Toelichting
Tekst van het document
29
het invloedsgebied (beperkt) kwetsbare objecten worden gerealiseerd dient het groepsrisico te worden verantwoord. Onderhavige ontwikkeling is gelegen op een afstand van circa 2,8 kilometer, waardoor een verantwoording van het groepsrisico niet aan de orde is. Conclusie Het plangebied ligt niet binnen een plaatsgebonden risicocontour van een risicovolle inrichting of transportroute. Vanuit het aspect 'externe veiligheid' zijn er dan ook geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.1.5
Milieuzonering
De (indicatieve) lijst "Bedrijven en Milieuzonering 2009", uitgegeven door de Vereniging van Nederland-se gemeenten, geeft weer wat de richtafstanden zijn voor milieubelastende activiteiten. In deze publicatie worden de richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn. Het is aan te bevelen deze afwijkingen te benoemen en te motiveren. Een woonwagenterrein betreft een milieugevoelige functie. Nadere toetsing aan het aspect milieuzonering is dan ook vereist om te kunnen bepalen of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat in de woonwagens en of omliggende bedrijven niet in hun mogelijkheden worden beperkt. Toetsing Externe werking De externe werking betreft de vraag of de beoogde nieuwe functies binnen onderhavig plan niet leiden tot hinder voor bestaande of toekomstige hindergevoelige functies.
Binnen onderhavig plan wordt het plangebied gedeeltelijk bestemd ten behoeve van woondoeleinden. De beoogde woonwagens zelf vormen geen functie die volgens de (indicatieve) brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' gezoneerd dient te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. Interne werking Naast de externe werking is er ook een interne werking als het gaat om het beoogde planvoornemen. De interne werking ziet erop toe dat medewerking aan het beoogde planvoornemen pas mogelijk is indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in de woonwagens gegarandeerd is, alsmede dat bedrijven in de omgeving door de nieuwe woonfunctie niet in hun activiteiten worden gefrustreerd. In de directe omgeving rondom het plangebied zijn aan de oost- en zuidzijde enkele voetbalvelden gelegen. Voor deze functies geldt conform de VNG-brochure "Bedrijven en Milieuzonering 2009" een richtafstand van 50 meter (milieucategorie 3.1). Daarnaast is ten oosten van het plangebied ook een schutterij gelegen, waarvoor een richtafstand van 300 meter (voor geluid) en 500 meter (voor gevaar) geldt (milieucategorie 5.1). In het voorliggende geval is sprake van een ligging binnen 'gemengd gebied. De omgeving van het plangebied wordt immers gekenmerkt door diverse functies, zoals sportverenigingen, kantoorpanden, maatschappelijke functies en wonen.
Op basis van de ligging in 'gemengd gebied' mag de richtafstand daarom met één afstandsstap worden verlaagd. Derhalve geldt voor de voetbalvelden een richt-afstand
bestemmingsplan Woonw agenlocatie Molenzicht Heythuysen
30
van 30 meter en voor de schutterij een richtafstand van 200 meter (voor geluid) echter de af-stand voor gevaar mag niet worden teruggebracht. Het plangebied is derhalve binnen de richtafstand voor gevaar gelegen. Er wordt echter geschoten op kogelvangers en niet in open veld. Bovendien wordt er geschoten in de richting van het aan de noordzijde van de Noorderbaan gelegen gebied. Het risico dat een kogel op de woonwagenstandplaatsen terecht komt is daarmee verwaarloosbaar. De ligging ten opzichte van deze functies vormt derhalve geen belemmering voor het planvoornemen.
Conclusie Conform voorgaande toetsing zal binnen de woonwagens sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect 'milieuzonering' vormt geen belemmering voor de voorgenomen herinrichting van het woonwagenterrein.
4.1.6
M.e.r.- beoordeling
Algemeen Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Die geldt nu voor iedere activiteit die is opgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde van de D-lijst valt. In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. De beoogde ontwikkeling komt in het besluit m.e.r. niet voor in de bijlage C. Er is dus geen sprake van een verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Daarnaast is het de vraag of de beoogde ontwikkeling wel onder categorie D11.2 (stedelijk ontwikkelingsproject) van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. valt.
