Regionale Energie Strategie 1.0 Noord- en Midden-Limburg (concept)
Tekst van het document
Samen werken aan een duurzame regio
65
4.2 Uitgangspunten Hoezeer we ons als regio ook zullen inspannen om energie te besparen, er zal altijd opwekking van duurzame elektriciteit nodig blijven. Een belangrijk deel van deze energie zal door grootschalige windparken- en/of zonneweides worden opgewekt. Onder grootschalige elektriciteitsopwekking wordt verstaan: • Zon-op-dak: meer dan 50 zonnepanelen (~ meer dan 15 kWp); • Zon-op-veld: meer dan 10 ha zonnepanelen (~ meer dan 10 MW); • Wind-op-land: meer dan twee windturbines van (ten minste) 3,5 MW (~ meer dan 7 MW). Dit zijn de uitgangspunten voor grootschalige opwekking: • We gaan scenario’s onderzoeken waarbij we in ieder geval een evenredig deel (op basis van gebruik en potentie) van ons elektriciteitsverbruik grootschalig duurzaam opwekken (Tabel 9). We committeren onszelf daarom als RES-regio Noord- en MiddenLimburg aan de ambitie van 1,2 TWh, met een bandbreedte van 1,0 tot 1,4 TWh, aan te realiseren duurzaam opwekkingsvermogen. • We houden ruimtelijke kwaliteit als geheel in beeld en onderzoeken de mogelijkheden in de regio aan de hand van het landschap en de koppelopgaven. De uitwerking van de mogelijkheden zal scenario’s opleveren met potentiegebieden. • We sluiten op voorhand geen enkele duurzame techniek voor grootschalige opwek uit en kijken per techniek naar de kansen in de regio.
• Meervoudige elektriciteitsopwekking (de combinatie van meerdere vormen van duurzame opwekking op één locatie = energielandschap) heeft de voorkeur. Daarnaast zijn kleine projecten mogelijk door gemeentelijk maatwerk. • Dubbel ruimtegebruik (de combinatie van doelen of opgaven, zoals bijvoorbeeld het verbeteren van biodiversiteit en energieopwekking op één locatie) heeft de voorkeur bij nieuw te realiseren projecten. • Voor de realisatie van grootschalige opwekking is per gemeente maatwerk mogelijk, passend binnen de kaders van de RES.
1,2 TWh
RES 1 TWh
RES | Noord- en Midden Limburg
1,4 TWh
Samen werken aan een duurzame regio
66
Als bron is de volgende studie gebruikt (zie Tabel 9) waarbij de Als bron is de volgende studie gebruikt (zie Tabel 9) waarbij de onderzoeksvraag luidde: Wat is de opgave per regio wanneer de totale nationale RES-opgave wordt verdeeld op basis van potentie of op basis van huidig gebruik? De opgave voor onze regio zou voor een verdeling op basis van potentie uitkomen op 1,0 TWh (bandbreedte 1,0 – 1,4). Bij de verdeling op basis van huidig gebruik gebouwde omgeving komt dit neer op 1.2 TWh. Tabel 9 Opwekken evenredig deel Verdeling op basis van potentie
Potentie
Zon TWh Noord- en 2,4 Midden Limburg
Zon en Wind wind Zon TWh TWh TWh
Verdeling op basis van gebruik Huidig gebruik gebouwde Zon en Huidig Wind wind Inwoners gebruik omgeving TWh TWh TWh TWh TWh
14
1,0
16
1,4
1,0
1,1
0,8
1,2
Bron: Quintel Energietransitiemodel (ETM), d.d.15 augustus 2019 *
Op basis van potentie betekent dat een bandbreedte tussen 1,0 TWh en 1,4 TWh.
*
Op basis van gebruik betekent dat 1,2 TWh voor de gebouwde omgeving.
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
67
4.3 Waar staan we nu? Inleiding
Hoeveel energie wordt er op dit moment opgewekt? Wat zit er op kortere termijn aan duurzame opwekking in de planning en wat is de potentie? Met de antwoorden op deze vragen kan een overzicht worden gemaakt van de grootschalige opwekking van duurzame elektriciteit. Dit overzicht heeft een sterk ruimtelijke component: waar wordt en kan elektriciteit worden opgewekt? Om deze vragen te beantwoorden heeft een ruimtelijke analyse plaatsgevonden. Deze analyse bestond uit een aantal stappen waarbij aandacht is besteed aan grondgebonden opwekking en opwekking vanaf daken: de huidige bijdrage van dakopwekking en de bepaling van de resterende potentie van daken voor grootschalige opwekking. Het ruimtelijk-analytische proces om te komen tot een regionale potentie is onderverdeeld in de volgende opeenvolgende stappen: • Stap 1: Huidige en geplande opwekking. • Stap 2: Bepaling opwekpotentie zon-op-dak. • Stap 3: Het analyseren van de potentie van grondgebonden zon-PV-projecten (zonneweides) en windprojecten. De stappen worden vanaf paragraaf 4.3.3 toegelicht. Het resultaat is een aantal kaarten waarin de gegevens in een ruimtelijke context zijn weergegeven, onderscheidend naar opwekking van energie via zon en wind. De cijfers die zijn gebruikt in de analyse voor de opbrengstpotentie van windturbines en zonneweide zijn gebaseerd op de huidige praktijk en stand der techniek.
Naar verwachting stijgen de komende jaren de efficiëntie en opbrengsten van windturbines en zonneweides. Daarom is het raadzaam om de analyse steeds bij te stellen. Pas bij het maken van een ontwerp ontstaat inzicht in de werkelijke opbrengstpotentie van een locatie. In Bijlage 5 is verdere uitleg beschikbaar over wat grootschalige opwekking is, welke aannames zijn gemaakt voor de opbrengstpotentie en een toelichting op definities van data en de gebruikte databronnen.
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
68
4.3.1 Stap 1: Huidige en geplande opwekking De resultaten van de analyses 2020 (huidige opwekking) en 2025 (geplande opwekking) zijn weergegeven in kaartmateriaal, opgenomen in Kaart 1 (Bijlage 6) en Kaart 2 (Bijlage7). In de kaart met de huidige opwekking (Kaart 1) zijn zon en wind gecombineerd. Middels cirkelgrootte is de huidige duurzame opwekking in megawatt (MW) weergegeven, waarbij de kleur aangeeft of het zon of wind betreft. Voor zon is in de legenda onderscheid gemaakt tussen grondgebonden zon en zon-op-dak. In de kaart met de geplande opwekking zijn zon en wind ook gecombineerd. Middels cirkelgrootte is de geplande duurzame opwekking in MW weergegeven, waarbij de kleur aangeeft of het zon of wind betreft. Ook hier is voor zon onderscheid gemaakt tussen grondgebonden zon en zon-op-dak.
Gerealiseerde projecten
Bij het opstellen van de concept RES-NML kende de regio een duurzame elektriciteitsopwekking (grootschalig >15KWp) van 128 gigawatt uur (GWh). Per september 2020 is de grootschalige elektriciteitsopwekking in de RESNML gestegen naar 205 GWh. Van deze gerealiseerde projecten betreft 149,7 GWh grootschalig zon-PV op daken, 8,2 GWh zonneweides en 47,4 GWh elektriciteitsopwekking door windturbines.
Pijplijnprojecten
Dit zijn de projecten waarvoor een SDE+ beschikking is afgegeven maar die nog niet zijn gerealiseerd. Bij zonneweides en windturbines is een omgevingsvergunning een vereiste voor het verkrijgen van een SDE+ beschikking. Uit de praktijk blijkt dat de pijplijnprojecten (zoals opgenomen in de SDE-lijsten) geen realistisch beeld schetsen van het totale vermogen dat gerealiseerd gaat worden. Om een realistisch beeld te geven heeft het Nationaal Programma RES in zijn handreiking aangegeven welk gedeelte van de projecten meegenomen kan worden. Voor zon-PV-projecten wordt een slagingspercentage gehanteerd van 50% en voor windenergieprojecten 95%. De zon-PV-projecten hebben namelijk nog een aantal onzekerheden na het verkrijgen van de SDE+. Dit zit voornamelijk in constructiebeperkingen voor zon-op-dakprojecten en de aansluiting op het net. Voor windenergieprojecten wordt gesteld dat ze een zeer hoge realisatiegraad hebben doordat het vaak al zeer lang lopende trajecten zijn waar veel werk in is gaan zitten, onder andere voor afstemming met de lokale omgeving. Dit maakt dat deze projecten enkel nog wachten op de SDE+ beschikking om gerealiseerd te worden. Als deze wegingspercentages over de pijplijnprojecten uit de SDE+ lijst worden gelegd, dan blijft er nog een gewogen potentie van pijplijnprojecten over van 660 GWh.
