Sturen op een sterk sportbedrijf
Tekst van het document
Het sport- en recreatiebeleid blijft onderdeel uitmaken van de gemeentelijke organisatie. In het hoofdstuk ‘Vormgeving van de op afstand functionerende organisatie: NV Sportbedrijf Lelystad’ staat over de juridische vorm: “Bij de gekozen juridische vorm van een NV loopt de gemeente als aandeelhouder praktisch geen risico op claims van derden die zouden voortvloeien uit de bedrijfsvoering van de NV.” Uit de paragraaf over fiscale aspecten en de financiële consequenties volgt dat er in de situatie met een NV een verwacht btw-voordeel is, waardoor de kosten voor de zwembaden en Multifunctionele Sporthal lager liggen dan in 1998 en bij interne verzelfstandiging. In de bijlagen van het rapport staat een nadere toelichting ‘Organisatiestructuur voor Sport en Recreatie in de gemeente Lelystad’. Hierin staan uitgangspunten voor de op afstand plaatsing voor de NV met een BV. De uitgangspunten voor de NV luiden: •
het tegengaan van versnippering in de uitvoering van sportbeleid (“praktisch betekent dit dat in de verzelfstandigde organisatie de uitvoerende taken worden ondergebracht op het gebied van alle voor de toekomst relevante sportaccommodaties en dat ook het eigendom van die accommodaties wordt overgedragen”);
•
kostenbeheersing (“cultuuromslag naar meer ondernemersgeest onder de werknemers en naar meer commercieel handelen door het bestuur van de nieuwe organisatie, is een voorwaarde om op termijn de maatschappelijke kosten (dat wil zeggen de gemeentelijke bijdragen) te beheersen”);
•
behoud van gemeentelijke verantwoordelijkheid voor het sportbeleid (“de gemeente wil zelf in de toekomst sportbeleid ontwikkelen, zij het op hoofdlijnen, en zelf de effecten van haar beleid evalueren. Systematische en jaarlijkse evaluatie is aan te duiden als beleidsmonitoring en de kennis en vaardigheden hiervoor zullen door de achterblijvende organisatie van de gemeente (verder) moeten worden ontwikkeld”).
De uitgangspunten voor de BV luiden: •
“effectieve besturing (vanuit de holding) van toekomstige groei en verbreding van werkzaamheden (ingebed in verschillende werkmaatschappijen)”;
•
“scheiding tussen vermogensbeheer (onder andere waarde uit overgedragen materiele activa, vermogen) en beheer en exploitatie van de accommodaties”.
Het college besluit op 14 juli 1998 dat: •
“… kennis wordt genomen van het ‘Beslisdocument externe verzelfstandiging sport gemeente Lelystad van juni 1998, no. 60963’ en het ‘Bijlagenrapport van juni 1998, no. 60963’ behorende bij het Beslisdocument externe verzelfstandiging sport gemeente Lelystad inzake de externe verzelfstandiging van uitvoerende taken in de sport”;’
•
“… ingestemd wordt met de in het hoofdrapport geformuleerde conclusies en aanbevelingen van het projectteam sport.”
55
De raad besluit op 12 november 1998 tot ‘het oprichten van de NV Sportbedrijf Lelystad en een Sportbedrijf Lelystad Exploitatie BV, die worden belast met: “… het in eigendom hebben, het in stand houden, het exploiteren en het verhuren of op andere wijze in gebruik geven van sportaccommodaties, alsmede met het (doen) ontwikkelen, het in eigendom bouwen en exploiteren van een multifunctioneel sportcomplex, zoals vermeld in het ‘Beslisdocument externe verzelfstandiging sport gemeente Lelystad van juni 1998, no. 60963’ en het ‘Bijlagenrapport van juni 1998, no. 60963’ behorende bij het Beslisdocument externe verzelfstandiging sport gemeente Lelystad. Zowel de inhoud van het beslisdocument als de inhoud van het bijlagenrapport maken onlosmakelijk deel uit van dit besluit.” Op 15 april 1999 worden NV en BV in het Handelsregister ingeschreven. Met terugwerkende kracht worden daarna per 1 januari 1999 de buitensportaccommodaties in eigendom overgedragen aan de NV en ligt het beheer en onderhoud bij de BV. Met de oprichting van het Sportbedrijf komt er in april 1999 een einde aan het proces van op afstand plaatsen van de uitvoering van sport. Uit bestudeerde informatie uit het handelsregister volgt dat in de opvolgende jaren er naast de BV geen andere werkmaatschappijen zijn opgericht onder de NV.