Jurisprudentie Voor wat betreft de vraag óf sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraken van 15 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:694), 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348), 18 juli 2018 (ECLI:RVS: 2018:2414) bepaald dat: het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' ruimte laat voor interpretatie; het afhangt van de concrete omstandigheden van het geval of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit-mer, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen; het antwoord op de vraag of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan, niet doorslaggevend is voor het zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit-mer. Uit jurisprudentie is duidelijk geworden welke concrete omstandigheden een kunnen rol spelen bij het bepalen of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Daarbij spelen onder meer aspecten als 'aard' en 'omvang' van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol. Onderstaand worden een aantal aspecten benoemd die een rol spelen bij de vraag of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject.
de concrete omstandigheden van het geval, waarbij de aard en omvang van het project van belang zijn; Onderhavige ontwikkeling voorziet in de realisatie van vier woonwagenstandplaatsen voor vier woonwagens. Om deze nieuwe standplaatsen bereikbaar te maken wordt een verlenging van de
bestemmingsplan Woonw agenlocatie Molenzicht Heythuysen
31
reeds bestaande toegangsweg (Molenzicht) voorzien. Daarnaast wordt voorzien in de aanleg van twee geluidswallen (ter voorkoming van geluidsoverlast in de woonwagens vanwege het wegverkeer over de Noorderbaan), de verplaatsing van een voetpad en het aanleggen van een nieuwe afwateringsgreppel. het gebied waarin de ontwikkeling plaats zal vinden; De ontwik kelingen vinden allemaal plaats binnen bestaand stedelijk gebied. Daarnaast grenzen de ontwikkelingen direct aan een reeds bestaande woonwagenlocatie. de uitbreiding van de bebouwing (indien sprake is van een bestaand gebouw); Het aantal woonwagenstandplaatsen wordt uitgebreid met 4 standplaatsen voor 4 woonwagens. Op iedere standplaats mag maximaal één woonruimte en één berging gerealiseerd/geplaatst worden. de mogelijkheden op grond van het bestemmingsplan; Binnen het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Woonk ernen Leudal 2017', zoals vastgesteld op 14 november 2017 door de gemeenteraad van Leudal. De gronden binnen het plangebied zijn gedeeltelijk bestemd als 'Groen', 'Water', 'Verk eer', 'Sport' en 'Wonen'. De ontwikkeling (uitbreiding van de woonwagenstandplaatsen, alsmede de realisatie van de overige voorzieningen) niet toegestaan op basis van het vigerend bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017'. de milieugevolgen.
De beoogde ontwikkeling heeft in navolging van de uitwerking in paragraaf 4.1 tot en met 4.6 geen nadelige milieugevolgen. Conclusie Onderhavige ontwikkeling vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied, waarbij de ontwikkeling een relatief beperkte omvang heeft en voornamelijk voorzien wordt in kleinschalige infrastructurele voorzieningen en de realisatie van 4 woonwagenstandplaatsen. Daarnaast zijn er geen belemmerende milieu-aspecten voorzien, welke een negatieve invloed hebben op de beoogde ontwikkeling of omliggende omgeving. Gezien de aard, omvang, milieugevolgen (paragraaf 4.1 tot en met 4.5) en ligging kan gesteld worden dat onderhavig initiatief niet kan worden aangemerkt als een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in categorie D11.2 van het Besluit m.e.r. Zodoende is geen m.e.r.- of (al dan niet vormvrije) m.e.r.-beoordeling noodzakelijk.
4.2
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie In de Erfgoedwet is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect 'archeologie' in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Erfgoedwet zijn als volgt: De archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard; Er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect archeologie.
bestemmingsplan Woonw agenlocatie Molenzicht Heythuysen
32
Uitsnede Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart met globale ligging plangebied blauw omlijnd De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeen-te is dus het bevoegde gezag waar het gaat om het toetsen van ruimtelijke plan op het aspect archeologie en de uit onderzoek voortkomende rapporten. Conform het vigerend bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017' geldt voor het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5'. Daarnaast is het plangebied volgens de Archeologische Beleidskaart van de gemeente (2009) gelegen in een zone met een hoge verwachting. Er geldt zodoende een onderzoekplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan of gelijk aan 1.000 m2 en met een diepte vanaf 40 cm -mv. Onderhavige ontwikkeling zorgt voor een overschrijding van de reeds benoemde grenswaarden, waar-door het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Aeres Milieu heeft in het kader van onderhavige ontwikkeling zodoende een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd. Dit rapport is als Bijlage 5 bij deze toelichting toegevoegd. Uit het bureauonderzoek is gebleken dat er ter plaatse van het plangebied sprake is van hoge zwarte enkeerdgronden.
