CConstaterende datLeudal
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting

Raadsvergadering 9 februari 2021, gemeente LeudalBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan ‘Partiële herziening bedrijventerrein Heythuysen – oostelijk terreindeel’19.701 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Indien bestaande situaties worden gewijzigd of uitgebreid, dan moeten deze parkeernormen wel worden toegepast. De parkeernorm geldt dan alleen voor het te wijzigen of uit te breiden deel. Voor meer informatie wordt kortheidshalve verwezen naar de bij raadsbesluit van 5 juli 2016 vastgestelde 'Nota Parkeernormen 2016' (bijlage 2 van de regels). 3.4.4

Nota Kwaliteit

In de 'Structuurvisie Leudal' is de 'Nota Kwaliteit' opgenomen. De Nota Kwaliteit bevat beleid over het kwaliteitsmenu en het groenfonds. Bij de beoordeling van ruimtelijke plannen, zoals bijvoorbeeld woningbouwplannen of uitbreiding van bedrijven komt nadat een planologische afweging is gemaakt of een bepaalde ontwikkeling aanvaardbaar is op een bepaalde locatie een kwaliteitsbijdrage in beeld. Het kwaliteitsmenu van de provincie (uitgewerkt in verschillende modules) geldt hierbij als een minimumvereiste. Landschappelijke inpassing van de locatie van een initiatief vormt altijd een voorwaarde naast de kwaliteitsverbeterende maatregel of een bijdrage in het groenfonds. 3.4.5

Uitvoeringsbeleid evenementen gemeente Leudal

Op 14 juni 2011 hebben burgemeester en wethouders van Leudal het 'Uitvoeringsbeleid evenementen gemeente Leudal (2011)' vastgesteld. Op 26 juli 2012 hebben burgemeester en wethouders de 'Beleidsnota evenementen gemeente Leudal' vastgesteld. In dit bestemmingsplan is overeenkomstig de plansystematiek van het bestemmingsplan 'Woonkernen Leuidal 2017' de lijn van de actuele jurisprudentie omtrent evenementen niet strikt gevolgd. Dat zou namelijk tot gevolg hebben dat: 1. er gebieden/locaties moeten worden aangewezen waarvan in het bestemmingsplan wordt vastgelegd hoeveel evenementen er zijn toegestaan, welke soort evenementen en met welke frequentie; 2. al voor de vaststelling van het bestemmingsplan moet worden onderbouwd/onderzocht dat de onder 1. genoemde soorten en aantallen geen onevenredig nadelige gevolgen hebben voor het woon- en leefklimaat. Om die redenen is ervoor gekozen om: a. onderscheid te maken tussen ruimtelijk relevante en ruimtelijk niet relevante evenementen; b. ruimtelijke niet-relevante evenementen rechtstreeks toe te staan binnen alle bestemmingen;

bestemmingsplan Partiële herziening bedrijventerrein Heythuysen - oostelijk terreindeel 25

c. ruimtelijke relevante evenementen in alle bestemmingen aan te merken als strijdig gebruik. Hiervan kan worden afgeweken middels een omgevingsvergunning (Algemene afwijkingsregels, lid 13.4), mits wordt aangetoond dat de waarden van de onderliggende en de omliggende bestemmingen niet onevenredig worden aangetast en dat het evenement geen onevenredig nadelige invloed heeft op het woon- en leefklimaat in de omgeving, voor wat betreft verkeersveiligheid, parkeren en geluidsuitstraling. De evenementen moeten ondergeschikt zijn aan de hoofdfunctie c.q. onderliggende bestemming. De regeling maakt derhalve niet mogelijk dat er een evenemententerrein wordt gerealiseerd, waar het houden van evenementen als hoofdactiviteit is is toegestaan. 3.4.6

Handboek Ruimtelijke Plannen

Omwille van onder meer uniforme planregels en –opzet heeft de gemeente Leudal een Handboek Ruimtelijke Plannen opgesteld. Het onderhavige bestemmingsplan is daarop zo veel mogelijk afgestemd.

bestemmingsplan Partiële herziening bedrijventerrein Heythuysen - oostelijk terreindeel 26

Hoofdstuk 4 4.1

Omgevingsaspecten

Verkeer en parkeren

Omdat in het plangebied geen directe bouw- en/of gebruikstitels worden geboden voor nieuwe ontwikkelingen die niet ook al mogelijk waren volgens het geldende bestemmingsplan, dan wel feitelijk reeds aanwezig en/of vergund zijn, heeft dit bestemmingsplan geen nadelige consequenties voor de verkeersafwikkeling in de kernen. In de regels van dit bestemmingsplan is in de 'Overige regels' vastgelegd dat bij de verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen (nieuwe ontwikkelingen) en/of voor functiewijziging geldt dat moet worden voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen, welke zijn vastgelegd in de 'Nota Parkeernormen 2016' (Bijlage 2 bij regels), vastgesteld door de gemeenteraad op 5 juli 2016. Dit geldt niet indien sprake is van verbouw of uitbreiding van bestaande gebouwen en/of functiewijziging waardoor de parkeerbehoefte niet toeneemt. Bij uitbreiding of verandering van functie geldt de Nota wel, maar niet voor het deel dat er al was en blijft bestaan/niet verandert. De gewijzigde plansystematiek uit het voorliggende bestemmingsplan heeft ook consequenties voor de toepassing van de parkeernormen. Door het afsplitsen van woningen bij bedrijven, kan namelijk sprake zijn van een toename van de parkeerbehoefte. Dubbelgebruik van de beschikbare parkeerplaatsen voor zowel de woning als het bedrijf is dan immers niet meer mogelijk.

In de regels van de wijzigingsbevoegdheid is daarom voorwaardelijk gesteld dat na de bestemmingswijziging voldaan moet worden aan de Nota Parkeernormen 2016. Bij de woningen die nu direct worden afgesplitst in dit bestemmingsplan is op eigen terrein voldoende ruimte aanwezig om te voldoen aan de parkeernorm van 2,7 parkeerplaatsen per woning.