56
Bijlage 4. Regels rond subsidieverlening en overheidsopdrachten Verschil tussen subsidie en aanbesteding Subsidie In de Algemene subsidieverordening gemeente Lelystad (ASVL) staat een verwijzing naar de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In de Awb staat dat een subsidie “een aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten” is. Volgens de toelichting op de Awb is pas sprake van subsidie indien voldaan wordt aan alle elementen van deze begripsomschrijving. Het maakt daarbij niet uit welk ‘etiket’ een gemeente op deze financiële aanspraak plakt. Een bijdrage, vergoeding, uitkering, financiering, bijdrage, krediet, lening en garantie vallen dus ook onder het subsidiebegrip waarop de Awb en de ASVL van toepassing zijn. Indien niet aan de elementen wordt voldaan, is de ‘financiële aanspraak’ geen subsidie. Het kenmerkende van een subsidie is verder dat een subsidieontvanger geen plicht heeft om de activiteiten – waarvoor subsidie is aangevraagd – ook daadwerkelijk uit te voeren. Als activiteiten bijvoorbeeld deels niet worden uitgevoerd, kan de gemeente een lagere subsidie verstrekken omdat een deel niet is uitgevoerd.
Wil de gemeente wél dat de gesubsidieerde activiteiten worden uitgevoerd, dan kan de gemeente prestatieplichten opnemen in een separate overeenkomst. Daardoor worden de activiteiten afdwingbaar. Aanbesteding In de praktijk worden vaak de begrippen ‘aanbesteding’ en ‘inkoop’ door elkaar gebruikt. Het gaat dan om “een schriftelijke overeenkomst onder bezwarende titel die is gesloten tussen een of meer dienstverleners en een of meer aanbestedende diensten (…)” (Tekst & Commentaar bij artikel 4:21 Awb; Borman & De Poorter, 2019). Het begrip ‘Onder bezwarende titel’ wil zeggen dat afspraken afdwingbaar zijn en dat de opdrachtnemer een prestatie levert en de gemeente hiervoor een op geld waardeerbare tegenprestatie levert.
Risico van een subsidie met prestatieplicht in de ondersteuningsovereenkomst Door de vastgelegde prestatieplicht of afdwingbaarheid in een bij de subsidie behorende (ondersteunings)overeenkomst kan een subsidie juridisch ‘van kleur verschieten’. Uiteindelijk is het de rechter die bepaalt of de financieringsrelatie een subsidie of een overheidsopdracht betreft. Uit vaste rechtspraak blijkt dat een subsidie met daarbij een overeenkomst met prestatieplicht door de rechter wel eerder wordt gezien als een ‘overeenkomst onder bezwarende titel’. De subsidie is dus in feite een overheidsopdracht geworden en had dus aanbesteed moeten worden. Het gevolg hiervan is dat de subsidie aanbesteed moet worden als de Europese drempelbedragen (het drempelbedrag in 2020 is € 214.000 exclusief btw) voor de dienstverlening overschreden wordt. In onderstaande figuur is deze juridische theorie verbeeld:
57
Bijlage 5. Bekostiging Sportbedrijf Lelystad I. (Verleende en vastgestelde)28 subsidies aan het Sportbedrijf 2016 – 2020 Begrotingssubsidies 2016 Begrotingssubsidie Subsidie 2016 2017 Begrotingssubsidie Subsidie 2017 2018 Begrotingssubsidie Subsidie 2018 2019 Begrotingssubsidie Subsidie 2019 Incidentele subsidie Rookvrije sportaccommodatie Incidentele subsidie Scholierensport 2019 Totaal 2019 Separate subsidiebeschikkingen Aanvraag Fonds Nieuwe Verbindingen 2016 Subsidie 2016 Subsidie 2016 activiteiten op het gebied van maatschappelijke sportstimulering Totaal 2016
€ 3.442.738 € 3.515.280 € 3.787.989 € 3.817.467 € 26.225 € 5.000 € 3.848.692
€ 113.400 € 3.442.738 € 176.792 € 3.619.530
Aanvraag: subsidie voor activiteiten van Sport & Bewegen voor 2016.
