CConstaterende datLeudal
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 BOPA HS-Station Kelpen

Raadsvergadering 18 maart 2025, gemeente LeudalBij agendapunt: Raadsvoorstel Uitbreiden werkterrein HS-station Kelpen-Oler9.916 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Gemeente Leudal

Ruimtelijke motivering opslagterrein HS-Station Kelpen

datum projectnummer

13 december 2024 242762

Rapport

Aveco de Bondt BV Holten - Amstelveen - Breda - Eindhoven - Nieuwegein Postbus 64, 7450 AB Holten T +31 88 004 82 12 info@avecodebondt.nl avecodebondt.nl

BOPA HS-station Kelpen project projectnummer projectleider

opdrachtgever

BOPA HS-station Kelpen 242762 Jelle Snepvangers Volker Energy Solutions B.V. Rotterdam

auteur

Concept Judith Paus

paraaf

Jelle Snepvangers

Status

gecontroleerd

Jelle Snepvangers MSc

datum referentie

13 december 2024 242762_AdB_RAP_0001_v1.0

Inhoudsopgave 1 1.1 1.2 1.3

Aanleiding en doel Aanleiding Het vigerende omgevingsplan Leeswijzer

1 1 2 4

2 2.1 2.2 2.3 2.4

Planbeschrijving Inleiding Bestaande situatie Toekomstige situatie Verkeer en parkeren

5 5 5 6 7

3 3.1 3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.2 3.2.1 3.2.2 3.3 3.3.1

Beleid en regelgeving Rijksbeleid en rijksregels Nationale omgevingsvisie NOVEX Provinciaal beleid Provinciale omgevingsvisie Limburg 2021 Omgevingsverordening provincie Limburg 2021 Gemeentelijk beleid Structuurvisie gemeente Leudal

9 9 9 9 9 10 10 11 11 11

4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13 4.14

Aspecten fysieke leefomgeving Inleiding M.e.r.-beoordeling Ladder voor duurzame verstedelijking Duurzaamheid Gezondheid Activiteiten en milieuzonering Geluid Bodem Luchtkwaliteit Natuurwaarden Stikstof Archeologie en cultuurhistorie Water Omgevingsveiligheid

13 13 13 13 14 15 16 17 18 19 19 23 24 25 27

5 5.1 5.2

Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

29 29 29

6

Conclusie

30

Bijlagen Bijlage 1 Schematische weergave initiatief

datum referentie

13 december 2024 242762_AdB_RAP_0001_v1.0

Bijlage 2 Verkennend bodemonderzoek Bijlage 3 Ecologisch werkprotocol Bijlage 4 AERIUS-berekening Bijlage 5 Notitie afwatering verhard oppervlak

datum referentie

13 december 2024 242762_AdB_RAP_0001_v1.0

1

Aanleiding en doel

1.1 Aanleiding TenneT staat voor een grote uitdaging in de komende jaren. Om de leveringszekerheid van elektriciteit ook in de toekomst te kunnen garanderen moeten in tien jaar tijd circa 145 verouderde 110 kV- en 150 kVhoogspanningsstations vernieuwd worden. De traditionele bouwmethode is hiervoor echter te tijdrovend. Daarom is het Bay Replacement programma (BRP) in het leven geroepen. Met dit programma stuurt TenneT aan op standaardisatie van onderdelen en bouwmethode en op kortere realisatietijden. De standaardisatie voorziet onder meer in geprefabriceerde uitrijdbare velden op SKID's, resulterend in beperkte (test)werkzaamheden op de locatie. Om te testen of deze gestandaardiseerde aanpak haalbaar is zijn er zes Proof of Concept ombouwprojecten opgestart. De vernieuwing van het 150 kV hoogspanningsstation in KelpenOler is een van de stations binnen dit Proof of Concept programma. Om deze gestandaardiseerde bouwmethode en logistieke werkwijze mogelijk te maken is ruimte nodig voor het tijdelijk opslaan van geprefabriceerde onderdelen nabij de bouwlocatie. De opslag is voorzien op een agrarisch perceel, grenzend aan de zuidzijde van het bestaande werkterrein van hoogspanningsstation Kelpen-Oler. Het terrein wordt grotendeels verhard aangelegd en voorzien van een infiltratieveld ten behoeve van de waterberging.

Daarnaast is er behoefte aan een tijdelijke (niet verharde) opslagplaats voor grond die vrijkomt bij de ombouw van het hoogspanningsstation. Dit bevindt zich direct naast het verharde opslagterrein. De beoogde ontwikkeling is niet mogelijk binnen het vigerende o G -012024 in werking is getreden. De opslag vindt namelijk plaats binnen een agrarische bestemming en is in strijd met de algemene gebruiksregels van het omgevingsplan. Om het plan mogelijk te maken wordt een omgevingsvergunning voor een realisatie van het plan worden toegestaan in afwijking van het vigerende omgevingsplan. Aan de aanvraag van toegevoegd. Een uitsnede van het besluitgebied is weergegeven in het navolgende figuur 1.

datum referentie

13 december 2024 242762_AdB_RAP_0001_v1.0

P 1/35

Figuur 1: Situering besluitgebied

1.2 Het vigerende omgevingsplan Ter plaatse van het besluitgebied geldt het Omgevingsplan gemeente Leudal. Het tijdelijke deel van het omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen en de bruidsschat. De bruidsschat betreft een set regels die de rijksoverheid automatisch onderdeel heeft laten uitmaken van het omgevingsplan. Gemeenten en waterschappen krijgen door de bruidsschat de tijd om zelf een afweging te maken of en hoe ze deze onderwerpen willen opnemen in het definitieve omgevingsplan van de gemeente Leudal. Ter hoogte van het besluitgebied zijn Reparatie, vastgesteld op 4 september 2019. In dit bestemmingsplan Archeologie

Daarnaast kent het besluitgebied

. Ook is de besluitgebied van toepassing. In het navolgende figuur zijn de verschillende bestemmingen en de gebiedsaanduidingen weergegeven.

datum referentie

13 december 2024 242762_AdB_RAP_0001_v1.0

P 2/35

Figuur 2: Bestemmingen en gebiedsaanduiding besluitgebied

Strijdigheid en toelaatbaarheid De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie en het gebruik van een opslagterrein voor vrijgekomen grond en belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling vinden geen grondboringen dieper dan 80 meter plaats binnen de boringsvrije zone. Daarnaast worden binnen de vrijwaringszone geen gevoelige objecten gerealiseerd zoals bedoeld in het omgevingsplan. Derhalve mag er wel ontwikkeld worden in de vrijwaringszone van de hoogspanningsverbinding. Er is evenmin strijdigheid met de dubbelbestemmingen Waarde Archeologie 5 en Waarde Archeologie 6. Ter plaatse van de waterberging en greppels vinden ontgravingen plaats, echter deze blijven wat betreft oppervlakte en diepte binnen de vrijstellingsgrenzen van deze bestemmingen. Op grond van artikel 3.7.1 van het bestemmingsplan is het verboden om wegen, paden, parkeergelegenheden of andere oppervlakteverhardingen aan te leggen of te verharden met een oppervlakte van meer dan 100 m 2. Onderhavig initiatief overschrijdt deze grens waardoor volgens artikel 3.7.3. de toelaatbaarheid van het initiatief getoetst dient te worden.

