar woningen die er vanuit de inwoners is gebleken. Gezien de ambitie van de gemeente Leudal om nieuwe woningen te realiseren die aansluiten bij de behoefte vanuit de inwoners is het initiatief passend in de strategische visie. 3.4.3 Structuurvisie Leudal – “Regie op de toekomst” Op 14 april 2010 heeft de gemeenteraad van Leudal de Structuurvisie Leudal vastgesteld voor het gehele grondgebied van de gemeente. Met de structuurvisie wil de gemeente regie voeren op de ontwikkelingen en processen die voor de toekomst van Leudal van belang zijn. Ontwikkelingen die het goed wonen, leven en werken ondersteunen en verbeteren wil de gemeente kunnen faciliteren en stimuleren. Voor sommige ontwikkelingen zal ze daarbij zelfs initiatiefnemer willen zijn. Voor andere ontwikkelingen is zij ook afhankelijk van initiatieven van derden, zoals ondernemers, woningcorporaties, instellingen, en burgers.

Ontwikkelingen die afbreuk doen aan de toekomst van Leudal wil de gemeente waar mogelijk voorkomen. In de structuurvisie zijn de stedelijke gebieden onderverdeeld in de volgende zones: ▪ Centrumkern ▪ Autonome kernen ▪ Woondorpen ▪ Werkgebieden. De kern Grathem is aangeduid als ‘woondorp’ en de onderhavige locatie is volledig gelegen binnen de begrenzing van die aanduiding. De woondorpen hebben een sterk agrarisch verleden en ook nu nog zijn er nog veel banden met het omliggende agrarisch gebied. Het voorzieningenniveau is in deze dorpen over het algemeen beperkt. De dorpen zijn in feite woondorpen, met de nadruk op “goed wonen”. In de structuurvisie ligt de nadruk op de visie van de gemeente op de functionele ontwikkelingen van de diverse, ruimtelijk relevante onderwerpen. Waar liggen voor de gemeente plichten, wat zijn de ambities, waar ziet de gemeente kansen en

Vastgesteld

23

bedreigingen? En onder welke criteria zijn ontwikkelingen mogelijk? Hiermee is de structuurvisie een regie-instrument voor de dagelijkse gang van zaken. Binnen de structuurvisie wil de gemeente regie voeren op de ontwikkelingen en processen die voor de toekomst van Leudal van belang zijn. Ontwikkelingen die het goed wonen, leven en werken ondersteunen en verbeteren wil de gemeente kunnen faciliteren en stimuleren. Uitgangspunt voor het beleid ten aanzien van wonen is dat, in het kader van de leefbaarheid, de veranderingen in de aard en omvang van de woningvoorraad niet geënt worden op de kwantiteit van de voorraad, maar op de kwaliteit van de voorraad. Door in te zetten op kwaliteit wil de gemeente een woningvoorraad bieden die bijdraagt aan de sociale binding van mensen met de gemeente, maar die ook afgestemd is op en bijdraagt aan de verschillende ruimtelijke karakteristieken van de afzonderlijke kernen en het buitengebied. Het voorliggende initiatief betreft de realisatie van 12 woningen, gelegen in het groen. De woningen worden gerealiseerd op de voormalige voetbalvelden, die thans braak liggen. Met de woningbouwontwikkeling is sprake van een passende herinvulling van de voormalige voetbalvelden. De herinvulling van de locatie komt het goed wonen in Grathem ten goede.

Doormiddel van de hoogwaardige landschappelijke inpassing wordt de bestaande landschapskwaliteit gewaarborgd en waar mogelijk versterkt. Hiermee sluit het initiatief aan op de doelstelling om in te zetten op de kwaliteit van de woningvoorraad en niet de kwantiteit. Het initiatief is hiermee passend binnen de Structuurvisie Leudal “Regie op de toekomst”. 3.4.4 Nota Kwaliteit De op 3 oktober 2013 door de raad vastgestelde Nota Kwaliteit vormt een uitwerking van hetgeen in de Structuurvisie Leudal is opgenomen over kwaliteitsverbetering. Bij de beoordeling van ruimtelijke plannen zoals bijvoorbeeld woningbouwplannen of uitbreiding van bedrijven komt een kwaliteitsbijdrage in beeld bij een planologische afweging of een bepaalde ontwikkeling aanvaardbaar is op een bepaalde locatie. De kwaliteitsbijdrage is daarbij noodzakelijk om negatieve ruimtelijke effecten van het plan te compenseren. Ruimtelijke ontwikkelingen worden niet toegestaan zolang niet verzekerd is dat het optredende kwaliteitsverlies wordt gecompenseerd. De kwaliteitsverbetering die een initiatiefnemer gaat realiseren wordt vastgelegd in de ruimtelijke onderbouwing van het plan, het bestemmingsplan of omgevingsvergunning en in een privaatrechtelijke overeenkomst met de gemeente. Om onderhavige ontwikkeling mogelijk te maken is een kwaliteitsverbetering noodzakelijk.

In de Nota Kwaliteit zijn de modules uit het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) van toepassing verklaard. Voor het onderhavige initiatief is de module ‘Nieuwe uitbreidingsgebieden voor woningbouw’ van toepassing. Daarin is een kwaliteitsbijdrage vastgelegd van € 5 per m2 plangebied ten behoeve van de realisering van groen, natuur, landschap en herstel landschappelijke cultuurhistorie. De kwaliteitsbijdrage met een hoogte van € 92.500,= wordt ingezet om het verlies aan ruimtelijke kwaliteit dat optreedt bij deze ontwikkeling elders te compenseren conform de uitgangspunten van de Nota Kwaliteit. Landschappelijke inpassing van de locatie van het initiatief vormt daarbij altijd een voorwaarde naast de kwaliteitsverbeterende maatregel of een bijdrage in het groenfonds. De landschappelijke inpassing van het plangebied is uitgebreid behandeld in paragraaf 4.4. De Kwaliteitscommissie Weert, Nederweert en Leudal heeft op 18 januari 2023 een advies uitgebracht met betrekking tot het landschappelijke inpassingsplan en de kwaliteitsbijdrage. Dit advies is opgenomen als bijlage 11 bij deze toelichting. De commissie gaat akkoord met onderhavig plan, onder de voorwaarde dat de opmerkingen van de commissie worden opgenomen in de verdere uitwerking. In paragraaf 4.4 wordt toegelicht hoe het advies van de commissie in het landschappelijk inpassingsplan is verwerkt.