€ 177.945
2017 Subsidie 2017 Subsidie 2017 activiteiten op het gebied van maatschappelijke sportstimulering Totaal 2017
€ 3.545.280 € 178.206 € 3.723.486
2018 Subsidie 2018 Subsidie 2018 activiteiten op het gebied van maatschappelijke sportstimulering Aanvullende incidentele subsidie t.b.v. dekking autonome kostenstijging Totaal 2018
€ 3.568.825 € 178.206 € 40.958 € 3.787.989
2019 Subsidie 2019 Subsidie 2019 activiteiten op het gebied van maatschappelijke sportstimulering (incl. Ondersteuning sportverenigingen en uitvoering scholierensportprogramma Subsidie voor Rookvrije sportaccommodaties Aanvullende incidentele subsidie Specifieke uitkering sport (SPUK) a 81.7% totaal Aanvullende incidentele subsidie Specifieke uitkering sport (SPUK) compensatie Aanvullende incidentele subsidie (€ 5.000) voor activiteiten op het gebied van Scholierensport na vaststelling daadwerkelijke besteding Totaal 2019
€ 1543,15 € 4.326.272,15
Totaalbedrag periode 2016 -2019 verleend
€ 15.457.277,20
€ 3.633.229 € 184.238 € 26.225 € 393.015 € 88.022
28 De verleende subsidies zijn ook vastgesteld conform de verlening, behalve voor het jaar 2020 waarin alleen nog maar een verlenings-
beschikking is vanuit de gemeente Lelystad.
58
2020 Subsidie 2020 Subsidie 2020 activiteiten op het gebied van maatschappelijke sportstimulering Aanvullende incidentele subsidie voor dekking autonome kostenstijging Verleningsbeschikking Sportparade 2019-2020 Aanvullende incidentele subsidie) voor activiteiten op het gebied van Scholierensport (definitieve beschikking moet nog volgen) Incidentele subsidie voor investering kunstgrasveld Doggersbank inclusief eenmalige eigen bijdrage van S.V Batavia ’90 van max. € 100.000
€ 3.633.229 € 184.238 € 40.958 € 12.000 €
5.000
€ 440.000
Totaal 2020
€ 4.315.425
II. Leningen en garanties (2019) Leningen (afgerond) Garanties (afgerond)
€ 1.500.000 € 1.000.000
59
Bijlage 6. Gevolgen coronamaatregelen voor financiële positie Sportbedrijf Van de reeks onderzoeksvragen die in de inleiding zijn opgesomd luidt de laatste (vraag 11): Met welke eventuele gevolgen van de coronacrisis en/of de anderhalvemetersamenleving moeten het Sportbedrijf en de gemeente rekening houden? Het antwoord op deze vraag is in § 2.3 beknopt besproken. Aanvullend hierop geven de onderzoekers in deze bijlage een volledig verslag van de bevindingen over dit deel van het onderzoek. Zij kijken daarbij in de eerste plaats naar de impact van de coronamaatregelen op de opbrengsten en de kosten van het Sportbedrijf. Daarna gaan ze in op de impact van de coronamaatregelen op de publieke waarde die het Sportbedrijf realiseert. De in deze bijlage gepresenteerde cijfers zijn gebaseerd op de analyse van het Sportbedrijf zoals opgenomen in het jaarplan en de begroting 2021 (inclusief de toelichting op het jaarplan en de begroting 2021). In het jaarplan worden drie scenario’s gepresenteerd: •
Scenario 1 is een goede afspiegeling van de vastgestelde begroting 2020, waarbij geen rekening wordt gehouden met de effecten van de coronacrisis. Dit scenario functioneert als referentiekader voor de cijfers in deze bijlage.