Het initiatief is slechts toelaatbaar indien door die werken of werkzaamheden, dan wel door het indirecte effect ervan, de in de bestemming 'Agrarisch' genoemde waarden en doeleinden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de eerstbedoelde waarden niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind. Voor deze activiteit is een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (voorheen: uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden) aangevraagd. Bij deze aanvraag is een nadere motivering ingediend om aan te tonen dat de activiteit toelaatbaar is. De activiteit voldoet daarmee aan het omgevingsplan.

datum referentie

13 december 2024 242762_AdB_RAP_0001_v1.0

P 3/35

De opslag van materialen en grond is echter wel in strijd met de algemene gebruiksregels van artikel 50.1.2. van het bestemmingsplan en, als niet-agrarische activiteit, niet toegestaan op de agrarische bestemming. Daarnaast zal een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden aangevraagd voor het bouwen van een hekwerk van ca. 2 meter hoog op een perceel zonder hoofdgebouw. Het tijdelijke deel van het omgevingsplan staat in dat geval een hoogte van 1 meter toe. De agrarische bestemming staat buiten het bouwvlak een hoogte van 2 meter toe en, binnen het bouwvlak, onder voorwaarden eveneens 2 meter. Aangezien het terrein deels binnen en buiten een bouwvlak valt, is er voor de eenduidigheid voor gekozen om het hekwerk onderdeel te maken van deze motivering. Samenvattend betreft deze ruimtelijke motivering de tijdelijke opslag van (prefab) onderdelen en vrijkomende grond, alsmede de bouw van een hekwerk, op een bestaande agrarische bestemming, voor de duur van maximaal 10 jaar. De locatie staat kadastraal bekend als gemeente Heythuysen, sectie R, (gedeeltelijk) 356, 474 en (gedeeltelijk) 515. Opgemerkt wordt dat de toegang naar het opslagterrein voorlopig plaatsvindt via de noordzijde, door middel van een schuifpoort naar het huidige werkterrein bij het hoogspanningsstation.

De toegangsweg naar het werkterrein vanaf de Begijnhofweg is dan tevens de toegangsweg naar het opslagterrein. Mocht in de toekomst de huidige aansluiting op de Begijnhofweg vervallen (omdat de daarvoor verleende vergunning niet verlengd kan worden) dan zal het opslagterrein direct op de Begijnhofweg worden ontsloten. Hiervoor zal te zijner tijd contact worden gezocht met de gemeente. In de volgende hoofdstukken zal een verantwoording van de activiteit (tijdelijke opslag) gegeven worden waaruit blijkt dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 1.3 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van de activiteit die deze motivering mogelijk maakt. Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande en beoogde situatie van het besluitgebied. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal-,en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 5 komt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.

datum referentie

13 december 2024 242762_AdB_RAP_0001_v1.0

P 4/35

2

Planbeschrijving

2.1 Inleiding Voor het opstellen van de ruimtelijke motivering is het van belang dat de uitgangspunten en de huidige situatie van het besluitgebied goed in beeld wordt gebracht. Het besluitgebied is om deze reden geïnventariseerd en geanalyseerd. In dit hoofdstuk wordt de huidige en beoogde situatie binnen het besluitgebied beschreven. 2.2 Bestaande situatie De bestaande situatie van het besluitgebied betreft agrarische grond. Ten noorden van het besluitgebied bevindt zich het werkterrein van HS (hoogspannings)-station Kelpen. In het noordoosten is tevens agrarische grond gelegen. Ten oosten van het besluitgebied bevindt zich een plattelandswoning aldus de functieaanduiding agrarische bedrijfsbebouwing. Ten westen van het besluitgebied bevinden zich stallen ten behoeve van een intensieve veehouderij waarachter een tijdelijke toegangsweg richting het verhard terrein is aangelegd. Ten zuiden van het besluitgebied bevindt zich voornamelijk agrarische gronden met her en der bebouwing. In figuur 3 is een luchtfoto met de huidige situatie van het beoogde besluitgebied weergegeven. In figuur 4 is een vooraanzicht van het besluitgebied weergegeven met ten westen de intensieve veehouderij en ten oosten de plattelandswoning en in de verte de hoogspanningsmasten en het hoogspanningsstation.

Figuur 3: Luchtfoto besluitgebied

datum referentie

13 december 2024 242762_AdB_RAP_0001_v1.0

P 5/35

Figuur 4: vooraanzicht besluitgebied

2.3 Toekomstige situatie Voor de vernieuwing van het hoogspanningsstation te Kelpen-Oler is tijdelijk extra ruimte nodig voor de opslag van (prefab) onderdelen en voor het opslaan van vrijkomende grond. Ook is er behoefte aan een verhard terrein. Derhalve zal een gedeelte van het besluitgebied ontwikkeld worden tot een verhard terreinoppervlakte door het aanbrengen van asfalt en grindkoffers. Een ander gedeelte zal bestemd worden voor het opslaan van vrijkomende grond. De afwatering van het besluitgebied zal plaatsvinden middels waterlopen rondom het besluitgebied welke afwateren op een wadi/infiltratiegebied in het zuiden van het besluitgebied. In figuur 5 is de toekomstige situatie schetsmatig weergegeven. Deze is tevens ter verduidelijking opgenomen als bijlage.

