Rekenkamerrapport toegang en tevredenheid jeugdhulp
Tekst van het document
rekenkamer Leudal Bezoekadres Leudalplein 1, 6093 HE Heythuysen Postadres Postbus 3008 6093 ZG Heythuysen
De leden van de gemeenteraad
Ons kenmerk
JL
Telefoon 0475 – 85 90 22
Uw kenmerk
Fax 0475 - 85 99 22
BSN nummer Behandeld door Doorkiesnummer E-mail
E-mail info@leudal.nl
J. Lommen 06 11 60 04 48 j.lommen@leudal.nl
Internet www.leudal.nl
Datum
1 mei 2020
Verzenddatum Onderwerp
1 mei 2020
Rekenkamerrapport “Toegang en tevredenheid Jeugdhulp in de gemeenten Leudal, Nederweert en Weert.” Geachte leden van de gemeenteraad, In de afgelopen periode heeft de rekenkamer Leudal samen met de rekenkamer Weert en de rekenkamercommissie Nederweert een onderzoek gedaan naar de toegang en tevredenheid Jeugdhulp in deze gemeenten. Graag bieden wij u hierbij dit rekenkamerrapport aan, waarin u de constateringen en aanbevelingen van het onderzoek aantreft, aangevuld met de bestuurlijke reactie van het college en een nawoord van de rekenkamer. De rekenkamer Leudal is graag bereid dit rekenkamerrapport tijdens een commissievergadering toe te lichten. Voor vragen naar aanleiding van dit rekenkamerrapport kunt u terecht bij de secretaris van de Rekenkamer Leudal.
Met vriendelijke groet, Mr. J.J.P.M. van Hout, Voorzitter Rekenkamer Leudal Namens deze, J. Lommen secretaris Rekenkamer Leudal Bijlage(n): 1
Bankrekening 2 8 . 5 1 . 2 8 . 2 0 5
IBAN N L 6 8 B N G H 0 2 8 5 1 2 8 2 0 5 BTW N L 8 1 6 9 . 6 3 . 2 2 8 . B 0 1
Toegang en Tevredenheid Jeugdhulp in de gemeenten Leudal, Nederweert en Weert.
Een kwalitatief onderzoek naar Jeugdhulp en ondersteuning door de gehele keten in Midden-Limburg West
Februari 2020
Rekenkamercommissie Nederweert Rekenkamer Weert Rekenkamer Leudal
1
2
Inhoudsopgave
Samenvatting, constateringen en aanbevelingen
4
Onderzoeksrapportage bij het rekenkameronderzoek ‘’Toegang en tevredenheid Jeugdhulp in de gemeenten Leudal, Nederweert en Weert.”
9
1
Inleiding
10
2
Vraagstelling
12
3
Aanpak van het onderzoek en onderzoeksmethoden
14
4
Normenkader van het onderzoek
17
5
Achtergronden Jeugdhulp en Jeugdwet
18
6
De ervaringen in de Jeugdhulp
23
7
De inrichting van de Jeugdhulp in Weert, Nederweert en Leudal en de inzichten over deze inrichting vanuit de verhalen
50
8
Bestuurlijke reactie college gemeente Leudal
61
9
Nawoord Rekenkamer gemeente Leudal
63
3
Samenvatting, constateringen en aanbevelingen De Rekenkamercommissie Nederweert en de Rekenkamers Weert en Leudal hebben in de afgelopen 2 jaar een kwalitatief onderzoek uitgevoerd naar de toegang tot de jeugdhulp en de mate van tevredenheid over de geleverde hulp en zorg in de gemeenten Nederweert, Weert en Leudal. De Jeugdhulp valt sinds 2015 onder de zorg van de gemeenten en is één van de onderdelen van het sociaal domein, waarvan de uitvoering in het kader van de decentralisaties is verplaatst naar de gemeentelijke overheid. Vaak gaat het bij onderzoeken naar de Jeugdhulp door Rekenkamers over de wijze waarop de decentralisaties zijn verlopen, wordt gekeken naar de institutionele inrichting op lokaal niveau, en spelen tekorten bij een groot aantal gemeenten rondom de jeugdhulp een belangrijk punt van discussie. Doch dat was hier niet de aanleiding. De Rekenkamercommissie Nederweert en de Rekenkamers Weert en Leudal wilden gewoon weten hoe het nu gaat met de jongeren en hun ouders die met de jeugdhulp in contact komen. Uiteindelijk willen we natuurlijk ook gewoon weten of de hulp aan jongeren heeft gewerkt, en wat zij en hun ouders daarvan vinden. Is het in hun ogen ook gewoon effectief, of in Rekenkamertermen doeltreffend geweest? .
4
In het onderzoek staat dus de jeugdige centraal, zoals we hebben vormgegeven in het onderstaande schema. Rondom deze jeugdige vinden allerlei afgeleide activiteiten in de gemeenten en in de regio Midden-Limburg West plaats. Activiteiten waarbij we in het onderzoek op zoek zijn gegaan naar het verhaal achter deze activiteiten In de procesplaat staat de jeugdige centraal. Uiteindelijk gaat het erom dat de jeugdige hulp verkrijgt die voor hem/haar doeltreffend en doelmatig is en waarover de jeugdige en/of zijn verzorgers tevreden zijn. De procesplaat geeft de verschillende processen weer die tezamen de jeugdhulp keten vormen. In het uitgevoerde kwalitatieve onderzoek zijn deze verschillende aspecten bekeken en zijn op basis hiervan constateringen en aanbevelingen gedaan.
Beleid
Financiën
Doeltreffend
Inkoop
Jeugdige Tevredenheid
& Doelmatig Hulp & Ondersteuning
Toegang
Ook de voorzitter van de commissie Academische Werkplaatsen Transformatie Jeugd, Han de Ruiter, pleitte in 2018 nadrukkelijk voor het geven van een stem aan jeugdigen en ouders binnen onderzoek. Jeugdigen en hun ouders kunnen namelijk: “heel goed aangeven wat knelpunten in bijvoorbeeld de jeugdhulp zijn, wat mogelijke oplossingsrichtingen zijn en hoe onderzoek kan bijdragen aan die oplossingen. Jongeren en ouders hebben hun eigen perspectief, hun eigen manier van kijken. Participatie draagt bij aan de legitimering van onderzoek en is een middel om onderzoeksresultaten beter te laten aansluiten bij de praktijk.”1 1
Mediator 27 februari 2018 -zonmwhttps://mediator.zonmw.nl/mediator-27-februari-2018/luister-naar-kinderenenouders/?utm_medium=email&utm_campaign=mediator&utm_content=mediator27reminder&utm_source=nieuwsbrief
5
In dit Rekenkameronderzoek neemt de stem van jeugdigen en ouders dan ook een prominente plaats in - naast die van de andere actoren, beleidmakers en professionals. Bij dit onderzoek is een narratieve onderzoeksmethode gehanteerd .De doelstelling is immers dat de ervaringen van jongeren en hun ouders centraal staan. Omdat narratieve methoden in essentie kwalitatieve onderzoeksmethoden zijn, kan er geen sprake zijn van representativiteit. Wel zijn zoveel mogelijk jeugdigen en ouders benaderd om hun ervaring te delen, wat uiteindelijk heeft geleid tot 62 verhalen. Daarbij is niet het verbeteren van de representativiteit, maar het vergroten van de diversiteit en het versterken van zwakke signalen het doel, zodat patronen met betrekking tot de toegang tot de jeugdhulp en de tevredenheid over de jeugdzorg ontdekt kunnen worden. We weten daardoor waar we moeten zoeken als we het totaal van de doeltreffendheid en doelmatigheid van de jeugdhulp wensen te verbeteren. Doch we weten ook dat ieder verhaal verschillend is en bij de uitvoering weer op zijn individuele merites beschouwd moet worden. In de duidingssessie rondom de verhalen zijn hiermee diverse onderwerpen, zoals “Luisteren en relatie met hulpverleners”, “Toegang en wachttijden”, “Vroegsignalering en de juiste kennis op de juiste plek”, “Kwaliteit, continuïteit en expertise”, “Hulp rondom gescheiden ouders”, “Depressie”.
