CConstaterende datLeudal
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Ruimtelijke motivering BOPA woningbouwlocatie voormalige sportvelden Kelpen-Oler

Commissievergadering Fysiek 27 januari 2026, gemeente LeudalBij agendapunt: Raadsvoorstel Bindend advies 37 woningen Kelpen-Oler.19.106 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Op 5 november 2024 stelde de gemeenteraad een herstructureringsfonds in, met het doel ruimtelijke ontwikkelingen voor bijvoorbeeld woningbouw vlot te trekken. Het herstructureringsfonds moet het mogelijk maken meer en effectiever betaalbare woningen te realiseren. Het fonds is bedoeld om nog meer te sturen op betaalbaarheid van woningen. Dit betekent, dat in

25

plannen waar niet of onvoldoende in het betaalbare segment wordt gerealiseerd, een bijdrage wordt gevraagd. Deze bijdrage wordt dan ingezet om de betaalbare woningen - waaraan nog steeds behoefte is - elders te kunnen laten realiseren. Afweging In het programma worden binnen Leudal vier landschappelijke deelgebieden onderscheiden, namelijk het Beekdalenlandschap, Leudal en omgeving, Jong ontginningslandschap en het Maasdallandschap. Het besluitgebied valt binnen het Beekdalenlandschap. Qua gebiedstype wordt een onderscheid gemaakt in woonkernen, kernrandzones en bedrijventerreinen. Het besluitgebied maakt onderdeel uit van de woonkernen. Aangezien sprake is van de realisatie van voldoende woningen binnen de betaalbare categorie, is de beleidsregel ruimtelijke bijdragen herstructureringniet van toepassing. Voor wat betreft de beleidsregel ruimtelijke bijdragen omgevingskwaliteitgeldt dat bij iedere ontwikkeling wordt beoordeeld of deze gebiedseigen of niet -gebiedseigen is en in hoeverre deze past binnen de aard en schaal van een gebied. In het voorliggende geval is sprake van een gebiedseigen ontwikkeling aangezien sprake is van woningbouw binnen de grenzen van de kern Kelpen -Oler. Aangezien sprake is van een ontwikkeling binnen de voormalige rode contour, is er geen sprake van een vereiste kwaliteitsbijdrage.

Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de kader van het Programma Omgevingskwaliteit gemeente Leudal.

5.4.6

Welstandsnota Algemeen De regels voor een welstandstoets zijn opgenomen in artikel 22.7 en 22.29 van de bruidsschat. Daarmee maken deze regels deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Met de welstandstoets beoordeelt de gemeente of het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Daarnaast geldt specifiek voor de welstandsnota overgangsrecht. Dit staat in artikel 4.114, lid 1 van de Invoeringswet Omgevingswet. Nadat de Omgevingswet in werking is getreden, is de welstandsnota een beleidsregel, als bedoeld in artikel 4.19 van de Omge vingswet. Dit artikel regelt dat als regels over het uiterlijk van bouwwerken uitleg behoeven, de gemeenteraad beleidsregels vaststelt. Dit betekent niet dat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet de beleidsregels over de plaatsing van het bouwwerk in de welstandsnota vervallen. Ook deze onderdelen van de welstandsnota worden meegenomen bij de behandeling van de bouwaanvraag (artikel 22.29 van de bruidsschat). Welstandnota Op 15 december 2014 heeft de gemeenteraad van Leudal de 'Welstandsnota Leudal' vastgesteld. In deze welstandsnota is het besluitgebied aangeduid als welstandvrij gebied, zoals weergegeven op de navolgende afbeelding.

26

Afbeelding 6 . Uitsnede welstandskaart Neeritter uit de welstandsnota. Kelpen-Oler bestaat voornamelijk uit een woonbuurt en bedrijfsgebouwen uit de jaren 50. De bedrijvenzone aan de Rijksweg en Grathemerweg waaiert uit naar de woonbuurt Kelpen. Het blokpatroon met woonstraten ligt rondom de kerk en langs de Wessemerlossing w aardoor een tweedeling is ontstaan rond de sportvelden. De kleinschalige kern bestaat voornamelijk uit woonbebouwing van jaren ‘60 tot ‘80. De incidenteel voorkomende oudere bebouwing ligt aan de Grathemerweg. Kenmerkend is de brede doorgang van de beekzon e door de kern. Het Kanaal Wessem -Nederweert en de A2 vormen een barrière. Het stedenbouwkundig patroon in Kelpen Oler bestaat uit rechte straten met brede straatprofielen en een open bebouwingsstructuur. De entreezone aan de Grathemerweg is amorf en sluit aan op de bedrijvigheid. De ruimtelijke structuur is overwegend kleinschalig en bestaat voornamelijk uit decenniumwoningbouw. De bebouwingsstructuur is relatief open met veel groene ruimten. Kenmerkend zijn de duidelijke randen en uitzichten naar het landschap richting Oler. De inrichting van het openbaar gebied ondersteunt de belevingswaarde en de karakteristieke beeldwerking minimaal. De bebouwing past over het algemeen in de kleinschalige basisstructuur. Decenniuminvullingen sluiten qua schaal en korrel redelijk aan op de bestaande basisstructuur.

De bebouwing is georiënteerd op wegen en aan rooilijnen. De bedrijfsgebouwen zijn laag en uitgestrekt met beperkte uitstraling op de omgeving Het gebied is geheel welstandsvrij omdat de dynamiek en kwaliteit van de bebouwing relatief laag is. Het beleid is gericht op eigen verantwoordelijkheid en zelfsturing van de burgers. De initiatiefnemer is zelf verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke en esthetische inpassing en afstemming met zijn omgeving.

27

6

FYSIEKE LEEFOMGEVING EN MILIEU In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de ontwikkeling rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onderzocht is wat de gevolgen van de beoogde ontwikkelingen z ijn op het onderzochte omgevingsaspect.