4.2

Geluid

Wegverk eerslawaai Volgens de Wet geluidhinder is het noodzakelijk dat er aandacht wordt besteed aan de akoestische situatie bij nieuwe geluidgevoelige objecten. Voor wegen die deel gaan uitmaken van een 30 km-gebied geldt dat akoestisch onderzoek in prinvcipe niet uitgevoerd hoeft te worden. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB mag aan de gevel echter niet worden overschreden. Akoestisch onderzoek is, in het kader van het nieuwe bestemmingsplan, derhalve in principe alleen noodzakelijk indien nieuwe direct geluidgevoelige ontwikkelingen worden toegestaan binnen de onderzoekszone van de wegen waarvoor een maximale snelheid van 50 km/u of meer geldt. Met het voorliggende bestemmingsplan worden enkele bedrijfswoningen omgezet naar reguliere woningen. Echter, zowel bedrijfswoningen als reguliere woningen classificeren als geluidgevoelig object. Aangezien sprake is van een conserverend bestemmingsplan waarbinnen geen nieuwe geluidgevoelige objecten worden mogelijk gemaakt, is het uitvoeren van akoestisch onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder niet noodzakelijk.

Industrielawaai Zonering van een industrieterrein volgens de Wet geluidhinder is het ruimtelijke scheiden van (grote) lawaaimakers en geluidsgevoelige objecten. Deze scheiding ontstaat door het vaststellen van een zone rondom het industrieterrein waarin het toelaten van geluidsgevoelige objecten enkel onder voorwaarden mogelijk is. Het bestemmingsplan staat geen grote lawaaimakers toe, voorziet niet in geluidgevoelige objecten en is niet gelegen in de zone van geluidgezoneerde industrieterreinen. Het uitvoeren van akoestisch onderzoek industrielawaai is niet noodzakelijk. In paragraaf 4.4 wordt nader ingegaan op het aspect geluid van bedrijvigheid in relatie tot de aanwezige woningen.

bestemmingsplan Partiële herziening bedrijventerrein Heythuysen - oostelijk terreindeel 27

4.3

Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: 3. het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; 4. het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2 ug/m3).

Met het voorliggende bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Hierdoor is er geen sprake van een gewijzigde invloed op de luchtkwaliteit in het plangebied. Op basis van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit in het plangebied in beeld gebracht. Stof

Streefwaarde

Gemeten waarde (2020)

NO2

40.00

14.13

PM10

40.00

19.17

PM2,5

25.00

12.66

Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse in de huidige situatie voldoende en worden geen normen overschreden. Naar verwachting zal door voortschrijdende technologie de luchtkwaliteit in Nederland nog verder verbeteren. Er kan dan ook worden geconcludeerd dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat en vanuit het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen bestaan.

4.4

Bedrijven en milieuzonering

Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.

Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'''. In de publicatie is een lijst opgenomen met

bestemmingsplan Partiële herziening bedrijventerrein Heythuysen - oostelijk terreindeel 28

bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid.

Toetsing Bij de realisatie van bedrijfswoningen nabij bedrijven of bedrijven nabij bedrijfswoningen moet beoordeeld worden of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent dat: 1. Enerzijds onderbouwd moet worden dat omliggende bedrijven niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoeringsmogelijkheden als gevolg van de functiewijziging van bedrijfswoningen naar burgerwoningen. Bij de toegestane milieucategorie 2-bedrijvigheid is het aspect geluid in de meeste gevallen de meest bepalende factor. Van de 62 toegestane soorten bedrijven is in drie gevallen het aspect geur de meest bepalende factor. De aspecten stof, geur en gevaar zijn in een aantal gevallen gelijk bepalend aan de factor geluid, maar vormen voor het overige in géén van toegestane soorten bedrijven de meest bepalende factoren. 2. Anderzijds in het kader van een goede ruimtelijke ordening sprake moet zijn van een goed woon- en leefklimaat in de woningen waarvan de functie wijzigt naar burgerwoning. Ad 1: De Wet geluidhinder kent gelet op de definitie in artikel 1 geen onderscheid tussen een bedrijfswoning en burgerwoning. In het Activiteitenbesluit is voor de definities aangesloten bij de Wet geluidhinder. Derhalve vormt zowel een bedrijfswoning als een burgerwoning een gevoelige object ingevolge deze regelgeving.

Dit betekent dat een burgerwoning ten opzichte van nabijgelegen bedrijven dezelfde bescherming geniet als een bedrijfswoning van een derde. Daarmee worden omliggende bedrijven vanuit het aspect geluidhinder niet belemmerd in hun bedrijfsvoeringsmogelijkheden. Anders is de situatie als een bedrijfswoning als burgerwoning wordt afgesplitst van het bedrijf waar de woning als bedrijfswoning bij hoort. Een bedrijfswoning maakt namelijk deel uit van de inrichting en geniet op grond daarvan géén bescherming ten opzichte van de bedrijfsmatige activiteiten op het eigen bedrijf. Als beide worden losgekoppeld kan de situatie ontstaan dat het eigen bedrijf belemmerd wordt in de bedrijfsvoeringsmogelijkheden, aangezien de bedrijfswoning dan een woning van een derde wordt, die vaak ook nog de woning is die het dichtste bij het bedrijfsgebouw ligt en daarmee de meest bepalende factor wordt voor toetsing aan de milieuregels. Dit heeft de aanvrager echter zelf in de hand. Bij loskoppeling zal hij de consequentie moeten aanvaarden dat hij weliswaar ruimere gebruiksmogelijkheden krijgt voor zijn woning, maar voor wat betreft de milieuregelgeving mogelijk beperktere gebruiksmogelijkheden voor zijn bedrijfsgebouw.

bestemmingsplan Partiële herziening bedrijventerrein Heythuysen - oostelijk terreindeel 29

