Besluit GS 24feb22 m.e.r.-beoordeling RWE Generation NL BV te Haelen
Tekst van het document
Scenario 1 gaat uit van een maximale aan- en afvoer van afval en pellets over het water. In scenario 2 gaat alle aan- en afvoer van afval en pellets over de weg.
Zaaknummer: 2021-208026
32
3.1.5.3 Geluid In het zonebeheersplan (DGMR kenmerk I.2010.1041.04.R001 van 8 maart 2013), welke is verankerd in het bestemmingsplan, is voor de beoogde kavels van RWE/FUREC Zevenellen geluidruimte gereserveerd.
Volgens het bovenstaande kaart zijn de kavel gelegen in het oranje deel. Voor het oranje deel is een geluidruimte gereserveerd van 65-60, 60-55 en 55-50 dB(A) voor het bronvermogen per m 2 voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Bij de aanmeldnotitie is toegevoegd een door adviesbureau Peutz opgestelde geluidnotitie (datum 25 januari 2022 en referentie: GL/GL/AvdS/F 22135-2-NO-001). Uit deze geluidnotitie volgt dat de voor RWE gereserveerde geluidruimte voldoende is en daardoor inpasbaar is binnen de geluidzone van 50 dB(A). De echte zonetoets zal plaatsvinden in de nog te verlenen omgevingsvergunning. Verder zal ten behoeve van de aanvraag omgevingsvergunning een geluidrapport worden opgesteld, waarin de berekende geluidbelasting zal worden getoetst aan de normstelling voor de maatgevende MTG woningen en overige geluidgevoelige objecten. 3.1.5.4
Verkeer
Het verkeer van en naar de inrichting van RWE maakt gebruik van de Roermondseweg. Bij de aanmeldnotitie is toegevoegd een door adviesbureau Peutz opgestelde geluidnotitie (datum 25 januari 2022 en referentie: GL/GL/AvdS/F 22135-2-NO-001). Uit deze geluidnotitie volgt dat voor de aanvoer van afval in de worstcase situatie wordt uitgegaan van 262 en 88 in respectievelijk de dag- en avondperiode.
Zaaknummer: 2021-208026
33
In tabel 2 van de aanmeldnotitie wordt ingegaan op de aantallen vrachtwagens per jaar voor de aanvoer van afval en de afvoer van pellets, metalen en mineralen. Met behulp van de bedrijfstijden in tabel 1 kunnen vervolgens de aantallen vrachtwagens per dag worden berekend. De berekening van het maximaal aantal vrachtwagens(bewegingen) is gebaseerd op een worstcase situatie, waarbij er geen afval met schepen wordt aangevoerd. In deze worstcase situatie bedraagt het aantal vrachtwagens voor de aanvoer 27.691 per jaar of 107 per dag (52 weken x 5 dagen/week) en het aantal vrachtwagenbewegingen 55.381 per jaar of 213 per dag (52 weken x 5 dagen/week). In deze worstcase situatie bedraagt het aantal vrachtwagens voor de afvoer 15.818 per jaar of 61 per dag (52 weken x 5 dagen/week) en het aantal vrachtwagenbewegingen 31.635 per jaar of 122 per dag (52 weken x 5 dagen/week). Dit scenario zal uitsluitend optreden bij ongewone omstandigheden, zoals bijvoorbeeld een hoge waterstand van de Maas waardoor de haven niet kan worden gebruikt. In de worstcase situatie bedraagt het aantal vrachtwagen 43.509 per jaar of 167 per dag en het aantal vrachtwagenbewegingen 86.706 vrachtwagenbewegingen per jaar of 334 vrachtwagenbewegingen per dag.