6.1

Gezondheid Algemeen Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefom geving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet, bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking op de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem.Daarnaast zijn aspecten als de nabijheid van hoogspanningsverbindingen (i.v.m. straling), geitenhouderijen (i.v.m. endotoxinen) en percelen waarop het gebru ik van gewasbeschermingsmiddelen is toegestaan van belang. Toetsing Voor wat betreft hoogspanningsverbindingen geldt dat deze niet in de nabijheid van het besluitgebied aanwezig zijn. Evenmin zijn binnen een afstand van 2 kilometer geitenhouderijen aanwezig. De overige genoemde aspecten worden in de hiernavolgende paragrafen van dit hoofdstuk nader gemotiveerd.

Volledigheidshalve wordt hier dan ook verwezen naar de betreffende paragrafen. Uit deze nadere motivering blijkt dat de ontwikkeling niet leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid. Er is als ge volg van de ontwikkeling (activiteit wonen)geen sprake van een onevenredige verslechtering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Conclusie Er is vanuit het oogpunt van gezondheid sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.2

Geluid (spoor) wegen Algemeen Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid, ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen, en indus trieterreinen en activiteiten enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. De mate waarin het geluid van (spoor)wegen en industrieterreinen de omliggende geluidgevoelige functies mag belasten, is geregeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Daarin zijn instructieregels opgenomen die erop zijn gericht het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein te beheersen (artikel 3.18 lid 1 Bkl). Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (GPP) en bronnen met een basisgeluidemissie (BGE).

28

Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Daarom moet bij nieuwe ontwikkelingen gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de voornoemde bronnen, het geluid van deze bronnen op geluidgevoelige gebouwen altijd beoordeeld worden (artik el 3.20 Bkl). Toetsing In het kader van de beoogde ontwikkeling is een akoestisch onderzoek 1 naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies van het onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport. Gemeentewegen Het geluid vanwege gemeentewegen voldoet ter plaatse van de woningen in het zuid(oost)en van het plangebied niet aan de standaardwaarde van 53 dB. Ter plaatse van de overige woningen wordt wel voldaan aan de standaardwaarde. Maatregelen om het geluid te reduceren tot de standaardwaarde zijn onderzocht. Rijkswegen Het geluid vanwege rijkswegen voldoet op geen van de woningen op alle gevels aan de standaardwaarde van 50 dB. Er wordt wel voldaan aan de grenswaarde. Maatregelen om het geluid ter te reduceren tot de standaardwaarde zijn onderzocht en zijn niet doelmatig danwel stuiten op overwegende bezwaren van financiële aard.

Gecumuleerd en gezamenlijk geluid Aangezien de woningen niet zijn gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van spoorwegen, gezoneerde industrieterreinen en luchtvaart, en er ook geen sprake is van andere geluidbronnen (windturbine, windpark, buitenschietbaan of militair springterrein), is enkel sprake van gecumuleerd en gezamenlijk geluid vanwege de beschouwde gemeentewegen en rijkswegen. Het gecumuleerd geluid bedraagt maximaal 56 dB . Aangezien alle woningen beschikken over een gevel die ten opzichte van de maatgevend geluidbelaste gevel relatief weinig belast wordt door geluid en/of wordt de standaardwaarde van de beschouwde geluidbronsoorten ter plaatse van minimaal één gevel (op de b egane grond) gerespecteerd, en voorzien is in voldoende geluidwering op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving, kan het gecumuleerd geluid als aanvaardbaar worden beoordeeld. Voor de woningen dient de waarde van het gezamenlijk geluid op de gevel in het omgevingsplan te worden vastgelegd. Middels een in het kader van de aanvraag om omgevingsvergunning bouwen uit te voeren onderzoek dient aangetoond te worden dat de karakteristieke geluidwering van de geluidbelaste gevels van de geluidgevoelig gebouwen voldoet aan de eisen uit het Besluit bo uwwerken leefomgeving.

Indirecte akoestische effecten Het project wordt ontsloten via de Oranjestraat (aan de zuidzijde), waarna het grootste gedeelte van het verkeer zich afwikkelt af via de Grathemerweg. De beoogde ontwikkeling zorgt voor 271 extra verkeersbewegingen per etmaal. Dit zorgt voor een toename van het geluid door die weg op bestaande geluidgevoelige gebouwen (in deze situatie de woningen aan de genoemde wegen nabij het p rojectgebied). Op de Oranjestraat bedraagt de intensiteit inclusief de verkeersgeneratie ruim minder dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal. Artikel 5.78af. (indirecte akoestische effecten) van het Besluit kwaliteit leefomgeving is derhalve niet van toepassing voor deze we g.

1 Kragten, Akoestisch onderzoek

wegverkeer woningbouwlocatie voormalige sportvelden Kelpen -Oler, LEU275, 8 januari

202 6.

29

Voor de Grathemerweg bedraagt de toename van het geluid minder dan 1,5 dB. Er wordt voldaan aan artikel 5.78af lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Gemeentelijk geluidbeleid Het plan kan voldoen aan de voorwaarden uit zowel het (vervallen) geluidbeleid onder de Wet geluidhinder als het (concept) geluidbeleid onder de Omgevingswet . Conclusie Vanuit het aspect geluid afkomstig van wegen is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties , wanneer middels een geluidgevelweringonderzoek is aangetoond dat de geluidbelaste gevels van de geluidgevoelig gebouwen voldoet aan de eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Het uitvoeren van een geluidgevelweringonderzoek voor woningen met een geluidbelasting hoger dan de standaardwaarde en waarbij de geluidbelasting op de gevel hoger is als 53 Lden, wordt als voorwaarde aan de omgevingsvergunning gekoppeld. Voor de betreffende woningen dient de waarde van het gezamenlijk geluid op de gevel in het definitieve besluit te worden vastgelegd.

