CConstaterende datLeudal
Koppel je AI →
Document · PDF

Maas 2050, naar een flexibele programmering en lange termijn aanpak voor de dijken langs de Maas

Commissievergadering Fysiek 16 mei 2023, gemeente LeudalBij agendapunt: Presentatie Waterschap Limburg over zijn rol + samenwerking met gemeente Leudal in relatie tot de grote wateropgaven15.721 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Eindrapport

2050 MAAS

Naar een flexibele programmering en lange termijn aanpak voor de dijken langs de Maas

1

Maas 2050 | Waterschap Limburg

Voorwoord

Samen op weg naar een lange termijn aanpak voor sterke dijken in 2050 Onze Maas. Onze veiligheid. Om onze bewoners en bedrijven te blijven beschermen tegen overstromingen, werken we bij Waterschap Limburg iedere dag aan sterke dijken. Om goed voorbereid te zijn op de toekomst en de klimaatverandering blijven hoogwaterbescherming en sterkere dijken nodig. Ons werk is dus nooit af. Strengere waterveiligheidseisen: we zijn hard bezig en er komt een forse opgave op ons af Binnen Maas2050 kijken we vooruit. Samen met partners en onze bestuurders hebben we de afgelopen maanden beter zicht gekregen op wat ons de komende tijd te wachten staat op het gebied van dijkversterking. En welke prioriteiten we daarbij willen stellen. En die opgave is flink. Momenteel werken we binnen het hoogwaterbeschermingsprogramma van Waterschap Limburg (HWBP WL) al hard aan het op orde brengen van 54 kilometer dijken langs de Maas, ook wel primaire waterkeringen genoemd. Maar daarna zijn we nog niet klaar. Er gelden sinds 2017 nieuwe normen voor waterveiligheid in Nederland: de veiligheidseisen waaraan een dijk minimaal moet voldoen.

2

Maas 2050 | Waterschap Limburg

In 2050 moeten alle Limburgse primaire waterkeringen die in beheer zijn van waterschap Limburg voldoen aan deze nieuwe eisen. Veel dijken waar we eerder aan gewerkt hebben, vragen opnieuw om versterking. HWBP WL: robuust en maakbaar programma De vraag is hoe en in welke volgorde we de dijken op orde gaan brengen, want we kunnen niet alle dijken tegelijkertijd aanpakken. Met Maas2050 hebben we dit vraagstuk onderzocht en gekeken hoe we dit slim kunnen doen. Dit hebben we niet alleen gedaan. Vanuit het besef dat een dijkversterking impact heeft op de omgeving, is het belangrijk om te bekijken hoe we dit in een slim samenspel met partners kunnen doen. We willen – als een gebied op de schop gaat – het goed doen. En dus bekijken we met partners of we, tegelijk met de dijkversterking, een gebied aantrekkelijker kunnen maken en hoe iedereen – ook financieel – kan bijdragen. Voor Maas2050 betekent dit dat we vroeg in het proces partners hebben betrokken. Samen hebben we per gebied geïnventariseerd waar raakvlakken en kansen zitten. Meekoppelkansen, maar ook kansen voor rivierverruiming.

Stapsgewijs op weg naar een doordachte aanpak Met al deze informatie hebben we een lange termijn programmeringsstrategie voor deze opgave geformuleerd. En we hebben een aantal scenario’s opgesteld voor een flexibele programmering. In dit rapport kunt u dit allemaal lezen. Binnenkort maken we een keuze voor een richtinggevend scenario. Daarna werken we dit verder uit in een routekaart. Zo werken we standvastig naar het doel: alle Limburgse dijken op orde conform de wettelijke waterveiligheidsnorm. En flexibel in de weg daar naar toe, door desgewenst periodiek de route bij te stellen en projecten ook daadwerkelijk op te starten. Dat is nodig, want met praten alleen worden onze dijken niet veiliger. We willen én moeten meters maken. Met het oog op de toekomst bouwen we samen aan een hoogwaterveilig én een aantrekkelijk Limburgs Maaslandschap.

Jos Teeuwen, lid dagelijks bestuur

Inhoudsopgave Voorwoord

2

1.

Inleiding

5

2.

Resultaten uit de analysefase

10

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

Aanleiding Probleemstelling Doelstelling van dit project Resultaat en werkwijze Leeswijzer

2.1 De veiligheidsopgave in beeld 2.2 Aansluiting op hoge gronden (toename dijkversterkingsopgave) en kansen voor partiële oplossingen (afname dijkversterkingsopgave) 2.3 Kansen vanuit de omgeving 2.4 Leerpunten en inzichten naar aanleiding van de watercrisis

Maas 2050 | Waterschap Limburg

11

17 19 24

3.

De totale opgave

26

4.

De programmerings­strategie

31

3.1 3.2

3

6 6 8 8 9

De totale dijkopgave uitgedrukt in geld Aandachtspunten vanuit het landelijke HWBP en de markt

27 29

Inhoudsopgave 5

5.1 5.2 5.3

Introductie Scenario’s toegelicht Vergelijking van de scenario’s

Voorstel voor de programmering:drie scenario’s

33

6

Aanbevelingen

42

7

Bijlagen

46

6.1 6.2

4

Maas 2050 | Waterschap Limburg

Aanbevelingen voor het vervolg Overige consequenties voor de organisatie

Bijlage A - Kaarten Bijlage B - Geraadpleegde bronnen en partijen voor de omgevingsscan Bijlage C - De scenario’s

34 35 41

43 44

47 57 59

Inleiding

1

Onze Maas. Onze veiligheid. 5

Maas 2050 | Waterschap Limburg

1.2 Probleemstelling In Limburg hebben we zo’n 185 kilometer aan primaire waterkeringen. Waterschap Limburg is verantwoordelijk voor het op orde brengen en houden van deze primaire waterkeringen langs de Maas. In 2050 moeten alle dijktrajecten aan de nieuwe norm voldoen.

1.1 Aanleiding In 2017 zijn er in Nederland nieuwe normen gekomen voor waterveiligheid. Deze nieuwe normen zijn vastgelegd in de Waterwet. Waterkeringbeheerders hebben tot het jaar 2050 de tijd om de keringen aan deze nieuwe normen te laten voldoen. Landelijk is door het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) aan ieder waterschap gevraagd om een robuuste inschatting te maken van de opgave tot 2050. Waterschap Limburg is verantwoordelijk voor deze inschatting voor de waterkeringen langs de Maas in Limburg. Inmiddels heeft ook de watercrisis in juli van 2021 ons herinnerd aan de urgentie van de resterende opgave in Limburg. Een opgave die we het liefst op een planmatige, logische en robuuste manier volbrengen, waarbij samenwerken en rekening houden met de ontwikkelingen en wensen uit de omgeving van groot belang zijn. Om hiertoe te komen is een samenhangende programmeringsstrategie nodig, net als een (voorstel voor een) concrete programmering van de dijkversterkingen. In dit rapport worden deze verder uitgewerkt.

6

Maas 2050 | Waterschap Limburg

Omdat in Limburg de wettelijk vastgelegde waterkerende taak jonger is dan in de rest van Nederland werkt de overheid pas sinds de hoogwaters van 1993 en 1995 planmatig aan de hoogwaterveiligheid voor de dorpen en steden langs de Maas. In de afgelopen jaren is er door diverse partijen1 ongeveer eenderde van de waterkeringen op de destijds vigerende wettelijke normering versterkt. Dit waren dijktrajecten met op dat moment de hoogste prioriteit. Deze voldoen nu aan de norm die tot 2017 gold. In 2017 zijn nieuwe normen vastgesteld. Voor veel dijktrajecten die in het verleden op orde zijn gebracht, betekent dit dat er voor 2050 nog een nieuwe dijkversterking nodig is om te voldoen aan de nieuwe norm. De eerste tranche dijkversterkingsprojecten volgens deze nieuwe norm hebben we inmiddels opgenomen in het lopende Hoogwaterbeschermingsprogramma van Waterschap Limburg. Deze tranche loopt tot en met 2029 (zie figuur 1).

In totaal gaat het om 54 kilometer primaire waterkering, inclusief Lob van Gennep. We kunnen niet alle dijken tegelijkertijd versterken. Daarom moeten we zorgvuldig bepalen in welke volgorde en snelheid we de dijken op orde gaan brengen. Deze dijktrajecten landen dan als nieuwe versterkingsprojecten in het lopende HWBP programma. Dit betekent dat ná het afronden van de huidige projecten uit het HWBP programma Noordelijke Maasvallei van Waterschap Limburg nog vele kilometers aan dijken versterkt moet worden in de periode tot 2050. Door de watercrisis in juli 2021 is het besef van noodzaak van deze opgave fors toegenomen. Ook zijn er hierdoor nieuwe bewegingen in gang gezet die mogelijk van invloed zijn op de programmeringsstrategie Maas2050.