Vastgesteld

24

3.4.5 Versnellingsagenda Wonen De lokale Versnellingsagenda Wonen wordt periodiek bijgesteld om te kunnen blijven inspelen op actuele ontwikkelingen. Onderstaande uitgangspunten vormen daarvoor de basis. De meest recente actualisatie voor de periode 2023-2025 is 13 december 2022 vastgesteld. Door bewust te kiezen voor een gerichte aanpak voor nieuwe bouwmogelijkheden, is het effect op de leefbaarheid en vitaliteit van de kernen en de positie van specifieke doelgroepen op de woningmarkt het grootst. De versnellingsagenda integreert de kwantitatieve en kwalitatieve uitgangspunten van de (geactualiseerde) regionale structuurvisie met de lokale ontwikkelwens en -kracht. Hierdoor is geen sprake van of onderscheid tussen regulier beleid en aanvullend beleid, maar van een nieuwe aanpak. De Versnellingsagenda Wonen zet in op drie hoofdonderdelen. 1. Ontwikkelen van vrijkomend of leegstaand vastgoed op projectmatige wijze (grote(re) (sloop en) nieuwbouwplannen); 2. Transformeren van vrijkomend of leegstaand vastgoed met een publieksfunctie, waarbij de publieksfunctie nu of in de toekomst het bestaansrecht verliest; 3. Bouwen/realiseren wat in de planvoorraad zit (afronden van bestaande plannen en projecten). Onder projectmatige woningbouw wordt verstaan grote(re) ontwikkellocaties die door de gemeente of derden in de markt worden gezet voor de realisatie van passende woningen.

Het gaat hierbij om locaties die een bijzondere plek in een dorp of kern innemen en de sleutel zijn tot betaalbare woningbouw, een leefbare kern en sociale cohesie. Als voorbeelden hierbij gelden initiatieven voor en door inwoners in de vorm van CPO, wooncoöperaties, verenigingen of stichtingen en beheerscoöperaties. Zij realiseren betaalbare, innovatieve of bijzondere woonvormen. Al dan niet in samenwerking met gemeente, woningcorporaties of derden. Het aantal woningbouwrealisaties is de laatste jaren hoog. Dit niveau wil de gemeente doorzetten, met een bouwambitie van 125-150 woningen per jaar. Daarbij is het nadrukkelijk de wens om het aandeel huurwoningen te vergroten. Kansrijke woningbouwplannen uit de planvoorraad zijn de afgelopen periode geactiveerd en veelal in aanbouw. Ook is actief onderhandeld om minder passende plannen bij te stellen of te schrappen. Hierdoor bestaat de huidige planvoorraad bijna volledig uit actuele woningbouwplannen. In alle kernen is woningbouw gepland. De nieuw te realiseren woningen passen in de gemeentelijke ambitie om woningbouw op geschikte locaties te versnellen om zo in te spelen op de huidige woonbehoefte. In dit geval is sprake van een actuele woonbehoefte, waarbij de gegadigden zich hebben gebundeld in een CPO. De gemeente juicht dergelijke concrete inwonersinitiatieven toe.

De woningen voldoen aan een concrete woonbehoefte en zullen levensloopbestendig worden uitgevoerd waardoor de woningen bijdragen aan een toekomstige woningvoorraad in Grathem. Ten slotte worden de woningen gerealiseerd op een plek die vraagt om een passende herinvulling, gelegen binnen de bebouwde kom. Met woningbouw wordt in dat kader aangesloten bij de woonfunctie van de bebouwde kom van Grathem.

Vastgesteld

25

4 BESCHRIJVING PLAN Enkele (oud)inwoners van Grathem zijn in een levensfase aangekomen dat zij een volgende stap willen maken op de woningmarkt. Zij wonen nu in kleinere gezins- of starterswoningen en willen graag groter gaan wonen. Daarbij willen zij graag in Grathem blijven wonen of terugkeren naar Grathem. Alhoewel er dus vraag is naar (grotere) vrijstaande woningen zijn deze niet beschikbaar in Grathem. Door het vertrek van de lokale voetbalvereniging kwamen de voetbalvelden braak te liggen. Hierdoor diende zich de gelegenheid aan tot nieuwbouw op een locatie welke in eigendom is van de gemeente Leudal. De gegadigden willen daarom op de voormalige voetbalvelden nieuwbouw realiseren zodat hun woonwens vervuld kan worden. Om dit bereiken hebben zij hun krachten gebundeld om middels Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO), onder de naam CPO Grasheim, de nieuwe woningen te realiseren. CPO Grasheim zal in samenspraak met de gemeente Leudal en met ondersteuning van BIEB (Bouwen In Eigen Beheer) de woningen ontwikkelen. CPO Grasheim telt twaalf deelnemers, waarvan er elf momenteel in Grathem woonachtig zijn en is er sprake van één terugkerende deelnemer. Ook zijn er vijf deelnemers die op een reservelijst staan, welke allen in Grathem wonen (peildatum 26 oktober 2022).

De reservelijst kan van toepassing zijn indien een van de deelnemers gedurende het traject wenst uit te stappen. Met alle deelnemers (ook de reserveleden) is een deelnameovereenkomst afgesloten. De deelnemers variëren in leeftijdscategorieën van 25-65 jaar waarvan één alleenstaand huishouden en 11 gezinnen waarvan het merendeel met kinderen in verschillende leeftijden (0-22 jaar).