Figuur 5.Toekomstige tijdelijke situatie

datum referentie

13 december 2024 242762_AdB_RAP_0001_v1.0

P 6/35

2.4 Verkeer en parkeren Toetsingskader De verkeersgeneratie van functies, het afwikkelen van het verkeer door de gemeente en het voorzien in voldoende parkeergelegenheid bij functies zijn van belang bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Verkeersen parkeeroverlast moet voorkomen worden. Bij nieuwe ontwikkelingen dienen deze onderwerpen op hun gevolgen voor de leefomgeving beoordeeld te worden. Toetsing aan het aspect verkeer en parkeren Parkeren De beoogde ontwikkeling is ten behoeve van opslag van onderdelen van het hoogspanningsstation Kelpen en overige hoogspanningsstations in de omgeving. De huidige verharding rondom het hoogspanningsstation voorziet reeds in meerdere parkeerplaatsen. In figuur 6 zijn deze parkeerplaatsen weergegeven. Er kan aangenomen worden dat er voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn zodat geparkeerd kan worden tijdens de bouwfase. Tijdens de gebruiksfase zijn er geen parkeerplaatsen meer benodigd aangezien af en toe onderdelen opgehaald of geleverd worden, parkeren is derhalve niet benodigd. Nadat het nieuwe hoogspanningsstation gebouwd is zal het werkterrein namelijk weer verwijderd worden waardoor de parkeerplaatsen eveneens verwijderd worden.

Figuur 6: Aanwezige parkeerplaatsen op het werkterrein

Verkeer De beoogde ontwikkeling zal slechts leiden tot een beperkt aantal (extra) verkeersbewegingen afkomstig van toenemend bouwverkeer in verband met de aanleg van de verhard oppervlakte. Er is rekening gehouden met de aanrijdroute van het bouwverkeer, zodat omwonenden daar minder last van hebben. Er is reeds een aanrijdroute aangelegd ten westen van de nabijgelegen stallen. Via deze aanrijdroute en het bestaande werkterrein kan de beoogde verharding ontsloten worden. Daarnaast zullen er nog 3 vluchtroutes gerealiseerd worden op het besluitgebied. In figuur 7 is deze ontsluiting van het besluitgebied weergegeven.

datum referentie

13 december 2024 242762_AdB_RAP_0001_v1.0

P 7/35

Figuur 7. Weergave ontsluiting

Beoordeling Het initiatief leidt niet tot overbelasting van bestaande wegen en het besluitgebied wordt op een veilige manier ontsloten.

datum referentie

13 december 2024 242762_AdB_RAP_0001_v1.0

P 8/35

3

Beleid en regelgeving

3.1

Rijksbeleid en rijksregels

3.1.1 Nationale omgevingsvisie Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren, dit is echter niet altijd mogelijk. In die gevallen dienen belangen te worden afgewogen. Hiervoor gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Beoordeling De NOVI laat zich niet specifiek uit over dergelijke lokale ontwikkelingen zoals het voorliggende initiatief. 3.1.2 NOVEX In het programma NOVEX werken alle overheden samen aan een plan voor de inrichting van Nederland.

Daarvoor moet eerst duidelijk zijn wat de ruimtevragers zijn, wat er ruimtelijk moet worden ingepast. Zowel nationaal als regionaal. De nationale doelen en belangen zijn samengebracht in een startpakket. Dit startpakket vormt de basis voor het leggen van de ruimtelijke puzzel per provincie. De twaalf provincies gaan nu aan de slag om - met de waterschappen en gemeenten - de nationale opgaven en doelen ruimtelijk te vertalen, te combineren en in te passen in de provinciale plannen. Want pas regionaal wordt duidelijk waar de kansen liggen en waar het knelt. Beoordeling De NOVEX laat zich niet specifiek uit over dergelijke lokale ontwikkelingen zoals het voorliggend initiatief. Wel is gesteld dat ontwikkelingen geen negatief effect mogen hebben op de samenhangende opgaven rondom bodem, water en natuur. In hoofdstuk 4 word . 3.1.3 Artikel 8.0b, eerste lid, van het Bkl bepaalt dat bij een wijziging van het Omgevingsplan de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele instructies het beoordelingskader vormen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Uit het tweede lid van artikel 8.0b van het Bkl volgt dat deze wijziging van het Omgevingsplan geweigerd wordt als: A. de activiteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van instructie(regel)s; B.

de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan (opvolger van het voorbereidingsbesluit);

datum referentie

13 december 2024 242762_AdB_RAP_0001_v1.0

P 9/35

C.

de omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door provincie of Rijk, belemmert.

Beoordeling wordt waar nodig ook aangetoond op welke wijze de ontwikkeling passend is binnen instructieregels zoals opgenomen in hoofdstuk 5 van het Bkl. Uit d passend is binnen de instructieregels van het Rijk. 3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Provinciale omgevingsvisie Limburg 2021 Provinciale Staten van Limburg hebben op 1 oktober 2021 de provinciale Omgevingsvisie (POVI) vastgesteld. Dit betreft een integrale herziening van het (voorafgaande) POL2014. In het POVI is de provincie opgedeeld in zoneringen. Onderhavige locatie wordt aa uitengebied . De Omgevingsvisie Limburg is een strategische en lange termijnvisie (2030-2050) op de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie Limburg kijkt echter breder dan enkel naar de fysieke leefomgeving. Dat wil zeggen dat de visie ook ingaat op onderwerpen als gezondheid en veiligheid, economie en sociale aspecten. Dit in onderlinge samenhang en met oog voor de internationale context waarin Limburg zich bevindt. De opzet en scope van de Omgevingsvisie (fysieke leefomgeving in brede zin) sluiten aan bij de nieuwe Omgevingswet. De omgevingsvisie is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen.

Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijk als in het bebouwde gebied; een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); klimaatadaptatie en energietransitie. Deze opgaven, die in Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt vervolgens een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst. Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de

-, Midden en Zuid-Limburg.

datum referentie

13 december 2024 242762_AdB_RAP_0001_v1.0

P 10/35

Beoordeling Met betrekking tot energie is in de provinciale omgevingsvisie benoemd dat de provincie Limburg is aangesloten op robuuste (inter)nationale energienetwerken. De opwekking van duurzame energie is verweven in dorpen en steden en vindt plaats op enkele grootschalige productielocaties in Limburg. De hele samenleving, inclusief het bedrijfsleven, heeft de transformatie gemaakt naar een meer circulaire economie. De ambitie is om te streven naar een innovatieve energietransitie, die de economische structuur versterkt en de provincie minder afhankelijk maakt van fossiele energie, de gevolgen van uitstoot vermindert en rekening houdt met de biodiversiteit. De vernieuwing van het hoogspanningsstation te Kelpen-Oler draagt bij aan het robuuster maken van het energienetwerk. De tijdelijke opslag wordt tevens omheind middels een hekwerk, derhalve kan niet iedereen zomaar het terrein betreden. Dit zorgt ervoor dat de kans op ongelukken op de opslaglocatie afneemt en er sprake blijft van een veilige omgeving. Daarmee is het voorgenomen initiatief in overeenstemming met de provinciale omgevingsvisie van Limburg. 3.2.2 Omgevingsverordening provincie Limburg 2021 Op 17 december 2021 hebben Provinciale Staten de Omgevingsverordening Limburg vastgesteld. In de Omgevingsverordening Limburg staan regels op het gebied van milieu, wegen, water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte.