1 De voormalige waterschappen Roer en Overmaas en Peel en Maasvallei, het huidige Waterschap Limburg, Maaswerken, het Consortium Grensmaas en het project Ooijen Wanssum.

IRM-pilots BO MIRT waarbij Waterschap Limburg aanhaakt voor de opgave dijkversterking. 2 Dit dijktraject valt onder het project Lob van Gennep; een samenwerking van Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten. 3 Dijktraject Venlo – Velden is onderdeel van pre-verkenning Vierwaarden. 4 Samenwerking met gemeente waarbij gemeente de trekker is van de gebiedsontwikkeling. 1

Figuur 1 - Kaart met de lopende dijkversterkingsprojecten

7

Maas 2050 | Waterschap Limburg

8

1.3 Doelstelling van dit project Op dit moment heeft Waterschap Limburg nog geen uitgewerkte visie, strategie en programmering voor de lange termijn dijkversterkingsopgave. Onze taak is wel helder: in 2050 moeten alle primaire Limburgse waterkeringen voldoen aan de nieuwe normering, zoals wettelijk is vastgelegd. Ook is uitgesproken dat we deze taak op een logische, planmatige en cyclische manier willen volbrengen (Kadernota 20222027).

Het project Maas2050 heeft als doel een programmeringsstrategie op te stellen, alsmede een voorstel voor een concrete programmering van de dijkversterkingen. Vanzelfsprekend werken we samen en houden we rekening met de ontwikkelingen en wensen uit de omgeving. Kortom: een robuust en maakbaar programma, met oog voor de omgeving.

1.4 Resultaat en werkwijze Samenvattend levert het project Maas2050 de volgende resultaten op: • • •

•

8

Maas 2050 | Waterschap Limburg

een analyse van de langetermijn­ dijkversterkingsopgave; een programmeringsstrategie voor Maas2050; een concreet voorstel voor de program­ mering van de dijkversterkingen in de vorm van een aantal scenario’s. Hieruit kiest het bestuur een richtinggevend scenario; een routekaart om te komen tot periodieke actualisatie en de opstart van projecten in de initiatieffase (Dit vormt geen onderdeel van dit rapport).

De eerste stap die is gezet in de analysefase, is het in beeld brengen van de opgave. Vervolgens zijn we het gesprek aangegaan met het algemeen bestuur over deze opgave en de insteek van de toekomstige dijkversterkingen. Met wat daar besproken is, is de programmeringsstrategie geschreven, passende binnen de visie en strategie van het Hoogwater­ beschermingsprogramma van Waterschap Limburg (HWBP WL). Maas2050 is immers onderdeel van het HWBP van Waterschap Limburg. Vervolgens hebben we enkele scenario’s uitgewerkt. We vragen het bestuur nu om een keuze te maken voor één scenario: het richtinggevende scenario.

Omdat het werkveld niet stil staat en het komen tot een waterveilig Nederland continue verandert, dient de programmering periodiek geactualiseerd te worden op basis van nieuwe inzichten en ontwikkelingen.

Daarom is een van de deelresultaten van dit project een routekaart/stappenplan om te komen tot periodieke actualisatie en besluitvorming over de opstart van nieuwe versterkingsprojecten in de initiatieffase.

In figuur 2 is de projectaanpak weergegeven en hoe we het verder afronden. Belangrijk uitgangspunt is de zogenaamde 80-20-regel. Dat wil zeggen dat we doorgaan met de volgende stap als we 80% denken te weten. Finetuning gebeurt bij de periodieke actualisatie.

meters maken AB bespreking

AB besluit richtinggevend scenario

DB besluit routekaart en werkwijze

februari 2022

september 2022

begin 2023

ingangstoets programmering start verkenning

2022

2023

Figuur 2 - De aanpak van het project

9

Maas 2050 | Waterschap Limburg

uitvoering

hoogwaterveilig en aantrekkelijk limburg

• in beeld brengen veiligheidsopgave • omgevingsscans • leerpunten uit de watercrisis Analyse

planuitwerking

Opstellen programmeringsstrategie en scenario's

Uitwerken flexibele programmering in een routekaart

1.5 Leeswijzer Het rapport is als volgt opgebouwd. Hoofdstuk 1 bevat de inleiding, doelstelling en werkwijze. In hoofdstuk 2 gaan we in op de resultaten uit de analyse fase. In hoofdstuk 3 beschrijven we de totale opgave en in hoofdstuk 4 de programmeringsstrategie. Hoofdstuk 5 bevat de concrete programmering in de vorm van een aantal scenario’s. In hoofdstuk 6 geven we een aantal aanbevelingen voor de implementatie van de toekomstige opgave.

Resultaten uit de analysefase

2

Onze Maas. Onze veiligheid. 10

Maas 2050 | Waterschap Limburg

Doel van de analysefase is om: • e  en goed beeld te hebben van de omvang van de waterveiligheidsopgave tot 2050, uitgezet in de tijd; • inzicht te krijgen in de mogelijkheid om met partiële oplossingen2 de waterveiligheidsopgave te realiseren; • in kaart te brengen welke kansrijke meekoppelkansen, rivierverruimingsopgaven en gebiedsontwikkelingen er spelen die raakvlakken hebben met de toekomstige dijkversterkingen en die de programmering kunnen beïnvloeden; • te bepalen welke nieuwe inzichten zijn ontstaan naar aanleiding van de watercrisis van juli 2021 en in beeld te brengen wat de consequenties zijn voor de programmering; • in beeld te brengen wat de totale opgave is.

2 H et versterken van één of enkele dijkvakken binnen een dijktraject waardoor het gehele dijktraject daarna weer voldoet aan de wettelijke norm.

2.1 De veiligheidsopgave in beeld De normen

Vóór de wijziging van de waterwet in 2017 hadden alle waterkeringen in Limburg dezelfde norm3. Deze norm werd uitgedrukt als een overschrijdingskansnorm, namelijk 1:250. Dat wil zeggen dat de dijk zo hoog en zo sterk moet zijn dat deze een waterstand die één keer per 250 jaar voorkomt, veilig kan keren. Sinds de wetswijziging van 2017 is er geen sprake meer van een norm op basis van een overschrijdingskans, maar van een norm op basis van een overstromingsrisico4. Via een maatschappelijke kostenbatenanalyse is deze norm bepaald. Voor Limburg betekent dit voor de meeste Maasdorpen een norm van een 1:100. De grotere plaatsen

hebben m.u.v. Roermond5 een hogere norm gekregen, namelijk een norm van 1:300 (o.a. Venlo en Gennep) of 1:1000 (MaastrichtOost). Nu lijkt het misschien dat een 1:100 norm voor de Maasdorpen een lagere bescherming biedt dan de oude 1:250 norm, maar dat is niet zo. Wordt een vergelijking gemaakt met de oude 1:250 norm, dan resulteert de nieuwe 1:100 norm in een dijk die een waterstand van 1:420 kan keren. Dat komt omdat in de nieuwe norm zowel de sterkte van de dijk als de hoogte van de dijk is opgenomen in de faalkansberekening.

De genoemde normen zijn een zogenaamde ondergrens: de veiligheid van de dijk mag niet onder deze grens zakken. Daarnaast is er in de wet ook een signaleringswaarde opgenomen. Komt een dijk onder deze signaalwaarde dan geeft dit een ‘signaal’ aan de waterkeringbeheerder: “Let op, u moet zich gaan voorbereiden op een dijkversterking om te voorkomen dat u onder de ondergrens zakt”.

Een overzicht van de normen is te vinden op de website: waterveiligheidsportaal.nl/normen Medio 2023 vindt er ook nog een evaluatie van de waterwet plaats. De evaluatie zal met name gericht zijn op de huidige beoordelingsronde en zal ons nog beter inzicht geven in de opgave, maar zal waarschijnlijk niet leiden tot grote wijzigingen.

Omdat door de wijziging van de normering in 2017 landelijk een grote inspanning nodig is om aan de nieuwe norm te voldoen, is in de wet opgenomen dat uiterlijk in 2050 aan de ondergrens voldaan moet worden. 3 M et uitzondering van een klein stukje dijk in Molenhoek dat grenst aan Gelderland. 4 Waar een overschrijdingskans een maat is voor een hoogwaterstand die een dijkvak veilig moet kunnen keren, geeft een overstromingskans de kans aan dat een gebied overstroomt door het bezwijken van één of meerdere waterkeringen rondom het gebied. 5 De gemeente Roermond heeft inder­t ijd gepleit voor een norm van 1:100.