4.1 Doelstelling en uitgangspunten De doelstelling van dit bestemmingsplan is gericht op het herontwikkelen van de voormalige voetbalvelden, gelegen op de hoek van de Sportlaan en Kuiperweg in Grathem, tot een locatie waar 12 nieuwe vrijstaande woningen kunnen worden gerealiseerd in een groene setting. Bij de opstelling van dit bestemmingsplan zijn de volgende uitgangspunten leidend geweest: ▪ De huidige sportbestemming van het plangebied wordt volledig gesaneerd. ▪ Daarvoor in de plaats dienen binnen het plangebied 12 nieuwe woningen te worden gerealiseerd. Het bestemmingsplan dient een adequate, maar vooral flexibele regeling te bevatten voor de realisatie van de nieuwe woningen. ▪ De nieuwe woningen betreffen allen vrijstaande woningen. ▪ Parkeren bij de nieuwe woningen dient op het eigen terrein plaats te vinden. ▪ De goot- en bouwhoogte van de nieuwe woningen bedraagt maximaal respectievelijk 5 en 9 meter. ▪ De maximale bouwdiepte van de woningen bedraagt 15 meter. Hiermee wordt aangesloten bij de gemeentelijke standaard voor nieuwe woningen. ▪ De nieuwe woningen zullen allen worden ontsluiten via een nieuw aan te leggen openbare (rond)weg, volledig gelegen binnen de grenzen van het plangebied. De (rond)weg ontsluit op de Sportlaan vanwaar het verkeer alle richtingen op kan. ▪ De nieuwe woningen dienen met hun voorgevel te worden gericht naar de nieuwe (rond)weg.

De voorgevel van een woning dient minimaal 3 meter uit de voorste perceelsgrens te worden gepositioneerd. ▪ Bijgebouwen bij de woningen mogen in principe uitsluitend in het achtererf van de woning worden gerealiseerd. ▪ Ook voor overige maatvoeringen (waaronder bebouwingspercentage, goot- en bouwhoogte bijgebouwen, etc.) dient te worden aangesloten bij de gemeentelijke standaard voor nieuwe woningen. ▪ Het openbaar gebied dient een groene parkachtige invulling te krijgen, bestaande opgaande groenstructuren rondom de voormalige voetbalvelden dienen daarbij behouden te blijven c.q. te worden versterkt. Verder dient achter en

Vastgesteld

26

▪

▪ ▪

tussen de woningen een erfafscheiding te worden gerealiseerd in de vorm van een (gemengde) haag (voorwaarde goedkeuring Kwaliteitscommissie). Een voorwaardelijke bepaling dient de aanleg en instandhouding van het groen te borgen. Het plangebied wordt ontsloten middels een toegangsweg die aansluit op de Sportlaan. Een tweede calamiteitenontsluiting wordt gerealiseerd naar de Kuiperweg. Voor de ontsluiting van het plangebied zijn de volgende uitgangspunten aangehouden: ▪ de toegangsweg > 4,5 meter breed; ▪ de afstand van de rondweg < 80 meter vanaf de Sportlaan is; ▪ er kan worden rondgereden; ▪ een opstelplaats voor een brandweervoertuig mogelijk is van 4 x 10 meter. Vanaf de opstelplaats moet iedere toegang van een woning binnen 40 meter bereikbaar zijn (voldoet indien het brandweervoertuig op de weg kan staan). ▪ Verder dienen de bochten om in de keerlus te komen geschikt te zijn voor grote voertuigen zoals brandweerwagens of vuilniswagens. Ten behoeve van de uniformiteit van bestemmingsplannen binnen de gemeente Leudal dient het onderhavige bestemmingsplan qua systematiek aan te sluiten bij de gemeentelijke standaarden uit het vigerende bestemmingsplan.

Reeds van toepassing zijnde dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen conform het vigerende bestemmingsplan, welke relevant zijn voor deze ontwikkeling, dienen opnieuw van toepassing te worden verklaard in het nieuwe bestemmingsplan zodat deze waarden en belangen nog steeds planologisch blijven geborgd.

De uitgangspunten hebben geleidt tot een bestemmingsplan waarin het plangebied niet langer bestemd is als ‘Sport’ of ‘Groen’ maar als ‘Wonen’, ‘Tuin’, ‘Verkeer’ en ‘Groen’. De woningen dienen te worden gerealiseerd binnen de woonbestemming. Verdeeld over het plangebied zijn vier vlakken als zodanig aangewezen. Per vlak is een bouwvlak opgenomen met de aanduiding ‘vrijstaand’ waarbinnen de hoofdgebouwen dienen te worden gerealiseerd. Uitsluitend vrijstaande woningen zijn toegestaan. Maximaal het aantal woningen is toegestaan zoals ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ is aangegeven. Afstand van de voorste grens van het bouwvlak tot aan de voorste perceelsgrens bedraagt 3 meter. De diepte van het bouwvlak bedraagt 15 meter. Om te voorkomen dat voor de woningen en aan de zijkanten van het woonvlak ter plaatse van het openbaar gebied bijgebouwen worden opgericht is aan deze gebieden de bestemming ‘Tuin’ toegekend. Een woongebruik is hier toegestaan zonder de bouwmogelijkheden zoals die wel zijn toegestaan binnen de woonbestemming. De nieuwe (rond)weg is bestemd als ‘Verkeer’. Hiermee is een openbare verkeersfunctie voor dit gebied gewaarborgd. Om te voorkomen dat de calamiteitenontsluiting wordt gebruikt voor een openbare verkeersfunctie is hier de aanduiding ‘specifieke vorm van verkeer – calamiteitenontsluiting’ toegekend.

Alle overige gronden, dus de gronden tussen de woonvlakken, de huidige groenstructuren en het middengebied van de (rond)weg, zijn bestemd als ‘Groen’. In deze bestemming is een voorwaardelijke bepaling opgenomen welke borgt dat aanleg en instandhouding van groen binnen deze bestemming noodzakelijk is.

4.2 Toekomstige situatie CPO Grasheim heeft in samenwerking met de gemeente Leudal een stedenbouwkundig ontwerp laten opstellen om op een juiste wijze 12 woningen op de voormalige sportvelden te positioneren. Het stedenbouwkundig ontwerp voorziet in een introverte verkaveling gelegen aan een extravert groen plein. Door naast een nieuw te realiseren hoofdontsluiting aan de Sportlaan en een calamiteitenontsluiting naar de Kuiperweg tevens twee doorsteken voor langzaam verkeer (fietsers

Vastgesteld

27

en wandelaars) te ontwerpen is er een goede interactie met de bestaande woonwijk, de openbare functies en de aansluiting op het buitengebied. De bestaande groene zoom wordt daar waar noodzakelijk hersteld, versterkt en krijgt een update, schuttingen zullen groen worden uitgevoerd. De collectieve architectuur voorziet in een landelijke uitstraling met een sterk openbaar karakter.

