CConstaterende datLeudal
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting

Commissievergadering Fysiek 24 oktober 2023, gemeente LeudalBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan 'Heverstraat 9c Roggel'14.563 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Indeling Roggel op basis van 'Verordening geurhinder en veehouderij 2017'

28

bestemmingsplan Heverstraat 9c Roggel

Gevolg planvoornemen Aangezien wordt voldaan aan de toegestane geurbelasting en er wordt voldaan aan de vaste afstand ten opzichte van de in de nabijheid gelegen veehouderijen, is nader onderzoek naar het aspect geur niet noodzakelijk. Voor wat betreft het aspect geurhinder zal in de woning sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat.

4.3

Archeologie en cultuurhistorie

4.3.1 Archeologie In de Erfgoedwet is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect 'archeologie' in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Erfgoedwet zijn als volgt: De archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard; Er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect archeologie. De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag waar het gaat om het toetsen van bestemmingsplannen op het aspect archeologie en de uit onderzoek voortkomende rapporten. Binnen het vigerende bestemmingsplan 'Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016' is voor het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' opgenomen. De voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), tevens bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen. Wanneer er verstoringen dieper dan 40 cm onder het maaiveld plaatsvinden én de bodemingreep groter is dan 1.000 m2 , dan moet er een rapport worden overlegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein in voldoende mate is vastgesteld.

Binnen de voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden hoeft er zodoende geen archeologisch onderzoek plaats te vinden indien de grootte van de bodemingreep kleiner is dan 1.000 m² of de grootte van de bodemingreep groter is dan 1.000 m² en de verstoring zich beperkt tot 40 cm onder het oppervlak. Indien de verstoring dieper is dan de hiervoor aangegeven diepte van 40 cm, dan is ongeacht de oppervlakte alsnog archeologisch onderzoek noodzakelijk. Dit is als zodanig ook in de regels geborgd in de bestemming 'Waarde - Archeologie' (artikel 4.2.1, sub b3). Voor onderhavige ontwikkeling geldt dat het bouwvlak veel kleiner (275 m2 ) en beoogde bebouwing met verhardingen (472,5 m2 ) is dan 1.000 m2 . Hiermee zullen de bovenstaande grenswaarden niet overschreden worden. Zodoende is een nader archeologisch onderzoek binnen het plangebied niet noodzakelijk. Gevolg planvoornemen Vanuit archeologisch oogpunt bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.3.2 Cultuurhistorie Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg zijn binnen het plangebied en de directe omgeving geen gebouwde cultuurhistorisch waardevolle elementen aangeduid. De 'Heverstraat' wordt wel aangeduid als een 'andere weg ouder dan 1806'. De ontwikkeling oefent echter geen invloed uit op het verloop en profiel van de Heverstraat.

Gevolg planvoornemen Vanuit cultuurhistorisch oogpunt bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

bestemmingsplan Heverstraat 9c Roggel

29

4.4

Ecologie

4.4.1 Inleiding De bescherming van de natuur is in Nederland vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebieds-bescherming plaats door middel van het Natuur-netwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). 4.4.2 Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming Natura 2000 De Wet Natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden en de Beschermde natuurmonumenten. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied (of Beschermd natuurmonument) zijn vergunningplichtig. Het plangebied is niet gelegen in een Natura 2000-gebied, zodat er uitsluitend sprake is van externe werking.

Gezien de kleinschalige aard van het planvoornemen (realisatie van één vrijstaande woning) en de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden (ongeveer 1 km (leudal), 6 km (swalmdal) 8,5 km (Sarsven/de Banen) en 10 km (groote peel)), is geen sprake van verstoring door licht, trilling, optische verstoring of verstoring door mechanische effecten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstof-depositie zijn vanwege de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbe-scherming ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (Aerius-calculator).