11

Maas 2050 | Waterschap Limburg

De veiligheidsbeoordeling

In de wet is opgenomen dat een keer per twaalf jaar de waterkering beoordeeld moet worden of deze voldoet aan de ondergrens en/ of aan de signaleringswaarde. Het resultaat van deze beoordeling moet worden gerapporteerd aan de Minister. Op basis van de rapportages van de waterkeringbeheerders wordt een landelijk veiligheidsbeeld geschetst dat eens per twaalf jaar wordt gerapporteerd aan de Tweede Kamer.

Met de minister is afgesproken dat de dijkbeheerders voor 1 januari 2023 hun rapportages opleveren. In de rapportage wordt beoordeeld of de waterkering voldoet aan de normen. Hiervoor zijn de volgende categorieën afgesproken:

• • •

• •

A+: de waterkering voldoet ruim aan de signaleringswaarde A: de waterkering voldoet aan de signaleringswaarde; B: de waterkering voldoet niet aan de signaleringswaarde maar wel aan de ondergrens; C: de waterkering voldoet niet aan de ondergrens; D: de waterkering voldoet ruim niet aan de ondergrens

Categorie A+ A

Signaleringswaarde

B

Ondergrens

C

Achteruitgang veiligheid

Ver onder signaleringswaarde

D

Veiligheid Signaleringswaarde Voorbeeld; Overstromingskans 1:3000

2

3

Voorbeeld; Overstromingskans 1:1000

4

Levensduur (bv. 40 jr)

12

Maas 2050 | Waterschap Limburg

Afnemende dijksterkte door veroudering en door toenemende waterstanden door klimaatverandering.

2

Voorbereidingen kunnen starten als niet aan de signaleringswaarde wordt voldaan.

3

Start versterking van de dijk.

4

Er wordt niet aan de afspraken voldaan.

1

Ondergrens

Figuur 3 - Systematiek van de wettelijke beoordeling

1

Tijd

De analyse

ondergrens, maar scoren lager dan de signaleringswaarde. Naar verwachting zullen deze trajecten tussen 20352050 opgepakt moeten worden, afhankelijk van o.a. verandering in klimaatscenario’s, hydraulische randvoorwaarden, normering en rekenregels. Daarnaast zijn ook de dijktrajecten Molenhoek, Ohé en LaakStevensweert en Neer ingedeeld in de categorie met gemiddelde urgentie6.

Met de (voorlopige) resultaten uit de wettelijke beoordeling als basis hebben we de dijktrajecten ingedeeld in 3 categorieën: •

•

13

Dijktrajecten met een hoge urgentie om versterkt te worden. Dit zijn dijktrajecten die een categorie C en D hebben gekregen in de beoordeling. Deze trajecten moeten met urgentie versterkt worden. Ze voldoen nu al niet aan de ondergrens en zijn om die reden afgekeurd. Dijktrajecten met een gemiddelde urgentie om versterkt te worden. Dit zijn dijktrajecten die een categorie B hebben gekregen in de beoordeling. Deze dijktrajecten voldoen nog aan de

Maas 2050 | Waterschap Limburg

•

Dijktrajecten met een lage urgentie om versterkt te worden. Hier is naar verwachting tot 2050 geen versterkingsopgave. Dit zijn de dijktrajecten die een categorie A en A+ hebben gekregen in de beoordeling, inclusief de dijktrajecten die op dit

moment versterkt worden binnen het hoogwaterbeschermingsprogramma Noordelijke Maasvallei. We gaan er namelijk van uit gaan dat na oplevering geen verdere dijkversterking tot 2050 nodig is7. Binnen de drie categorieën hebben we een ranking gemaakt die voornamelijk is gebaseerd op de faalkans op trajectniveau. De faalkans geeft aan hoe veilig de waterkering is. Bovenin elke categorie staan de trajecten met de hoogste prioriteit en we eindigen met de projecten met de laagste prioriteit.

6 N eer, Ohé en Laak - Stevensweert en Molenhoek hebben in de (voorlopige) beoordeling een C score gekregen. De verwachting is dat Neer bij de definitieve beoordeling een B beoordeling krijgt op basis van de resultaten van piping analyses. De C score van Ohé en Laak Stevensweert wordt veroorzaakt door een enkel dijkvak dat slecht scoort op piping (aanscherping kan leiden tot een veiliger oordeel), experts schatten daarom een lagere urgentie in. Voor het dijktraject Molenhoek geldt dat het initiatief ligt bij Waterschap Rivierenland. 7 Twee uitzonderingen hierop zijn de dijktrajecten NieuwBergen en Belfeld. Daar is gekozen voor een adaptief ontwerp. Dat wil zeggen dat de dijk nu op sterkte wordt gebracht en wordt ontworpen op een levensduur van 50 jaar, maar pas later volledig op hoogte wordt gebracht. Dit betekent dat we hier vóór 2050 nog een keer terug moeten komen. Deze trajecten zijn ingedeeld in de gele categorie met een gemiddelde prioriteit.

Belangrijkste resultaten

De analyse van de dijkopgave langs de Maas leidt tot het algemene beeld dat de opgaven fors zijn. In totaal moet vóór 2050 nog 121 kilometer aangepakt worden: •

14

 6 kilometer heeft een hoge urgentie 6 en zit in de rode categorie. Deze dijktrajecten voldoen nu al niet aan de ondergrens en moeten idealiter op korte termijn opgepakt worden. De grootste opgave ligt bij de stedelijke gebieden (Roermond, Venlo, Maastricht, Gennep/ Mook) waardoor gesproken kan worden over een complexe en veelomvattende opgave op korte termijn. Het betreft veelal dijken die in 2017 bij de invoering van de nieuwe normering een hoger veiligheidsniveau hebben gekregen (oftewel hogere vereiste bescherming). Dit noemen we in de volksmond ook wel een normsprong. Dit geldt overigens niet voor Roermond. De dijktrajecten in Roermond hebben in 2017 geen normsprong doorgemaakt. Desondanks zijn ook hier de meeste dijktrajecten afgekeurd en voldoen ze zelfs niet aan de oude norm. Dit laatste geldt ook voor de dijken in Venlo, Blerick, Gennep, Merum, Sint Pieter en Eijsden.

Maas 2050 | Waterschap Limburg

een hoge urgentie en 55 kilometer een gemiddelde urgentie.

•

 5 km zit in de gele categorie en 5 heeft een gemiddelde urgentie. Dit zijn dijktrajecten die nu nog zijn goedgekeurd, maar lager scoren dan de signaleringswaarde. Dit zijn vooral landelijke trajecten met een 1:100 norm. Deze zijn in het verleden versterkt binnen Maaswerken op basis van de oude norm. Naar verwachting zullen deze trajecten tussen 2035 en 2050 worden afgekeurd.

•

 4 km zit in de groene categorie met 6 een lage urgentie (dijkversterking na 2050). Dit zijn voornamelijk dijktrajecten die in het huidige HWBP zitten en die een ontwerphorizon hebben die voorbij 2050 gaat: hier is vóór 2050 geen nieuwe versterking nodig. Daarnaast zitten in deze categorie enkele andere dijktrajecten die op basis van de wettelijke beoordeling voldoen aan de signaleringswaarde (bv. Urmond, Maasband en Geulle aan de Maas).

Figuur 4 vat de restopgave samen. Tabel 1 geeft een overzicht van alle dijktrajecten, gerangschikt op basis van veiligheidsurgentie. De trajecten met de hoogste urgentie staan bovenaan, die met de laagste urgentie onderaan. Een visualisatie van de opgave is te zien op de kaarten in bijlage A.