Echter op basis van het uitgevoerde verkennend veldonderzoek (door middel van boringen) kan worden gesteld dat de in het bureauonderzoek verwachte enkeerdbodems niet langer aanwezig zijn ter plaatsen van het plangebied. Uit de meeste boringen bleek de overgang naar de C-horizont verstoord. Enkel eventuele dieper ingegraven sporen van sedentaire samenlevingen zouden dan nog kunnen worden aangetroffen maar de archeologische informatiewaarde van zulke 'losse' sporen is gering. Als gevolg is de archeologische verwachting voor het aantreffen van archeologische resten uit de periode 'laatpaleolithicum - vroege middeleeuwen' bijgesteld naar laag. Voor de periode 'late middeleeuwen -nieuwe tijd' wordt de (lage) verwachting gehandhaafd. Op basis van de bovenstaande bevindingen kan geconcludeerd worden dat nader archeologisch onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Echter kan niet worden uitgesloten dat er wellicht nog archeologische resten aanwezig zullen zijn in de ondergrond. Als gevolg hiervan is bij het aantreffen van archeologische resten het, conform de Erfgoedwet van 2016, artikel 5.10 en 5.11, een meldingsplicht van toepassing. De resultaten van het archeologisch onderzoek zijn getoetst door de bevoegde overheid (gemeente Leudal), dat instemt met het uitgebrachte advies dat vervolgonderzoek niet noodzakelijk is. Derhalve is
bestemmingsplan Woonw agenlocatie Molenzicht Heythuysen
33
het onderzochte deel van het plangebied vrijgegeven middels een selectiebesluit. In het deel van het plangebied dat niet is onderzocht blijft de dubbelbestemming gehandhaafd. De ondergrenzen voor archeologisch onderzoek worden echter niet overschreden. Cultuurhistorie Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg zijn binnen het plangebied en de directe omgeving geen gebouwde cultuurhistorisch waardevolle elementen aangeduid. Wel is ten noorden van het plangebied volgens de cultuurhistorische waardenkaart een cultuurhistorisch lijnelement gelegen betreffende een 'grens ca. 1865 niet herkenbaar'. Onderhavige ontwikkeling oefent echter geen invloed uit op deze grens binnen het landschap. Vanuit cultuurhistorisch perspectief bestaan er dan ook geen belemmeringen ten aanzien van het beoogde initiatief. Conclusie Vanuit de aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' bestaan er derhalve geen belemmeringen ten aanzien van het beoogde planvoornemen.
4.3
Leidingen en infrastructuur
In of rond het plangebied zijn volgens het geldende bestemmingsplan en de Risicokaart geen kabels of leidingen gelegen met een bestemmingsplanplichtige beschermingszone die van invloed zou kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling.
4.4
Ecologie
Bij ruimtelijke planvorming is een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. In deze paragraaf is daarom een beoordeling gemaakt van de effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving. Beleid De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig.
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid De provinciale groenstructuur, bestaande uit beschermingszones van verschillende typen (waaronder de Goudgroene en Zilvergroene natuurzones), is ruimtelijk vastgelegd in het POL2014 welke is vastgesteld op 12 december 2014. De Goudgroene natuurzone vormt het netwerk aan bestaande natuurgebieden (voormalige EHS) en nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. De
bestemmingsplan Woonw agenlocatie Molenzicht Heythuysen
34
beheergebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot de Zilvergroene natuurzone. In het Provinciaal Natuurbeheerplan zijn de na te streven doelen weergegeven op het gebied van (agrarisch) natuur- en landschapsbeheer. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Soortenbescherming Wat betreft soortenbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. De soortenbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde 'algemene zorgplicht' (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen.
De zorg-plicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend.
Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wan-neer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). In-dien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond hout-opstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor hout-opstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Toetsing In het kader van de beoogde ontwikkeling is door BRO een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Dit rapport is als Bijlage 6 bij deze toelichting toegevoegd. In de quickscan zijn de gevolgen van de ruimtelijke ingreep (realisering van 4 woonwagenstandplaatsen) afgezet tegen potentieel aanwezige natuurwaarden die vanuit de Wet natuurbescherming en provinciaal beleid zijn beschermd Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in de nabijheid van Natura 2000-gebieden.
