Ontwerpomgevingsvergunning
Tekst van het document
3.3 Luchtkwaliteit Toetsingskader Wabo en Wet milieubeheer Op grond van de Wet milieubeheer gelden de bepalingen van artikel 5.2 en de daarbij behorende bijlage 2 van de Wet milieubeheer voor de luchtkwaliteitseisen. Op grond van artikel 5.16, lid 1 van de Wet milieubeheer houdt het bevoegd gezag bij het uitoefenen van de bevoegdheid tot het verlenen van de omgevingsvergunning rekening met de in bijlage 2 genoemde grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen en de richtwaarden voor ozon, nikkel, arseen, cadmium en benzo(a)pyreen. Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 In de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 staat beschreven op welke plaatsen er getoetst moet worden. Het toepasbaarheidsbeginsel en blootstelling speelt hierbij een grote rol. Volgens het toepasbaarheidsbeginsel hoeft op een aantal locaties de luchtkwaliteit niet vastgesteld te worden. Deze locaties betreffen terreinen van andere inrichtingen, wegen en plaatsen waar het publiek in de praktijk niet zal verblijven (zoals natuurgebieden met een hek erom, terreinen van het Ministerie van Defensie, akkers en spoorwegen). Voor de blootstellingstijd geldt dat deze significant moet zijn ten opzichte van een etmaal. Een plaats met significante blootstelling kan bijvoorbeeld een woning, school, winkel, loods of sportterrein zijn.
Op plaatsen waar geen sprake is van significante blootstelling hoeft de luchtkwaliteit niet beoordeeld te worden. Uit de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 blijkt dat de emissie van fijnstof bij agrarische bedrijven met standaard rekenmethode 3 (SRM3) berekend moeten worden. Het luchtkwaliteitsmodel ISL3a (welke voldoet aan SRM3) is specifiek bedoeld om de gevolgen van (agrarische en industriële) puntbronnen op de luchtkwaliteit in de omgeving te bepalen.
Datum
26 oktober 2021
Ons kenmerk
WABO-2018-385
Pagina
23 van 49
Fijnstof komt vooral vrij vanwege de emissie van huid-, mest-, voer- en strooiseldeeltjes uit de stallen. De beoordeling richt zich dan ook met name op de concentratie fijnstof afkomstig van het houden van dieren. Op 12 december 2018 is de gewijzigde Regeling beoordeling luchtkwaliteit (Rbl) gepubliceerd. Om te voorkomen dat nieuwe overschrijdingen van de grenswaarden voor zwevende deeltjes ontstaan, is in het tweede lid van artikel 73 voorgeschreven dat onder bepaalde omstandigheden een meer gedetailleerde cumulatieve berekening nodig is. Met de wijziging is het vanaf 1 januari 2019 daarom in bepaalde gevallen verplicht om bij de toetsing van een oprichting of wijziging van een veehouderij ook omliggende veehouderijen in een straal van 500 meter in te voeren in het rekenprogramma ISL3a. Deze meer gedetailleerde cumulatieve berekening is alleen nodig bij veehouderijen die een aanvraag indienen met een totale fijnstof emissie van meer dan: 500 kg/jaar als de achtergrondconcentratie hoger is dan 27 µg/m3, of 800 kg/jaar ongeacht de achtergrondconcentratie. Bij de beoordeling is gebleken dat de achtergrondconcentratie kleiner is dan 27 µg/m3 en de totale emissie in de aangevraagde situatie meer is dan 800 kg PM10 /jaar.
In dat geval moeten alle veehouderijen in een straal van 500 m van het emissiepunt met een emissie van meer dan 800 kg pm10/jaar betrokken worden in de berekening met ISL3a. Alle omliggende veehouderijen binnen een straal van 500 m met een totale emissie van zwevende deeltjes van meer dan 800 kg pm10/jaar zijn dan ook meegenomen in de berekening. Dit leidt tot een meer gedetailleerde cumulatieve berekening van de concentratie van zwevende deeltjes bij veehouderijen. De pluimveehouderijen gelegen aan Aan de Bergen 4 en 23a zijn meegenomen in de cumulatieve fijnstofberekening. Emissiefactoren fijnstof Op grond van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moet voor de berekening van concentraties van fijnstof gebruik worden gemaakt van de meest actuele emissiegegevens die zijn gepubliceerd (voor het laatst in maart 2021) op de website van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Besluit emissiearme huisvestingssystemen voor landbouwhuisdieren (Besluit emissiearme huisvesting) In het Besluit emissiearme huisvesting is bepaald dat in een dierenverblijf dat is opgericht op of na 1 juli 2015 geen huisvestingssystemen worden toegepast met een emissiefactor voor zwevende deeltjes (PM10) die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor zwevende deeltjes (PM10) die voor de desbetreffende diercategorie is opgenomen.
Alleen voor pluimvee zijn in het Besluit emissiearme huisvesting maximale emissiewaarden opgenomen voor zwevende deeltjes (PM10). De gevolgen van de aangevraagde activiteiten voor de luchtkwaliteit Onderhavige inrichting betreft een veehouderij. Bij veehouderijen is in het kader van de genoemde luchtkwaliteitseisen met name de emissie van zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), ofwel fijnstof-emissie van belang. Voor zwevende deeltjes (PM10) gelden de volgende grenswaarden: 40 microgram per m3 (µg/m3 ) als jaargemiddelde concentratie; 50 microgram per m3 (µg/m3 ) als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden. Voor zwevende deeltjes (PM2,5) gelden de volgende grenswaarden: 25 microgram per m3, gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie. Toetsing fijnstof (PM10) afkomstig van dieren
Datum
26 oktober 2021
Ons kenmerk
WABO-2018-385
Pagina
24 van 49
Bij de aanvraag is een berekening gevoegd (Bijlage Aanvraag OV, Hoofdstuk 5 Fijnstof) van de emissie van zwevende deeltjes als gevolg van de activiteiten waarvoor deze vergunning wordt aangevraagd en als gevolg van de veehouderijen binnen een straal van 500 meter met een emissie van meer dan 800 kg PM10/jaar. Aan de hand van de emissiefactoren is met behulp van het rekenprogramma ISL3a versie 2021-1 een berekening gemaakt van de luchtkwaliteit ter plaatse. Uit de berekening, zie onderstaande tabel, blijkt dat de emissie van zwevende deeltjes ter plaatse van relevante beoordelingspunten niet boven de 40 microgram per m3 komt en dat er minder dan 35 maal per jaar een overschrijding is van de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie.
