Ontwerpomgevingsvergunning
Tekst van het document
ONTWERP OMGEVINGSVERGUNNING En besluit op aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.beoordeling Beschikking van burgemeester en wethouders van Leudal op de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, de herbouw van een stal en een revisievergunning. Naam aanvrager:
Maatschap Nouwen-Nouwen-Wilmsen
Adres aanvrager:
Aan de Bergen 4 6093 NX Heythuysen
Ontvangen op:
18 januari 2019
Adres activiteit(en): Kadastrale gemeente:
Aan de Bergen 7 in Heythuysen Heythuysen, sectie L, nr. 436
Registratienummer OLO:
4126083
Dossiernummer:
WABO-2018-385
Naast deze aanvraag is op 21 mei 2021 ook een mededeling ontvangen dat de initiatiefnemer voornemens is een vormvrije m.e.r.-beoordeling plichtige activiteit uit te gaan voeren.
Besluit op mededeling vormvrije m.e.r.-beoordeling plichtige activiteiten Uit de inhoudelijke beoordeling blijkt dat er voor de voorgenomen activiteiten geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn. Gelet op artikel 7.17, lid 1 en artikel 7.19, lid 1 van de Wet milieubeheer (Wm) besluiten wij daarom dat het opstellen van een milieueffectrapport (MER) niet noodzakelijk is bij de voorbereiding van deze aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu en de activiteit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan.
Beschikking Wij besluiten de gevraagde omgevingsvergunning onder de genoemde voorschriften te verlenen. Hierbij hebben wij de overwegingen gemaakt zoals opgesomd in de bijlage ‘overwegingen’. De door ons bijgevoegde en gewaarmerkte documenten maken deel uit van deze omgevingsvergunning. Dit besluit nemen wij op basis van de paragrafen 2.1 en 2.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De volgende onderdelen maken deel uit van deze ontwerpvergunning: 1. Voorschriften; 2. A-aanvraagformulier omgevingsvergunning, d.d. 18 januari 2019; 3. A6-machtiging getekend, d.d. 21 mei 2021; 4. A6-rap-eindcontrole asbest, d.d. 21 mei 2021; 5. A6-Wnb beschikking 2016 provincie, d.d. 21 mei 2021; 6. A6-quickscan flora en fauna, d.d. 21 mei 2021; 7. A6-rap-vooronderzoek bodem, d.d. 21 mei 2021; 8. A6-sortimentslijst 2020, d.d. 21 mei 2021; 9. A6-statische berekening, d.d. 21 mei 2021;
Datum
26 oktober 2021
Ons kenmerk
WABO-2018-385
Pagina
2 van 49
10. A6-tek-staaloverzicht stramien A tm S en details-M19-054_V2 blad-2_2 20190329, d.d. 21 mei 2021; 11. A6-tek-staaloverzicht kapplan en stramien 1 tm 4-M19-054_V2 blad-2_1 20190329, d.d. 21 mei 2021; 12. A6-tek-fundering-M19-054_V2 blad-1 20190329, d.d. 21 mei 2021; 13. A6-rap-akoestisch onderzoek industrielawaai, d.d. 21 mei 2021; 14. A6-AERIUS_bijlage-Wnb vs NS 6okt2020, d.d. 21 mei 2021; 15. A6-AERIUS_bijlage OBM vs NS WAV gebied 6okt2020, d.d. 21 mei 2021; 16. A6-ruimtelijke onderbouwing V6, d.d. 14 oktober 2021; 17. A6-tek-bestek-gevels-plattegrond-doorsnede-A-A-details-4823-5-15-12-2020V3, d.d. 21 mei 2021; 18. A6-tek-bestek-fundering-kapplan-4823-6-15-12-2020V2, d.d. 21 mei 2021; 19. A6-tek-doorsnedes-situatie-4823-3-milieuvergunning-08-03-2021V8, d.d. 21 mei 2021; 20. A6-AERIUS_bijlage_Wnb vs NS buitenl gebieden, d.d. 21 mei 2021; 21. A6-aanmeldingsnotitie V4, d.d. 21 mei 2021; 22. A8-bijlage Aanmeldingsnotitie V5, d.d. 18 augustus 2021; 23. A8-bijlage aanvraag OV, d.d. 18 augustus 2021; 24. A6-dialoog buren 2019 en 2021, d.d. 21 mei 2021; 25. LIP en compensatie Aan de Bergen 7, d.d. 18-08-2021
Activiteiten: Deze omgevingsvergunning betreft de activiteiten:
het bouwen van een bouwwerk (artikel 2.1.1.a Wabo); het het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan (artikel 2.1.1.c Wabo); het veranderen van een inrichting (artikel 2.6 Wabo);
Procedure De omgevingsvergunning is met de uitgebreide procedure voorbereid zoals omschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Zienswijzen Iedereen kan tegen de ontwerpvergunning met ingang van de datum van de terinzagelegging gedurende 6 weken een zienswijze indienen bij het college van burgemeester en wethouders, postbus 3008, 6093 ZG Heythuysen. Een zienswijze kan ook mondeling worden ingebracht. Daarvoor dient een afspraak te worden gemaakt. Alle ingediende zienswijzen wegen mee bij de definitieve besluitvorming op de aanvraag.
Datum
26 oktober 2021
Ons kenmerk
WABO-2018-385
Pagina
3 van 49
Ondertekening De bevoegdheid tot het nemen van dit besluit is geregeld in het Mandaat-, volmacht- en machtigingsbesluit gemeente Leudal, vastgesteld bij besluit van 23 maart 2021. Heythuysen, ……………………………. 2021
Hoogachtend, BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN LEUDAL De secretaris, De burgemeester,
mr. drs. J.J.Th.L. Geraedts
D.H. Schmalschläger
Bijlagen: procedureel; overwegingen; voorschriften; zienswijzen en standpunten; informatie over beroep raadsbesluit d.d. 28 september 2021 tot verlening van een ontwerpverklaring van geen bedenkingen.
Datum
26 oktober 2021
Ons kenmerk
WABO-2018-385
Pagina
4 van 49
Bijlage: PROCEDUREEL Bevoegd gezag Wij zijn het bevoegd gezag om de omgevingsvergunning te verlenen. Dit maken wij op uit bovenstaande projectbeschrijving en uit het bepaalde in hoofdstuk 3 van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Ontvankelijkheid Na ontvangst van de aanvraag hebben wij deze aan de hand van het Besluit omgevingsrecht (Bor) en de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor) getoetst op ontvankelijkheid. Daarbij is gebleken dat een aantal gegevens ontbrak. Desgevraagd hebben wij meerdere malen aanvullende gegevens ontvangen. Wij zijn nu van oordeel dat de aanvraag inclusief de aangevulde gegevens ontvankelijk is. Conform artikel 3.10 lid 1 onder c Wabo vindt de behandeling van de aanvraag plaats volgens paragraaf 3.3 Wabo in combinatie met afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betreft de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Adviezen Uw aanvraag is (op grond van artikel 2.26 Wabo en de artikelen 6.1 tot en met 6.4 van het Bor) voor advies doorgestuurd aan de volgende instanties/bestuursorganen: Provincie Limburg, in het kader van het vooroverleg op grond van art.
3.1.1 Bro; Kwaliteitscommissie Weert, Nederweert en Leudal Naar aanleiding hiervan hebben wij de volgende adviezen ontvangen: De Provincie Limburg heeft op 17 augustus 2021 kenbaar gemaakt dat het plan geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen; De Kwaliteitscommissie Weert, Nederweert en Leudal heeft op 2 mei 2019 ingestemd met de voorgestelde landschappelijke inpassing. Ten aanzien van de voorgestelde aanvullende kwaliteitsverbetering is negatief geadviseerd. In overleg met de gemeente is ervoor gekozen om als aanvullende kwaliteitsverbetering een bijdrage in het gemeentelijk groenfonds te storten van € 5.000,00.