Het grootste gedeelte hiervan bestaat uit zon-op-dak met een gewogen potentie van 331 GWh. De gewogen potentie van zonneweides in de pijplijn betreft 38,2 GWh. De gewogen potentie van windturbines in de pijplijn betreft 290,5 GWh. In Bijlage 8 staat een aanpak opgenomen voor het verhogen van de slagingskans van de pijplijnprojecten zon-op-dak.
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
69
Tabel 10: Gerealiseerde en pijplijnprojecten RES-NML Concept-RES (september 2019)
Gerealiseerde projecten (>15KWp)
RES 1.0 (september 2020)
Zon-op-dak:
101,1 GWh
Zon-op-dak
149,7 GWh
Zonneweides
5,1 GWh
Zonneweides
8,2 GWh
Wind
21,7 GWh
Wind
47,4 GWh
Totaal
128 GWh
Totaal gerealiseerd
205 GWh
Zon-op-dak: Pijplijnprojecten met SDEsubsidiebeschikking (gewogen)
331 GWh
Zonneweides:
38,2 GWh
Wind:
290,5 GWh
Totaal gewogen pijplijn:
660 GWh
540 GWh
Energielandgoed Wells Meer
240 GWh
240 GWh
Totaal
908 GWh
1105 GWh
Energieprojecten zonder SDE+ beschikking | Energieprojecten in de ‘idee- en oriëntatiefase’ De huidige pijplijnprojecten zoals opgenomen in Tabel 10 bevatten enkel de projecten die een SDE+ beschikking hebben (m.u.v. Wells Meer). Deze paragraaf beschrijft de nog niet gerealiseerde energieprojecten zonder SDE+ beschikking en is opgedeeld in: • Energielandgoed Wells Meer • Energieprojecten met een offerteaanvraag bij Enexis maar nog zonder SDE+ beschikking en omgevingsvergunning • Energieprojecten in de ‘idee- en oriëntatiefase’
Aankomend project: Energielandgoed Wells Meer
De gemeente Bergen heeft het grote project Energielandgoed Wells Meer op de planning staan. Voor de opwekking van grootschalige elektriciteit is er in het Energielandgoed gekozen voor verschillende zon-PV-projecten, gecombineerd met een aantal windturbines. De ambitie die Bergen heeft voor de opwekking bedraagt 240 GWh. Dit project bevindt zich in de plan- en vergunningenfase en moet nog gerealiseerd worden. Gezien de omvang van dit project en de substantiële bijdrage die het kan leveren aan de opgave voor RES-NML is het Energielandgoed Wells Meer expliciet opgenomen in Tabel 10.
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
70
Energieprojecten met offerteaanvraag bij Enexis zonder SDE+ beschikking en omgevingsvergunning
Om een realistischere inschatting te kunnen maken over mogelijke toekomstige projecten in onze regio, is een inventarisatie gedaan van projecten die nog in een vroeg stadium zitten. Deze projecten hebben dus nog geen SDE+ aangevraagd of toegekend gekregen en beschikken nog niet over een omgevingsvergunning. Voor deze inventarisatie is de Duurzaam Op Land (DOL)-lijst van Enexis gebruikt. Op basis van deze DOL-lijst geeft Tabel 11 een overzicht van projecten die een offerte hebben aangevraagd bij Enexis maar nog niet beschikken over een SDE+ beschikking of omgevingsvergunning. Let wel: de cijfers in Tabel 11 cijfers geven geen exact beeld beeld. Over de kansen van deze projecten is namelijk nog weinig te zeggen. Bij een aantal van deze zon-op-landprojecten heeft bijvoorbeeld nog geen afstemming tussen initiatiefnemer en gemeente plaatsgevonden. Het is nog onduidelijk of deze projecten passen binnen de kaders van het gemeentelijke en RES-beleid. Ze zijn daarom ook niet meegenomen in de potentie zoals weergegeven in Tabel 10.
Tabel 11: Energieprojecten met een offerteaanvraag bij Enexis zonder SDE+ beschikking Categorie Zon-op-dak
53 MW verdeeld over 50 projecten (omgerekend +/- 50 GWh)
Zon-op-land
335 MW verdeeld over 14 projecten (omgerekend +/- 318 GWh)
Wind
Geen offerteaanvragen bij Enexis, zonder SDE-beschikking voor wind
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
71
Ambitieprojecten
Naast de gerealiseerde energieprojecten, de pijplijnprojecten (Tabel 10) en projecten met een offerteaanvraag bij Enexis (Tabel 11), kent onze regio tal van energieprojecten in de ‘idee- en oriëntatiefase’, de zogenaamde ambitieprojecten. Deze projecten hebben nog geen SDE-aanvraag, omgevingsvergunning of een offerte-aanvraag bij Enexis. Ze kennen een grote diversiteit in vorderingen inzake planontwikkeling, de mate van betrokkenheid van de omgeving en betrokkenheid van gemeente. Over de slagingskans van deze projecten en de bijdrage aan het RES-bod kan op dit moment nog geen uitspraak worden gedaan. Tabel 12: Energieprojecten zonder offerteaanvraag bij Enexis en zonder SDE+ beschikking Categorie Zon-op-land
53 MW verdeeld over 50 projecten (omgerekend +/- 50 GWh)
Wind
335 MW verdeeld over 14 projecten (omgerekend +/- 318 GWh)
Gesprekken Enexis en gemeenten op basis van de DOL-lijst
Op basis van de DOL-lijst (Duurzaam Op Land) zijn gesprekken gevoerd met gemeenten over de aankomende initiatieven/plannen die bekend zijn. Aan de hand van een geanonimiseerde kaart heeft Enexis met gemeenten gesproken om de doorgangskansen van deze energieprojecten (uit Tabel 11) beter in te schatten. Dit heeft geleid tot een waardevolle update en optimalisatie van de DOL-lijst en beter inzicht bij gemeenten van aankomende initiatieven. Deze informatie gebruikt Enexis om met de initiatiefnemers in gesprek te gaan en minder kansrijke projecten van de DOL-lijst te halen. Dit kan bijdragen aan het verminderen van de schaarste op het elektriciteitsnet in Noord- en Midden-Limburg.
Opvallende ontwikkelingen
Enkele opvallende ontwikkelingen t.o.v. de eerdere cijfers uit de concept-RES: • Ten opzichte van de gebruikte data in de concept-RES (september 2019) is een substantiële stijging waarneembaar in grootschalige elektriciteitsopwekking in RES-NML (>15KWp). In minder dan een jaar tijd is 77 GWh aan grootschalige elektriciteitsopwekking erbij gekomen. Nieuw gerealiseerde grootschalige zon-op-dakprojecten dragen voor het grootste gedeelte bij aan deze stijging (48,6 GWh). De ingebruikname van de twee windturbines van het coöperatieve windpark Heibloem in Leudal draagt ook 25.7 GWh bij. • Zoals is weergeven in Kaart 1 (2020) is in de RES-regio NML maar liefst 95% van alle zonnepanelen op daken gerealiseerd. • De SDE+ voorjaarsronde 2020 heeft gezorgd voor een stijging van 120 GWh aan gewogen pijplijnprojecten.
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
72
•
• •
In de categorie pijplijnprojecten zijn dertien zonneweides opgenomen, verdeeld over acht gemeenten in Noord- en Midden-Limburg. Deze zonneweides zijn dus nog niet gerealiseerd, maar hebben wel al een omgevingsvergunning van de gemeente en een SDE+ beschikking. Van de pijplijnprojecten zonne-energie betreft 90% zon-op-dak en 10% zonneweides. Van het totaal aan gewogen pijplijnprojecten (660 GWh) betreft een wezenlijk deel (44%) windenergie (290 GWh). Deze windprojecten kennen een hoge slagingskans. Deze pijplijnprojecten windenergie bevinden zich in vijf gemeenten in Noord- en Midden-Limburg.
