IHP Meerjarenperspectief 2027-2042 en Beleidskader OHV compleet 150126
Tekst van het document
INTEGRAAL HUISVESTINGSPLAN ONDERWIJS MEERJARENPERSPECTIEF 2027-2042 EN BELEIDSKADER
Januari 2026
Inhoudsopgave Deel A: Inleiding en context
3
Deel B: Beleidskader
11
Deel C: IHP Meerjarenperspectief 2027-2042
34
Deel D: Financiële planning
51
Integraal Huisvestingsplan Onderwijs Meerjarenperspectief 2027-2042
Beleidskader onderwijshuisvesting
2
DEEL A: INLEIDING EN CONTEXT
Inhoudsopgave 1. 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6
Inleiding en context Doel Opzet Wettelijk kader Financieringsstromen onderwijshuisvesting Ontwikkeling van leerlingaantallen (prognose) Ontwikkeling van de ruimtebehoefte
Deel A: Inleiding en context
5 5 5 6 8 9 10
4
1. Inleiding en context Onderwijs is de sleutel tot een succesvolle toekomst voor Lelystad. Onderwijshuisvesting kan daar (letterlijk) een ‘steentje’ aan bijdragen. Het staat buiten kijf dat het onderwijsproces zelf en de leerkrachten en medewerkers die dat vormgeven, de belangrijkste bijdrage leveren aan de toekomst van en kansen voor de Lelystadse jeugd. Het gebouw waarin dit plaatsvindt, kan hierin een ondersteunende en stimulerende rol spelen. ‘Onze’ leerlingen verdienen goede schoolgebouwen waarin het hedendaags onderwijs zo goed mogelijk kan worden vormgegeven. Op basis van dit uitgangspunt heeft de gemeente Lelystad de afgelopen jaren geïnvesteerd in vernieuwing van schoolgebouwen in de stad. Voor het primair speciaal en voortgezet onderwijs zijn de afgelopen jaren verschillende nieuwe gebouwen gerealiseerd waar we trots op mogen zijn. In recent ontwikkelde wijken, maar ook in de oudere wijken van de stad, hebben een aantal scholen (nieuwe) huisvesting gekregen. Deze hebben veelal vorm gekregen van geclusterde voorzieningen, om doorgaande leerlijnen en binding en ontmoeting in de wijken te stimuleren. Zoals bijvoorbeeld IKC De Tjalk en CBS De Schakel in Havendiep. Daarmee zijn we er nog niet… Veel van de bestaande schoolgebouwen in de stad zijn in de jaren ‘70 en ‘80 van de vorige eeuw gebouwd, in de tijd van opbouw en snelle groei van de stad.
In toenemende mate voldoen deze gebouwen niet meer aan de eisen van deze tijd. Zowel voor wat betreft technische eisen als functionele eisen. Bij het opstellen van het vorige IHP Meerjarenperspectief had de gemeente nog te maken met een teruglopend leerlingaantal. In de huidige situatie is er weer sprake van groei van wijken of zet de daling van het aantal inwoners van een wijk minder hard door waardoor het aantal leerlingen stabiliseert. Tegelijk staan de scholen voor belangrijke onderwijskundige vraagstukken, zoals het mogelijk maken van inclusief en passend onderwijs, het realiseren van doorDeel A: Inleiding en context
gaande leerlijnen en zorgen voor kansengelijkheid van leerlingen. Ook worden er hogere kwaliteitseisen aan gebouwen gesteld in het kader van bijvoorbeeld duurzaamheid, klimaatadaptatie en ‘Frisse scholen’. Deze veranderende vereisten voor schoolgebouwen knellen steeds meer met de bestaande huisvesting. Al deze constateringen hebben er toe geleid om samen met de schoolbesturen van het primair en voortgezet onderwijs en mede op verzoek van de gemeenteraad, een plan op te stellen voor de fasegewijze vernieuwing van de huisvesting van het onderwijs: het Integraal Huisvestingsplan (IHP) meerjarenperspectief 2027 – 2042. Het is tegelijk ook aanleiding geweest om de beleidsuitgangspunten voor onderwijshuisvestingsvoorzieningen onder de loep te nemen. Deze zijn in 2019 vastgelegd in het beleidskader onderwijshuisvesting primair onderwijs, maar vragen op punten om een actualisatie en herijking. Bijvoorbeeld door de toevoeging van het speciaal en voortgezet onderwijs. 1.1 Doel Het doel van het IHP Meerjarenperspectief is om met herijkte beleidsuitgangspunten en een plan voor gefaseerde vernieuwing, een helder toetsingskader voor onderwijshuisvestingsvoorzieningen te hebben voor de komende jaren. Zo is voor zowel de gemeente als de schoolbesturen helder hoe de investeringsagenda voor onderwijshuisvesting er de komende jaren uit ziet.
Dit stelt schoolbesturen in de gelegenheid om hun beleid en onderhoudsuitgaven hierop afstemmen en het geeft de gemeente duidelijkheid over de te verwachten uitgaven. Het meerjarenperspectief 2027 – 2042 vormt de huisvestingsagenda voor de toekomst. 1.2 Opzet Om de verschillende onderdelen van het IHP zo behapbaar mogelijk voor te leggen, zijn ze zo veel mogelijk opgezet als op zich zelf staande delen. De delen B, C en D omvatten de voor besluitvorming voorliggende voorstellen en de onderbouwing daarvan. De context van deze voorstellen en achterliggende informatie zijn opgenomen in deel A en in de bijlagen.
5
Deel A, de inleiding, geeft op hoofdlijnen een schets van de van de context van de onderwijshuisvesting.
schillen tussen de (leeftijd van de) doelgroepen en daarmee de behoefte aan onderwijs(huisvesting).
