Regionale Energie Strategie 1.0 Noord- en Midden-Limburg (concept)
Tekst van het document
Gezien deze fase van ontwikkeling wordt deze warmtetechnologie nu nog niet meegenomen in de RSW NML 1.0. Als de technologie zich bewijst wordt deze opgenomen in de RES 2.0 als een van de technische warmtebronnen. Kansen zonthermie De verruiming van de SDE++ regeling maakt het mogelijk om initiatieven en technologieën verder te ontwikkelen. Het toepassen van zonnecollectoren is bij uitstek geschikt in omgevingen waar een midden- of hogetemperatuur warmtevoorziening gevraagd wordt. Matig geïsoleerde woningen, glastuinbouw en lichte industrie zijn bij uitstek geschikt. Zonthermie wordt altijd gebruikt in combinatie met een thermisch opslagsysteem en een warmtetransportnet. Het economisch optimum van dergelijke systemen ligt op dit moment tussen 500 en 800 aan te sluiten bestaande woningen. Dit maakt dat het toepassen van zonnecollectoren altijd een afweging voor een (woon-)wijk is en daarmee ook valt binnen het domein van de gemeentelijke Transitie Visie Warmte.
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
95
Kansen en belemmeringen alternatieve duurzame warmtebronnen
Alle warmtealternatieven hebben een aantal kansen en belemmeringen om rekening mee te houden. Hieronder zijn deze weergegeven. Tabel 16: Kansen en belemmeringen alternatieve duurzame warmtebronnen.
Opties
Kansen
Belemmeringen
Restwarmte
Directe benutting van veelal lokale duurzame restwarmte
Hoge gebouwdichtheid binnen gebouwde omgeving nodig
Duurzame restwarmte van Nystar (N-B) kan worden benut door de gemeente Weert
Nystar (Budel) resp. Chemelot (SittardGeleen) liggen als potentieel grotere bronnen buiten de regio, en vereisen nadere afstemming met de relevante RES-regio’s en met eigenaren van de restwarmte Voor de grootste regionale bron van (op termijn) beschikbare duurzame warmte, de Clauscentrale in Maasbracht, is nader onderzoek en overleg nodig Warmtenet voor distributie van duurzame warmte noodzakelijk
Groengas
Verdienmodel op biogene secundaire grondstoffen van en voor de agrarische sector
Onduidelijkheid over toekomst veehouderij sector in Noord- en Midden-Limburg, voorkom dat regio te afhankelijk wordt van veehouderij als grondstof van warmte
Transitie naar kringlooplandbouw
Onduidelijkheid over ontwikkeling werkelijke potentie Onduidelijkheid nationaal over structurele beschikbaarheid groengas voor de warmtetransitie in de regionale gebouwde omgeving
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
96
Opties
Kansen
Belemmeringen
Ondiepe Geothermie
Relatief lage kosten
Hoge gebouwdichtheid nodig
Geschikt voor verwarming van goed geïsoleerde woningen (energielabel B en beter)
Te lage temperatuur voor directe verwarming oudere woningen
Glastuinbouw en gebouwde omgeving zijn zeer complementair
Hoge gebouwdichtheid nodig
Eenvoudige aanpak voor verduurzaming oudere bestaande woningbouw
Winning vooralsnog onzeker vanwege mogelijk trillingsrisico in de ondergrond
Diepe Geothermie
Grote afzet nodig voor rendabele investeringen en exploitatie Warmtenet voor distributie van duurzame warmte noodzakelijk Bodemenergie Stedelijke gebieden met hoge (WKO) bouwdichtheid.
Aquathermie
Zonthermie
Waterwingebieden in de regio
Hoog rendement voor individuele warmtepompen
Interferentie tussen bronnen op korte afstand van elkaar
Stedelijke gebieden met hoge bouwdichtheid.
