CConstaterende datLeudal
Koppel je AI →
Document · PDF

Rekenkamerrapport toegang en tevredenheid jeugdhulp

Raadsvergadering 9 februari 2021, gemeente LeudalBij agendapunt: Bespreken rekenkamerrapport Toegang en Tevredenheid Jeugdhulp in de gemeenten Leudal, Nederweert en Weert23.223 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Wat uit de gedeelde ervaringen naar voren kwam zei men, was dat er “te smal gekeken werd, waarbij men te veel naar een cliënt keek en niet naar het hele systeem [rondom een kind].” Ook is het belangrijk, zo wordt opgemerkt, om het netwerk te ondersteunen; de ouders, broertjes, zusjes. Signalering depressie Een ander thema dat men uit de gedeelde ervaringen oppikte was de signalering rondom depressie: “Depressie is natuurlijk een soort van probleem dat niet altijd even zichtbaar is aan de buitenkant, signaleren we dit voldoende? Wat valt daarin te verbeteren? Dat is wel nog een vraagstuk.” Hier werd ook op gemerkt dat waar het ontbreekt aan signalering van depressie dit vaak speelt in complexe situaties of meervoudige problematiek. Betrokkenheid scholen Het was positief opgevallen uit de gedeelde ervaringen dat als het een school betreft die ook breed betrokken is bij een kind of een gezin, en men breder kijkt dan puur het lesgeven, de didactiek alleen, zaken die rond een kind kunnen spelen tijdig gesignaleerd werden, ondersteuning op gang gebracht werd en jongeren en ouders zich - zoals zij aangaven - goed geholpen en gesteund voelden. Daar waar scholen zich beperken tot puur lesgeven alleen “ging het moeilijker.” Een bredere kijk en betrokkenheid van scholen is dus belangrijk. Dit heeft betrekking op de eerder genoemde vroegsignalering.

Dyslexie In dit verband wordt ook de te kort schietende hulp rondom dyslexie, zoals in enkele gedeelde ervaringen naar voren kwam, genoemd. De deelnemers van de duidingsbijeenkomst: “Dat is nu geen integraal onderdeel van waar scholen zich mee bezig houden, en de vraag is wel of dit beter zou werken als dit wel het geval was.” Dit verdient verdere aandacht.

56

7.4.

De knelpunten uit de interviews met professionals en de inrichting van de Jeugdhulp in Midden Limburg West Naast de duidingsbijeenkomst zijn nog vier uitgebreide interviews gevoerd met een leidinggevende van het CJG en leidinggevenden van jeugdinstellingen. Deze gesprekken hebben waardevolle informatie opgeleverd. Het is uiteraard belangrijk te beseffen dat het aantal gesprekken en betrokken instellingen beperkt was en dat deze stemmen wederom niet als representatief voor het hele veldwerk kunnen worden gezien, doch wel belangrijke trends en patronen kunnen laten zien Vroegsignalering en adequate diagnostiek Het thema vroegsignalering werd - net als in de duidingsbijeenkomst - ook door de geïnterviewden aangehaald. Het proces van komen tot een diagnose en de wijze waarop dit ingericht is werd kritisch bekeken. De directeur van een grote instelling vertelt dat het soms lang kan duren voordat een kind uiteindelijk bij de juiste specialistische hulp terecht komt. Zogenaamde ‘stepped care’ wordt toegepast, ze zegt: “Stepped care is dat je zo goedkoop mogelijk en eenvoudig mogelijk begint. Als dat niet werkt wordt er verder gezocht. En ondertussen verliezen we tijd… De problematiek zet zich vast. Het vertrouwen wordt steeds minder. Tegen de tijd dat het kind bij ons komt, moet ik eerst het vertrouwen gaan herwinnen, dat kost tijd, dan kan ik pas gaan behandelen.