4.3.2 Stap 2: Bepaling opwekpotentie zon-op-dak De extra opwekpotentie van grootschalige zon-PV op daken (naast de reeds geplande projecten uit de vorige stap) is bepaald op basis van het beschikbare dakoppervlak binnen de regio. Hiervoor is een analyse uitgevoerd van het totale dakoppervlak op basis van BAG-data. Omdat dit hoofdstuk zich enkel richt op grootschalige elektriciteitsopwekking worden systemen onder de 15 KWp niet meegenomen. Om deze buiten de potentie te laten, is er in de analyse gerekend met een minimaal dakoppervlak van 200 m2, omdat blijkt dat onder de 200 m2 er in de praktijk nauwelijks systemen groter dan 15 KWp worden gerealiseerd. Dit komt mede door het benodigd oppervlak van de panelen en bouwkundige beperkingen. De BAG-analyse met deze ondergrens laat zien dat er binnen de regio een totaal grootschalig dakoppervlak is van 24.570.332 m2. De Handreiking RES houdt er rekening mee dat van het totale dakoppervlak 30% geschikt is voor het bepalen van de dakpotentie voor zonnepanelen. Dit houdt dus in dat er 7.371.100 m2 aan potentieel interessant dakoppervlak overblijft. Dit is inclusief de projecten die reeds gerealiseerd zijn of gaan worden uit de vorige stap. Het is niet duidelijk op basis van openbare data hoeveel vierkante meter daken er reeds zijn gebruikt voor zonnepanelen en hoeveel vierkante meter nog in de planning zit.
Om de resterende dakpotentie te bepalen moet dus een inschatting gemaakt worden om te berekenen hoeveel vierkante meter daken gerealiseerd is en in de planning zit. Als uitgangspunten hiervoor gelden: • Reeds gerealiseerde projecten wekken 275 wattpiek (Wp) per paneel op. • De geplande projecten wekken 300 Wp per paneel op. • 50% van het dakoppervlak is ongeschikt voor panelen in verband met schaduw en oriëntatie van de panelen. Met deze uitgangspunten is berekend dat er reeds op 6.287.544 m2 aan dakoppervlak zonnepanelen liggen of in de planning zitten. Dit houdt in dat nog 1.083.555 m2 dakoppervlak potentie heeft voor panelen. Op dit oppervlak kan nog +/-100 GWh opwek gerealiseerd worden op jaarbasis (Dit was 94 GWh in de concept-RES. Deze berekening is met de meest recente kengetallen opnieuw gedaan). Dit zijn naar verwachting niet de meest gemakkelijke projecten, aangezien de gemakkelijke projecten zeer waarschijnlijk reeds gerealiseerd zijn. Er zal door alle belanghebbenden daarom veel werk in gestoken moeten worden om deze nieuwe projecten nog te ontwikkelen.
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
73
?
?
? ?
?
?
?
4.3.3 Stap 3: Bepaling opwekpotentie zonneweides en windturbines: zon en wind op land Opwekpotentie zonneweides
Het uitgangspunt voor het bepalen van de potentie van zonnepanelen op land is een kwaliteitsbeoordeling van het type landschap. De centrale vraag is: welke landschapstypen zijn geschikt voor grootschalige opwekking met zonnepanelen zodanig dat er minimaal kwaliteitsverlies optreedt? Deze HR geschikte landschapstypen worden als kansrijk aangeduid. ++
HR ++
HR ++
Bij de grootschalige opwekking van duurzame energie hebben vooral windturbines en zonneweides invloed op het bestaande landschap. Uitgangspunt voor de grootschalige elektriciteitsopwekking is om zoveel mogelijk te clusteren in grote projecten en te combineren met andere ruimtelijke opgaven. Binnen de RES wordt gekeken naar de specifieke identiteit van een landschap. Belangrijke aspecten hierbij zijn de ondergrond, reliëf, waterhuishouding, schaalgrootte, inrichting, gebruik, cultuurhistorie en natuur. Op basis van kenmerken zijn binnen de regio enkele landschapstypen als meest geschikt beoordeeld voor grootschalige opwekking van zonne-energie, omdat de grootschalige opzet het beste te verenigen is met dit type landschap. Zowel voor wind- als zonne-energie vallen grote delen van het grondgebied als ongeschikt af. Dit heeft bijvoorbeeld te maken met conflicten met andere ruimtelijke opgaven. Vanuit ruimtelijke kwaliteit hebben slechts bepaalde landschappen de voorkeur en zijn andere door hun landschappelijke waarde niet geschikt. Op basis van de analyse voldoen de droge- en natte heideontginningen, (een deel van de) veenontginningen en plateauontginningen het meest aan de kwaliteitskenmerken.
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
74
In Bijlage 9 ‘Landschap als drager van grootschalige opwek’ is de landschapsanalyse en de bepaling van de kansrijke landschapstypen in de regio nader toegelicht. Deze Bijlage biedt de gemeenten een handreiking om invulling te geven aan gemeentelijk beleid met landschapskwaliteit als belangrijke voorwaarde voor inpassing van grootschalige opwekking. Voor het bepalen van de opwekpotentie van zonneweides zijn de volgende twee stappen doorlopen, die uiteindelijk hebben geleid tot een in Bijlage 12 opgenomen kaart met potentiegebieden: • Het toetsen van de landschapsstudie aan het gemeentelijk beleid. • Op basis van gebruik en/of bestemming zijn er gebieden uitgesloten (zie onderstaand kader). Gebieden (generiek) uitgesloten voor zonneweides: • Bebouwde kom (+ buffer) • Werelderfgoed (Unesco) • Beschermd stads- en dorpsgezicht • Monumenten • Buisleidingen (+ buffer) • Natura 2000-gebieden • Provinciale natuurgebieden (goud, zilver, brons) • Rivierbed zoals begrensd in de Waterwet
Opwekpotentie windenergie
Voor het bepalen van de opwekpotentie wind (windturbines) zijn de volgende stappen doorlopen: • Het bepalen van uitsluitings- en beperkingsgronden. De uitsluitings- en beperkingsgronden zijn samengevat in onderstaand kader en ook weergegeven in Bijlage 11. • In een aantal gevallen is een bufferafstand tot de ruimtelijke eenheid aangehouden als uitsluitingsgebied. In het RVO-handboek Risicozonering €€ Windturbines (RVO, 2015) staat een risico-afstand, gekoppeld aan de ashoogte en de rotordiameter, gekoppeld aan bijvoorbeeld de kwetsbaarheid€van de bebouwing. Daarnaast kunnen bufferafstanden worden berekend op basis van de te verwachte geluidsbelasting. Het toepassen van de belangrijkste regels voor geluid van windturbines in het Activiteitenbesluit is maatwerk, gekoppeld aan diverse formules. • Uiteindelijk is de kaart voor wind nog niet voldoende gereed en daarom nog niet aan deze RES toegevoegd, gezien de mogelijke grondspeculatie die hierop kan volgen. Gebieden met een (generieke) uitsluiting/beperking windturbines: • Bebouwde kom (+ buffer) • Bebouwing (+ buffer) • Kassen • Werelderfgoed (Unesco) • Wegen (+ buffer) • Spoorwegen (+ buffer) • Waterwegen (+ buffer) • Risico-inrichtingen • Buisleidingen (+ buffer) • Hoogspanningsleidingen (+ buffer) • Primaire waterkeringen (+ buffer)
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
75
• • • • • • • •
Luchthavens Radar, bouwhoogteperkingen, laagvliegzones Natura 2000-gebieden Stiltegebieden Provinciale natuurgebieden (goud, zilver, brons) Rivierbed zoals begrensd in de Waterwet Waterwinning uitsluiting Grondwaterbeschermingsgebieden
Potentie in kaart gebracht
De resultaten van de analyses 2030 (potentie opwekking) zijn weergegeven in kaartmateriaal, opgenomen in Bijlage 12. Op de kaart voor de opwekpotentie zon is de legenda weergegeven. In de bijschriften op de kaart zijn de gemeentelijke aandachtspunten verwoord. Tevens is op de kaarten het projectgebied Wells Meer weergegeven.
Energielandgoed Wells Meer
In de regio Noord- en Midden-Limburg ligt het gebied Wells Meer, een project van de gemeente Bergen. Hier wil de gemeente ‘Energielandgoed Wells Meer’ gaan ontwikkelen. Hiervoor zijn de procedures al gestart. (Bron: Notitie reikwijdte en detailniveau milieueffectrapportage bestemmingsplan Energielandgoed Wells Meer Gemeente Bergen (L) Vastgesteld, Pondera Consult 11-6-2019).