Representatieve situatie A (verwacht scenario) In de representatieve situatie A, waarbij sprake is van de gedeeltelijke aanvoer van afval door 96 schepen per jaar en gedeeltelijke afvoer van pellets door 96 schepen per jaar, bedraagt het aantal vrachtwagens voor de aanvoer 16.633 per jaar of 64 per dag (52 weken x 5 dagen/week) en het aantal vrachtwagenbewegingen 33.266 per jaar of 128 per dag (52 weken x 5 dagen/week). In deze representatieve situatie bedraagt het aantal vrachtwagens voor de afvoer 10.489 per jaar of 40 per dag (52 weken x 5 dagen/week) en het aantal vrachtwagenbewegingen 20.977 per jaar of 81 per dag (52 weken x 5 dagen/week). In de representatieve situatie A bedraagt het aantal vrachtwagen 27.122 per jaar of 104 per dag en het aantal vrachtwagenbewegingen 54.243 vrachtwagenbewegingen per jaar of 209 vrachtwagenbewegingen per dag. In de representatieve situatie A bedraagt het aantal schepen 192 per jaar of circa 1 per dag.
Representatieve situatie B (scenario maximaal vervoer over het water) In de representatieve situatie B, waarbij sprake is van de gedeeltelijke aanvoer van afval door 96 schepen per jaar en een volledige afvoer van pellets door 243 schepen per jaar, bedraagt het aantal vrachtwagens voor de aanvoer 16.633 per jaar of 64 per dag (52 weken x 5 dagen/week) en het aantal vrachtwagenbewegingen 33.266 per jaar of 128 per dag (52 weken x 5 dagen/week). In deze representatieve situatie bedraagt het aantal vrachtwagens voor de afvoer 2.363 per jaar of 9 per dag (52 weken x 5 dagen/week) en het aantal vrachtwagenbewegingen 4.726 per jaar of 18 per dag (52 weken x 5 dagen/week). In de representatieve situatie B bedraagt het aantal vrachtwagen 18.996 per jaar of 73 per dag en het aantal vrachtwagenbewegingen 37.992 vrachtwagenbewegingen per jaar of 146 vrachtwagenbewegingen per dag. In de representatieve situatie B bedraagt het aantal schepen 339 per jaar of 1 per dag. Aangezien sprake is van een gezoneerd industrieterrein hoeft de indirecte hinder niet te worden getoetst.
Zaaknummer: 2021-208026
34
De wijze van transport wordt vooral bepaald van waar vandaan het afval aangevoerd zal worden. Aangezien dit nu nog niet bekend is, zijn de berekende aantallen vrachtwagens(bewegingen) in de aanmeldnotitie getoetst aan de aantallen waar vanuit is gegaan in de SWECO rapport van 1 april 2019 (zie §3.1.2.6 van het besluit). 3.1.5.5
Geur
Alhoewel bij de aanmeldnotitie geen geuronderzoek is toegevoegd volgt uit het geurbeleid van de gemeente Leudal (zie §3.1.2.2 van het besluit) en de hierin opgenomen individuele en cumulatieve geurnormering, waaraan bij de vergunningverlening zal moeten worden voldaan door de toepassing van BBT, dat te allen tijde bij de geurgevoelige objecten sprake is van een aanvaardbaar hinderniveau. 3.1.5.6 Bodem De voorgenomen inrichting van RWE/FUREC Zevenellen is niet gelegen in een bodem- en/ of grondwaterbeschermingsgebied. Wel is de voorgenomen inrichting gelegen in boringsvrije zone ‘Roerdalslenk’. Boringen dieper dan 80 meter moeten worden gemeld. Als gevolg van de voorgenomen inrichting is geen sprake van het op een dergelijke diepe uitvoeren van grondboringen. Voor een inrichting type C waartoe een IPPC-installatie behoort is voor het wat betreft het aspect bodem, met uitzondering van het na oprichting overleggen van een rapport naar de bodemkwaliteit, het Activiteitenbesluit volledig van toepassing. Dit betekent concreet dat voor wat betreft de voorgenomen bodembedreigende activiteiten (op- en overslaan en be- en verwerken afvalstoffen, opslag (gevaarlijke) afvalstoffen uit eigen activiteiten, opslag gevaarlijke hulpstoffen, werkplaats en wasstraat) alle benodigde bodembeschermende voorzieningen en –maatregelen worden getroffen om te komen tot een verwaarloosbaar bodemrisico.