•
Scenario 2 is gebaseerd op scenario 1, waarbij echter wordt wél rekening wordt gehouden met de effecten van de coronacrisis.
•
Scenario 3 is gebaseerd op scenario 2, maar nu met inachtneming van het gegeven dat het Sportbedrijf ook uit eigen middelen de algemene reserve in vier jaar dient aan te zuiveren.
Opbrengsten Sportbedrijf Bij het analyseren van de impact van de coronamaatregelen op de opbrengsten van het Sportbedrijf is het van belang onderscheid te maken tussen enerzijds opbrengsten die in het geheel niet worden geraakt door de coronamaatregelen van de rijksoverheid en anderzijds opbrengsten die wél (in meer of mindere mate) hierdoor worden geraakt. Om het eenvoudig te houden zijn de verschillende opbrengstsoorten van het Sportbedrijf gerangschikt naar de volgende drie categorieën qua mate van impact van coronamaatregelen: •
Met grote impact wordt bedoeld dat de coronamaatregelen in alle gevallen impact hebben (ook al zijn de sportfaciliteiten geopend). Bij horeca zorgt het houden van anderhalve meter afstand er bijvoorbeeld voor dat er minder klanten aanwezig kunnen zijn in de horecaruimtes. Bij recreatief zwemmen is er een limiet aan het aantal mogelijke klanten wat tegelijkertijd kan zwemmen.
•
Met middelgrote impact wordt bedoeld dat er met name effect is als de faciliteiten moeten worden gesloten vanwege de coronamaatregelen. Het gaat dan bijvoorbeeld om zwemlessen en verhuur van faciliteiten aan verenigingen.
•
Bij de categorie geen impact blijft de omvang van de inkomstenbron in alle gevallen even hoog. Dit betreft vooral de belangrijkste inkomstenbron van het Sportbedrijf, de gemeentelijke bijdrage.
De volgende tabel geeft een overzicht welke opbrengstensoorten het Sportbedrijf heeft en in welke categorie qua impact van de coronamaatregelen elke opbrengstsoort valt.
60
Mate van impact coronamaatregelen
Opbrengstensoort
Grote impact
Middelgrote impact
Geen of beperkte impact
• • •
Recreatief zwemmen Horeca Overige inkomsten29
• • • •
Doelgroepzwemmen Zwemlessen Verhuur aan verenigingen SPUK-bijdrage 100%30
• • •
Gemeentelijke bijdrage Subsidies Verhuur overige eigen accommodaties31
De volgende tabel laat zien welk aandeel elke categorie heeft in de voor 2021 begrote opbrengsten (in de situatie dat er in 2021 geen coronacrisis zou zijn geweest). Categorie mate van impact coronamaatregelen
Opbrengstensoort
Jaarplan 2021 opbrengsten (zonder corona)
Procentueel aandeel in opbrengsten
Geen of beperkte impact
Gemeentelijke bijdrage
€ 3.907.200
48%
Subsidies
€ 104.999
1%
Verhuur overige eigen accommodaties
€ 429.829
5%
Totaal geen impact
€ 4.442.028
55%
Doelgroep zwemmen
€ 171.611
2%
Zwemlessen
€ 678.111
8%
Verhuur aan verenigingen
€ 694.676
9%
SPUK-bijdrage 100%
€ 688.998
8%
Totaal middelgrote impact
€ 2.233.396
27%
Recreatief zwemmen
€ 721.076
9%
Horeca
€ 631.075
8%
Overige inkomsten
€ 115.626
1%
Totaal grote impact
€ 1.467.777
18%
€ 8.143.201
100%
Middelgrote impact
Grote impact
Totaal begrote opbrengsten Sportbedrijf 2021 (zonder corona)
29 Bij