Afbeelding 13. Stedenbouwkundig plan nieuwe invulling plangebied

4.3 Commissie ruimtelijke kwaliteit / stedenbouwkundige inpassing De CRK heeft op 17 maart 2022 een positieve grondhouding ingenomen ten aanzien van het stedenbouwkundig plan, maar het plan moet nog nader worden uitgewerkt. Het definitief uitgewerkte stedenbouwkundig plan zal te zijner tijd ter goedkeuring aan de CRK worden voorgelegd. Hoewel het stedenbouwkundig plan nog nader moet worden uitgewerkt, is op voorhand duidelijk dat binnen het plangebied voldoende maat en schaal beschikbaar is voor een passende verkaveling en goede infrastructuur in de vorm van ontsluiting en parkeren, een en ander in een aantrekkelijke groene setting. Aangezien het plangebied aan de rand ligt van de bebouwde kom van Grathem past de woningbouwontwikkeling vanuit stedenbouwkundig en functioneel oogpunt binnen de omgeving. Er is feitelijk sprake van de invulling van een braakliggende open plek aan de rand van de kern. Ten zuiden en ten oosten van het plangebied liggen namelijk reeds woningen c.q. woonwijken.

Vastgesteld

28

Gezien het plangebied grenst aan het buitengebied zorgt het groene karakter van de woningbouwontwikkeling voor een geleidelijke transitie van de bebouwde kom naar het landelijk gebied. Er zijn dan ook geen negatieve stedenbouwkundige of ruimtelijke effecten voor de omgeving te verwachten.

4.4 Landschappelijke inpassing Om de nieuwe woningen op een juiste manier in het landschap in te passen is voor de locatie een landschappelijk inpassingsplan1 opgesteld. Bij het opstellen van de inpassing is het behouden van het huidig groen kader met bomen, als groene plint en afscherming van de uitbreidingswijk, als basis genomen. De nieuwbouw wordt omkaderd met een parkachtige invulling van diverse soorten inheemse enkel- en meerstammige bomen. De openbare ruimte heeft een zodanige afmeting dat er ruimte is voor het toepassen van bomen met een eindhoogte van 15 m (bomen van de 1e grootte).

Afbeelding 14. Landschappelijke inpassing van het plangebied

Door de parkachtige indeling liggen er een aantal wandelpaden in extensief te beheren grasvegetaties. Het beeld wat hierdoor ontstaat is een hoge grasvegetatie waarbij ook kruidachtige kunnen ontwikkelen en daardoor een divers beeld ontstaat met een diversiteit aan soorten grassen en kruiden. De overgang van de bestaande houtsingel naar het parkachtige deel zal heel natuurlijk overkomen door de extensief te beheren grasvegetatie. Aan de noordzijde zijn een aantal vakken met heesters gesitueerd die schuilgelegenheid en een voedselbron zijn voor fauna. Vanuit de Sportlaan / Kalebosstraat is er een zichtlijn door het plangebied naar het buitengebied. Beleving van tijdelijk water is gerealiseerd door middel van wadistructuren in het centrum van het plangebied tussen de rijbanen. Aan de westzijde is een speelveld voorgesteld met een intensief te onderhouden grasveld. Bij de keuze

1

Ontwerp: Kragten, CPO Grasheim beplantingsplan, 16 februari 2023 Motivatie: Gemeente Leudal, Memo landschappelijke context, 24 februari 2023

Vastgesteld

29

van de bomen is rekening gehouden met een voedselbron voor diverse soorten fauna in de vorm van levering van nectar, bessen en noten. Bij het beheer van de aanwezige houtsingel is streven om de niet inheemse soorten op termijn te verwijderen. Om de tuinen aan de achterzijde te laten aansluiten bij het extensieve parkgedeelte is de voorkeur om in de achtertuinen hagen toe te passen met een mix van inheemse soorten. De Kwaliteitscommissie Weert, Nederweert en Leudal heeft op 18 januari 2023 een advies uitgebracht met betrekking tot het landschappelijke inpassingsplan. Dit advies is opgenomen als bijlage 11 bij deze toelichting. De commissie gaat akkoord met het inpassingsplan, onder de voorwaarde dat de opmerkingen van de commissie worden opgenomen in de verdere uitwerking. Deze opmerkingen zijn verwerkt tot het definitieve inpassingsplan.

4.5 Ontwikkelingen in/nabij plangebied Voor zover bekend staan er geen (grootschalige) ontwikkelingen op stapel in de directe omgeving van het plangebied. De woningen ten zuiden en ten oosten blijven zoals thans aanwezig in stand. De sportfuncties ten westen van de voormalige voetbalvelden blijven eveneens in stand. Ten slotte zijn ook voor het buitengebied, ten noorden van het plangebied, geen noemenswaardige ontwikkelingen voorzien in de komende tijd.

Vastgesteld

30

5 ONDERZOEKSASPECTEN

5.1 Archeologie en cultuurhistorie 5.1.1 Archeologie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe Rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en vervangt zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. De wet bepaalt dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag waar het gaat om het toetsen van bestemmingsplannen op het aspect archeologie en de uit onderzoek voortkomende rapporten. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is voor het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' van toepassing. Derhalve is het plangebied ook mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden.

Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor bouwen, die betrekking heeft op de voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden, moeten bij verstoringen dieper dan 40 cm onder het maaiveld en bij oppervlakte van bodemingrepen groter dan 1.000 m2 een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Onderhavige ontwikkeling voorziet in de realisatie van 12 nieuwe woningen, waarbij het verstoringsoppervlakte (ook mede in relatie tot de aanleg van de noodzakelijke infrastructuur) boven de 1.000 m2 ligt. Er heeft dan ook voor het plangebied archeologisch onderzoek plaatsgevonden in de vorm van een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek2. Uit het onderzoek blijkt dat de kans groot is dat ter plaatse archeologische resten uit de periode neolithicum – nieuwe tijd in de ondergrond kunnen worden aangetroffen. De graafwerkzaamheden die in het kader van de woningbouwontwikkeling gaan plaatsvinden kunnen een negatieve impact hebben op het verwachte aanwezige archeologische niveau. Op basis van de bodemkundige gesteldheid kunnen onder de humushoudende bovengrond (0 – 25 cm-mv) archeologische resten aanwezig zijn. Wanneer er graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden, dan kunnen eventueel aanwezige archeologische resten verloren gaan. Op basis hiervan wordt voor het plangebied een vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek.

Hiervoor dient voorafgaand een Programma van Eisen (PvE) ter toetsing voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Leudal). De resultaten van het onderzoek zijn getoetst door de bevoegde overheid. Deze gaat akkoord met het opgestelde advies. Dit betekent dat de volgende stap gezet gaat worden in het kader van het aspect archeologie en wel door het opstellen van een PvE3. Op basis van dit PvE zal vervolgens een proefsleuvenonderzoek worden opgesteld. Tijdens het proefsleuvenonderzoek (eveneens uitgevoerd door Aeres Milieu) zijn niet de eerder verwachte archeologische waarden aangetroffen. Op basis hiervan wordt geadviseerd het plangebied niet nader te onderzoeken en

2

Aeres Milieu, Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek door middel van boringen Sportlaan (ong.) te Grathem (gemeente Leudal), 18 januari 2023, projectnummer: AM22388 3 Aeres Milieu, Programma van Eisen Sportlaan (ong.) te Grathem (gemeente Leudal), 3 april 2023

Vastgesteld

31

het archeologisch vrij te geven. Naar aanleiding hiervan is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ van de locatie verwijderd. De woningen kunnen derhalve zonder verdere archeologische restricties gebouwd worden. 5.1.2 Cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Conform het vigerende bestemmingsplan en de cultuurhistorische waardenkaart van de Provincie Limburg heeft het plangebied geen aanduidingen die eventuele historische facetten beschermen. Door het ontbreken van cultuurhistorische waarden in de omgeving van het plangebied heeft het initiatief hier geen nadelige effecten op. 5.1.3 Conclusie archeologie en cultuurhistorie Vanuit archeologie en cultuurhistorisch oogpunt bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde woningbouwontwikkeling.

5.2 Duurzaamheid Duurzaamheid is een integraal onderdeel van de kwaliteit van de gebouwde omgeving. Duurzaam bouwen staat voor het ontwikkelen en beheren van de gebouwde omgeving met respect voor mens en milieu. Gezondheids- en milieuaspecten zijn in alle fasen van de inrichting, de bouw en het gebruik van de gebouwde omgeving van belang. Er wordt gestreefd naar duurzame (stedelijke) ontwikkeling, lage milieubelasting, energieneutrale woningbouw en behoud en versterking van de kwaliteit van de gebouwde omgeving. Het Bouwbesluit stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuwe woningen. Voor alle nieuwbouwwoningen geldt dat aanvragen voor een omgevingsvergunning die vanaf 1 januari 2021 worden ingediend, moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). In BENG wordt de energieprestatie van een gebouw uitgedrukt met drie indicatoren: ▪ De energiebehoefte van het gebouw; ▪ Het primair fossiele energiegebruik; ▪ Het aandeel hernieuwbare energie. De te realiseren woningen binnen het plangebied zullen aan deze eisen moeten voldoen. Naast BENG zijn in het Bouwbesluit eisen opgenomen ten aanzien van de ventilatie, luchtdichtheid en isolatie van woningen. Ook deze aspecten zijn van belang in het kader van duurzaamheid.

Zo zorgt een goed ventilatiesysteem voor de juiste balans in luchtkwaliteit, comfort en energieprestatie van gebouwen en wordt door 'kierdicht' te bouwen voorkomen dat lucht, vocht of warmte ongewenst het gebouw binnenkomt of verlaat. Een goede isolatie zorgt daarnaast voor meer comfort en lagere energiekosten. Verder stelt het Bouwbesluit eisen aan de milieuprestaties van een gebouw. Hierbij geldt als voorwaarde dat bij nieuwbouw de belasting van het milieu wordt beperkt door de in het bouwwerk toe te passen materialen. Voor nieuwbouwwoningen groter dan 100 m² geldt dat een zogeheten Milieuprestatieberekening (MPG) bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te worden ingediend. Tot slot is op basis van de “Wet voortgang energietransitie” de gasaansluitplicht komen te vervallen. Dit volgt uit het nieuwe lid 7 van artikel 10 van de Gaswet, waarin is bepaald dat de aansluittaak van de netbeheerders niet van toepassing Vastgesteld

32

is op het aansluiten van (onder meer) nieuwbouwwoningen. Dit betekent in de praktijk dat de te realiseren woningen niet zullen worden aangesloten op het gasnet. Duurzaamheidsaspecten worden verder uitgewerkt bij de planuitwerking ten behoeve van de omgevingsvergunning voor het bouwen.

5.3 Kabels en leidingen Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is er geen sprake van een dergelijke dubbelbestemming in of in de nabijheid van het plangebied. Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen.

5.4 Milieu 5.4.1 Milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG-publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1. de richtafstandenlijst; 2. twee omgevingstypen; 3. een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging. De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG-publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype). In de bijlagen wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijke relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie.

Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardlijst en wel per hinderaspect (geluid, stof, stank en dergelijke) dat in de lijst is genoemd. Het plangebied is te typeren met het omgevingstype gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging; aan de Sportlaan komen allerlei functies voor en ook in het buitengebied bevinden zich allerlei functies. In geval van het omgevingstype gemengd gebied kunnen de afstanden uit bijlage 1 van de VNG-publicatie - zonder

Vastgesteld

33

dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat - met één afstandsstap worden verkleind. Uitzondering hierop is de richtafstand voor het aspect gevaar. De woonfunctie van de op te richten woningen betreft een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving. Wel kunnen de woningen milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de omgeving. Ter plaatse van het plangebied dient daarom aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van de omliggende milieubelastende functies. In de directe omgeving bevinden zich de volgende milieubelastende functies: ▪ accommodatie Jong Nederland op de locatie Sportlaan 3a, afstand tot het plangebied 10 meter ▪ tennisvelden op de locatie Sportlaan 3, afstand tot het plangebied 50 meter ▪ een intensieve veehouderij op de locatie Kuiperweg 1b, afstand tot het plangebied 75 meter ▪ een intensieve veehouderij op de locatie Kuiperweg 2, afstand tot het plangebied 85 meter ▪ schutterij op de locatie Sportlaan ong., afstand tot het plangebied 125 meter De milieuruimte van deze milieubelastende functies in de omgeving is geïnventariseerd aan de hand van de SBI-code en de grootste bijbehorende richtafstand voor geur, stof, geluid en gevaar. Bedrijf

Adres

SBI2008

Accommodatie Jong Nederland (veldsportcomplex) Tennisvelden (veldsportcomplex) Intensieve veehouderij

Sportlaan 3a

931

Richtafstand ‘gemengd gebied’ geur stof geluid 0 0 30

Sportlaan 3

931

0

0

30

0

Kuiperweg 1b

100

30

30

10

Intensieve veehouderij

Kuiperweg 2

100

30

30

10

Schutterij (schietinrichtingen: vrije buitenbanen – schietbomen)

Sportlaan ong.

0141, 0142, 0146, 0147, 0149 0141, 0142, 0146, 0147, 0149 931

0

0

300

1500

gevaar 0

Onderzocht is of de hindercontouren het plangebied overlappen. De richtafstanden voor geluid afkomstig van de accommodatie van Jong Nederland en de schutterij overlappen het plangebied. De richtafstand voor geluid van beide veldsportcomplexen reikt wel tot in het plangebied, maar niet tot aan de woon- of tuinbestemming. Juist ter plaatse van de woon- en tuinbestemming moet een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd, hier wordt immers gewoond. Doordat voor deze bestemmingen wel aan de richtafstanden wordt voldaan is voldoende gemotiveerd dat geluid afkomstig van deze veldsportcomplexen niet tot een aantasting van het woon- en leefklimaat in de woningen leidt. Tevens wordt niet voldaan aan de richtafstanden voor geur ten opzichte van de nabijgelegen veehouderijen. In paragraaf 5.4.5 is het aspect geur gemotiveerd. Het blijkt dat ter plaatse van de nieuwe woningen wordt voldaan aan de geurnormen uit de gemeentelijke geurverordening en de richtafstand van 100 meter.

Vastgesteld

34

Ten slotte wordt niet voldaan aan de richtafstand voor het aspect gevaar bij de schutterij. In artikel 3.114 van het Activiteitenbesluit zijn regels opgenomen met betrekking tot gevaar van een schutterij. Hoewel de schutterij is voorzien van kogelvangers is sprake van een onveilige zone waar gedurende de periode dat wordt geschoten geen personen, uitgezonderd de schutter, baancommandant en één of meer door de baancommandant aangewezen personen, aanwezig mogen zijn. De onveilige zone betreft de oppervlakte van een rechthoek van twee meter aan weerszijden van de voorziening waarin de afgeschoten kogels worden opgevangen bij acht meter. De zone bevindt zich aan de zijde waar op het doel wordt geschoten. Deze zone ligt geheel op het eigen terrein van de schutterij waardoor het aspect gevaar geen belemmering vormt voor het woon- en leefklimaat binnen het plangebied. Conclusie Milieuzonering vormt derhalve geen belemmering voor de realisatie van het initiatief. In de woningen kan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd en andere functies worden niet belemmerd omdat andere bestaande woningen reeds dichterbij zijn gelegen. 5.4.2 Bodem- en grondwaterkwaliteit In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient, in geval van een nieuw bestemmingsplan, aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie, in dit geval voor een woonfunctie.

Ter plaatse is derhalve een verkennend bodemonderzoek4 uitgevoerd. Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen bijzonderheden waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de bovengrond en ondergrond geen gehalten gemeten zijn verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met nikkel, cadmium, xylenen en naftaleen. De resultaten van het bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de woningbouw. In het kader van het onderzoek is geen specifiek onder verricht naar het voorkomen van asbest in de grond en op het maaiveld. Wel heeft een inspectie van het terrein plaatsgevonden. Op het maaiveld en in de vrijkomende grond zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Het onderzoek doet echter geen bindende uitspraak over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem binnen het plangebied. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit en het Handelingskader PFAS van toepassing.

Het grondwater ter plaatse van het plangebied is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater. 5.4.3 Externe veiligheid Bij de ruimtelijke planvorming moet rekening gehouden worden met het aspect externe veiligheid. De risico’s voor de bevolking, die verbonden zijn aan gevaar veroorzakende activiteiten moeten in beeld worden gebracht. De volgende bronnen kunnen aan de orde zijn: ▪ inrichtingen; ▪ transportactiviteiten met gevaarlijke stoffen; ▪ vuurwerkopslagplaatsen; 4

Aeres Milieu, Verkennend bodemonderzoek Sportlaan te Grathem, 2 november 2022, projectnummer: AM22388

Vastgesteld

35

▪

opslagplaatsen ontplofbare stoffen voor civiel gebruik.

Hoewel de kans om komen te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen zeer klein is, gelden er toch bepaalde minimaal aan te houden afstanden tot locaties waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen of getransporteerd. Deze minimaal aan te houden afstanden worden plaatsgebonden risicocontouren genoemd. De grootte van deze plaatsgebonden risicocontouren verschilt per situatie. Zo speelt de hoeveelheid opgeslagen of vervoerde gevaarlijke stoffen een rol, maar daarnaast bijvoorbeeld ook de wijze van opslag en eventuele aanwezige veiligheidssystemen. Wanneer er een ongeval met gevaarlijke stoffen plaatsvindt, dan kunnen de effecten veel verder reiken dan de plaatsgebonden risicocontour. De afstand tot waar een ongeval met een gevaarlijke stof nog onder 1% van de blootgestelden dodelijke slachtoffers kan veroorzaken vormt het invloedsgebied. Het plaatsgebonden risico zegt dus niets over het aantal mensen dat kan komen te overlijden tijdens een ongeval met gevaarlijke stoffen. Hiervoor is het groepsrisico bedoeld. Het groepsrisico is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting en wordt weergegeven in een grafiek. In een dergelijke grafiek is de kans op een calamiteit weergegeven tegenover de hoeveelheid mensen die kan komen te overlijden als gevolg van die calamiteit.