“Betrokkenheid scholen”en “Dyslexie”, als patronen gekenmerkt, die van groot belang zijn voor een kwalitatief goede jeugdzorg. Uit de aanvullende gesprekken met de professionals in de jeugdzorg is dit verder aangevuld met “Samenwerking, concurrentie en conculega’s”. Vervolgens zijn de Rekenkamercommissie Nederweert en de Rekenkamers Weert en Leudal tot de volgende constateringen en aanbevelingen gekomen op basis van haar onderzoek, waarvan de rapportage na de samenvatting, constateringen en aanbevelingen is opgenomen. De verschillende aanbevelingen gelden voor de gemeenten Leudal, Nederweert en Weert, doch de Rekenkamercommissie Nederweert en de Rekenkamers Leudal en Weert zien ook dat niet alle constateringen en aanbevelingen op de schaal van de Regio Midden-Limburg West kunnen worden opgepakt. In het bijzonder wenst zij daarbij de aandacht te vestigen op de positionering van de Jeugd-GGZ in het totale bestel van Jeugdhulp en Zorg. Zij beveelt op basis van de verhalen en de duiding van deze verhalen in het onderzoek aan, om de Jeugd-GGZ haar plaats te geven binnen het algemene zorgstelsel en de zorgverzekeringswet in plaats van binnen de jeugdzorg en de gemeenten. Daar is deze zorg beter geborgd dan zij nu is.
6
Thema Beleid
Inkoop
Toegang
Hulpverlening & Ondersteuning
Financiën
7
Constateringen Aanbevelingen - Bestuurlijke en financiële - Ga door met het gezamenlijke beleid verantwoordelijkheid jeugdhulp ligt bij en versterk dit verder gemeenten - Ga uit van ‘ongelijke gevallen dienen - Eén beleid Weert, Nederweert Leudal, ongelijk behandeld te worden’ wordt breed gedragen - Denk integraal in je beleidsuitingen en - Grootte verschillen in financiële redeneer altijd vanuit het perspectief resultaten per gemeente van het gezin, verbind andere - Aspecten die van invloed zijn op de beleidsvelden met het jeugdbeleid jeugdhulp en per gemeente kunnen verschillen: Beschikbaarheid voorliggende of collectieve voorzieningen Armoedebeleid Woz-grondslagen Aanwezigheid van specifieke locaties van zorg- en welzijnsinstellingen Demografische en economische kenmerken Werkwijze gemeente - Huidige wijze van inkoop werkt - Versterk het lerend systeem, waarbij concurrentie, product-denken, korte samenwerking ten dienste van de termijn beslissingen en wantrouwen cliënt centraal staat.
in de hand - Heroverweeg of de huidige inkoop resulteert in doeltreffende jeugdhulp - Onvrede over lange wachttijden, - Houd snelheid in het oog, zonder dat zowel in de toegang (CJG) als bij Jeugd dit ten kosten gaat van zorgvuldigheid hulp aanbieder - Borg de juiste kennis op de juiste plek, - Kritiek op stepped care model ook in het voorliggend traject en borg - Luister naar ouders en kind de continuïteit van je organisatie - Teveel wisselingen bij personeel, - Handel vanuit de individuele situatie verhaal iedere keer opnieuw uitleggen bij jaarlijkse evaluatie - Wachttijd is lang (GGZ) nadat - Maak het opbouwen van relaties jeugdhulp is toegewezen mogelijk; borg de continuïteit van - Jeugdigen of hun ouders zijn vaak hulpverleners tevreden als zij zich door een - Het belang van goede communicatie: bepaalde hulpverlener gesteund zorg ervoor dat ook jeugdigen aan voelen wiens verzoek geen gehoor gegeven - Jeugdigen of hun ouders zijn vaak wordt, zich wel gehoord voelen. Licht ontevreden als zij zich door een toe, leg uit. bepaalde hulpverlener niet gehoord - Breng de kennis van de tweede lijn voelen naar voren, bijvoorbeeld naar - Kennis in de tweede lijn wordt (te) huisartsenpraktijk; GGZ naar eerste laat benut lijn - Optimaliseer de GGZ hulpverlening binnen de regio -
Gemeente: financiële druk is hoog (tekorten)
-
Verzamel goede managementinformatie om te duiden waar de
-
Gezamenlijk beleid is geen garantie voor gelijke financiële resultaten Aanbieders: toename kosten bedrijfsvoering i.c.m. hogere financiële risico’s en lagere tarieven
-
-
Tevreden -heid
-
-
Doeltreffendheid en doelmatigheid
-
-
-
8
Negatieve ervaringen hebben vaak te maken met de toegang tot de juiste hulp Positieve ervaringen hebben vaak te maken met de hulpverlening zelf Tevredenheid over de jeugdhulp is niet alleen afhankelijk van ‘het systeem van jeugdhulp’, maar van de leefwereld waarin deze plaatsvindt. De jeugdhulp keten is nog onvoldoende in staat om problemen vroeg te signaleren Er wordt snel verwezen naar de tweede lijn en maakt de hulp duur(der) Beperkt zicht op doelmatigheid van de geleverde hulp en ondersteuning
-
-
diverse financiële resultaten per gemeente hun oorzaak in vinden Zie de jeugdhulpaanbieder als partner in het bereiken van het gewenste financiële resultaat Kijk integraal naar diverse beleidsterreinen als mogelijke oorzaak en oplossing van tekorten Denk integraal en vanuit het perspectief van het gezin. Luister naar ouders en jeugdige Maak het opbouwen van relaties mogelijk; borg de continuïteit van hulpverleners
Geef meer aandacht en onderken de kracht van het voorliggend veld Breng je tweede lijn naar de eerste lijn, zet de specialist in bij de toegang (huisartsen praktijk). Koop kennis aan de voorkant in
Onderzoekrapportage bij het rekenkameronderzoek
Toegang en Tevredenheid Jeugdhulp in de gemeenten Leudal, Nederweert en Weert
9
1.
Inleiding
1.1
Aanleiding van het onderzoek
De Rekenkamercommissie Nederweert en de Rekenkamers Weert en Leudal hebben een kwalitatief onderzoek uitgevoerd naar de toegang tot jeugdhulp en de mate van tevredenheid over de geleverde zorg. De Jeugdhulp2 valt sinds 2015 onder de zorg van de gemeenten en is één van de onderdelen van het sociaal domein, waarvan de uitvoering in het kader van de decentralisaties is verplaatst naar de gemeentelijke overheid. Vaak gaat het bij onderzoeken naar de Jeugdhulp door Rekenkamers over de wijze waarop de decentralisaties zijn verlopen, wordt gekeken naar de institutionele inrichting op lokaal niveau, en spelen tekorten bij een groot aantal gemeenten rondom de jeugdhulp een belangrijk punt van discussie. Doch dat was hier niet de aanleiding. De Rekenkamercommissie Nederweert en de Rekenkamers Weert en Leudal wilden gewoon weten hoe het nu gaat met de jongeren en hun ouders die met de jeugdhulp in contact komen. Uiteindelijk willen we natuurlijk ook gewoon weten of de hulp aan jongeren heeft gewerkt, en wat zij en hun ouders daarvan vinden. Is het in hun ogen ook gewoon effectief, of in Rekenkamertermen doeltreffend geweest.
1.2
Doelstelling van het onderzoek
Dit onderzoek draait om de hulp voor en aan jongeren. Er wordt bekeken hoe deze is beleefd c.q. of de geleverde zorg heeft voldaan aan de hulpvraag – ongeacht of de hulp heeft plaatsgevonden in het voorliggend veld (eerstelijnszorg) of dat er doorverwezen is naar de specialistische, niet vrij toegankelijke, zorg. Daar waar hulpvragen onvoldoende beantwoord mochten zijn, wordt bekeken waar dat aan zou kunnen liggen en wat er aan gedaan zou moeten worden. Hierbij staan de ervaringen van jeugdigen en ouders zelf centraal. Doelstelling van het onderzoek is dus grip te krijgen op de ervaringen in de jeugdhulp van hen voor wie dit bedoeld is in termen van “tevredenheid”, een begrip wat door de betrokkenen zelf ingevuld gaat worden. En een beeld te krijgen van de mate waarin de organisatie van de jeugdhulp in de gemeenten, goede randvoorwaarden biedt voor het naar deze tevredenheid kunnen uitvoeren van de Jeugdwet. Met een nadere beschouwing van deze randvoorwaarden kijken we naar de wijze waarop de toegang tot de jeugdhulp georganiseerd is en waar deze ook verbeterd kan worden. Het onderzoek betreft vooral een doeltreffendheidsonderzoek op het aspect van tevredenheid dat beoogt de raad te ondersteunen in haar kaderstellende taken op een belangrijk en relatief nieuw terrein.
Of de jeugdhulp echt doeltreffend is, dus of de hulp die geboden is, ook echt effectief is, is een zeer moeilijk vraagstuk om dit grootschalig te onderzoeken. Doordat de tevredenheid wordt onderzocht wordt wel gemeten in welke mate de al dan niet geleverde hulp aan de verwachtingen van de betrokkenen heeft voldaan. 2
Met de invoering van de Jeugdwet op 1 januari 2015 spreken we over jeugdhulp. Hierbinnen vallen jeugdzorg, gehandicaptenzorg, ggz- en verslavingszorg, welzijn en maatschappelijke dienstverlening, thuisbegeleiding, thuiszorg en jeugdgezondheidszorg (maatwerkdeel).