‘overige inkomsten;’ gaat het om opbrengsten uit verkoop van bijvoorbeeld zwemattributen, administratiekosten/inschrijfkosten, doorbelasting van energiebelasting, vergoedingen voor de uitvoering van incassering lidmaatschappen en dit jaar – in verband met de coronacrisis – de subsidie Tegemoetkoming verhuurders sportaccommodatie en de NOW-subsidie. 30 SPUK staat voor ‘Regeling specifieke uitkering stimulering sport’. Sinds 1 januari 2019 kunnen gemeenten, sportverenigingen en sportstichtingen de btw die in rekening wordt gebracht voor investeringen in sport niet meer in aftrek brengen. Om de ontwikkeling en instandhouding van sportaccommodaties en de aanschaf van sportmaterialen te stimuleren, kunnen gemeenten sinds die datum gebruikmaken van deze regeling. Naarmate het Sportbedrijf minder inkoopt, zal er ook minder btw te compenseren zijn. Daardoor heeft de coronacrisis impact op de omvang van deze bijdrage. 31 Het gaat hier om de meerjarige verhuur van (delen van) buitensportlocaties die eigendom zijn van het Sportbedrijf: delen van sportcomplex De Koploper en sportcomplex De Rietlanden, kleedgebouwen en clubgebouwen. Het Sportbedrijf heeft in het voorjaar op de verhuurprijs – gezien de omstandigheden – 50% korting gegeven. Deze 50% is later weer gecompenseerd door de subsidie Tegemoetkoming verhuurders sportaccommodaties COVID-19.
Uiteindelijk is het Sportbedrijf in 2020 voor de periode maar tot en met mei volledig gecompenseerd voor het verlies aan huurinkomsten (en de huurders uiteindelijk ook).
61
Uit de tabel zijn de volgende conclusies te trekken: •
Het Sportbedrijf ontvangt circa 40% van zijn inkomsten van de gemeente en haalt circa 60% uit eigen omzet.
•
De coronacrisis heeft geen of een beperkte impact op 55% van de inkomsten van het Sportbedrijf.
•
Op 45% van de inkomsten heeft de coronacrisis dus wel impact, verdeeld over 27% middelgrote impact en 18% grote impact.
Zowel de ontwikkeling van het aantal coronabesmettingen als de maatregelen vanuit het Rijk laten zich moeilijk voorspellen. Ook is nog niet exact bekend wanneer Nederland coronavrij is. Daarom wagen de onderzoekers zich niet aan voorspellingen over wat in 2021 het financiële effect zal zijn van de coronamaatregelen. NOW-subsidie / Tegemoetkoming verhuurders sportaccommodaties COVID-19 Wat het becijferen van de financiële impact van de coronamaatregelen extra lastig maakt, is dat bij een omzetverlies van meer dan 20% het Sportbedrijf subsidie krijgt vanuit het Rijk. Dit betreft de NOW-subsidie (Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor werkbehoud). Het Sportbedrijf voldeed in 2020 aan de voorwaarde van meer dan 20% omzetverlies. Deze subsidie zorgt voor enige mate van financiële compensatie voor het omzetverlies. Daarnaast heeft het Sportbedrijf gebruikgemaakt van de regeling Tegemoetkoming verhuurders sportaccommodaties COVID19. De tegemoetkoming die het Sportbedrijf in het kader van deze regeling ontving zorgde er echter voor dat het Sportbedrijf in mindere mate recht had op NOW-subsidie. De combinatie van regelmatig veranderende maatregelen vanuit het Rijk, de impact van deze maatregelen op de mate van omzetverlies van het Sportbedrijf en vervolgens de mate waarin het Sportbedrijf in aanmerking komt voor subsidies zorgt dus voor onvoorspelbaarheid.
Dit maakt het moeilijk voor het Sportbedrijf om te sturen op de financiële impact van de crisis. Extra inkomsten genereren In het onderzoek is ook gekeken in hoeverre er commercieel iets valt uit te baten voor het Sportbedrijf. In het algemeen zijn er twee opties om extra opbrengsten te genereren: •
Nieuwe diensten of producten ontwikkelen. Gezien de aard van het takenpakket van het Sportbedrijf in combinatie met de aard van de coronamaatregelen (het beperken van menselijk contact) zien de onderzoekers dit niet als een optie waar substantieel geld mee zou kunnen worden verdiend.