Verklaring van geen bedenkingen Op grond van artikel 2.27 Wabo wijst het Bor of een bijzondere wet categorieën van gevallen aan waarvoor geldt, dat een omgevingsvergunning niet wordt verleend, dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. In artikel 5.6, lid 1 Bor is bepaald dat een omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, niet wordt verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft. Ingevolge lid 3 van genoemd artikel 5.6, lid 1 Bor kan de gemeenteraad categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist. Bij besluit van 25 september 2018 heeft de gemeenteraad van Leudal categorieën van gevallen aangewezen, waarin een verklaring van geen bedenkingen niet is vereist. Uw (bouw)plan valt niet onder een van de in dit raadsbesluit genoemde categorieën. Dit betekent dat de gevraagde omgevingsvergunning uitsluitend kan worden verleend nadat de gemeenteraad de vereiste verklaring van geen bedenkingen heeft afgegeven.
Bij besluit van 28 september 2021 heeft de raad voor uw plan een ontwerp verklaring van geen bedenkingen afgegeven zoals bedoeld in artikel 2.27 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, in samenhang met artikel 6.5 Besluit omgevingsrecht.
Datum
26 oktober 2021
Ons kenmerk
WABO-2018-385
Pagina
5 van 49
Zienswijzen Vanaf PM tot en met PM heeft het ontwerpbesluit van deze vergunning, samen met de ontwerp verklaring van de gemeenteraad, ter inzage gelegen en is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen tegen beide ontwerp besluiten. Van deze gelegenheid is (geen) gebruik gemaakt. Wet natuurbescherming (Wnb) Wij hebben uw aanvraag of verzoek beoordeeld op de uitstoot van stikstofdepositie. De plannen van de aanvrager kunnen nadelige gevolgen hebben voor natuurgebieden die vallen onder de Wet natuurbescherming (Wnb). Ammoniak Op 8 december 2016 is voor de inrichting een Wnb-vergunning verleend (zaaknummer: 2016600719). Bij de aanvraag zijn overzichten gevoegd die zijn gemaakt met de Aerius Calculator. Met deze berekeningen is aangetoond dat de aangevraagde situatie per saldo niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie. Voor deze verandering hoeft naar het oordeel van de Afdeling van 20 januari 2021 (201907146/1/R2) op grond van de Wnb geen vergunning worden aangevraagd. Als gevolg van de voorgenomen veranderingen neemt de totale ammoniakemissie af van 3.450,0 kg/jaar naar 3.163,00 kg/jaar. Bescherming van soorten Als gevolg van de aangevraagde activiteiten kunnen door Wnb beschermde plant- of diersoorten in het geding raken.
De Wnb verbiedt het verrichten van handelingen die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantensoorten zonder ontheffing van de bevoegde provincie. Uit de aanvraag blijken de gevolgen van de voorgenomen activiteiten op de dier- en plantsoorten in de omgeving. Dier- en plantensoorten die door de Wnb worden beschermd zijn niet in het geding. Een ontheffing of vergunning in gevolge de Wnb is daarom niet nodig. Activiteitenbesluit In het Activiteitenbesluit zijn voor verschillende activiteiten die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden algemene voorschriften opgenomen. Met het Activiteitenbesluit wordt de vergunningplicht vanwege het onderdeel milieu voor de meeste inrichtingen opgeheven. De vergunningaanvraag heeft betrekking op een inrichting waartoe een IPPC- installatie behoort. De inrichting wordt dan ook aangemerkt als een type C inrichting. De inrichting is daarmee vergunningsplichtig met dien verstande dat een aantal voorschriften uit het Activiteitenbesluit rechtstreeks, dus zonder dat deze in deze vergunning expliciet zijn opgenomen, mogelijk van toepassing zijn. Voor zover dit het geval is, is dit elders in deze beschikking (onder § 3.3 bij overwegingen milieu) aangegeven. Op grond van artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit dient de wijziging van de inrichting te worden gemeld. De informatie uit de aanvraag hebben wij aangemerkt als de melding.
Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) Hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) behandelt het milieueffectrapport (MER). De Wm maakt onderscheid tussen activiteiten waarbij het opstellen van een MER verplicht is (m.e.r.plicht) en activiteiten waarbij het bevoegd gezag moet beoordelen of een MER nodig is (m.e.r.beoordelingsplicht). Het gaat bij veehouderijen volgens het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) dan om activiteiten in de vorm van het oprichten, wijzigen of uitbreiden van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren. In de bijlage bij het Besluit m.e.r. ligt in de vorm van een drempelwaarde per diercategorie vast wanneer voor een initiatief de m.e.r.-plicht (onderdeel C van de bijlage) of de m.e.r.-beoordelingsplicht (onderdeel D van de bijlage) geldt. Bij de voorliggende aanvraag blijkt dan de volgende situatie:
Datum
26 oktober 2021
Ons kenmerk
WABO-2018-385
Pagina
6 van 49
diercategorie mestvarkens (D.3) zeugen (D.1.2, D.1.3 en D.3) hennen (E.1 en E.2) pluimvee (E, F, G en J)
drempelwaarde onderdeel C > 3.000 dieren > 900 dieren > 60.000 dieren geen
drempelwaarde onderdeel D > 2.000 dieren > 750 dieren > 40.000 dieren > 40.000 dieren
voorgenomen wijziging / uitbreiding 0 dieren 0 dieren 17.000 dieren 17.000 dieren
De op 1 januari 2021 in werking getreden verzamelwet IenW 2019 maakt het mogelijk om een aanmeldnotitie vormvrije mer-beoordeling gelijktijdig met een vergunningsaanvraag in te dienen. De m.e.r.-beoordeling vindt in dit geval tegelijk plaats met de beoordeling van de aanvraag van de activiteit. De aanvraag resulteert in een onderschrijding van de drempelwaarde van zowel onderdeel C als onderdeel D van het Besluit m.e.r. Er geldt dus geen m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht. Het Besluit m.e.r. maakt voor een dergelijk scenario beide drempelwaarden indicatief en roept een indirecte m.e.r.-beoordelingsplicht in het leven. Dat betekent dat wij gehouden zijn te beoordelen of een MER nodig is als op grond van de selectiecriteria uit bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn niet kan worden uitgesloten dat de aangevraagde activiteiten nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De selectiecriteria betreffen: 1. de kenmerken van het project, 2. de locatie van het project en 3. de kenmerken van de potentiële gevolgen. In het hoofdstuk overwegingen wordt de vormvrije mer-beoordeling apart beoordeeld. Richtlijn industriële emissies Vanaf 1 januari 2013 is de Europese richtlijn industriële emissies (RIE) in de Nederlandse milieuwetgeving geïmplementeerd (richtlijn 2010/75/EU, PbEU L334).
De RIE geeft milieueisen voor de installaties die genoemd staan in de bij de richtlijn horende bijlage I. Wanneer een installatie daar genoemd is, spreken we van een IPPC-installatie. Binnen de inrichting waar deze beschikking betrekking op heeft, bevinden zich één of meer IPPC-installaties. Het gaat hier om: Intensieve pluimvee- of varkenshouderij met meer dan 40.000 (categorie 6.6.a bij > 40.000 pluimvee). In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast. Bij het bepalen van wat BBT is voor een IPPC-installatie, moeten wij rekening houden met Europese referentiedocumenten (BREF-documenten). Deze documenten geven een overzicht van de beschikbare milieutechnieken en wijzen de technieken aan die de beste milieuprestaties leveren en daarnaast economisch en technisch haalbaar zijn. Deze aanwijzingen worden BBTconclusies genoemd. De procedure tot vaststelling en bekendmaking van BBT-conclusies vindt op Europees niveau plaats.
Deze BBT-conclusies worden via internet bekend gemaakt, totdat deze zijn vervangen door actuele conclusies. Voor de nieuwe BBT-conclusies zorgt de Europese Commissie zelf voor publicatie op internet.
Datum
26 oktober 2021
Ons kenmerk
WABO-2018-385
Pagina
7 van 49
Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies. Op grond van bijlage 1 van de Regeling omgevingsrecht moet voor het bepalen van BBT voor de installaties en processen binnen de inrichting aanvullend een toetsing plaatsvinden aan relevante aangewezen informatiedocumenten over BBT. Uit jurisprudentie met betrekking tot het bepalen van BBT bij het toetsten aan BBT-conclusies bij vergunningverlening, is gebleken dat het bevoegd gezag bij het toetsten aan BBT-conclusies de actualiteit hiervan moet nagaan ten aanzien van de ontwikkelingen van BBT, die sinds het vaststellen van de BBT-conclusies hebben plaatsgevonden. Op 15 februari 2017 zijn door de Commissie de meest actuele BBT-conclusies voor de intensieve pluimvee- en varkenshouderij vastgesteld.