Terwijl je hier - als je dit aan het begin al goed detecteert - je gelijk gezien had er is hier zoveel meer aan de hand.” Dit, zo vertelt ze, terwijl onderzoek aantoont dat het belangrijk is dat zogenaamde kindfactoren vroeg gesignaleerd worden, en dat instabiele situaties vroeg in de ontwikkeling van een kind tot kindfactoren kunnen leiden, die er eerst niet waren. De minister Hugo de Jonge weet dit zegt ze: “Hij heeft er mee gewerkt, kinderen en kansrijk opgroeien. Onderzoek laat zien dat met 9 jaar of met 14 jaar, dat dit vaak piekmomenten zijn van problemen die zijn ontstaan tussen 0-6 jaar. En wordt dan vaak gedaan alsof het probleem met 9 jaar ontstaan is. Dan komt het kind op allerlei plekken en dan met 14 jaar bij ons. Dan zijn we dus niet bezig met de kinderen ervoor te behoeden dat ze hier komen. Onderzoek laat dit zien, en toch richten we het systeem daar niet op in!”. Een manager van een andere grote jeugdinstelling maakt een soortgelijk punt: “Ik vind toch dat je expertise heel erg aan de voorkant moet zetten, dat is wat een andere benadering, we hebben nu een soort stepped care model, waar je eigenlijk gelaagdheid hebt aangebracht in hoe bereik je de tweede lijn, waar wij toe behoren, terwijl als je ook landelijk kijkt, de somatiek, die maken eigenlijk de stap terug, van de tweede lijn naar de eerste lijn, alles terug naar de praktijk.

Met de praktijk bedoel ik dan de huisartsenpraktijk. Dat vergelijk zou je wel door kunnen trekken ook naar de gemeente, dat betekent dat de gemeente misschien ook wat van onze expertise zou moeten inkopen. Dus niet zozeer zorg moeten inkopen, maar kennis moet inkopen, om hun eigen stuk beter te maken.” Beiden zeggen dus dat om een goede diagnose te stellen, en de juiste verwijzing te kunnen doen, je die kennis eerst moet hebben. Daar zit volgens hen vaak het probleem, dat als je die specialistische kennis niet hebt, je vaak ook niet kunt zien dat er meer aan de hand is. En deze kennis is overigens niet beperkt tot medische, psychologische of opvoedkundige kennis, maar heeft ook betrekking tot specialistische kennis rondom geld, schulden en inkomen: “Als je kijkt naar het CJG en wie daar werkzaam is, dan is dat een basispsycholoog, dus is dat geen integrale regiebehandelaar. Diegene 57

zitten aan onze voorkant, terwijl ze onze echte specialisten helemaal naar het einde verhuisd hebben. Dat is zonde en wij hebben [in de jeugdhulp] ook niks ingericht zoals bijvoorbeeld in de volwassenzorg waar een huisarts voor consultatie terecht kan bij specialisten voor bijvoorbeeld een medicatievraag.” Bij volwassenen GGZ is dit op grote schaal geregeld met een kwaliteitsstatuut dat een kwaliteitsstandaard garandeert. Dit zou volgens deze leidinggevende in de jeugdhulp in deze regio ook ingeregeld moeten worden, ook bij het CJG. “Ik vind toch wel dat het CJG daarin ook veel meer gebruik zou kunnen maken van kennis en expertise vanuit andere domeinen. Dan heeft de GGZ toch een ander domein. Maar ook bijvoorbeeld met de huisartsenzorg.” Op verschillende plekken in Limburg wordt een POH GGZ jeugd bij huisartsen ingezet die hier positief over zijn.37 De andere leidinggevende pleit in het kader van het komen tot een juiste verwijzing aan de voorkant, voor het inzetten van een goed diagnostisch instrument. “Waar ik naar op zoek ben is een instrument - en dat ben ik ook op het spoor. Een instrument dat bovenhaalt: wat is jouw probleem, wat komt er allemaal bij kijken, hoe ernstig is het.