70 60

Aantal kilometer dijk

De restopgave voor Maas2050 is 121 kilometer. Hiervan heeft 66 kilometer

66

50

64 55

40 30 20 10 0

Verbeteropgave met hoge urgentie

Verbeteropgave met gemiddelde urgentie

Verbeteropave met lage urgentie

Figuur 4 - De restopgave ingedeeld op urgentie op basis van de inzichten uit de wettelijke beoordeling

Tabel 1 - Technische ranking van de dijktrajecten op basis van de inzichten uit de wettelijke beoordeling

15

Uitkomst wettelijk beoordeling

Traject

Norm ondergrens

Traject naam

Stand van zaken

76-1

100

Roermond (deeltraject Roermond)

Regulier Oordeel

C

1091

69-1

300

Blerick (deeltraject Blerick)

Regulier Oordeel

C

3358

68-1

300

Venlo (deeltraject Venlo)

Regulier Oordeel

C

7497

90-1

1000

Maastricht

Regulier Oordeel

C

7035

55-1

300

Gennep

Regulier Oordeel

C

7925

76a-1

100

Hammerveld

Regulier Oordeel

C

1741

77-1

100

Merum - Ool - Herten

Regulier Oordeel

C

8417

87-1

300

Meers

Regulier Oordeel

C

5472

54-1

300

Ottersum - Mook (deeltraject Mook)

Regulier Oordeel

D

1801

94-1

100

Sint Pieter

Regulier Oordeel

C

888

91-1

300

Itteren

Regulier Oordeel

C

3484

95-1

100

Eijsden

Regulier Oordeel

C

1079

93-1

300

Bosscherveld

Regulier Oordeel

C

2600

83-1

100

Nattenhoven - Roosteren

Regulier Oordeel

C

13998

41-4

3000

Molenhoek

Voorlopig Oordeel

C

609

81-1

100

Ohé en Laak - Stevensweert

Regulier Oordeel

C

13879

74-1

100

Neer

Voorlopig Oordeel

C

2386

66-1

100

Lottum

Voorlopig Oordeel

B

1373

59-1

100

Bergen - Aaijen

Voorlopig Oordeel

B

6225

56-1

100

Afferden

Voorlopig Oordeel

B

3022

67-1

100

Grubbenvorst

Voorlopig Oordeel

B

867

84-1

100

Visserweert

Voorlopig Oordeel

B

1218

61-1

100

Wanssum - Geijsteren

Voorlopig Oordeel

B

5501

80-1

100

Clauscentrale

Voorlopig Oordeel

B

1350

82-1

100

Aasterberg

Regulier Oordeel

B

811

78-1

100

Heel (deeltraject Sleydal)

Voorlopig Oordeel

B

2184

92-1

100

Borgharen

Regulier Oordeel

B

3381

64-1

100

Broekhuizenvorst

Voorlopig Oordeel

B

2791

62-1

100

Wanssum - Blitterswijck

Voorlopig Oordeel

B

5455

89-1

100

Voulwames

Voorlopig Oordeel

B

693

57-1

100

Nieuw Bergen

Versterking

B

1832

71-1

100

Belfeld

Versterking

B

964

Maas 2050 | Waterschap Limburg

Traject lengte (m)

Een doorkijk naar de toekomst De totale opgave in kilometers en de prioriteringsvolgorde kan om een aantal redenen nog veranderen: • Sommige trajecten hebben een voorlopige beoordelingsscore. Mogelijk dat op basis van de definitieve beoordeling, nog kleine verschuivingen in de tabel optreden. • Op de langere termijn kunnen nieuwe inzichten volgen. De morfologie van de Maas, het klimaat en technische inzichten over de sterkte van de dijk staan niet stil. Ook in de volgende beoordelingsronde 2023-2035 kunnen nieuwe resultaten of inzichten naar voren komen. Dijken of delen van dijken kunnen door nieuwe rivierkundige ingrepen een verbeterd oordeel krijgen, of juist door klimaatkundige effecten een slechter oordeel krijgen. Daarnaast wordt in 2023 de waterwet geëvalueerd. Bovenstaande ontwikkelingen maken het noodzakelijk om de programmering die we maken, niet te zien als een vastomlijnd programma, maar als een flexibel instrument dat op basis van nieuwe inzichten, naar behoefte kan worden aangepast. Zo zorgen we ervoor dat we wendbaar, flexibel en voorbereid zijn.

Tabel 1 - Technische ranking van de dijktrajecten op basis van de inzichten uit de wettelijke beoordeling

16

Uitkomst wettelijk beoordeling

Traject

Norm ondergrens

Traject naam

Stand van zaken

Traject lengte (m)

76-2

100

Alexanderhaven (deeltraject Alexander)

Regulier Oordeel

A

679

63-2

100

Boltweg

Voorlopig Oordeel

A

3867

88-1

100

Geulle aan de Maas

Voorlopig Oordeel

A

2686

78a-1

100

Beegden

Voorlopig Oordeel

A

442

63-1

100

Ooijen

Voorlopig Oordeel

A

2951

85-1

100

Urmond

Voorlopig Oordeel

A

271

86-1

100

Maasband

Voorlopig Oordeel

A

1539

60-1

100

Well

Versterking

B

5665

68-2

100

Venlo - Velden

Versterking

C

4814

79-1

100

Thorn - Wessem

Versterking

C

7931

54-1

300

Ottersum - Mook (deeltraject LvG)

Versterking

D

11045

65-1

100

Arcen

Versterking

A

5103

68-1

300

Venlo (deeltraject Genooy)

Versterking

A

1908

68-1

300

Venlo (deeltraject Steyl)

Versterking

A

237

69-1

300

Blerick (deeltraject Groot Boller)

Versterking

A

1212

70-1

100

Baarlo

Versterking

A

4789

74-1

100

Beesel

Versterking

A

1420

73-1

100

Buggenum

Versterking

A

1270

75-1

100

Alexanderhaven (deeltraject Lisbonne)

Versterking

A

881

76-2

100

Heel (deeltraject Heel)

Versterking

B

3010

78-1

100

Roermond (deeltraject Roerdelta)

Versterking

A

1703

76-1

300

Venlo (deeltraject Venlo 't Bat)

Versterking

A

406

68-1

100

Kessel

vervalt

vervalt

147

72-1

100

Heel (deeltraject Panheel)

vervalt

vervalt

2321

Maas 2050 | Waterschap Limburg

2.2 Aansluiting op hoge gronden (toename dijkversterkingsopgave) en kansen voor partiële oplossingen (afname dijkversterkingsopgave) De analyse

De totale opgave in kilometers kan afnemen doordat sommige dijktrajecten niet in zijn geheel versterkt hoeven te worden of toenemen doordat de dijkversterkingen in samenhang met en in aansluiting tot hoge gronden worden opgepakt.

Partiële versterkings­mogelijkheden (afname dijkversterkingsopgave) Soms wordt een dijktraject afgekeurd omdat er sprake is van één of enkele afgekeurde dijkvakken terwijl de rest van het traject op orde is. Dan is het mogelijk om voor een kleinere partiële oplossing te kiezen. Hierbij wordt het desbetreffende ‘slechte’ dijkvak

aangepakt, waardoor het totale dijktraject daarna weer voldoet aan de wettelijke norm. Dit draagt bij aan een verlaging van de totale opgave voor 2050. Bovendien ontstaat hierdoor speelruimte in de programmering en kan wellicht een evenwichtigere verdeling van de dijkversterkingen worden gerealiseerd. Om hier goed inzicht in te krijgen hebben we in een expertsessie de goedgekeurde dijkvakken binnen afgekeurde dijktrajecten tegen het licht gehouden en berekend welke reductie we kunnen bereiken met partieel versterken. Tevens is een score meegegeven waarmee de kansrijkheid voor een partiële oplossing wordt geduid: •

• •

17

Maas 2050 | Waterschap Limburg

0: b  ij dit dijktraject zijn geen mogelijkheden voor partiële oplossingen 1: b  ij dit dijktraject zijn partiële oplossingen ‘enigszins kansrijk’ 2: b  ij dit dijktraject zijn partiële oplossingen ‘zeer kansrijk’

We hebben bij de inschatting als randvoorwaarde ingebouwd dat de restlevensduur van het totale dijktraject na partiële versterking minimaal tot 2050 moet zijn. Alleen dijkvakken met een (verwachte) A+ of A score zijn meegenomen in de analyse. Het heeft immers geen nut om voor een partiële oplossing te kiezen als enkele jaren later het gehele dijktraject alsnog moet worden versterkt. Tegelijkertijd wordt opgemerkt dat met voorgaande exercitie sprake is van een inschatting en dat het niet zondermeer verstandig is om op voorhand uit te gaan van een afname van de dijkversterkingsopgave. Het vaststellen van een partiële versterking vindt immers pas plaats tijdens de verkenningsfase van een project als inhoudelijk naar de opgave gekeken wordt.

Aansluiting op hoge gronden (toename dijkversterkingsopgave) De totale opgave in kilometers kan ook veranderen doordat de dijkversterkingen in samenhang met de aansluiting op hoge gronden moeten worden opgepakt. Kenmerkend voor de Limburgse Maasvallei is immers dat de door dijken beschermde dorpen en steden in veel gevallen ook beschermd worden door hoge gronden. Dit zijn hoger gelegen delen in een gebied die samen met de aangelegde dijken, de binnendijkse gebieden beschermen tegen overstromingen vanuit de Maas. Bij een dijkversterking is het bijvoorbeeld mogelijk dat ‘hoge gronden’ niet meer hoog genoeg zijn om te zorgen voor hoogwaterbescherming overeenkomstig de wettelijke veiligheidsnorm. Ook kan het zijn dat het aansluitpunt tussen de hoge grond en het dijktraject verplaatst moet worden en trajectlengte moet worden toegevoegd aan het huidige dijktraject. Hierdoor kan de totale opgave in kilometers nog veranderen. We hebben hier in Maas2050 een globale inschatting van gemaakt op basis van een technische exercitie. Uiteindelijk speelt ook een inschatting mee van de inzichten die voortkomen uit de gebiedsparticipatie (mensen en bedrijven in betreffende gebieden die input geven op het beoogde nieuwe tracé als de huidige hoge gronden onvoldoende blijken).