Bij het nemen van deze beschikking hebben wij rekening gehouden met de volgende BBTconclusies: Categorie in bijlage 1 RIE BBT-conclusies Andere relevante BBThoofdactiviteit conclusies / BREF’s 6.6.a Intensieve pluimvee- of BBT-conclusies voor de BREF op- en overslag varkenshouderij met meer Intensieve pluimvee- en bulkgoederen (BREF ESB) dan 40.000 plaatsen voor varkenshouderij BREF Energie-efficiëntie pluimvee Naast de BBT-conclusies hebben wij rekening gehouden met de volgende in de bijlage bij de Mor aangewezen informatiedocumenten over beste beschikbare technieken:
Nederlandse richtlijn bodembescherming (NRB), maart 2012; BBT-conclusies intensieve pluimvee- en varkenshouderij; BREF op- en overslag bulkgoederen (BREF ESB); BREF Energie-efficiëntie; Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij, juni 2007; Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15: Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen, september 2016.
Voor een verdere beschouwing van de beste beschikbare technieken, verwijzen wij naar de afzonderlijke toetsing aan de relevante milieucompartimenten. BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij De BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij bevatten de volgende aspecten: Milieubeheerssystemen Een milieubeheerssysteem heeft tot doel om de algehele milieuprestaties van de veehouderij te verbeteren. Het gaat dan onder meer om het opstellen van een milieubeleid, de planning, vaststelling en uitvoering van procedures en het controleren van de prestaties en het nemen van corrigerende maatregelen. Dit aspect vertaalt zich in de zin van een verplichte boekhouding, waarin onder meer water- en energieverbruik, hoeveelheid veevoer en de hoeveelheid afval en meststoffen worden bijgehouden. Verder kennen ook stalsystemen hun eigen monitoringsverplichting zoals omschreven in de bijbehorende technische fiche (BWL). Hiervoor gelden de registratievoorschriften zoals deze zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit (voor zover dit van toepassing is) en in deze vergunning. Met betrekking tot de meststoffen gaat het hier om de voorwaarden die zijn opgenomen in het mestbeleid. Goede bedrijfspraktijken Dit aspect vertaalt zich in noodplannen, voorlichting en opleiding van personeel en het onderhouden van installaties.
Hiervoor gelden de voorschriften zoals deze zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit (voor zover dit van toepassing is) en in deze vergunning. Daarnaast zijn
Datum
26 oktober 2021
Ons kenmerk
WABO-2018-385
Pagina
8 van 49
hiervoor regels opgenomen in de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet). Dit geldt voor de voorlichting en opleiding van personeel en het onderhoud van gereedschap, machines en installaties (arbeidsmiddelen). Om veilig en gezond te kunnen werken dienen arbeidsmiddelen in goede staat te verkeren en op de juiste wijze te worden gebruikt. Voor specifieke installaties zijn controlevoorschriften opgenomen in het Activiteitenbesluit (voor zover dit van toepassing is) en deze vergunning. Een ander onderdeel van een goede bedrijfspraktijk is het zodanig situeren van activiteiten om overlast naar de omgeving te beperken. Dit vindt zijn uitwerking in de verschillende toetsingskaders die in deze beoordeling zijn behandeld. Verder gaat het om het zodanig opslaan van dode dieren dat emissies worden voorkomen of verminderd. De regels voor het opslaan en afvoeren van dode dieren (kadavers) staan in de Regeling dierlijke producten. In de omgevingsvergunning is geen verdere toets nodig. Voedingsbeheer De uitstoot van mineralen uit mest, waar dit aspect betrekking op heeft, is geïmplementeerd in het mestbeleid en behoeft in de omgevingsvergunning geen verdere toets. Efficiënt gebruik van water / emissies uit afvalwater In de BBT-conclusies worden een aantal waterbesparende maatregelen beschreven.
Het gaat hierbij om gebruik van hogedrukreinigers welke zuiniger zijn bij het schoonspuiten van stallen, het ijken, controleren en onderhouden van drinkwaterinstallatie en het bijhouden van het waterverbruik. Hiervoor gelden de voorschriften zoals deze zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit. Verder wordt voor het waterverbruik en de besparende maatregelen verwezen naar de toetsing zoals elders in de beoordeling van de aanvraag is opgenomen. Voor het uitrijden van afvalwater gelden eveneens de voorschriften uit het Activiteitenbesluit en voor het lozen van afvalwater met meststoffen geldt het Besluit gebruik meststoffen. Efficiënt gebruik van energie In de BBT-conclusies worden enkele aspecten als isolatiewaarden in stallen, ventilatiewijzen en verlichting beschreven. Voor het energieverbruik en de besparende maatregelen wordt verder verwezen naar de toetsing zoals elders in de beoordeling van deze aanvraag is opgenomen. Huisvestingssystemen In de BBT-conclusies zijn, voor wat betreft de diercategorieën waarvoor voldoende bewezen technieken zijn ontwikkeld, huisvestingssystemen beschreven welke voldoen aan het criterium van BBT. De passende maatregelen tegen verontreiniging zijn voor de vergunninghouder hierbij niet alleen op het gebruik van de stallen van toepassing, maar ook op de kosten, bouwwijze, ontwerp, onderhoud en ontmanteling ervan.
Hierbij spelen de emissies van ammoniak, geur, stof en geluid een rol, maar ook het energieverbruik en het afvalwater zijn afwegingscriteria. In onderhavige situatie worden de dierverblijven van de leghennen voorzien van emissiearme huisvesting- en stalsystemen. Uit de beoordeling hierna onder het kopje ‘Beste beschikbare technieken (BBT) en maximale ammoniakemissiewaarde’ (opgenomen in § 3.4.2 Ammoniak) en ‘Toetsing aan Besluit emissiearme huisvesting’ (opgenomen in § 3.4.3 Luchtkwaliteit) blijkt dat de toegepaste emissiearme (huisvestings)systemen voldoen aan het criterium dat het toepassen van de BBT vereist. Opslag van varkens- en pluimveemest Voor de opslag van mest wordt onderscheid gemaakt in vaste en vloeibare mest (drijfmest). Voor de vloeibare mest geldt dat deze in een afgedekte opslag moet worden bewaard (bijv. mestbassin of mestkelder). Voor de vaste mestopslagen geldt dat deze op een dichte vloer moet worden opgeslagen met afdekking dan wel percolaatopvang. Waar van toepassing gelden de voorschriften zoals deze zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit of deze vergunning.
Datum
26 oktober 2021
Ons kenmerk
WABO-2018-385
Pagina
9 van 49
Het uitrijden van varkens- en pluimveemest Zoals bij de voerstrategieën is aangegeven, heeft dit aspect betrekking op het mestbeleid en behoeft in de omgevingsvergunning geen verdere toets. Het uitrijden van mest is een aspect dat buiten de inrichting plaatsvindt.
Emissies Voor wat betreft de emissies (ammoniak, geur, zwevende deeltjes (stof) en geluid) wordt hier volstaan met een verwijzing naar de volgende hoofdstukken waarin dit is beschouwd. BREF op- en overslag bulkgoederen (BREF ESB) De BREF ESB is van toepassing op de opslag, het transport en de verlading van vloeistoffen, vloeibare gassen en vaste stoffen bij IPPC-installaties onafhankelijk van de sector of industrie. Deze horizontale BREF gaat in op de emissies naar de lucht, bodem, water, waarbij de meeste aandacht uitgaat naar de emissies naar de lucht. De informatie met betrekking tot emissies van de opslag, handling en transport van vaste stoffen is gericht op stof. In de categorie specifieke BREF’s (primaire BREF’s) zijn ook technieken opgenomen voor op- en overslag. Die technieken zijn dan specifiek voor die branche. De specifieke maatregelen (de primaire BREF’s) verdienen de voorkeur boven de generieke maatregelen uit de horizontale BREF’s). Zo zijn in de (BREF IV) specifieke maatregelen opgenomen voor de opslag van dierlijke mest. Voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en de opslag van vloeistoffen en gassen in opslagtanks zijn voorwaarden gesteld in de PGS-richtlijnen. Deze zijn van toepassing op basis van de algemeen werkende regels in het Activiteitenbesluit of op basis van de voorschriften die in deze vergunning zijn gesteld.