En afhankelijk daarvan ga je naar het voorliggend veld, of het CJG of school of je ziet dit is heftig, dit moet gelijk naar een specialist.” Haar instelling heeft hiermee geëxperimenteerd en is zeer positief over de resultaten die met een uitgebreid instrument met de naam functioneringsprofiel behaald worden.38 Zo’n instrument zou dan wel breed ingezet moeten worden, en dat zou van bovenaf gefaciliteerd moeten worden “als iedereen weer een eigen instrument hanteert dan werkt het niet.” Samenwerking, concurrentie en conculega’s39 Een ander belangrijk thema dat hier mee samenhangt en veelvuldig terugkomt in de gesprekken met mensen uit het werkveld, is het concullega dilemma waar men mee te maken heeft: namelijk dat men met elkaar moet samenwerken, zoals ook al gezien werd in hoofdstuk 3, en dat men dit ook wil, maar dat concurrentie deze samenwerking in de weg zit. Het is, zo mag ook wel gesteld worden vindt de rekenkamer, een paradox: terecht wordt er gepleit voor een ‘lerend systeem’ waarbij samenwerking ten dienste van de cliënt centraal staat, tegelijkertijd is het systeem ingericht op de principes van de (platte) marktwerking, waardoor concurrentie in de hand gewerkt wordt.

Men prijst elkaar - letterlijk – uit de markt, omdat bij de inrichting van de markt en de daarmee samenhangende wijze van inkoop keuzes worden gemaakt die concurrentie, productdenken, korte termijn beslissingen en wantrouwen in de hand werken. Op de vraag wat er – in een ideale wereld – nodig zou zijn om met elkaar een lerend systeem op te bouwen, geeft een van de leidinggevenden van een grote jeugdinstelling aan: “Wat er vanaf moet is dat we elkaar als concullega’s zien, als concurrentie. Wat er nodig is dat je kunt praten. We zijn te veel elkaars concurrent. Het gaat niet meer over de inhoud.” Ze vervolgt: “Het is echt het verkeerde systeem voor goede hulp. Het is dodelijk voor de samenwerking en ondertussen blijft dat toch gevraagd worden. Ik zie zoveel aanbieders bezig met opladen van veel producten, en de vraag is of de cliënt daar gebaat bij is.”

37

De gemeente Roermond dacht dat huisartsen snel doorverwijzen naar zwaardere GGZ zorg, uit onderzoek blijkt nu dat dit eigenlijk meevalt, vertelt de manager: “We zouden veel meer moeten samenwerken.” 38 Ze vertelt dat de psycholoog die dit instrument - een combinatie van verschillende (bestaande) instrumenten en vragenlijsten die al naar gelang de antwoorden openklappen’ - ontwikkeld heeft met behulp van dit instrument in korte tijd tot conclusies kwam waar zij vier maanden mee bezig geweest waren. 39

Het begrip conculega is een eufemisme voor een collega die als concurrent beschouwd wordt.

58

Een leidinggevende van een andere grote jeugdinstelling: “We gaan samenwerken, betekent tegenwoordig de ander iets gunnen, maar er wordt heel weinig gegund. Want je hebt een bepaald volume nodig om als organisatie overeind te blijven, dat is een dilemma dat we in deze organisatie wel eens bespreken. Dus dan ben je heel snel geneigd om een product erbij te gaan doen. Producten, daar moet je mee oppassen. Dan hebben we het over een product moet erbij. Want dan heb je volume en dan heb je massa en dan wordt het goedkoper, je exploitatie wordt dan gunstiger. Als je om je heen kijkt zie je ook veel partijen, die heel erg aan het overleven zijn en heel erg dit doen, dat betekent dat die samenwerking ook niet altijd van de grond komt. Dat is natuurlijk niet het antwoord op de zorgvraag in de samenleving. Je zou veel meer moeten kijken naar waar ben ik goed in en daar wil ik me op laten voorstaan en daar wil ik op investeren.” De kwaliteit staat onder druk vindt men, er zijn zoveel organisaties dat een gemeente ook door het bos de bomen niet meer kán zien. Eén van de leidinggevende pleit daarom ook voor het werken met enkele vaste samenwerkingspartners, van elke sector twee bijvoorbeeld, zodat er ook iets te kiezen valt.