Alle regels die betrekking hebben op het omgevingsbeleid zijn ondergebracht in één verordening, die grofweg twee typen regels bevat: instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap; regels voor activiteiten die rechtstreeks voor eenieder gelden of voor specifieke doelgroepen. Beoordeling De volgende gebiedsaanwijzingen uit de Omgevingsverordening Limburg 2021 zijn in dit geval van toepassing: buitengebied overstromingskansgebieden C Roerdalslenk Roerdalslenk III Elk van de gebiedsaanwijzingen laat zich niet specifiek uit over de aanleg van een verhard terrein met opslagplek voor vrijkomende grond. Met betrekking tot de Roerdalslenk en Roerdalslenk III wordt benoemd in artikel 4.4 lid 4 dat in de boringsvrije zone van de Roerdalslenk beneden de bovenkant van de Bovenste Brunnsumklei het verboden is zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken of water te infiltreren. In paragraaf 4.13 wordt verder toegelicht waarom de beoogde ontwikkeling niet zal leiden tot een belemmering. Gezien de beoogde ontwikkeling slechts tijdelijk van aard is, ten hoogste 10 jaar, en geen aanknopingspunten aanwezig zijn in de provinciale omgevingsverordening, is het initiatief passend binnen de provinciale omgevingsverordening. 3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie gemeente Leudal De Structuurvisie Leudal is op 14 april 2010 vastgesteld door de gemeente Leudal. In de structuurvisie voert de gemeente Leudal regie op de ruimtelijke ontwikkelingen en processen die voor de toekomst van Leudal van belang zijn. Hierbij heeft de gemeente Leudal een onderscheid gemaakt in vijf hoofdfuncties: wonen, voorzieningen, werken, omgevingskwaliteit en mobiliteit. Voor elke hoofdfunctie wordt benoemd dat er meer op duurzaamheid ingezet moet worden. Duurzaamheid moet ook op locatie-inrichtingsniveau herkenbaar zijn. De gemeente Leudal wil vanuit investeringen op onder andere

datum referentie

13 december 2024 242762_AdB_RAP_0001_v1.0

P 11/35

duurzaamheid de kwalitatieve draagkracht van nieuwe functionele ontwikkelingen in zowel het landelijke gebied als de kernen verbeteren. Beoordeling De beoogde ontwikkeling is ten behoeve van de uitbreiding van het hoogspanningsstation waarin de energietransitie een rol speelt. De energietransitie sluit aan op het belang van duurzaamheid. Hiermee is het voorgenomen initiatief in overeenstemming met de structuurvisie van de gemeente Leudal.

datum referentie

13 december 2024 242762_AdB_RAP_0001_v1.0

P 12/35

4

Aspecten fysieke leefomgeving

4.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de aspecten van de fysieke leefomgeving zoals deze relevant zijn voor het plan dat voorligt. In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). De beschrijving wordt per aspect in een aparte paragraaf opgenomen 4.2 M.e.r.-beoordeling De mer-procedure en mer-beoordeling is bedoeld om het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in plan- en besluitvorming in te brengen, om zo belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen. Een merprocedure en mer-beoordeling is altijd gekoppeld aan een plan of besluit, bijvoorbeeld een omgevingsvisie, omgevingsplan of omgevingsvergunning. De wettelijke eisen ten aanzien van de mer-procedure en merbeoordeling zijn vastgelegd in de Omgevingswet (Ow) en in het Omgevingsbesluit (Ob). De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit.

In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. De beoordelingskaders zijn opgenomen in Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Indien het project of de activiteit voorkomt in kolom 1 en het besluit in kolom 4 dan kan op basis van kolom 2 en 3 afgeleid worden of sprake is van een mer-plicht (kolom 2) of mer-beoordelingsplicht (kolom 3). Beoordeling De geplande activiteit komt niet voor in kolom 1. Daarmee kan gesteld worden dat de activiteit niet mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is en derhalve hoeft er geen m.e.r.-procedure te hoeven doorlopen. Conclusie Het aspect m.e.r.-beoordeling vormt geen belemmering voor het initiatief. 4.3 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan of het doorlopen van een BOPA-procedure voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 5.129g (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand): A.

Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. B. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk

datum referentie

13 december 2024 242762_AdB_RAP_0001_v1.0

P 13/35

gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. C. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. D. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Beoordeling Bij toetsing van een planvoornemen aan de ladder voor duurzame verstedelijking is allereerst de vraag of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Wanneer dit niet het geval is dan is verdere beoordeling aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet benodigd. Gezien de aard, omvang en tijdelijkheid van het project, kan het

Conclusie Het initiatief kan niet aangemerkt worden als een nieuwe stedelijk ontwikkeling als benoemd in de ladder voor duurzame verstedelijking. De laddertoets hoeft derhalve niet verder doorlopen te worden. 4.4 Duurzaamheid De duurzame ontwikkeling is in de Ow verder geborgd via artikel 1.3 en 2.1. In artikel 1.3 van de Ow zijn de maatschappelijke doelen van de wet als volgt verwoord: "Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: Bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en Doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften." Artikel 2.1 Ow geeft vervolgens aan dat bestuursorganen van een gemeente, provincie, het Rijk of een Waterschap hun taken en bevoegdheden op grond van deze wet uitoefenen met het oog op de doelen van deze wet, zoals dus ook de belangrijke doelen neergelegd in artikel 1.3 Ow. Artikel 1.3 Ow geeft ook richting aan de voor burgers en bedrijven opgenomen zorgplicht in artikel 1.6 Ow, namelijk dat men voldoende zorg draagt voor een goede leefomgeving. Met deze bepalingen wordt een duurzame ontwikkeling geborgd voor het gehele domein van de fysieke leefomgeving.