Ad 2: Vanuit een goede ruimtelijke ordening moet er sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het is gebruikelijk om ter onderbouwing daarvan gebruik te maken van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering'. Deze brochure bevat richtafstanden tussen bedrijven en woningen. In de VNG-brochure staat dat de richtafstandenlijsten niet zonder meer kan worden toegepast als gevoelige functies óp een bedrijventerrein voorkomen. Het gaat hier om historisch gegroeide situaties waar burgerwoningen (verspreid of gegroepeerd) zijn vermengd met milieubelastende bedrijvigheid. Uit een oogpunt van milieuzonering is omvorming naar een woon-/werkgebied alleen mogelijk wanneer de bestaande bedrijven een dusdanige milieu-invloed hebben op de omgeving, dat woonbebouwing als passend kan worden ervaren. In de regel voldoen categorie 1 en 2 bedrijven hieraan, zeker omdat in dit geval geen sprake is van een 'rustige woonwijk' maar van een 'gebied met functiemenging'. In de VNG-brochure is voor gebieden met functiemenging gekozen voor een andere categorieaanduiding dan de algemene richtafstandenlijst. De reguliere toetsafstanden zijn dan niet meer van toepassing. De activiteiten in de Staat van Bedrijfsactiviteiten voor gebieden met functiemenging bestaan uit de categorieën A, B of C: A.

Activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn toereikend. B. Activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden. C. De activiteiten zoals genoemd onder B, waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen. Voor de toelaatbaarheid van deze activiteiten gelden de volgende randvoorwaarden: 1. 2. 3. 4.

Het gaat om kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid; Productie en/of laad en loswerkzaamheden vinden alleen in de dagperiode plaats; De activiteiten (inclusief opslag) vinden hoofdzakelijk inpandig plaats; Activiteiten uit categorie C beschikken daarnaast over een goede aansluiting op de hoofdinfrastructuur.

Het uitgangspunt is dat zich in gemengd gebied met wonen alleen bedrijven zullen vestigen, die naar aard en invloed op de omgeving geschikt zijn voor ligging in een gebied met functiemenging inclusief wonen. Het bedrijventerrein is in de gemeentelijke Nota Gebiedsgericht geluidbeleid aangeduid als akoestisch gebiedstype 'Bedrijven'. Voor dit gebiedstype is een na te streven geluidkwaliteit 'matig' vastgelegd. Dit betekent dat er voor wat betreft geluid geen sprake hoeft te zijn van een 'goed woon- en leefklimaat', maar van een acceptabel woon- en leefklimaat. De in de VNG-brochure opgenomen voorbeeld Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging, is afgeleid van de richtafstandenlijst. Naast de hiervoor genoemde randvoorwaarden zijn bij de selectie van activiteiten de volgende criteria gehanteerd: Voor categorie A gaat het om activiteiten in milieucategorie 1. Voor categorie B gaat het om activiteiten: 1. In milieucategorie 1 voor het aspect gevaar; 2. In maximaal milieucategorie 2 voor de aspecten stof en geur; 3. In maximaal milieucategorie 3.1 voor het aspect geluid; 4. Met een index voor verkeer van maximaal 1G en 2P. Voor categorie C gaat het om activiteiten zoals bij categorie B, echter met een index voor verkeer van maximaal 2G en 3P.

bestemmingsplan Partiële herziening bedrijventerrein Heythuysen - oostelijk terreindeel 30

De volgens het vorige bestemmingsplan toegestane soorten bedrijven vallen allemaal onder de categorie A of B, behoudens enkele categorieën. Uit de inventarisatie blijkt dat 29 van de 62 toegestane bedrijfstypes niet valt onder categorie A of B, maar onder categorie C. Daarvan zijn er vier die onder categorie C vallen omdat ze voor het aspect gevaar milieucategorie 2-bedrijven zijn. Daarnaast vallen vijf bedrijfstypes onder categorie C vanwege de index voor verkeer 3P. De overige bedrijfstypes vallen allemaal onder categorie C vanwege de index voor verkeer 2G. Om een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen is gekozen om voor de beide deelgebieden in deze herziening van het bestemmingsplan niet meer uit te gaan van de indeling in milieucategorieën (zoals in het vorige bestemmingsplan), maar van de Staat van Bedrijfsactiviteiten met gebieden voor functiemenging conform de VNG-brochure, waarbij wordt vastgelegd dat uitsluitend bedrijven uit de categorie A en B zijn toegestaan, met dien verstande dat géén bedrijven worden toegestaan die volgens de huidige systematiek voor wat betreft het aspect geluid vallen onder categorie 3.1, omdat dit anders een uitbreiding van vestigingsmogelijkheden zou zijn ten opzichte van het geldende bestemmingsplan.

Daarmee wordt niet alleen een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd voor de op het bedrijventerrein aanwezige (bedrijfs)woningen, maar óók voor de woningen binnen de woongebieden ten oosten van de Belenbroeklaan en ten oosten en zuiden van de Kloosterstraat. Voor de bedrijven die nu wél zijn toegestaan volgens de staat van bedrijfsactiviteiten bij het geldende bestemmingsplan, is in dit bestemmingsplan de volgende lijn toegepast: 1. De bedrijfstypes met een index voor verkeer van 3P niet meer toe te staan in de nieuwe systematiek, aangezien géén sprake is van een directe ontsluiting op de hoofdinfrastructuur; 2. De bedrijfstypes met een categorie 2 voor het aspect gevaar, eveneens niet meer toe te staan in de nieuwe systematiek, omdat binnen 30 meter afstand van bedrijfskavels bestaande woningen zijn gelegen, zowel óp het bedrijventerrein als in de aangrenzende woonwijken; 3. Voor de overige bedrijfstypes, die in de nieuwe categorie-indeling vallen onder type C, een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid op te nemen, op grond waarvan deze bedrijfstypes kunnen worden gevestigd, mits wordt aangetoond dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Een uitzondering is gemaakt voor de hondenkennel aan de Kloosterstraat 88. Dit bedrijf is in het vorige bestemmingsplan toegestaan middels een specifieke functieaanduiding.