•
Verhogen van prijzen van bestaande diensten of producten. In de situatie van het Sportbedrijf gaat het dan met name om het verhogen van de prijs van toegangskaartjes. Het Sportbedrijf heeft hiervoor in het jaarplan 2021 voorstellen gedaan. Tegelijkertijd geldt dat dit – bij een totale lockdown – geen maatregel is die leidt tot hogere inkomsten.
De onderzoekers concluderen daarmee dat het Sportbedrijf slechts beperkt mogelijkheden heeft om zijn inkomsten te vergroten.
62
Kosten Sportbedrijf Een andere manier om de financiële impact van de coronamaatregelen zoveel mogelijk te beperken is het verlagen van kosten. De onderzoekers hebben – net als de opbrengstsoorten – ook de kostensoorten van het Sportbedrijf geanalyseerd. De kostensoorten zijn daarbij ingedeeld in de volgende drie categorieën: vaste kosten, grotendeels vaste kosten en flexibele (variabele) kosten die kunnen meebewegen met de ontwikkelingen. De volgende tabel laat deze driedeling zien.
Categorie
Kostensoort
Bedrag
Procentueel aandeel
Vast
Verzekeringen
€ 118.311
1%
Belastingen
€ 206.814
3%
Kapitaallasten
€ 953.776
12%
Overige kosten
€ 84.888
1%
Totaal vast
€ 1.363.789
17%
Personeelskosten
€ 4.222.746
52%
Communicatie & marketing
€ 105.750
1%
Administratiekosten
€ 94.191
1%
Kantoorkosten
€ 193.093
2%
Schoonmaak
€ 80.144
1%
Onderhoud
€ 924.405
11%
Energie
€ 579.859
7%
Totaal grotendeels vast
€ 6.200.188
76%
Uitvoeringsbudget
€ 107.500
1%
Verhuur accommodatie 3e32
€ 271.388
3%
Inslag horeca
€ 198.239
2%
Totaal flexibel
€ 577.127
7%
Totaal
€ 8.141.104
100%
Grotendeels vast
Flexibel
Een aantal posten in de tabel verdient nadere toelichting: •
De personeelskosten hebben het grootste aandeel in de kosten van het Sportbedrijf, namelijk 52%. Deze kosten hebben een grotendeels vast karakter. Alleen in de horeca en bij het recreatief zwemmen wordt (deels) gewerkt met een flexibele schil. De onderzoekers merken hierbij op dat in ‘normale’ tijden de omzet van het Sportbedrijf, en daarmee de benodigde mate van personele inzet, goed is in te schatten. Vandaar dat de flexibele schil van het Sportbedrijf relatief beperkt is.
•
De energiekosten hebben grotendeels een vast karakter. Alleen indien als gevolg van overheidsmaatregelen alle faciliteiten gesloten zijn, wordt bespaard op energiekosten. Als faciliteiten deels open zijn (bijvoorbeeld voor zwemlessen) wordt er niet of nauwelijks bespaard op energiekosten. Een vergelijkbare situatie geldt voor de schoonmaakkosten. Het schoonmaakbedrijf hoeft minder schoon te maken als de faciliteiten van het Sportbedrijf dicht zijn; tevens zijn er minder schoonmaakmiddelen, toiletpapier en dergelijke nodig.
•
Voor onderhoudskosten geldt (grotendeels) dat er onderhoud zal moeten worden gepleegd, los van de mate van gebruik van de faciliteiten. Vandaar dat deze kosten een grotendeels vast karakter hebben.
•
De kostensoort ‘verhuur accommodatie 3e‘ betreft de huur van de gymzalen en sportzalen van de gemeente door het Sportbedrijf. Als deze faciliteiten niet worden gebruikt, hoeven er geen huurkosten te worden betaald door het Sportbedrijf.