6.3

Archeologie , cultuurhistorie en rfgoed Algemeen In het Bkl zijn ten aanzien van het behoud van cultureel erfgoed een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads - en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteiten het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

6.3.1

Archeologie Toetsing Voor het besluitgebied geldt deels de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ . Binnen deze bestemming zijn ondergrenzen voor de noodzaak tot het uitvoeren van onderzoek opgenomen van 1.000 m² oppervlakteverstoring en 40 cm diepteverstoring. Aangezien sprake is van een overschrijding van deze ondergrenzen is een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd2 . Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies van het onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport. Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek kan middels boringen worden gesteld dat de bodemopbouw in het noordelijk deel van het onderzochte deel van het besluitgebied bestaat uit (deels) intacte bodemprofielen. Hierdoor is de kans groot dat archeologische resten in de ondergrond kunnen worden aangetroffen. De in het vooronderzoek opgestelde archeologische verwachting (hoog voor mesolithicum - vroege middeleeuwen en laa g voor late middeleeuwen - nieuwe tijd) blijft dan ook voor dit deel gehandhaafd . De bodemopbouw in het zuidelijk deel van het onderzochte deel van het besluitgebied (blauwe kader op onderstaande afbeelding) bestaat uit een AC -profiel.

Op basis van deze gegevens wordt de archeologische verwachting ter plaatse boringen 3, 5, 6 en 8 voor het aantreffen van behoudenswaardige archeologische resten voor het mesolithicum bijgesteld naar laag. Voor de periode neolithicum – vroege middeleeuwen blijft de middelhoge verwachting gehandhaafd. De verwachting voor de periode late middeleeuwen – nieuwe tijd was al laag. 2 Aeres Milieu , Archeologisch bureau - en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, door middel van boringen

Oranjestraat te Kelpen -Oler, AM25135

, 17 juli 2025 .

30

In het gehele besluitgebied kunnen de graafwerkzaamheden bij de voorgenomen planontwikkeling een negatieve impact hebben op het verwachte aanwezige archeologische niveau (rode kader op navolgende afbeelding). Op basis van de bodemkundige gesteldheid van de gezette boringen (1 t/m 8) kunnen onder de antropogeen opgebrachte bovengrond (25 centimeter beneden maaiveld) archeologische resten aanwezig zijn. Op basis hiervan wordt voor het besluitgebied een vervolgonderzoek geadviseerd. Dit vervolgonderzoek vindt bij voorkeur in de vorm van een proefsleuvenonderzoek plaats. Hiervoor dient voorafgaand een Programma van Eisen (PvE) ter toetsing te worden voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Leudal). Het vervolgonderzoek geldt in principe voor het middels booronderzoek onderzochte deel (blauw omkaderde deel op de navolgende afbeelding, WA -5: hoge verwachting voor droge landschappen). Op basis van de interpretatie van de milieukundige boringen kan ook het overige deel van het besluitgebied in dit vervolgonderzoek worden meegenomen (noordelijke deel van de navolgende afbeelding, WA -8: lage verwachting voor droge en natte landschappen). Het is aan de gemeente Leudal om uitsluitsel te geven of ook dit deel voor een proefsleuvenonderzoek in aanmerking komt, dan wel eerst een aanvullend verkennend booronderzoek voor dit deel uitgevoerd wordt.

De resultaten van het onderzoek dienen getoetst te worden door de bevoegde overheid (gemeente Leudal), die op basis van het uitgebrachte advies een besluit zal nemen.

Advieskaart voor het besluitgebied. Voor gehele besluitgebied wordt vervolgonderzoek geadviseerd. Advies gemeente Leudal Door het bevoegd gezag, de gemeente Leudal, is geadviseerd om voor zowel het noordelijke als het zuidelijke deel van het besluitgebied een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Hiertoe dient een Programma van Eisen (PvE) opgesteld te worden. Het opstellen van het PvE en het uitvoeren van het proefsleuvenonderzoek wordt als voorwaarde aan de omgevingsvergunning gekoppeld.

31

Conclusie Vanuit het aspect archeologie is, met inachtneming van de aan de omgevingsvergunning te koppelen voorwaarden, sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.3.2

Cultuurhistorie en rfgoed Binnen het besluitgebied en de directe omgeving is geen sprake van cultuurhistorisch waardevolle elementen of waardevol erfgoed, waarop met de voorgenomen ontwikkeling een negatieve invloed wordt uitgeoefend. Conclusie Vanuit het aspect cultuurhistorieis sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties .

6.4

Bodem Algemeen Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschil en. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K B kl).

Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel 5.89n Bkl); • Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22 Bal); • Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (subparagraaf 22.3.7.3 bruidsschat) Bij een wijziging van een toegestane activiteit dient in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aandacht te worden besteed aan de kwaliteit van bodem en grondwater. De bodem moet geschikt zijn voor het beoogde gebruik . Toetsing In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is ter plaatse van het besluitgebied een verkennend bodemonderzoek3 uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies van beide onderzoeken. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage s. Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. De aanwezige asfaltverharding wordt op basis van PAK markeranalyses in zijn geheel als teerhoudend b eschouwd.

In het opgeboorde bodemmateriaal zijn plaatselijk bijmengingen met beton of baksteen aangetroffen.

3 Aeres Milieu , Verkennend bodemonderzoek

Oranjestraat Kelpen -Oler, AM25135

, 20 juni 2025 .

32

Uit de analyseresultaten blijkt dat in de bovengrond en ondergrond geen overschrijding van de interventiewaarde gemeten is. In de bovengrond is plaatselijk (boring 32, dieptetraject 0,2 – 0,5 m -mv een matige verontreiniging met minerale olie vastgesteld. Direct ten noorden van de barak is een verhoogd gehalte aan PCB aangetoond in een concentratie van 0,044 mg/kg d.s. en daarmee voldoet dit deel van de locatie indicatief aan bodemkwaliteitsklasse ‘industrie’. Dit betreft een marginale overschrijding van debodemkwaliteitsklasse ‘wonen‘ van 0,040 mg/kg d.s. Voor het overige zijn er geen verhoogde concentraties aangetroffen en voldoet de locatie indicatief aan bodemkwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’ Het freatisch grondwater is plaatselijk licht verontreinigd met koper of cadmium. Aangezien op de onderzoekslocatie geen aanwijsbare bronnen zijn gevonden, worden de verontreinigingen in het grondwater toegeschreven aan de verhoogde achtergrondconcentraties. De resultaten van het bodemonderzoek geven aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek ter plaatse van de matige verontreiniging met minerale olie in de bovengrond rondom boring 32. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt formeel plaatselijk (MM5, direct ten noorden van de barak) een belemmering voor het voorgenomen gebruik als woningen met tuin.