Het betreft een milieucategorie 3.2-bedrijf met een richtafstand tot woningen van 100 meter in een rustige woonwijk en 50 meter in gemengd gebied. In casus is sprake van een gemengd gebied. Binnen deze afstand van 50 meter zijn twee bedrijfswoningen gelegen: de bij het bedrijf behorende woning aan de Kloosterstraat 88 en de bedrijfswoning aan de Kloosterstraat 90, behorende bij het bedrijfsgebouw op hetzelfde perceel. Binnen deze twee woningen is in principe op voorhand geen goed woon- en leefklimaat te garanderen vanwege de ligging binnen de invloedssfeer van de hondenkennel. Echter is wel een wijzigingsbevoegdheid opgenomen, waardoor de wijziging in de bestemming 'Wonen' mogelijk is indien middels een akoestisch onderzoek kan worden aangetoond dat in de woningen ondanks de aanwezigheid van de hondenkennel toch sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het is dan niet noodzakelijk dat de functieaanduiding voor de hondekennel geschrapt wordt.

Akoestisch onderzoek omgevingslawaai, Kloosterstraat 90 In navolging van de bovenstaande bevindingen heeft de eigenaar van de woning aan de Kloosterstraat 90 een akoestisch onderzoek omgevingslawaai (Bijlage 1) laten uitvoeren. Uit dit onderzoek kunnen de navolgende conclusies worden getrokken: Met betrekking tot het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) op de gevels van de nieuwe burgerwoning kan worden gesteld dat zelfs bij een worst-case benadering wordt voldaan aan zowel de geluidgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde behorende bij stap 2 van het stappenplan uit de VNG-uitgave als de 5 dB minder strenge richtwaarde van 55 dB(A) etmaalwaarde uit het gemeentelijk geluidbeleid voor het van toepassing zijnde occupatiepatroon ‘Bedrijventerrein’. Met betrekking tot de maximale geluidniveaus (LAmax) op de te toetsen gevels van de nieuwe burgerwoning kan worden gesteld dat wordt voldaan aan de geluidgrenswaarde van 70 dB(A)

bestemmingsplan Partiële herziening bedrijventerrein Heythuysen - oostelijk terreindeel 31

etmaalwaarde behorende bij stap 2 van het stappenplan uit de VNG-uitgave. Aangezien aan de geluidnormen van stap 2 van het stappenplan uit de VNG-uitgave wordt voldaan, wordt automatisch ook voldaan aan de geluidnormen van het Activiteitenbesluit. Met betrekking tot indirecte hinder van het verkeer van en naar het hondenpension kan worden gesteld dat ruimschoots wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde. Uit de bovenstaande conclusies blijkt dat ondanks de aanwezigheid van de hondekennel ter plaatse van de woning aan de Kloosterstraat 90 akoestisch gezien een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Vanuit akoestisch perspectief is dan ook aangetoond dat in de woning aan de Kloosterstraat 90 sprake is van een goed woon- en leefklimaat, waardoor de bestemming van deze woning in het kader van onderhavig bestemmingsplan al wordt omgezet naar de bestemming 'Wonen'.

Voor wat betreft het landbouw- en tuinmechanisatiebedrijf en detailhandel in tuinartikelen aan de Leveroyseweg 1 en Arenbos 4a is van belang dat dit middels een specifieke functieaanduiding positief werd bestemd in het vorige bestemmingsplan. Dit bedrijfstype is niet expliciet genoemd in de lijst van bedrijfsactiviteiten, behorende bij de regels van dat bestemmingsplan, maar valt onder bedrijfstype 'Dienstverlening t.b.v. de landbouw: algemeen (bedrijfsvloeroppervlakte >500 m²)'. Daarmee is sprake van een milieucategorie 3.1-bedrijf (in de richtafstandensystematiek) voor het aspect geluid. Dit alléén leidt binnen de systematiek voor gebied met functiemenging niet tot de consequentie dat er dan sprake is van een type C-bedrijf. Desondanks is er wél sprake van een categorie C-bedrijfstype, en wel vanwege de index voor verkeer van 2G (potentieel aanzienlijke verkeersaantrekkende werking). Dit betekent dat op voorhand niet direct een goed woon en leefklimaat kan worden gegarandeerd voor de drie bedrijfswoningen aan de oostzijde van de weg Arenbos, maar ook niet voor de eventueel tot 'Wonen' te bestemmen bedrijfswoningen aan de Leveroyseweg 1A en Arenbos 4A. Dit vergt een nadere onderbouwing over het aspect 'potentieel aanzienlijke verkeersaantrekkende werking'. In principe zijn deze woningen derhalve niet rechtstreeks te bestemmen tot 'Wonen'.

Echter is er een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waardoor de wijziging in de bestemming 'Wonen' mogelijk is, met als voorwaarde dat o.a. aangetoond dient te worden dat de verkeersaantrekkende werking geen belemmering vormt voor het woon- en leefklimaat ter plaatse.

Verkeerskundig onderzoek Lemmen Tuin en Park, Arenbos 4 In navolging van de bovenstaande bevindingen heeft een verkeerskundige beoordeling (Bijlage 2) van de weg Arenbos in relatie tot de bedrijfsactiviteiten van Lemmen tuin en park, gelegen aan de Arenbos 4 plaatsgevonden. Binnen deze rapportage is nader ingegaan op de vraag wat de verkeerskundige aantrekking is van de bedrijfslocatie Arenbos 4 en welke effecten die heeft op de weg Arenbos alsmede de aan deze weg gelegen objecten. Uit dit onderzoek kunnen de navolgende conclusies worden getrokken: Geconcludeerd kan worden dat de algemene typering van de bedrijfsactiviteiten ('potentieel aanzienlijke verkeersaantrekkende werking' voor het onderdeel landbouw en tuinmechanisatie en 'potentieel zeer grote verkeersaantrekkende werking' voor het toegestane tuincentrum) niet overeenkomen met de praktijk (feitelijke situatie) op Arenbos 4. Er is sprake van een (zeer) beperkte verkeersaantrekkende werking als gevolg van de aanwezige bedrijfsactiviteiten. Ook de toekomstige en theoretische situatie zal niet zorgen voor een potentieel aanzienlijke of grote verkeersaantrekkende werking. De verkeersaantrekkende werking kan gelijk worden gesteld met lagere categorieën (B) uit de brochure Bedrijven en milieuzonering.