Figuur 13: Ontwikkeling en proces Energielandgoed Wells Meer
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
76
Voor de opwekking van grootschalige elektriciteit is er in het Energielandgoed gekozen voor verschillende zon-PV-projecten, gecombineerd met een aantal windturbines. De ambitie die de gemeente Bergen heeft voor de opwekking bedraagt 240 GWh. Dit project bevindt zich nog in de ontwerp- en planfase en moet nog gerealiseerd worden. Verdere informatie over het project is te vinden op: www.energielandgoedwellsmeer.nl/energielandgoed-wells-meer/ambitie.
Conclusie
Met de inmiddels gerealiseerde projecten blijft nog een ambitie over van afgerond 995 GWh. Als de (gewogen) potentie van de pijplijn-projecten (inclusief Wells Meer) daadwerkelijk gerealiseerd worden, blijft er ten opzichte van de geformuleerde ambitie een restopgave over van 95 GWh (zie Tabel 13). Tabel 13: Restopgave na benutting ‘Energielandgoed Wells Meer’ Vermogen in GWh Ambitie
1200
Gerealiseerd
- 205
Restambitie
995
Pijplijn gewogen
- 660
Energielandgoed Wells Meer
- 240
Restopgave RES Noord- en Midden-Limburg 2030
95
4.4 Netimpact-analyse De energie-infrastructuur als multifunctionele verbinder
De energie-infrastructuur van ons land verbindt – letterlijk – alle ambities en plannen in de dertig RES-regio’s; het is de ruggengraat van onze gezamenlijke energiestrategie. Deze energie-infrastructuur maakt onder invloed van de energietransitie een ware revolutie door. Hij werd aangelegd als transportmiddel om te voorzien in de vraag naar energie. Nu verandert het net in een multifunctionele verbinder van aanbod, vraag en opslag van elektriciteit, duurzame warmte en groene alternatieven voor aardgas. Dat biedt kansen maar ook forse uitdagingen. Juist daarom is een gedeeld beeld over vraagstukken en mogelijkheden van deze infrastructuur cruciaal om te komen tot haalbare en betaalbare plannen. Ook Enexis Netbeheer vindt het belangrijk inzichten met elkaar te delen en samen te ontwerpen, zodat we als regio gezamenlijk kunnen anticiperen op ontwikkelingen. We moeten als regio continu samenwerken met alle betrokken partijen richting een realiseerbare en kostenefficiënte RES.
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
77
Impact op de energie-infrastructuur
De plannen voor duurzame opwek hebben grote impact op de benodigde infrastructuur. In het proces van de totstandkoming van de RES 1.0 heeft Enexis Netbeheer daarom op basis van de aangeleverde gegevens de impact van de plannen op de energie-infrastructuur bepaald. Er is een integrale doorrekening gemaakt, waarbij ook rekening is gehouden met de toekomstige ontwikkelingen in andere sectoren. Impact wordt uitgedrukt in tijd (termijn om aanpassingen te realiseren), geld (investeringen) en ruimte (ruimtebeslag van stations en infrastructuur)
Systeemefficiëntie voor een uitvoerbare en betaalbare RES
De totale maatschappelijke kosten, het ruimtebeslag en de benodigde tijd in de uitvoering is fors. Door in te zetten op systeemefficiëntie kan de impact beperkt worden. Daarom is in de netimpact-analyse nadrukkelijk aandacht gegeven aan mogelijkheden om het net zo efficiënt mogelijk in te zetten. Bijvoorbeeld door een evenwichtige balans van zon- en windparken en door energie dáár op te wekken waar er vraag is, zodat minder energie getransporteerd hoeft te worden. Met deze adviezen kan de RES-regio sturen op keuzes die bijdragen aan een uitvoerbare en betaalbare RES.
Uitkomsten netimpact-analyse
In de netimpact-analyse wordt in beeld gebracht waar knelpunten ontstaan en welke netinvesteringen nodig zijn om de RES 1.0-ambities te realiseren. Allereerst wordt door Enexis een ‘vooranalyse’ gedaan, op basis van de (project)gegevens in Q4 2020 beschikbaar waren. De vooranalyse is een lightvariant van netimpact-analyse. De uitkomsten van de vooranalyse zijn gereed in januari 2021 en worden als bijlage aan de (consultatieversie van de) RES 1.0 toegevoegd. De netimpact-analyse is naar verwachting in maart 2021 gereed. De uitkomsten uit deze analyse worden terzijnertijd nog ingepast in de RES 1.0.
Programmeren van duurzame opwek
De RES 1.0 geeft richting aan het komende investeringsplan van Enexis en van TenneT – de netbeheerder van het landelijke net. Uitbreiding van de energie-infrastructuur kent langere doorlooptijden dan de ontwikkeling van duurzame opwek. Dit betekent dat wanneer ontwikkelingen uit de markt afwijken van het RES-bod, dit ten koste kan gaan van de haalbaarheid van de RES. Een uitvoerbare RES vraagt daarom om het programmeren van plannen in de tijd en het starten met de realisatie van duurzame opwek waar netcapaciteit beschikbaar is.
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
78
4.5 Hoe gaan we onze ambitie bereiken? Regio is goed op weg
In de regio zijn veel nieuwe lokale initiatieven in ontwikkeling. Daarmee is de regio goed op weg om haar ambitie te bereiken. Hoewel een deel van deze initiatieven uiteindelijk geen doorgang zal vinden (bijv. omdat de businesscase niet rond komt), is de verwachting dat met de initiatieven die in de pijplijn zitten de ambitie van 1,2 TWh gehaald gaat worden. Om te borgen dat een zo groot mogelijk deel van de plannen doorgang vindt en daarvoor de juiste voorwaarden worden geschapen, zijn er wel een aantal acties nodig.
Actielijn zonneweides en windturbines
De gemeente staat aan de lat om de initiatieven (binnen haar grondgebied) van de grond te krijgen. Op regionaal niveau vindt afstemming plaats over de voortgang van de initiatieven. Een regionale aanpak voor grootschalige zonneweides en windturbines wordt nader uitgewerkt in de eerste helft van 2021. De eerste stap is een gespreksronde met individuele gemeenten, waarin concrete en actuele informatie over hun pijplijn- en ambitieprojecten wordt opgehaald. In de vervolgstappen worden deze gegevens geanalyseerd en kunnen uitvoeringsafspraken worden gemaakt over de mate en vorm van regionale samenwerking rondom zonneweides en windturbines. Er is in de regio in beginsel brede steun voor het regionaal prioriteren van energie-opwek-projecten. Voor een gedragen prioritering is het van belang dat deze objectief en uitlegbaar is en er enige flexibiliteit en eigen beleidsruimte blijft. Hiertoe zijn er drie criteria geïdentificeerd die de regio van belang vindt bij de prioritering: 1) de mate van lokaal draagvlak en lokaal eigenaarschap, 2) de systeemkosten en 3) de landschappelijke kwaliteit. De drie genoemde criteria zullen nader worden uitgewerkt en geoperationaliseerd, inclusief de wijze waarop (bijv. middels een programmeringskader) en door wie deze worden bepaald. De regio streeft naar een zo objectief mogelijke en breed gedragen prioriteringswijze.
Actielijn zon-op-dak • • • •
Een RES-versnellingsteam wordt opgericht om de gemeenten te faciliteren om zon-op-dak initiatieven te stimuleren. Het versnellingsteam helpt initiatiefnemers die een SDE-beschikking hebben ontvangen bij het realiseren van hun initiatief. Het versnellingsteam stimuleert dakeigenaren om zonnepanelen te plaatsen. De aanpak wordt nader uitgewerkt in eerste helft 2021.
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
79
Actielijn landschapsinstrumentarium •
•
Zoals gezegd staat de gemeente aan de lat om de eigen initiatieven van de grond te krijgen. Qua ruimtelijke inpassing kunnen ze daarbij gebruikmaken van de landschapsprincipes en landschapsmatrix die in RES-verband zijn uitgewerkt. Vanuit de RES wordt gebruik van dit landschapsinstrumentarium gestimuleerd. In de eerste helft van 2021 dienen de landschapsprincipes en de landschapsmatrix in een handreiking voor gemeenten te worden uitgewerkt.