Stikstofdepositie De uitspraak van de Raad van State op 29 mei 2019 heeft bepaald dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet meer als basis gebruikt mag worden voor toestemming voor activiteiten in het kader van de Wnb en dat de “standaard grenswaarde” uit het PAS niet meer gebruikt mag worden. Dit houdt in dat voor planologische procedures en bij de verlening van een omgevingsvergunning een stikstofbeoordeling en, afhankelijk van een stikstofberekening en/of voortoets, mogelijk ook een vergunning Wet natuurbescherming nodig is. Voor elke toename in stikstofneerslag boven de 0,00 mol/ha/jaar, hoe klein dan ook, is een onderbouwing nodig. Na het wegvallen van het PAS is er gewerkt aan nieuwe wettelijke kaders. In de Wet Stikstofreductie en Natuurherstel (juli 2021) was een partiële vrijstelling opgenomen met betrekking tot de bouwactiviteiten van een plan of project. Dat betekent dat deze fase buiten beschouwing diende te blijven en enkel de effecten ten aanzien van de gebruiksfase beoordeeld dienen te worden. Op 2 november 2022 is door de Raad van State uitspraak gedaan in de zaak betreffende het ondergrondse CO2 -opslagproject Porthos waarin de vrijstelling van deze bouwactiviteiten ter beoordeling voor lag. De Raad van State heeft in haar uitspraak geoordeeld dat de stikstof die in de bouwfase vrijkomt niet buiten beschouwing mag worden gelaten.

Concreet betekent dit dat de bouwvrijstelling geschrapt is en de juridische situatie teruggedraaid is naar het wettelijk kader vóór 1 juli 2021. Dit houdt in dat voor alle plannen en projecten zowel de tijdelijke bouwfase alsook de permanente gebruiksfase beoordeeld dient te worden. Voor het onderhavige plan is daarom een beoordeling van zowel de bouwactiviteiten als de gebruiksfase aan de orde.

30

bestemmingsplan Heverstraat 9c Roggel

Realiatiefase Onderhavige ontwikkeling ziet toe op de transformatie van het plangebied naar een woonlocatie. In het kader hiervan hoeft geen bestaande bebouwing te worden gesloopt, waardoor de realisatiefase uitsluitend uit de bouw van de woning bestaat. Momenteel is nog niet bekend welke inzet van mobiele werktuigen in de realisatiefase nodig zal zijn. Daarom is aangesloten bij kengetallen. In de handreiking woningbouw en Aerius (Bijlage 4), uitgegeven door het Rijk is de gemiddelde emissie NOx/jr voor het bouwen van woningen ingeschat op ca. 3 kg NOx. Voor het planvoornemen zijn de geschatte emissies in de bouwfase daarmee ca. 3 kg NOx/ jr. Er wordt voorts aangenomen dat het bouwverkeer circa 20 zware verkeersbewegingen, 10 middelzware en 15 lichte verkeersbewegingen per jaar genereert. Er is gerekend met een geschatte stagnatie van 15% (voor zwaar verkeer) en 10% (voor middel en licht verkeer). Om te bepalen of de herontwikkeling in de realisatiefase leidt tot een toename van stikstofdepositie op Natura2000-gebied, is een Aeriusberekening uitgevoerd. Uit de berekening van de realisatiefase volgen geen rekenresultaten die leiden tot een toename van de stikstofdepositie op nabijgelegen Natura2000-gebieden groter dan 0,00 mol/ha/jaar. Deze berekening is bijgevoegd in Bijlage 5.

Gebruiksfase Stikstofemissies uit het gebruik van woningen zijn grofweg te verdelen in emissies ten aanzien van gasgestookte installaties en verkeersgeneratie. De woning wordt gasloos uitgevoerd, waardoor er enkel stikstofemissies uit verkeer aan de orde zijn. De verkeersgeneratie zal maximaal 9 verkeersbewegingen zijn (CROW normering, op basis van: vrijstaande woning, buitengebied in een niet stedelijk gebied). Om de stikstofeffecten van verkeersstromen in kaart te brengen dient bepaald te worden hoe het verkeer af wikkelt en op welk moment het verkeer op gaat in het heersende verkeersbeeld en qua rij- en stopgedrag niet meer onderscheidend is van het overige verkeer. Er is veronderstelt dat het verkeer in beide richtingen zal afwikkelen. In beide rijrichtingen is het verkeer gemodelleerd tot de eerste kruising met een andere weg. Om het stikstofeffect van de gebruiksfase van onderhavige ontwikkeling inzichtelijk te maken is een Aeriusberekening gemaakt. Deze is als Bijlage 6 toegevoegd. Uit deze berekening blijkt dat de stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000 gebieden lager dan 0,00 mol/ha/jaar is. Negatieve effecten ten aanzien van stikstof op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000 gebieden kunnen derhalve op voorhand worden uitgesloten. Er is derhalve geen ontheffing van de Wnb voor het onderhavige project aan de orde.