Er is gemotiveerd aangetoond dat het bedrijf naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar is met andere bedrijven uit de lagere categorie B voor wat betreft verkeersaantrekkende werking. Daar komt bij dat de alle twee de huizen behorende bij het bedrijf (Leveroyseweg 1 ligt aan de noordelijk gelegen Kloosterstraat en Arenbos 4A ligt op 'Zuid') aan de andere kant liggen van 'Arenbos-Oost'. Deze woningen hebben daarmee weinig tot geen last van het verkeer op

bestemmingsplan Partiële herziening bedrijventerrein Heythuysen - oostelijk terreindeel 32

Arenbos-Oost. Uit de bovenstaande conclusies blijkt dat in voldoende mate is aangetoond dat in de woningen aan de Levenroyseweg 1 en Arenbos 1, 4 en 7 sprake is van een goed woon- en leefklimaat. In het kader van onderhavig bestemmingsplan wordt de bestemming van deze woningen derhalve al omgezet naar de bestemming 'Wonen'. Volledigheidshalve dient opgemekt te worden dat de eigenaar van de woning Arenbos 3 in het kader van een uitgevoerde inventarisatie vooraf niet heeft verzocht om de bestemming te wijzigen. Voor deze woning kan derhalve de bestemming als bedrijfswoning gehandhaafd blijven.

Invloedsgebied Lpg-tankstation Een aandachtspunt betreft de ligging van nagenoeg alle bestaande woningen binnen het invloedsgebied voor externe veiligheid van het lpg-tankstation aan de Kloosterstraat ong. (bij de woning Kloosterstraat 120a). De woningen liggen níet binnen de contouren voor plaatsgebonden risico volgens het Bevi, maar dus wel binnen invloedsgebied. Door de wijziging van bedrijfs- naar burgerwoning wijzigt er niets met betrekking tot de personendichtheid in het invloedsgebied. Ook zijn een bedrijfswoning en een burgerwoning gelijk qua beschermingsniveau; beide zijn kwetsbare objecten. Dit betekent dat er ten aanzien van externe veiligheidssituatie niets verandert en het aspect gevaar geen belemmering vormt. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt derhalve geen belemmering voor het bestemmingsplan.

4.5

Geur agrarisch

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en Veehouderij (Wgv). Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten (gebouwen voor menselijk wonen en menselijk verblijf). Er dient voor deze objecten sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. Omliggende veehouderijen mogen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Daarnaast dient bij de vestiging van een veehouderij rekening te worden gehouden met aan te houden afstanden tot bestaande geurgevoelige objecten. Gemeenten hebben onder de Wgv de bevoegdheid gekregen om binnen de kaders die deze wet stelt eigen normen te stellen. Deze kunnen worden vastgelegd in een geurverordening. De normstelling in de geurverordening dient te worden gemotiveerd aan de hand van een gebiedsvisie geurhinder en veehouderij. De gemeenteraad van Leudal heeft op 14 februari 2017 de 'Verordening geurhinder en veehouderij 2017 gemeente Leudal' vastgesteld. Hierin is bepaald dat binnen daartoe aangewezen gebieden een andere waarde van toepassing is dan de desbetreffende waarde genoemd in artikel 3, eerste lid van de Wet geurhinder en veehouderij.

Het betreft de volgende gebieden en waarden: Kernrandzone: 6 OU/m³ Buitengebied: 10 OU/m³ Zorginitiatief Hornerheide: 3 OU/m³ Voor industrieterreinen buiten de kernen en grootschalige recreatieterreinen is de waarde 10 OU/m³ van toepassing. Het onderhavige plangebied is volledig gelegen binnen de kernrandzone.

bestemmingsplan Partiële herziening bedrijventerrein Heythuysen - oostelijk terreindeel 33

Afbeelding 4.1. Begrenzing kernrandzone als bedoeld in de 'Verordening geurhinder en veehouderij 2017 gemeente Leudal'. Plangebied indicatief rood omlijnd.

Naast geurnormen houdt de Wgv ook rekening met (vaste) afstanden van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. Bij deze afstanden gaat het om dieren waarvoor in de Rgv geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld, waaronder paarden. De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom. Deze afstand geldt ongeacht het aantal dieren dat er gehouden wordt. De te toetsen afstand wordt gemeten tussen de buitenzijde van een geurgevoelig object en het dichtstbijzijnde emissiepunt. Ten noordenwesten van het plangebied bevinden zich twee intensieve veehouderijen, gelegen aan de Roorstraat ten noorden van de Leveroyseweg. Het bouwvlak van de dichtstbijzijnde veehouderij is op ten minste 167 meter van het plangebied gelegen. Voor de geurgevoelige objecten binnen het plangebied wordt daarmee voldaan aan de vaste afstanden uit de Wgv. De onderstaande afbeelding toont de 10 OU/m³ contour van de betreffende veehouderijen.

bestemmingsplan Partiële herziening bedrijventerrein Heythuysen - oostelijk terreindeel 34

Afbeelding 4.2. 10 OU/m³ geurhindercontour veehouderijen, plangebied rood omkaderd.