Tabel 4: Toetsing Luchtkwaliteit (fijnstof PM10) aangevraagde situatie Jaargemiddelde concentratie Dagen met overschrijding van de 24-uurgemiddelde concentratie Beoordelingspunt Aangevraagd Norm Aangevraagd Norm Aan de Bergen 1 21,00 40 8,2 35 Aan de Bergen 2 21,25 40 35 8,7 Aan de Bergen 3 22,16 40 35 9,4 Aan de Bergen 4 (VH) 21,91 40 35 8,9 Aan de Bergen 5 21,66 40 35 9,6 Aan de Bergen 6 (VH) 21,29 40 35 10,1 Aan de Bergen 8 (VH) 20,85 40 35 9,5 Aan de Bergen 10 21,09 40 35 10,9 Aan de Bergen 11 22,15 40 35 15,9 Aan de Bergen 12 19,23 40 35 7,9 Heide 5 19,99 40 35 7,4 Heide 4 20,05 40 7,3 Heide 2 20,47 40 35 7,8 Uit bovenstaande tabel blijkt dat er overal voldaan wordt aan de norm. De bepalingen van de Wet milieubeheer voor de luchtkwaliteitseisen staan verlening van de aangevraagde vergunning niet in de weg. Toetsing aan Besluit emissiearme huisvesting Toetsing van de aanvraag aan het Besluit emissiearme huisvesting levert de volgende tabel op: Tabel X*a/b: Aangevraagde huisvestingssystemen en maximale emissiewaarde Stal diercategorie emissiewaarde fijnstof* maximale nummer (gram PM10 per emissiewaarde voor dierplaats per jaar) zwevende deeltjes (gram PM10 per dierplaats per jaar) 5 6 8 2
Legkippen Legkippen Legkippen Vleesvarkens
65 35,75 65 153
46 -
voldoet aan Besluit emissiearme huisvesting ja ja ja ja
* De emissiewaarden van diverse (sub)typen stalsystemen zijn opgenomen in de lijst van emissiefactoren fijnstof voor de veehouderij zoals deze zijn gepubliceerd op de site van de Rijksoverheid d.d. maart 2021. Uit bovenstaande tabel blijkt dat wel wordt voldaan het Besluit emissiearme huisvesting. Toetsing fijnstof (PM2,5) afkomstig van dieren
Datum
26 oktober 2021
Ons kenmerk
WABO-2018-385
Pagina
25 van 49
Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 een grenswaarde voor de bescherming van de gezondheid van de mens van 25 microgram per m³, gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie. Er zijn al wel commerciële rekenprogramma's op de markt waarmee de verspreiding van PM2,5 berekend kan worden. Er zijn echter nog geen emissiefactoren voor PM2,5 vastgesteld, dus het is op dit moment niet mogelijk om de blootstelling te bepalen. De fractie PM2,5 bevat vooral de deeltjes die ontstaan door condensatie van verbrandingsproducten of door reactie van gasvormige luchtverontreiniging. Ook stof dat, bijvoorbeeld in de vorm van roet en rook, rechtstreeks vrijkomt bij verbrandingsprocessen zoals bij transport, industrie en consumenten, bestaat vooral uit kleinere deeltjes. Stof dat vrijkomt bij mechanische bewegingen, zoals wegdekslijtage en stalemissies, betreft vooral deeltjes die groter zijn dan PM2,5. Veehouderijen vormen voor zover bekend geen belangrijke bron van PM2,5 emissies. In de monitoringsrapportage Nationaal Samenwerkingsprogramma (NSL) 2014 zijn berekeningen uitgevoerd voor de fijnere fractie van fijnstof, PM2,5. Daaruit blijkt dat er in 2015 geen overschrijding van de jaarnorm PM2,5 geconstateerd wordt. Dit bleek overigens ook al uit de monitoringsrapportage NSL 2013. Volgens informatie van Infomil is de PM10 bepalender dan PM2,5.
Het PM2,5 maakt als lichtere fractie onderdeel uit van het PM10. De grenswaarden voor PM10 liggen daarbij erg dicht bij die van PM2,5. Een overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal in de praktijk eerst optreden voor het toegestane aantal overschrijdingsdagen voor PM10. Dit gebeurt doorgaans bij een jaargemiddelde PM10 concentratie van rond de 32-33 microgram per m³. Nu de berekende jaargemiddelde PM10 concentratie in de aangevraagde situatie maximaal 22,16 microgram per m³ is, kan gesteld worden dat er geen overschrijding van de grenswaarde van PM2,5 plaats zal vinden. Toetsing fijnstof en stikstofdioxide afkomstig van verkeersbewegingen Ook verkeersbewegingen zorgen voor emissies van fijnstof en daarnaast ook voor de emissie van stikstofdioxide. De fijnstof emissie afkomstig van de verkeersbewegingen zijn, in vergelijking met de emissies afkomstig van dieren, echter zeer beperkt.
In de beoogde situatie wijzigen het aantal verkeersbewegingen niet. Van een fijnstof en stikstofdioxide toename is daarom geen sprake.
3.4 Uitloop Uit de aanvraag blijk dat de reeds aanwezige overdekte- en vrije uitloopt als onderdeel van stal 6 na de herbouw van deze stal behouden blijft zoals reeds eerder vergund. Het aantal dieren dat gebruikt gaat maken van deze uitlopen wordt vergroot tot 17.000. De overdekte uitloop van stal 8, blijft zoals vergund bestaan. Er zijn geen emissiefactoren bekend voor een uitloop van kippen. Wel is door Wageningen UR Livestoch Research in juli 2016 een onderzoek uitgevoerd: “Inventarisatie van de effecten van uitloop pluimveehouderij op bodem-, water- en luchtkwaliteit” (WUR rapport 954). Uit dit rapport blijkt het volgende: “De uitloop heeft naar verwachting een zeer beperkte bijdrage aan de emissie van stof, geur, methaan en ammoniak van legpluimveebedrijven. Metingen aan uitstoot van ammoniak uit de uitloop geven aan dat deze circa 5% betreft van de uitstoot uit de legstal bedraagt. Voor stof, methaan en geur zijn geen cijfers bekend.” “De bodem van uitlopen van legpluimvee wordt, zeker in de nabijheid van de stal, meer dan formeel toegelaten belast met mineralen uit dierlijke mest.
Door een sterk wisselend en niet egaal gebruik van de uitloop is een exact getal niet te geven” Omdat de uitlopen reeds zijn vergund, de emissies van ammoniak en fijnstof afnemen, de uitlopen zijn meegenomen in de beoordeling van de immissies en deze binnen de gestelde normen blijven staat dit de verlening van de aangevraagde vergunning niet in de weg.
Datum
26 oktober 2021
Ons kenmerk
WABO-2018-385
Pagina
26 van 49
3.5 (Volks)gezondheid Als door het in werking zijn van een inrichting risico's voor de volksgezondheid kunnen ontstaan, moeten deze risico’s bij de beoordeling van een vergunningaanvraag worden meegenomen. Op 7 juli 2016 is het onderzoek 'Veehouderij en Gezondheid Omwonenden gepubliceerd (RIVM rapport, kenmerk 2015 – 0058, 5 juli 2016,hierna ‘ VGO-onderzoek'). Het doel van het VGOonderzoek was om meer duidelijkheid te verkrijgen over mogelijke gezondheidseffecten van de veehouderij op de gezondheid van omwonenden, vooral infectieziekten en luchtwegaandoeningen in relatie tot luchtverontreiniging (zoals fijnstof en endotoxinen). Het VGO-onderzoek richtte zich op mogelijke verbanden tussen stoffen en micro-organismen van veehouderijen en gezondheidseffecten. De bevindingen van dit VGO-onderzoek hebben aanleiding gegeven voor vervolgonderzoek. Als vervolg hierop is op 16 juni 2017 het onderzoek “Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies), Analyse van gezondheidseffecten, risicofactoren en uitstoot van bioaerosolen” gepubliceerd (RIVM-rapport 2017-0062, hierna VGO2-onderzoek). Op 22 oktober 2018 is het eerste deelonderzoek van het onderzoeksprogramma VGO3 gepubliceerd (Longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen: actualisering van gegeven uit huisartsenparktijken 2014-2016, hierna VGO3-onderzoek).
Op 10 oktober 2019 is het tweede deelonderzoek van VGO3 gepubliceerd (Longontsteking in de nabijheid van geitenhouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht). In deze studies zijn een aantal mogelijke relaties tussen veehouderij en gezondheidseffecten geconstateerd: Duidelijk is geworden dat de afstand tot veehouderijen er toe doet. Uit luchtmetingen in de woonomgeving blijkt dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een veehouderij kleiner wordt en/of het aantal (dichtheid) veehouderijen in een gebied groter wordt. Veehouderijsectoren met de hoogste uitstoot van fijnstof, zoals pluimvee- en varkenshouderij, dragen duidelijk bij aan de concentratie van endotoxinen in de leefomgeving. Opvallend was verder dat ook sectoren van de veehouderij die niet bekendstaan om een hoge uitstoot van stoffen toch substantieel lijken bij te dragen aan de concentratie van endotoxinen in de leefomgeving. Er zijn sterke aanwijzingen dat fijnstof en componenten ervan mensen gevoeliger maken voor luchtweginfecties en dat er een verminderde longfunctie is bij een hoge concentratie van ammoniak in de lucht. Specifieke ziekteverwekkers afkomstig van dieren kunnen echter niet worden uitgesloten.