Het gaat hierbij dan niet meer om concurrentie op de markt voor jeugdhulp en andere diensten binnen het sociaal domein, maar om concurrentie om de markt, zoals in het openbaar vervoer aan de orde is. En waarbij combinaties van samenwerkende partijen voor een langere periode door middel van een aanbesteding een concessie krijgen voor het uitvoeren van een integraal dienstenpakket. Hij denkt dat we hier naartoe moeten, “anders loopt het waanzinnig uit de hand.” De arbeidsmarktkrapte verergert dit alleen maar. Ook de leidinggevende van het CJG zegt dat er zeker sprake is van concurrentie, aanbieders willen een goed beeld geven van de eigen organisatie, en dit beeld verschilt haar inziens wel eens van de werkelijke situatie. Ze zou willen dat de discussies met de aanbieders niet meer over geld zou gaan maar over de inhoud.

7.5.

Toepassing van het 1Plan1Gezin principe in de jeugdhulp en het sociaal domein In het sociaal domein en bij de jeugdhulp in het bijzonder staat de daadwerkelijke vraagstelling/behoeften van een persoon of gezin centraal. Pas daarna volgt de daadwerkelijk zorg of hulp met de invulling van specifieke diensten en producten. In het sociaal domein noemen we dit het adagium van één-gezin-één-plan-één regisseur (1Plan1Gezin), in de verhalen vooral ook zichtbaar in die ervaringen waarin zowel de jongere als de ouders in het traject zijn meegenomen, veel met hoge tevredenheid, of waarin dit niet het geval is geweest, en vaak sprake is van een minder positieve ervaring. Het 1Plan1Gezin-principe is één van de ankerpunten van de decentralisaties in het sociaal-domein. Ze kent haar basis in het VN-verdrag inzake de rechten van mensen met een handicap en de daaraan verbonden verplichting van een inclusieve samenleving. Zij gaat dan ook ook veel verder dan alleen de jeugdhulp. Immers, 50% van de verstrekte zorg/hulp blijkt haar basis te hebben in sociaaleconomische omstandigheden, en pas daarna uit volgende psychologische of medische vraagstukken.

59

Het daadwerkelijk werken met 1Plan1Gezin is een grote uitdaging in de praktijk. Dit blijkt uit de verhalen in dit rekenkameronderzoek, maar is ook geconstateerd door de Toezichthouder Sociaal Domein bij haar onderzoek naar het functioneren van Veilig Thuis in Roermond. 40 Werken met 1Plan1Gezin is een vraagstuk van integraal kunnen werken, van relatief eenvoudige vraagstukken voor beginnende “startende wijkcoaches” naar de complexe vraagstukken waarop zelfstandige wijkcoaches aan de voorkant ondersteund worden door specifieke kennis of deskundigheid en de ‘best practices’ van een ieders ervaringen in zijn of haar omgeving. Het is tevens een vraagstuk de lokale mogelijkheden te kennen, waar en bij wie aan te sluiten, zodat de juiste hulp zo dicht mogelijk in de eigen omgeving georganiseerd kan worden. Maar 1Plan1Gezin vraagt ook om een doorlopende opbouw van kennis en ervaringen, zodat het generalistische werk aan de voorkant van het sociaal domein, steunt op de ervaringen van een ieder in het sociaal domein zelf. Het vraagt om doorlopende scholing van medewerkers om op hun manier om te gaan met de verschillende best practices, die we ook wel “leidende principes” noemen.