Conclusie Negatieve effecten ten gevolge van stikstof op de instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebieden kunnen op basis van het voorgaande met zekerheid worden uitgesloten, waardoor een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming niet vereist is.

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid De provinciale groenstructuur, bestaande uit beschermingszones van verschillende typen (waaronder natuurnetwerk en groenblauwe mantel, voorheen respectievelijk goudgroene en zilvergroene natuurzones), is ruimtelijk vastgelegd in de geconsolideerde versie Omgevingsverordening Limburg 2014. Het natuurnetwerk (goudgroene natuurzone) vormt het netwerk aan bestaande natuur-gebieden (voormalige EHS) en nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. De beheergebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot de groenblauwe mantel (zilvergroene natuurzone). In het Provinciaal Natuurbeheerplan zijn de na te streven doelen weergegeven op het gebied van (agrarisch) natuur- en landschapsbeheer. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de

bestemmingsplan Heverstraat 9c Roggel

31

gemeentelijke bestemmingsplannen. Op basis van de geconsolideerde versie van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is het plangebied niet gelegen in of in de directe nabijheid van beschermingszones natuur en landschap. Het plangebied ligt geheel buiten het natuurnetwerk en de groenblauw mantel, maar maakt onderdeel uit van het buitengebied. De dichtstbijzijnde provinciale groenstructuur betreft het natuurnetwerk die op een afstand van ca. 960 meter is gelegen ten noordoosten van het plangebied. Door de ontwikkeling worden er geen wezenlijke kenmerken of waarden aangetast van de provinciale groenstructuur. De ontwikkeling voorziet niet in sloop van bestaande bebouwing of het verwijderen van beplanting. De ontwikkeling heeft hierdoor geen invloed op planologisch beschermde gebieden. 4.4.3 Soortenbescherming Wat betreft soortenbescherming is de Wet Natuurbescherming (Wnb) van toepassing. De soortenbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde 'algemene zorgplicht' (art. 1.10 Wnb).

Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Tevens geldt onder de Wet Natuurbescherming dat bij ruimtelijke ontwikkelingen naast de zorgplicht ook rekening gehouden moet worden met juridisch zwaarder beschermde soorten vanuit nationaal en Europees oogpunt. Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit 'bijlage A en B' van de Wet Natuurbescherming. Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). Voor onderhavig plangebied geldt dat er sprake is van een weiland dat begraasd dan wel regelmatig wordt gemaaid. In het plangebied is geen bebouwing of beplanting aanwezig. De ten oosten van het plangebied gelegen landschappelijke elementen in de vorm van een bomenrij blijven behouden.

Er worden middels het planvoornemen geen bomen gekapt. Tevens zal middels het planvoornemen voldaan worden aan de algemene zorgplicht van de Wet natuurbeheer. 4.4.4 Houtopstanden Aangezien er middels het planvoornemen geen kapwerkzaamheden plaatsvinden, en er sprake is van een willand zonder beplanting ter plekke van het plangebied, is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. De bomenrij ten oosten van het plangebied blijft in de huidige vorm behouden. 4.4.5 Conclusie Gelet op bovenstaande vormt het aspect 'Ecologie' geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen.

32

bestemmingsplan Heverstraat 9c Roggel

4.5

Leidingen en infrastructuur

Binnen (of in de directe omgeving van) het plangebied komen blijkens de provinciale risicokaart en blijkens de verbeelding van het geldende bestemmingsplan geen leidingen of kabels voor met een dusdanige planologische-juridische beschermingszone dat zij een belemmering vormen voor de beoogde woningbouw van één vrijstaande woning. Ter plaatse van het straatprofiel van de Heverstraat zijn wel de gebruikelijke leidingen aanwezig voor gas, electra, water en telefonie/internet. Hierop zal de woning aangesloten worden met uitzondering van gas aangezien de woning gasloos wordt gerealiseerd.