De technische en organisatorische maatregelen uit de BREF ESB zijn verwerkt in deze Nederlandse BBT-documenten. De eisen aan emissies naar de lucht uit deze BREF zijn opgenomen in afdeling 2.3 van het Activiteitenbesluit. Deze regels hebben een rechtstreekse werking. Voor de aangevraagde activiteiten en daarbij behorende voorzieningen zijn, rekening houden met de in dit besluit opgenomen voorschriften, in overeenstemming met de in de BREF ESB genoemde best beschikbare technieken. De maatregelen staan in een redelijke verhouding tot de schaal van de installatie. BREF Energie-efficiëntie De BREF Energie-efficiency is van toepassing is op alle RIE-inrichtingen, behalve degenen die vallen onder het systeem van Emissiehandel. Deze BREF bevat derhalve richtsnoeren en conclusies inzake technieken voor energie-efficiëntie die voor alle onder de RIE vallende installaties in het algemeen als BAT-compatibel worden beschouwd. Deze BREF: • bevat geen specifieke informatie over processen en activiteiten in sectoren die onder andere BREF-documenten vallen; • stelt geen sectorspecifieke BBT vast. Proces-specifieke BAT voor energie-efficiëntie en daarmee samenhangende energieverbruiksniveaus worden in de desbetreffende verticale sectorspecifieke BREFdocumenten gegeven.
Voor het energieverbruik en de besparende maatregelen wordt verder verwezen naar de toetsing zoals elders in de beoordeling van de aanvraag is opgenomen. Hieruit volgt dat de aangevraagde en vergunde activiteiten met de in dit besluit opgenomen voorschriften in overeenstemming zijn met de BREF Energie-efficiëntie.
Datum
26 oktober 2021
Ons kenmerk
WABO-2018-385
Pagina
10 van 49
Bijlage: OVERWEGINGEN BOUWEN De overwegingen die aan het besluit ten grondslag liggen leest u hieronder. Het bouwen van een bouwwerk (artikel 2.1.1.a Wabo): Welstand De commissie ruimtelijke kwaliteit heeft op 18 april 2019 een positief advies uitgebracht over het plan. Het plan voldoet aan de criteria van de welstandsnota Leudal en voldoet hiermee aan redelijke eisen van welstand. Wij nemen het advies van de commissie over. Bouwbesluit en Bouwverordening Met uw aanvraag is voldoende aannemelijk gemaakt dat het plan voldoet aan het Bouwbesluit 2012 en aan de gemeentelijke Bouwverordening.
Bijlage: OVERWEGINGEN VORMVRIJE MER-BEOORDELING Vormvrije m.e.r.-beoordeling plichtige activiteit De aanvraag resulteert in een onderschrijding van de drempelwaarde van zowel onderdeel C als onderdeel D van het Besluit m.e.r. Er geldt dus geen m.e.r.-plicht of directe m.e.r.beoordelingsplicht. Het Besluit m.e.r. maakt voor een dergelijk scenario beide drempelwaarden indicatief en roept een indirecte m.e.r.-beoordelingsplicht in het leven. Dat betekent dat wij gehouden zijn te beoordelen of een MER nodig is als op grond van de selectiecriteria uit bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn niet kan worden uitgesloten dat de aangevraagde activiteiten nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De selectiecriteria betreffen: 1. de kenmerken van het project, 2. de locatie van het project en 3. de kenmerken van de potentiële gevolgen. Kenmerken en locatie van het project De kenmerken en de locatie van de voorgenomen activiteiten blijken voldoende duidelijk uit de aanvraag met bijlagen. In aanvulling daarop stellen we vast dat de veehouderij is gelegen buiten de bebouwde kom van de meest dichtbijgelegen kern Heythuysen in het buitengebied van de gemeente Leudal. De omgeving heeft voornamelijk een agrarisch karakter. Wij concluderen dat de aangevraagde activiteiten passen bij de functie die het gebied vervult.
Potentiële gevolgen Verderop in het besluit gaan wij in op de gevolgen van de aangevraagde activiteiten voor het milieu. Voor zover wij vanuit de MER-richtlijn in aanvulling hierop de cumulatieve effecten en effecten voor specifieke gebieden dienen te beoordelen, stellen wij vast dat het bij de veehouderijsector vooral gaat om de gevolgen van de uitstoot van ammoniak, geur en fijnstof. Onderstaand gaan wij nader in op deze aspecten. Potentiële gevolgen voor het milieu Ammoniak Bij de aanvraag zijn overzichten gevoegd die zijn gemaakt met de Aerius Calculator. De aangevraagde situatie voorziet in een afname van ammoniakdepositie (neerslag). De nadelige gevolgen voor het milieu blijven per saldo dus gelijk of nemen af en geeft ons dan ook geen reden een MER te laten opstellen. Onder deze omstandigheden zien wij wat betreft ammoniak geen aanleiding tot het laten opstellen van een MER.
Datum
26 oktober 2021
Ons kenmerk
WABO-2018-385
Pagina
11 van 49
Geur Het aspect geur valt uiteen in twee onderdelen: de voorgrondbelasting en de achtergrondbelasting. De voorgrondbelasting is de geurhinder die het gevolg is van alleen de aangevraagde activiteiten op omliggende geurgevoelige objecten. Dit onderdeel van het aspect geur behandelen wij verderop (zie: Overwegingen ten aanzien van milieugevolgen, geur). In het licht van de MER gaat het op deze plaats om de achtergrondbelasting. Dit betreft de geurhinder als gevolg van de aangevraagde activiteiten bovenop de al aanwezige geurhinder als gevolg van andere activiteiten in de omgeving, ook wel de cumulatieve geurhinder. De geurbelasting als gevolg van de aangevraagde activiteiten voldoet ter plaatse van geurgevoelige objecten op de voorgrond in alle gevallen aan de normering die is vastgelegd in de Verordening geurhinder en veehouderij. De onderbouwing van de in de verordening opgenomen geurnormen is te vinden in de Verordening geurhinder en veehouderij 2017 gemeente Leudal (publicatie 14 februari 2017). In de hoogte van deze geurnormen is rekening gehouden met de in de gebiedsvisie berekende cumulatieve geurbelasting van alle veehouderijen samen. De aangevraagde activiteiten hebben betrekking op het toevoegen van dieren. Ook neemt de geuremissie toe ten opzichte van de vergunde situatie. Bij de aanvraag is een berekening uit het model V-Stacks gebied gevoegd.
Dit model is bedoeld om de achtergrondbelasting inzichtelijk te maken. De berekening laat zien dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende geurgevoelige objecten niet verslechtert of binnen de gestelde normen blijft. De gevolgen van de aangevraagde activiteiten voor de achtergrondbelasting geven ons geen aanleiding een m.e.r.-procedure te laten starten. Fijnstof Vooruitlopend op de behandeling van het aspect fijnstof verderop (Overwegingen ten aanzien van milieugevolgen, Fijnstof) concluderen wij op deze plaats dat de wettelijke grenswaarden voor fijnstof als gevolg van de aangevraagde activiteiten niet worden overschreden. De toetsingssystematiek voor fijnstof is opgenomen in hoofdstuk 5 Wm en de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. Deze systematiek voorziet in het gebruik van gegevens die kengetallen bevatten over de kwaliteit van de lokale omgeving ten aanzien van fijnstof. In deze kengetallen zijn alle bronnen van fijnstof in de nabije omgeving opgenomen. Toetsing van de aangevraagde activiteiten aan de wettelijke grenswaarden geeft dus inzicht in de emissie van fijnstof door alle bekende bronnen in de omgeving, inclusief de aangevraagde activiteiten. De gevolgen van de aangevraagde activiteiten voor de omgeving zijn op deze manier voldoende in kaart gebracht.