Investeringen in menselijk kapitaal die feitelijk alleen tot hun recht kunnen komen, als deze investeringen ook daadwerkelijk voor een lange periode gebruikt kunnen worden in dito overeenkomsten tussen opdrachtgevers en opdrachtnemers. Anders verwordt 1Plan1Gezin tot een vraagstuk van protocollen en voorschriften, die gelijkheid pretenderen in een wereld waarin iedereen zijn of haar eigen verhaal heeft, ongelijk is en dan ook ongelijk behandeld dient te worden. Dit geeft tevens aan dat 1Plan1Gezin zich niet beperkt tot het betrekken van de ouders bij de vraagstukken van hun kinderen, en zich ook niet beperkt tot het integraal kijken naar sociaaleconomische, psychologische en medisch oorzaken, maar dat integraal werken ook van toepassing is op het domein van de gemeente zelf. In termen van beleid, inkoop, de aanwezigheid van voorliggende en collectieve voorzieningen etc. Het gaat in die zin niet alleen om de aanwezigheid van “specialistische kennis bij de diagnose”, maar wellicht ook om de kwaliteit van de speelgelegenheden in de buurt, de mogelijkheid ergens langs te kunnen gaan, als je je eenzaam voelt etc.

Wat daarvoor nodig is leren we ieder dag door ieder verhaal op een juiste wijze te analyseren en te duiden, vooral ook die verhalen die met een Vertelpunt toch niet opgehaald worden, zoals de verhalen van de meeste bewoners die bij het CJG in gesprek gaan, en al blij zijn dat ze niet ziek, maar wel gehoord de deur weer verlaten. En met hun verhaal de best practices voor de anderen in het sociaal domein versterken. Een incrementele weg van continue verbetering, die op een ieder in het sociaal domein van toepassing zijn, en zeker in Midden-Limburg West waar met het beleid in principe een prima basis is gelegd.

7.6.

In welke mate is er sprake van een lerend systeem in Midden-Limburg West

De beoogde veranderingen van de decentralisaties in het sociaal domein, het realiseren van de transformatiedoelen, en de daarmee samenhangende verbeteringen in de Jeugdhulp zal mede het resultaat zijn van de interactie tussen het veld, gemeenten, landelijke overheid, en jeugdigen en (pleeg)ouders. Voor zowel gemeenten als het werkveld is de situatie nieuw. Tezamen zal men invulling moeten geven aan de samenwerking en tezamen zal men moeten zoeken naar de manier waarop de tansformatiedoelen gerealiseerd kunnen worden. Om dit te bereiken wordt in het evaluatierapport Jeugdwet met recht gesteld, zal er sprake moeten zijn van een ‘lerend systeem’ 40

Gemeente Leudal, Rapportage het lokale netwerk na Veilig Thuis, 24 september 2019.

60

waarin geleerd wordt van fouten en successen. De vraag is dan ook of er inderdaad sprake is van zo een lerend systeem.41 In het Actieprogramma wordt benadrukt dat men bij het realiseren van de actielijnen nadrukkelijk in zal zetten op de betrokkenheid van het kind, de jongere en de ouders, zodat zij meer regie krijgen en dat ook zo ervaren. “Dit vraagt van gemeenten, regio’s en aanbieders en het Rijk dat zij jongeren en ouders goed betrekken bij hun plannen en van elkaar leren en successen delen. Het gaat om een leerproces van dicht bij de praktijk ontwikkelen, testen, verbeteren en successen delen”.42 In dit onderzoek zoemen de rekenkamers daarom specifiek in op het ervaringsaspect van de geleverde hulp aan jeugdigen en ouders. Een onderzoeksmethode die later ook landelijk is voortgezet. Een lerend systeem vraagt om samenwerking, het delen, duiden en borgen van ervaringen en wel op een zodanig wijze dat deze door andere stakeholders in het sociaal domein ook gebruikt kunnen worden.