Het plangebied is volledig buiten de geurhindercontour van de veehouderijen gelegen. Om een oordeel te kunnen geven over de geursituatie, is het van belang inzicht te hebben in de gehanteerde geurbeleving van de geurbelasting in deze gebiedsvisie, oftewel de dosis-effect-relatie. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de voorgrondbelasting, wanneer er sprake is van één veehouderijbedrijf en achtergrondbelasting, wanneer er sprake is van meerdere veehouderijen.

Afbeelding 4.3. Kaart achtergrondbelasting geur veehouderijen, plangebied rood omkaderd.

bestemmingsplan Partiële herziening bedrijventerrein Heythuysen - oostelijk terreindeel 35

De bovenstaande afbeelding toont de achtergrondbelasting rondom de veehouderijen. Het plangebied is rood omkaderd. Binnen het plangebied is sprake van een lage achtergrond belasting, waarmee sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Vanuit geurhinder en veehouderijen bestaat derhalve geen belemmering voor het voorliggende bestemmingsplan.

4.6

Kabels en leidingen

Binnen het plangebied en de directe omgeving zijn geen hoogspanningsverbindingen gelegen waarvan de beschermingszone binnen het plangebied valt. Verder blijkt op basis van het geldende bestemmingsplan en leidinggegevens van Gasunie dat binnen het plangebied geen gasleidingen met een planologische beschermingszone zijn gelegen. Binnen of in de directe omgeving van het plangebied zijn ook geen overige leidingen gelegen met een bestemmingsplanplichtige beschermingszone. Wel is er tegen de uiterst zuidwestelijke plangrens een rioolbuis gelegen, waarvoor in het vorige bestemmingsplan een dubbelbestemming was opgenomen. Vanuit het aspect kabels en leidingen bestaat geen belemmeringen tegen het voorliggende bestemmingsplan.

4.7

Externe veiligheid

Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden.

Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

bestemmingsplan Partiële herziening bedrijventerrein Heythuysen - oostelijk terreindeel 36

Afbeelding 4.4. Uitsnede provinciale risicokaart plangebied en omgeving.

Bovenstaande uitsnede van risicokaart.nl toont de risicovolle activiteiten (bedrijven, transportroutes, buisleidingen) binnen het plangebied en de omgeving. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn onder andere (bedrijfs)woningen, scholen, ziekenhuizen en hotels.

Risicovolle inrichtingen Binnen het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen. In de nabijheid van het plangebied zijn wel twee risicovolle inrichtingen gelegen. Het betreft Cillekens Brandstoffen BV (Lukoil), aan de Kloosterstraat 120, dat vanwege de propaantank en de LPG-tank, -vulpunt en afleverinstallatie een plaatsgebonden risicocontour van 150 meter heeft rondom het vulpunt. De risicocontour van het betreffende bedrijf is op de verbeelding opgenomen, waarbij er binnen de contour geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten zijn toegestaan. Daarnaast betreft het de bestrijdingsmiddelenopslag aan de Leveroyseweg 9. Deze inrichting heeft een plaatsgebonden risicocontour van 0 meter. Voor het overige is het plangebied niet gelegen binnen het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen.

Wegen Op circa 500 meter ten oosten van het plangebied is de N279 gelegen. Over deze weg vindt tranport van gevaarlijke stoffen plaats. Gezien de afstand en de beperkte hoeveelheid stoffen hoeft er op grond van het Basisnet geen nadere onderbouwing van het groepsrisico te worden gegeven. In het kader van het bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt en vormt de ligging ten opzichte van de N279 geen belemmering.

Spoor Het plangebied is niet gelegen in de nabijheid van een spoorlijn. De dichtstbijzijnde spoorlijn betreft de spoorlijn Roermond-Weert op circa 1.475 meter ten zuiden van het plangebied. Gezien deze afstand vormt de spoorlijn geen belemmering voor het bestemmingsplan.

bestemmingsplan Partiële herziening bedrijventerrein Heythuysen - oostelijk terreindeel 37

Leidingen Binnen het plangebied en de directe omgeving zijn geen ondergrondse leidingen gelegen waardoor transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Leidingen vormen zodoende geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

Conclusie Aangezien sprake is van een conserverend bestemmingsplan, bestaan er vanuit externe veiligheid geen belemmeringen voor het bestemmingsplan. Weliswaar worden enkele bedrijfswoningen omgezet naar burgerwoning, maar aangezien het Bevi geen onderscheid maakt tussen een bedrijfswoning en een burgerwoning, betreft het beide kwetsbare objecten. Hierdoor wijzigt er niets ten aanzien van het te hanteren veiligheidsregime. Er worden geen nieuwe woningen of bedrijfskavels toegevoegd, waardoor het aantal personen binnen het invloedsgebied van de LPG-installatie gelijk blijft. Externe veiligheid vormt daardoor geen belemmering voor de gekozen plansystematiek. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

4.8

Ecologie

De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag.

Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.

bestemmingsplan Partiële herziening bedrijventerrein Heythuysen - oostelijk terreindeel 38

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijsteling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.

Toetsing Het plangebied is niet gelegen binnen een beschermd natuurgebied. Het dichtsbijzijnde Natura2000-gebied, Leudal, is op circa 2,00 kilometer ten oosten van het plangebied gelegen. Effecten met betrekking tot oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging en verdroging kunnen worden uitgesloten, aangezien het plangebied niet is gelegen binnen het Natura2000-gebied. Aangezien het voorliggende bestemmingsplan geen ontwikkelingen mogelijk maakt die niet al op grond van het voorgaande bestemmingsplan mogelijk waren, kan worden gesteld dat onderhavig bestemmingsplan geen negatieve effecten heeft op het natuurgebied, met betrekking tot verstoring door geluid, licht, trilling, optische verstoring of mechanische effecten. Natuurnetwerk Nederland (vormalige EHS) is in Limburg uitgewekt in de goudgroene natuurzone en zilvergroene natuurzone. Op basis van de kaarten behorende bij de provinciale omgevingsverordening kan worden geconcludeerd dat het plangebied en de directe omgeving buiten de begrenzing van deze beschermde gebieden zijn gelegen. Aangezien sprake is van een conserverend bestemmingsplan heeft de vaststelling ervan geen invloed op het aspect soortenbescherming.