Nu de aanvraag niet resulteert in een overschrijding van de wettelijke grenswaarden is een MER niet nodig. Overige kenmerken en gevolgen De aangevraagde activiteiten hebben ook gevolgen voor geluid, bodem, afvalstoffen, water en energie. De initiatiefnemer treft volgens de aanvraag voldoende maatregelen om gevaar, schade of hinder voor de omgeving te voorkomen dan wel te beperken tot het wettelijk toegestane niveau. Wij zien geen reden om vanwege een van deze aspecten een MER te laten opstellen. Potentiële ruimtelijke gevolgen Ruimtebeslag Het huidige bouwvlak van het bedrijf heeft een oppervlakte van ca. 13.000 m2. Omdat de nieuwe stal groter wordt dat de vorige stal en vanwege de vereiste afstanden tot de overige bebouwing, worden de grenzen van het bouwvlak overschreden met ca. 1.440 m2. Hiervoor wordt een procedure gevolgd op grond van artikel 2.12, lid 1a, onder 3 van de Wabo.
Datum
26 oktober 2021
Ons kenmerk
WABO-2018-385
Pagina
12 van 49
Afstand van de activiteiten tot gevoelige objecten Voor onderhavig initiatief geldt op basis van de VNG-lijst een richtafstand van 200 meter, waarbij het aspect geur maatgevend is. De afstand tot het dichtstbijzijnde gevoelig object bedraagt circa 70 meter. Het gaat daarbij om de woning op de locatie Aan de Bergen 11. Uit de berekeningen kan worden geconcludeerd dat in vergelijking met de vergunde situatie de geuremissie zal toenemen. Ondanks deze toename zal in de beoogde situatie aan de geldende normstellingen worden voldaan in zowel het buitengebied als de kern. Ook wordt voldaan aan de vaste afstanden die voor dit initiatief gelden. De hoogte van de achtergrondbelasting blijft acceptabel. Afstand tot gevoelige gebieden De Wet ammoniak en veehouderij (WAV) bevat regels met betrekking tot de ammoniakemissie uit dierverblijven. Deze regels dienen ter bescherming van de zeer kwetsbare gebieden tegen de effecten van ammoniakdepositie. De wet geeft regels voor veehouderijen gelegen in zo’n zeer kwetsbaar gebied of in een zone van 250 meter daaromheen. Het bedrijf ligt binnen een zone van 250 meter van een zeer kwetsbaar gebied op basis van de WAV. De effecten van de stikstofdepositie van het project op de zeer kwetsbare gebieden zijn zichtbaar gemaakt in een AERIUS verschilberekening. De stikstofdepositie neemt af t.o.v. de vigerende situatie.
De verschilberekening is toegevoegd in de bijlage. Voor dit aspect zien wij geen aanleiding tot het laten opstellen van een MER. Fijnstof Geconcludeerd kan worden dat de fijnstofbelasting van de beoogde situatie op de omliggende functies acceptabel is en fijn stof vormt geen belemmering voor het initiatief. Wet natuurbescherming Hieruit blijkt dat er geen stikstofdepositie toename plaatsvind op de Natura 2000 gebieden. Tijdens de aanlegfase zullen geen hogere emissies optreden dan vergund. De stikstofdepositie op de natuurgebieden Leudal, Sarsven en de Banen, Groote Peel, Swalmdal en Grensmaas neemt af. Wat betreft ammoniak zien wij geen aanleiding tot het laten opstellen van een MER. Natuur en landschap Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en toekomstig te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland. De locatie Aan de Bergen 7 in Heythuysen ligt binnen de zone Buitengebied en is gelegen op een afstand van circa 60 meter van goudgroene en bronsgroene natuur. De ontwikkeling betreft de bouw van een nieuwe pluimveestal en werktuigenberging. De stal wordt niet in of tegen de goudgroene natuurzone gebouwd. Het planvoornemen heeft dan ook geen gevolgen voor het areaal van de goud- of zilvergroene natuurzone.
Het Natuurnetwerk Nederland vormt derhalve op dit thema geen belemmering voor het onderhavig project. Verkeer Het bedrijf is gelegen op de locatie Aan de Bergen 7. Aan de Bergen is een erftoegangsweg die bedoeld is om de aanliggende bedrijven, agrarische gronden en woningen te ontsluiten. Rondom Aan de Bergen liggen enkele agrarische bedrijven en woningen. Het planvoornemen heeft een beperkte verkeersaantrekkende werking. In de huidige situatie zijn er maar een beperkt aantal verkeersbewegingen op Aan de Bergen 7. Het extra verkeer dat als gevolg van het planvoornemen gebruik zal maken van Aan de Bergen beperkt zich tot een toename aan vrachtverkeer ten behoeve van de afvoer van mest vanwege de beperkte stijging van dierenaantallen. Voor de aan- en/of afvoer van voer, leghennen en eieren wordt uitgegaan van een efficiëntere belading waarbij geen extra vrachtverkeer nodig is. De kleine toename van het vrachtverkeer is van zeer beperkte omvang en heeft geen negatieve gevolgen voor de verkeersafwikkeling of ontsluiting. Op het bedrijf is voldoende ruimte voor vrachtverkeer om te
Datum
26 oktober 2021
Ons kenmerk
WABO-2018-385
Pagina
13 van 49
kunnen parkeren, manoeuvreren en te laden en lossen. Het planvoornemen heeft geen extra bewegingen van personenvervoer tot gevolgd. Geconcludeerd kan worden dat het planvoornemen geen negatieve invloed heeft op de verkeersveiligheid of verkeersafwikkeling ter plaatse. Daarom wordt geen reden gezien om hiervoor een MER te laten opstellen Overige kenmerken en gevolgen De aangevraagde activiteiten hebben ook gevolgen voor geluid, bodem, afvalstoffen, water en energie. De initiatiefnemer treft volgens de aanvraag voldoende maatregelen om gevaar, schade of hinder voor de omgeving te voorkomen dan wel te beperken tot het wettelijk toegestane niveau. Wij zien geen reden om vanwege een van deze aspecten een MER te laten opstellen.
Datum
26 oktober 2021
Ons kenmerk
WABO-2018-385
Pagina
14 van 49
Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening (artikel 2.1.1.c Wabo): Bestemmingsplan Het plan is gesitueerd in het bestemmingsplan “Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016”. Het perceel heeft de bestemming “Agrarisch met waarden-2”, de dubbelbestemming “Waarde-Archeologie 5” (deels) met functieaanduiding intensieve veehouderij en gebiedsaanduiding milieuzone-boringsvrije zone. Het plan is in strijd met artikel(en) 5.2.1 onder a van het bestemmingsplan omdat buiten het huidige bouwvlak wordt gebouwd. Afwijking ex artikel 2.12, lid 1a, 3° Wabo (uitgebreide buitenplanse afwijkingsbesluit) Artikel 2.12, lid 1a, sub 3 van de Wabo geeft ons de mogelijkheid van het bestemmingsplan af te wijken indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Voor deze aanvraag is een goede ruimtelijke onderbouwing aangeleverd. Deze is geregistreerd onder IDN: NL.IMRO.1640.OV21HyAandebergen7-ON01, welke tevens als bijlage bij dit besluit is gevoegd en geacht wordt onderdeel uit te maken dit besluit. Hiermee kunnen wij met toepassing van artikel 2.12, lid 1, 3° van de Wabo voor uw activiteit afwijken van het bestemmingsplan.
Het veranderen en in werking hebben van een inrichting (artikel 2.1.1.e en 2.6 Wabo): 1. Algemeen Algemeen De aanvraag heeft betrekking op een revisievergunning (incl. verandering) voor een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, lid 1 aanhef en onder e en artikel 2.6, lid 1 van de Wabo. De Wabo legt in artikel 2.14 het milieuhygiënische toetsingskader van de aanvraag vast. Een toetsing aan deze aspecten heeft plaatsgevonden Wij beperken ons in het navolgende tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed zijn. Huidige vergunningssituatie Ten behoeve van deze inrichting is op 20 februari 2017 een melding activiteitenbesluit met omgevingsvergunning beperkte milieutoets verleend. In tabel 1a is het aantal dieren, de ammoniak-, geur- en fijnstofemissie weergegeven waarvoor vergunning is verleend en wat rechtsgeldig is. Het maximale aantal te houden dieren is gelijk aan het aantal dierplaatsen.