Ook zijn in het Activiteitenbesluit eisen gesteld in verband met de goede werking van deze bodembeschermende voorzieningen maatregelen en de controle daarvan. Voor wat betreft de voorgenomen inrichting van RWE/FUREC Zevenellen is in artikel 4.3 lid 2 van de Regeling omgevingsrecht (Mor) opgenomen dat een bodem nulsituatie onderzoek bij de aanvraag omgevingsvergunning moet worden ingediend. Met dit onderzoek wordt vastgelegd de referentie van de bodemsituatie voor aanvang van de vergunde activiteiten. 3.1.5.7
Afvalwater
Afvalwater Het binnen de voorgenomen inrichting van RWE/FUREC vrijkomende bedrijfsafvalwater uit het productieproces zal afhankelijk van de kwaliteit worden geloosd op de gemeentelijke riolering of op het oppervlaktewater de Maas. De mogelijkheid van de lozing op het oppervlakte water zal worden afgestemd met Rijkswaterstaat. Naar verwachting zal nominaal 390 m 3/etmaal worden geloosd en maximaal 499 m3/etmaal. Het huishoudelijk afvalwater wordt geloosd op het vuilwaterriool. In de aanmeldnotitie is opgenomen dat het afvalwater van de wasstraat na zuivering via een olieafscheider worden afgevoerd naar een infiltratievoorziening.
Zaaknummer: 2021-208026
35
Voor deze activiteit is in het Activiteitenbesluit alleen geregeld de lozing op het vuilwaterriool. Wel kan voor de haalbaarheid van een lozing in de bodem bij de aanvraag omgevingsvergunning een onderbouwd verzoek tot een maatwerkvoorschrift worden ingediend. Hemelwater daken Het binnen de voorgenomen inrichting van RWE/FUREC Zevenellen vrijkomende schoon hemelwater van daken wordt middels een infiltratievoorziening geloosd in de bodem. Hemelwater terreinverharding In de aanmeldnotitie is opgenomen dat het vrijkomende hemelwater van de verharde terreinen via een olieafscheider worden afgevoerd naar een infiltratievoorziening om te worden geloosd in de bodem. 3.1.5.8 Brandveiligheid en externe veiligheid Binnen de voorgenomen inrichting van RWE/FUREC Zevenellen zijn, met uitzondering van de opslag van (brand)gevaarlijke hulpstoffen in de werkplaats en het mogelijke gebruik van ammoniak als koudemiddel in de warmtepompen, verder geen gevaarlijke stoffen aanwezig. Alhoewel in de aanmeldnotitie geen opslaghoeveelheden zijn genoemd, zal het in de werkplaats sowieso gaan om kleine hoeveelheden. Verder zal de opslag voldoen aan de eisen uit de richtlijnlijn PGS 15. In deze richtlijn zijn de maatregelen opgenomen om de risico’s van de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen te beheersen en daarmee een aanvaardbaar veiligheidsniveau te creëren.
In de aanmeldnotitie is opgenomen dat de definitieve keuze van het type koudemiddel zal worden bepaald bij het indienen van de aanvraag omgevingsvergunning. Voor wat betreft de aanwezigheid van ammoniak in de insluitsystemen van de warmtepompen zal nooit meer dan 1.500 kg aanwezig zijn, omdat anders de voorgenomen inrichting van RWE/FUREC Zevenellen valt onder de werkingssfeer van het Besluit externe veiligheid (Bevi). Bij de nieuw te bouwen warmtepompen zal rekening worden gehouden met de eisen uit de richtlijn PGS 13. In deze PGS 13 zijn de maatregelen opgenomen om de risico’s van ammoniak als koudemiddel in warmtepompen te beheersen en daarmee een aanvaardbaar veiligheidsniveau te creëren. Verder zullen alle nieuwe bouwwerken voldoen aan de voorschriften die zijn gesteld krachtens het Bouwbesluit. Het Bouwbesluit kent eisen ten aanzien van het brandveilig gebruik van bouwwerken en het brandveilig opslaan van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen. Bij de vergunningaanvraag zal worden toegevoegd een rapport naar een brandveilige opslag van het geaccepteerde opgeslagen afval en de opslag van de geproduceerde afvalpellets. 3.1.5.9 Energie Uit de aanmeldingsnotitie blijkt een jaarlijks energieverbruik van circa 13 MW elektriciteit. Van dit geschatte jaarverbruik is circa 75% toe te schrijven aan het drogen en pelletiseren.