4.6

Verkeerskundige aspecten

Verkeer Onderhavige ontwikkeling voorziet in de bouw van één vrijstaande woning. Voor een goede infrastructurele inpassing van het planvoornemen is het aspect verkeer en parkeren belangrijk om in ogenschouw te nemen. De CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren: van parkeerkencijfers naar parkeernormen' en de 'Nota parkeernormen' van de gemeente Leudal zijn leidend voor het bepalen van de parkeernormen en verkeersgeneratie. Huidige situatie Het plangebied is gelegen op de grens van de bebouwde kom en het buitengebied in gemeente Leudal. In de huidige situatie geldt op basis van de ligging van het plangebied in het buitengebied (niet stedelijk) geen parkeernorm en verkeersgeneratie, aangezien er sprake is van een weiland. Dit weiland wordt door een bestaande inrit ontsloten. Toekomstige situatie In de toekomstige situatie geldt op basis van de ligging van het plangebied in het buitengebied, dat als niet stedelijk gekenmerkt wordt, een maximale verkeersgeneratie van 8,6 per woning (afgerond 9 verkeersbewegingen). De verkeersgeneratie wordt afgewikkeld via de Heverstraat, waarop het plangebied via een nieuwe inrit wordt aangesloten. De bestaande inrit blijft gehandhaafd voor de ontsluiting van het resterende deel van het weiland zodat het weiland, net als in de huidige sitautie, bereikbaar is voor agarische voertuigen.

Gezien de kleinschaligheid van het planvoornemen en de geringe toename van de verkeersgeneratie zal dit niet tot overlast leiden. Conform de 'Nota parkeernormen' van de gemeente Leudal zorgt onderhavige ontwikkeling voor een parkeerbehoefte van 2,8 parkeerplaats, wanneer wordt uitgegaan van de categorie 'koop vrijstaand' en de ligging binnen 'buitengebied'. Gezien de ruime opzet van onderhavig plan zal worden voorzien in 3 parkeerplaatsen op eigen terrein. Hiermee wordt voldaan aan de gestelde parkeernormen.

4.7

Water

In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in voorliggend plan rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de ken-merken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Op nationaal niveau gelden de volgende documenten: Nationaal Waterplan; Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21); Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW);

bestemmingsplan Heverstraat 9c Roggel

33

Waterwet. Op provinciaal niveau geldt: Het Provinciaal Waterprogramma 2022-2027. Waterschap Limburg Vanaf 1 november 2003 zijn de overheden wettelijk verplicht om alle ruimtelijke plannen, die van invloed zijn op de waterhuishouding, voor advies voor te leggen aan de waterbeheerders. Tot juli 2004 kwam het voor dat voor de watertoets verschillende waterbeheerders (waterschapsbedrijf, waterschap, provincie en Rijkswaterstaat) apart moesten worden benaderd. Die gaven dan afzonderlijke wateradviezen. Dat zorgde voor veel onduidelijkheid en papieren rompslomp. Daarom hebben de Limburgse waterbeheerders afgesproken om alle aanvragen in het hun betreffende gebied af te handelen via één loket: het zogenaamde watertoetsloket. Het loket is ondergebracht bij het waterschap. Waterschap Limburg hanteert zowel een voorkeursvolgorde voor waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren) als voor waterkwantiteit (hergebruik water, vasthouden in de bodem (infiltratie), tijdelijk bergen, afvoeren naar oppervlaktewater, afvoeren naar gemengd of DWA-riool). In aansluiting op het landelijk beleid hanteert Waterschap Limburg het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht behoort te worden hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Hierbij worden de afwegingsstappen “hergebruik – infiltratie – buffering – afvoer” (afgeleid van de trits “vasthouden – bergen – afvoeren”) doorlopen.