De onderzoeken bevestigen de conclusie dat mensen met COPD, die in de buurt van veehouderijen wonen, vaker en ernstiger klachten hebben dan mensen die op grotere afstand van veehouderijen wonen. Daar staat tegenover dat bij mensen die dicht bij een veehouderij wonen astma en neusallergie minder voor komen. Rondom pluimvee- en geitenhouderijen hebben mensen een grotere kans op een longontsteking. Bij pluimveehouderijen zijn er sterke aanwijzingen dat de emissie van fijnstof hierbij een belangrijke rol speelt. Uit het aanvullende VGO2-onderzoek komt niet duidelijk naar voren wat de primaire oorzaak van de luchtwegklachten rond geitenhouderijen is. Uit het aanvullende VGO3-onderzoek komt naar voren dat bij mensen die in de buurt van geitenhouderijen wonen, ook in de jaren 2014 tot en met 2016 vaker longontstekingen voor komen. Voor pluimveehouderijen kon het eerder gevonden verband tussen longontsteking en woonafstand alleen worden bevestigd voor het jaar 2014. Verder onderzoek is nodig. Uit het tweede aanvullende VGO3-onderzoek komt naar voren dat ook in de provincies Gelderland, Overijssel en Utrecht mensen een hogere kans hebben op longontsteking als zij binnen 2 kilometer van een geitenhouderij wonen. Een dergelijke associatie is in dit gebied niet gevonden voor pluimveehouderijen.
De verhoging van de kans op longontsteking is kleiner dan in Brabant en Limburg (40% grotere kans i.pv. 50-60% grotere kans op longontsteking). Het onderzoek kan vooralsnog geen oorzaak hiervoor
Datum
26 oktober 2021
Ons kenmerk
WABO-2018-385
Pagina
27 van 49
aantonen. Een verwachte oorzaak is de achtergrondconcentratie fijnstof die in Brabant en Limburg hoger is dan in de drie andere provincies. Omdat de VGO-onderzoeken de veehouderijsector als geheel betreft, kunnen er momenteel geen conclusies over een individueel bedrijf uit afgeleid worden. De onderzoeken houden immers geen rekening met de specifieke omstandigheden van/op dat bedrijf en de nabije omgeving van dat bedrijf. Ofschoon de onderzoeken wel een relatie tussen veehouderijen en gezondheid hebben aangetoond, ontbreken er vooralsnog de (wetenschappelijke) inzichten wat hiervan het oorzakelijk verband is. Niet duidelijk is wát precies de genoemde gezondheidseffecten veroorzaakt. Om meer inzicht te krijgen wat in de lucht rondom intensieve veehouderijen gebeurt, vinden momenteel diverse aanvullende onderzoeken plaats. De bevindingen en conclusies daarvan laten nog wel enige tijd op zich wachten. De resultaten van deze vervolgonderzoeken zijn van essentieel belang voor de vorming van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten en de ontwikkeling van een wettelijk en beleidsmatig toetsingskader. Vooralsnog ontbreken deze voor wat betreft het aspect gezondheid, en geven momenteel dan ook geen aanleiding om de gevraagde omgevingsvergunning milieu op grond van het voorzorgsbeginsel te moeten weigeren.
Bovenstaande laat echter onverlet, dat momenteel op bedrijfsniveau maatregelen moeten worden genomen, om de uitstoot en verspreiding van geur, fijnstof, ammoniak, endotoxinen en andere gezondheids-gerelateerde emissie zoveel als mogelijk is te reduceren. Daarvoor zijn in de voorliggende aanvraag voorzieningen en maatregelen opgenomen ter reductie van de ziektedruk voor zowel mens als dier. Het gaat hier om de volgende (aangevraagde) voorzieningen en maatregelen: -
-
-
-
Hygiëne en reinheid in en rondom het bedrijf. Binnen de inrichting is een hygiënesluis aanwezig. Bezoekers moeten voordat ze het bedrijf betreden: o zich melden; o douchen; o bedrijfskleding dragen. Het bedrijf neemt deel aan de IKB-regeling. Voor pluimveebedrijven zijn in de IKB-regeling wettelijke hygiëne-eisen opgenomen. Daarnaast zijn tal van andere maatregelen in de IKBregeling opgenomen ter bescherming van de diergezondheid en voedselveiligheid. Hierbij moet gedacht worden aan de GMP- en GVP-code. De IKB-regeling is door de voormalig Minister van EZ erkend als hygiënecode. Dit betekent dat veehouderij die deelnemen aan de IKB-regeling daarmee ook voldoen aan de wettelijke bepaling betreffende hygiëne. Het bedrijf neemt deel aan de Maatlat Duurzame Veehouderij. Een Maatlat Duurzame Veehouderij (MDV)-stal is een veestal met een lagere milieubelasting, met maatregelen voor diergezondheid en dierenwelzijn en draagt daardoor bij aan verduurzaming van de veehouderij. Een MDV-stal voldoet aan strenge duurzaamheidseisen op de thema’s: Ammoniakemissie, Bedrijf & omgeving, Brandveiligheid, Diergezondheid, Dierenwelzijn, Fijn stof en Klimaat. Hiermee treft een MDV-stal meer dan wettelijke maatregelen ten aanzien van ammoniak- en fijn stof emissie.
Met betrekking tot diergezondheid zijn de maatregelen gebaseerd op drie uitgangspunten: preventie dat ziekten het bedrijf binnenkomen, verhinderen dat een ziekte zich binnen het bedrijf verspreidt en het verbeteren van de weerstand van het dier in de stal. Denk hierbij aan een spoelplaats voor voertuigen, vuil/schone weg middels hygiënevoorziening op alle overgangen voor mens/dier en materiaal, ongediertebestrijdingsplan, hygiënesluis en mestafvoer. Het antibioticaverbruik wordt tot een minimum beperkt. Bestrijding van ongedierte waardoor de insleep van ziektebronnen binnen en buiten het bedrijf worden voorkomen. Binnen de inrichting wordt gewerkt volgens de regels van de Wet dieren, Besluit houders van dieren en Regeling houders van dieren. Deze regelgeving waarborgt het welzijn en de
Datum
26 oktober 2021
Ons kenmerk
WABO-2018-385
Pagina
28 van 49
-
gezondheid van de dieren. Zo wordt er gebruik gemaakt van bedrijfskleding voor het personeel en bezoekers en een hygiëne protocol. Verder wordt stal 6 voorzien van strooiselschuiven (BWL 2017.02, 20% emissiereductie ammoniak en 20% emissiereductie fijnstof) en E7.15, , Ionisatie d.m.v. koolstofborsteltjes (BWL 2020.03.V2, 31% emissiereductie fijnstof)
Gezien de stand van de technieken die gebruikt worden in de veehouderijsector zijn andere (aanvullende) maatregelen redelijkerwijs niet no Mede gelet op de in de aanvraag opgenomen voorzieningen en maatregelen die gezondheidsgerelateerde emissies beperken, het feit dat er specifieke gezondheidsvoorschriften voor het houden van dieren gelden, het feit dat vooralsnog algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten en wettelijke en beleidsmatig toetsingskaders voor het aspect gezondheid ontbreken, zijn er naar ons oordeel geen zodanige risico's voor de gezondheid aanwezig dat de aangevraagde omgevingsvergunning milieu om die reden zou moeten worden geweigerd. Verder hebben de volgende omstandigheden bij onze overwegingen een rol gespeeld: De aanvraag leidt tot een marginale verbetering ten opzichte van de bestaande en al eerder vergunde situatie. Zowel de ammoniak- als de fijn stofemissie neemt in de aangevraagde situatie af. Ondanks de toename aan geuremissie is er toch een kleine daling van de geurimmissie. Bekend is dat endotoxines zich aan fijn stofdeeltjes kunnen hechten. De fijn stofemissie van de aangevraagde situatie leidt tot een vermindering van de fijn stofemissie en dus ook van de mogelijke uitstoot van endotoxine.
Bovendien wordt in de bestaande situatie met betrekking tot de uitstoot van fijn stof ook al ruimschoots voldaan aan de wettelijk geldende concentratiegrenswaarden. Vooralsnog ontbreekt inzicht in welke minimale afstanden tot gevoelige objecten daarvoor zouden moeten worden aangehouden. Toetsingskaders daarvoor ontbreken vooralsnog en geven momenteel ook geen duidelijke (eensluidende) aanknopingspunten. In de onderzoeken werd een verband gevonden in ziektedruk bij de aanwezigheid van meer dan 15 veehouderijen binnen een afstand van 1 kilometer afstand tot woningen. Binnen een afstand van 1 km rondom de meest relevante gevoelige objecten zijn slechts 8 veehouderijen aanwezig. In de onderzoeken werd een verband gevonden tussen de aanwezigheid van pluimveehouderijen binnen een straal van 1,5 kilometer afstand van woningen en een licht verhoogde kans op longontsteking. Er is daarbij aangegeven dat het nog onduidelijk was of de extra longontstekingen in het onderzoeksgebied werden veroorzaakt door specifieke ziekteverwekkers die van dieren afkomstig zijn (zoönose-verwekkers), of dat mensen gevoeliger voor longontsteking worden door de blootstelling aan stoffen die veehouderijbedrijven uitstoten, zoals fijn stof, endotoxinen en ammoniak. Nagegaan is hoeveel en welke soort veehouderijen in de buurt van de omwonenden aanwezig zijn.