Het overig deel van de onderzoek slocatie voldoet verder wel aan de toekomstige bodemkwaliteit voor wonen. In het kader van het onderzoek is geen asbest in bodemonderzoek conform de NEN 5707 / 5897 verricht naar het voorkomen van asbest in de bodem en op het maaiveld. Op het maaiveld en in de vrijkomende grond zijn visueel geen asbestverdachte materialen aangetroffen. De aangetroffen bijmengingen met baksteen en beton worden niet als asbestverdacht beschouwd. Ter plaatse van boring 41 is een betonlaagje aangetroffen onder het asfalt. Ook dit is door de velwerker beoordeeld als scho on beton en onverdacht voor asbest. Het voorliggend e onderzoek doet echter geen bindende uitspraak over de aan - of afwezigheid van asbest in de bodem binnen de onderzoekslocatie. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn geen asbestverdachte bijmengingen aangetroffen in de bodem. Derhalve is er geen onderzoek naar asbest in bodem uitgevoerd. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit bodemkwaliteit in combinatie met de bodemvoorschriftenbij milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het omgevingsplan (met bodemkwaliteitskaart) van toepassing.

Conclusie De resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek geven aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek ter plaatse van de matige verontreiniging met minerale olie in de bovengrond rondom boring 32. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt formeel plaatselijk (MM5, direct ten noorden van de barak) een belemmering voor het voorgenomen gebruik als woningen met tuin. Het overig deel van de onderzoeklocatie voldoet verder wel aan de toekomstige bodemkwaliteit voor wonen. Het benodigde nader onderzoek wordt in het kader van de verdere uitwerking uitgevoerd. Dit wordt als voorwaarde aan de omgevingsvergunning gekoppeld. Het gebruik ten behoeve van de beoogd woonfunctie is pas toegestaan op het moment dat is aangetoond dat de gronden van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Op basis hiervan kan worden gesteld dat, met inachtneming van de genoemde voorwaarden, v anuit de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.5

Geur Algemeen Er bestaan diverse sectoren waar geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen.

33

Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/ inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. Een onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan is ook de gemeentelijke geurverordening. De gemeente Leudal heeft de geurverordening opgenomen in de Algemene verordening gemeente Leudal (hoofdstuk 3.6). Ter invulling van het criterium “evenwichtige toedeling van functies aan locaties” kan door het bevoegd gezag – bij beoordeling van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit – ook getoetst worden aan dit gemeentelijk geurbeleid. Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Een onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan is ook de gemeentelijke geurverordening. Hierin kan worden afgeweken van de standaardnorm. Indien van toepassing dient deze te worde n meegenomen in de motivering. De instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepa alt de gemeente zelf de mate van geurbescherming.

Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Toetsing In het voorliggende geval is sprake van de realisatie van geurgevoelige gebouwen als bedoeld in artikel 5.91 van het Bkl. In de directe omgeving van het besluitgebied zijn geen intensieve veehouderijen gelegen die van significante invloed zijn op de beoogde ontwikkeling. De dichtstbij gelegen veehouderij ligt op circa 270 meter ten zuiden van het besluitgebied, met tussenliggende woonfuncties. In het kader van geurhinder als gevolg van intensieve veehouderijen bestaan er geen planologische belemmeringen. Daarnaast is voor de omliggende milieubelastende (en milieuhinderlijke) activiteiten in relatie tot de ontwikkeling van onderhavige milieugevoelige functie in het onderzoek ‘Activiteiten en Milieuzonering‘ beoordeeld of voor de aspecten ‘geluid’ en ‘geur’ sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties . In paragraaf 6.9 wordt nader op dit onderzoek in gegaan.

Uit de uitgevoerde beoordeling ten aanzien van het aspect ‘geur’ blijkt dat de geurzone van het rioolgemaal alsmede de richtafstanden van de gasdrukregelkast, transportbedrijf en de tennisbanen, de woningen binnen het besluitgebied niet overlappen, waardoor voor deze functies sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en een goed woon - en leefklimaat. Conclusie Vanuit het aspect geur is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.6

Omgevings veiligheid Algemeen Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 'waarborgen van de veiligheid' van het B kl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van (beperkt) kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

34

Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebond en risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandac htsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl) .

Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand - of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl) . Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl). • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl) Bij de realisatie van beperkt kwetsbare, kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen in de nabijheid van risicovolle activiteiten moet rekening worden gehouden met het plaatsgebonden risico. Daarnaast kunnen één of meerdere aandachtsgebieden (brandaandachtsgebied , gifwolkaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied) van toepassing zijn. Mogelijke risicobronnen zijn het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen en over het water, het spoor en wegen en risicovolle inrichtingen. Toetsing Het besluitgebied ligt op basis van de kaart ‘Externe veiligheid’ van de Atlas Leefomgeving niet binnen een aandachtsg ebied van omliggende risicobronnen zoals inrichtingen, wegen, spoorwegen of waterwegen.

35

Uitsnede Atlas Leefomgeving in het kader van ‘externe veiligheid’ met besluitgebied blauw omlijnd. Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.7

Kabels en leidingen Binnen het besluitgebied en de directe omgeving zijn kabels of leidingen gelegen die zijn voorzien van een juridisch-planologische beschermingszone. Aan de noordoostrand van het besluitgebied is de dubbelbestemming ‘Leiding – Riool’ opgenomen. Ter plaatse is een ondergrondse riooltransportleidinggelegen met bijbehorende beschermingszone. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd anders dan ten behoeve van beheer en onderhoud van de betreffende rioolleiding, met dien verstande dat: de maximale hoogte niet meer bedraagt dan 3,5 meter; de maximale oppervlakte niet meer bedraagt dan 15 m ². De hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet zijnde overkappingen, mag niet meer dan 2 m bedragen. Verder is in het zuiden van het besluitgebied de binnen de bedrijfsbestemming de functieaanduiding ‘nutsvoorziening’ opgenomen. Ter plaatse is een trafogebouw aanwezig . Bij de uitwerking van het ontwerp is rekening gehouden met de dubbelbestemming ‘Leiding – Riool’ en de functieaanduiding ‘nutsvoorziening’. De woningen en wegen zijn buiten de leidingstrook en het trafogebouw voorzien. Conclusie Op basis van bovenstaande worden zijn er ten aanzien van het aspect ‘kabels en leidingen’ geen belemmeringen verwacht en is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties .

36

6.8

Luchtkwaliteit Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens dez e regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2 ) en fijnstof (PM10 ). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 BKI volgt dat een project NIBM bijdraagt aan luchtkwaliteit als toename van concentraties NO 2 en PM 10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.

Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de (niet in betekenende mate) NIBM -grens blijft: • Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl . • Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3% -grens niet overschrijdt. Analyse In artikel 5.54 ‘standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit’ van het Bkl is voor woningen aangegeven dat ontwikkelingen met ten hoogte 1.500 woningen met één ontsluitingsweg, niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. In het voorliggende geval is sprake van de realisatie van 37 woningen met één ontsluitingsweg, waarmee ruimschoots binnen de genoemde grens van 1.500 woningen gebleven wordt. Conclusie De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Vanuit het aspect luchtkwaliteit is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.9

Milieu belastende activiteiten Algemeen Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de VNG -publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' met daarin milieucategorieën en richtafstanden uit 2009 komen te vervallen. De Omgevingswet bevat meer mogelijkheden om een lokale afweging op maat te maken, per locatie en per activiteit. Daarbij wordt getoetst aan milieuwaarden in het omgevingsplan. In het voorliggende geval heeft de gemeente Leudal een omgevingsplan waarin van rechtswege nog de voorheen geldende bestemmingsplannen zijn opgenomen. In deze bestemmingsplannen is over het algemeen wel nog uitgegaan van de eerdergenoemde milieucategorieën en richtafstanden. De bestaande rechten van activ iteiten zijn daarop ook veelal gebaseerd, tezamen met de vergunningen van activiteiten. Onder de Omgevingswet wordt het begrip 'milieubelastende activiteit' (mba) gehanteerd. Dit is in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet als volgt gedefinieerd: "activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozings activiteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit". Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig

37

negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van 'directe lozingen' en wateronttrekkingsactiviteiten). Het gaat hierbij om de aspecten geur, geluid en trilling. Het is een breed begrip; er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, ook niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip. Toetsing De omliggende milieubelastende (en milieuhinderlijke) activiteiten zijn in relatie tot de ontwikkeling vande beoogde milieugevoelige woonfunctie in het onderzoek ‘Activiteiten en Milieuzonering‘4 in beeld gebracht. Beoordeeld is of voor de aspecten ‘geluid’ en ‘geur’ sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Woningen zelf vormen geen milieubelastende activiteit.In de directe omgeving van het besluitgebied is sprake van de volgende activiteiten. Deze activiteiten zijn middels de cijfers 1 t/m 7, op onderstaande afbeelding aangeduid en vervolgens kort omschreven.

Ligging besluitgebied en in de directe omgeving aanwezige (bedrijfs -) bestemming Op de afbeelding is het besluitgebied met “A” en rood omlijnd weergegeven. Verder zijn de volgende functies weergegeven: 1. Bedrijf Functieaanduiding: nutsvoorziening. Het betreft een rioolgemaal met een geurzone, zoals weergegeven op de voorgaande afbeelding. 2. Bedrijf Bestemd voor een bedrijf in de categorie ën 1 en 2 van de “lijst van bedrijfsactiviteiten”. Het betreft in dit geval een gasdrukregelkast. Deze is niet relevant voor de aspecten geluid en geur. 3. Bedrijf Functieaanduiding: transportbedrijf (milieucategorie 3.2, richtafstand 50 meter). Verder bestemd voor een bedrijf in de categorie ën 1 en 2 van de “lijst van bedrijfsactiviteiten”. 4. Sport Bestemd voor het uitoefenen van sportactiviteiten en ruimtelijk niet relevante evenementen. Op dit perceel zijn momenteel tennisbanen gelegen (milieucategorie 3.1, richtafstand 30 meter). 5. Maatschappelijk

4 Kragten, Activiteiten en Milieuzonering Woningbouwontwikkeling Kelpen

-Oler, LEU275 , 1 8 augustus 2025 .

38

6.

7.

Bestemd voor maatschappelijke activiteiten en ruimtelijk niet relevante evenementen. Momenteel wordt op dit perceel een maatschappelijke vereniging in jeugd - en tienerwerk gehuisvest (KO-Kids). Deze bestemming staat tevens ruimtelijk niet relevante eveneme nten toe. Uitgegaan wordt van de milieucategorie 2 (scholen voor basisonderwijs) met een richtafstand van 10 meter. Sport Bestemd voor het uitoefenen van sportactiviteiten en ruimtelijk niet relevante evenementen. Op dit deel van het bestemmingsvlak ligt een speeltuin en skatebaan. Ook hiervoor wordt van milieucategorie 2 uitgegaan. Bedrijf Bestemd voor een bedrijf in de categorie 1 en 2 van de “lijst van bedrijfsactiviteiten”. Het betreft in dit geval een nutsvoorziening (elektriciteit). Deze is niet relevant voor de aspecten geluid en geur.