Het vergt een in de wet voorziene samenhangende benadering vanaf het begin van de besluitvorming van alle relevante belangen: ruimte, water, natuur, gezondheid en wonen. De omgevingsvisie van de gemeente Leudal is nog niet vastgesteld en beschikbaar. Daarnaast is er geen ander relevant gemeentelijk beleid of gemeentelijke visies voor wat betreft het aspect duurzaamheid.

datum referentie

13 december 2024 242762_AdB_RAP_0001_v1.0

P 14/35

Beoordeling Het initiatief voorziet in de realisatie van een verhard terrein en een opslagplek voor vrijgekomen grond voor maximaal 10 jaar. Na deze periode wordt de verharding verwijderd en wordt de oorspronkelijke staat van de grond hersteld. Conclusie Met onderhavig initiatief wordt rekening gehouden met de doelen voor wat betreft duurzaamheid zoals omschreven in artikel 1.3 van de OW. Het initiatief is derhalve in lijn met de duurzaamheidsdoelen van het rijk. 4.5 Gezondheid Toetsingskader De Omgevingswet bevat instrumenten die overheden kansen bieden om de leefomgeving op een gezonde manier te beïnvloeden. Door de integrale benadering van de leefomgeving via de instrumenten van de Omgevingswet, kan gezondheid eerder een plek krijgen in de ruimtelijke afweging. Daarmee kan gezondheid een meer sturende rol krijgen. De Omgevingswet bevat de volgende artikelen die ingaan op het thema gezondheid: In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Een van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. In artikel 3.3 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag in de omgevingsvisie rekening moet houden met het voorzorgsbeginsel en andere milieubeginselen.

In artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Over gezondheid in de omgevingsvergunning gaan de artikelen 5.32 en 5.42 lid 4 van de Omgevingswet en de artikelen 8.101 en 8.102 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze artikelen zien op het lozen op een oppervlaktewaterlichaam of zuiveringtechnisch werk en milieubelastende activiteiten. De leefomgeving is gezonder als de invloed van belastende milieuaspecten (zoals lucht, geluid, geur, straling, etc.) op de gezondheid van bewoners zo klein mogelijk is. Een omgeving die voldoet aan de wettelijke normen is het startpunt, maar juist onder de normen is nog veel gezondheidswinst te behalen. Een omgeving die uitnodigt tot gezond gedrag die als veilig en prettig ervaren en stimuleert tot sociaal contact is een gezonde omgeving. Beoordeling Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige- en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen.

Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. In het restant van hoofdstuk 4 worden o.a. de aspecten geluid, bodem en luchtkwaliteit behandeld. Hieruit blijkt dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en dat het aspect gezondheid voldoende is afgewogen.

datum referentie

13 december 2024 242762_AdB_RAP_0001_v1.0

P 15/35

Conclusie ruimtelijke motivering. Voor alle aspecten kan worden geconcludeerd dat het aspect gezondheid in voldoende mate is afgewogen. Het initiatief zorgt niet voor een belemmering op omliggende functies en derhalve kan gesteld worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.6 Activiteiten en milieuzonering Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er een balans bestaat tussen verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan de balans tussen milieubelastende activiteiten en daarvoor gevoelige functies. Voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten dient te worden voorkomen ten behoeve van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Bij het beoordelen of sprake is van balans tussen milieubelastende activiteiten en daarvoor gevoelige functies werd tot 1 januari 2024 veelvuldig gebruik gemaakt van de VNG2009. In oktober 2024 is de hernieuwde versie van deze handreiking gepubliceerd, maar aangezien deze systematiek nog niet verwerkt is in het omgevingsplan van de gemeente Leudal, kan deze nog niet worden toegepast. De huidige grenswaarden uit het Activiteitenbesluit zijn opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Leudal.

Uitgangspunt van de systematiek van activiteiten en milieuzonering is dat voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies leidt tot balans tussen deze verschillende functies binnen een gebied. In deze handreiking zijn richtafstanden voor verschillende bedrijfstypen opgesteld welke aanvaardbaar worden geacht ten opzichte van milieuhinder gevoelige bestemmingen (zoals woningen), waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijf)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. In de handreiking zijn bedrijven ingedeeld in verschillende milieu categorieën, waarbij geldt: hoe hoger de milieucategorie, hoe zwaarder de milieubelasting. De richtafstanden tussen bedrijven en milieuhinder gevoelige bestemmingen nemen dus toe naarmate een bedrijf in een hogere milieucategorie wordt ingedeeld. Beoordeling De realisatie van een verhard terrein en een opslagplek voor losgekomen grond kan niet gekarakteriseerd worden als een gevoelige functie. Echter is de tijdelijke opslagplaats wel van invloed op gevoelige functies in de omgeving. Bij de beoogde functie behoort een milieucategorie 2 volgens de VNG-richtafstanden. Een tijdelijke opslagplaats is niet opgenomen in deze lijst maar is qua functie vergelijkbaar met een opslaggebouw of autoparkeerterrein.

Deze vallen in de milieucategorie 2, echter wordt verwacht dat er minder verkeersbewegingen zullen zijn bij het beoogd initiatief aangezien er sporadisch goederen worden gebracht en worden opgehaald. Er zullen veel dagen zijn dat er geen vervoersbewegingen plaatsvinden. Bovendien is de beoogde functie maar van tijdelijke aard. Desalniettemin wordt er dus uitgegaan van een milieucategorie 2. Het besluitgebied kan aangemerkt worden als gemengd gebied. In de omgeving zijn namelijk diverse functies gelegen, een intensieve veehouderij in het westen, agrarische bestemmingen in alle winrichtingen, woonfuncties in het oosten en zuiden en tevens een 60 km/u weg in het oosten. Derhalve kan de richtafstand met één stap verlaagd worden waardoor een richtafstand aangehouden kan worden van 10 meter. In onderstaande afbeelding zijn de gevoelige functies in de omgeving weergegeven naast de richtafstand behorend bij de beoogde functie. De woonbestemming in het zuiden is gelegen op ca. 21 meter, de woonbestemming in het noordoosten op ca. 16 meter en de plattelandswoning in het oosten op ca. 25 meter. De gevoelige functies in de omgeving liggen derhalve buiten de richtafstand behorend bij de functie.

datum referentie

13 december 2024 242762_AdB_RAP_0001_v1.0

P 16/35

Figuur 8. Weergave initiatief inclusief richtafstand t.o.v. gevoelige functies in de omgeving

Conclusie Het aspect activiteiten en milieuzonering vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling 4.7 Geluid Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente

Beoordeling De beoogde ontwikkeling voorziet niet in een geluidsgevoelige activiteit. Echter produceert de beoogde ontwikkeling wel geluid. Zoals geconcludeerd is in paragraaf 4.6 en Milieuzonering vallen de

datum referentie

13 december 2024 242762_AdB_RAP_0001_v1.0

P 17/35

gevoelige functies in de omgeving buiten de richtafstand van het initiatief. Door de sporadische activiteiten op het besluitgebied door onderhavig initiatief en de tijdelijke aard zal het aspect geluid niet van invloed zijn op de gevoelige functies in de omgeving. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.8 Bodem Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.