Kenmerken watersysteem Grondwater en waterkwaliteit Op basis van de geconsolideerde versie van het POL2014 blijkt dat het plangebied is gelegen binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk III. Het voornemen tot het maken van een boorput, het aanleggen van een bodemenergiesysteem of het roeren van grond in de Roerdalslenk dieper dan 80 meter in zone III tot aan de Bovenste Brunssumklei dient vier weken tevoren schriftelijk te worden gemeld aan gedeputeerde staten. De ligging binnen deze zone vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling, aangezien geen diepe grondboringen of grondwateronttrekkingen voorzien zijn. Oppervlaktewater In het plangebied zelf is geen primair oppervlaktewater aanwezig. Daarnaast wordt in de toekomstige situatie ook niet voorzien in nieuw oppervlaktewater binnen het plangebied. Hemel- en afvoerwater Het afvalwater wordt geloosd op het bestaande rioolstelsel. De voorgenomen ontwikkeling is beperkt van omvang en heeft derhalve geen zwaarwegend effect (extra overstort of vuillast) op het bestaand rioolstelsel. Binnen het plangebied zal voorzien worden in een gescheiden rioleringsstelsel voor de gescheiden afvoer van afval- en hemelwater. Het regenwater zal in géén geval afgegeven mogen worden op het gemeentelijke rioleringsstelsel.

Waterschap Limburg streeft ernaar om bij nieuwbouw en herstructurering regenwater volledig af te koppelen en binnen het plangebied te verwerken. Conform de Keur van Waterschap Limburg (in werking getreden op 1 april 2019) geldt de norm dat 100 mm (per 24 uur) per m2 verhard oppervlak opgevangen dient te worden binnen het plangebied. De verwachtte bergingsopgave voor het beoogde planvoornemen betreft derhalve in totaal (472,5 m2 x 0.1* =) 47,25 m3 . Gezien de brede en ruime opzet van het planvoornemen zal er op eigen terrein voldoende capaciteit zijn om aan de bergingseis van het waterschap te kunnen voldoen. Aan de achterzijde van het perceel op de overgang

34

bestemmingsplan Heverstraat 9c Roggel

naar het weiland, is een zaksloot met natuurlijke oever voorzien van ongeveer 110 m2 met een diepte van ongeveer 0,5 meter en een taluis 1:2. De bergingscapaciteit van deze wadi is hierdoor ongeveer 50 m3 . Op deze manier is er voldoende capaciteit om het hemelwater op eigen terrein te bergen. Een alternatief voor de aanleg van de wadi is het ingraven van zogenaamde ondergrondse putten waarin het hemelwater kan worden opgevangen met een minimale capaciteit van 50 m3 . Vanuit deze putten kan het hemelwater dan infiltreren in de bodem.

4.8

m.e.r.-beoordeling

Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Die geldt nu voor iedere activiteit die is opgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde van de D-lijst valt. In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. De beoogde ontwikkeling komt in het besluit m.e.r. niet voor in de bijlage C. Er is dus geen sprake van een verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Ook zijn in het Besluit m.e.r. activiteiten aangewezen waarvoor het niet zeker is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Deze zijn beschreven in onderdeel D van het Besluit m.e.r. Om te bepalen of er bij deze activiteiten uit onderdeel D sprake kan zijn van belangrijke nadelige milieugevolgen dient hiervoor per geval een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. De realisatie van de woning valt in het beginsel wel onder categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r..

Echter op basis van jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2017:694) blijkt dat niet bij alle ontwikkelingen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij spelen onder meer aspecten als 'aard', 'omvang', 'schaalgrootte', 'ligging' en 'voorgenomen functie' van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol. De beoogde ontwikkeling heeft een relatief beperkte omvang en schaalgrootte. Onderhavige ontwikkeling voorziet immers in de realisatie van slechts één woning. Er zijn geen belemmerende milieuaspecten voorzien, welke een negatieve invloed hebben op de beoogde ontwikkeling of omliggende omgeving, zoals omschreven in de milieuparagrafen van dit hoofdstuk 4. Gezien de aard, schaalgrootte en milieugevolgen is er binnen onderhavig geval geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Er is dan ook geen sprake van het opstellen van een milieueffectrapport voor onderhavige ontwikkeling.

bestemmingsplan Heverstraat 9c Roggel

35

36

bestemmingsplan Heverstraat 9c Roggel

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische opzet

Planonderdelen

Het bestemmingsplan bestaat uit de toelichting, de regels en bijbehorende verbeelding. De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van de aanwezige bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk worden de diverse bepalingen artikelsgewijs besproken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding zijn de (dubbel)bestemmingen, (gebieds)aanduidingen en maatvoering weergegeven. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is opgesteld conform de landelijke richtlijn voor bestemmingsplannen (SVBP 2012), alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Tot slot dient het bestemmingsplan te voldoen aan de criteria van het 'Handboek ruimtelijke plannen Leudal 2019'.

