Bijlage 1 - Optieovereenkomst
Tekst van het document
archeologische waarden op de betrokken locatie niet aanwezig zijn; ,
2.
het behoud van de archeologische resten in voldoende mate kan worden gewaarborgd, of
3. b.
de archeologische resten door de verstoring niet onevenredig worden geschaad.
Het bepaalde onder a. is uitsluitend van toepassing indien de verstoring dieper is dan 40 cm onder het maaiveld én de oppervlakte van de bodemingreep groter is dan 1.000 m2,
c.
In afwijking van het bepaalde onder b. is het bepaalde onder a. niet van toepassing indien; 1.
het een bouwwerk, geen gebouw zijnde, betreft dat voor archeologisch onderzoek noodzakelijk is en/of
2.
het vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing betreft, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid.
d.
Indien uit het in lid 29.2, onder a. genoemde rapport blijkt dat de archeologische resten van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning ten behoeve van het bouwen kunnen worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders aan de omgevingsvergunning de volgende voorschriften verbinden: 1.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
2.
de verplichting tot het doen van opgravingen;
3.
de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
e.
Bij het aantreffen van archeologische waarden van nationaal belang, vragen burgemeester en wethouders - alvorens de vergunning te verlenen - de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed om advies. De omgevingsvergunning ten behoeve van het bouwen wordt niet verleend, dan nadat de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed een verklaring van geen bezwaar heeft gegeven.
f.
Indien lid 29.2 onder d. sub 3. van toepassing is, wordt in de voorschriften geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.
29.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen aan de situering, de inrichting en het gebruik van de gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse beschermingswaardige archeologische resten aanwezig zijn.
29.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 29.4.1 Verbod a.
Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 5' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1.
aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies;
2.
aanleggen of verbreden van wegen, paden of parkeergelegenheid en het
3.
aanleggen van bos en/of boomgaard die op het tijdstip van het van kracht worden
aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
van dit plan niet als zodanig kunnen worden aangemerkt.; 4.
aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
5.
grondbewerkingen waartoe ook wordt gerekend vergraven, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen.
b.
Het onder a. genoemde verbod is uitsluitend van toepassing indien de de verstoring dieper is dan 40 cm onder het maaiveld én de oppervlakte van de bodemingreep groter is dan 1.000 m2•
29.4.2 Uitzondering Het bepaalde in lid 29.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a.
het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen;
b.
reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het bestemmingsplan.
29.4.3 Toelaatbaarheid
a.
De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt niet verleend, dan nadat de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het plangebied naar oordeel van burgemeesters en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, of waaruit blijkt dat: 1.
archeologische waarden op de betrokken locatie niet aanwezig zijn;
2.
het behoud van de archeologische resten in voldoende mate kan worden gewaarborgd, of;
3. b.
de archeologische resten door de verstoring niet onevenredig worden geschaad.
Indien uit het in lid 29.4.3 onder a. genoemde rapport blijkt dat de archeologische resten van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning kunnen worden verstoord, kunnen burgemeesters en wethouders aan de omgevingsvergunning de volgende voorwaarden verbinden: 1.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
2.
de verplichting tot het doen van opgravingen; of
3.
de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
c.
Bij het aantreffen van archeologische waarden van nationaal belang, vragen burgemeester en wethouders - alvorens de vergunning te verlenen - de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed om advies. De omgevingsvergunning wordt niet verleend, dan nadat de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed een verklaring van geen bezwaar heeft gegeven.
d.
Indien lid 29.4.3 onder b. sub 3. van toepassing is, wordt in de voorschriften geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de werkzaamheden of werken.
29.S Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen door: a.
de bestemming 'Waarde - Archeologie 5' geheel of gedeeltelijk te doen vervallen indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of
b.
aan gronden de bestemming 'Waarde - Archeologie 5' toe te kennen indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat de bestemming van deze gronden, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft.
39.18 vrijwaringszone - molenbiotoop 39.18.1 Aanduidingsomschrijving Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' zijn de gronden tevens bestemd voor het beschermen van: a.
de functie als werktuig van de beltmolen 'Aurora' (kern Baexem);
b.
de functie als werktuig van de beltmolen 'Sint Anthoniusmolen' (kern Heythuysen);
c.
de functie als werktuig van de beltmolen 'De Hoop' (kern Horn);
d.
de functie als werktuig van de beltmolen 'De Welvaart' (kern Horn);
e.
de waarde van de onder a. tot en met d. genoemde molens als landschapsbepalend element.
39.18.2 Bouwregels Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' gelden de volgende regels: a.
binnen een straal van 100 meter, gerekend vanaf het middelpunt van de molen, mag geen bebouwing worden opgericht, hoger dan het onderste punt van de verticale staande wiek van de molen;
b.
binnen een straal van 100 tot 400 meter, gerekend vanaf het middelpunt van de molen, mag geen bebouwing worden opgericht met een grotere hoogte dan 1/30 van de afstand, gemeten tussen de bebouwing en het onderste punt van de verticaal staande wiek van de molen.
39.18.3 Afwijken van de bouwregels Door middel van een omgevingsvergunning
kan worden afgeweken van het bepaalde in
artikel 39.18.2, mits vooraf advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de molen over de vraag of het bouwplan ter plaatse aanvaardbaar is in verband met de belangen van de molen.
39.18.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a Verbod (lid 39.18.4) Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden uit te voeren, hoger dan 1/30 van de afstand tussen het bouwwerk en de onderste punt van de verticaal staande wiek van de molen: a.
het aanbrengen van bovengrondse constructies, installaties of apparatuur;
b.
het ophogen van gronden;
c.
het planten van bomen, heesters en andere opgaande beplanting.