Uit de uitgevoerde beoordeling blijkt dat de geurzone van functie1 alsmede de richtafstanden van de functies 2 t/m 5 de woningen binnen het besluitgebied niet overlappen, waardoor voor deze functies sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en een goed woon - en leefklimaat. De richtafstand voor de nabijgelegen speeltuin en skatebaan overlapt de beoogde woningen binnen het besluitgebied wel. Teneinde na te gaan of ook voor deze functiesprake is van een aanvaardbaar woon - en leefklimaat zal hier nader onderzoek naar moeten plaatsvinden. Conclusie Vanuit het aspect milieubelastende activiteiten is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.10

Natuur

6.10.1

Algemeen Met het aanvullingsspoor natuur is de voormalige Wet natuurbescherming geïntegreerd in de Omgevingswet. De Omgevingswet bevat hiermee ook de regels ter bescherming van de natuur, die gaan over: • het beschermen en ontwikkelen van natuur, en het behoud en herstel van de biologische diversiteit; • het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur voor maatschappelijke functies; • het verzekeren van een samenhangend beleid voor het behoud en beheer van waardevolle landschappen. Het bevoegd gezag is in de regel Gedeputeerde Staten van de provincie en in uitzonderingsgevallen de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (voor een Natura 2000 -activiteit en een flora- en fauna-activiteit van nationaal belang). De Omgevingswet kent enkele specifieke zorg - en meldplichten welke bepalen of een vergunning nodig is (artikel 4.3 Omgevingswet). Noemenswaardige specifieke plichten in relatie tot natuur staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en zien op: 1. Flora- en fauna-activiteiten (Bal artikel 11.27); 2. Activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000 -gebieden of bijzondere nationale natuurgebieden (Bal artikel 11.6); en 3. Activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen (Bal artikel 11.126). Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze wetgeving richt zich op twee hoofdthema's.

Het gaat om de bescherming van natuurgebieden (gebiedsbescherming) en de bescherming van plant- en diersoorten (soortbescherming). Gebiedsbescherming Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000 -gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken

39

van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld als wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; • Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en • De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000 -netwerk bewaard blijft. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier - en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel - en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vi ndt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland (NNN). Het kan de vorm hebben van wet - en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 s ub g Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Onderzoek In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een quickscan flora- en fauna 5 uitgevoerd. Hieronder wordt kort ingegaan op de conclusies van de onderzoeken.

Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige rapport. Beschermde soorten Verblijfplaatsen voor vleermuizen kunnen binnen het projectgebied worden uitgesloten. Wel is er sprake van geschikt foerageergebied voor vleermuizen en er zijn geschikte vliegroutes voor vleermuizen. Uit de analyse is gebleken dat foerageergebied voor vlee rmuizen en de vliegroutes niet wezenlijk worden beïnvloed. Het verlies van foerageergebied is zeer gering en o ok is verstoring door een toename van verlichting zeer beperkt en het heeft geen significant negatief effect. Verder is uit de analyse gebleken dat negatieve effecten voor grondgebonden zoogdieren, die niet op de Vrijstellingslijst staan, met name kleine marters, kunnen worden uitgesloten. Ook voor deze soorten geldt dat er geen sprake is van verlies van essentiee l leefgebied, bestaande bomenrijen blijven gehandhaafd. Voor algemeen voorkomende zoogdieren, met name muizen, maar ook amfibieën als bruine kikker of gewone pad geldt dat voldaan moet worden aan de zorgplicht om negatieve gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen. Ook voor broedvogels zijn er geen negatieve gevolgen, mits er geen verstoring plaatsvindt van nesten gedurende het broedseizoen van vogels. Mogelijke nestplaatsen van roofvogels, indien al in gebruik, bevinden zich niet in de delen van het gebied waar woon blokken gepland zijn, maar binnen de geplande groenzone.

Er is geen omgevingsvergunning nodig voor een flora - en fauna-activiteit. Wel dienen de navolgende maatregelen in acht te worden genomen. • Met het oog op broedvogels dienen werkzaamheden met een grote geluidsimpact buiten het broedseizoen, waarvoor als vuistregel de periode 1 maart tot 15 augustus kan worden aangehouden, plaats te vinden. Indien hieraan niet voldaan kan worden, moet in overle g met de ecoloog bepaald worden welke werkzaamheden wel en niet door kunnen gaan, afhankelijk van een broedvogelschouw. • Bij het bouwrijp maken van het terrein dient de zorgplicht in acht te worden genomen, om te voorkomen dat op het terrein aanwezige, deels in de bodem levende kleine zoogdieren en ook amfibieën gedood of verwond worden. Beschermde gebieden In de omgeving liggen Natura 2000 -gebieden Sarsven & De Banen en Leudal op respectievelijk minimaal 4,8 km en 6,1 km afstand van het projectgebied. Omdat op voorhand niet kan worden uitgesloten dat door

5 FF Advies , Quickscan flora en fauna Kelpen

-Oler, R202532 -A, 9 mei 202 5.

40

stikstofdepositie significant negatieve effecten op omliggende Natura 2000 -gebieden optreden, is een onderzoek naar stikstofdepositie uitgevoerd6 . Uit de uitgevoerde berekeningen naar de gebruiksfase blijkt dat de stikstofdepositie niet meer dan 0,00 mol N/ha/jaar bedraagt. Uit de uitgevoerde berekeningen naar de aanlegfase blijkt dat een stikstofdepositie van ten hoogste 0,01 mol N/ha/jaar plaatsvin dt in het Natura 2000 -gebied “Leudal” ten gevolge van de aanlegfase. Op basis van een nadere beschouwing van de stikstofdepositie wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van significante gevolgen. Het uitvoeren van een passende beoordeling evenals een vergunningplicht is in het kader van de Omgevingswet niet aan de orde e n het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor de realisatie en het gebruik van dit project. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage van het onderzoek. Ten aanzien van overige storingsfactoren als licht, optische verstoring, geluid en trillingen geldt dat de afstand te groot is voor het optreden van effecten. Wijzigingen in grondwaterstanden is niet te verwachten, zodat toename van verdroging in deze gebi eden niet aan de orde is.