Binnen een straal van 1 km rondom de meest relevante gevoelige objecten zijn (excl. de aangevraagde veehouderij) 3 pluimveehouderijen en 4 andere veehouderijen gelegen. Het aandeel van de aanwezige veehouderijen op de gezondheidsrisico’s achten wij hier, mede vanwege de afstand tot de gevoelige objecten, als zeer marginaal. In de onderzoeken werd een verband gevonden tussen de aanwezigheid van geitenhouderijen binnen een straal van 2 kilometer afstand van woningen en een licht verhoogde kans op longontsteking. Er is daarbij aangegeven dat het nog onduidelijk was of de extra longontstekingen in het onderzoeksgebied werden veroorzaakt door specifieke ziekteverwekkers die van dieren afkomstig zijn (zoönose-verwekkers), of dat mensen gevoeliger voor longontsteking worden door de blootstelling aan stoffen die veehouderijbedrijven uitstoten, zoals fijn stof, endotoxinen en ammoniak. Binnen een straal van 2 km rondom de meest relevante gevoelige objecten is slechts 1 geitenhouderij gelegen. We hebben de GGD met betrekking tot de voorgenomen uitbreiding van dit bedrijf een gezondheidskundig advies gevraagd. De eindconclusie uit het advies, d.d. 6 augustus 2021 luidt als volgt
Datum
26 oktober 2021
Ons kenmerk
WABO-2018-385
Pagina
29 van 49
De GGD adviseert te vermijden dat gezondheidsrisico’s voor omwonenden groter worden. Vanuit gezondheid, omgevingsbewust handelen en zorgvuldige veehouderij bezien, is het advies van de GGD te streven naar een reductie van emissies van zowel geur, fijnstof als ammoniak. In de beoogde situatie nemen de emissies van ammoniak en fijnstof af en de emissie van geur en PM2.5 toe.
De woonkern Leveroy ligt op circa 2 kilometer en de woonkern Heythuysen op 1.2-1.4 kilometer afstand ten opzichte van bouwvlak. Het dichtstbijzijnde gevoelige object ligt op 110 meter afstand van de inrichting. Er liggen circa 30 woningen en circa 16 woningen bij agrarische bedrijven, binnen een straal van 1 kilometer rondom de inrichting. De GGD concludeert dat de voorgrondbelasting bij de geurgevoelige objecten in zowel de kernen als het buitengebied voldoen aan de gezondheidskundige advieswaarden, inde beoogde situatie. Het advies is om activiteiten te vergunnen met de verplichting om BBT, en vergaande maatregelen, toe te passen, in plaats van het vergunnen volgens milieurecht. Lokale omstandigheden kunnen ertoe leiden dat er vergaande maatregelen worden geadviseerd met betrekking tot de best mogelijk techniek ) soms gaat dit verder van de wettelijke BBTmaatregelen) om de uitstoot van emissie te reduceren. Het is belangrijk het verplicht gebruik van BBT voor geur bij vergunningverlening vast te leggen (aangevuld met bijvoorbeeld een evaluatiemoment. De GGD adviseert vanuit gezondheidskundig oogpunt voor fijnstof te streven naar een verlaging van de fijnstof concentratie. Een afname van de fijnstof belasting is een belangrijke preventieve maatregel voor vermindering van gezondheidsrisico’s.
Op het niveau van immissie adviseert de GGD de WHO advieswaarde van 20 ug/m3 te hanteren. In de beoogde situatie zijn zowel de fijnstof PM10 als PM2.5 concentratie verbeterd ten opzichte van de bestaande situatie. Gezondheidskundig gezien is het van belang om ook de ammoniakemissie zo laag mogelijk te houden. Uit de beschikbaar gestelde informatie blijkt dat de ammoniak emissie in de beoogde situatie afneemt. Uit de aanvullende VGO-studies 2 en 3 kwam voor de jaren 2006-2014 naar voren dat er voor pluimvee een statisch verband is met het voorkomen van longontstekingen (met een straal van 1 kilometer). Dit betekent dat rondom pluimveehouderijen mensen en grotere kans hebben op een longontsteking. Voor pluimveehouderijen zijn er sterke aanwijzingen dat fijnstof een componenten hiervan (o.a. endotoxinen) mensen gevoelig maken voor luchtweginfecties. Specifieke ziekteverwekkers afkomstig van dieren kunnen echter niet worden uitgesloten. Uit dit VGO3 onderzoek wordt de eerdere relatie tussen longontstekingen en pluimveehouderijen, gevonden tot een woonafstand van 1 kilometer, niet meer gezien voor de jaren 2015-2016. Dit is geen aanleiding om het huidige beleid, om emissies van fijnstof en endotoxinen te verlagen, aan te passen. Fijnstof geen ook andere gezondheidsrisico’s dan longontsteking.
De GGD is nieuwsgierig of de trend, dat er in de jaren 2015-2016 geen relatie tussen longontsteking en pluimveehouderijen wordt gevonden, de komende jaren doorzet. De GGD is van mening dat deze resultaten bij slechte of onjuiste bedrijfsvoering of afwijkingen van regelementen, makkelijk ten negatieve kunnen veranderen en kunnen leiden tot ongewenste situaties. Daarvoor is een goede borging in de vergunning of in gemeentelijk beleid noodzakelijk, zodat, indien nodig, tot controle en handhaving kan worden overgegaan. Opmerkingen:
Er is geen achtergrond geurbelasting berekening uitgevoerd . De argumentatie van de gemeente is dat de bij de aangevraagd uitgevoerde voorgrond berekening laat zien dat de immissies op de geurgevoelige objecten afneemt. Wanneer dit het geval is vraagt de gemeente geen achtergrondberekening.
Aanvullende aanbeveling zijn: Bij de aanbouw en toekomstige renovaties dient gebruik gemaakt e worden van optimale technieken om emissies en de introductie van ziekteverwekkers te minimaliseren.
Datum
26 oktober 2021
Ons kenmerk
WABO-2018-385
Pagina
30 van 49
Houd bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen voldoende afstand tussen veehouderijen onderling ter voorkoming van de verspreiding van dierziekten en zoönosen. Om de infectierisico’s voor mensen in direct contact te verminderen kunnen op twee niveaus maatregelen genomen worden, t.w.: De aanwezigheid van zoönoseverwekkers bij dieren te verminderen (vaccineren); Transmissie van dier naar mens tegengaan. Het consequent hanteren van strikte hygiënemaatregelen en het toezien op het opvolgen van die maatregelen is van belang Om de geluidproductie richting omgeving te minimaliseren is, het aan te raden de laad/losplaats voor dieren en mest op een gunstige plek te lokaliseren, afgeschermd van de openbare weg. Hierbij kan men denken aan het inpandig maken van een laad- en losplaats of deze aan de achterzijde van een bedrijf te lokaliseren. De GGD vindt een goede communicatie met en naar de omgeving belangrijk. De eventuele negatieve risicoperceptie van omwonende kan door het krijgen van goede informatie en voorlichting positief worden bijgesteld. Aanbevolen wordt dan ook hier vóór en tijdens realisatie van het bedrijf voldoende aandacht aan te besteden.