32 De kostensoort ‘verhuur accommodatie 3e’ betreft alle kortdurende verhuur van accommodaties die eigendom zijn van gemeente en/of
onderwijsinstellingen. Het Sportbedrijf verzorgt voor hen de naschoolse verhuur aan verenigingen en/of recreatiegroepjes. Het Sportbedrijf int de gesubsidieerde huur bij de verenigingen en tegelijkertijd huurt het Sportbedrijf de accommodaties op basis van gehuurde uren van gemeente en/of onderwijs. Het Sportbedrijf krijgt hiervoor een vergoeding; deze zit verwerkt in de gemeentelijke bijdrage.
63
De conclusie van de onderzoekers is daarmee dat de kosten van het Sportbedrijf een grotendeels vast karakter hebben. Slechts een beperkt deel is flexibel (variabel). Algemene reserve Sportbedrijf Voor het opvangen van financiële tegenvallers beschikt het Sportbedrijf over een algemene reserve. Onderstaande grafiek geeft inzicht in de ontwikkeling van de algemene reserve sinds 2010. De grafiek laat zien dat de algemene reserve van circa € 1,17 miljoen in 2010 is gedaald naar circa € 0,88 miljoen bij de aanvang van 2020. Uitgaande van een geprognosticeerd verlies van circa € 150.000 in 2020 komt de stand eind 2020 uit op circa € 0,73 miljoen.
Stand algemene reserve € 1.400.000 € 1.200.000 € 1.000.000 € 800.000 € 600.000 € 400.000 € 200.000 €0 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020
Prognose bedrijfsresultaat Sportbedrijf over 2020 Een indicatie van de (mogelijke) financiële impact van de coronamaatregelen voor 2021 is af te leiden uit de winst- en verliesrekening van 2020. De rechterhelft van onderstaande tabel bevat de prognose van het bedrijfsresultaat over 2020 (opgesteld op 14 december).
64
Winst- en verliesrekening per 30 november 2020
De winst- en verliesrekening laat onder meer het volgende zien: •
De prognose is dat de omzet van het Sportbedrijf in 2020 daalt met € 1.211.768 ten opzichte van de jaarbegroting. Dit betreft een inkomstendaling van 15% ten opzichte van de jaarbegroting. Hierin zijn de NOW-subsidie en de inkomsten uit de regeling ‘Tegemoetkoming verhuurders sportaccommodatie’ verdisconteerd. Deze subsidie is opgevoerd bij de post ‘overige subsidies’.
•
Als gevolg van kostenbesparende maatregelen dalen de kosten ten opzichte van de jaarbegroting met € 1.051.182. Dit betreft een kostendaling van 13% ten opzichte van de jaarbegroting.
•
Per saldo is de prognose van het tekort voor 2020 € 158.629. Dit tekort komt ten laste van de algemene reserve.
Impact op door het Sportbedrijf te realiseren publieke waarde De coronacrisis heeft niet alleen een financiële impact; ze heeft ook tot gevolg dat het Sportbedrijf minder publieke waarde kan realiseren. Als gevolg van de coronamaatregelen zijn in 2020 de sportvoorzieningen voor een lange periode gesloten geweest en zijn veel sport- en beweegprojecten noodgedwongen uitgesteld. Het gevolg hiervan was dat veel zwemlessen en andere geplande sport- en beweegprojecten niet meer of slechts deels konden doorgaan. Het is aannemelijk dat het Sportbedrijf ook in 2021 zal worden geconfronteerd met beperkende coronamaatregelen. De overheidsmaatregelen om de verspreiding van het coronavirus in te dammen hebben een grote impact op de sport- en beweegaanbieders en op de vitaliteit van de inwoners van Lelystad. Zo geeft per half augustus 2020 een derde aan (veel) minder te zijn gaan bewegen dan voorheen. Bij kinderen in de basisschoolleeftijd was in april 2020 een enorme terugval in sport- en beweegactiviteit te zien (50%), veel meer dan bij kinderen in de middelbareschoolleeftijd (15%). Ook de kwetsbare groepen zijn flink geraakt in hun sport- en beweegdeelname. Zo waren onder meer ouderen en chronisch zieken voor een