Datum
26 oktober 2021
Ons kenmerk
WABO-2018-385
Pagina
15 van 49
Tabel 1a: Huidige vergunde situatie Ammoniakemissiea)
Stal
Diercategorie
Huisvesting s-systeem E 2.11.1 BWL 2004.09.v1 1
5
Legkippe n
E 2.11.1 BWL 2004.09.v1 Legkippe n
6
1
E 2.11.2.1 BWL 2004.10.v3 Legkippe n Vleesvark ens
8 2
2
D 3.100 3
Aantal dieren
Fijnstofemissiec)
Totale ammoniak emissie (kg/jaar)
emissiefactor geur (OUE/s)
Totale geur emissie (OUE/s)
emissie factor fijnstof (gr/jr)
Totale fijnstofemissie (kg/jaar)
0,090
945
0,34
3.570
65.00
682.50
0,090
1035
0,34
3.910
65.00
747.50
0,055
990
0,34
6.120
65.00
1170.00
480
23,00
3.680
153.00
10.50 0
11.50 0
18.00 0
160
3,000
40.16 0
Totaal
Geuremissieb)
emissiefactor Ammoniak (kg/jaar)
3.450
17.280
24.48 2.624,48
a) Uitgaande van de Regeling ammoniak en veehouderij gepubliceerd d.d. 01-06-2021 b) Uitgaande van de Regeling geurhinder en veehouderij gepubliceerd d.d. 21-06-2021 c) Uitgaande van de emissiefactoren fijnstof voor de veehouderij zoals deze zijn gepubliceerd op www.rijksoverheid.nl d.d. maart 2021 1.
2. 3.
E 2.11.1- Legkippen en (groot-) ouderdieren van legrassen, volièrehuisvesting, minimaal 50% van de leefruimte is rooster met daaronder een mestband. Mestbanden minimaal eenmaal per week afdraaien. Roosters minimaal in twee etages (BWL 2004.09.v1) E 2.11.2.1 - Legkippen en (groot-) ouderdieren van legrassen, volièrehuisvesting, beluchtingscapaciteit minimaal 0,2 m³ per dier per uur ( BWL 2004.10.v3) D 3.100 - Vleesvarkens, opfokberen van circa 25 kg tot 7 maanden, opfokzeugen van circa 25 kg tot eerste dekking, overige huisvestingssystemen
Aangevraagde situatie Stal 6 wordt emissiearm herbouwd met een overdekte uitloop. Het ventilatiesysteem van stal 5 wordt gewijzigd. Stallen 2 en 8 blijven ongewijzigd. Verder wordt er een nieuwe werktuigenberging gerealiseerd. De mestkelders van stallen 1 en 4 zijn buiten gebruik genomen en aan de bovenkant dicht. Ook de koelcellen zijn niet meer in gebruik. Het aantal dieren waarvoor vergunning wordt gevraagd en de ammoniak-, geur- en fijnstofemissie zijn in tabel 1b weergegeven. Het maximale aantal te houden dieren is gelijk aan het aantal dierplaatsen. Tabel 1b: Aangevraagde situatie Ammoniakemissiea)
Stal 5
Diercategorie Legkippe n
6
Legkippe n
Huisvestingssysteem E 2.11.1 BWL 2004.09.v1 1 E2.11.2.1 BWL 2004.10.v3 + E 7.10 - BWL 2017.02 +
Geuremissieb)
Totale ammoniak emissie (kg/jaar)
emissiefactor geur (OUE/s)
Fijnstofemissiec)
Totale geur emissie (OUE/s)
emissie factor fijnstof (gr/jr)
Totale fijnstofemissie (kg/jaar)
Aantal dieren
emissie-factor Ammoniak (kg/jaar)
10.500
0,090
945
0,34
3570
65,00
682,5
17.000
0,044
748
0,34
5780
35,75
607,8
Datum
26 oktober 2021
Ons kenmerk
WABO-2018-385
Pagina
16 van 49
E7.15 BWL2020.03 8
2
Legkippe n Vleesvar kens Totaal
E 2.11.2.1 BWL 2004.10.v3 2 D 3.100 3
18.000
0,055
990
0,34
6120
65,00
1170,0
160
3,000
480
23,00
3680
153,00
24,5
45.660
3.163
19.150
2.484,7
a) Uitgaande van de Regeling ammoniak en veehouderij gepubliceerd d.d. 01-06-2021 b) Uitgaande van de Regeling geurhinder en veehouderij gepubliceerd d.d. 21-06-2021 c) Uitgaande van de emissiefactoren fijnstof voor de veehouderij zoals deze zijn gepubliceerd op www.rijksoverheid.nl d.d. maart 2021 1 - E 2.11.1, BWL 2004.09.v1 - Legkippen en (groot-) ouderdieren van legrassen, volièrehuisvesting, minimaal 50% van de leefruimte is rooster met daaronder een mestband. Mestbanden minimaal eenmaal per week afdraaien. Roosters minimaal in twee etages; 2 - E 2.11.2.1, BWL 2004.10.v3 - Legkippen en (groot-) ouderdieren van legrassen, volièrehuisvesting, 45– 55% van de leefruimte roosters met daaronder een mestband met beluchting. Mestbanden minimaal tweemaal per week afdraaien. Roosters minimaal in twee etages, beluchtingscapaciteit minimaal 0,2 m³ per dier per uur; 3 - D 3.100 - vleesvarkens, opfokberen van circa 25 kg tot 7 maanden, opfokzeugen van circa 25 kg tot eerste dekking, overige huisvestingssystemen; 4- E 2.11.2.1, BWL 2004.10.v3, legkippen en (groot-) ouderdieren van legrassen, volièrehuisvesting, 45– 55% van de leefruimte roosters met daaronder een mestband met beluchting. Mestbanden minimaal tweemaal per week afdraaien.
Roosters minimaal in twee etages, beluchtingscapaciteit minimaal 0,2 m³ per dier per uur en E7.10, BWL 2017.02, strooiselschuif bij volièrehuisvesting; 20% emissiereductie ammoniak en 20% emissiereductie fijnstof en E7.15, BWL 2020.03.V2, Ionisatie d.m.v. koolstofborsteltjes; 31% emissiereductie fijnstof.
2. Activiteitenbesluit Binnen de inrichting vindt een aantal activiteiten plaats waarvoor het Activiteitenbesluit en de bijbehorende ministeriële regeling direct werkende regels stelt. Het gaat hier, in hoofdzaak, om de onderstaande activiteiten, welke in hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit zijn opgenomen. -
Lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening (§ 3.1.3); Het uitwendig wassen en stallen van motorvoertuigen, werktuigen of spoorvoertuigen (§ 3.3.2 met de bijbehorende ministeriële regeling); Opslaan van propaan (§ 3.4.1 met de bijbehorende ministeriële regeling); Opslaan en overslaan van goederen (§ 3.4.3 met de bijbehorende ministeriële regeling); Opslaan van agrarische bedrijfsstoffen (§ 3.4.5 met de bijbehorende ministeriële regeling); Opslaan van drijfmest en digestaat (§ 3.4.6 met de bijbehorende ministeriële regeling); Houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven (§ 3.5.8 met de bijbehorende ministeriële regeling), m.u.v. de artikelen 3.113 t/m artikel 3.121.
Wij merken op dat deze activiteiten moeten plaatsvinden overeenkomstig de voorschriften uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling milieubeheer. Vanwege de rechtstreekse werking van dit besluit en de bijbehorende ministeriële regeling kunnen in deze vergunning geen voorschriften worden opgenomen die betrekking hebben op de daarin geregelde activiteiten en aspecten, tenzij dit besluit of bijbehorende regeling de mogelijkheid biedt tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Wij zien geen aanleiding om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betekent dat de betreffende paragrafen uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling milieubeheer geraadpleegd moeten worden om te zien welke regels hierop van toepassing zijn. Op de activiteiten die verricht worden binnen de inrichting waarop hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit van toepassing is, zijn ook afdeling 2.1 “Zorgplicht”, afdeling 2.2 “Lozingen” en afdeling 2.3 “Lucht” van het Activiteitenbesluit rechtstreeks van toepassing. Op alle activiteiten die verricht worden binnen de inrichting is ook afdeling 2.4 “Bodem” van het
Datum
26 oktober 2021
Ons kenmerk
WABO-2018-385
Pagina
17 van 49
Activiteitenbesluit rechtstreeks van toepassing, met uitzondering van artikel 2.11, eerste lid. In deze vergunning zijn met betrekking tot de zorgplicht, lozingen, lucht en bodem voor deze activiteiten geen (aanvullende) voorschriften gesteld. Dit betekent dat de betreffende afdelingen uit het Activiteitenbesluit geraadpleegd moeten worden om te zien welke regels hierop van toepassing zijn. Ook is hoofdstuk 6 “Overgangs- en slotbepalingen” van het Activiteitenbesluit rechtstreeks van toepassing.