Aanvulling: In de beoogde situatie nemen de emissies van ammoniak en fijnstof af en de emissies van geur en PM 2.5 toe. De GGD concludeert dat de voorgrondbelasting bij geurgevoelige objecten in de zowel de kernen als bij 7 van de 9 locaties in het buitengebied voldoen aan de gezondheidskundige advieswaarden, in zowel de beoogde situatie. Uit de achtergrondbelasting berekening blijkt dat voor alle locaties in de woonkern wordt voldaan en voor 27 van de 218 locaties in het buitengebied niet wordt voldaan aan de gezondheidskunde advieswaarden De GGD adviseert vanuit gezondheidskundig oogpunt voor fijnstof te streven naar een zo groot mogelijke verlaging van de fijnstof concentratie. Een afname van de fijnstof belasting is een belangrijke preventieve maatregel voor vermindering van de gezondheidsrisico’s. Op het niveau van immissie adviseert de GGD de WHO advieswaarde van 20 ug/m3 te handteren. In deze situatie is de concentratie PM10 voor het overgrote deel in de grootte orde van de gezondheidskundige advieswaarde van 20 ug/m3 voor PM10. De concentratie PM2.5 ligt iets boven de gezondheidskundige adviesaarde van 10 ug/m3
Overeenkomstig het advies van de GGD stellen wij dat de aanvraag voldoet aan BBT. Verder voldoet de inrichting voor zowel op voorgrond- als op achtergrond in de beoogde situatie aan de wettelijke normen (ammoniak, geur en fijnstof). 4. Toetsing aan overige aan WABO verbonden milieucriteria 4.1 Afvalstoffen Uit de aanvraag kan worden opgemaakt dat de navolgende afvalstoffen uit de inrichting vrijkomen: - kadavers; - TL-buizen; - papier/karton; - overige afvalstoffen van huishoudelijke aard. In de vergunning zijn voorschriften opgenomen ten behoeve van de opslag, het gescheiden inzamelen en het afvoeren van afvalstoffen die in aanmerking komen voor recycling of hergebruik. Gezien de aard en omvang van de afvalstoffen die uit de inrichting vrijkomen, wordt een preventie-onderzoek in het kader van de “verruimde reikwijdte” (naar reductie en hergebruik van afvalstoffen) niet zinvol geacht. Afvalwater Binnen de inrichting vinden geen lozingen plaats waarop afdeling 2.2. van het Activiteitenbesluit van toepassing is.
Datum
26 oktober 2021
Ons kenmerk
WABO-2018-385
Pagina
31 van 49
4.2 (Externe) veiligheid Het (externe) veiligheidsbeleid is bedoeld om risico’s door de opslag en het gebruik van gevaarlijke stoffen te verminderen en te beheersen. Doel is om onder meer brand en explosies te voorkomen en de nadelige effecten daarvan voor het milieu en de omgeving zoveel mogelijk te beperken. PGS richtlijnen voor de opslag en handling van gevaarlijke stoffen en opslag in tanks Voor de opslag van gevaarlijke stoffen zijn richtlijnen opgesteld in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu wordt gerealiseerd. 4.3 Geluid De gemeente Leudal heeft een beleidsnota Gebiedsgericht geluidbeleid vastgesteld. De inrichting ligt in een agrarisch gebied. Hiervoor gelden grenswaarden van 45 dB(A)etmaalwaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ter plaatse van geluidsgevoelige objecten in het landelijk gebied. Als er geen woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen een afstand van 50 meter liggen, dan gelden de richtwaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op 50 meter. De streefwaarde voor het maximale geluidsniveau bedraagt 55 dB(A)-etmaalwaarde en de grenswaarde bedraagt 70 dB(A)etmaalwaarde. De streefwaarde voor de indirecte hinder bedraagt 50dB(A) etmaalwaarde.
De akoestische gevolgen en consequenties zijn onderzocht en zijn vastgelegd in een akoestische rapportage (rapport: 218-HAdB7-il-v4, d.d. 30 september 2020, uitgevoerd door M&A Omgeving BV). Dit rapport maakt onderdeel uit van de aanvraag. Voor de akoestisch relevante bronnen binnen de inrichting wordt verwezen naar de akoestische rapportages. Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999 (HMRI 1999). Binnen de inrichting zijn de volgende akoestisch relevante bronnen aanwezig: -
Afvoer van eieren; Lossen van kippen; Laden varkens; Lossen van voer (kip en varken); Afvoer van mest (kip en varken); Lossen propaangas; Rijbewegingen tractor; Inschuren aardappels; Droogventilatoren aardappels (intensieve droogperiode); Stalventilatie; Verkeersbewegingen personenauto’s/busjes.
De inrichtingshouder vraagt overeenkomstig artikel 12.8.van het gebiedsgericht geluidbeleid, om een afwijkende beoordelingsperiode waarbij de dagperiode om 6:00 uur begint. Voor inrichtingen gelegen in gebied Landelijk en gebied Bedrijven geldt dat, indien noodzakelijk, deze toestemming gegeven kan worden. De inrichting is in de het landelijk gebied geleden. Representatieve bedrijfssituatie Het geluid wordt beoordeeld op basis van de representatieve bedrijfssituatie. Dit is de toestand waarbij de inrichting volledig gebruik maakt van de volledige capaciteit in de betreffende beoordelingsperiode. In de representatieve bedrijfssituatie worden het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, de maximale geluidniveaus en de indirecte hinder als gevolg van het in werking zijn van de inrichting beoordeeld.
Datum
26 oktober 2021
Ons kenmerk
WABO-2018-385
Pagina
32 van 49
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau Uit de resultaten van het akoestische rapport blijkt dat in de RBS bij alle immissiepunten van woningen wordt voldaan aan gelden grenswaarden van langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. Met betrekking tot de referentiepunten op 50 meter, punten noord en oost wordt niet voldaan aan de genoemde waarden. Verzocht om een de hogere waarden ter plaatse van de betreffende 50 meter punten te vergunnen. Maatregelen om de geluidniveaus te verlagen wordt binnen BBT niet uitvoerbaar c.q. niet zinvol geacht. De activiteit zijn reeds vergund en onvermijdelijk is voor de bedrijfsvoering. Rekening houdend met de logistiek binnen de grenzen van het terrein, is het niet mogelijk om middels het kiezen van andere rijroutes of verdere geluidafscherming het maximale geluidniveau te verminderen. Maximale geluidniveau Geluiden die kortstondig optreden, de maximale geluidsniveaus (hierna: LAmax), worden in het algemeen als meer hinderlijk ervaren naarmate die verder boven de achtergrond (langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT) uitkomen.
Als streefwaarde voor maximale geluidniveaus gelden derhalve de hierboven genoemde langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus vermeerderd met 10 dB(A) met dien verstande dat deze grenswaarden overschreden mogen worden tot ten hoogste 70 / 65 / 60 dB(A) in de dag/ avond- / nachtperiode indien de overschrijding kan worden gemotiveerd en na toepassing van BBT. Laatstgenoemde waarden zijn volgens vaste jurisprudentie regelmatig als aanvaardbaar aangemerkt. Verdere maatregelen om de maximale geluidniveaus te verlagen wordt binnen BBT niet uitvoerbaar c.q. niet zinvol geacht. Ook geldt hier dat een verlaging van de maximale geluidniveaus niet mogelijk is en de activiteit reeds vergund en onvermijdelijk is voor de bedrijfsvoering. Rekening houdend met de logistiek binnen de grenzen van het terrein, is het niet mogelijk om middels het kiezen van andere rijroutes of verdere geluidafscherming het maximale geluidniveau te verminderen. Incidentele bedrijfssituatie (IBS) Uit de akoestische rapportage kan worden opgemaakt dat er sprake is van twee incidentele bedrijfssituatie (hierna: IBS). Situatie 1 betreft laden van legkippen (2 maal per jaar) en situatie 2 betreft het uitschuren van aardappels (1 maal per jaar) . Om te beoordelen of de gevraagde IBS kan worden vergund is aansluiting gezocht bij paragraaf 5.3 van de Handreiking.
Uitgangspunt is het feit dat voor IBS – die maximaal 12 maal per jaar voorkomen – hogere geluidsnormen kunnen worden opgelegd dan de geluidsnormen die zijn gesteld in de RBS. In de afwegingen kan worden betrokken: de mogelijkheid om minder ontheffingen te verlenen dan wel de duur van de ontheffingen te beperken. Ook het opleggen van maximale geluidgrenswaarden behoort tot de mogelijkheden, dit laatste is in onderhavige situatie gedaan. In de IBS kan in de dag-, avond- en nachtperiode niet op alle referentiepunten worden voldaan aan de genoemde normstellingen voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en voor het maximale geluidniveau. Gelet op het geringe aantal malen per jaar dat deze activiteiten plaatsvinden, de noodzaak van deze activiteiten voor de bedrijfsvoering, de relatief geringe overschrijding van de richtwaarde en de kosten die niet in verhouding staan tot de baten bij het treffen van maatregelen vinden wij het aanvaardbaar dat er voor deze incidentele situatie een hogere geluidnorm wordt gesteld.