Dit energieverbruik is mede zo hoog, omdat initiatiefnemer ervoor gekozen heeft om voor het drogen geen gebruik te maken van aardgas. Verder streeft initiatiefnemer na om van het oogpunt van luchtkwaliteit en stikstof binnen de voorgenomen inrichting alleen gebruik te maken van elektrisch aangedreven interne transportmiddelen. Voor het drogen van het afval worden ontwikkeld elektrisch aangedreven warmtepompen. Het doel van deze drogers is om het vochtgehalte terug te brengen tot een streefwaarde van 5% en een maximale waarde van 10%. Dit is een voorwaarde om het afval te kunnen pelletiseren en veilig op te slaan. Zaaknummer: 2021-208026
36
Omdat sprake is van een elektriciteit grootverbruik aansluiting is aansluiting noodzakelijk met een spanningsniveau van minimaal 10 kV Aangezien sprake is van een voorgenomen inrichting zal bij de ontwikkeling en aanschaf van alle procesinstallaties- en machines, ventilatie en luchtreiniging en verlichting logischerwijs worden uitgegaan van de BBT qua energieverbruik. Ter beperking van het elektriciteitsverbruik worden sowieso de zwaardere machines voorzien van frequentieregelaars. Verder worden de vloeren, wanden en daken geïsoleerd. Ook wordt er energiezuinige verlichting toegepast, waaronder centrale en/of sensor lichtschakelaar, spaarlampen en hoogfrequentie verlichting. Ook zullen de daken van de gebouwen worden voorzien van zonnepanelen. Verder stelt het Bouwbesluit eisen aan de energiezuinigheid van gebouwen. 3.1.5.10 Mobiliteit Het bedrijventerreinen Zevenellen is goed ontsloten, met een aansluiting in zuidelijke richting via de N280 op de A73 en in noordoostelijke richting via de N273 op de A2. De ontwikkeling van bedrijventerrein Zevenellen en de vesting van nieuwe bedrijven vraagt naast een goede ruimtelijke afweging over functie, vormgeving en inpassing ook het in beeld brengen van de verkeerseffecten.
De beoordeling van de effecten van de ontwikkeling op de verkeersafwikkeling, verkeersveiligheid en de verkeershinder (leefbaarheid) worden meegenomen in het ruimtelijke ordening spoor (zie §3.1.2.6 en §3.1.5.4 van het besluit).
De plaats van het project Het bestaande grondgebruik De voorgenomen inrichting van RWE/FUREC Zevenellen is gelegen op het bedrijventerrein Zevenellen. De geplande locatie is op dit moment nog eigendom van OML en ligt braak. Voor de ligging van de bedrijfskavels zie §1.1 van het besluit. Op grond van het bestemmingsplan zijn deze bedrijfskavels aangewezen als milieucategorie 4.2. De omgeving van bedrijventerrein Zevenellen heeft een gemengd karakter. Aan de noordzijde op circa 1.000 meter van de voorgenomen inrichting van RWE/FUREC Zevenellen is gelegen de kern van Buggenum behorende tot de gemeenten Leudal. Ten oosten is gelegen het aangrenzende bedrijventerrein Windmolenbos en ten westen grenst het bedrijventerrein aan de Maas. Verder bevinden te zuiden en noordelijke richting meerdere percelen welke worden gebruikt als gras- en bouwland. Aardkundige waarden/geomorfologie De voorgenomen bedrijfslocatie bevat geen aardkundige waarden of geomorfologie. Milieubeschermingsgebieden De voorgenomen bedrijfslocatie is niet gelegen in een milieubeschermingsgebied.