5.2

Toelichting op de verbeelding

De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale BGT ondergrond met kadastrale gegevens, schaal 1:1000.

5.3

Toelichting op de planregels

De regels leggen de gebruiksmogelijkheden van de gronden en de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing vast. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. De regels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Inleidende regels; Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3: Algemene regels; Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels. 5.3.1 Inleidende regels De inleidende regels behelzen de begrippen en de wijze van meten. Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken /

bestemmingsplan Heverstraat 9c Roggel

37

percelen gemeten moeten worden. 5.3.2 Bestemmingsregels De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaam-heden; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; wijzigingsbevoegdheid. Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. De regels van onderhavig bestemmingsplan zijn afgestemd op de regeling van het bestemmingsplan ''Woonkernen Leudal 2017'. De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan. De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van gronden en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. In de bouwregels staan uitsluitend bepalingen die betrekking hebben op het bouwen. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning. De afwijking van de bouwregels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om onder voorwaarden afwijking te verlenen van een specifieke regel.

De specifieke gebruiksregels vormen een nadere concretisering van het toegestane gebruik. De afwijking van de gebruiksregels heeft tot doel bepaald gebruik wat eerder is uitgesloten onder voorwaarden wel toe te laten. Onderstaand worden de regels van de opgenomen bestemming nader toegelicht. 'Wonen' De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' uitsluitend één vrijstaande woning is toegestaan. Daarnaast is bewoning als afhankelijke woonruimte, voor zover het in het hoofdgebouw en/of aangebouwde bijbehorende bouwwerken betreft toegestaan. Tevens zijn de voor 'Wonen' aangewezen gronden bestemd voor een bedrijf aan huis en beroep aan huis. Tot slot zijn daarbij behorende groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, tuinen, erven, terreinen, voorzieningen van algemeen nut, waterhuishoudkundige voorzieningen, waterlopen en waterpartijen en (ondergrondse) waterberging- en infiltratievoorzieningen toegestaan. Om de landschappelijke inpassing te waarborgen is binnen de bestemming 'Wonen' een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Deze bepaald dat de landschappelijke inpassing binnen 1 jaar na ingebruikname van de gronden voor woondoeleinden moet zijn gerealiseerd en vervolgens in stand wordt gehouden en beheerd.

'Waarde - Archeologie 5' De voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), tevens bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen.

38

bestemmingsplan Heverstraat 9c Roggel

5.3.3 Algemene regels In de algemene regels is een aantal standaardbepalingen opgenomen te weten, de antidubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels, algemene procedureregels en overige regels. Anti-dubbeltelregel In de antidubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels zijn regels gesteld die gelden voor alle bestemmingen uit hoofdstuk 2. In dit geval zijn dit regels met betrekking tot ondergronds bouwen, bestaande afstanden en maten en infiltratie van hemelwater. Tevens is een regeling opgenomen ten aanzien van het aantal noodzakelijk aan te leggen parkeerplaatsen bij bouwen, uitbreiden of verbouwen van gebouwen. Algemene gebruiksregels In deze algemene gebruiksregels wordt gebruik in strijd met de bestemmingsomschrijvingen uit de afzonderlijke bestemmingen als strijdig gebruik aangemerkt. Tevens is een regeling voor evenementen opgenomen.