Datum
26 oktober 2021
Ons kenmerk
WABO-2018-385
Pagina
33 van 49
De berekende geluidsbelasting bij de aangevraagde incidentele bedrijfsactiviteiten op de omliggende woningen is opgenomen in de voorschriften bij deze beschikking. Overeenkomstig de handreiking is in de voorschriften ook een registratie en meldingsverplichting opgenomen. 4.4 Energie In de Wabo is vastgelegd dat het bevoegd gezag bij een beslissing op de aanvraag voor een omgevingsvergunning, beoordeelt of de drijver van de inrichting de beste beschikbare technieken in de inrichting heeft toegepast. Deze technieken zijn mede nodig om energiegebruik te voorkomen of te beperken en hiermee energie te besparen. Bij het voorschrijven van energiemaatregelen weegt het bevoegd gezag de economische en technische haalbaarheid hiervan mee. Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning voorschriften verbinden met de verplichting tot het treffen van technische maatregelen. Doelmatig gebruik van energie Het bevoegd gezag verbindt aan de vergunning in ieder geval voorschriften over een doelmatig gebruik van energie. Reikwijdte Het jaarlijkse energieverbruik van de inrichting bepaalt of het bedrijf onder de werkingssfeer van de energiebesparingsverplichting valt. Inrichtingen kunnen in drie verschillende categorieën worden ingedeeld: kleingebruikers, middelgebruikers en de grootgebruikers. Volgens de aanvraag is er sprak van een grootgebruiker.
Zoals blijkt uit de aanvraag verbruikt de inrichting een relevante hoeveelheid energie met een jaarlijks energieverbruik van 110.000 kWh elektriciteit. Dit houdt in dat wordt getoetst of de inrichting de beste beschikbare technieken (BBT) toepast om tot een zuinig en verantwoord omgaan met energiegebruik te komen. Als dit niet het geval is, kan het bevoegd gezag een haalbaarheidsonderzoek naar specifieke (BBT-) maatregelen eisen. De aanvraag bevat geen energiebesparingsonderzoek. Aan de vergunning zijn daarom voorschriften verbonden, waarin van de inrichting verlangd wordt, dat het een energieplan opstelt met daarin opgenomen de te treffen rendabele energiebesparende maatregelen. Het bedrijf toont daarin aan dat alle rendabele maatregelen zijn genomen of wanneer welke maatregel wordt genomen (fasering van maatregelen). Mede op basis van algemeen beschikbare maatregellijsten / informatiebladen / databanken dient te worden vastgesteld welke rendabele energiebesparende maatregelen voor het bedrijf gelden. Het uitgangspunt hierbij is dat alle maatregelen die zich in 5 jaar of korter terugverdienen doorgevoerd moeten worden. 4.5 Grondwaterputten De inrichting is gelegen binnen het milieubeschermingsgebied Roerdalslenk, zoals bedoeld in artikel 4.1.1 eerste lid van de Omgevingsverordening Limburg 2014. De Roerdalslenk kent een viertal zones, elk met een eigen beschermingsregime.
Het grondgebied van de gemeente Leudal is geheel gelegen in zone III van de Roerdalslenk. In deze zone dienen boringen dieper dan 80 meter te worden gemeld, waarbij het verboden is dieper dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei te boren. Op grond van artikel 4.4.1 tweede lid van de Omgevingsverordening Limburg 2014 dient het voornemen tot het maken
Datum
26 oktober 2021
Ons kenmerk
WABO-2018-385
Pagina
34 van 49
van een boorput vier weken tevoren schriftelijk te worden gemeld aan gedeputeerde staten, op een door hen verstrekt formulier. 4.6 Toetsing aan overige richtlijnen, regels en wetten Het verlenen van deze vergunning houdt niet in dat hiermee is voldaan aan de bepalingen die in andere wetten en regels (zoals een besluit op basis van de Wet dieren) zijn gesteld dan wel op grond hiervan worden voorgeschreven. In sommige gevallen is ook voor deze wetten en regels een toestemming van het daarvoor betreffende bevoegde gezag nodig.
Datum
26 oktober 2021
Ons kenmerk
WABO-2018-385
Pagina
35 van 49
Bijlage: VOORSCHRIFTEN Algemeen u geeft uitvoering aan de activiteiten zoals omschreven in deze vergunning met bijlagen en de bijbehorende stukken; de vergunning met bijlagen en bijbehorende stukken zijn aanwezig bij de uitvoering van de activiteiten. Alleen de door de gemeente goedgekeurde en gewaarmerkte exemplaren zijn geldig. Bouwen (artikel 2.1.1.a Wabo): ten aanzien van de constructieve gegevens is het bouwplan op hoofdlijnen getoetst. De gedetailleerde constructieve gegevens dienen uiterlijk drie weken voor de aanvang van het desbetreffende onderdeel van het werk aan Team Vergunningen, Toezicht en Handhaving te worden overgelegd. Met de uitvoering van de desbetreffende en daarmee samenhangende onderdelen mag niet worden begonnen, voordat de constructieve tekeningen en berekeningen door Team Vergunningen, Toezicht en Handhaving zijn gezien. Het handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening (artikel 2.1.1.c Wabo): het landschappelijk inpassingsplan Aan de Bergen 7, opgesteld door Bergs Advies B.V.” d.d. 18 augustus 2021, dient te worden uitgevoerd binnen twee jaar na het onherroepelijk worden van deze omgevingsvergunning en deze dient vervolgens zowel kwalitatief als kwantitatief in stand te worden houden. De aanvullende kwaliteitsverbetering dient te worden voldaan door storting van een bedrag van € 5000,00 in het gemeentelijke Groenfonds.
Het veranderen en in werking hebben van een inrichting (artikel 2.1.1.e Wabo): 1. ALGEMEEN 1.1.
Gedragsvoorschriften
1. De inrichting moet in werking zijn volgens de bij de vergunning gewaarmerkte stukken en de daarin gehanteerde uitgangspunten, behalve als daarvan blijkens de hierna volgende voorschriften mag of moet worden afgeweken. 2. De inrichting moet schoon worden gehouden en in goede staat van onderhoud verkeren. 3. Het aantrekken van insecten, knaagdieren en ander ongedierte moet zo veel mogelijk worden voorkomen. Zo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding geven, moet bestrijding van insecten, knaagdieren en ander ongedierte plaatsvinden. 4. Installaties of onderdelen van installaties welke buiten bedrijf zijn gesteld, moeten zijn verwijderd tenzij deze in een goede staat van onderhoud verkeren. 5. In geval van een langdurige onderbreking van de werkzaamheden (langer dan 6 maanden), bij bedrijfsbeëindiging of bij een faillissement moeten alle in de inrichting aanwezige afvalstoffen c.q. gevaarlijke (afval)stoffen volgens de hierop van toepassing zijnde wet- en regelgeving worden afgevoerd. 1.2.
Terrein van de inrichting en toegankelijkheid
1. Binnen de inrichting moet een overzichtelijke en actuele plattegrond aanwezig zijn. Op deze plattegrond moeten ten minste de volgende aspecten zijn aangegeven: a. alle gebouwen en de installaties met hun functies;
Datum
26 oktober 2021
Ons kenmerk
WABO-2018-385
Pagina
36 van 49
b. alle opslagen van stoffen welke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken met vermelding van aard en maximale hoeveelheid. 2. Gebouwen, installaties en opslagvoorzieningen moeten altijd goed bereikbaar zijn voor alle voertuigen die in geval van calamiteiten toegang tot de inrichting/installatie moeten hebben. Binnen of nabij de installaties mogen geen andere goederen of stoffen worden opgeslagen dan die welke voor het proces nodig zijn of daardoor zijn verkregen, met uitzondering van brandbestrijdingsmiddelen. 3. De in de inrichting aangebrachte of gebruikte verlichting moet zodanig zijn afgeschermd dat geen directe lichtstraling buiten de inrichting waarneembaar is. 1.3.