Gezien het feit dat het plangebied voor een groot deel is verhard en reeds wordt verstoord door menselijk gebruik, kan worden aangenomen dat binnen het plangebied weinig tot geen beschermde dier- en/of plantensoorten voorkomen. In het voorliggende bestemmingsplan worden verder geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt.

bestemmingsplan Partiële herziening bedrijventerrein Heythuysen - oostelijk terreindeel 39

Tegen de voorgenomen actualisatie bestaan op basis van ecologische, landschappelijke en overige groene waarden geen belemmeringen.

4.9

Bodem

In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient, in geval van incidentele bouwlocaties, aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemmingen. Middels het bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Daarmee kan worden geconcludeerd dat het uitvoeren van een bodemonderzoek in het kader van het bestemmingsplan niet noodzakelijk is.

4.10

Water

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. 4.10.1 Beleid Vanuit Rijks- en provinciaal beleid wordt steeds meer nadruk gelegd op duurzaam waterbeheer in de bebouwde omgeving. Vernieuwing in het provinciaal waterbeheer wordt gestalte gegeven door onder andere een (grensoverschrijdende) stroomgebiedbenadering, een brongerichte aanpak, het solidariteitsprincipe (niet afwentelen) en het vooraf betrekken van water bij ruimtelijke ontwikkelingen en afwegingen. Duurzaam waterbeheer 21e eeuw De kern van het Waterbeleid 21e eeuw is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. Het water de ruimte geven, betekent dat in het landschap en in de stad ruimte gemaakt wordt om water op te slaan. Dat betekent bijvoorbeeld dat toegelaten wordt dat rivieren bij hoge waterstanden gecontroleerd buiten hun oevers treden, op plekken waar daar ruimte voor is gemaakt. Daarmee worden problemen in andere, lager gelegen gebieden voorkomen. Het principe van vasthouden, bergen en afvoeren is van belang. De waterbeheerders hebben samen gekozen voor een strategie, die uitgaat van het principe dat een overvloed aan water wordt opgevangen waar deze ontstaat.

Dat betekent dat het water niet meer zo snel mogelijk wordt afgevoerd, maar dat het water zolang mogelijk wordt vastgehouden onder andere in de bodem. Is vasthouden niet meer mogelijk, dan bergen de waterbeheerders het in gebieden die daarvoor zijn uitgekozen. Door het water zo lang mogelijk vast te houden wordt tevens verdroging voorkomen. Pas als het niet anders kan, wordt het water afgevoerd. Waterwet 2009 Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. In deze wet is een achttal wetten samengevoegd tot één wet. Het Waterbesluit is de uitwerking bij algemene maatregel van bestuur van bepalingen van de Waterwet. De Waterregeling is de uitwerking bij ministeriële regeling van bepalingen van de Waterwet en het Waterbesluit. De Waterwet, het Waterbesluit en de Waterregeling zijn het resultaat van de in 2004 aangekondigde integratie van waterwetgeving. Wat betreft de oppervlaktewaterlichamen geeft het Waterbesluit een grondslag om de grenzen hiervan in de Waterregeling vast te leggen en een grondslag voor de grenzen van de gebieden die zijn vrijgesteld van de vergunningplicht voor het gebruik van waterstaatswerken (vergelijkbaar met het voormalige Besluit rijksrivieren op grond van art. 2a Wbr).

bestemmingsplan Partiële herziening bedrijventerrein Heythuysen - oostelijk terreindeel 40

4.10.2 Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied en omgeving, kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: bodem en grondwater, oppervlaktewater, ecosysteem en afval- en hemelwater. Grondwater Het plangebied is gelegen binnen het grondwaterbeschermingsgebied Roerdalslenk III. De gehele Roerdalslenk is een boringsvrije zone. De hier van nature aanwezige afgeschermde (klei)lagen bieden geologische bescherming van de diepe grondwatervoorraden. Boringen dieper dan 30 meter beneden maaiveld, bijvoorbeeld ten behoeve van het slaan van grondwaterputten, zijn ter bescherming van de strategische grondwatervoorraad alleen toegestaan na voorafgaande schriftelijke melding aan GS. De bodemdoorlatendheid van het gebied wordt uitgedrukt in een K-waarde. De K-waarde van het plangebied is 0,45 tot 0,75 meter per dag, conform de Bodemdoorlatendheidkaart van Waterschap Limburg, en is daarmee redelijk goed te noemen. Infiltratie is hier mogelijk, mits de grondwaterstand voldoende laag is (circa 1 meter of dieper). Oppervlaktewater Binnen het plangebied bevinden zich geen oppervlaktewateren die zijn opgenomen in de Legger van Waterschap Limburg.

Ook voor het overige is er binnen het plangebied en de directe omgeving geen oppervlaktewater gelegen. Hemelwater Op het bedrijventerrein ligt een gescheiden rioolstelsel, waarop het hemelwater van de openbare ruimte en diverse private percelen is aangesloten. Bij toekomstige ontwikkelingen wordt echter als uitgangspunt gehanteerd dat het hemelwater geïnfiltreerd dient te worden in de bodem op het perceel zelf. Waterneutraal bouwen Hiervan is sprake indien als gevolg van de verharding geen grotere lozing op het watersysteem wordt aangeboden dan in de situatie dat sprake is van onverhard. In het hele beheersgebied van het waterschap, met uitzondering van het Heuvelland, wordt uitgegaan van een bui van 100 mm in 24 uur. Dit betekent dat een berging/infiltratie moet worden gerealiseerd die van een zodanige omvang is dat de hoeveelheid hemelwater die op het watersysteem wordt aangeboden niet groter is dan in de onverharde situatie. Bij de omvang van de benodigde berging/infiltratie mag rekening worden gehouden met de leegloop en de infiltratie gedurende 24 uur, zoals vastgelegd in de Beleidsregel van het dagelijks bestuur van Waterschap Limburg houdende regels omtrent de beleidsregels van de keur Beleidsregels Keur Waterschap Limburg 2019 deel 1. Afvalwater Het plangebied is voorzien van een rioolstelsel voor afvalwater.