Seizoensopslag geoogste duurzame warmte nodig
Verlagen van oppervlaktewatertemperatuur en daarmee verbetering waterkwaliteit
Om tot juiste temperatuurniveau voor warmtevoorziening woningen/gebouwen te komen zijn elektrisch aangedreven warmtepompen nodig
Lokaal eigenaarschap mogelijk
Warmtenet voor distributie van duurzame warmte noodzakelijk
Alternatief voor zonneweides
Relatief grote ruimtelijke impact
Nagenoeg onafhankelijk van transportcapaciteit van het elektriciteitsnet
Seizoensafhankelijke opslag van geoogste duurzame warmte noodzakelijk
Lokaal eigenaarschap mogelijk
RES | Noord- en Midden Limburg
Warmtenet voor distributie van duurzame warmte noodzakelijk
Samen werken aan een duurzame regio
97
5.3.2 Warmtevraag De warmtevraag in woningen, kantoren, winkels, zorgcentra en onderwijsinstellingen loopt fors uiteen. Ook zit er verschil in het temperatuurniveau dat nodig is voor de verwarming. Goed geïsoleerde woningen gebruiken weinig warmte op een lage temperatuur. Ziekenhuizen gebruiken veel warm tapwater op hoge temperatuur. Nagenoeg al deze warmte wordt nu opgewekt met aardgas. Daar waar beschikbaar zijn de verbruiksgegevens van alle gebouwen in de regio opgenomen in onderstaande Tabel 17. Er is een verdeling gemaakt tussen woningen, commerciële dienstverlening (kantoren, winkels etc.) en publieke dienstverlening (onderwijs, gemeentelijk vastgoed, zorginstellingen etc.). Er worden koppelkansen gezocht met de glastuinbouw en de industrie in de regio. Daarom is ook voor deze sectoren het aardgasgebruik en warmtevraag inzichtelijk gemaakt. Tabel 17: Aardgasverbruik en warmtevraag Doelgroep
Aardgasverbruik (Nm3/jr)
Warmtevraag (TJ/jr)
Woningen
348.000.000
11.000
Commerciële dienstverlening
74.000.000
2.400
Publieke dienstverlening
51.000.000
1.600
Industrie
523.000.000
16.500
Glastuinbouw
196.000.000
6.200
Totaal
1.190.000.000
38.000
Verdeling warmtevraag Het grootste deel van de warmtevraag in de gebouwde omgeving komt van woningen; 65% van het warmteverbruik is vanuit particuliere koopwoningen, 35% vanuit sociale en particuliere huurwoningen. De warmtevraag per woning in deze regio is gemiddeld hoger dan in Nederland, voornamelijk door het grotere woonoppervlak van de woningen binnen de regio in combinatie met het woningtype (vrijstaand en tweeonder-een-kap).
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
98
Temperatuurverdeling Het temperatuurniveau waarop de warmte in woningen/gebouwen wordt gebruikt is van grote invloed op de selectie en potentie van duurzame warmtebronnen. De bronnen moeten goed afgestemd worden op warmteafnemers die op hetzelfde temperatuurniveau duurzame warmte nodig hebben. Op basis van bouwjaren en isolatieklasse is een verdeling gemaakt van de warmtevraag. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen laag-temperatuur warmtevraag (LT < 50°C), midden-temperatuur warmtevraag (MT 50°C <> 70°C) en hoog-temperatuur warmtevraag (HT > 70°C). Voor de verdeling van warmtebronnen zijndata op deze temperatuurniveaus beschikbaar. In de regio is een warmtevraag op hoog-temperatuurniveau dominant. Dit komt door de voornamelijk oudere woningvoorraad in de regio en de glastuinbouw.