Algemene gebruiksregels Dit betreffen de regels met betrekking tot een of meer gebiedsaanduidingen. Deze regels hebben aanvullend betrekking op meerdere bestemmingen. Algemene afwijkingsregels In deze regels zijn algemene afwijkingsbepalingen opgenomen. Zo is opgenomen dat binnen alle bestemmingen kan worden afgeweken van opgenomen maten tot een maximum van 10%. Ook zijn afwijkingsregels opgenomen die het mogelijk maken bij meetverschillen ontwikkelingen toe te staan en is bepaald dat kleine bouwwerken van openbaar nut, mits ze voldoen aan bepaalde voorwaarden, ook in afwijking van de bestemmingsregels vergund kunnen worden. Algemene wijzigingsregels In deze bepaling wordt aan burgemeester en wethouders een algemene bevoegdheid gegeven om kleinschalige wijzigingen aan te brengen in de bestemmingen van onderhavig plan. Algemene procedureregels In de algemene procedureregels zijn de procedures opgenomen die dienen te worden doorlopen bij een binnenplanse wijziging of het stellen van nadere eisen. Overige regels In deze regels zijn de voorrangsbepalingen voor bestemmingen opgenomen, wordt ingegaan op de consequenties van een overtreding van de gebruiksregels en wordt duidelijk gemaakt hoe overige wettelijke regelingen in relatie staan tot de regels in dit bestemmingsplan.

5.3.4 Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk is het sluitstuk van de regels en bevat alle bepalingen die nog niet elders ondergebracht zijn. De regels zijn algemeen van aard en gelden in principe voor alle bestemmingen.

bestemmingsplan Heverstraat 9c Roggel

39

Overgangsrecht In deze regel wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht. Slotregel Als laatste is de slotregel opgenomen. Deze regel bevat de titel van het plan.

40

bestemmingsplan Heverstraat 9c Roggel

Hoofdstuk 6 6.1

Haalbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) zijn bepalingen omtrent de grondexploitatie (Afdeling 6.4 Wro) in werking getreden. In de Grondexploitatiewet is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel waarin mogelijkheden voor een bouwplan gecreëerd worden, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Deze verplichting vervalt indien de gronden volledig in eigendom zijn van de gemeente. Het voorliggende initiatief heeft betrekking op één vrijstaande nieuwbouwwoning en is hiermee een bouwplan in de zin van artikel 6.12 van de Wro. De uitvoering van de ontwikkeling is volledig voor rekening en risico van een particuliere initiatiefnemer. Met deze initiatiefnemer heeft de gemeente een anterieure grondexploitatieovereenkomst gesloten zoals bedoeld in artikel 6.12 lid 2 Wro juncto artikel 6.24 Wro. Daarnaast zal er een planschadeverhaalsovereenkomst worden afgesloten tussen de initiatiefnemer en de gemeente Leudal. De economische uitvoerbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.

6.2

Maatschappelijke haalbaarheid

Met het planvoornemen worden agrarische gronden omgezet in een woonperceel ten behoeve van de realisatie van een grondgebonden vrijstaande woning. Het betreft de 'inzet' van een bestaande bouwtitel van een gesloopte woning aan de Napoleonsweg 151 te Neer. De nieuwe woning wordt gerealiseerd binnen een bestaande bebouwingcluster aan de Heverstraat te Roggel, zijnde een uitloper van de kern Roggel. Dit is ruimtelijk gezien aanvaardbaar en het planvoornemen doet geen afbreuk aan de bestaande ruimtelijke structuur. In dat kader is het planvoornemen afgestemd met de omgeving door middel van een burendialoog (zie paragraaf 7.4). Hieruit zijn geen directe bezwaren naar voren gekomen. Het planvoornemen zal gezien het voorgaande nar alle waarschijnlijkheid dan ook niet op zwaarwegende bezwaren uit de omgevings stuiten. Dit bestemmingsplan wordt ten slotte conform de gebruikelijke procedure zes weken inzage gelegd. Gedurende deze termijn kan een ieder reageren op het planvoornemen en zijn of haar zienswijze indienen.

6.3

Handhaving

Een bestemmingsplan is voor de gemeente een belangrijk instrument om haar ruimtelijk beleid vorm te geven. Door middel van een combinatie van positieve bestemmingen en het uitsluiten van bepaalde activiteiten en functies kan een sturing plaatsvinden van gewenste en ongewenste ontwikkelingen. Een belangrijk aspect hierbij is de handhaving en het toezicht op de naleving van het bestemmingsplan. Deze handhaving is van cruciaal belang om de in het plan opgenomen ruimtelijke kwaliteiten ook op langere termijn daadwerkelijk te kunnen vasthouden. Daarnaast is de handhaving van belang uit een oogpunt van rechtszekerheid: alle bewoners en gebruikers dienen door de gemeente op een zelfde wijze daadwerkelijk aan het plan worden gehouden. In dit bestemmingsplan is daarom allereerst gestreefd naar een zo groot mogelijke eenvoud van in het bijzonder de planregels. Hoe groter de eenvoud (en daarmee de toegankelijkheid en leesbaarheid), hoe groter in de praktijk de mogelijkheden om toe te zien op de naleving van het plan. Bewust zijn in het plan geen detailbepalingen opgenomen die - hoewel misschien op zichzelf niet onwenselijk - in de praktijk niet kunnen worden gehandhaafd. In het verlengde daarvan is zoveel mogelijk afgezien van bepalingen die door de bewoners en andere gebruikers als een onnodige beperking van hun vrijheid kunnen worden gevoeld.