Negatieve gevolgen voor het Natuurnetwerk Nederland en de Groenblauwe Mantel kunnen op voorhand worden uitgesloten, gebieden met deze beschermingsstatus liggen wel in de omgeving, maar worden niet aangetast. Houtopstanden Houtopstanden. Er vindt een geringe kap van bomen plaats buiten de bebouwingscontour houtopstand. Er moet nog nader bekeken worden of het een houtopstand van minimaal 10 are bedraagt of dat het een rijbeplanting betreft van meer dan 20 bomen. In dat geval moet een kapmelding te worden gedaan bij de provincie en de te kappen bomen moeten worden gecompenseerd. Conclusie Met inachtneming van bovengenoemde adviezen, is er vanuit het aspect natuur is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.10.2

Conclusie Vanuit het aspect natuuris sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.11

Trillingen Algemeen Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locat ie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in a rtikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Toetsing In het voorliggende geval is binnen het besluitgebied geen sprake van nieuwe activiteiten die leiden tot onevenredige hinder in de vorm van trillingen zoals bedoeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Evenmin is sprake van activiteiten in de omgeving die binnen het besluitgebied leiden tot onevenredige hi nder in de vorm van trillingen zoals bedoeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Conclusie Vanuit het aspect trillingen is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 6 Kragten, Stikstofdepositieonderzoek woningbouwlocatie voormalige sportvelden Kelpen

-Oler, projectnummer LEU275 , 12

januari 2026 .

41

6.12

Verkeerskundige aspecten In het kader van de beoogde ontwikkeling dient enerzijds de verkeersaantrekkende werking en inpasbaarheid daarvan in beeld te worden gebracht en dient anderzijds te worden aangetoond dat kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Daarnaast dient te worden ingegaan op de ontsluitingen de verkeersverdeling op het omliggend wegennet . Om inzicht te krijgen in de te verwachten effecten van de ontwikkeling op gebied van mobiliteit en infrastructuur binnen het besluitgebied en de directe omgeving is een onderzoek ‘Verkeer en 7 parkeren’ uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies van het onderzoek ‘Verkeer en parkeren’. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige rapport. Op basis van de resultaten uit het verkeerskundig onderzoek wordt geconcludeerd dat: het besluitgebied goed bereikbaar is voor de verschillende vervoerswijzen; in totaal een effectieve parkeerbehoefte bestaat van 69 parkeerplaatsen. In het stedenbouwkundig plan is voorzien in 72 parkeerplaatsen, waarvan 48 binnen het openbaar gebied en 26 op eigen terrein, waarmee wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid overeenkomstig de Nota parkeernormen Leudal 2025 ; de beoogde ontwikkeling tot een toename van verkeer op het omliggende wegennet leidt.

De beoogde ontwikkeling leidt naar verwachting tot circa 269 extra motorvoertuigbewegingen op een gemiddelde weekdag en circa 298 extra motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal. Op de Oranjestraat, Grathemseweg en Heideweg nemen de verkeersintensiteiten met een beperktehoeveelheid toe. Op deze wegen worden als gevolg van het planvoornemen geen knelpunten verwacht op het gebied van verkeersafwikkeling. Volledigheidshalve dient hierbij te worden opgemerkt dat de verkeersgeneratie en bijbehorende parkeervraag van de huidige sportfunctie binnen het besluitgebied komen te vervallen. De feitelijke toename van de verkeersgeneratie is dan ook lager dan de voor de woningen berekende verkeersgeneratie. Op basis van bijlage 2 van de 'Nota Parkeernormen Leudal 2025’ bedraagt het minimum aantal benodigde parkeerplaatsen voor fietsen 6 fietsparkeerplaatsen per woning bij zowel vrijstaande koopwoningen , twee-ondereén-kapwoningen en sociale huurwoningen. Bij alle woningen wordt voorzien in voldoende fietsparkeerplaatsen overeenkomstige de 'Nota Parkeernormen Leudal 2025’. Conclusie Vanuit het aspect verkeer en parkeren is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.13

Spuitzones gewasbescherming Algemeen Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Derhalve dient afstand te worden gehouden tussen gevoelige objecten en teeltgebieden ten behoeve van akkerbouw. Er zijn geen wettelijke bepalingen over de aan te houden afstand. Door de Raad van State wordt bij beoordeling van nieuwe ruimtelijke situaties vanwege drift over het algemeen een afstand van 50 meter als aanvaardbaar geacht. Dit neemt niet weg dat in bepaalde situatie een kortere afstand ook aanvaardbaar kan worden geacht. De toelating van gewasbeschermingsmiddelen is Europees geregeld en aan strenge regelgeving onderworpen. Toelating van gewasbeschermingsmiddelen berust op het voorzorgsbeginsel. Volgens het voorzorgsbeginsel mag onzekerheid over negatieve effecten geen excuus zijn om die negatieve effecten voor lief te nemen. Toelating van gewasbeschermingsmiddelen moet de teelt vooruit helpen, maar alleen als dat niet schadelijk is voor mens en milieu. Ondanks de strenge toelatingsprocedure kan het risico op gezondheidsscha de bij mensen nooit geheel worden uitgesloten.

Het is met name van belang om onevenredige risico’s zoveel mogelijk te beperken en om vooraf goed en zorgvuldig onderzoek te doen, zoals bij het bepalen van een veilige afstand tussen gevoelige functies en agrarische percelen met open teelten. 7 Kragten, Verkeer en parkeren woningbouwontwikkeling Kelpen

-Oler, projectnummer LEU275 , 12 januari 2026 .

42

De toepassing van het voorzorgsbeginsel geldt zowel voor de teler die de gewasbeschermingsmiddelen gebruikt als de (toekomstige) bewoners van woningen in de nabijheid van agrarische percelen waarop het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen plaatsvindt. De teler dient voorzichtig en terughoudend te werk te gaan bij het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen. Dit onder meer d oor rekening te houden met windsnelheden en windrichting en niet te spuitenals de windsnelheid hoger is dan 5 m/s en de windrichting hoofdzakelijk richting woningen waait en dus de kans op drift richting woningen groter is. In artikel 4.723e. ‘water en gezondheid: geen gewasbeschermingsmiddelen bij wind’ van het Besluit activiteiten leefomgeving, is het volgende opgenomen: 1.

2.