65
lange tijd aan huis gekluisterd. Nu nog steeds blijft ongeveer 20% van de ouderen weg bij hun sportactiviteiten; dit betreft een relatief grote terugval.33 Tegelijkertijd heeft het Sportbedrijf, samen met sportverenigingen en maatschappelijke partners, nieuw sportaanbod gecreëerd voor kwetsbare doelgroepen, hebben er tal van extra sport- en beweegactiviteiten in de zomervakantie plaatsgevonden, is het Sport- & Vitaliteitsakkoord gelanceerd en is de Nationale Sportweek34 in Lelystad georganiseerd. Deze nieuwe activiteiten brachten niet zozeer extra inkomsten voor het Sportbedrijf met zich mee,35 maar zorgden wel – ondanks de coronamaatregelen – voor een impuls van de sport- en beweegactiviteiten bij de verschillende doelgroepen van het sportbeleid. Samenvattend •
Als gevolg van de coronamaatregelen van de rijksoverheid zijn in 2020 de sportvoorzieningen voor een lange periode gesloten geweest en zijn veel sport- en beweegprojecten noodgedwongen uitgesteld. Het gevolg hiervan was dat veel zwemlessen en andere geplande sport- en beweegprojecten niet meer of slechts deels konden doorgaan. De sport- en beweegactiviteiten van de verschillende doelgroepen van het Sportbedrijf namen hierdoor af. Tegelijkertijd heeft het Sportbedrijf wel, samen met sportverenigingen en maatschappelijke partners, nieuw sportaanbod gecreëerd.
•
De coronacrisis en specifiek de coronamaatregelen van de rijksoverheid hebben tijdelijk impact op de bedrijfsvoering van het Sportbedrijf. De (structurele) constructie van de gemeente met het Sportbedrijf staat daarmee vanuit financieelbedrijfseconomisch perspectief niet ter discussie. Als het verlies in 2021 dezelfde omvang heeft in 2020, is de algemene reserve groot genoeg om dit op te vangen. Op zichzelf beschouwd zouden de coronamaatregelen van de rijksoverheid de continuïteit van het Sportbedrijf dus niet in gevaar hoeven te brengen.36
•
Ten aanzien van de opbrengsten zijn de bevindingen als volgt: - De coronamaatregelen hebben met name impact op de opbrengsten uit de zwembaden, de horeca en de verhuur van accommodaties. De NOW-subsidie en de inkomsten in het kader van de regeling Tegemoetkoming verhuurders sportaccommodatie compenseren deze omzetdaling deels. - De belangrijkste manier om de opbrengsten van het Sportbedrijf te vergroten is het verhogen van de prijzen van toegangskaartjes. Voor een verhoging boven 5% heeft het Sportbedrijf goedkeuring van de gemeente nodig.
•
De kosten van het Sportbedrijf kunnen slechts beperkt omlaag worden gebracht. In 2020 zijn de kosten met 13% omlaag gebracht.
•
De prognose van het tekort over 2020 bedroeg op 14 december 2020 circa € 150.000. Dit tekort kan worden opgevangen uit de algemene reserve. Deze komt dan ultimo 2020 uit op circa € 0,73 miljoen.
33 Deze cijfers zijn afkomstig van het Mulier instituut. Zie voor meer informatie over deze organisatie https://www.mulierinstituut.nl. 34 Zie voor meer informatie over de Sportweek
https://www.sportbedrijf.nl/nationalesportweek/#:~:text=Sportbedrijf%20Lelystad%20organiseert%20in%20samenwerking,en%20beweeg aanbod%20in%20hun%20woonplaats. 35 De mankracht is geleverd door het huidige personeel van het Sportbedrijf en bekostigd vanuit de bestaande bijdrage van de gemeente Lelystad. 36 Echter, doordat de ‘coronaverliezen’ boven op de extra kosten komen waarmee het Sportbedrijf al enige tijd te maken heeft door de gewijzigde fiscale regels voor NV’s, is inmiddels wel degelijk sprake van een precaire situatie. Zie hierover § 2.3.
66