Het groepsrisico is geen harde norm, maar vormt de basis voor een verantwoording van de aanwezige risico's door de gemeente. Het gemeentebestuur heeft beleidsruimte bij het toepassen van de hoogte van het groepsrisico bij ruimtelijke ontwikkelingen. Echter, het gemeentebestuur is wel verplicht voor het invloedsgebied verantwoording af te leggen over de hoogte van het groepsrisico, de te nemen maatregelen om de effecten van deze risico's te reduceren en de eventuele restrisico's. Risicovolle activiteiten rond het plangebied Door het Interprovinciaal Overleg (IPO) is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enzovoorts.

Afbeelding 15. Ligging risicovolle bedrijven, objecten en transportroutes in relatie tot het plangebied (plangebied in blauw aangegeven)

Vastgesteld

36

Met behulp van de provinciale risicokaart is bepaald of het plangebied binnen de plaatsgebonden risicocontouren, dan wel invloedsgebieden van omliggende risicovolle activiteiten gelegen. In de directe omgeving is geen sprake van risicovolle activiteiten. Op grotere afstand liggen de volgende risicovolle activiteiten: ▪ ondergrondse buisleiding (gasleiding) evenwijdig aan de snelweg, afstand tot plangebied circa 1 km ▪ een LPG-tankstation aan de Hunselerdijk 5 in Kelpen-Oler, afstand tot het plangebied circa 1,1 km ▪ vervoer gevaarlijke stoffen over snelweg A2, afstand tot het plangebied circa 1,2 km ▪ ondergrondse buisleidingen aan de overzijde van de snelweg, afstand tot het plangebied circa 1,7 km De onderlinge afstand van het plangebied en deze risicovolle activiteiten is dusdanig groot dat het plangebied niet gelegen is binnen een plaatsgebonden risicocontour en / of het invloedsgebied van het groepsrisico. De nieuwe woningen zijn niet gelegen binnen het invloedsgebied van het groepsrisico waardoor het niet noodzakelijk is een afweging te maken van het groepsrisico. Conclusie Externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor de woningbouwontwikkeling. 5.4.4 Geluid Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder.

Per 1 januari 2007 is de Wijzigingswet Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase) in werking getreden. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer en spoorwegen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft (zie onderstaande tabel), met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Aantal rijstroken 5 of meer 3 of 4 1 of 2

Breedte van de geluidszone (in meters) Buitenstedelijk Stedelijk 600 350 400 350 250 200

Woningen betreffen geluidsgevoelige objecten. Dit houdt in dat er moet worden aangetoond dat wegverkeerslawaai ter plaatse geen negatieve effecten teweegbrengt voor de toekomstige bewoners van de woningen. In feite mogen nieuwe woningen niet worden gerealiseerd, wanneer er een geluidbelasting van wegverkeer optreedt van 48 dB of hoger, tenzij ontheffing is verleend door het College van burgemeester en wethouders (mogelijk tot maximaal 63 dB). Hiervoor dient tegelijkertijd met de bestemmingsplanprocedure een hogere waarden procedure op grond van de Wgh te worden gevoerd. Als een nog hogere geluidbelasting wordt ondervonden is woningbouw alleen mogelijk als de woningen worden uitgevoerd met een dove gevel op de gevel(s) waar de geluidbelasting meer bedraagt dan 63 dB. Het plangebied valt binnen de geluidzone van de Kuiperweg (60 km/uur) en de Lindestraat (50/60 km/uur). Daarnaast zijn er een aantal relevante wegen gelegen in de omgeving met een maximumsnelheid van 30 km/uur. In dat kader is een akoestisch onderzoek noodzakelijk om de exacte gevolgen van wegverkeerslawaai te bepalen. Er is dan ook een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai5 uitgevoerd.

5

De Roever Omgevingsadvies, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Sportlaan 1 Grathem realisatie woningen, 29 oktober 2021, referentie: 20211545.v01

Vastgesteld

37

Uit het onderzoek blijkt dat aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voldaan wordt. Een hogere waarden procedure is daarom niet nodig. Verder volgt uit het onderzoek dat de gecumuleerde geluidbelasting ten hoogste 53 dB bedraagt (aan de oostelijke zijde van het plangebied). De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan maximaal 20 dB (standaardeis uit het Bouwbesluit). Een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels is niet nodig. De milieukwaliteit wordt geclassificeerd als “zeer goed” tot “redelijk”. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van het plangebied wordt als acceptabel aangemerkt. Daarbij kunnen de volgende zaken in overweging worden meegenomen: ▪ Alle woningen zullen beschikken over minimaal één geluidluwe gevel. ▪ Alle woningen zullen beschikken over een geluidluwe achtertuin. ▪ De gevels zullen door de eisen uit het Bouwbesluit voldoende gevelwering hebben om een binnenniveau van 33 dB te kunnen garanderen. Op basis hiervan kan gesteld worden dat de cumulatieve geluidbelasting van het wegverkeer een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat. 5.4.5 Geur veehouderijen Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid.

Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebied bestemd voor wonen en verblijf. De nieuwe woningen betreffen derhalve geurgevoelige objecten. Binnen de gemeente Leudal geldt met betrekking tot het aspect geurhinder zoals opgenomen in hoofdstuk 3.5 van de Algemene verordening gemeente Leudal (voorheen: de “Verordening geurhinder en veehouderij 2017”). Verder heeft de gemeente Leudal om de kernen van dorpen “kernrandzones” vastgelegd. Dit om de woonkernen te beschermen tegen eventuele invloed van veehouderijen op het woon- en leefklimaat. Bedrijven die gelegen zijn in een kernrandzone hebben daarom een zeer beperkt bouwvlak, dieren mogen uitsluitend worden gehouden binnen de stallen, en de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ is direct rondom de stallen opgenomen (niet over het gehele bouwvlak), en het aantal te houden dieren mag niet verder worden uitgebreid. In de gemeentelijke geurverordening is vastgelegd welke normstelling er geldt voor de voorgrondbelasting en bij welke achtergrondbelasting nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

In de verordening is bepaald dat voor een kern, waarbinnen het plangebied valt, een maximale waarde geldt voor de geurbelasting van een veehouderij ten aanzien van een geurgevoelig object van 3,0 Ou/m3 (voorgrondbelasting) en 10,0 Ou/m3 (achtergrondbelasting). Nabij het plangebied, aan de Kuiperweg, bevinden zich twee veehouderijen. Om de belangen van deze veehouderijen te beschermen geldt een afstandscontour van 100 meter voor dieren zonder geurnorm tot aan een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Voor veehouderijen met dieren die wel een geurnorm hebben dient er een berekening uitgevoerd te worden. In de directe omgeving van het plangebied liggen twee veehouderijen waarvan één met dieren zonder geurnorm, zijnde Kuiperweg 1b. Voor de volledigheid worden echter beide veehouderijen beoordeeld op basis van de gestelde afstandsnorm. Een klein deel van het plangebied valt binnen deze afstandscontour. Binnen deze afstandscontour zijn echter geen woningen voorzien. Om dit te borgen is aan dit deel van het plangebied de gebiedsaanduiding ‘milieu – geurzone’ toegekend. Nieuwe geurgevoelige objecten zijn binnen deze gebiedsaanduiding niet toegestaan. De belangen van deze twee veehouderijen zijn daarmee voldoende geborgd.

Vastgesteld

38

Afbeelding 16. Bouwvlakken veehouderijen aan de Kuiperweg met daaromheen afstandscontour van 100 meter

Om te beoordelen of binnen het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat of omliggende veehouderijen met een geurnorm (onevenredig) in hun belangen worden geschaad is een geuronderzoek6 uitgevoerd. Binnen de inrichting van Kuiperweg 2 in Grathem worden dieren met een geurnorm gehouden. Om te beoordelen of sprake is van en goed- woon en leefklimaat is gekeken naar de achtergrond belasting op de nieuw te ontwikkelen woningen. Om te beoordelen of de veehouderij wordt belemmerd is er ook gekeken naar de voorgrondbelasting. De achtergrondbelasting wordt berekend op maximaal 4,5 OU/m3, waardoor aan de norm van 10,0 OU/m3 wordt voldaan. Er wordt dan ook geconcludeerd dat binnen het plangebied sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Ook voor het deel van het plangebied dat op minder dan 100 meter van de nabijgelegen veehouderijen ligt, kan een acceptabel woon- en leefklimaat niet worden gegarandeerd. Om te voorkomen dat geurgevoelige objecten binnen dit deel van het plangebied worden opgericht is hier de gebiedsaanduiding ‘milieu – geurzone’ opgenomen. De hoogst berekende voorgrondbelasting op een bouwvlak binnen het plangebied bedraagt 1,7 OU/m3, Daarmee wordt voldaan aan de norm van 3,0 OU/m3.

Gezien de veehouderijen in de directe omgeving van het bouwvlak niet in oppervlakte en dieraantal mogen uitbreiden, is er geen reden om aan te nemen dat veehouderijen belemmerd worden in hun bedrijfsvoering en ontwikkeling.

6

De Roever Omgevingsadvies, Onderzoek geurhinder veehouderijen CPO Grasheim, 17 juli 2023, referentie: 20231172.v1

Vastgesteld

39

5.4.6 Luchtkwaliteit Algemeen Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekende mate' is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land.

Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uitgegaan van de normen uit de interimperiode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:

Woningen (maximaal)

Minimaal 1 ontsluitingsweg 3%-norm 1.500

Minimaal 2 ontsluitingswegen 3%-norm 3.000

Het voorliggend initiatief voorziet in fors minder woningen. Er kan dan ook worden geconcludeerd dat het initiatief NIBM bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De grenswaarde per 1 januari 2010 voor de jaargemiddelde NO2 concentratie bedraagt 40 µg/m³. Ook de grenswaarde voor de jaargemiddelde PM10 concentratie bedraagt 40 µg/m³. De grenswaarde als 24-uursgemiddelde die 35 keer per jaar mag worden overschreden bedraagt 50 µg/m³. Sinds 1 januari 2015 moet ook getoetst worden aan een grenswaarde

Vastgesteld

40

voor PM2,5, een kleinere fractie van fijn stof. De grenswaarde voor de jaargemiddelde PM2,5 concentratie bedraagt 25 µg/m³. Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 10,2 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 17,1 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 12,2 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor de realisatie van de woningen. Conclusie luchtkwaliteit Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a. Het initiatief voor slechts 12 woningen zal ook nauwelijks extra verkeersaantrekkende werking met zich meebrengen.

Daarnaast draagt het initiatief niet in betekende mate bij aan de luchtkwaliteit, waarmee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm, lid 1 onder c. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer en dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is. 5.4.7 Milieueffectrapportage (m.e.r.) Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Middels deze paragraaf wordt invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen. Deze paragraaf bevat een toetsing aan de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling (zie hierna).

Kenmerken van het project ▪ Omvang van het project ▪ Cumulatie met andere projecten ▪ Gebruik van natuurlijke grondstoffen ▪ Productie van afvalstoffen ▪ Verontreiniging en hinder ▪ Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën Plaats van het project ▪ Bestaand grondgebruik ▪ Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied ▪ Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang Kenmerken van het potentiële effect ▪ Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking) ▪ Grensoverschrijdende karakter van het effect

Vastgesteld

41

▪ ▪

Waarschijnlijkheid van het effect Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect

De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.er. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Omdat het initiatief onder de drempelwaarden valt zoals aangegeven in categorie D11.2 van het Besluit m.e.r., volgt hierna een toets of op basis van de hiervoor genoemde criteria een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Deze paragraaf is mede opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria Omvang project

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leudal&id=85d37088-184d-4189-b1f0-cece199947eb