Actielijn energie-infrastructuur • •
Uitvoeren netimpact-analyse en op basis van de bevindingen acties uitstippelen en/of bijsturen. De energie-infrastructuur – met name de elektriciteitsinfrastructuur – is een cruciale backbone voor het terugleveren en afnemen van elektriciteit. Op enkele plekken in onze regio is al sprake van schaarste in de netcapaciteit en de verwachting is dat dit – mede gezien de initiatieven die in de pijplijn zitten – alleen nog maar zal toenemen. Nauwe samenwerking tussen gemeenten, RES-regio en netbeheerder is cruciaal om zoveel mogelijk initiatieven te kunnen aansluiten op het net. Tevens zal samenwerking plaatsvinden met de Provincie, die vanuit haar PES een regierol heeft m.b.t. de capaciteit van de energie-infrastructuur.
?
?
RES | Noord- en Midden Limburg
? ?
?
?
?
Samen werken aan een duurzame regio
80
5 Regionale Structuur Warmte 5.1 Ambitie Iedere RES-regio levert een Regionale Structuur Warmte (RSW) op. De RSW is input voor de lokale Transitievisies Warmte (TVW’s) die iedere gemeente eind 2021 dient op te leveren. Andersom leveren de TVW’s output richting het opvolgende proces van opstellen RES-NML 2.0 (tot medio 2023). Nederland wil in 2050 geen gebruik meer maken van aardgas in de gebouwde omgeving. De RES-regio Noord- en Midden-Limburg onderschrijft deze ambitie: in 2050 wordt alle warmte voor de gebouwde omgeving in de regio Noord- en Midden-Limburg opgewekt uit duurzame energiebronnen. Het regionale en lokale gasnet van Enexis blijft in de RES-regio NML op weg naar het jaar 2050 grotendeels in stand en blijft aangesloten op het landelijke hoofdnet voor transport van gassen. Enexis speelt vanaf nu zo goed mogelijk in op allerlei ontwikkelingen en innovaties. Voor het realiseren van deze ambitie is afstemming met de RES-partijen en hun omgeving nodig over: • een logische inzet van beschikbare (bovengemeentelijke) warmtebronnen; • de afweging en afstemming tussen warmte-inzet in verschillende sectoren; • mogelijkheden tot het eveneens dubbel inzetten van duurzame warmte: eerst als een hoog temperatuur-bron en vervolgens als een laag temperatuur-bron (d.m.v.
cascadering); • het inzichtgeven in de benodigde toekomstige bovengemeentelijke infrastructuur voor het transport van duurzame warmte, een transportsysteem bij voorkeur in publiek eigendom, en in de benodigde seizoensopslag van duurzame warmte. Belangrijk hierin is de integrale afweging van kwantiteit, ruimtegebruik, maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak en efficiëntie van het beoogde energiesysteem voor duurzame warmte. Alleen een integrale afweging leidt tot efficiënte inzet van duurzame bronnen. De uitdaging zit in het aantal grootschalige warmtebronnen in de regio: dat is beperkt. De warmtetransitie zal daardoor grotendeels op gemeentelijk en wijkniveau plaatsvinden, in lijn met het Klimaatakkoord 2019.
RES | Noord- en Midden Limburg
Gemeente Gemeente Gemeente
Gemeente
Gemeente
Samen werken aan een duurzame regio
81
5.2 Uitgangspunten Dit zijn de uitgangspunten voor duurzame warmte zoals opgenomen in de uitgangspuntennotitie: • We ontwikkelen een Regionale Structuur Warmte (RSW) waarin we op regionaal niveau de huidige (en voor zover bekend, toekomstige) warmtebronnen en de warmtevraag in beeld brengen en waarin we een overzicht geven van de bestaande, geplande en/of benodigde hoofdinfrastructuur voor warmte. Daarbij kijken we naar de volgende technieken die intergemeentelijk en/of regionaal zijn te benutten als bron van duurzame warmte: restwarmte, biogas (en groengas), bodemenergie (warmte-koude-opslag), geothermie (ondiep en diep), en omgevingsenergie (aquathermie en zonthermie). Dit alles bekeken vanuit het perspectief van technische haalbaarheid en beschikbaar, en maatschappelijk verantwoord te benutten. • We brengen de mogelijkheden voor regionale herverdeling van warmte naar duurzame warmte in beeld. Dit doen we op basis van de vaak gemeentegrens-overschrijdende vraag en aanbod van duurzame warmte. Op onderdelen moeten hierover bovenlokale afspraken worden gemaakt. • De RSW is input voor de lokale TVW maar treedt hiervoor niet in de plaats. Alle 15 individuele gemeenten zijn verantwoordelijk voor het opstellen van een lokale TVW.
• We gaan voor 100% duurzame warmte in 2050, hetgeen onder andere betekent dat we op termijn geen gebruik meer maken van netto import van biomassa voor vergisting. We bevinden ons echter aan het begin van de transitie van de uitfasering van aardgas naar 100% duurzame warmtebronnen. In deze fase kunnen hybride-oplossingen en import nodig zijn. We onderzoeken dit verder op weg naar RES-NML 2.0. • Naast de ontwikkeling van de RSW richten we ons ook op kennisvergaring en kennisdeling, bijvoorbeeld over de inzetbaarheid van bronnen van thermische energie, netwerkoplossingen en de ontwikkeling van nieuwe technieken. • De RSW geeft inzicht in de warmtevraag en het warmte-aanbod in de regio. De warmtevraag bestaat uit alle woningen en maatschappelijke c.q. commerciële utiliteitsgebouwen (vastgoed in de gebouwde omgeving) en die van de industrie en glastuinbouw. Daarnaast is gekeken naar het mogelijke aanbod van warmte: de kansen die glastuinbouw en industrie bieden voor verdere verduurzaming.
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
82
Bovengemeentelijke bronnen duurzame warmte
De RSW geeft een eerste inzicht in de (potentiële) bovengemeentelijke bronnen van duurzame warmte. Een bovengemeentelijke warmtebron heeft een dusdanige potentie dat hij ook omliggende gemeenten van duurzame warmte kan voorzien. Denk daarbij aan mest uit de hele regio die in één gemeente wordt vergist, of warmte uit een rivier die voor enkele gemeenten beschikbaar kan komen. Als in beeld is welke bovengemeentelijke warmtebronnen er zijn, kan vroegtijdig afstemming plaatsvinden over het gebruik. Hierin zijn ook sectoren in de regio met een grote warmtevraag van belang, zoals glastuinbouw en industrie. Door vroegtijdige afstemming over bovengemeentelijke warmtebronnen wordt dubbel brongebruik voorkomen. Afstemming moet plaatsvinden voordat de gemeenten hun TVW vastgesteld hebben (uiterlijk eind 2021) en de in het Klimaatakkoord beoogde routekaarten van Glastuinbouw en Industrie zijn opgeleverd. Vroegtijdige afstemming op regionaal niveau helpt gemeenten bij het maken van afspraken over warmtebronnen met bovengemeentelijke potentie, evenals bij het opstellen van de TVW en het maken van keuzes in de uitvoeringsplannen. Dit is een tweejaarlijks terugkerend proces van afstemmen, elke twee jaar worden zowel de 15 gemeentelijke Transitievisies Warmte herzien als de Regionale Structuur Warmte voor Noord- en Midden-Limburg, vooralsnog in de periode 2021-2030.
Onderstaande figuur geeft aan hoe de samenhang tussen regio, gemeente en wijk voor de Warmtetransitie georganiseerd is.
Regionale Structuur Warmte (RSW) Regionale vraag en aanbod
Transitievisie Warmte (TVW) Tijdspad van wijken en
Onzekerheid neemt af met de tijd
Warmtebronnen en oplossingen
voorkeursoplossing per wijk
Wijkuitvoeringsplan Kennis neemt Wijkinfrastructuur
toe met de tijd
Figuur 14: Hoe de samenhang tussen regio, gemeente en wijk voor de Warmtetransitie georganiseerd is. RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
83
5.3 Waar staan we nu? 5.3.1 Aanbod Duurzame Warmte De warmtepotentie in de regio is zeer divers. De energetische potentie van verschillende warmtebronnen is onderzocht en hieronder samengevat (Tabel 14). De energetische potentie is de maximale energiehoeveelheid die bij de bron afgegeven kan worden. Dit wil dus niet zeggen dat al deze warmte voor de gebouwde omgeving beschikbaar komt. Tabel 14: Energetische potentie van duurzame warmtebronnen in Noord- en Midden-Limburg
Laag Temperatuur
Midden/ Hoog Temperatuur
(<50 graden)
(50-70 graden/ >70 graden)
1.600.000 TJ/jaar
165.000 TJ/jaar
Duurzame Restwarmte
200
4.500
Groengas
0
2.500
WKO – open bronnen (opslag)
850.000
0
WKO – gesloten bronnen
600.000
0
Ondiepe Geothermie
130.000
0
Diepe Geothermie
0
150.000
Aquathermie (TEO, lokaal)
24.000
0
Zonthermie (lokaal)
n.t.b.
n.t.b.