Daarbij gaat het om cases in de (permanente) educatie van de verschillende uitvoerenden in het sociaal domein, succesfactoren en dilemma’s voor beleid en politiek, alsmede de vele mogelijkheden verbeteringen toe te passen in de institutionele structuur van het sociaal domein, zoals de wijze van inkoop, samenwerking, kennismanagement en methoden en technieken die een ieder gebruikt om een ieder ook op maat te kunnen bedienen. Bij een beschouwing over het “lerend vermogen” van het sociaal domein, spreken we in werkelijkheid over het vraagstuk van de kwaliteit van de daadwerkelijke dienstverlening. Deze wordt in deze rapportage alleen opgepakt langs de lijn van een alternatieve wijze van inkoop, waarin lange termijn relaties ingevuld kunnen worden, waardoor ervaringen van betrokkenen in bepaalde kenmerkende beroepssituaties ook onderdeel kunnen zijn van de permanente educatie van de uitvoerende en de kwaliteit van de organisaties die dit uitvoeren. Op de vraag wat er – in een ideale wereld – nodig zou zijn om met elkaar een lerend systeem op te bouwen, geeft een van de leidinggevenden van een grote jeugdinstelling aan: “Wat er vanaf moet is dat we elkaar als concullega’s zien, als concurrentie. Wat er nodig is dat je kunt praten. We zijn te veel elkaars concurrent. Het gaat niet meer over de inhoud.” Ze vervolgt: “Het is echt het verkeerde systeem voor goede hulp.

Het is dodelijk voor de samenwerking en ondertussen blijft dat toch gevraagd worden. Ik zie zoveel aanbieders bezig met opladen van veel producten, en de vraag is of de cliënt daar gebaat bij is.” Nu zijn er alleen korte contracten en die scheppen niet de waarborgen voor investeringen in de kwaliteit van de zorg. Overigens is het vraagstuk van het lerende systeem in het onderzoek niet zo diep uitgewerkt, als wellicht gewenst. Op landelijk niveau speelt deze discussie wel, doch omdat in de door ons verzamelde verhalen langs die weg weinig te zeggen is, is er geen ankerpunt in de rapportage aanwezig om het uitgebreid te gaan hebben over bestaande kwaliteitssystemen. Uiteindelijk zit hem daar wel een belangrijke oorzaak van ontevredenheid, wat in de rapportage is verwoord in de “leidende principes”, wat in de kern een vorm van kwaliteitsdenken is.

41

het “Actieprogramma Zorg voor de Jeugd” van de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Justitie en Veiligheid (april 2018) p. 20 42 het “Actieprogramma Zorg voor de Jeugd” van de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Justitie en Veiligheid (april 2018) p. 15

61

Bezoekadres Leudalplein 1, 6093 HE Heythuysen Postadres Postbus 3008 , 6093 ZG Heythuysen Aantal pagina’s: 2

VERTROUWELIJK Aan de Rekenkamer Leudal

Ons kenmerk Uw kenmerk

LE2020UIT/0968

BSN nummer Behandeld door

C.M.H. Timmermans

Telefoonnummer

(0475) 85 90 00

Fax

(0475) 85 99 22

E-mail

info@leudal.nl

Internet

www.leudal.nl

Datum

14 april 2020

Verzenddatum Onderwerp

Bestuurlijke reactie op uw rapport “Toegang en Tevredenheid Jeugdhulp in de gemeenten Leudal, Nederweert en Weert” Geachte leden van de Rekenkamer Leudal, Met belangstelling hebben wij kennis genomen van uw rapport “Toegang en Tevredenheid Jeugdhulp in de gemeenten Leudal, Nederweert en Weert”. Wij waarderen de aandacht die uw rekenkamer aan het thema Jeugdhulp geeft. De door u opgehaalde ervaringen van de doelgroep zijn voor ons waardevol. De meeste constateringen en aanbevelingen zijn herkenbaar uit landelijke evaluaties en eigen waarnemingen en passen binnen de koers die we in de drie gemeenten beleidsmatig hebben uitgezet. In het Beleidsplan Sociaal Domein hebben we aangegeven hoe we de komende jaren de transformatie in het sociaal domein vorm gaan geven en welke effecten we willen bereiken. Vervolgens is in het Uitvoeringsplan Sociaal Domein uitgewerkt hoe we dit thematisch gaan doen. In de uitwerking nemen wij de ervaringen van de doelgroep mee. Uw constateringen en aanbevelingen zijn gebaseerd op een beperkt aantal verhalen van gebruikers en een beperkt aantal interviews met aanbieders. Wij vinden het dan ook op zijn plaats om een nuancering te plaatsen bij de stelligheid waarmee conclusies en aanbevelingen gepresenteerd worden. Wij danken u voor uw onderzoek.