Meldingen onderhoudswerkzaamheden
1. Onderhoudswerkzaamheden, waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat deze buiten de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, dan wel dat hiervan in de omgeving meer nadelige gevolgen voor het milieu worden ondervonden dan uit de normale bedrijfsvoering voortvloeit moeten ten minste 7 dagen voor de aanvang van de uitvoering aan het bevoegd gezag worden gemeld. 2. Indien uit de inhoud van keurings- en inspectierapporten blijkt dat gevaar voor verontreiniging dreigt, moet direct het bevoegd gezag daarvan in kennis worden gesteld. 3. Indien zich binnen de inrichting een ongewoon voorval voordoet als bedoeld in artikel 17.1 Wet milieubeheer dient hiervan conform artikel 17.2 Wet milieubeheer zo spoedig mogelijk mededeling te worden gedaan aan de gemeente Leudal. In aanvulling op het bepaalde in artikel 17.2 Wet milieubeheer dient de vergunninghouder deze mededeling onverwijld schriftelijk te bevestigen. 1.4.
Registratie
1. Tijdens het in bedrijf zijn van de inrichting moet personeel aanwezig zijn dat voor controle- en registratiewerkzaamheden is geïnstrueerd. 2. Binnen de inrichting is een exemplaar van deze vergunning (inclusief aanvraag) met bijbehorende voorschriften aanwezig. Verder zijn binnen de inrichting de volgende documenten aanwezig: 3. alle overige voor de inrichting geldende milieuvergunningen en meldingen; 4. de veiligheidsinformatiebladen die behoren bij de in de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen; 5. de bewijzen, resultaten en/of bevindingen van de in deze vergunning voorgeschreven inspecties, onderzoeken, keuringen, onderhoud en/of metingen; 6. de registratie van het jaarlijks elektriciteit-, water- en gasverbruik. 7. De documenten genoemd in voorschrift 1.4.2 moeten ten minste vijf jaar worden bewaard. 8. Klachten van derden en de actie die door de vergunninghouder is ondernomen om de bron van de klachten te onderzoeken en eventueel weg te nemen, moeten worden geregistreerd.
Datum
26 oktober 2021
Ons kenmerk
WABO-2018-385
Pagina
37 van 49
2. HET HOUDEN VAN DIEREN 2.1.
Algemeen
1. In de inrichting mogen ten hoogste de volgende aantallen dieren op het aangegeven huisvestingssysteem aanwezig zijn: Stal
Diercategorie/ huisvestigingssysteem
5
legkippen en (groot-) ouderdieren van legrassen, volièrehuisvesting, minimaal 50% van de leefruimte is rooster met daaronder een mestband. Mestbanden minimaal eenmaal per week afdraaien. Roosters minimaal in twee etages (E2.11.1 – BWL2004.09) legkippen en (groot-) ouderdieren van legrassen, volièrehuisvesting, 45–55% van de leefruimte roosters met daaronder een mestband met beluchting. Mestbanden minimaal tweemaal per week afdraaien. Roosters minimaal in twee etages, beluchtingcapaciteit minimaal 0,2 m³ per dier per uur (E2.11.2.1 – BWL 2004.10), additionele technieken voor emissiereductie van fijn stof en ammoniak, strooiselschuif bij volièrehuisvesting, 20% emissiereductie ammoniak en fijnstof (E7.10 – BWL2017.02), additionele technieken voor emissiereductie van fijn stof positieve ionisatie d.m.v koolstofborsteltjes; 31% fijnstofemissiereductie (E7.15 – BWL2020.03)
6
8
2
Legkippen en (groot-) ouderdieren van legrassen, volièrehuisvesting, beluchtingcapaciteit minimaal 0,2 m³ per dier per uur (E2.11.2.1 – BWL2004.10) vleesvarkens, opfokberen van circa 25 kg tot 7 maanden, opfokzeugen van circa 25 kg tot eerste dekking, overige huisvestingssystemen (D3.100)
Aantal dieren 10.500
17.000
18.000
160
2. Het aantal aanwezige dieren per diersoort wordt ten minste één keer per maand geregistreerd, waarbij de perioden tussen de registraties van een vergelijkbare tijdsduur zijn. De registraties zijn binnen de inrichting aanwezig en worden gedurende tien jaren bewaard. 2.2.
Huisvestingsystemen
1. Alle maatregelen en voorzieningen die een doelmatige werking van het huisvestingssystemen waarborgen moeten worden getroffen. Het gaat hier ten minste om de maatregelen en voorzieningen die zijn genoemd in de bij dit systeem behorende systeembeschrijving: a. BWL2004.09 (stal 5) b. BWL2004.10, BWL2017.02 en BWL2020.03 (stal 6) c. BWL2004.10 (stal 8). 2. De huisvestingsystemen dienen altijd te voldoen aan de laatste versie van de unieke stalbeschrijvingen, volgens de geldende Regeling ammoniak en veehouderij. 3. De stallen moet overeenkomstig de bij de vergunning behorende tekening(en) en bijlage(n) worden uitgevoerd, tenzij anders in de voorschriften staat aangegeven.
Datum
26 oktober 2021
Ons kenmerk
WABO-2018-385
Pagina
38 van 49
2.3.
Kadaverkoeling/kadaveraanbiedvoorziening
1. Kadavers worden aangeboden in een kadaverkoeling met geïsoleerde stalen wanden, vloer en dak. Behalve tijdens het ledigen moet de kadaver aanbiedvoorziening gesloten worden gehouden. 2. Het reinigen en ontsmetten van de kadaver aanbiedvoorziening moet zodanig plaatsvinden dat smetstof en afvalwater niet in de bodem kunnen dringen. 3. Een kadaver aanbiedvoorziening moet zodanig zijn geconstrueerd dat bij gebruik iedere mogelijkheid tot verspreiding van smetstof en afvalwater naar de omgeving in alle redelijkheid is uitgesloten. 4. De kadaver aanbiedvoorziening, moet vloeistofkerend zijn en moet bestand zijn tegen de inwerking van het toe te passen reinigings- of ontsmettingsmiddel. 5. Een kadaver aanbiedvoorziening moet zijn voorzien van een opvangbak zodat uittredend vocht de omgeving niet kan verontreinigen. Het ledigen van de opvangbak mag alleen boven de reinigings- en ontsmettingsplaats voor veewagens. 2.4.
Hygiënemaatregelen dierenverblijven
1. De vergunninghouder instrueert en informeert bezoekers en (tijdelijk) werkzame personen over de maatregelen en voorzieningen met betrekking tot het toepassen van de diersector-specifieke hygiëne- en preventiemaatregelen (o.a. met aandacht voor reiniging en desinfectie, mestafvoer, plaagdierenbestrijding, etc.). 2.5.
Gezondheid
2. Teneinde zoönosen te weren om ziektedruk en de uitbraak van ziekten te voorkomen, moeten de volgende maatregelen in ieder geval te worden getroffen: a. strikte hygiëne tijdens de ronden, wat betekent: afgesloten terrein, geen toegang voor bezoekers in de stallen, bedrijfseigen kleding en schoeisel, wasgelegenheid om daarmee ziekte insleep te voorkomen; b. zorg voor goede klimatologische omstandigheden tijdens de ronde; c. grondige reiniging en ontsmetting van de stallen na de ronde; d. uitvoeren van verplichte entingen tegen pluimvee- en varkensziekten waarbij eenmaal per ronde de dierenarts een bloedonderzoek ter controle zal verrichten; e. het jaarlijks maken van hygiënogrammen en jaarlijks een IKB (Integrale ketenbewaking) controle door een gecertificeerde instantie waarbij het gehele productieproces wordt gecontroleerd; f. stal 6 wordt voorzien van strooiselschuiven en ionisatie overeenkomstig voorschrift 2.2.1 g. elke ronde Salmonellaonderzoek en tweemaal per jaar Campylobacterieonderzoek; h. bij het bulken van het voer wordt het stof opgevangen in een stofzak; i. adequate ongediertebestrijding waaronder Tempexkeverbestrijding. 3. De in het document ‘bijlage aanvraag omgevingsvergunning, d.d. aangegeven maatregelen ter preventie en vermindering van de risico’s voor de volksgezondheid, moeten blijvend en doelmatig binnen de inrichting zijn toegepast.
Van daarvoor vereiste inspecties, registraties en deskundigheid, moeten bewijsstukken binnen de inrichting aanwezig zijn. 2.6.