Hoe minder knellend de planregels zijn, hoe kleiner de kans dat het met de regels wat minder nauw wordt

bestemmingsplan Heverstraat 9c Roggel

41

genomen. In de praktijk worden op den lange duur immers ook alleen die regels gerespecteerd waarvan door de betrokkenen de noodzaak en de redelijkheid wordt ingezien. In de bouwregels zijn maten opgenomen die van toepassing zijn op gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Te realiseren gebouwen en andere bouwwerken moeten voldoen aan deze maatvoering, zo niet, dan kan het college van burgemeester en wethouders geen omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen. Gebruiksregels zijn opgenomen om gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken en ongewenste ontwikkelingen uit te sluiten. Toetsing aan de gebruiksregels is aan de orde bij functiewisseling of nieuwvestiging. Het gemeentebestuur draagt de verantwoordelijkheid om toe te zien op de naleving van de opgenomen regels in het bestemmingsplan.

42

bestemmingsplan Heverstraat 9c Roggel

Hoofdstuk 7 7.1

De procedure

De te volgen procedure

Op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) start de wettelijke procedure met het moment van terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: Openbare kennisgeving van het ontwerp-bestemmingsplan; Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan Gedeputeerde Staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend; Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien Gedeputeerde Staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

7.2

Kennisgeving

Voorafgaand aan de voorbereiding en het inprocedure brengen van een nieuwe bestemmingsplan, geven burgemeester en wethouders kennis van het voornemen om een nieuwe bestemmingsplan op te stellen. Deze kennisgeving is gedaan.

7.3

Overleg ex artikel 3.1.1.

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn, en met de betrokken rijksen provinciale diensten. Van het vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is. Bij het voorliggende bestemmingsplan zijn geen belangen van het Rijk, de provincie Limburg of het Waterschap Limburg in het geding. Overleg met deze partijen is dan ook niet noodzakelijk.

7.4

Omgevingsdialoog

In het kader van participatie, een belangrijk aspect onder de nog niet in werking getreden Omgevingswet, heeft initiatiefnemer een burendialoog gevoerd. Hiermee heeft de initiatiefnemer het planvoornemen, dat bestaat uit de realisatie van één vrijstaande woning, kenbaar gemaakt aan omwonenden. Het betreft de bewoners van Heverstraat 6, 8, 11, 12 en 17. Zij hebben, na ondertekening van het burendialoog formulier, kenbaar gemaakt akkoord te zijn met het gepresenteerde plan. Dit document is in verband met privacy van de omwonenden niet bijgevoegd als bijlage.

bestemmingsplan Heverstraat 9c Roggel

43

7.5

Inspraak

Voor dit bestemmingsplan wordt géén inspraakprocedure gevolgd. Het plan wordt direct als ontwerp ter inzage gelegd, waarbij voor een ieder de mogelijkheid bestaat een zienswijze op het plan in te dienen.

7.6

Ontwerp en vaststelling

Het ontwerp bestemmingsplan heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.8 Wro vanaf 29 juni 2023 tot en met 9 augustus 2023 gedurende zes weken ter inzage gelegen. In het kader van deze terinzagelegging zijn geen zienswijze ingediend. Het bestemmingsplan is in de raadsvergadering van 7 november 2023 ongewijzigd vastgesteld. Het raadsbesluit inclusief raadsvoorstel is bij het bestemmingsplan bijgevoegd.

44

bestemmingsplan Heverstraat 9c Roggel

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leudal&id=f9b75208-12fb-4d8d-b97f-17ac72928a95