Bron duurzame warmte
Totale potentie Warmtebronnen:
Hierna is elke warmtebron uitgewerkt. Er wordt aangegeven wat de potentie is en wat de kansen en belemmeringen voor deze duurzame warmtebron zijn.
Duurzame restwarmte
Restwarmte is de warmte die overblijft uit (industriële) processen. Deze kan worden gebruikt in andere productieprocessen, dan wel worden ingezet als bron om ruimtes te verwarmen en/of voor warm tapwater. De aanwezigheid van een restwarmtebron wil echter niet zeggen dat deze ook direct gebruikt kan worden. De temperatuur van de restwarmte, de afstand tot de gebouwde omgeving, de zekerheid van levering en de duurzaamheid van de bron zijn aspecten die onderzocht moeten worden.
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
84
Potentie duurzame restwarmte Restwarmte wordt in de regio vooral gevonden op gemeentelijk niveau. Denk daarbij aan supermarkten, productielocaties en kleine datacenters. Daarnaast wordt onderscheid gemaakt tussen bronnen die op lage temperatuur warmte afgeven en bronnen die op hoge temperatuur warmte afgeven. De totale potentie van de hoog temperatuur-bronnen is circa 4.500 TJ/jr (terajoule per jaar), de potentie van de laag temperatuur-bronnen is circa 200 TJ/jr. Het is vaak economisch niet haalbaar om al deze kleine bronnen direct te benutten voor ruimteverwarming. Op wijkniveau zijn er kansrijke ontwikkelingen om warmte uit allerlei kleine warmtebronnen collectief op te slaan. Het benutten van een seizoens-onafhankelijke warmtevoorziening wordt dan wél mogelijk. Kansen duurzame restwarmte Na de heropening van de Clauscentrale is sinds oktober 2020 een grote potentiële hoeveelheid restwarmte in de omgeving van Roermond beschikbaar. Het is een private productiecentrale voor de opwekking van grijze elektriciteit uit aardgas. De potentie is, op basis van onderzoek uit juni 2011 van eigenaar RWE, 73 TJ/jr en voldoende voor ongeveer 1.500 te renoveren woningen/wooneenheden naar energielabel B.
Kanttekening hierbij is dat de op aardgas functionerende Clauscentrale (vooralsnog) de functie van back-up in de nationale elektriciteitsvoorziening heeft en niet continu als warmtebron beschikbaar zal zijn. De Clauscentrale kan mogelijk in combinatie met andere warmtebronnen van betekenis worden in haar directe omgeving, zoals de restwarmte van Smurfit Kappa in de gemeente Roermond. Van een regionale potentie van restwarmte is geen sprake. Bovenregionaal zijn er twee potentiële bronnen aan te wijzen: Nyrstar in Budel ten westen van de gemeente Weert en Chemelot in Sittard-Geleen ten zuiden van de gemeente Echt-Susteren. De gezamenlijke potentie van deze twee (hoog temperatuur-) restwarmtebronnen is 16.100 TJ/jr. Belangrijk is dat deze onderdeel zijn van de gelijktijdige afwegingen in onze aangrenzende RESregio’s (MRE respectievelijk Zuid-Limburg) en dat ze daarom niet zondermeer beschikbaar zullen komen. Verder geldt voor zowel Nyrstar als voor Chemelot dat ze geen bronnen van regionale betekenis zijn. Een potentieel kansrijk lokaal project is de ontwikkeling van het Ecovat Panningen (gemeente Peel en Maas) waarin de warmte uit enkele duurzame lokale bronnen seizoens-onafhankelijk zal worden opgeslagen en andersom geleverd aan een te realiseren wijknet voor duurzame warmte.
De haalbaarheid van dit project wordt momenteel door de coöperatie Peel Energie samen met de gemeente onderzocht. De gemeente overweegt bij een positief resultaat van dat onderzoek in 2021 een subsidieaanvraag in te dienen binnen het nationaal Programma Aardgasvrije Wijken om realisatie van dit nog unieke duurzame warmtesysteem mogelijk te kunnen maken. Belemmeringen duurzame restwarmte De haalbaarheid van restwarmte als bron voor warmtenetten is afhankelijk van een aantal factoren. Voor een bij voorkeur publiek en opengesteld warmtenet zal een nieuwe, specifiek op een warmtenet afgestemde infrastructuur moeten worden aangelegd. Voor de investeringskosten van een nieuw aan te leggen warmte-infrastructuur geldt een afschrijvingstermijn van 40-60 jaar. Gedurende deze termijn zal de voeding van het net door meerdere
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
85
duurzame warmtebronnen geborgd moeten zijn. Deze borging zal door de gemeente in de op te stellen Transitievisie Warmte ingevuld moeten worden. De lokaal aanwezige restwarmtebronnen kunnen, voor zolang deze aanwezig zijn, ingezet worden al dan niet in combinatie met andere warmtebronnen zoals groengas, aquathermie en zonthermie. De aanleg van warmtenetten alleen baseren op de beschikbaarheid van lokale restwarmte is meestal niet haalbaar.
Groengas
Biomassa kan op verschillende manieren worden ingezet om warmte te produceren. De term biomassa staat voor al het materiaal dat afkomstig is van levende organismen. Droge biomassastromen, vaak houtige biomassa zoals snoei- en maaiafval en landbouwafval, worden verbrand om warmte te produceren. Natte biomassastromen, zoals mest en GFT-afval, worden vergist, vergast of gecomposteerd om warmte en/of biogas te produceren. Vergisting is het omzetten van biomassa in biogas door middel van bacteriën en schimmels. Biogas kan vervolgens als variant worden opgewaardeerd naar groengas op aardgaskwaliteit dat lokaal rechtstreeks te benutten is voor de warmtevoorziening van woningen/gebouwen. In onderstaand figuur staan de verschillende biomassastromen verdeeld over de soorten verwerkingstechnieken voor warmteproductie. In dit hoofdstuk wordt enkel de potentie/beschikbaarheid van biomassastromen voor vergisting en opgenomen, oftewel groengas. Groengas wordt geproduceerd uit bij voorbeeld agrarische reststromen (mest), GFTafval, bermgras, rioolslib uit de rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI), maar ook bijvoorbeeld organische afvalstromen uit de levensmiddelenindustrie. Deze organische reststromen hebben meestal geen directe toegevoegde waarde meer aan het ketenproces en worden daarom samengebracht onder de noemer van biogene reststromen.
Vergisten
Verbranden
Composteren
Vergassen
• Huishoudelijk / restafval • Afval uit voedingsen genotsmiddelen industrie (VGI) • GFT-afval • Natte mest • Rioolslib • Bermgras, maaisel, etc. • Akkerbouwafval
• Huishoudelijk afval • Grof tuinafval • Resthout (snoei- en houtafval) • Droge mest
• Afval uit voedingsen genotsmiddelen industrie (VGI) • GFT afval • Akkerbouwafval
• Bermgras, maaisel, etc. • Resthout • Akkerbouwafval
Figuur 15: De verschillende biomassastromen in relatie tot de verwerkingstechnieken voor warmteproductie.