Zaaknummer: 2021-208026
37
Landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang De voorgenomen bedrijfslocatie is niet gelegen in een landschap van historisch, cultureel of archeologisch belang. In opdracht van de huidige eigenaar OML heeft op de geplande locatie al een archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Uit de resultaten van dit onderzoek is bevestigd dat er in de bodem geen archeologische resten aanwezig zijn. Natuur De Wet natuurbescherming (Wnb) bevat regels met betrekking tot Natura 2000-gebieden (Habitatrichtlijnen Vogelrichtlijngebieden) binnen en buiten Nederland. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden gelegen in de omgeving van de voorgenomen inrichting van RWE zijn het gebied “Leudal” ten noordwesten en het gebied “Swalmdal” ten noordoosten. Voor wat betreft de voorgenomen activiteiten binnen de inrichting van RWE is relevant de emissie van stikstofoxiden als gevolg van de verbrandingsmotoren van de vrachtwagens en scheepvaart. Voor wat betreft het verkeer is alleen meegenomen het verkeer van en naar de voorgenomen inrichting van RWE/FUREC Zevenellen tot aan de Roermondseweg. Voor wat betreft de scheepvaart is alleen meegenomen het transport binnen haven welke is toe te schrijven aan de voorgenomen inrichting van RWE/FUREC Zevenellen. In de aanmeldnotitie is een emissie van stikstofoxiden berekend van 120 kg/jaar.
Vervolgens is in aanvulling bij de aanmeldnotitie met het wettelijk voorgeschreven programma Aerius de stikstofdepositie berekend op de dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden. Bij deze berekeningen zijn meegenomen een tweetal scenario’s. Scenario 1 gaat uit van een maximale aan- en afvoer van afval en pellets over het water. In scenario 2 gaat alle aan- en afvoer van afval en pellets over de weg. Uit de rekenresultaten blijkt dat op de Natura 2000 gebieden een bijdrage wordt berekend van < 0,01 N mol/ha/jaar. Een eventuele geringe toename van de berekende stikstofdepositie zal indien nodig door RWE met extern salderen worden gecompenseerd. Flora en Fauna De Wnb bevat regels voor het behoud van de biologische diversiteit en de bescherming van kwetsbare dier- en plantensoorten en hun natuurlijke leefomgeving. Hiertoe kent de Wnb drie beschermingsregimes. Paragraaf 3.1 ziet op het beschermingsregime voor de van nature in Nederland in het wild levende vogels. Dit beschermingsregime is de invulling van Nederland aan de verplichtingen uit de Europese Vogelrichtlijn. Paragraaf 3.2 van de Wnb omvat het beschermingsregime voor dieren en planten van soorten die zijn genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het verdrag van Bonn.
Naast de dieren en planten van soorten die zijn beschermd vanwege Europese richtlijnen en internationale verdragen, beschermt de Wnb een limitatief aantal soorten waarvan de bescherming niet internationaalrechtelijk is geregeld, maar waartoe de nationale wetgever op eigen initiatief heeft besloten. Paragraaf 3.3 behandelt dieren en planten van soorten die zijn opgenomen in de bijlage(n) bij de Wnb, dit wordt het beschermingsregime ‘andere soorten’ genoemd. Elk van bovenstaande beschermingsregimes kent eigen verboden en eigen voorwaarden tot het verlenen van ontheffing van de verboden. Zaaknummer: 2021-208026
38
Via de site Natuurgegevens provincie Limburg (http://natuurgegevensprovincielimburg.nl/) blijkt dat ter plaatse van de voorgenomen inrichting van RWE/Furec Zevenellen niets bekend is van aanwezige beschermde flora en fauna. De aanwezigheid van beschermde flora en fauna is sterk afhankelijk van kleine landschapselementen (bosjes, poelen, heggen, hagen etc.) ter plaatse. Voor de realisatie van de voorgenomen inrichting hoeven geen landschapselementen verstoord te worden, gebouwen te worden gesloopt en/of bomen te worden gerooid. Het is daarom aannemelijk dat er zich geen beschermde soorten permanent hebben gevestigd. Voor het broedseizoen staat in de wet geen vaste periode. De looptijd verschilt per soort en varieert per jaar. Vogelsoorten zoals de blauwe reiger en de bosuil beginnen al in februari te broeden en bepaalde (zang)vogels broeden nog in augustus. Veel vogelsoorten broeden ongeveer tussen 15 maart en 15 juli. Moerasvogels en andere watervogels broeden meestal tussen 1 april en 15 augustus. Nesten en eieren zijn gedurende de hele broedperiode wettelijk beschermd (Wet Natuurbescherming), vanaf het eerste takje, tot het uitvliegen van het laatste jong. Tijdens het broeden mogen nesten, eieren en broedende vogels niet worden verstoord. Er mogen dan dus geen werkzaamheden worden uitgevoerd, ongeacht de periode van het jaar.