10
Daarnaast - zoals verwacht mag worden van een rekenkameronderzoek - wordt bezien of de implementatie van de jeugdwet door de gemeenten plaats vindt, zoals de wetgever dit beoogd heeft en een effectieve uitvoering (doelmatig) mogelijk maakt.
1.3
Afbakening van het onderzoek
Dit onderzoek betreft een kwalitatief onderzoek waarbij een narratieve onderzoeksmethode gehanteerd wordt – de doelstelling is immers dat de ervaringen van jongeren en hun ouders centraal staan. Omdat narratieve methoden in essentie kwalitatieve onderzoeksmethoden zijn, kan er geen sprake zijn van representativiteit. Wel worden zoveel mogelijk jeugdigen en ouders benaderd om hun ervaring te delen. Daarbij is niet het verbeteren van de representativiteit, maar het vergroten van de diversiteit en het versterken van zwakke signalen het doel. Dus: de verzamelde ervaringen (data) leveren wel cijfers op maar die mogen niet als meting van de kwaliteit worden beschouwd. De kwantitatieve informatie die de narratieve methode oplevert, is dus altijd indicatief. Percentages positieve of negatieve beoordelingen van respondenten mogen niet geëxtrapoleerd worden naar alle jongeren en ouders. En kunnen ook niet in bestuurlijke zin direct gebruikt worden, zoals bij andere statistische maatstaven wel het geval is. De kwantitatieve informatie is echter uiterst waardevol voor het signaleren van trends, patronen en verbanden.
11
2.
Vraagstelling van het onderzoek
2.1.
Inleiding
In dit onderzoek staan de zorgervaringen van jeugdigen en ouders centraal. Eén van de doelen van de Jeugdwet is om jeugdigen en ouders meer invloed te geven op de kwaliteit van zorg die hen geboden wordt, met als uitgangspunt dat “met hen wordt gesproken en niet over hen.” Zo moeten zij worden betrokken bij hun eigen ondersteuningsproces, waarbij wordt uitgegaan van hun eigen mogelijkheden om regie te voeren over hun leven.3
Ook de voorzitter van de commissie Academische Werkplaatsen Transformatie Jeugd, Han de Ruiter, pleitte vorig jaar nadrukkelijk voor het geven van een stem aan jeugdigen en ouders binnen onderzoek. Jeugdigen en hun ouders kunnen: “heel goed aangeven wat knelpunten in bijvoorbeeld de jeugdhulp zijn, wat mogelijke oplossingsrichtingen zijn en hoe onderzoek kan bijdragen aan die oplossingen. Jongeren en ouders hebben hun eigen perspectief, hun eigen manier van kijken. Participatie draagt bij aan de legitimering van onderzoek en is een middel om onderzoeksresultaten beter te laten aansluiten bij de praktijk.”4 In dit Rekenkameronderzoek neemt de stem van jeugdigen en ouders dan ook een prominente plaats in - naast die van de andere actoren, beleidmakers en professionals.
2.2
Vraagstelling
Het is een narratief onderzoek, dit wil zeggen dat de ervaringen van en door jongeren of ouders het uitgangspunt van het Rekenkameronderzoek vormen. Doelstelling van het onderzoek is dus grip te krijgen op de ervaringen in de jeugdhulp van hen voor wie dit bedoeld is in termen van “tevredenheid”, een begrip dat door de betrokken zelf ingevuld gaat worden. Het betekent dat in de verhalen naar diverse kenmerken gezocht wordt, zoals bijvoorbeeld bejegening, toegang tot de jeugdhulp, al dan niet specialistische jeugdhulp, etc.. Deze kenmerken komen voort uit de ervaringen zelf en worden niet door de onderzoekers vooraf ingekaderd of van bepaalde normen voorzien. De hoofdvragen van het onderzoek luiden dan als volgt: 1. 2. 3.
3
In hoeverre zijn jeugdigen en ouders tevreden over de jeugdhulp en de omgang met hun hulpvraag? In hoeverre zijn de randvoorwaarden voorhanden om adequate hulp mogelijk te maken? Wat is er nodig om eventuele knelpunten op te lossen?
Eerste Evaluatie Jeugdwet, ZonMw, 2018 p.14 Mediator 27 februari 2018 -zonmwhttps://mediator.zonmw.nl/mediator-27-februari-2018/luister-naar-kinderenenouders/?utm_medium=email&utm_campaign=mediator&utm_content=mediator27reminder&utm_source=nieuwsbrief 4
12
Hulpvragen: De hulpvragen om de eerste hoofdvraag scherp te krijgen luiden : 1.1. Waar lopen jeugdigen en hun ouders tegenaan? 1.2. Wat ervaren jeugdigen en ouders positief 1.3. Waar bestaat behoefte aan? 1.4. Welke aspecten van jeugdhulp scoren hoog, gemiddeld en laag als we een analyse loslaten op de verhalen die verzameld zijn? 1.5. Welke aspecten van jeugdhulp komen er naar voren in de verhalen die ogenschijnlijk belangrijk zijn, maar waarover geen uitspraak gedaan kan worden vanuit het narratieve onderzoek maar zijn gecomplementeerd vanuit interviews en/of inzichtgevende workshops? Welke inzichten heeft dit gegeven? De hulpvragen om de tweede hoofdvraag scherp te krijgen luiden: 2.1. Tot op welke hoogte zijn de noodzakelijke transformaties in de jeugdhulp doorgevoerd dan wel op gang gebracht? 2.2. In welke mate hebben de verschillende actoren met elkaar een ‘lerend systeem’ ontwikkeld om met elkaar van successen en fouten te leren? De hulpvragen om de derde hoofdvraag scherp te krijgen: 1.1. Welke best practices komen uit de analyse die een voorbeeld kunnen zijn? (leren van wat er al goed gaat) 1.2. Welke knelpunten vragen om een oplossing en welke suggesties kunnen meegegeven worden?
13
3
Aanpak van het onderzoek en onderzoeksmethoden
3.1
Inleiding
Het rekenkameronderzoek van de drie Rekenkamer(commissies) (hierna Rekenkamers) richt zich op het vraagstuk of de inwoner van Weert, Nederweert of Leudal bekend en gekend is bij de invulling van de dagelijkse hulp aan jongeren. Heeft ook iedere jongere toegang tot de hulp die voor hen of haar gewenst is, en hoe kijken de jongeren (en hun ouders) tegen de hulp aan die geleverd is. Om jeugdigen en ouders actief te horen in het onderzoek, moeten wij onderzoeksmethoden hanteren die hier expliciet ruimte voor bieden. De ervaring leert dat een enquête niet de meest geschikte methode is om onze vragen te beantwoorden. In een enquête zijn de vragen - en dus de antwoorden - erg ingekaderd en bovendien is dit geen interactieve methode. Het betreft complexe vraagstukken en het luisteren naar wat jeugdigen en ouders ervaren is essentieel, zoals wij reeds zagen. Het is dus van belang om een andere manier te vinden om jeugdigen en ouders te horen. Alhoewel het afnemen van interviews een optie zou kunnen zijn die tot interessante inzichten kan leiden, is ook dit een beperkte methode. Alleen een klein aantal mensen zou zo kunnen worden gehoord. Participatieve onderzoeksmethoden zijn methoden waarbij betrokkenen een stem hebben in het onderzoek – van begin tot eind. In dit Rekenkameronderzoek ligt de verantwoordelijkheid, uitvoer, analyse en rapportage bij de onderzoekers.
Om de onderzoeksvragen goed te kunnen beantwoorden is het echter van belang om enkele aspecten van participatief onderzoek te integreren. Wij kiezen daarom voor een participatieve narratieve methode(PNI); Werken met Ervaringen.