De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Beoordeling Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is Grondslag Bodemkwaliteitsbureau in november 2023 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage is als bijlage 1 opgenomen bij onderhavige motivering. Uit het verkennend bodemonderzoek zijn de volgende resultaten naar voren gekomen: Grond Uit de onderzoeksresultaten kan worden geconcludeerd dat de bovengrond plaatselijk gekwalificeerd wordt als klasse Industrie op basis van het bestrijdingsmiddel (OCB) heptachloor. De ondergrond wordt gekwalificeerd als klasse Landbouw / natuur. Gezien het huidige gebruik van de locatie kunnen verhoogde gehalten aan OCB worden verwacht. PFAS-componenten Uit de resultaten blijkt dat de onderzochte grond, op basis van de parameters PFAS, gekwalificeerd kan worden Grondwater Uit de onderzoeksresultaten kan geconcludeerd worden dat de signaleringsparameters (bijlage Vd Bkl) niet overschreden worden.

Conclusie Op basis van de resultaten kan geconcludeerd worden dat de aangetoonde milieuhygiënische kwaliteit van de bodem op de onderzoekslocatie geen belemmering vormt voor het huidig/toekomstige gebruik van de onderzoekslocatie. Aanvullende maatregelen worden dan ook niet noodzakelijk geacht. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

datum referentie

13 december 2024 242762_AdB_RAP_0001_v1.0

P 18/35

4.9 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). In artikel 5.50 en 5.51 van het Bkl zijn de situaties opgenomen waar de beoordeling van de kwaliteit van de buitenlucht van toepassing is: Artikel 5.50 betreft de aanleg van een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van ten minste 100 meter, de wijziging van een wegtunnelbuis waarbij de lengte met tenminste 100 meter toeneemt, of de aanleg van een autoweg of autosnelweg. Artikel 5.51 betreft specifieke aandachtsgebieden. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Beoordeling Sinds 1 januari 2023 is het CIMLK het nieuwe instrument voor de ondersteuning van monitoring van de luchtkwaliteit in het kader van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) en per 1 januari 2024 de Omgevingswet (Ow).

Het dichtstbijzijnde meetpunt ligt ten noorden van het besluitgebied. Hieruit blijkt dat de concentraties NO2 ter hoogte van het besluitgebied 13,44 µg/m³, PM10 19,27 µg/m³ en PM2,5 9,292 µg/m³ betreffen. Deze waarden vallen onder de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit. Ondanks dat deze waardes onder de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit vallen, behoort de gemeente Leudal tot het aandachtsgebied PM10 veehouderijen. Gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling wordt verwacht dat de beoogde activiteit niet zal leiden tot een toename van de concentratie NO2 en PM10 hoger dan 1,2 µg/m 3. Derhalve kan gesteld worden dat de beoogde activiteit niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Conclusie Onderhavige ontwikkeling kan als NIBM worden getypeerd en daarmee vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering. 4.10 Natuurwaarden Een van de thema's die op grond van de Omgevingswet onderdeel uitmaakt van de fysieke leefomgeving is de natuur. Op grond van de Omgevingswet moeten bestuursorganen bij het uitoefenen van hun taken zorgdragen voor de bescherming van natuurwaarden. Als uitwerking van Europese richtlijnen richt deze waarborg voor de kwaliteit en integriteit van natuurwaarden zich op de bescherming van (kwetsbare) soorten en gebieden, onder andere door het beperken van de uitstoot en neerslag van stikstof in de natuur.

De soortenbescherming richt zich in het nationale beleid op de soorten die in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Nationaal beschermde soorten zijn aangewezen. De gebiedsbescherming richt zich op de Natura 2000gebieden, de gebieden aangewezen als Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Tot slot richt de natuurbescherming zich in het kader van de Omgevingswet op het thema faunabeheer. In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in hoofdstuk 3 instructieregels opgenomen over de uitwerking van het beschermen van habitats en soorten. Hierbij is het provinciebestuur aangewezen als bevoegd bestuursorgaan voor het treffen van maatregelen voor het behoud of herstel van habitats en soorten, het vaststellen van

datum referentie

13 december 2024 242762_AdB_RAP_0001_v1.0

P 19/35

maatregelen om de Natura-2000 gebieden in stand te houden en het uitvoeren van uitroeiingsmaatregelen, beheersmaatregelen en herstelmaatregelen om invasieve exoten en verwilderde dieren tegen te gaan. Beoordeling Gebiedsbescherming Er zijn geen Natura 2000-gebieden gelegen in de nabij van het besluitgebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied betreft Sarsven en De Banen op circa 3 km afstand van het besluitgebied. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op een afstand van circa 450 meter van het besluitgebied. In figuur 9 is het besluitgebied met een blauwe omlijning weergegeven en valt de ligging ten opzichte van de NNN-gebieden te zien. Op basis van de afstand en de afwezigheid van een directe relatie/ verbinding met een Natura 2000-gebied of NNN-gebieden, zijn geen negatieve effecten te verwachten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. De plannen leiden niet tot (significante) aantasting van instandhoudings-doelstellingen van Natura 2000-gebieden of van kernkwaliteiten van de NNN-gebieden. Een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is op basis -gebieden is ook niet nodig. Het thema stikstofdepositie wordt in de volgende paragraaf behandeld.

Figuur 9: Ligging besluitgebied t.o.v. NNN-gebieden

datum referentie

13 december 2024 242762_AdB_RAP_0001_v1.0

P 20/35

Soortenbescherming Er is door KWS@vice in augustus 2024 een ecologisch werkprotocol opgesteld, gebaseerd op een eerdere natuurtoets van KWS@Vice in 2024 en een flora- en fauna onderzoek van Arcadis in 2024 Het ecologisch werkprotocol is als bijlage 2 toegevoegd aan deze ruimtelijke motivering. Dit werkprotocol is opgezet voor de uit te voeren werkzaamheden op en rond het door TenneT beheerde hoogspanningsstation te Kelpen-Oler in verband met de aanwezigheid van algemene broedvogels en vleermuizen tijdens de uitvoeringsfase. Overige soorten zoals de torenvalk, of konijnen zijn tevens rond de locatie aangetroffen. In onderstaand figuur is te zien dat het meest zuidelijk gebied (blauw/deelgebied 3) meegenomen is in het ecologisch werkprotocol.