Het meest dichtbij gelegen Natura 2000-gebied betreft het gebied 'Leudal', op circa 1,3 kilometer ten noorden van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling en de afstanden tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied zijn negatieve effecten, waaronder lichthinder en geluidhinder op voorhand uitgesloten. Daar-naast dient in het kader van onderhavige ontwikkeling aangetoond te worden dat er geen negatieve effecten worden voorzien in het kader van stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. Om de effecten omtrent stikstofdepositie inzichtelijk te maken wordt gebruik gemaakt van het programma AERIUS calculator. De AERIUS calculator maakt de depositie van stikstofverbindingen in de vorm van ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOx) op het oppervlak van de omliggende Natura 2000-gebied inzichtelijk. Met de recente uitspraak van de Raad van State (d.d. 29 mei 2019) is beslist dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet zondermeer als toestemmingsbasis mag gelden voor nieuwe activiteiten. In lijn met de recente uitspraak van de Raad van State geldt derhalve dat binnen onderhavig planvoornemen een projectbijdrage van 0,00 mol/ha/jaar als aanvaardbaar wordt geacht. In het kader van onderhavige ontwikkeling heeft een stikstofdepositie berekening plaatsgevonden voor de aanlegfase en gebruiksfase.
Deze berekeningen zijn als Bijlage 7 en Bijlage 8 bij deze toelichting toegevoegd. Hieruit is gebleken dat binnen alle twee de fases geen sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in
bestemmingsplan Woonw agenlocatie Molenzicht Heythuysen
35
de omliggende natuurgebieden. Het plangebied is niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone. Het dichtstbijzijnde onderdeel van de goudgroene natuurzone ligt ongeveer 1 kilometer ten zuidwesten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de goudgroene natuurzone niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van de goudgroene natuurzone, zilvergroene natuurzone of bronsgroene landschapszone wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
Soortbescherming Op basis van de quickscan wordt vervolgonderzoek naar het voorkomen van verschillende soort-groepen niet noodzakelijk geacht. Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag voor overtreding van verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming ten aan-zien van soorten. Ten aanzien van broedvogels dient het bouwrijp maken van het terrein buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten. Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht in acht te worden genomen.
Houtopstanden Er worden binnen het plangebied jonge bomen gerooid. Deze bomen zijn echter gelegen buiten de bebouwde kom en derhalve vallen deze niet onder de Wet natuurbescherming. Conclusie Ten aanzien van de aspecten 'gebiedsbescherming', ' soortbescherming' en 'houtopstanden' bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van het beoogde planvoornemen.
4.5
Waterparagraaf
In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in voorliggend plan rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het besluit-gebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Beleidsk ader Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld. Nationaal: Nationaal Waterplan; Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21); Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); Waterwet.
bestemmingsplan Woonw agenlocatie Molenzicht Heythuysen
36
Provinciaal: Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021. Beleid waterschap Het Waterbeheerplan 2016-2021 is op 14 oktober 2015 vastgesteld door de Algemene besturen van Waterschap Roer en Overmaas en Waterschap Peel en Maasvallei. Het plan heeft een looptijd van 2016 tot en met 2021. Dit plan is, vooruitlopend op de fusie in 2017 tot Waterschap Limburg, een gezamenlijk plan van beide waterschappen. Met dit Waterbeheerplan zetten de waterschappen de koers uit voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg; hoe men invulling wil geven aan de taak om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten en voldoende en schoon water. In dit plan is vastgelegd hoe het waterschap het watersysteem en waterkeringen om orde wil brengen en houden. Voorbeelden van maatregelen zijn: het aanleggen en verbeteren van dijken tegen overstromingen, het aanpakken van knelpunten van wateroverlast, herstellen van beken en het verbeteren van de effluentkwaliteit van de rioolwaterzuiveringsinstallaties. Brochure 'Regenwater schoon naar beek en bodem' In deze brochure van de Limburgse waterbeheerders worden de richtlijnen en de voorkeursvolgorde voor het afkoppelen van regenwater van het riool beschreven bij (vervangende) nieuwbouw. De voorkeursvolgorde gaat voor het afkoppelen uit van de trits vasthouden, bergen, afvoeren.
Voor het grondoppervlak, dakoppervlak, en voor hergebruik worden richtlijnen gegeven voor het afkoppelen. Kenmerken van het watersysteem Grondwater en waterkwaliteit Op basis van het POL2014 blijkt dat het plangebied is gelegen binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk III. Het voornemen tot het maken van een boorput, het aanleggen van een bodemenergiesysteem of het roeren van grond in de Roerdalslenk dieper dan 80 meter in zone III (tot aan de Bovenste Brunssumklei) dient vier weken tevoren schriftelijk te worden gemeld aan gedeputeerde staten. De ligging binnen deze zone vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling, aangezien geen diepe grondboringen of grondwateronttrekkingen voorzien zijn. Oppervlaktewater In het plangebied zelf is conform de 'Leggerkaart' van het Waterschap Limburg geen primair oppervlaktewater aanwezig. De dichtstbijzijnde primaire watergangen betreffen de 'Molenven' en 'Bevelandsbeek'. Onderhavig planvoornemen oefent geen invloed uit op deze waterlopen. Daarnaast wordt in de toekomstige situatie ook niet voorzien in nieuw oppervlaktewater binnen het plangebied. Hemel- en afvalwater Het afvalwater wordt geloosd op het bestaande rioolstelsel. De voorgenomen ontwikkeling is beperkt van omvang en heeft derhalve geen zwaarwegend effect (extra overstort of vuillast) op het bestaand rioolstelsel.