18

Maas 2050 | Waterschap Limburg

De uiteindelijke toename zal daarom inzichtelijk worden en resultaat zijn van een uit te voeren verkenning, omdat met het vaststellen van een voorkeursalternatief het tracé wordt vastgesteld.

Belangrijkste resultaten

De totale restopgave kan afnemen door partiële versterkings­mogelijkheden. Het is echter niet verstandig om hier op voorhand van uit te gaan.

Op de kaarten in bijlage A is te zien bij welke dijktrajecten partiële versterking speelt. De dijkvakken waar mogelijk geen versterking nodig is, zijn met een stippellijn weergegeven. Hier staat tegenover dat bij sommige dijktrajecten de aansluiting op de hoge grond anders komt te liggen of dat de hoge grond niet meer hoog genoeg is. Een eerste inschatting is dat de totale opgave met circa 30 kilometer kan afnemen door partiële versterkingsmogelijkheden, gesaldeerd met de toename door een andere aansluiting op hoge gronden. Het is echter niet verstandig om hier op voorhand van uit te gaan omdat het definitieve besluit rondom partiële versterking en aansluiting op hoge gronden pas plaatsvindt tijdens de verkenningsfase van een project.

2.3 Kansen vanuit de omgeving De omgevingsscan

Dijkversterkingen staan nooit op zichzelf, want een dijk staat altijd in verbinding met de omgeving. Het is verstandig om bij het opstellen van de programmering niet louter te kijken naar de technische staat van een dijk, maar ook naar de mogelijkheden om mee te koppelen aan kansen uit de buitenwereld. Maar omgekeerd kan ook: kansen, wensen en kaders vanuit de omgeving meenemen in een dijkversterkingsproject. De programmeringsstrategie die we gaan ontwikkelen dient een slim samenspel te zijn van de wijze waarop we veiligheid willen realiseren, het benutten van kansen uit de omgeving en interne randvoorwaarden. Daarom is een omgevingsscan uitgevoerd. Het doel van deze omgevingsscan: In kaart brengen welke kansen uit onze omgeving raakvlakken hebben met de toekomstige dijkversterkingen en onze programmering kunnen beïnvloeden.

19

Maas 2050 | Waterschap Limburg

Deze scan hebben we in twee stappen doorlopen: 1. Eerst hebben we een deskstudie uitgevoerd en intern geïnventariseerd welke kansen er per dijktraject spelen. 2. Vervolgens hebben we extern bij onze omgevingspartners getoetst of het overzicht volledig is of dat er nog zaken ontbreken. Dit hebben we gedaan via de ambtelijke begeleidingsgroepen Hoogwaterveiligheid en Maasvallei. Daarnaast hebben we met een aantal partijen bilaterale afspraken gehad. Tot slot is intern getoetst of er nog opgaven spelen vanuit het waterschap, anders dan hoogwaterveiligheid. In bijlage B is te zien welke bronnen en partijen we hebben geconsulteerd en meegenomen in onze omgevingsscan.

Het resultaat is gevisualiseerd in kaart 2a. Hierbij hebben we onderscheid gemaakt in meekoppelkansen, kansen voor rivierverruiming en grotere ontwikkelingen die in samenhang moeten worden bezien: •

Meekoppelkansen Er is sprake van een meekoppelkans als de dijkversterkingsopgave en de meekoppelkans elkaar en het landschap versterken. Het kan hierbij gaan om lokale, regionale of landelijke ambities waarvoor aanvullend budget vanuit de omgeving noodzakelijk is. Denk bijvoorbeeld aan onderhoud aan provinciale wegen, wensen voor recreatieve fietspaden, stedelijke ontwikkeling of natuurontwikkeling. Maar ook aan meekoppelkansen vanuit het waterschap zelf, zoals KRW-maatregelen of maatregelen ten behoeve van wateroverlast in het watersysteem.

•

 ansen voor rivierverruiming (inclusief K systeemmaatregelen) Onder kansen voor rivierverruiming verstaan we kansen om hoogwaterveiligheid te realiseren via rivierverruiming. Rivierverruiming kan om meerdere redenen een impact hebben op de dijkversterkingen. Door het uitvoeren van rivierverruimende maatregelen kan soms de hoogteopgave aan de dijken gereduceerd worden. Tevens kan door het combineren van de rivierverruiming met de dijkversterking een betere inpasbaarheid van de dijkversterking worden gerealiseerd (denk bijvoorbeeld aan de steilranddijken in Ooijen-Wanssum). In de omgevingsscan hebben we de kansen voor rivierverruiming en de watersysteemmaatregelen uit de Adaptieve Uitvoeringsstrategie Maas (Deltaprogramma, 24 oktober 2019) meegenomen.

Belangrijkste resultaten

•

 rotere ontwikkelingen die in G samenhang moeten worden bezien In een aantal gebieden in Limburg spelen grotere, soms zelfs grensoverschrijdende ontwikkelingen die in samenhang moeten worden bezien. Deze beslaan vaak meerdere dijktrajecten, diverse meekoppelkansen in combinatie met kansen voor rivierverruiming. In sommige gevallen maken ze deel uit van het meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) en/of hebben ze de stempel pilot Integraal Rivier Management (IRM).

Daarnaast zijn aparte kaarten gemaakt met kansrijke gebieden voor het toepassen van gebiedseigen grond (kaart 2b). •

20

 oepassingsmogelijkheden voor T gebiedseigen grond Dijken kunnen sneller, goedkoper en duurzamer worden versterkt door het gebruik van gebiedseigen grond. Het gebruik van gebiedseigen grond betekent niet alleen lagere kosten, maar ook milieu- en duurzaamheidswinst door minder transportbewegingen. Dit zorgt tevens voor minder overlast in

Maas 2050 | Waterschap Limburg

het gebied. Vroeger was bouwen met lokaal beschikbare grond normaal, maar om de kwaliteit van dijken te borgen zijn er strenge regels opgesteld. Toch is er binnen die strenge regels veel mogelijk. Belangrijke randvoorwaarden zijn voldoende tijd en ruimte voor een alternatief ‘grondgestuurd ontwerp’. Dit vraagt wel vroegtijdige afstemming van grondstromen om de leverende locatie aan de dijkversterking te koppelen. Daarom is het belangrijk om inzicht te krijgen in kansrijke locaties voor het gebruik van gebiedseigen grond. •

 abels en leidingen K Een andere belangrijke meekoppelkans zijn grootschalige onderhoud- of vervangingswerkzaamheden aan kabels en leidingen. Vaak zijn dit kostbare projecten. Koppelen met werkzaamheden aan kabels en leidingen is met name kansrijk als deze parallel lopen aan keringen. In de omgevingsscan is gekeken naar de leidingen van WML, WBL, PPS, Enexis en RWE.

Per dijktraject hebben we inzicht in de meekoppelkansen en kansen voor rivierverruiming. Ook weten we waar toepassingsmogelijkheden zijn voor het gebruik van gebiedseigen grond. In een viertal gebieden spelen grotere ontwikkelingen die in samenhang met de dijkversterkingen moeten worden bezien. Dit zijn: 1) het Zuidelijk Maasdal (Maastricht); 2) de Noordelijk sector (Echt Susteren / Maasgouw); 3) Roermond en 4) Vierwaarden en Venlo.

Meekoppelkansen, kansen voor rivierverruiming en grotere ontwikkelingen Op kaart 2a is de omgevingsscan gevisualiseerd. Per dijktraject is te zien welke meekoppelkansen en kansen voor rivierverruiming er zijn. Tevens zijn er vier gebieden geïdentificeerd waar grotere ontwikkelingen spelen die in samenhang moeten worden bezien: 1. Zuidelijk Maasdal (Maastricht) In het Zuidelijk Maasdal zijn er mogelijkheden om de hoogwaterstanden van de Maas door middel van rivierverruimende maatregelen substantieel te verlagen. Daardoor hoeven de keringen in het Maasdal en in het centrum van Maastricht minder te worden verhoogd. Omdat zich hier een veelheid aan oplossingsrichtingen en meekoppelkansen aandient, wordt hier een MIRT-onderzoek uitgevoerd.