Uw rapport maakt inzichtelijk dat het stelsel van jeugdhulp complex is en dat voor kwaliteitsverbetering en het beheersen van de kosten van jeugdhulp niet één oplossing is. Verbetering of transformatie van de jeugdhulp kent veel aspecten, welke juist met een integrale benadering van het sociaal domein kunnen (of zullen) leiden tot een efficiënt en doelmatig jeugdhulpstelsel. Uw onderzoek draagt hieraan bij, omdat het aanknopingspunten biedt op basis van ervaringen van de doelgroep.

Bankrekening 28.51.28.205 IBAN NL68BNGH0285128205 BTW NL8169.63.228.B01

63

9.

Nawoord Rekenkamer Leudal

Graag willen de drie rekenkamer(commissie)s u bedanken voor de bestuurlijke reactie op ons rapport jeugdhulp. In uw reactie spreekt u over conclusies of aanbevelingen. In ons belevingsonderzoek en de rapportage daarover hebben wij het over constateringen en vanuit die constateringen doen wij aanbevelingen. Wij menen dat door de kwaliteit van de verhalen wij de constateringen kunnen doen en vandaaruit aanbevelingen kunnen formuleren. De rekenkamer(commissie)s hebben alleen gesteld dat conclusies trekken uit een belevingsonderzoek te zwaar geformuleerd zou zijn. De verhalen staan op zich zelf en kunnen niet veralgemeniseerd worden in conclusies. Wij zouden graag deze methode van onderzoek overdragen omdat dit een heel andere waarde heeft dan onderzoeken met vragenlijsten. Het is echter wel goed om belevingsonderzoeken niet te verwarren met onderzoeken via vragenlijsten. Wij denken wel dat met deze overdracht het onlangs gepresenteerde Regionaal Uitvoeringsplan Sociaal Domein 2020-2021 nog verder versterkt kan worden, voor zover dit Uitvoeringsplan daar al niet gebruik van maakt. Immers, de benaderingswijze van bewoners in de gemeenten Leudal, Nederweert en Weert in het Uitvoeringsplan is voor ons als rekenkamer(commissies) heel herkenbaar. Dit doet ons dan ook deugd.

Wij zullen de daadwerkelijke realisatie van het Uitvoeringsplan dan ook blijven volgen, als Rekenkamer(commissies) gezamenlijk, maar ook iedere individuele rekenkamer(commissie), omdat de context en de doelen voor iedere gemeente in onze regio toch anders zijn, en daarom ook maatwerk kunnen vragen bij de daadwerkelijke realisatie van de doelen voor de bewoners in het algemeen en de jeugdigen in het bijzonder in Leudal, Nederweert en Weert. Voor de gemeente Leudal in het bijzonder geldt dat wij met dit kwalitatieve onderzoek als basis wederom zullen kijken naar de kwantitatieve en financiële vraagstukken waar de gemeente Leudal voor staat in het integrale sociale domein. Zonder daarbij de kwaliteit uit het oog te verliezen, zoals wij in de voorliggende rapportage hebben ingevuld.

Leudal, 30 april 2020 De Rekenkamer Leudal

Mr. J. van Hout (Voorzitter) Dr. S. Duindam (Lid/Onderzoeker) J. Lommen (Secretaris)

64

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leudal&id=fd1b32c6-975b-47eb-aae9-0497130f5b05