Binnen het plangebied zal voorzien worden in een gescheiden rioleringsstelsel voor de gescheiden afvoer van afval- en hemelwater. Voor dit plan is het gemeentelijk rioleringsplan Leudal 2017-2021 van de gemeente Leudal van toepassing. Op basis van deze trits (vasthouden- bergen-afvoeren) wordt water zo lang mogelijk vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater, om wateroverlast en overstromingen te voorkomen en in droge periodes zo lang mogelijk te beschikken over gebiedseigen water. Als vasthouden en bergen niet meer mogelijk zijn, wordt het water afgevoerd naar elders.
bestemmingsplan Woonw agenlocatie Molenzicht Heythuysen
37
Algemene aandachtspunten zijn: toepassen voorkeurs volgorde (her)gebruik, infiltratie, bergen en vertraagd afvoeren naar het oppervlakte water; rekening houden met hoogteverschillen in het terrein; statische berging van T=100 (84 mm in 48 uur). Afstromingsfactoren: Voor dit plan hanteren wij de volgende afstromingsfactoren. hemelwater afkomstig van dakoppervlak 100%; hemelwater afkomstig van terrein 100%; hemelwater afkomstig van openbare weg 100%. Het totaal verhard oppervlak bedraagt 1.870 m². Waterschap Limburg streeft ernaar op bij nieuwbouw en herstructurering regenwater volledig af te koppelen en binnen het plangebied te verwerken. Conform de Keur van Waterschap Limburg (in werking getreden op 1 april 2019) geldt de norm dat 100 mm (per 24 uur) per m2 verhard oppervlak opgevangen dient te worden binnen het plangebied. Doork ijk extreme neerslag Bij het optreden van extreme neerslag mag geen overlast ontstaan. Onder overlast wordt verstaan dat water uit riolering in woningen of bedrijventerrein binnen treedt of dat water oppervlakkig woningen of bedrijven binnen stroomt. Het ontstaan van water op straat is weliswaar hinderlijk maar wordt niet gezien als wateroverlast. Water op straat is dus acceptabel. Door het systeem te voorzien van een leegloop- en overstortvoorziening zal deze bij extreme neerslag in werking treden.
De bodem voldoet aan de minimale doorlatendheid van 1,0 m per 24 uur. Uitgangspunten ontwerp In verband met het aanleggen van een grondwal / geluidswal dient een bestaande duiker onder de inrit van Molenzicht, met een diameter van ø200mm, verlengd te worden met ongeveer 60,00 meter. Deze zal aangesloten worden op de ingekorte bestaande greppel. De afwatering van de rijbaan en parkeerplaatsen binnen het plangebied (700 m2) zullen via een drietal kolken naar het regenwaterriool (ø200mm) en vervolgens naar een nieuw aan te leggen greppel aan de oostzijde van de woonwagenlocatie afwateren. Het regenwater dat valt op het verhard oppervlak van de standplaatsen binnen het plangebied (1.170 m2) zal oppervlakkig afstromen naar de naastliggende berm en afwateringsgreppel. De nieuw te graven afwateringsgreppel, heeft een berging (bij 75% vullingsgraad) van 2,85 m3 per strekkende meter (zie onderstaande afbeelding). Bij een lengte van de afwateringsgreppel van 68,00 meter komt dit neer op een berging van in totaal 193,80 m3. Omgerekend in millimeters komt dit neer op een berging van 103 mm (134,60 / (1170+700) =0,103).
bestemmingsplan Woonw agenlocatie Molenzicht Heythuysen
38
Weergave dimensionering afwateringsgreppel
Overleg waterbeheerder Waterschap Limburg heeft aangegeven dat plannen waarbij de toename van de hoeveelheid verhard oppervlak kleiner dan 2.000 m² bedraagt, niet hoeven te worden voorgelegd aan het watertoetsloket. Er vindt binnen het plangebied een beoogde toename van circa 2.070 m2 aan verharding plaats. Onderhavig plan is derhalve voorgelegd aan het watertoetsloket. Conclusie Als gevolg van de realisatie van de woning treden geen negatieve effecten op met betrekking tot de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en staat het aspect water de uitvoering van het plan niet in de weg.