3.2
Werken met Ervaringen – een participatieve narratieve methode
Werken met ervaringen is een hybride kwalitatieve- kwantitatieve onderzoeksmethode die uitgaat van grote aantallen concrete ervaringen van jongeren en ouders over de door hen al dan niet ontvangen ondersteuning en jeugdhulp. Naast de ervaringen (kwalitatieve data) beantwoorden jongeren en ouders een aantal vragen over de ervaring, de context en de beleving/tevredenheid van de ervaring (kwantitatieve data). Zowel de ervaringen, als de kwantitatieve informatie worden door de jongeren en ouders zelf gedeeld. Dit gebeurt: a)
b)
5
via het online Vertelpunt Jeugdhulp dat hier speciaal voor werd ingericht. Via jeugdhulpinstanties en andere stakeholders hebben jeugdigen en ouders die bekend zijn met jeugdhulp, een uitnodiging ontvangen om hun ervaringen te delen via het vertelpunt. Wat er wordt gedeeld, bepaalt men zelf, ook de duiding hiervan doet men zelf. Zo is er veel ruimte voor eigen ervaringen en beleving daarvan – iets wat bij een enquête maar minimaal het geval is.5 Idealiter wisselen ouders en jongeren hierna met professionals en beleidsmakers ervaringen uit over de jeugdhulp tijdens Inzichtgevende Workshops. Tijdens deze
Op deze wijze kan ook op een passende wijze met privacy-vraagstukken worden omgegaan, omdat iedereen op basis van vrijwilligheid meewerkt, zijn of haar verhalen centraal stelt en op basis daarvan het onderzoeksteam de verschillende ervaringen en verhalen kan duiden en borgen. Dat laatste bijvoorbeeld in de vorm van een conclusie of aanbeveling.
14
workshops worden selecties van verzamelde ervaringen in gezamenlijkheid geduid en besproken. Deze participatieve narratieve methode, levert dus met relatief weinig inspanning veel op en sluit aan op het uitgangspunt dat jeugdigen en ouders zelf worden gehoord. Bovendien worden ‘lerende systemen’ niet alleen gestimuleerd, maar ook gevoed door de verzamelde informatie. De Rekenkamers denken dan ook dat deze methode bij uitstek geschikt is voor het beantwoorden van de onderzoeksvragen van dit onderzoek naar de Jeugdhulp in de gemeenten Weert, Nederweert en Leudal. Hiervoor is zij voor het onderzoek de samenwerking met StoryConnect aangegaan. De ontwikkelaars van deze methode, die hier de digitale infrastructuur voor samen stelden, leverden en de uitvoering ervan hebben begeleid. Hoe werkt het? De participatieve narratieve methode (PNI)6 gaat uit van open vragen naar concrete positieve en negatieve ervaringen vanuit de beleving van de respondent en vraagt de respondent te reflecteren op die ervaringen door middel van enkele zogenaamde duidingsvragen. De antwoorden op deze laatsten kunnen kwantitatief worden gegenereerd. PNI levert dus zoals eerder gezegd, wel cijfers op, maar die mogen niet als meting van de kwaliteit worden beschouwd. Omdat narratieve methoden in essentie kwalitatieve onderzoeksmethoden zijn, kan er geen sprake zijn van representativiteit.
Wel worden zoveel mogelijk jeugdigen en ouders benaderd om hun ervaring te delen. Daarbij is niet het verbeteren van de representativiteit, maar het vergroten van de diversiteit en het versterken van zwakke signalen het doel. De kwantitatieve informatie die PNI oplevert, is dus altijd indicatief. Percentages positieve of negatieve beoordelingen van respondenten mogen niet geëxtrapoleerd worden naar alle jongeren en ouders. De kwantitatieve informatie is echter uiterst waardevol voor het signaleren van trends, patronen en verbanden. Deze worden in samenhang met de bijbehorende onderliggende ervaringen participatief – door vertegenwoordigers van (indien mogelijk) alle geledingen van het systeem dat wordt onderzocht – geëvalueerd en geduid in een duidingsbijeenkomst, welke voor dit onderzoek op 7 juni 2019 heeft plaatsgevonden.
3.3
Aanvullende onderzoeksmethoden
Voor het Rekenkameronderzoek met betrekking tot de toegang tot de Jeugdzorg in Weert, Nederweert en Leudal is Werken met Ervaringen de centrale methodiek. Daarnaast blijft het echter van belang om ook meer traditionele onderzoeksmethoden, zoals interviews te hanteren om de deel- en hulpvragen met betrekking tot de uitvoer van de Jeugdwet en de samenwerking te kunnen beantwoorden. Bovendien moet aan het begin van het onderzoek eerst een goed beeld geschapen worden van hoe de jeugdhulp in de gemeenten uitgevoerd wordt. Dit kan alleen door allereerst met betrokken beleidsmakers, verantwoordelijken en professionals in gesprek te gaan.
6
De algemeen gangbare afkorting komt uit het Engels: PNI - Participatory Narrative Inquiry.
15
Hier horen ook professionals uit de eerstelijn -het voorliggend veld - bij zoals huisartsen, jeugdverpleegkundigen en pedagogisch medewerkers. Zij staan vaak meer in de maatschappij en kunnen ook waardevolle inzichten bieden met betrekking tot de toegang tot de jeugdzorg en jeugdigen en ouders die eventueel wel hulpvragen hebben, maar deze (nog) niet gesteld hebben.
16
4.
Normenkader van het onderzoek
Normen en maatstaven spelen een centrale rol in rekenkameronderzoek. Om oordelen te kunnen vellen moet een Rekenkamer voor het onderzoek een referentiekader opstellen, ten opzichte waarvan zij de onderzoeksbevindingen toetst. Normen kunnen ontleend zijn aan wet- en regelgeving, maar ook aan wetenschappelijk onderzoek of aan algemeen aanvaarde beginselen, zoals het beginsel van behoorlijk bestuur, evenals ervaringen van andere gemeenten of zogenaamde best practices elders. Zoals besproken neemt in dit onderzoek de beleving - de tevredenheid - van jeugdigen en ouders van de jeugdhulp de centrale plaats in. Zoals uiteengezet, is dit van cruciale waarde in deze tijd van transformatie in de jeugdhulp. De participatieve narratieve methode die wij zullen hanteren gaat dan ook niet uit van een door ons of door derden vastgesteld kader of hypothetisch model van wat een `goed’ jeugdhulpsysteem zou zijn en probeert niet aan de hand van een daarvan afgeleide vragenlijst te meten in hoeverre de werkelijkheid voldoet aan de eigenschappen van dat ideale model. De ervaringen van jeugdigen en ouders zélf zijn leidend in de analyse, en hun eigen interpretatie hiervan staat centraal. Het vertelpunt is zo ingericht dat hier recht aan gedaan wordt.
Het centrale begrip “tevredenheid” zal dan ook niet vooraf gedefinieerd worden, maar is de uitkomst van de gevolgde methodiek – het participatieve narratieve - in het onderzoek. In dit onderzoek vormen de Jeugdwet en de in hoofdstuk 5 genoemde en besproken recente studies die uitgevoerd zijn in opdracht van de Rijksoverheid7 het externe normenkader. De beleids- en uitvoeringsstukken omtrent jeugdhulp in de gemeenten Leudal, Nederweert, Weert en het samenwerkingsverband Midden-Limburg, en Midden Limburg West, vormen het interne normenkader. Zowel het externe als interne normenkader komen pas aan de orde als we de verschillende ervaringen van de jeugdigen en hun ouders hebben geduid. Vervolgens toetsen we de externe en interne bestaande normen aan de bevindingen die volgen uit de geduide ervaringen. Op deze wijze kunnen we dus ook iets zeggen over deze normenkaders en de daarmee samenhangende inrichting van de Jeugdhulp in Midden-Limburg West. Voor een Rekenkameronderzoek is deze toetsing in die zin bijzonder, dat bevindingen normaliter aan het normenkader worden getoetst. Nu is het feitelijk andersom en inherent aan de keuze in dit onderzoek de stem van jongeren en hun ouders de centrale plaats te laten invullen.
7
Te weten: Eerste Evaluatie Jeugdwet, ZonMw; Vierde Jaarrapportage van de Transitie Autoriteit Jeugd (TAJ) “Tussen Droom en Daad: Op weg naar een volwassen Jeugdstelsel” en het “Actieprogramma Zorg voor de Jeugd” van de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Justitie en Veiligheid (allen 2018).
17
5. Achtergronden Jeugdhulp en Jeugdwet 5.1 Inleiding In dit hoofdstuk gaan we dieper in op de jeugdwet en de jeugdhulp, zoals die landelijk geregeld is en hoe deze vorm krijgt in de regio Midden Limburg West.