Figuur 10. Weergave deelgebieden Hoogspanningsstaion Kelpen in ecologisch werkprotocol

De onderzoekslocatie in dit ecologisch werkprotocol bestaat uit 3 deelgebieden waarvan deelgebied 3, blauw omlijnd, van toepassing is op deze ruimtelijke motivering. In figuur 11 is weergegeven welke beschermde soorten een functie als nest, hol, foerageergebied of vliegroute hebben in de 3 verschillende deelgebieden.

datum referentie

13 december 2024 242762_AdB_RAP_0001_v1.0

P 21/35

Figuur 11: Soortenbeschermingskaart besluitgebied

Voor het beoogde besluitgebied wordt duidelijk dat er een bewoonde torenvalkkast hangt aan de rand van het besluitgebied. De bewoonde torenvalkkast kent een 50 meter verstoringsgebied en een 75 meter verstoringsgebied. Daarnaast is het mogelijk dat in het aanwezige groen langs de perceelgrenzen, dat verwijderd zal worgen, egels, verschillende muizensoorten of amfibieën in hun landfase aangetroffen kunnen worden. Voor deze voorkomende soortengroepen geldt een zorgplicht. Om te waarborgen dat er zorgvuldig met de aanwezige soorten om wordt gegaan, dienen de werkzaamheden uitgevoerd te worden met de nodige mitigerende, dan wel compenserende maatregelen. De maatregelen voor wat betreft vogels, waartoe de valk behoort, zijn in het navolgende tabel weergegeven.

datum referentie

13 december 2024 242762_AdB_RAP_0001_v1.0

P 22/35

Tabel 1: Maatregelen ten behoeve van de bescherming van vogels

Naast deze specifieke maatregelen bestemd voor vogels, waaronder de valk, zijn er ook algemene maatregelen voor wat betreft de bescherming van flora- en faunasoorten. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden met de maatregelen zoals beschreven in hoofdstuk 6 van het ecologisch werkprotocol, dan wordt in voldoende mate rekening gehouden met de aanwezige (beschermde) flora- en faunasoorten en wordt aan de zorgplicht onder de Omgevingswet voldaan. Conclusie Op basis van de beoordeling vormen natuurwaarden, zowel op het gebied van soorten- als gebiedsbescherming, geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling, mits er voor wat betreft de soortenbescherming de maatregelen zoals benoemd in het ecologisch werkprotocol worden uitgevoerd. 4.11 Stikstof De Wet Natuurbescherming is opgegaan in de Omgevingswet. Dit houdt in dat het beschermen van natuurwaarden nu onder andere terechtkomt in het omgevingsplan. Bij een wijziging van een omgevingsplan moet een afweging gemaakt worden over een Natura 2000-activiteit. Hieronder wordt het volgende verstaan: beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000aangetoond te worden dat er in de realisatie- en gebruiksfase geen stikstofdepositie (mol/ha/j) is op omliggende Natura 2000-gebieden.

Toetsing aan het aspect stikstof Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is door Aveco de Bondt een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Deze is als bijlage 3 opgenomen bij deze motivering. Hierin zijn de realisatiefase en gebruiksfase gezamenlijk beoordeeld. Hieruit blijkt dat de totale stikstofemissie tijdens de realisatiefase en de gebruiksfase niet leidt tot stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden (niet hoger dan 0,00 mol/ha/jaar). Wanneer de feitelijke inzet in uren, vermogen van materieel, brandstofverbruik en het aantal vervoersbewegingen (significant) hoger zijn dan in deze berekening, is het resultaat van de berekening niet meer toereikend. Een nieuwe calculatie is dan noodzakelijk om de toename van stikstofemissie te bepalen.

datum referentie

13 december 2024 242762_AdB_RAP_0001_v1.0

P 23/35

Indien de realisatiefase en/of gebruiksfase in een later kalenderjaar plaatsvindt dan in de berekeningen aangehouden jaren of over een langere periode wordt uitgevoerd (zonder meer inzet in het totaal aantal uren), dan zal dat niet leiden tot een andere conclusie. Conclusie Gesteld kan worden dat stikstofemissie geen belemmering oplevert voor de beoogde ontwikkeling. 4.12 Archeologie en cultuurhistorie De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

Toetsing aan het aspect archeologie en cultuurhistorie Archeologie In het Omgevingsplan is een archeologische waarde(stelling) binnen het besluitgebied opgenomen. Ter hoogte van het besluitgebied geldt dat voor een gedeelte de bestemming Archeologie 5 is opgenomen en voor

Conform artikel 40.4 1.b Is een vergunningplicht benodigd voor de aanleg of verbreding van wegen paden of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen in de gronden met de bestemming

In artikel 40.4.2 uitzonderingen, is het volgende vermeld: de verstoring zich beperkt tot 40 cm onder het oppervlak. Conform artikel 41.4.1.b is een vergunningplicht ook benodigd voor de aanleg of verbreding van wegen, paden of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen in de gronden met de bestemming

In artikel 41.4.2. uitzonderingen, is het volgende vermeld: Het bepaalde in lid 41.4.1 is niet van toepassing als - de grootte van de bodemingreep kleiner is dan 2.500 m2; - de grootte van de bodemingreep groter is dan 2.500 m2 en de verstoringen zich beperkt tot 40 cm onder het oppervlak. Beoordeling archeologie Aangezien het beoogde initiatief niet meer dan 40cm zal ontgraven hoeft er geen archeologisch onderzoek plaats te vinden en heeft het initiatief naar verwachting geen invloed op de mogelijk aanwezige archeologische waarden. Cultuurhistorie