Men moet wachten tot de vogels het nest hebben verlaten. Vaak wordt een periode gehanteerd van 15 maart tot 15 juli waarbinnen geen werkzaamheden worden uitgevoerd. In deze periode is de kans namelijk erg groot dat vogels aan het broeden zijn. Ook buiten deze periode kunnen broedende vogels worden aangetroffen. Waakzaamheid blijft daarom geboden. Zolang er echter geen nesten van broedende vogels worden verstoord, is het niet verboden om (snoei)werkzaamheden uit te voeren gedurende het broedseizoen. Vaak is dit echter lastig te bepalen, nesten zijn niet altijd gemakkelijk te ontdekken. Afhankelijk van het tijdstip van de werkzaamheden is ten aanzien van de broedvogels niet uit te sluiten dat deze aanwezig kunnen zijn. Daarom dienen alle werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te vinden.
De kenmerken van het potentiële effect Het bereik van het effect Als gevolg van de voorgenomen inrichting van RWE/Furec Zevenellen is een maximale stikstofdepositie berekend van 0,01 N mol/ha/jaar op het Natura 2000 gebied het “Leudal” ten noordwesten op circa 3 kilometer en een maximale stikstofdepositie berekend van < 0,01 N mol/ha/jaar op het Natura 2000 gebied het “Swalmdal” ten noordoosten op circa 4 kilometer. Voor wat betreft het bereik van de milieuaspecten geur, geluid en luchtkwaliteit zie §3.1.5 van het besluit. Op het bedrijventerrein Zevenellen zijn geen bedrijfswoningen aanwezig. Wel is op het bedrijventerrein gelegen een leegstaand kantoor. Direct aan de ingang van het industrieterrein ligt aan de Roermondseweg 49-51 een grote hoeve (Hoeve Groot Melenborgh) welke bedrijfsmatig wordt gebruikt door een (groot)handel in woonaccessoires en aanverwante artikelen. Verder bevinden zich binnen dit bereik sowieso een aantal (losliggende) woningen binnen en buiten de bebouwde kom gelegen aan de Parallelweg 7, Berikstraat 29/30/31/32/33/33a/35/36/38/40/42/44 en 53, Roermondseweg 49/53/56/ en 59.
Zaaknummer: 2021-208026
39
Het grensoverschrijdende karakter van het effect Met het wettelijk voorgeschreven programma Aerius wordt de stikstofdepositie berekend op de dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden. Uit de in de aanmeldnotitie toegevoegde rekenresultaten volgt dat er geen grensoverschrijdend effect wordt berekend. De waarschijnlijkheid van het effect Na vergunningverlening en daadwerkelijke realisatie van de voorgenomen activiteiten binnen de inrichting zullen de geprognosticeerde effecten optreden. De duur, frequentie en omkeerbaarheid van het effect Voor de voorgenomen activiteiten zal een omgevingsvergunning (activiteiten milieu en bouwen) ingevolge de Wabo worden aangevraagd. Deze vergunning zal voor onbepaalde tijd worden aangevraagd. Omdat de activiteiten moeten voldoen aan de daarvoor in aanmerking komende (rechtstreeks werkende) wettelijke kaders en de Beste Beschikbare Technieken (BBT) zullen de effecten met uitzondering van de stikstofdepositie in de directe omgeving van het project merkbaar zijn.
Uit te voeren maatregelen De beschreven activiteiten welke middels een oprichting omgevingsvergunning in de zin van de Wabo zullen worden vergund, zullen alleen worden toegestaan onder toepassen van de Beste Beschikbare Technieken (BBT). Sowieso volgt uit de door RWE/FUREC Zevenellen ingediende informatie dat ter beperking van de milieubelasting naar de omgeving alle afzonderlijke be- en verwerkingstappen (zie §2.2 van het besluit) zijn ondergebracht in een gesloten gebouw dat op lichte onderdruk wordt gehouden. De vrijkomende verontreinigde lucht wordt gezuiverd door de combinatie van een droge cycloon, natte gaswasser en een actief koolfilter. Verder zullen in de nog te verlenen omgevingsvergunning voorschriften worden opgenomen met te treffen maatregelen ter bescherming van het milieu.
Zaaknummer: 2021-208026
40