5.2. De jeugdwet en jeugdhulp in Nederland Jeugdhulp valt onder de Jeugdwet die vanaf 1 januari 2015 van kracht is. Het doel van de Jeugdwet is om: “het jeugdstelsel te vereenvoudigen en het efficiënter en effectiever te maken, met het uiteindelijke doel het versterken van de eigen kracht van de jongere en van het zorgend en probleemoplossend vermogen van diens gezin en sociale omgeving.” Daarnaast heeft de Jeugdwet ook als doel om ieder kind te verzekeren van de bescherming en zorg die nodig is voor zijn of haar welzijn en toegang te bieden tot voorzieningen voor gezondheidszorg.8 De term Jeugdhulp omvat preventie, vroegsignalering, diagnostiek, ondersteuning, en behandeling van lichte tot complexe en meervoudige problematiek van jeugdigen en gezinnen. Voorafgaand aan de wetswijziging had een onderzoekscommissie geconstateerd dat: a) Er een te grote druk op gespecialiseerde zorg ligt, waarbij onvoldoende gebruik wordt gemaakt van preventieve en lichte ondersteuning, van zorg en van de kracht van de jeugdige zelf en zijn sociale omgeving; b) Er sprake is van een tekortschietende samenwerking rond kinderen en gezinnen, als gevolg van de (destijds) bestaande verschillende bestuurslagen en verschillende wettelijke systemen.
Hierdoor was sprake van gescheiden financieringsstromen en gescheiden verantwoordelijkheden; c) Dat afwijkend gedrag onnodig gemedicaliseerd wordt; d) Dat deze knelpunten leiden tot een kosten opdrijvend effect.9 De decentralisaties van alle vormen van jeugdhulp naar de gemeente werden als een bestuurlijke en financiële randvoorwaarde gezien om de gestelde doelen te realiseren.10 Met de decentralisatie van het jeugdstelsel komt de bestuurlijke en financiële verantwoordelijkheid voor het jeugdterrein te liggen bij de gemeenten en hebben gemeenten er in een relatief korte periode een groot werkveld bij gekregen, met een navenant grote impact op de gemeentelijke begroting. Dit vraagt van gemeenten grote bestuurskracht. Uitgangspunt van de Jeugdwet is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt. Gemeenten hebben echter een nadrukkelijke jeugdhulpplicht en zijn verplicht een jeugdhulpvoorziening te treffen, indien jeugdigen en hun ouders deze voorziening nodig hebben in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen. De gemeente is verantwoordelijk voor zowel de toegang tot 8
Art. 3 en 24 Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind. https://www.eerstekamer.nl/9370000/1/j9vvhwtbnzpbzzc/vjpmdhjwhaym/f=y.pdf; (Staatsblad, 2014, 105) en Eerste Evaluatie Jeugdwet, ZonMw, 2018 9 Parlementaire werkgroep Toekomstverkenning Jeugdzorg: Memorie van toelichting bij de jeugdwet zie voetnoot 3. 10 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2013/07/01/memorie-van-toelichting-bij-de-jeugdwet
18
de jeugdzorg als voor een toereikend aanbod van voorzieningen, en voor de kwaliteit van de Jeugdhulp. De Jeugdwet heeft hoge ambities die breed worden gedragen. Om de doelen van de Jeugdwet te bereiken zijn transformaties nodig in de organisatie van de jeugdhulp en de hulp die aan gezinnen wordt geboden. De ingezette veranderingen beogen (a) de juiste hulp tijdig en op maat te organiseren rondom kwetsbare jongeren en (b) daarmee het gebruik van (dure) specialistische jeugdhulp te verminderen en tegelijkertijd (c) meer samenhang aan te brengen in de jeugdhulp. Ook wil het nieuwe stelsel ertoe bijdragen (d) dat professionals meer ruimte krijgen onder meer door vermindering van de regeldruk.11 In het in januari 2018 verschenen onderzoeksrapport “Eerste evaluatie Jeugdwet” uitgevoerd onder leiding van ZonMw, wordt bekeken in hoeverre deze transformaties plaatsgevonden hebben, dan wel op gang gebracht zijn. De decentralisatie van de jeugdzorg ging gepaard met bezuinigingen wat een extra uitdaging behelst.
De aanname van de overheid is dat dit voor de gemeente een prikkel oplevert om extra te investeren in preventie, vroeghulp en hulp tot zelfhulp en een prikkel om de integrale samenwerking voor elkaar te krijgen.12 Ook de in 2018 gepubliceerde Vierde Jaarrapportage van de Transitie Autoriteit Jeugd (TAJ) “Tussen Droom en Daad: Op weg naar een volwassen Jeugdstelsel” (maart 2018) en het “Actieprogramma Zorg voor de Jeugd” van de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Justitie en Veiligheid (april 2018) houden de tot nog toe behaalde resultaten rondom de jeugdwet tegen het licht. Beide rapporten concluderen dat de ambitie dat binnen drie jaar de jeugdhulp én effectiever, én integraler én goedkoper zou worden nog amper gerealiseerd is. De Transitie Autoriteit Jeugd (TAJ) concludeert dat het inhoudelijke veranderproces - de transformatie - veel meer tijd kost dan vooraf verondersteld was. Daarnaast concludeert zij ook dat de transformatie aan waarde wint als deze zich uitspreidt over de grenzen van uitsluitend de Jeugdwet en daarmee aansluit op de leefwereld van jeugdigen.13 De financiële druk op gemeenten is hoog en bij aanbieders is het onvermijdelijke gevolg van de decentralisatie een toename van de kosten van bedrijfsvoering in combinatie met hogere financiële risico’s en lagere tarieven.
De Transitie Autoriteit Jeugd verwacht dat nog minimaal 5 tot 10 jaar nodig is voordat de uitvoering van de jeugdwet zodanig functioneert dat de opbrengsten die bij de inwerkingtreding van de Jeugdwet werden verwacht, geïncasseerd kunnen worden.14 De verantwoordelijkheid voor de realisatie van de ambities is neergelegd bij de jeugdregio’s, waarvan Midden Limburg West er één is, en de daarbinnen samenwerkende gemeenten Weert, Nederweert en Leudal, vanuit de gedachte dat deze bestuurslaag hiervoor het beste geëquipeerd is, aldus de TAJ. De afgelopen jaren is gebleken dat regionaal en lokaal heel veel tijd en inzet nodig was om het nieuwe stelsel in te regelen, allerlei grote en kleine problemen op te lossen, elkaar te leren kennen 11
Vierde Jaarrapportage van de Transitie Autoriteit Jeugd (TAJ) “Tussen Droom en Daad: Op weg naar een volwassen Jeugdstelsel” maart 2018, p. 7. 12 Eerste Evaluatie Jeugdwet, ZonMw 2018, p. 19-20 13 TAJ, 2018 p.9 14 TAJ 2018, p.12
19
en te begrijpen en zicht te krijgen op (basis)kennis en informatie over de inhoud en werking van het domein. Het is dan ook niet verrassend dat inzetten op de eigenlijke transformatie iets van recentere datum is. De TAJ concludeert dat de verwachtingen van de transformatie hoog zijn en tegelijk de echte invulling op veel plaatsen nog weinig concreet is.15 Dit is volgens de onderzoekers te wijten aan de complexiteit van de veranderingen en de hoge ambities over de opbrengst van de veranderingen in het sociaal domein. “Realiteitszin is nodig bij alle betrokkenen over de forse opgave die er ligt. Voorkom een te grote actiedruk, ingegeven door de lijst nog op te lossen problemen, knelpunten en de achterblijvende ontwikkeling”, zo waarschuwt zij en raadt aan om samen tot een heldere ontwikkelagenda te komen met duidelijke, gemeenschappelijk gedragen, doelstellingen en prioriteiten, zodat veranderingen stapsgewijs worden doorgevoerd .16 Veel gemeenten zijn dan ook volop aan de slag met de uitvoering van de transitie, waarbij opvalt dat gemeenten vooral dan successen boeken bij de veranderingen, als zij de individuele situatie van een persoon of gezin en de daarmee samenhangende totale kosten als uitgangspunt van hun transitie nemen. Dit is bijvoorbeeld zichtbaar in de gemeenten Midden-Groningen en Steenwijk17.
De gemeente Leudal heeft aangekondigd18 langs deze weg ook verder onderzoek te gaan doen. Gemeenten die een dergelijke integrale casusgebaseerde aanpak al hebben of pragmatisch toepassen kennen relatief weinig financiële problemen, ook al wordt ook hier de financiële ruimte minder, omdat de samenhangende budgetkortingen bij de decentralisatie in het sociaal domein hier een rol spelen. De gemeenten Utrecht en Weert zijn hier een voorbeeld van19. Overigens zijn deze kortingen tijdelijk opgeschort om meerdere politieke redenen, waarbij vertragingen en onmogelijkheden de transitie goed vorm te geven bij een zeer groot aantal gemeenten tot zulke tekorten hebben geleid, dat de kwalitatieve goede dienstverlening naar jongeren in gevaar zou komen. De opschorting van de budgetkortingen is overigens tijdelijk van aard, omdat op de achtergrond vooral de discussie blijft doorlopen dat hiermee vooral gemeenten worden beloond, die weinig of geen werk hebben gemaakt van een daadwerkelijke transitie en transformatie van het sociaal domein, of dit niet effectief hebben opgepakt. Met de opschorting van de budgetkortingen wordt vooral ook tijd gekocht. Tijd die volgens het onderzoek van de TAJ hard nodig is, omdat de transities en transformaties in het Sociale Domein veel langer duren dan gedacht, zoals hiervoor ook omschreven.