Datum
26 oktober 2021
Ons kenmerk
WABO-2018-385
Pagina
18 van 49
3. Toetsing aan milieucriteria aangaande agrarische bedrijven 3.1 Geur Geur dierenverblijven De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het exclusieve toetsingskader voor geurbelasting, als gevolg van de dierenverblijven, op gevoelige objecten. Artikel 3, lid 1 van de Wgv bevat geurnormen voor gevoelige objecten binnen en buiten de bebouwde kom in een concentratiegebied (de gemeente Leudal is gelegen in het concentratiegebied zuid). Voor de bebouwde kom geldt een norm van 3 OUE/m³ en voor het buitengebied geldt een norm van 14 OUE/m³. De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) schrijft voor dat de geurbelasting berekend moet worden met het model V-Stacks vergunning. In afwijking van deze systematiek bepaalt artikel 3, lid 2 van de Wgv dat voor een gevoelig object dat deel uitmaakt van een andere veehouderij, of sinds 19 maart 2000 geen deel meer uitmaakt van een andere veehouderij, een minimale afstand geldt. De afstand wordt gemeten vanaf het dichtst bij het gevoelig object gelegen emissiepunt en bedraagt 100 meter binnen de bebouwde kom en 50 meter buiten de bebouwde kom Op grond van artikel 6, lid 1 van de Wgv kan bij gemeentelijke verordening worden bepaald dat andere normen van toepassing zijn dan de normen uit artikel 3, lid 1 van de Wgv.
De gemeenteraad van Leudal heeft op 14 februari 2017 de ‘Verordening geurhinder en veehouderij 2017 gemeente Leudal (hierna de verordening) vastgesteld, zoals bedoeld in dit artikel. De verordening is op 18 februari 2017 in werking getreden. De verordening geldt voor het grondgebied van de gemeente Leudal. Op grond van de verordening is voor een aantal gebieden nabij onderstaande inrichting een afwijkende norm opgenomen. Het betreft de volgende gebieden: Tabel 2a: Geurnormen relevante gebieden volgens verordening Naam gebied geurnorm (ouE/m3) Zorginitiatief Hornerheide 3 Kernrandzone 6 Buitengebied 10 Industrieterreinen buiten de kernen en 10 grootschalige recreatieterreinen Bij de aanvraag is een berekening gevoegd van de geuremissie (Bijlage Aanvraag OV, hoofdstuk 4 Geur). Met behulp van het programma V-stacks vergunning, versie 2020, is een berekening gemaakt van de geurbelasting op de in de directe omgeving gelegen geurgevoelige objecten. De uitkomsten hiervan zijn weergegeven in de volgende tabel: Tabel 2b: Geurbelasting geurgevoelige objecten
geurgevoelig object
Aan de Bergen 10 Aan de Bergen 11 Aan de Bergen 12 Aan de Bergens 1 Aan de Bergen 2 Aan de Bergen 3 In t Veld 14 (Heythuysen)
bebouwde kom
(voormalig) onderdeel andere veehouderij
geurnorm Wgv/geurverordening (ouE/m3)
Geurbelasting voornemen (ouE/m3)
Afstandnorm Wgv (m)
nee nee nee nee nee nee
nee nee nee nee nee nee
5,2 8,6 2,9 1,1 1,3 1,9
n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t.
ja
nee
10 10 10 10 10 10 3
voldo et aan afsta ndsnorm n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t.
0,2
n.v.t.
n.v.t.
Datum
26 oktober 2021
Ons kenmerk
WABO-2018-385
Pagina
19 van 49
Beukenlaan 14 (Leveroy) Heide 5 Heide 4 Heide 2
ja
nee
nee nee nee
nee nee nee
3 10 10 10
0,1
n.v.t.
n.v.t.
0,7 0,8 0,9
n.v.t. n.v.t. n.v.t.
n.v.t. n.v.t. n.v.t.
Wij stellen vast dat de Wgv verlening van de aangevraagde vergunning niet in de weg staat. In aanvulling op het hiervoor behandelde toetsingskader volgt uit artikel 5, lid 1 van de Wgv een norm voor de afstand van de buitenzijde van het dichtstbijzijnde dierenverblijf tot de buitenzijde van een gevoelig object. De minimale afstand is 25 meter als het gevoelig object buiten de bebouwde kom ligt en 50 meter als het gevoelig object binnen de bebouwde kom ligt. De afstandsnormen uit artikel 5, lid 1 van de Wgv wijken af van de andere afstandsnormen uit de Wgv, omdat deze uitgaan van de afstand van het dichtstbijzijnde emissiepunt van de veehouderij tot de buitenzijde van een geurgevoelig object. Artikel 5, lid 1 van de Wgv bevat dus een aanvullende afstandseis waaraan ook moet worden voldaan. Uit de aanvraag blijkt dat in de aangevraagde situatie voldaan wordt aan de hiervoor genoemde afstanden. Artikel 5, lid 1 van de Wgv staat verlening van de aangevraagde vergunning niet in de weg.
3.2 Ammoniak Algemeen De ammoniakemissie vanuit de veehouderij wordt beoordeeld op de volgende onderdelen: Wet ammoniak en veehouderij (Wav), ligging ten opzichte van zeer kwetsbare gebieden; Besluit emissearme huisvesting voor landbouwhuisdieren (Besluit emissiearme huisvesting), beste beschikbare technieken (BBT) en maximale ammoniakemissiewaarden; technische kenmerken en de geografische ligging van de installatie alsmede de plaatselijke milieuomstandigheden (IPPC-omgevingstoets); gevolgen van directe ammoniakschade aan gewassen. Wet ammoniak en veehouderij (Wav) De Wav stelt regels voor de ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven. Onder de Wav worden uitsluitend de zeer kwetsbare gebieden beschermd. Gebieden zijn zeer kwetsbaar als zij voor verzuring gevoelig zijn en binnen de (door de provincie begrensde) ecologische hoofdstructuur (EHS) gelegen zijn. Van belang is tevens dat zij als zeer kwetsbaar door Provinciale staten zijn aangewezen. Provinciale staten van Limburg hebben op 18 april 2008 de zeer kwetsbare gebieden aangewezen.
De Wav bepaalt dat binnen een zone van 250 meter rond zeer kwetsbare gebieden geen oprichtingen van veehouderijen zijn toegestaan en dat uitbreidingen van het aantal dieren van één of meer diercategorieën uitsluitend toegestaan zijn, als het (gecorrigeerd) maximaal emissieplafond voor ammoniak wordt gerespecteerd. Het meest dichtbij gelegen zeer kwetsbaar gebiednr. 302 s, uitgaande van de aangevraagde situatie, gelegen op een afstand van ongeveer 230 meter van de dierenverblijven, 310 meter vanaf het emissiepunt. Op grond van artikel 7, lid 1 van de Wav wordt de vergunning, in afwijking van artikel 6 van de Wav niet geweigerd als de ammoniakemissie na de uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die de veehouderij voorafgaand aan de uitbreiding: 1. zou mogen veroorzaken als de emissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde, of 2. op grond van eerder verleende, nog geldende vergunningen mocht veroorzaken, als deze lager is dan de ammoniakemissie op basis van de maximale emissiewaarde als bedoeld onder 1. Aangezien onderhavige inrichting in een zone van 250 meter rond een zeer kwetsbaar gebied als bedoeld in artikel 2 van de Wav is gelegen, dient de ammoniakemissie nader beoordeeld te
Datum
26 oktober 2021
Ons kenmerk
WABO-2018-385
Pagina
20 van 49
worden. Ten opzichte van de vergunde situatie leidt inwilliging van de nu aangevraagde vergunning tot een toename van het aantal dieren (zie tabel 3a): Tabel 3a: Berekening ammoniakemissie Diercategorie:
Omrekenfactor* NH3 NH3-max
Aantal** vergunning
Aantal aanvraag
Toename /afname
Emissie** vergunning
Maximale emissie***
Emissie aanvraag
Stal 5 0,090 0,125 10.500 10.500 0 945 1.312,5 945 Legkippen Stal 6 0,044 0,068 11.500 17.000 5.500 1.035 1.156,0 748 Legkippen Stal 8 0,055 0,125 18.000 18.000 0 990 2.250,0 990 Legkippen Stal 2 3,000 1,600 160 160 0 480 256,0 480 Vleesvarkens Totale ammoniakemissie in kg/jaar 3.450 4.974,5 3.163 * Emissie volgens aanvraag respectievelijk maximale emissie in kg NH3 (ammoniak) per dierplaats per jaar, volgens bijlage 1 en 2 van de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav); ** Vergunning van 20 februari 2017 (OBM); *** De maximale emissie is berekend op basis van de drempelwaardes die zijn opgenomen in het Besluit emissiearme huisvesting . Nu in onderhavige aanvraag de ammoniakemissie (3.163 kg) lager is dan de ammoniakemissie op grond van het gecorrigeerde emissieplafond (4.974,5 kg) staat artikel 6 in samenhang met artikel 7 van de Wav verlening van de aangevraagde vergunning niet in de weg. Beste beschikbare technieken (BBT) en maximale ammoniakemissiewaarde Zoals in § ‘Richtlijn industriële emissies’ aangegeven, hebben wij bij het nemen van deze beschikking onder andere rekening gehouden met de volgende documenten over BBT: BREF Intensieve pluimvee- en varkenshouderij; de Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij.