4.6
Verkeerskundige aspecten
Verkeer De woonwagenlocatie wordt rechtstreeks ontsloten op de Molenzicht. Binnen het plangebied worden vier nieuwe woonwagenstandplaatsen gecreëerd. Dit heeft op basis van de CROW-rekentool 'Verkeersgeneratie en Parkeren' een extra verkeersgeneratie van 24 motorvoertuigbewegingen per etmaal tot gevolg. De weg Molenzicht en de Noorderbaan kunnen deze beperkte toename van verkeer goed verwerken. Binnen het plangebied wordt voorzien in een verlening van de huidige weg 'Molenzicht'. Hierdoor wordt aan de noordoostzijde een nieuwe in-/uitrit gerealiseerd die aansluit op de Noorderbaan. Zodoende wordt voor de vier nieuwe woonwagenstandplaatsen voorzien in een passende ontsluiting. Parkeren Op basis van de gemeentelijke parkeernormen (Nota Parkeernormen Leudal 2016) geldt er geen specifieke parkeernorm voor woonwagenstandplaatsen. Derhalve wordt aansluiting gezocht bij de CROW-rekentool 'Verkeersgeneratie en Parkeren' (publicatie 317). Voor de vier nieuwe woonwagenstandplaatsen is uitgegaan van de norm voor 'huur, vrije sector', waardoor de parkeerbehoefte 2,4 parkeerplaatsen per woning bedraagt. Op iedere standplaats wordt voorzien in de realisatie van één parkeerplaats. In het openbaar gebied wordt voorzien in ruimte voor 15 auto's. Zodoende wordt ruimschoots voldaan aan de parkeernormen.
Conclusie Vanuit het aspect verkeer en parkeren zijn er geen belemmeringen voor de ontwikkeling in het besluitgebied.
bestemmingsplan Woonw agenlocatie Molenzicht Heythuysen
39
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische aspecten
Planonderdelen
Het bestemmingsplan bestaat uit de toelichting, de regels en de verbeelding. De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van de aanwezige bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk worden de diverse bepalingen artikelsgewijs besproken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding zijn de bestemmingen weergegeven. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is opgesteld conform de landelijke richtlijn voor bestemmingsplannen (SVBP 2012), alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
5.2
Toelichting op de verbeelding
De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1000. Op de analoge verbeelding wordt door middel van matrices per bestemming specifieke informatie weergegeven.
5.3
Toelichting op de planregels
De regels leggen de gebruiksmogelijkheden van de gronden en de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing vast. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. De regels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Inleidende regels; Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3: Algemene regels; Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels.
5.3.1
Inleidende regels
De inleidende regels behelzen de begrippen en de wijze van meten. Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn.
bestemmingsplan Woonw agenlocatie Molenzicht Heythuysen
40
Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden. 5.3.2
Bestemmingsregels
De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; wijzigingsbevoegdheid. Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan. De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van gronden en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. In de bouwregels staan uitsluitend bepalingen die betrekking hebben op het bouwen. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning. De afwijking van de bouwregels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om onder voorwaarden afwijking te verlenen van een specifieke regel. De specifieke gebruiksregels vormen een nadere concretisering van het toegestane gebruik. De afwijking van de gebruiksregels heeft tot doel bepaald gebruik wat eerder is uitgesloten onder voorwaarden wel toe te laten.