Uit het onderzoek van de TAJ blijkt ook dat opvattingen over de invulling van het begrip transformatie en over de kwaliteitskaders die worden gehanteerd verschillen. Op veel plaatsen ontbreekt een eenduidige, door alle partijen gedeelde opvatting. In het rapport is te lezen dat het leveren van effectieve en passende jeugdhulp een maatschappelijke opgave is waarvan inkoop, contractering en verantwoording zijn afgeleid. Maar het is niet voor iedereen duidelijk wat ‘passende jeugdhulp’ nu precies is. De TAJ stelt: “Er ontbreekt nu veelal een duidelijk en gedeeld beeld over de gewenste veranderingen en de kwaliteitseisen waaraan 15
TAJ 2018, p.8 Zorg en Welzijn 5 april 2018 17 Binnenlands Bestuur, 17 juli 2019 18 Collegemededeling gemeente Leudal, Tekorten Jeugdzorg, 26 maart 2019 19 Besloten Workshop Grote gemeenten en Jeugdhulp, TAJ, Amersfoort, mei 2018 16
20
(specialistische) passende hulp moet voldoen. Dit belemmert effectieve samenwerking tussen gemeenten en aanbieders en staat de doorontwikkeling van het stelsel in de weg.” Dit betekent allereerst dat het zaak is dat contracterende gemeenten, aanbieders van jeugdhulp en professionals een gezamenlijk en scherp beeld ontwikkelen van wat zij verstaan onder passende jeugdhulp in specifieke situaties.20 In de memorie van toelichting op de Jeugdwet wordt inhoudelijk ingegaan op de Transformatieambitie die de Jeugdwet behelst.21 De Rijksoverheid constateert dat steeds meer ongemakken en problemen het medische circuit in worden getrokken – ook wel medicalisering genoemd. In het werkveld wordt deze aanname ook wel ter discussie gesteld.22 Als tegenhanger van deze medicalisering wordt het concept van de pedagogische civil society geïntroduceerd. Hierin staat centraal dat, “ieder kind een veilige omgeving om zich heen heeft, waarin de school, de naschoolse opvang, de sportclub en de buurt een belangrijke rol spelen”. Een onderwerp dat ook tijdens de workshop met raadsleden van de gemeenten Weert, Nederweert en Leudal over het onderwerp Toegang en Tevredenheid Jeugdhulp de aandacht trok.
De beoogde verandering van de zogenaamde medicalisering van jeugdproblematiek (voor 2015) naar de pedagogische civil society benadering met meer aandacht voor preventie en eigen kracht (ná invoering van de jeugdwet in 2015), houdt dus een hele wezenlijke paradigma-verandering in. Het accent ligt niet meer op het ‘beter maken’ van een kind met problemen, maar op het versterken van het netwerk en het zelfoplossend vermogen van jeugd en ouders, zodat beter omgegaan kan worden met probleemsituaties. Zoals ook in het evaluatierapport Jeugdwet benadrukt wordt, gaat het vormgeven van een zo fundamentele verandering - van medicalisering naar preventie en stimuleren oplossend vermogen niet zonder slag of stoot. Het vraagt van het werkveld dat zij bereid en in staat zijn om fundamenteel anders te kijken naar een kind met problemen en het vraagt om andere werkwijzen, bovendien vraagt het ook van ouders en kinderen dat zij bereid en in staat zijn om anders te denken over de oplossing van hun problemen.23 De beoogde verandering, het realiseren van de transformatiedoelen die de overheid voor ogen heeft, zal mede het resultaat zijn van de interactie tussen het veld, gemeenten, landelijke overheid, en jeugdigen en (pleeg)ouders. Voor zowel gemeenten als het werkveld is de situatie nieuw.
Tezamen zal men invulling moeten geven aan de samenwerking en tezamen zal men moeten zoeken naar de manier waarop de tansformatiedoelen gerealiseerd kunnen worden. Om dit te bereiken wordt in het evaluatierapport Jeugdwet met recht gesteld, zal er sprake moeten zijn van een ‘lerend systeem’ waarin geleerd wordt van fouten en successen. De vraag is dan ook of er inderdaad sprake is van zo een lerend systeem in Midden-Limburg West.24 In het eerder genoemde Actieprogramma Zorg voor Jeugd is een uitgebreid actieprogramma opgesteld met als doel jeugdhulp merkbaar en meetbaar steeds beter te maken. Hier zijn vanuit de 20
TAJ, 2018 p. 10, p.5 en Zorg en Welzijn 5 april 2018 Memorie van Toelichting op de Jeugdwet: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2013/07/01/memorie-van-toelichting-bij-de-jeugdwet 22 Interview met directeur van grote jeugdinstelling 23 Eerste Evaluatie Jeugdwet, ZonMw, 2018 p.14 24 2018, p. 20 21
21
rijksoverheid middelen voor vrij gemaakt. Het kind, de jongere en de ouders zijn het vertrekpunt in dit programma dat rondom 6 actielijnen georganiseerd is. Zij moeten de komende periode merkbare verbeteringen in de zorg en ondersteuning ervaren. In het Actieprogramma wordt benadrukt dat men bij het realiseren van de actielijnen nadrukkelijk in zal zetten op de betrokkenheid van het kind, de jongere en de ouders, zodat zij meer regie krijgen en dat ook zo ervaren. “Dit vraagt van gemeenten, regio’s en aanbieders en het Rijk dat zij jongeren en ouders goed betrekken bij hun plannen en van elkaar leren en successen delen. Het gaat om een leerproces van dicht bij de praktijk ontwikkelen, testen, verbeteren en successen delen”.25 In dit onderzoek zoemen de rekenkamers daarom specifiek in op het ervaringsaspect van de geleverde hulp aan jeugdigen en ouders. Dit gebeurt met inachtneming van de kaders van de Jeugdwet en de uitgangspunten van de wet en de wijzen waarop dit vertaald is in het beleid en de uitvoering van dit beleid in Midden-Limburg West
25
Het “Actieprogramma Zorg voor de Jeugd” van de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Justitie en Veiligheid (april 2018) p. 15
22
Hoofdstuk 6 6.1
De Ervaringen in de jeugdhulp
Inleiding
In dit hoofdstuk worden de ervaringen die via het Vertelpunt verzameld zijn gepresenteerd en geduid. Allereerst wordt kort weergegeven hoe het proces van het uitnodigen van jeugdigen en ouders om deel te nemen aan het onderzoek verlopen is. Daarna worden de resultaten uit het Vertelpunt gepresenteerd. Aan het einde van dit hoofdstuk gaan we in op de resultaten uit de duidingsbijeenkomst en de interviews met mensen uit het werkveld.
6.2 Het proces van dataverzameling – uitnodiging tot deelname onderzoek De Gemeente Weert heeft op verzoek van de Rekenkamers op 22-01-2019 aan 106 jeugdhulpinstellingen een email gestuurd met het verzoek om aan hun cliënten woonachtig in de gemeenten Weert, Leudal en Nederweert onze uitnodiging te sturen om deel te nemen aan het Rekenkameronderzoek en het digitale Vertelpunt te bezoeken. Uiteindelijk hebben 36 jeugdhulpinstellingen een reactie gegeven op dit verzoek. Zij meldden dat zij aan 827 cliënten een uitnodiging hadden doorgestuurd. Van 6 andere instellingen kregen wij bericht dat zij geen uitnodigingen hebben verstuurd. Het proces van dataverzameling heeft in het onderzoek veel aandacht gekregen, ook al omdat het werken met Vertelpunten een relatief onbekende wijze van werken is, dat niettemin landelijk veel aandacht krijgt op dit moment. Het onderzoek naar de toegang van de Jeugdhulp in de gemeenten Leudal, Nederweert en Weert is immers een voorbeeld van kwalitatief onderzoek, dat inmiddels landelijk navolging kent. 26 Juist omdat dit onderzoek kwalitatief onderzoek is, en kwalitatief en kwantitatief onderzoek vaak door elkaar gehaald worden, hebben we binnen het onderzoek gezien dat het belangrijk is, dat we nadrukkelijk stil staan bij het soort onderzoek dat we doen.