datum referentie

13 december 2024 242762_AdB_RAP_0001_v1.0

P 24/35

Het besluitgebied heeft in de huidige situatie weinig tot geen cultuurhistorische waarde, omdat het besluitgebied geen waardevolle cultuurhistorische kenmerken bevat. In figuur 12 valt te zien dat op enige afstand ten westen en ten oosten van het besluitgebied een kruis aanwezig is. Kruisen, kapellen en beelden vallen onder de kleinere cultuurhistorisch waardevolle landschapselementen zoals benoemd in de Integrale beleidsnota cultuurhistorisch erfgoed van de gemeente Leudal vastgesteld in maart 2010. Op het besluitgebied is Noord- en Midden-limburg In de vroegste geschiedenis maakten mensen zo efficiënt mogelijk gebruik van het landschap. Ze vestigden zich op overgangen van nat naar droog, dit in verband met voldoende drinkwater zonder natte voeten te krijgen. De oude bebouwing en linten zijn nog duidelijk herkenbaar in de oude stads- en dorpskernen en langs de bouwlanden. De bouwlanden bevonden zich op de dekzandruggen in de nabijheid van beekdalen. Door eeuwenlange bemesting ontstonden de oude bouwlanden. Deze bouwlanden zijn nu als velden en kampen herkenbaar door het bolle profiel en de donkere, rijke bodem. Kampen behoorden vaak een één boerderij toe. Momenteel zijn de kampen vaak niet meer herkenbaar als gevolg van ruilverkavelingen of doordat ze bebouwd zijn met woonwijken, stads- en dorpskernen en bedrijventerreinen.

Door de tijdelijke aard van het initiatief heeft het initiatief echter geen invloed op dit cultuurhistorisch landschap. De oorspronkelijke staat wordt namelijk na maximaal 10 jaar teruggebracht.

Figuur 12: Cultuurhistorische waardenkaart

Conclusie Op basis van de beoordeling kan geconcludeerd worden dat het planvoornemen geen onevenredige afbreuk doet aan de archeologische of cultuurhistorische waarde van het besluitgebied of haar omgeving. 4.13 Water In de Omgevingswet staat, net als voorheen in de Waterwet, een integraal waterbeheer op basis van de van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn water.

datum referentie

13 december 2024 242762_AdB_RAP_0001_v1.0

P 25/35

In de omgevingswet is ook het Nationaal Waterprogramma opgenomen, zodat het Rijksplan voor het waterbeleid van Nederland geïntegreerd is in de nieuwe wetgeving. Dit programma is opgesteld als vervolg op 22 december 2015 vastgestelde Nationaal Waterplan 2016-2021. Het Nationaal Waterplan gaf de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. In het Nationaal Water Programma 2022-2027 wordt het Nationaal Waterplan en het Beheer- en ontwikkelplan integraal opgepakt, zodat het Rijk zich voor kon bereiden op de komst van de Omgevingswet. De Omgevingswet geldt sinds 1 januari 2024. Omgevingsverordening provincie Limburg Op grond van de verplichting in de Waterwet om een regionaal waterplan op te stellen heeft de provincie Limburg de Omgevingsverordening Limburg opgesteld. Het Provinciaal Regionaal Water Programma (RWP 2022 2027) is van kracht Waterschap Limburg Het waterbeheer in het besluitgebied is in handen van Waterschap Limburg. Het waterschap heeft haar beleid vastgelegd in het Waterbeheerprogramma (2022-2027). Als het gaat over normen en criteria, dan zijn de Keur en de Legger van het waterschap belangrijke uitgangspunten voor de waterhuishouding.

In de Keur staan onder andere gebodsbepalingen en verbodsbepalingen en regels voor functies en activiteiten langs watergangen en waterkeringen Gemeente Leudal In september 2021 is door de gemeente Leudal het Gemeentelijk rioleringsprogramma Leudal 2022 2026 vastgesteld. Hierin is het beleid ten aanzien van stedelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater en grondwatermaatregelen opgesteld. Goede riolering is nodig voor de bescherming van de volksgezondheid, het milieu en het tegengaan van wateroverlast. Deze verantwoordelijkheid ligt bij de gemeente en derhalve heeft zij 5 doelen opgesteld voor de komende periode: 1. zorgen voor inzameling van stedelijk afvalwater; 2. zorgen voor transport van stedelijk afvalwater; 3. zorgen voor inzameling van hemelwater (voor zover niet door de particulier); 4. zorgen voor verwerking van ingezameld hemelwater; 5. zorgen dat (voor zover mogelijk) het grondwater de bestemming van een gebied niet 6. structureel belemmert. Beoordeling Ten behoeve van een verantwoorde afwatering na aanleg van het verhard terreinoppervlakte en de opslagplaats voor losgekomen grond is door Gebroeders van Kessel Sport en Cultuurtechniek een notitie opgesteld. Deze notitie is als bijlage 4 toegevoegd aan deze ruimtelijke motivering. In deze notitie is omschreven dat door de realisatie van de opstelplaats er een verharde oppervlakte toename is van 7000 m2.

Rekening houdend met de bergingseis van 100 mm1 per etmaal, resulteert dit in een te bufferen hoeveelheid van: 7000m 2 x 0,10m1 = 700m3. Aan de randen van de sloten zal infiltratie plaatsvinden. In het zuidelijk deel van het gebied is rekening gehouden met een overloop/infiltratie gebied. Het streven is om het hemelwater middels de sloten lokaal te laten infiltreren. Om versnelde afvoer naar het laagste punt te vertragen worden er in de sloot schotten met een overstort drempel aangebracht.

datum referentie

13 december 2024 242762_AdB_RAP_0001_v1.0

P 26/35

Conclusie Met de inachtneming van bovengenoemde maatregelen om het hemelwater lokaal te laten infiltreren wordt voldoende rekening gehouden met het vigerende waterbeleid. Hiermee is het waterbelang voldoende afgewogen. 4.14 Omgevingsveiligheid De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Beoordeling Onderhavig initiatief voorziet in de realisatie van een (tijdelijk) verhard terrein en een opslagplek voor vrijgekomen grond ten behoeve van een vernieuwing van het hoogspanningsstation te Kelpen-Oler. De landelijke signaleringskaart voor omgevingsveiligheid is geraadpleegd om inzicht te krijgen in de aanwezigheid van risicobronnen rondom het besluitgebied. Hieruit is gebleken dat op een afstand van circa 520 meter ten zuidwesten van het besluitgebied een opslagtank aanwezig is. Daarnaast is op een afstand van circa 650 meter ten noorden van het besluitgebied een spoorweg. Ook bevindt zich er een aardgas buisleiding van Gasunie 860 meter ten zuiden van het besluitgebied. Als laatste bevindt er zich op 880 meter ten zuiden van het besluitgebied het kanaal Wessem-Nederweert en de Rijksweg A2 waarover mogelijk gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leudal&id=f9be2a41-d7d0-4f6e-88ff-4419c664f780