Onderstaand worden de regels van de opgenomen bestemming nader toegelicht. 'Groen' Binnen de bestemming 'Groen' zijn groenvoorzieningen toegestaan, alsmede paden, bermen en beplanting, voorzieningen van algemeen nut, waterhuishoudkundige voorzieningen. De gronden mogen worden bebouwd ten behoeve van gebouwen van algemeen nut. Ter plaatse van de aanduiding 'geluidwal' is tevens de realisatie van een geluidwal toegestaan. 'Sport' De voor 'Sport' aangewezen gronden zijn bestemd voor het uitoefenen van sportactiviteiten. Daarnaast zijn groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, voorzieningen van algemeen nut, waterhuishoudkundige voorzieningen, waterlopen, waterpartijen, (ondergrondse) waterberging- en infiltratievoorzieningen en wegen en paden toegestaan. 'Verkeer' Binnen de bestemming 'Verkeer' zijn onder andere verkeersdoeleinden (wegen, paden, parkeervoorzieningen) alsook groenvoorzieningen toegestaan. 'Water'
bestemmingsplan Woonw agenlocatie Molenzicht Heythuysen
41
Het water van de beken en/of waterberging heeft de bestemming 'Water'. De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor waterberging, waterhuishouding, waterlopen en waterpartijen. Daarnaast zijn groenvoorzieningen, infiltratievoorzieningen en kruisingen en overbruggingen ten behoeve van verkeersdoeleinden toegestaan. Hier mogen geen gebouwen worden gebouwd. Wel mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht. 'Wonen' De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'woonwagenstandplaats' uitsluitend wonen in woonwagens is toegestaan. Het uitoefenen van een bedrijf- en beroep aan huis is ook toegestaan. Ter plaatse van de maatvoering 'maximum aantal wooneenheden: 4' zijn in totaal 4 woonwagenstandplaatsen toegestaan en per woonwagenstandplaats is maximaal 1 woonwagen toegestaan. Tot slot zijn daarbij behorende groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, tuinen, erven, terreinen, voorzieningen van algemeen nut, waterhuishoudkundige voorzieningen, waterlopen en waterpartijen en (ondergrondse) waterberging- en infiltratie-voorzieningen toegestaan. 5.3.3
Algemene regels
In de algemene regels is een aantal standaardbepalingen opgenomen te weten, de antidubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels, algemene procedureregels en overige regels. Anti-dubbeltelregel In de anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels zijn regels gesteld die gelden voor alle bestemmingen uit hoofdstuk 2. In dit geval zijn dit regels met betrekking tot ondergronds bouwen en bestaande afstanden. Tevens is een regeling opgenomen ten aanzien van ondergeschikte bouwdelen. Algemene gebruiksregels In deze algemene gebruiksregels wordt gebruik in strijd met de bestemmingsomschrijving toegelicht.
Hiertoe wordt in ieder geval verstaan: (1) gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een seksinrichting, (2) het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij een woning als zelfstandige woningen en als afhankelijke woonruimte, behoudens gebruik als woon-ruimte ten behoeve van mantelzorg, (3) huisvesting van arbeidsmigranten, behoudens de huisvesting van arbeidsmigranten die alleen of gezamenlijk een huishouden vormen in een (bedrijfs)woning, (4) opslag van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond en (5) het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond. Algemene aanduidingsregels In de algemene aanduidingsregels zijn regels opgenomen ten behoeve van de bescherming van het belang van de buiten het plangebied gelegen molen (molenbiotoop). Algemene afwijkingsregels
bestemmingsplan Woonw agenlocatie Molenzicht Heythuysen
42
In deze regels zijn algemene afwijkingsbepalingen opgenomen. Zo is opgenomen dat binnen alle bestemmingen kan worden afgeweken van opgenomen maten tot een maximum van 10%. Ook zijn afwijkingsregels opgenomen die het mogelijk maken bij meetverschillen ontwikkelingen toe te staan. Ook zijn afwijkingsregels opgenomen ten aanzien van een bedrijf aan huis, ruimtelijke relevante evenementen, servicepunten en verleend omgevingsvergunningen of andere toestemmingen.
Algemene wijzigingsregels In deze bepaling wordt aan burgemeester en wethouders een algemene bevoegdheid gegeven om kleinschalige wijzigingen aan te brengen in de bestemmingen van onderhavig plan. Algemene procedureregels In de algemene procedureregels zijn de procedures opgenomen die dienen te worden doorlopen bij een binnenplanse wijziging of het stellen van nadere eisen. Overige regels In deze regels zijn de voorrangsbepalingen voor bestemmingen opgenomen, wordt ingegaan op het aspect parkeren en vindt een afweging plaats ten aanzien van het verbeteren van de omgevingskwaliteit. 5.3.4
Overgangs- en slotregels
Dit hoofdstuk is het sluitstuk van de regels en bevat alle bepalingen die nog niet elders ondergebracht zijn. De regels zijn algemeen van aard en gelden in principe voor alle bestemmingen. Overgangsrecht In deze regel wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht. Slotregel Als laatste is de slotregel opgenomen. Deze regel bevat de titel van het plan.