Onderzoek naar de wijze van onderzoek doen in het sociaal domein blijkt bovendien heel relevant te zijn, omdat veel onderzoeken niet uit de verf komen door gebrek aan medewerking van verschillende partijen en inwoners van de gemeenten. Kwantitatief onderzoek streeft ernaar 'feiten' te verzamelen’. Een dergelijk onderzoek gaat uit van een objectieve werkelijkheid en er is sprake van een positivistische benadering. Representativiteit wordt van groot belang geacht bij kwantitatief onderzoek. In dit rekenkameronderzoek is sprake van een kwalitatief onderzoek met behulp van de narratieve (verhalende) methode. Bij kwalitatief onderzoek speelt representativiteit nooit een rol, zoals we eerder in paragraaf 2.1. hebben aangegeven. Sterker nog wetenschappers zijn het er over eens dat kwalitatief onderzoek nooit representatief kán zijn, dat is het doel ook niet. Het doel van ons onderzoek is niet om te meten of de kwaliteit van de jeugdzorg aan een bepaalde norm voldoet. Die norm bestaat niet.
26
https://www.vertelpunt.nl/?r=survey/index&sid=262682&lang=nl1. Met dit landelijke Vertelpunt zijn 952 ervaringen uit de Jeugdhulp opgehaald.
23
Het doel van dit narratieve onderzoek is om te signaleren & evalueren wat goed gaat en wat beter kan en moet, als startpunt voor (continue) leren en verbeteren (van beleid, van uitvoering, van …). Bij signaleren & evalueren zijn we niet op zoek naar statische gemiddelden, maar leren we van de “randen” of extremen van ervaringen, waarvoor wel voldoende tijd moet zijn om al deze ervaringen op een juiste wijze te kunnen duiden, zodat we er van kunnen leren. De kwaliteit van narratief onderzoek is dan ook niet primair afhankelijk van het aantal verzamelde ervaringen. Er zijn hoogwaardige, waardevolle resultaten behaald met 40, 80, 300 en 5000 verhalen. En er zijn projecten mislukt met 250 en 1500 ervaringen. De kwantitatieve informatie die PNI oplevert, is dus altijd indicatief. Percentages, alsmede positieve of negatieve beoordelingen van respondenten mogen niet geëxtrapoleerd worden naar alle jongeren en ouders. De kwantitatieve informatie is echter uiterst waardevol voor het signaleren van trends, patronen en verbanden. Deze worden in samenhang met de bijbehorende onderliggende ervaringen participatief – door vertegenwoordigers van (indien mogelijk) alle geledingen van het systeem dat wordt onderzocht – geëvalueerd en geduid in een duidingsbijeenkomst, waarvan de resultaten in paragraaf 7.3. zijn opgenomen.
Daarom zijn in de volgende paragrafen ook percentages en andere getallen opgenomen, juist omdat ze de kwalitatieve inbreng van de respondenten beter duiden.
6.3
Het Vertelpunt - Algemene kenmerken van de respondenten
Mensen die het Vertelpunt bezochten en meededen aan het onderzoek, werden uitgenodigd om een ervaring of gebeurtenis te delen. Op afbeelding 1 is te zien wat men te zien kreeg en welke uitnodigingsvragen hiervoor gesteld zijn.27
Afbeelding 1: openingsvragen Vertelpunt
27
Er waren drie portalen, één voor jongeren zelf, één voor ouders of verzorgers, en één waar ouders of verzorgers een kind helpen met het invullen van het Vertelpunt. De aanspreekwijze en taal sloten aan bij de desbetreffende respondent.
24
Er zijn in totaal 62 ervaringen gedeeld op het Vertelpunt.28 De verdeling van deze ervaringen over de gemeenten is te zien op het onderstaande kaartje. 32 ervaringen zijn door inwoners van Leudal gedeeld, 18 door inwoners van Weert en 9 door inwoners van Nederweert. Drie delers van ervaringen hebben de gemeente waarin ze wonen niet aangegeven.
Kaartje 1: Aantal gedeelde ervaringen per gemeente Zoals figuur 1 laat zien, zijn 52 van de 62 ervaringen gedeeld door ouders van een kind en 8 ervaringen door jeugdigen zelf.
Figuur 1: Vertellers van de ervaringen Er zijn geen ervaringen gedeeld voor kinderen onder de 6 jaar. Figuur 2 laat zien dat voor kinderen tussen 6 en 11 jaar, 21 ervaringen gedeeld (34%) zijn. Voor kinderen tussen de 12 en 16 jaar zijn dat er 25 (39%) en voor kinderen ouder dan 16 zijn 14 (23%) ervaringen gedeeld. Drie vertellers hebben de leeftijd niet aangegeven.
28
Vier van respondenten hebben wel een ervaring gedeeld en de bijbehorende vragen, maar zijn niet alle schermen met vragen van het Vertelpunt doorlopen. In 3 gevallen zijn alleen de eerste 4 van de 8 schermen van het Vertelpunt beantwoord. In 1 geval zijn 7 van de 8 schermen doorlopen.
25
Figuur 2: Leeftijd van de jeugdige die ondersteuning zoekt of krijgt In figuur 3 is de leeftijd van de jeugdige te zien in combinatie met wie de verteller van gedeelde ervaring is.
Figuur 3: Leeftijd van jeugdige in combinatie met wie de verteller is Op de vraag ‘Wat voor onderwijs volg jij / uw kind?’ wordt 23 keer (43%) aangegeven dat dit het voortgezet onderwijs betreft (VMBO, MAVO, HAVO, VWO), 17 keer (32%) Basis onderwijs, 4 keer speciaal onderwijs, 2 keer speciaal basis onderwijs, 3 keer voortgezet speciaal onderwijs 1 keer praktijkonderwijs en 4 keer ‘niet van toepassing’. De respondenten is gevraagd op welk gebied men ondersteuning nodig had (zie figuur 4). 24 mensen (39%) gaven aan dat men steun nodig had rondom het gedrag van het kind en of de omgang met anderen. In 15 instanties (24%) was ondersteuning gevraagd rondom angsten en geestelijke problemen van een kind. Daarnaast zaten in de categorie ‘anders nl..’ nog drie ondersteuningsvragen die onder deze noemer vallen. Hiermee telt het gebied ‘angsten en of geestelijke problemen’ in totaal 18 ondersteuningsvragen en neemt 29% van alle ondersteuningsvragen voor haar rekening.
26
Figuur 4: Gebieden waarop ondersteuning gevraagd werd
Bij 10 kinderen (16%) betrof de ondersteuningsvraag de thuissituatie en of de opvoeding. 9 ondersteuningsvragen (15%) betroffen het leervermogen van kinderen; waarvan 8 gingen over rekenen en lezen, 3 over langzamer leren dan andere kinderen, en 2 over sneller leren dan andere kinderen. Daarnaast hadden 6 ondersteuningsvragen betrekking op de leerplicht of thuiszitten. In 39 van de 62 situaties ontvangt men ten tijde van het bezoek aan het Vertelpunt nog ondersteuning. In 20 instanties ontvangt men geen steun meer.29 In figuur 5 is te zien hoe lang men al ondersteuning ontvangt. In 16 instanties (26%) is dit al langer dan drie jaar het geval, bij 14 personen tussen de 1-3 jaar (23%). Bij 12 mensen (19%) is dit korter dan drie maanden en 7 personen ontvangen ten tijde van het onderzoek tussen de drie en zes maanden ondersteuning voor hun kind.
Figuur 5: Sinds wanneer ondersteuning ontvangen wordt
29
3 personen hebben “niet van toepassing” geantwoord.
27
6.4
Ervaringen omtrent ondersteuningsvragen
Figuur 6 laat zien in welke fase van het ondersteuningsproces de gebeurtenis die men op het Vertelpunt gedeeld heeft plaatsvond. Hieruit valt op te maken dat de grootste groep ervaringen - 20, bijna een derde (32%) van alle ervaringen die gedeeld zijn - de hele ondersteuningsperiode beslaat. Eén kwart van alle ervaringen - 14 ervaringen (23%) - gaat over de periode van het zoeken en vinden van ondersteuning. Nauw verwant hieraan, deelden 5 mensen (8%) een ervaring over de periode waarin men wachtte op ondersteuning. 12 ervaringen, (19%) gaan specifiek over het krijgen van de ondersteuning zelf.