Daarnaast is het deel van het plangebied rondom het Julianakanaal tevens een pilot in het kader van Integraal riviermanagement (IRM) onder de naam ‘Maasoevers Maastricht’. 2. Noordelijke sector (Echt Susteren/Maasgouw) Ook hier zijn kansen om de waterstanden van de Maas substantieel te verlagen door rivierverruimende maatregelen aan Belgische8 en Nederlandse zijde (Contelmo en Heerenlaak). Tevens lopen hier meekoppelkansen rondom de Pater Sangersbrug over de Maas. Indien bovenstaande rivierverruimende ontwikkelingen doorgaan, hoeven de dijken bij Nattenhoven-Roosteren beduidend minder hoog te worden.

3. Roermond  Rondom het centrum van Roermond zal de dijkversterking Roermond (76-1 en 76a-1) in samenhang moeten worden bezien met het functioneren van de hoogwaterbypass, de zogenaamde Groene Rivier. Tijdens de watercrisis van 2021 is deze bypass niet ingezet omdat er een reëel risico was op een dijkdoorbraak. Daarnaast speelt er nabij Roermond ook een IRM-pilot rondom het verlagen van de dam langs het Lateraal Kanaal. Deze maatregel is relevant voor de waterveiligheid (o.a. bij Maria Oolderhuuske en de jachthaven), maar heeft verder geen raakvlak met de dijkversterkingen in dit gebied omdat het verlagen van de dam geen effect heeft op de maatgevende waterstand die gebruikt wordt bij het ontwerpen van de keringen.

21

Maas 2050 | Waterschap Limburg

4. Vierwaarden en Venlo  De projectnaam Vierwaarden verwijst naar vier weerden (uiterwaarden). Dit zijn de Maasoevers bij: Venlo-Velden, Grubbenvorst, Lottum en Arcen (Hertogbroek). In november 2020 hebben Rijk en regionale overheden afgesproken een voorverkenning uit te voeren. Het streven is te komen tot een samenhangende aanpak waarin alle opgaven en ambities logisch en met oog voor de landschappelijke waarden samen komen. Denk hierbij aan mogelijke maatregelen gericht op natuur, landschap, cultuur, delfstoffenwinning en waterveiligheid (dijkversterking, dijkverlegging, kwel-/ natuurgeul, hoogwatergeul, nevengeul). Het gebied is tevens pilot in het kader van Integraal riviermanagement (IRM) onder de naam ‘Samenhangende uitwerking ten noorden van Venlo’. Het project Vierwaarden zorgt tevens voor een waterstandsverlaging en heeft daarmee ook een vermindering van de dijkverhogingsopgave in het centrum van Venlo, Tegelen, Blerick en verder stroomopwaarts tot gevolg.

Toepassingsmogelijkheden voor gebiedseigen grond Op kaart 2b zijn de kansrijke gebieden voor het toepassen van gebiedseigen grond te zien. Deze kaart is gemaakt op basis van een analyse in het Project Overstijgende Verkenning Dijkversterking met Gebiedseigen Grond (POV DGG). Hierbij is de kansrijkheid voor het toepassen van gebiedseigen grond gekoppeld aan de dijkversterkingsopgave. Daarnaast is het gebruik van gebiedseigen grond kansrijk als de dijkversterking gekoppeld wordt aan rivierkundige maatregelen, zoals weerdverlaging en/of realisatie van geulen (kwelgeulen, hoogwatergeulen of nevengeulen). Door dit nu in beeld te brengen, kan op tijd geanticipeerd worden op dat wat nodig is om kansen ook te verzilveren. Zo wordt ‘duurzaam werken’ ook ‘duurzaam programmeren’.

8 Niet alleen rivierverruiming in Nederland, maar ook rivierverruiming in België wordt verwerkt in de hydraulische randvoorwaarden van de rekenmodellen die wij gebruiken voor de dijkversterkingen. Omdat de Belgische projecten een andere besluitvormingsprocedure kennen dan de Nederlandse projecten, gebeurt dit over het algemeen op een later moment. Dit gebeurt op het moment dat de maatregelen onomkeerbaar zijn.

De volgende clusters komen als kansrijke combinaties naar voren:

22

Maas 2050 | Waterschap Limburg

•

 ob van Gennep (54-1) en Gennep (55-1): L De grond die vrij komt bij de pilotlocatie Lob van Gennep en mogelijke weerdverlaging te Mook kan worden gebruikt voor de toekomstige dijkversterking van het dijktraject Gennep (urgente veiligheidsopgave). De Maasheggen worden wel als een aandachtspunt gezien in dit gebied in verband met de beschermde status.

•

 ottum (66-1), Grubbenvorst (76-1), L Venlo Velden (68-2), Venlo (68-1), Blerick (69-1) en Baarlo (70-1): De grond die vrij komt bij het IRM-/HWBPproject Vierwaarden en de mogelijke dijkteruglegging te Baarlo kan worden gebruikt voor de dijkversterkingen Venlo-Velden en Baarlo. De toekomstige dijkversterkingen Venlo en Blerick (beide urgente veiligheidsopgave) zijn in mindere mate mee te koppelen gezien de vele kunstwerken.

•

 oermond (76-1), Hammerveld (76A-1) R en Merum Ool Herten (77-1): De grond die vrij komt bij de verlaging van de dam Lateraal Kanaal en systeemmaatregel Thorn Wessem kan worden gebruikt voor de toekomstige dijkversterkingen Roermond, Hammerveld en Merum Ool Herten (allen urgente veiligheidsopgaven). Wel is er bij dijktraject Roermond sprak van vele kunstwerken (langsconstructies) waardoor dit in mindere mate is mee te koppelen.

•

 asterberg (82-1) en NattenhovenA Roosteren (83-1): De grond die vrij komt bij het project Heerenlaak (BE) en Contelmo (NL) kan worden gebruikt voor de toekomstige dijk-versterkingen Aasterberg (minder urgente veiligheidsopgave) en NattenhovenRoosteren (urgente veiligheidsopgave). Verder heeft de maatregel Contelmo ook effect op Ohé en Laak- Stevensweert (81-1). Verdrogingsproblemen worden als hindernis gezien in dit gebied om gebiedseigengrond te gebruiken.

•

 uidelijk Maasdal (90-1 t/m 95-1): De Z grond die vrij komt bij de mogelijke MIRT-projecten ‘stuw Bosscherveld’, ‘nautische veiligheid’, ‘doorvaart Pietersplas’ en ‘groene rivier’ kan worden gebruikt voor de dijktrajecten met urgente en minder urgente veiligheidsopgaven. Wel zijn er bij dijktraject Maastricht (oost en west) kunstwerken die mogelijk een obstakel kunnen vormen.

Raakvlakken met kabels en leidingen In overleg met partijen op het gebied van kabels en leidingen (WBL, PPS, Enexis en WML) is een inventarisatie gemaakt van de kabels en leidingen welke raakvlak hebben met de dijken in het beheersgebied van Waterschap Limburg. Hierbij is de focus voornamelijk gelegd op kabels en leidingen welke parallel lopen aan de primaire keringen. In kaarten en gespreksverslagen is vastgelegd waar meekoppelkansen liggen.

Een doorkijk naar de toekomst

Doel van de omgevingsscan is om te bepalen welke kansen uit onze omgeving raakvlakken hebben met de toekomstige dijkversterkingen en onze programmering kunnen beïnvloeden. Deze hebben een plek gekregen in dit rapport en worden gebruikt bij het opstellen van de scenario’s. We moeten ons echter realiseren dat het om een momentopname gaat: er komen kansen bij en er verdwijnen er ook weer. Ook zijn er kansen die niet aan één locatie op kaart zijn te koppelen, maar wel belangrijk zijn om mee te nemen. Daarom is het goed om de omgevingsscan periodiek te actualiseren. Hierbij zijn in ieder geval de volgende aandachtspunten van belang. •

23

I ntegraal Rivier Management (IRM). De drie lopende IRM-pilots hebben een plek gekregen in de omgevingsscan (Maasoevers Maastricht, Verlagen

Maas 2050 | Waterschap Limburg

dam Lateraal kanaal, Vierwaarden). Eind 2023 wordt IRM een programma onder de Omgevingswet (POW). Dit programma bevat de integrale visie op het rivierengebied, ambitieniveaus voor de afvoercapaciteit en bodemligging en maatregelen om deze visie vorm te kunnen geven. Ook wordt in het programma vastgelegd hoe dit gerealiseerd moet worden. Zowel Maas2050 als IRM gaan aan de slag met een langetermijnprogrammering, maar wel op een ander schaalniveau. Afstemming blijft belangrijk. •

 tikstofproblematiek. S In het regeerakkoord staat dat de overheid maatregelen gaat nemen om de stikstofuitstoot te verminderen en de natuur te verbeteren. Wellicht is het interessant om met Maas2050 aansluiting

te zoeken bij initiatieven om meer stikstofruimte in de regio te realiseren. •

 rogrammatische Aanpak Grote P Wateren (PAGW). De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hebben het investeringsprogramma Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW) gestart. Dit programma heeft tot doel de waterkwaliteit te verbeteren en de natuur te versterken in en om de Nederlandse grote wateren, o.a. door het creëren van natuurlinten. Binnen Limburg zijn er kansen om de ecologische systeemopgave PAGW voor de Maas vorm te geven via stapstenen in o.a. Baarlo-Hout Blerick, de IRM pilots Vierwaarden en Maasoevers Maastricht en de MIRT-verkenningen Thorn Wessem

en Lob van Gennep. Ook kunnen zich in de tijd nieuwe kansen voordoen die kleinere stapstenen zullen opleveren. Daarom is het belangrijk om aansluiting te zoeken bij de verdere planuitwerking van PAGW. •

 ecreatieve wandel- en fietspaden. R In het gehele plangebied doen zich kansen voor om dijkversterkingen te combineren met de aanleg en uitbreiding van een recreatief routenetwerk. Belangrijk is om hier via gemeenten en provincie over geïnformeerd te blijven.