Reinigings- en ontsmettingsplaats voor veewagens
1. Het inwendig reinigen van veewagens moet plaatsvinden op een reinigingsontsmettingsplaats die vloeistofkerend is en afwaterend is aangelegd naar een of meer opslagputten. Het reinigen en ontsmetten van voertuigen moet op zodanige wijze plaatsvinden dat het verontreinigde water wordt opgevangen (opstaande randen aan
Datum
26 oktober 2021
Ons kenmerk
WABO-2018-385
Pagina
39 van 49
een drietal zijden dan wel een gelijkwaardige voorziening) zodat het reinigingswater en ontsmettingsvloeistoffen niet in de bodem terecht kunnen komen. 2. Een reinigings- en ontsmettingsplaats moeten bestand zijn tegen de inwerking van het toe te passen reinigings- en/of ontsmettingsmiddel. 3. De reinigings- en ontsmettingsplaats voor veewagens moet zodanig zijn gelegen dat ten gevolge van aan- en afvoerbeweging, verwaaiing van waswater etc. geen hinder voor derden optreedt. 4. Waswater moet, alvorens het wordt geloosd op (een) daarvoor bestemde put(ten), door een slibvangput worden geleidt. De slibvangput moet, zo vaak als voor een goede werking noodzakelijk is, worden gereinigd. Behoudens tijdens het wassen van veewagens, mag een daarvoor bestemde afsluiter worden omgezet om lozing van niet verontreinigd hemelwater op het oppervlaktewater mogelijk te maken. 3. OPSLAG DIERGENEESMIDDELEN 3.1.
Algemeen
1. Diergeneesmiddelen moeten worden bewaard boven een daartoe bestemde lekbak in een afgesloten goed geventileerde ruimte. 2. Boven de lekbak voor de diergeneesmiddelen mogen geen andere stoffen worden opgeslagen. 4. OPSLAG REINIGINGSMIDDELEN 4.1.
Algemeen
1. Reinigingsmiddelen moeten worden bewaard boven een daartoe bestemde lekbak in een afgesloten goed geventileerde ruimte. 2. Boven de lekbak voor de reinigingsmiddelen mogen geen andere stoffen worden opgeslagen. 5. NOODSTROOMAGGREGAAT 5.1.
Algemeen
1. In geval van uitval van de normale elektriciteitsvoorziening moet voldoende noodstroom zijn gewaarborgd. Hiermee moeten ten minste de onderstaande werkzaamheden en activiteiten kunnen worden uitgevoerd: a. het op een veilige wijze stoppen van de diverse processen en alle daaruit voortvloeiende werkzaamheden; b. alle activiteiten welke nodig zijn voor de bestrijding van en de hulpverlening bij calamiteiten of bijzondere omstandigheden. Op de noodstroomvoorziening moeten ten minste de stalventilatoren zijn aangesloten. 2. Een noodstroomaggregaat moet zodanig zijn afgesteld en worden onderhouden dat een nagenoeg rookloze verbranding wordt verkregen. 3. Een noodstroomaggregaat mag uitsluitend worden beproefd tussen 7.00 en 19.00 uur. 4. In een ruimte waarin een noodstroomaggregaat staat opgesteld, mogen geen werkzaamheden anders dan ten behoeve van controle en onderhoud van het noodstroomaggregaat worden verricht. 5. Een noodstroomaggregaat moet zodanig zijn opgesteld dat geen gevaar voor brand bestaat. Een noodstroomaggregaat, al dan niet met bijbehorende brandstoftank, moet op doelmatige wijze tegen mechanische beschadiging en handelingen van onbevoegden zijn beschermd.
Datum
26 oktober 2021
Ons kenmerk
WABO-2018-385
Pagina
40 van 49
6. In de ruimte waarin een noodstroomaggregaat is opgesteld moet een doelmatige ventilatie aanwezig zijn. 7. De uitmonding van de afvoerleiding voor verbrandingsgassen moet zodanig in de buitenlucht zijn gesitueerd dat door deze gassen buiten de inrichting geen hinder wordt veroorzaakt. 8. Het in werking hebben van een noodstroomaggregaat en het vullen en legen van een noodstroomaggregaat met vloeibare brandstof vindt plaats boven een bodembeschermende voorziening. 6. AFVALSTOFFEN 6.1.
Afvalscheiding
1. Vergunninghouder is verplicht de volgende afvalstromen te scheiden, gescheiden te houden en gescheiden aan te bieden dan wel zelf af te voeren: a. Kadavers b. TL-buizen; c. Papier en karton; d. Metalen: e. Overige afvalstoffen van huishoudelijke aard. 2. Gebruikte poetsdoeken, absorptiematerialen en overige gevaarlijke afvalstoffen die vrijkomen bij onderhoudswerkzaamheden en bij het verwijderen van gemorste dieselolie, smeerolie en hydraulische olie, moeten worden bewaard in vloeistofdichte en afgesloten emballage die bestand is tegen inwerking van de betreffende afvalstoffen. 6.2.
Opslag van afvalstoffen
1. De op- en overslag en het transport van afvalstoffen moeten zodanig plaatsvinden dat zich geen afval in of buiten de inrichting kan verspreiden. Mocht onverhoopt toch verontreiniging van het openbaar terrein rond de inrichting plaatsvinden, dan moeten direct maatregelen worden getroffen om deze verontreiniging te verwijderen. 2. Afvalstoffen moeten zodanig gescheiden van elkaar worden opgeslagen dat de verschillende soorten afvalstoffen ten opzichte van elkaar geen reactiviteit kunnen veroorzaken. 3. In de inrichting mag niet meer dan 100 kg/l gevaarlijke afvalstoffen worden bewaard. 4. De verpakking van gevaarlijk afval moet zodanig zijn dat: a. niets van de inhoud uit de verpakking kan ontsnappen; b. het materiaal van de verpakking niet door gevaarlijke stoffen kan worden aangetast, dan wel met die gevaarlijke stoffen een reactie kan aangaan dan wel een verbinding kan vormen; c. deze tegen normale behandeling bestand is; d. deze is voorzien van een etiket, waarop de gevaar aspecten van de gevaarlijke stof duidelijk tot uiting komen. 5. Vloeibare afvalstoffen in emballage moeten zijn geplaatst op een vloeistofdichte vloer of in een vloeistofdichte lekbak in het bebouwde deel van de inrichting. 6. Een vloeistofdichte lekbak moet, indien het (licht) ontvlambare vloeistoffen betreft, de gehele inhoud van de totale hoeveelheid opgeslagen vloeistoffen kunnen bevatten.
In de overige gevallen moet de bak een inhoud hebben van ten minste de grootste verpakkingseenheid vermeerderd met 10% van de inhoud van de overige emballage. 7. Boven een vloeistofdichte lekbak met vloeibare afvalstoffen in emballage moet, indien deze buiten het bebouwde deel van de inrichting ligt, een afdak aanwezig zijn. Het afdak moet zo groot zijn dat regenwater niet binnen de vloeistofdichte lekbak kan komen. 8. Vloeibare afvalstoffen in emballage moeten worden bewaard op een vloeistofdichte vloer. De vloer moet zijn omgeven door een vloeistofdichte omwalling, een
Datum
26 oktober 2021
Ons kenmerk
WABO-2018-385
Pagina
41 van 49
gotensysteem of een gelijkwaardige constructie van een zodanige capaciteit, dat ten minste de gemiddelde neerslaghoeveelheid van twee maanden binnen deze constructie kan worden opgevangen. Het verzamelde water moet tijdig worden afgevoerd. 9. Verontreinigde emballage moet worden behandeld als gevulde emballage. Voor de bepaling van de opvangcapaciteit van een vloeistofdichte bak hoeft de opslagcapaciteit van de verontreinigde emballage niet meegerekend te worden. 10. Het vervoer van het afval van de plaats van ontstaan/verzamelen in de inrichting naar de afvalcontainer(s) moet zodanig plaatsvinden, dat zich geen afval in de omgeving kan verspreiden. 11. Gemorste vaste gevaarlijke afvalstoffen moeten direct worden opgeruimd en opgeslagen in een daarvoor bestemde container van doelmatig materiaal of in daarvoor bestemde doelmatige emballage. 12. In de inrichting moet nabij de opslag van (vloeibaar) gevaarlijk afval, voor de aard van de opgeslagen stoffen geschikt materiaal aanwezig zijn om gemorste of gelekte stoffen te neutraliseren, indien nodig te absorberen en op te nemen. 13. Gemorste gevaarlijke afvalstoffen moeten zo nodig worden geneutraliseerd. Zij moeten onmiddellijk worden opgenomen en behandeld als omschreven in het hoofdstuk gevaarlijke stoffen.