Figuur 6: Fase waarin de gebeurtenis die de vertellers delen plaatsvond De respondenten is ook gevraagd waar de gebeurtenis of de ervaring die men deelt betrekking op heeft. De antwoorden op deze vraag staan in figuur 7 weergegeven. 16 personen (26%) gaven aan dat de gedeelde ervaring betrekking heeft op de deskundigheid van de hulpverleners. 12 personen (19%) zeggen dat de ervaring gaat over de snelheid waarmee men de juiste ondersteuning kreeg. 10 personen (16%) vertelden over het resultaat van de ondersteuning en 9 personen (15%) vertelden over hoe men werd behandeld door de hulpverleners. 8 ervaringen (13%) betroffen de samenwerking tussen hulpverleners (5), of de samenwerking met anderen zoals scholen en huisartsen (3).
28
Figuur 7: thema’s van de ervaringen die men gedeeld heeft. Vervolgens is de vertellers gevraagd, hoe dit – dus de gedeelde gebeurtenis of ervaring - voor hen was. Men kon kiezen uit de categorieën zoals weergegeven in figuur 8 variërend van ‘zeer positief’ tot ‘zeer negatief’ en de categorie ‘weet niet’. Alle respondenten hebben deze vraag beantwoord. Zoals figuur 8 laat zien was de ervaring voor 27 vertellers (44%) positief tot zeer positief, en voor 31 vertellers (50%) negatief tot zeer negatief. Voor 4 vertellers (7%) was de ervaring ‘neutraal’, noch positief noch negatief.
29
Figuur 8: Aard van de ervaring In figuur 9 zijn figuur 7 en 8 met elkaar gecombineerd. De beleving van de ervaring wordt zo per thema van de gedeelde ervaring zichtbaar. Positieve en negatieve belevingen zijn redelijk verdeeld over de meeste thema’s, waarbij de respondenten die over de snelheid waarmee men ondersteuning ontving het meest negatief waren over hun ervaring. De grootste groep respondenten die positief waren over de gedeelde ervaring betreft gebeurtenissen die over de deskundigheid van de hulpverleners gaat.
30
Figuur 9 : Aard van de ervaring naar het onderwerp waar men over vertelt heeft
6.4.1 Waarom vond u dat? Nadat vertellers aangegeven hebben in hoeverre men de ervaring als (zeer) positief dan wel als (zeer) negatief ervaren heeft, is hen gevraagd waaróm zij dat vonden. (zeer) positief Uit de antwoorden van de mensen die de ervaring (zeer) positief beoordeeld hadden blijkt dat men zich gehoord en goed geholpen voelde. Zoals één ouder het verwoordde: “Het traject duurde niet lang en de professionele hulpverlener kwam met een duidelijke diagnose en hulp.” De zeer positief beoordeelde ervaring van één andere ouder: “Wij zijn erg blij met de hulp die wij, met doorverwijzing via onze huisarts, hebben gekregen voor ons kind. De therapeut en de therapie sloten erg goed aan bij de hulpvraag van ons kind. Wij als ouders zijn goed bij het proces betrokken en kunnen indien nodig ook zelf terecht met vragen.” Eén jongere schreef: “Het onderzoek verliep goed en ik kreeg voldoende hulp en ondersteuning.” Hij was positief en zei: “Ik had verwacht dat ze me niet zo goed zouden helpen.” Enkele andere voorbeelden en ervaringen die (zeer) positief beoordeeld waren staan in kader 1. Kader 1: (zeer) positief ervaren gebeurtenissen en ervaringen Eén ouder deelde de volgende ervaring: “Er werd snel en accuraat ingesprongen op (soms veranderende) omstandigheden en boden datgene wat we nodig hadden of begeleidde ons naar de juiste persoon.
We voelden ons écht ondersteund!!!!” De gedeelde ervaring waar dit betrekking op had: “We vonden een luisterend oor, werden serieus genomen en vonden mensen die ons wilden 31
helpen ons te ontlasten in de zorg en wilden helpen onze zoon zich goed verder te laten ontwikkelen en leren omgaan met zijn beperking. Maar niet alleen hem begeleiden met zijn beperking, maar gelukkig ook ons. Zodat we hem beter begrepen en beter met hem leerden om te gaan. SUPER!” De gedeelde ervaring van een andere ouder: “Onze zoon werd veel gepest en heeft daarom deelgenomen aan een weerbaarheidscursus. Dat heeft hem erg goed gedaan! Erg blij met de begeleidsters waar hij zich blijkbaar ook erg veilig bij voelde en ook openhartig durfde te vertellen.” Men heeft de ervaring als positief ervaren omdat: “Onze zoon heeft er een goed gevoel aan overgehouden en wij hebben handvaten gekregen waarmee wij onze zoon verder kunnen begeleiden.” Eén jongere deelde deze ervaring: “Ik ben al lange tijd onzeker, maar een tijd terug werd het ineens heel erg. Ik huilde veel en was iedere dag verdrietig. Op dat moment besefte ik en een paar mensen om me heen dat ik hulp moest gaan zoeken. Ik ben naar de huisarts gegaan. Die verwezen mij door naar de praktijkpsycholoog. Daarna ben ik verder gegaan bij het GGZ. Ik kon veel sneller terecht dan ik had verwacht.” De jongere beoordeelde de ervaring als positief en lichtte dit zo toe: “Lang durfde ik geen hulp te zoeken.
Nu ben ik er trots op dat ik dit wel heb gedaan.” Een ouder deelde de volgende ervaring: “Sinds dat de zorg naar de gemeente en CJG is gegaan voel ik alleen maar strijd om de zorg te krijgen voor mijn kind (autisme met ADHD). Ieder jaar maar weer hetzelfde verhaal, iedere keer een andere medewerker, zelfs 5 medewerkers om een indicatie rond te krijgen. Het duurt erg lang om de indicatie rond te krijgen en ze proberen steeds zorg minder te geven, terwijl het wel nodig is. Er werd zelfs gezegd “wellicht gaat het over wat uw kind heeft.'” Deze ervaring werd door deze ouder toch als positief beoordeeld omdat: “Professionele hulp geeft handvatten en dat wij er niet alleen voor staan, bovengebruikelijke zorg zodat ouders ontlast worden, maatwerk leveren in de thuissituatie en uit huis.”
Neutraal 4 van de 62 respondenten kozen voor de optie ‘neutraal’ met betrekking tot de ervaring die zij deelden. Uit de antwoorden op de vraag waarom men dat vond, blijkt dat er voor hen vaak zowel negatieve aspecten als positieve aspecten aan de ervaring verbonden waren. Zo voelden sommigen teleurstelling met betrekking tot hulpverleners of lange wachttijden en hadden sommigen positieve ervaringen met andere hulpverleners of het resultaat in het geheel. In kader 2 staan twee voorbeelden van de gedeelde ervaringen uit deze categorie. Kader 2: Neutraal ervaren gebeurtenissen en ervaringen Eén jongere schreef in de gedeelde ervaring: "Positief is dat ik veel heb kunnen lachen met mijn begeleiders en in tijden dat ik niks te doen had toch iets van invulling had. Wat impact heeft gemaakt op mij is school X. Hier zat ik van ’s ochtends tot eind van de middag in een donkere volle klas met jongeren met veel verschillende problematieken. Er werd nauwelijks individueel gekeken naar een persoon en wat hij/ zij nodig had. Het allerergste wat ik tot nu toe heb mee gemaakt was de crisisopname. De begeleiders waren bijna allemaal heel jong en hadden geen ervaring. Zomaar iemand met mijn problematiek weg van huis nemen en dan begeleiders die maar blijven zeggen dat ik binnen kort niet weg kan voelde voor mij als een hel.” Deze jongere koos voor de optie ‘neutraal’ 32
op de vraag hoe het voor hem was. Hij lichtte dit zo toe: “Omdat ik met goede begeleiders te maken heb gehad maar ook met veel die niet wisten om te gaan met jongeren met een problematiek terwijl ze dat wel moesten weten.” Eén ouder deelde de volgende ervaring: "Het is jammer dat de wachtlijsten zo lang zijn voor de hulpverlening. Daardoor is het een heel onzekere periode voor de cliënt en naasten voordat gestart kan worden met de behandeling, terwijl hulp zo hard nodig is op dat moment. Door bepaalde personen zijn afspraken niet nagekomen. Pas na herhaaldelijk verzoek zijn sommige afspraken nagekomen. Toen het eenmaal liep, ging het best goed. In de ogen van het kind is het best goed gelopen, nooit met tegenzin gegaan. De communicatie naar de ouders kan beter. Ook wel positieve ervaringen. Het ligt echt aan de persoon die tegenover je zit. De een doet uitstekend zijn werk en de ander komt de afspraken niet na. Dat is jammer.” De ouder beoordeelde de ervaring als ‘neutraal’ omdat het: “Ligt aan de persoon, dus zowel positief, maar ook heel negatief op bepaalde momenten.”