Overleg waterbeheerder Een belangrijk instrument bij de uitvoering van het waterbeleid is de Watertoets. Het toepassen van de Watertoets bij ruimtelijke plannen is verplicht en heeft als uitgangspunt dat de situatie voor het watersysteem door de ruimtelijke ingreep niet mag verslechteren (waterneutraal ontwikkelingen volgens het stand-still-beginsel). Bovendien wordt er bij de toepassing van de Watertoets naar gestreefd de kansen om bestaande ongewenste situaties te verbeteren, zoveel mogelijk te benutten. In het kader van het vooroverleg zal het bestemmingsplan aan het Waterschap worden voorgelegd.

bestemmingsplan Partiële herziening bedrijventerrein Heythuysen - oostelijk terreindeel 41

4.11

Archeologie

De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2022 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. De gemeente Leudal heeft voor het gehele gemeentelijke grondgebied een archeologische verwachtingsen beleidsadvieskaart laten vervaardigen, welke is vastgesteld door de gemeenteraad van Leudal op 8 februari 2011. Het eerste en belangrijkste doel hiervan is om ten behoeve van toekomstige planvorming en planuitvoering inzicht te verschaffen in de (te verwachten) aanwezigheid en het karakter van de archeologische resten binnen het grondgebied van de gemeente.

Door aan de verwachte en bekende archeologische en historische resten een concreet beleidsadvies te koppelen, vormt de kaart een eerste praktisch handvat bij de inpassing van de archeologie bij planvorming en uitvoering.

bestemmingsplan Partiële herziening bedrijventerrein Heythuysen - oostelijk terreindeel 42

Afbeelding 4.5. Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidskaart voor het plangebied en omgeving.

Voor het gehele plangebied is in verband met de hoge verwachting de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 5' opgenomen, waarin de voorwaarden uit het gemeentelijk archeologisch beleid worden verankerd. Op deze wijze is geborgd dat bij een bouwplan de genoemde dubbelbestemming gehandhaafd moet blijven, tenzij middels archeologisch onderzoek wordt aangetoond dat het wijzigingsgebied kan worden vrijgegeven door het bevoegd gezag middels een selectiebesluit. Met het voorliggende bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, waardoor het uitvoeren van een archeologisch onderzoek in deze fase niet noodzakelijk is.

4.12

Cultuurhistorie

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan.

bestemmingsplan Partiële herziening bedrijventerrein Heythuysen - oostelijk terreindeel 43

De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Limburg sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Op grond van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart is bekeken of er historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied aanwezig zijn. Hieruit zijn geen noemenswaardige elementen naar voren gekomen, waarmee binnen het bestemmingsplan rekening moet worden gehouden. Vanuit het aspect cultuurhistorie bestaan geen belemmeringen tegen het voorliggende bestemmingsplan.

4.13

Toetsing Besluit m.e.r.

Met dit bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, die niet al mogelijk waren op grond van het voorgaande bestemmingsplan. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, hangt af van het feit of een ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Per 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Wanneer de voorgenomen ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) moet getoetst worden of er sprake is van nadelige milieugevolgen en moet wanneer hier sprake van is een vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen worden. In onderdeel C van de bijlage bij het besluit milieueffectrapportage is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-procedure doorlopen moet worden. De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein komt niet voor in onderdeel C. Het plan is derhalve niet m.e.r.-plichtig. In bijlage D van het besluit milieueffectrapportage is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r. procedure moet worden gevolgd.

Op grond van categorie D11.3 geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht voor onder andere de aanleg, uitbreiding of wijziging van een industrieterrein, indien sprake is van een oppervlakte van 75 ha. of meer. Het plan is niet m.e.r.-beoordelingsplichtig, aangezien de oppervlakte van het plangebied ruimschoots onder de genoemde drempelwaarde van 75 ha. blijft. Op grond van D11.2 geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Aangezien er met dit bestemmingsplan geen nieuw ruimtebeslag wordt mogelijk gemaakt en de functionele indeling van het plangebied slechts marginaal wijzigt door de omzetting van enkele bedrijfswoningen naar burgerwoningen, kan worden gesteld dat er geen m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Het plan voorziet niet in de aanleg van nieuw industrieterrein en er worden geen nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Hoewel in het Besluit milieueffectrapportage het aanleggen, wijzigen of uitbreiden van een industrieterrein staat benoemd, en het voorliggende bestemmingsplan betrekking heeft op een bedrijventerrein, kan vanwege het bestendigende karakter worden gesteld dat er geen sprake is van negatieve effecten voor het milieu.

Het opstellen van een (vormvrije) milieubeoordeling is niet nodig, waardoor volstaan kan worden met de beoordeling van de omgevingsaspecten uit de voorgaande paragrafen.

bestemmingsplan Partiële herziening bedrijventerrein Heythuysen - oostelijk terreindeel 44

Hoofdstuk 5

Juridische planopzet

In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.

5.1

Inleiding

Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.

5.2

Plansystematiek

Het voorliggende bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk, maar faciliteert enkel een gewijzigde plansystematiek voor het plangebied met betrekking tot de bedrijfswoningen en milieucategorie-indeling. Dit betekent dat er geen nieuwe ontwikkelingen in het bestemmingsplan zijn opgenomen. De bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn in beginsel overgenomen. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. 2. 3. 4.

inleidende regels; bestemmingsregels; algemene regels; overgangs- en slotregels.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leudal&id=e2421f2f-7417-4bbe-9261-68b954fbc173