2.4 Leerpunten en inzichten naar aanleiding van de watercrisis En toen was er de watercrisis. Het extreme hoogwater in juli 2021 leidde in Limburg tot enorme maatschappelijke, financiële en emotionele schade. De regering verklaarde de situatie in Limburg tot nationale ramp. De overstromingen staan ons nog scherp op het netvlies: nachtelijke evacuaties, woningen onder water, bedrijven die stil kwamen te liggen en vooral de totale ontreddering van mensen in nood. De gebieden langs de Maas zijn door het oog van de naald gekropen. Naar aanleiding van de watercrisis zijn er diverse evaluaties geweest, is er een beleidstafel in het leven geroepen en is er een propositie aangeboden aan het Rijk. De belangrijkste conclusies en aanbevelingen die relevant zijn voor Maas2050 worden hier beschreven.

24

Maas 2050 | Waterschap Limburg

Propositie

Naar aanleiding van watercrisis hebben de Limburgse gemeenten, Waterschap Limburg en de Provincie Limburg de propositie ‘Naar een robuust watersysteem in Limburg’ geschreven en aangeboden aan het Rijk (november 2021). Reden is dat we een ramp als deze nooit meer willen meemaken. Met de propositie nodigen we het rijk uit om samen met de regio te werken aan een structurele aanpak en financiering voor klimaatadaptatie om het watersysteem in Limburg klimaatrobuust te maken. Concreet vragen we het Rijk de prioritering van de projecten in het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) aan te passen én om samen met de regio een fonds van 1,2 miljard euro te realiseren voor een meerjarig adaptief programma. Deze propositie zal worden uitgewerkt in een gezamenlijk

actieprogramma. Dit is de volgende stap om de kans op herhaling van een ramp zo klein mogelijk te maken. Hierbij zijn de volgende aandachtsvelden benoemd (3, 4 en 5 relevant zijn voor Maas2050): 1. De versnelling en intensivering van het programma Water in balans voor de regio Heuvelland; 2. De aanpak van klimaatadaptatie in Parkstad, de westelijke Mijnstreek en Midden- en Noord Limburg; 3. Het hoofdwatersysteem van de Maas integraal aanpakken rondom hoogwaterveiligheids-knelpunten bij Maastricht (zuidelijke Maasoevers); 4. Een samenhangende aanpak aan de noordkant van Venlo (Vierwaarden) voor hoogwaterveiligheid; 5. Het hoofdwatersysteem van de Maas en het regionaal watersysteem Roermond en omgeving.

Beleidstafel wateroverlast en hoogwater

Na de watercrisis van juli 2021 heeft de minister de beleidstafel wateroverlast en hoogwater ingericht. Het doel van de beleidstafel is om te leren van de opgetreden situatie in Limburg en om, ook op andere plekken in Nederland, nu en in de toekomst, beter gesteld te staan voor de gevolgen van een periode van extreme neerslag die naar verwachting steeds vaker voor gaat komen. Inmiddels is de eerste fase van de beleidstafel afgerond. Deze heeft geleid tot een aantal aanbevelingen gericht op het omgaan met extreme neerslag en wateroverlast en toewerken naar een klimaatrobuuste inrichting van Limburg en Nederland als geheel. Onderstaande conclusies met betrekking tot de werking van het hoofdwatersysteem (de Maas) zijn relevant voor Maas2050. •

•

25

 et hoofdwatersysteem is met de H combinatie van dijken en voldoende ruimte goeddeels in staat gebleken om de extreme neerslag van juli op te vangen. Beide componenten dienen dan ook op orde te zijn en te blijven bij veranderend klimaat.  p een aantal locaties is de O maatgevende waterstand bereikt en is uit voorzorg geëvacueerd gebaseerd op een inventarisatie van zwakke plekken. Uit eerste inventarisatie is geconstateerd dat de zwakke plekken zich langs de Maas concentreren rond de huidige HWBP-projecten, aangevuld met de

Maas 2050 | Waterschap Limburg

stedelijke gebieden van Maastricht, Roermond, Venlo en Gennep/Heijen.

•

 fgesproken systeemwerkings­ A maatregelen te evalueren en in samenhang met de beleidsontwikkeling binnen IRM te onderzoeken wat er nodig is om deze systeemwerking verder te verbeteren.

uit beoordeling uit 2011 blijkt dat de zwakke plekken zich voornamelijk bevinden langs de dijktrajecten die in het lopende HWBPprogramma zitten, alsmede de trajecten die slecht uit de technische ranking komen en als urgent zijn bestempeld.

•

 nderzoek de mogelijkheden voor O behoud en vergroten van het natuurlijk rivierbed in de Maasvallei.

De top van de meest urgente zwakke plekken: • Dijktraject Roermond • Dijktraject Venlo - Blerick • Dijktraject Ottersum - Mook (deeltraject Lob van Gennep) • Dijktraject Gennep • Dijktraject Maastricht

Concreet worden de volgende aanbevelingen gedaan: •

•

•

Laat lopende dijkversterkingsprojectenHWBP / systeemmaatregelen-MIRT voortvarend doorgaan en ga na of binnen deze lopende HWBP-projecten / systeemmaatregelen-MIRT het haalbaar is een rivierkundig gunstiger variant in te passen (o.a. Arcen, Well, Baarlo-Hout-Blerick).  e voorverkenningen / IRM-pilots D onverkort en voortvarend te laten doorgaan, en te onderzoeken of een MIRT-verkenning kan worden gestart voor Vierwaarden en MaastrichtMaasoevers, waarbij Rijk en regio kiezen voor een integrale gebiedsgerichte benadering (samenhangende aanpak) in beide projecten en waarin behoud van het rivierbed een plaats kan krijgen. Daarnaast dient te worden onderzocht of de planuitwerking voor Contelmo spoedig kan worden opgestart.  e beoordeling van de dijktrajecten D bij de zwakke plekken in de stedelijke gebieden die nog geen onderdeel zijn van een lopend project of verkenning (te weten: Maastricht, Roermond, Venlo (centrum) en Gennep/Heijen) af te ronden en binnen het HWBP te programmeren waar deze niet aan de norm voldoen.

Eigen analyse zwakke plekken

Tijdens de watercrisis zijn op diverse plekken langs de Maas zandzakken gelegd, zijn gebreken aan de dijken geconstateerd en/of zijn mensen geëvacueerd. Naar aanleiding van de gebeurtenissen is de vraag gesteld waar zich de zwakke plekken bevinden in de Limburgse waterkeringen. Uit de recent afgeronde beoordelingen en

Zolang de benodigde dijkversterkingen nog niet zijn uitgevoerd, dienen in het beheer maatregelen te worden getroffen om tijdens momenten van het hoogwater de veiligheid zoveel als mogelijk te kunnen borgen.

Belangrijkste resultaten

Bovenstaande aanbevelingen uit de Beleidstafel, onze eigen evaluatie van de zwakke plekken in de keringen, maar ook de aandachtsvelden die in de propositie worden genoemd zijn congruent aan onze bevindingen uit Maas2050. Ze onderschrijven de noodzaak om: •

•

 oortvarend door te gaan met het V huidige HWBP programma Noordelijke Maasvallei; Snel aan de slag te gaan met de dijkversterkingen in de stedelijke gebieden die nu nog geen onderdeel zijn van een lopend HWBP project. Te weten Maastricht,

•

Roermond, centrum Venlo en Gennep;  e gebieden Zuidelijke Maasoevers D Maastricht, Roermond, Contelmo (Noordelijke sector) en het gebied aan de noordkant van Venlo (Vierwaarden) integraal te bezien.

De totale opgave

3

Onze Maas. Onze veiligheid. 26

Maas 2050 | Waterschap Limburg

3.1 De totale dijkopgave uitgedrukt in geld In paragraaf 2.1 en paragraaf 2.2 hebben we geconstateerd dat ná afronding van het huidige HWBP-programma nog maximaal 121 kilometer vóór 2050 versterkt moet worden.