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
86
De RES richt zich enkel op vergisten (zie gele kader). De werking van een biomassa-vergister, waarmee biogas wordt geproduceerd, is een techniek die zich reeds heeft bewezen. Het geproduceerde biogas kan op verschillende manieren worden ingezet. Biogas kan bijvoorbeeld via een warmtekrachtkoppeling (WKK) omgezet worden in duurzame warmte en duurzame elektriciteit. Potentie groengas Tot aardgaskwaliteit opgewaardeerd biogas wordt ‘groengas’ genoemd. Het bepalen van de potentie van groengas uit natte biomassa is locatie- en periode-afhankelijk. Er zijn meerdere variabelen en scenario’s die invloed uitoefenen op het resultaat. Er is gekozen om het resultaat weer te geven in een onder- en bovengrens (zie bijlage 14). Het verschil tussen de onderen bovengrens is de potentie die mest kan bieden. Mest heeft veruit het grootste aandeel in de totale potentie, waarbij de regio wel wil waken voor een zogeheten lock-in, waarbij de warmtevoorziening te afhankelijk wordt van mest. Bij de verdere concretisering van de productiecapaciteit van groengas (bij de RSW 2.0) worden de ontwikkelingen in een transitie naar een natuurinclusieve landbouw meegenomen (dat mogelijk gevolgen hebben voor de productie van groengas). De waarde van groengas voor de energietransitie in onze regio wordt verder onderzocht. Hierbij hebben wordt ook bekeken hoe schoon/milieubelastend groensgas is.
Kansen groengas Onze regio bestaat grotendeels uit plattelandsgebieden. Het landschappelijke karakter leidt er toe dat warmtenetten meestal geen rendabele optie zijn. Tevens kent de regio weinig grootschalige bovengemeentelijke restwarmtebronnen. Met groengas lijkt de regio, tegen lage maatschappelijke kosten, aan een aanzienlijk deel van de vraag naar duurzame warmte in de gebouwde omgeving te kunnen voldoen. De mogelijkheden hiervoor worden nader onderzocht. Belemmeringen groengas Verschillende sectoren maken aanspraak op de op nationale schaal relatief beperkte beschikbare hoeveelheid groengas. De maximale groengasproductie heeft haar grenzen. Er zullen landelijke keuzes gemaakt moeten worden over de inzet van dit totale potentieel, ook in onze regio. De concurrentie om de bij de productie van groengas beschikbare groencertificaten (Garanties van Oorsprong, GvO’s) groeit in de (vrije) nationale energiemarkt. Groengasproductie is een al grotendeels uitontwikkelde techniek, die in Nederland onder strenge milieuregels plaatsvindt. De inzameling en het transport van biogene reststromen voor verwerking naar groengas dient op een gecontroleerde wijze plaats te vinden. In deze gesloten keten dienen langjarig structureel betrouwbare partners betrokken te zijn. Het systeem van ketencontrole is daarbij een belangrijke component.
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
87
Warmte-koudeopslag (WKO)
Een bodemenergiesysteem met een geheel ander doel is warmte-koudeopslag (WKO) in de eerste aardlaag (0-500m diepte). Een WKO-systeem werkt altijd samen met een warmtepomp (of meerdere): een apparaat dat een vloeistof naar de juiste temperatuur voor verwarming kan brengen. Het WKO-systeem bestaat uit twee bodemwater-bronnen. In één bron wordt in Nederland toegestaan warmwater op te slaan tot een maximale temperatuur van 25°C. Een warmtepomp verhoogt vervolgens bij gebruik de temperatuur naar de benodigde temperatuur voor het verwarmen van woningen en gebouwen. In een separate tweede koudere bron, soms zelfs als kleinschalige mono-bron boven de eerste warmere bron, wordt het afgekoelde water teruggepompt in de bodem. Potentie WKO De bodemgeschiktheid voor warmte-koudeopslag in de regio NML is zeer goed. De potentie voor het opslaan van duurzame warmte in de eerste bodemlaag van 500 meter bedraagt maximaal 1.400.000 TJ/jr, gebaseerd op de gemiddelde potentie per hectare per gemeente. Deze WKO-potentie is berekend over het totaal van het landoppervlak van alle 15 gemeenten. In de praktijk zal deze opslagpotentie voor de gebouwde omgeving binnen een gemeente uiteindelijk fors lager zijn. De mogelijke bijdrage aan efficiënte warmtepompinstallaties is overigens groot. Belemmeringen WKO Het gebruik van de WKO-systemen heeft invloed op de lokale vraag naar duurzame elektriciteit.
Deze zal stijgen door het gebruik van veel warmtepompen in de gebouwde omgeving. Optimaal ontwerpen en realiseren van WKO-systemen kan die stijgende vraag met een juiste gemeentelijke regie fors positief beïnvloeden. De bodem(grondwater-)bronnen die nodig zijn voor deze techniek kunnen beïnvloed worden door activiteiten in de bodem bij de buurgemeenten en aangrenzende RES-regio’s. Kansen WKO Hoewel een individuele WKO een lokale bron is, is het WKO-systeem in deze analyse ook meegenomen. Deze techniek is immers breed toepasbaar in meerdere gemeenten op wijk- en buurtniveau. De bodem-/grondwaterbronnen zijn verbonden met elkaar via diepere grondwaterstromen en kunnen elkaar daardoor naast negatief ook positief beïnvloeden.
Geothermie
Geothermie of aardwarmte is warmte uit diepere lagen in de ondergrond. In gesteentelagen zit water dat warmer wordt met toenemende diepte. Bij geothermie wordt het water opgepompt, wordt de warmte onttrokken en wordt het afgekoelde water weer in dezelfde gesteentelaag teruggepompt. Geothermie wordt vaak opgedeeld in drie verschillende domeinen: ondiepe geothermie (OGT), diepe geothermie (GT) en ultradiepe geothermie (UDG).
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
88
Tabel 15: Bodemwarmte onderverdeeld op laagdiepte onder het aardoppervlak Indicatieve diepte onder maaiveld:
Gebruikelijke toepassing:
Temperatuur
WKO (seizoensopslag 0 - 500 meter thermische energie)
Alleen voor opslag LTwarmte en HT-koude
Opslagtemperatuur maximaal 25ºC
Ondiepe Geothermie (ODG)
500 - 1.200 meter
Warmteonttrekking i.c.m. warmtepomp
40ºC - 60ºC
Diepe Geothermie (DGT)
1.200 - circa 3.500 meter
Warmteonttrekking voor direct gebruik
60ºC - 90ºC
Ultradiepe Geothermie (UDG)
> circa 3.500 meter
Stoomproductie, i.c.m. opwekking duurzame elektriciteit, met duurzame restwarmte
90ºC en hoger
Technologie:
Potentie geothermie Geothermie is een stabiele warmtebron die onafhankelijk is van weersomstandigheden en het hele jaar constante warmte kan leveren. Hierdoor is deze geschikt voor gebouwen die een relatief grote en constante warmtevraag hebben, zoals de glastuinbouw. Het merendeel van de gerealiseerde geothermieprojecten in Nederland levert warmte aan kassen, maar de eerste projecten in de gebouwde omgeving worden inmiddels ook gerealiseerd. Hiervoor is wel een warmtenet nodig met voldoende gebouwen om een warmtevraag te creëren die groot genoeg is. Geothermie kan, als duurzaam alternatief voor gas, een onderdeel zijn van de bronnenstrategie. De ondergrondse potentie voor geothermie is afhankelijk van geschikte gesteentelagen in de ondergrond. De belangrijkste eigenschappen voor het bepalen van de potentie zijn dikte, temperatuur en permeabiliteit (doorlaatbaarheid). De dikte van een gesteentelaag heeft invloed op de hoeveelheid water die beschikbaar is voor geothermie. De permeabiliteit geeft aan hoe makkelijk water door een gesteentelaag kan stromen. Hogere temperaturen geven een hogere potentie, er kan immers meer warmte onttrokken worden. De temperatuur is grotendeels afhankelijk van de diepte, want hoe dieper een gesteentelaag, hoe warmer deze wordt.
Nationale modellen als ThermoGIS en hiervan afhankelijke studies als WARM geven een eerste indicatie welke lagen interessant kunnen zijn. Om de ondergrondse potentie van geothermie in de RES-regio Noord- en Midden-Limburg nauwkeuriger te bepalen, wordt aangeraden een regionale potentiestudie uit te voeren. De potentie van duurzame warmte alleen uit ondiepe geothermie voor deze regio wordt volgens nog beperkte inzichten geschat op circa 130.000 TJ/jr.