De BREF gaat in op de volgende activiteiten: management van het bedrijf, bereiding van voer en voedingsstrategie, veeteelt, verzamelen en opslaan van mest, verwerking van mest binnen de inrichting, uitrijden van mest en afvalwaterzuivering. De meeste aandacht gaat uit naar ammoniak, de voornaamste luchtverontreinigende stof, omdat deze stof in grote hoeveelheden wordt uitgestoten. De BREF geeft de technieken die in het algemeen op Europees niveau tot de beste beschikbare technieken worden gerekend. Nederland heeft ervoor gekozen om vanwege de ernst van de ammoniakproblematiek voor huisvestingssystemen de voorschriften ten aanzien van de emissie van ammoniak vast te stellen in een algemene maatregel van bestuur en niet in de vergunningsvoorschriften. Op 1 juli 2015 is het Besluit emissiearme huisvesting in werking getreden. Het Besluit emissiearme huisvesting stelt voor de huisvesting van verschillende diercategorieën maximale emissiewaarden voor fijnstof – en ammoniakemissie per dierplaats en geeft aan wanneer hieraan uiterlijk moet zijn voldaan. Toetsing van de aanvraag aan het Besluit emissiearme huisvesting levert de volgende tabel op:
Datum
26 oktober 2021
Ons kenmerk
WABO-2018-385
Pagina
21 van 49
Tabel 3b: Aangevraagde huisvestingssysteem en maximale emissiewaarde Stal diercategorie emissiewaarde Stal maximale voldoet aan nummer Rav (kg)* - nieuw emissiewaarde Besluit - bouwvergunning (kg) emissiearme verleend huisvesting - bestaand Legkippen, 0,090 Bestaand 0,125 ja 5 E2.11.1 Legkippen, E2.11.2.1, E 0,044 Nieuw (herbouw) 0,068 ja 6 7.10, E7.15 Legkippen, 0,055 Bestaand 0,125 ja 8 E2.11.2.1 Vleesvarkens, 3,000 Bestaand 1,600 nee 2 D3.100 * De emissiewaarden van diverse (sub)typen stalsystemen zijn opgenomen in de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav). Uit de tabel blijkt dat niet alle stallen voldoen aan maximale emissiewaarden uit het Besluit emissiearme huisvesting. In de Wav en in het Besluit emissiearme huisvesting is echter de optie voor intern salderen opgenomen. Onder intern saldering wordt verstaan: de mogelijkheid om binnen een veehouderij in (een deel van) de bestaande huisvestingssystemen geen BBT toe te passen, op voorwaarde dat de daardoor gemiste ammoniakreductie wordt gecompenseerd door het toepassen van verdergaande technieken dan BBT in de overige huisvestingssystemen. Voorwaarde is wel dat een huisvestingssysteem dat op 1 januari 2007 nog niet in de veehouderij aanwezig was, wel afzonderlijk moet voldoen aan de maximale emissiewaarde.
Dat intern salderen is toegestaan, is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigd (zie bijvoorbeeld uitspraak van 15 oktober 2008, zaak 200708807). In onderstaande tabel zijn de emissiewaarden van de aangevraagde stalsystemen en de maximale emissiewaarden weergegeven. Uit tabel 3a blijkt dat de totale aangevraagde emissie per jaar lager is dan de maximale emissie per jaar. Bovendien was het dierenverblijf, zijnde stal 2, aanwezig op 1-1-2007. Hiermee wordt voldaan aan het Besluit emissiearme huisvesting. IPPC De Wav legt in artikel 3, lid 3 een aanvullende toets op bij IPPC-installaties. Deze toets betekent dat een vergunning moet worden geweigerd als niet kan worden voldaan aan voorschriften, welke nodig zijn vanwege de technische kenmerken en de geografische ligging van de installatie of de plaatselijke milieuomstandigheden, maar niet met toepassing van de in aanmerking komende BBT kunnen worden gerealiseerd. Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij (Beleidslijn) De Wav en de RIE schrijven niet voor op welke wijze rekening moet worden gehouden met de technische kenmerken en geografische ligging van de veehouderij. Ook ontbreekt een omschrijving van wat onder plaatselijke milieuomstandigheden moet worden begrepen.
Om deze leegte te vullen heeft het ministerie van VROM in 2007 de Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij (Beleidslijn) vastgesteld. Met behulp van de Beleidslijn kunnen wij bepalen of en in hoeverre strengere emissie-eisen nodig zijn vanwege de technische kenmerken, geografische ligging of plaatselijke milieuomstandigheden. Deze emissie-eisen worden in de Beleidslijn aangemerkt als “strenger dan BBT (BBT+)” en “veel strenger dan BBT (BBT++)”. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft uitgesproken dat de beleidslijn niet in strijd is met de IPPC-richtlijn (zie bijvoorbeeld uitspraak van 18 maart 2009, zaak 200800463/1).
Datum
26 oktober 2021
Ons kenmerk
WABO-2018-385
Pagina
22 van 49
Omdat de aangevraagde ammoniakemissie niet uitkomt boven 5.000 kg, kan volgens de Beleidslijn worden volstaan met toepassing van BBT. Volgens rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State voldoet een stalsysteem aan BBT als het voldoet aan de maximale emissiewaarde uit het Besluit emissiearme huisvesting. Aanvullend heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bepaald dat intern salderen een toepassing van BBT is. Zoals hierboven toegelicht, voldoet de aanvraag aan het Besluit emissiearme huisvesting (en dus aan BBT). De aanvraag voldoet daarmee aan de Beleidslijn. Directe ammoniakschade aan gewassen In de Wav is aangegeven dat deze wet niet geldt voor de gevolgen voor het milieu die worden veroorzaakt door directe opname van ammoniak uit de lucht door planten en bomen. Vooral coniferen en fruitbomen zijn gevoelig voor ammoniakopname. Het rapport “Stallucht en Planten” van het IMAG in Wageningen uit 1981 schetst hoe deze gevolgen beoordeeld moeten worden. Om schade te voorkómen worden in het rapport minimale afstanden aanbevolen van minimaal 50 meter tussen stallen en meer gevoelige planten en bomen (bijvoorbeeld coniferen en kasteelt). Een minimale afstand van 25 meter wordt aanbevolen tussen stallen en minder gevoelige planten en bomen (bijvoorbeeld een fruitboomgaard).
Volgens het rapport geldt er geen minimale afstand tussen stallen en akkerbouwgewassen en grasland. Binnen de hierboven genoemde afstanden zijn geen coniferen of tuinbouwgewassen aanwezig. Er is op dit onderdeel geen (onaanvaardbare) directe ammoniakschade te verwachten. Eindconclusie Uit voorgaande blijkt dat de aanvraag gelet op ammoniak voldoet aan de wettelijke eisen.