5.4 Hoe gaan we onze ambitie bereiken Afstemming tussen vraag en aanbod Om afstemming te vinden tussen de warmtevraag in de gebouwde omgeving en het warmteaanbod in de regio zoals in de paragraaf hiervoor beschreven, is een analyse gemaakt in Vesta MAIS. Het ruimtelijk energiemodel Vesta is ontwikkeld door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en berekent het energiegebruik en de CO2-uitstoot van de gebouwde omgeving voor de periode tot 2030. Het model houdt rekening met de specifieke omstandigheden van de regio. Hierbij horen, zoals genoemd in hoofdstuk 5.3, onder meer de geothermiepotentie zoals onderzocht door EBN, en de potentiële hoeveelheid groengas die in 2030 voor de bebouwde omgeving beschikbaar zal zijn. Laatstgenoemde is onderzocht door SWECO met als uitkomst een minimumen een maximumwaarde voor het voor de bebouwde omgeving beschikbare groengas. Het hoofdcriterium om tot een techniekkeuze per buurt te komen is ‘laagste nationale kosten’. De laagste nationale kosten is het saldo van directe kosten én baten vanuit maatschappelijk kostenperspectief. Dit omvat kapitaalkosten, bedienings- en onderhoudskosten, baten van vermeden energiegebruik, en kosten en baten van aankoop of verkoop van CO2-rechten in het Europese emissiehandelssysteem. Dit wil niet zeggen dat dit uiteindelijk ook de laagste kosten zijn voor de eindgebruiker.
De berekende gerichte strategieën zijn verzameld in onderstaande Tabel 18.
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
99
Tabel 18: De berekende gerichte strategieën
Energiebron/ Strategienaam temperatuur
Collectieve installatie
Afgiftesysteem (radiatoren e/o vloerverwarming)
Individuele installatie
Benodigd Energielabel (buitenschil) Energielabel B of beter
Individuele elektrische warmtepomp
Buitenlucht of bodem, 15°C
50 °C Publiek elektriciteitsnet Enexis Netbeheer
Combinatiewarmtepomp i.c.m. LTradiatoren
Warmtenet met HT-/MTbronnen
Restwarmte en/ Warmtecentra- 70 °C le, restwarmteof geothermie, bron, MT-warm70 °C tenet, met hulpketels
Aansluiting op warmtenet i.c.m. HTradiatoren
S3
Warmtenet met LT-bronnen
Restwarmte 30 MT- of LT°C, WKO op 15 °C, warmtenet of aquathermie i.c.m. collectieve 10 °C - 20 °C warmtepomp
30 °C - 70 °C
Aansluiting op Bij aanvoer LT- of MT-warm- temperatuur <70 °C: tenet i.c.m. Energielabel B combi- of of beter boosterwarmtepompen LT-/ HT-radiatoren
S4
Groengas
Groengas
70 °C
Hybride luchtWP of HR-cvketel, beide i.c.m. HTradiatoren
S1
S2
Publiek gasnet Enexis Netbeheer
Elektrische warmtepompen en warmtenetten met laag-temperatuur duurzame bronnen leveren minder warmte dan de andere strategieën. De warmte die hierdoor geleverd wordt dient des te efficiënter benut te worden. Ten behoeve hiervan is een goede isolatie van het gebouw (energielabel B of beter) nodig evenals het in bedrijf hebben van laag-temperatuur radiatoren. Warmtenetten met midden- of hoog-temperatuur bronnen leveren meer warmte. Ook al is het wenselijk, volgens de Trias Energetica met deze warmte zo efficiënt mogelijk om te gaan, toch is dit in het geval van deze strategieën geen voorwaarde. In onze Vesta MAIS-analyse zijn bovengenoemde strategieën nog verder onderverdeeld. Zodoende is voor de scenario’s die niet per se gelijktijdig naar minimaal energielabel B moeten worden gebracht, ook gekeken naar situaties met woningen op energielabel D, woningen dus meestal minder goede isolatie hebben. Ook dit is gedaan met als hoofdcriterium de laagste maatschappelijke kosten. Aangezien kosten voor isolatie daarin ook telkens zijn meegenomen, ontstaan op deze manier nieuwe inzichten.
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
100