bestemmingsplan Woonw agenlocatie Molenzicht Heythuysen
43
Hoofdstuk 6
Handhaving
Een bestemmingsplan is voor de gemeente een belangrijk instrument om haar ruimtelijk beleid vorm te geven. Door middel van een combinatie van positieve bestemmingen en het uitsluiten van bepaalde activiteiten en functies kan een sturing plaatsvinden van gewenste en ongewenste ontwikkelingen. Een belangrijk aspect hierbij is de handhaving en het toezicht op de naleving van het bestemmingsplan. Deze handhaving is van cruciaal belang om de in het plan opgenomen ruimtelijke kwaliteiten ook op langere termijn daadwerkelijk te kunnen vasthouden. Daarnaast is de handhaving van belang uit een oogpunt van rechtszekerheid: alle bewoners en gebruikers dienen door de gemeente op een zelfde wijze daadwerkelijk aan het plan worden gehouden. In dit bestemmingsplan is daarom allereerst gestreefd naar een zo groot mogelijke eenvoud van in het bijzonder de planregels. Hoe groter de eenvoud (en daarmee de toegankelijkheid en leesbaarheid), hoe groter in de praktijk de mogelijkheden om toe te zien op de naleving van het plan. Bewust zijn in het plan geen detailbepalingen opgenomen die - hoewel misschien op zichzelf niet onwenselijk - in de praktijk niet kunnen worden gehandhaafd. In het verlengde daarvan is zoveel mogelijk afgezien van bepalingen die door de bewoners en andere gebruikers als een onnodige beperking van hun vrijheid kunnen worden gevoeld.
Hoe minder knellend de planregels zijn, hoe kleiner de kans dat het met de regels wat minder nauw wordt genomen. In de praktijk worden op den lange duur immers ook alleen die regels gerespecteerd waarvan door de betrokkenen de noodzaak en de redelijkheid wordt ingezien. In de bouwregels zijn maten opgenomen die van toepassing zijn op gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Te realiseren gebouwen en andere bouwwerken moeten voldoen aan deze maatvoering, zo niet, dan kan het college van burgemeester en wethouders geen omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen. Gebruiksregels zijn opgenomen om gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken en ongewenste ontwikkelingen uit te sluiten. Toetsing aan de gebruiksregels is aan de orde bij functiewisseling of nieuwvestiging. Het gemeentebestuur draagt de verantwoordelijkheid om toe te zien op de naleving van de opgenomen regels in het bestemmingsplan.
bestemmingsplan Woonw agenlocatie Molenzicht Heythuysen
44
Hoofdstuk 7 7.1
Haalbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie (Afdeling 6.4 Wro) in werking getreden. In de Grondexploitatiewet is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel waarin mogelijkheden voor een bouwplan gecreëerd worden, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Deze verplichting vervalt indien de gronden volledig in eigendom zijn van de gemeente. De gemeente Leudal is eigenaar van de gronden, waarop de beoogde ontwikkelingen plaatsvinden. De economische uitvoerbaarheid is derhalve in voldoende mate gewaarborgd.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Overleg ex artikel 3.1.1. Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn, en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Van het vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is. Bij het voorliggende bestemmingsplan zijn geen belangen van het Rijk of het Waterschap Limburg in het geding. Overleg met deze partijen is dan ook niet noodzakelijk. In relatie tot onderhavig project heeft overleg plaatsgevonden met de Provincie Limburg. Het plan is door de Provincie beoordeeld op de adequate doorwerking van de provinciale belangen. Bij e-mailbericht van 9 maart 2021 heeft de Provincie kenbaar gemaakt dat de beoordeling van het plan geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen. Indien het plan op deze wijze wordt voortzet, zal er geen aanleiding zijn om in de verdere procedure van het plan een zienswijze in te dienen. Wel heeft de provincie verzocht een doorkijk te geven naar de wijze waarop het plan binnen de nieuwe Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening past. Deze afweging is opgenomen in paragraaf 3.2. Inspraak Voor dit bestemmingsplan wordt géén inspraakprocedure gevolgd.
Het plan wordt direct als ontwerp ter inzage gelegd, waarbij voor een ieder de mogelijkheid bestaat een zienswijze op het plan in te dienen. Zienswijzenprocedure ontwerp bestemmingsplan Het ontwerp bestemmingsplan heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.8 Wro zes weken ter inzage gelegen. In het kader van deze terinzagelegging zijn geen zienswijze ingediend.
bestemmingsplan Woonw agenlocatie Molenzicht Heythuysen
45
Hoofdstuk 8
Procedure
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: Openbare kennisgeving van het ontwerp-bestemmingsplan; Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan Gedeputeerde Staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend; Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien Gedeputeerde Staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State.
bestemmingsplan Woonw agenlocatie Molenzicht Heythuysen
46