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
89
Belemmeringen geothermie Om de potentie te kunnen bepalen zijn voldoende data van de ondergrond nodig. In de regio Noord- en Midden-Limburg is er door een gebrek aan die noodzakelijke gegevens nog onzekerheid over de potentie van geothermie. Een ander risico is seismische activiteit door geothermie. De regio Noord- en Midden-Limburg ligt in een actief breuksysteem (de Roerdaalslenk). Voor de realisatie van een geothermisch project is het belangrijk breuken goed in kaart te brengen en een Seismic Risk Assesment (SRA) uit te voeren. Vanwege de onzekerheid over de potentie en de risico’s van seismische activiteit focust de RES zich vooralsnog alleen op ondiepe aardlagen. Aanvullend onderzoek naar aardwarmte in de diepere aardlagen en de gesloten geothermische installaties in het bijzonder brengen mogelijk in de nabije toekomst meer duidelijkheid in deze problematiek. SCAN-programma Momenteel wordt landelijk in opdracht van het staatsbedrijf EBN (Energie Beheer Nederland) het zogenoemde nationaal SCAN-programma uitgevoerd, waarbij meer seismische data van de ondergrond worden verzameld. Dit geldt ook voor de RES-regio Noord- en Midden-Limburg. Het verzamelen van de data wordt naar verwachting in 2021 afgerond. Hierna moeten de data nog verwerkt worden, voordat ze geschikt zijn om geïnterpreteerd te worden door specialisten.
Wanneer deze data beschikbaar zijn kunnen deze toegevoegd worden om de zekerheid over de potentie van geothermie voor deze regio fors te vergroten.
Thermische energie uit water: Aquathermie
Aquathermie is de verzamelnaam voor thermische energie uit water, waaronder oppervlaktewater (TEO), afvalwater (TEA), drinkwater (TED) en rioolwater (Riothermie).
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
90
Figuur 16: Stroomgebied van de Maas in Limburg
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
91
Potentie aquathermie Een van de grootste rivieren van Nederland, de Maas, stroomt door Noord- en Midden-Limburg. Met een gemiddeld debiet van 250 m³/s biedt de Maas veel potentie voor aquathermie. Op dit moment zien we de grootste kansen voor de gebouwde omgeving in TEO (Thermische Energie uit Oppervlaktewater), mogelijk in combinatie met TED (Thermische Energie uit Drinkwater). Zo wordt drinkwater, bijvoorbeeld bij Heel, gewonnen uit de Maas. Voor TEA (Thermische Energie uit Afvalwater) zijn er vooral kansen als een RWZI in de buurt van een woonwijk is gesitueerd, zoals het geval is in de buurt Ubroek in Venlo, zo blijkt uit onderzoek van IF Technology (2020). De gemeente Venlo heeft de lokale potentie van aquathermie in kaart laten brengen. Dit heeft geresulteerd in een concreet ontwikkelingsproject binnen het nationaal Programma Aardgasvrije Wijken: Hagerhof-Oost. In dit project wordt gebruik gemaakt van thermische energie uit het oppervlaktewater (TEO) van de Maas. In november 2020 heeft de Rijksoverheid aan de gemeente Venlo een forse subsidie toegekend voor dit gemeentelijke startproject. Doel is om uiteindelijk ca. 1.000 woningen in deze wijk op middellange termijn aardgasvrij te maken. Bij aquathermie wordt thermische energie gewonnen uit water en middels een warmtepomp naar een hoger en bruikbaar temperatuurniveau gebracht.
Het water heeft hierbij temperatuurniveaus tussen 7 en 25°C en is daarmee een lage temperatuur(LT)-warmtebron. Landelijke voorbeelden combineren veelal aquathermie en WKO in de bodem. Hiermee wordt de thermische warmte uit oppervlaktewater tijdelijk opgeslagen. In deze combinatiesystemen wordt de warmte primair gewonnen wanneer het water warm is, waardoor dit logischerwijs dus tijdens de zomermaanden (en deels in voor- en naseizoen) gebeurt. In de winter wordt de warmte uit de WKO met een centrale warmtepomp opgewaardeerd naar circa 70°C. Deze warmte wordt met een warmtenet gedistribueerd naar de afnemers. Met deze temperatuur kunnen gebouwen direct (zonder verdere opwaardering) worden verwarmd en van warm tapwater worden voorzien. Wanneer er een relatief groot volume oppervlaktewater voorhanden is, kan ook zonder een WKO gewerkt worden. Hierbij wordt op het gewenste moment warmte onttrokken aan het water via een warmtepomp en wordt het water direct weer teruggegeven, maar dan kouder. Zowel mét als zonder WKO dient natuurlijk wel rekening gehouden te worden met de (ecologische) draagkracht van het watersysteem.
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
92
tiny.cc/RESNML
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
93
Belemmeringen aquathermie Met de huidige technologie en wat we nu weten, kunnen we de warmte uit oppervlaktewater nog niet volledig benutten. In Limburg lijken weinig vraaggebieden geschikt voor een warmtenet: de randen van het gebied van warmtevragers moeten nabij de bron (het water) zijn gelegen (richtlijn: maximaal 1 kilometer). Ook moet de ondergrond geschikt zijn als warmtebuffer, zodat warmte in de zomer opgeslagen kan worden voor gebruik in de winter. De bodemcapaciteit rond de Maas is echter erg onzeker en varieert sterk. Daarnaast is er nog meer onderzoek nodig naar de invloed op de waterkwaliteit. Belangrijk aandachtspunt voor de haalbaarheid van TEO is bovendien de mogelijkheid voor het realiseren van een inname- en lozingspunt. Voor het werken rond de Maas is overleg met Rijkswaterstaat en Waterschap Limburg nodig. Rijkswaterstaat is verantwoordelijk voor de grote rivieren in Nederland, waaronder de Maas. Voor kleine wateren is Waterschap Limburg verantwoordelijk. Kansen aquathermie Grote stedelijke gebieden, zoals Roermond en Venlo, liggen aan de Maas, een grote regenrivier met een goede doorstroming en daarom met veel potentie voor aquathermie. Door een andere grotere stad, Weert, loopt de Zuid-Willemsvaart, een groot kanaal met eveneens voldoende doorstroming. De gemeente Weert laat op dit moment onderzoek uitvoeren om de potentie beter inzichtelijk te maken.
Naast de grotere steden binnen de RES Noorden Midden-Limburg zijn er ook kleinere plaatsen, bijvoorbeeld Echt en Maasbracht, in de nabijheid van grote wateren. Er zijn dus goede kansen voor thermische energie uit oppervlaktewater (TEO). Vanwege de benodigde investeringen en het volume is deze oplossing vooral geschikt voor collectieve warmtenetten en veel minder voor individuele woningen. Voordeel van een aquathermie/WKO-systeem t.o.v. een enkelvoudig WKO-systeem is dat bij een WKO-systeem de warmte-onttrekking jaarlijks gelijk moet zijn aan de koude-onttrekking, waardoor een regulier systeem alleen geschikt is voor afnemers met een grote koudevraag (en dus grote warmteproductie). Bij TEO wordt de WKO in thermische balans gehouden door de toevoeging van warmte uit het oppervlaktewater.
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
94
Thermische energie uit de zon: zonthermie
Zonthermie is het direct benutten van warmte uit de zon - een toepassing die al vele jaren gebruikt wordt op kleine huishoudelijke schaal. Een zonnecollector vangt zonlicht op en gebruikt deze warmte voor het verwarmen van een vloeistof. Deze vloeistof kan een temperatuur van meer dan 100°C bereiken. Deze bron is echter wel seizoensafhankelijk. In de zomerperiode wordt veel warmte geproduceerd en is de vraag laag. In de winterperiode is dit juist andersom. Seizoensopslag is nodig om dit verschil in vraag en aanbod te overbruggen. Er zijn nu naast warmte-koudeopslag (WKO) andere systemen op de markt die ondergronds de warmte kunnen opslaan in grotere opslagsystemen. Belemmeringen zonthermie Zonthermie zit nog in de experimentele fase. Op een aantal projectlocaties binnen het Programma Aardgasvrije Wijken wordt momenteel de toepassing van dit soort systemen verder ontwikkeld. Deze systemen zijn nu nog kostbaar en moeten zich nog op grote schaal bewijzen. Daarnaast legt zonthermie een ruimteclaim in de omgeving, en is ze afhankelijk van de hoeveelheid aan te sluiten woningen. Een vuistregel is dat ongeveer 40 ha zonnecollectoren in een naburige veldopstelling benodigd zijn voor het in de basis opwekken van thermische energie ten behoeve van de duurzame warmtevoorziening van 500 woningen/wooneenheden.