In tabel 2 laten we zien wat de totale opgave is, uitgedrukt in euro’s. Dit hebben we op twee manieren gedaan. 1. Op basis van het landelijk referentiekader HWBP (Referentiekader projectaanpak HWBP, 13 april 2021).

2. Op basis van een realistische kostenraming van dijkversterkingen in Limburg (Eindrapportage Analyse HWBP projecten Waterschap Limburg, AT Osborne, maart 2022)

Tabel 2 De totale restopgave uitgedrukt in euro’s. 1. Opgave o.b.v. het landelijke referentiekader HWBP Aantal km

121 km

•

Grote complexiteit à € 12,5 mln./km

48,5 km

•

Gemiddelde complexiteit à € 7,5 mln./km

72,4 km

Bedrag in € (totaal)

€ 1,15 miljard

Bedrag in € (per kilometer)

€ 9,5 miljoen

Totale bijdrage in € van Waterschap Limburg (10%)

€ 115 miljoen

2. Opgave o.b.v. een realistische inschatting voor Limburg

27

Maas 2050 | Waterschap Limburg

Aantal km

121 km

•

Zeer grote complexiteit à € 17,5 mln./km (2)

17,3 km

•

Grote complexiteit à € 12,9 mln./km (1)

31,2 km

•

Gemiddelde complexiteit à € 7,9 mln./km (0)

72,4 km

Bedrag in € (totaal)

€ 1,28 miljard

Bedrag in € (per kilometer)

€ 10,6 miljoen

Totale bijdrage in € van Waterschap Limburg (10%)

€ 128 miljoen

Veel Limburgse dijkversterkingstrajecten hebben om meerdere redenen te maken met complexiteitsverhogende en kostenopdrijvende factoren. Dit komt omdat Limburg zich kenmerkt zich door een unieke dijkopgave. Het historisch ontbreken van dijken vraagt om flinke dijkophogingen, tracéwijzigingen en hiermee gepaard gaande zorgvuldige inpassingsprocessen. Voorgenoemde, samen met de relatief gezien korte dijktrajecten, de hieruit volgende gekozen technische oplossingen, de maatschappelijke- en bestuurlijke aandacht voor de dijkprojecten en de lopende organisatietransitie resulteren in relatief hoge investeringskosten per kilometer dijktracé in vergelijking met het alliantiebrede kostenniveau van de HWBP-projecten. AT Osborne heeft in 2022 een benchmarkonderzoek gehouden om te onderzoeken hoe de door Waterschap Limburg te realiseren dijkopgave in de Noordelijke Maasvallei zich verhoudt tot het door het HWBP gehanteerde referentiekader voor subsidieaanvragen. Ook zijn de totale geraamde investeringskosten uit de beschikkingsaanvragen van de projecten uit het huidige HWBP programma Noordelijke Maasvallei inzichtelijk gemaakt. Op basis van de resultaten uit het onderzoek hebben we een reële inschatting gemaakt van de toekomstige opgave.

28

Maas 2050 | Waterschap Limburg

Hieruit kunnen we concluderen dat we voor Maas2050 rekening moeten houden met een hoger investeringsbedrag dan het investeringsbedrag dat volgt uit de toepassing van de getallen uit het landelijk referentiekader. De totale bruto kosten voor Maas2050 komen uit op € 1,15 miljard op basis van het referentiekader en op € 1,28 miljard op basis van een reële inschatting (zonder indexering voor inflatie én zonder rekening te houden met partiele versterkingsmogelijkheden).

Het effect op de belastingopbrengst

10 procent van de bruto investeringen moet het Waterschap Limburg zelf betalen. Deze bijdrage in de kosten worden gezien als investeringen. Het bestempelen als investering maakt dat we het 'administratief verbruik' of waardevermindering gaan verdelen over meerdere jaren. Voor waterkeringen geldt een afschrijvingstermijn van 30 jaar. De lasten hiervoor komen in de exploitatierekening tot uitdrukking in de post ‘kapitaallasten’ en bestaan uit afschrijving en rente.

Het rijk betaalt hiervan 90%, 10% moet door het waterschap zelf moet worden betaald. De totale bijdrage van Waterschap Limburg komt hiermee op € 115 miljoen op basis van het referentiekader en op € 128 miljoen op basis van de realistische inschatting.

Voor de verdere uitwerking van Maas 2050 gaan we uit van de realistische kostenraming van dijkversterkingen in Limburg. Hierbij houden we rekening met een bruto investeringsbedrag van € 1,28 miljard, waarvan een bijdrage van het waterschap van 128 miljoen.

Om de hogere exploitatielasten te kunnen dekken is een stijging van de belastingopbrengst nodig. Op basis van de huidige begroting moet rekening worden gehouden met een gemiddelde opbrengststijging van 0,28 % per jaar van de watersysteemheffing in de periode 2024-2050 als gevolg van de dijkversterkingsopgave uit Maas2050.

3.2 Aandachtspunten vanuit het landelijke HWBP en de markt Aandachtspunten vanuit het landelijke HWBP

De totale opgave is besproken met het landelijke HWBP met als doel aandachtspunten op te halen voor de programmeringsstrategie. Als subsidieverstrekker is het landelijke HWBP een belangrijke stakeholder. Het HWBP heeft ons de volgende aandachtspunten meegegeven voor het opstellen van de programmering: •

29

 luster door grotere blokken/ C werkpakketten te maken. Ga niet te veel fragmenteren. Probeer werkpakketen te maken van 10-15 km en zorg daarbinnen voor een gebiedsgerichte aanpak. Dit kan voordelen hebben vanuit bestuurlijk perspectief, rivierkundig perspectief, marktkundig perspectief, duurzaamheids- en kostenperspectief (bijv. door gebruik van gebiedseigen grond).

Maas 2050 | Waterschap Limburg

•

•

 omplexiteit van de gekoppelde C werkstromen. Hou rekening met de complexiteit van de opgave. Wellicht is het verstandig om werkpakketten te maken waarbij kleine complexe stukjes (bv versterking van stedelijke harde keringen) worden gecombineerd met eenvoudigere grotere stukken groene kering. Pak niet alle complexe stukken tegelijkertijd aan. Kies een gezonde mix.  e markt. Probeer ook gevoel te krijgen D hoe de opgave interessant wordt voor de markt. Hoe kijkt de markt naar de Limburgse opgave en is het mogelijk is om samen met de markt op te trekken? Achterhaal of er op de markt voldoende en de juiste capaciteit is om de Limburgse opgave te realiseren. Waarbij de Limburgse opgave in perspectief gezien moet worden van de nationale opgave.

•

 uidige organisatiestructuur. Kijk of de H nieuwe opgave op een logische wijze kan worden weggezet in de huidige organisatie. Bereken de benodigde capaciteit voor het HWBP-programma van waterschap Limburg, maar benoem ook de consequenties voor de lijnorganisatie.

•

 rgentiebepaling landelijk HWBP. U Maak de wijze waarop landelijk de urgentie wordt bepaald bespreekbaar binnen de alliantie. Dit is belangrijk omdat de plaats van een project op het landelijke programma bepalend is voor het tijdstip van financiering. Het landelijke Hoogwaterbeschermingsprogramma rangschikt projecten op basis van urgentie en koppelt elk jaar de beschikbare financiering (voor zes jaar, doorkijkend naar twaalf jaar) aan de projecten. De Limburgse dijktrajecten staan laag in de urgentiebepaling van het landelijke HWBP. Dit komt omdat de urgentie wordt bepaald op basis van beperkte en verouderde gegevens

(VNK). In ieder geval voor Limburg. In 2022 worden de beoordelingsresultaten (WBI) opgeleverd. Deze zijn gebaseerd op actuele gegevens en geven een betrouwbaar beeld van de status van de dijktrajecten. Voorstel aan de Programmadirectie van het Landelijke HWBP zou moeten zijn om de wijze van urgentiebepaling en rangorde in de programmering te actualiseren op basis van de WBI. Hierbij zouden ook andere variabelen meegewogen kunnen worden zoals omgevingsontwikkelingen, absolute veiligheid en continuïteit/stabiliteit van de organisatie. Dit is belangrijk omdat de plaats van een project op het landelijk programma bepalend is voor het tijdstip van financiering. Een beheerder kan ervoor kiezen de kosten van een project voor te schieten. Dit noemen we voorfinanciering. Als een waterschap een project voorfinanciert, vindt uitvoering van het project eerder plaats dan de uitbetaling. De rentelasten zijn dan voor rekening van het waterschap.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leudal&id=3f80b013-9901-4e95-b24b-626a46c6b30a