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam en het beschermen van de gezondheid worden geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt als de windsnelheid meer is dan 5 m/s, gemeten op: a. 2 m boven de grond bij neerwaarts bespuiten; en b. 1 m boven boomhoogte bij op - en zijwaarts bespuiten. Het eerste lid is niet van toepassing: a. als kan worden aangetoond dat niet anders dan door het gebruik van g ewasbeschermingsmiddelen bij een windsnelheid groter dan 5 m/s een teeltbedreigende situatie kan worden voorkomen; of b. op een overkapte beddenspuit.

Toetsing In het voorliggende geval liggen uitsluitend de percelen van de vier vrijstaande woningen aan de zijde van de Het plan is gewijzigd waardoor enkel de vier vrijstaande woningen aan de zijde van de Oranjestraat binnen 50 meter van de agrarische percelen. Alle overige woonpercelen liggen op meer dan 50 meter van de agrarische percelen, waardoor het aspect spuitzones in verband met het (mogelijke) gebruik van gewasbeschermings middelen voor die woningen geen belemmering vormt. Voor de vier percelen met vrijstaande woningen geldt dat deze pas gerealiseerd en in gebruik mogen worden genomen wanneer er een afstand van 50 meter aangehouden kan worden waarbinnen geen gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, of anderszins is aangetoond dat er geen sprake meer is van onevenredige gezondheidsrisico’s als gevolg van het (mogelijke) gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Hiertoe worden voorschriften opgenomen in de te verlenen omgevingsvergunning. Conclusie Vanuit het aspect spuitzones in verband met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is, met inachtneming van de genoemde voorschriften aan de omgevingsvergunning, sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.14

Weging van het waterbelang Algemeen In het kader van de weging van het waterbelang dient te worden aangegeven hoe wordt omgegaan met water. In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het besluitgebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Beleid Nederland leeft met water. Dat betekent dat bij bouwen rekening gehouden moet worden met water. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit een instructierege l (artikel 5.37) die is opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Bkl.

43

Op basis van artikel 5.37 vervalt de term 'watertoets'. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' deze term. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Wel geldt dat in het kader van een BOPA -omgevingsvergunning moet worden voldaan aan de beoordelingsregels uit het Bkl. Daarnaast moet een BOPA voldoen aan de instructieregels van de provincie (Omgevingsverordening) en in het geval van water aan de Waterschapsverordening van het waterschap. In de kamerbrief 'water en bodem sturend' van 25 november 2022 formuleert het Rijk een aantal uitgangspunten om water en bodem sturend te laten zijn in de ruimtelijke ordening. Dat zorgt ervoor dat de inwoners ook in een Nederland met een veranderend klimaat kunnen blijven leven, wonen en werken. Naast de keuze 'waar' te bouwen is er ook invulling gegeven aan de vraag 'hoe' een gebied klimaatbestendig kan worden ingericht of bebouwd. Daartoe hebben de samenwerkende overheden en externe partijen een landelij ke maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de thema's wateroverlast, droogte, hitte, gevolgbeperking overstromingen, biodiversiteit en bodemdaling bij nieuwbouw.

Beleid waterschap Het Waterbeheerplan 2022 - 2027 is op 8 december 2021 vastgesteld door Waterschap Limburg. Het plan heeft een looptijd van 2022 tot en met 2027. Met dit Waterbeheerplan zet Waterschap Limburg de koers uit voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg;hoe men invulling wil geven aan de taak om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten en voldoende en schoon water. In dit plan is vastgelegd hoe het waterschap het watersysteem en waterkeringen op orde wil brengen en houden. Voorbeelden van maatregelen z ijn: het aanleggen en verbeteren van dijken tegen overstromingen, het aanpakken van knelpunten van wateroverlast, herstellen van beken en het verbeteren van de effluentkwaliteit van de rioolwaterzuiveringsinstallaties. Brochure ‘Regenwater schoon naar beek en bodem’ In deze brochure van de Limburgse waterbeheerders worden de richtlijnen en de voorkeursvolgorde voor het afkoppelen van regenwater van het riool beschreven bij (vervangende) nieuwbouw. De voorkeursvolgorde gaat voor het afkoppelen uit van de trits vasthouden, bergen, afvoeren. Voor het grondoppervlak, dakoppervlak, en voor hergebruik worden richtlijnen gegeven voor het afkoppelen. Waterschapsverordening Waterschap Limburg Waterschap Limburg streeft ernaar op bij nieuwbouw en herstructurering regenwater volledig af te koppelen en binnen het besluitgebied te verwerken.

Ten aanzien van de beoogde ontwikkeling is de Waterschapsverordening Waterschap Limburg van toepassing, zoal s deze per 1 januari 2024 in werking is getreden. Onderzoek In het kader van de beoogde ontwikkeling is een notitie weging van het waterbelang 8 opgesteld in het kader waarvan ook een infiltratieonderzoek is uitgevoerd. Navolgend wordt kort ingegaan op de conclusies en aanbevelingen. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage. Voor de weging van het waterbelang is naar de volgende aspecten gekeken: grondwater, oppervlaktewater, regenwater en afvalwater. Voor deze ontwikkeling wordt het volgende geconcludeerd: Het maaiveldniveau van het projectgebied varieert van circa 28,4 m +NAP tot 29,4 m +NAP. Het oostelijke gebied is wat hoger gelegen ten opzichte van het projectgebied. Het grondwater staat voldoende laag voor de beoogde ontwikkeling om te voldoen aan de ontwateringsnorm en grondwateroverlast te voorkomen. Er worden 37 nieuwe woningen gerealiseerd. Voor de percelen wordt onderscheid gemaakt tussen rijwoningen, twee-onder-één-kapwoningen en vrijstaande woningen, waarbij het afvoerend deel van het oppervlak afwijkt. Dit leidt tot een wateropgave voor de rijwon ingen van circa 287 m 3 , circa 385 m 3 voor de twee-onder-één-kapwoningen en circa 221 m 3 voor de vrijstaande woningen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leudal&id=c2b5df20-f6da-4e5f-a690-2d1b0b08de05