Deel B, het beleidskader, geeft beleidsmatige uitgangspunten voor de onderwijshuisvesting, in aanvulling op het wettelijke kader (onderwijswetten en verordening). In dit deel wordt het bestaande beleidskader uit 2019 herijkt en geactualiseerd. Voorstellen worden gedaan voor het oplossen van bestaande knelpunten, het aanscherpen van ambities en het vaststellen van nieuwe doelstellingen op bijvoorbeeld het gebied van inclusief onderwijs en klimaatadaptief bouwen. Hierin zijn verschillende keuzes te maken door de gemeenteraad.
In de wetten is vastgelegd dat de gemeente de zorgplicht heeft voor passende onderwijshuisvesting. Zij is verantwoordelijk voor o.a.: Uitbreiding; (Vervangende) nieuwbouw; Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair; Nieuwbouw, vervanging, onderhoud, exploitatie en inrichting van gymzalen voor het primair en speciaal onderwijs; Nieuwbouw van gymzalen voor het voortgezet onderwijs.
Deel C omvat het IHP-meerjarenperspectief voor de periode 2027 – 2042. Het omvat een concrete investeringsagenda voor het onderwijs voor de periode 2027 – 2034 en geeft een doorkijk naar de opgave voor de periode daarna. Door de gezamenlijke schoolbesturen vanhet primair, speciaal en voortgezet onderwijs, is in afstemming met de gemeente, een prioritaire investeringslijst opgesteld. In onderlinge samenhang is gekeken waar de grootste knelpunten en kansen tot vernieuwing liggen en in welke volgorde van urgentie deze bij voorkeur worden aangepakt. In deel D tenslotte, komen de financiële consequenties van het IHP meerjarenperspectief 2027 – 2042 samen in een meerjarige financiële planning en voorstel voor bijstelling van de IHP-begroting. De investeringsagenda voor het onderwijs is hiertoe uitgewerkt in een aantal, politiek af te wegen scenario’s, met bijbehorende financiële consequenties. De scenario’s variëren van een ‘groen en onderscheidend’ kwaliteitsniveau tot extra ruimte voor inclusief onderwijs en een opslag voor klimaatadaptieve schoolgebouwen. 1.3 Wettelijk kader De verantwoordelijkheid voor onderwijshuisvesting is verdeeld over de gemeente en de schoolbesturen. Dit is vastgelegd in de onderwijswetten: de Wet op het primair onderwijs (Wpo), de Wet op de expertisecentra (Wec)1 en de Wet op het voortgezet onderwijs (Wvo).
De afwijkingen tussen de wetten komen vooral voort uit de verDeel A: Inleiding en context
Schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor o.a.: (Functionele) aanpassingen; Het gehele onderhoud van schoolgebouwen; Het beheer en de exploitatie van de scholen; Het beheer, onderhoud en exploitatie van gymzalen voor het voortgezet onderwijs. Gemeente en schoolbesturen hebben dus beiden een wettelijk verankerde verantwoordelijkheid daar waar het gaat om de kwaliteit van de schoolgebouwen. Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs (VHO) Ter uitvoering van de wetten, dient de gemeente in een lokale verordening vast te leggen hoe zij juridisch en procedureel vormgeeft aan haar zorgplicht voor onderwijshuisvesting. De gemeente Lelystad heeft dit gedaan in de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Gemeente Lelystad 2016. In deze verordening is onder andere geregeld wat de minimale normen zijn voor onderwijshuisvestingsvoorzieningen en is op hoofdlijnen vastgelegd wat de procedure is om in aanmer
1 De Wec heeft betrekking op het (voortgezet) speciaal onderwijs 6
king te komen voor huisvestings-voorzieningen. De gemeentelijke verordening is gebaseerd op de modelverordening Voorzieningen huisvesting onderwijs van de VNG. Integraal Huisvestingsplan Onderwijs Het belangrijkste instrument dat de gemeente Lelystad hanteert bij het geven van concrete uitvoering aan haar zorgplicht voor onderwijshuisvesting is het jaarlijks vaststellen en uitvoeren het integraal huisvestingsplan onderwijs, het IHP Jaarprogramma. Hiermee wordt invulling gegeven aan de wettelijke verplichting om jaarlijks een -met de schoolbesturen besproken- huisvestingsprogramma vast te stellen. Jaarlijks kunnen schoolbesturen ook aanvragen voor nieuwe huisvestingsvoorzieningen indienen voor opname in dit plan. Aangevraagde voorzieningen worden beoordeeld op basis van de gemeentelijke verordening (VHO) en het Beleidskader Onderwijshuisvesting. Leerlingenprognoses spelen daarbij een grote rol. Deze geven inzicht in het toekomstig verloop van het aantal leerlingen per school en zijn bepalend voor het vaststellen van de benodigde capaciteit voor de huisvesting van deze leerlingen. Het IHP vormt in Lelystad de schakel in het wettelijk verplichte overleg tussen gemeente en schoolbesturen over het te voeren onderwijshuisvestingsbeleid.
Het IHP kan gezien worden als het totaal van de – voor zover mogelijk, op elkaar afgestemde – huisvestingsplannen van zowel de gemeente als de schoolbesturen. Via het IHP vindt inhoudelijke en politieke besluitvorming plaats over de te treffen voorzieningen. Hoewel het Lelystadse IHP Jaarprogramma een periode van zestien jaar bestrijkt en zoveel mogelijk meerjarig wordt gepland, ligt de focus vooral op de korte termijn. In feite fungeert het meer als een ‘huisvestingsprogramma’ zoals in de meeste andere gemeenten wordt gehanteerd. Voor de korte termijn, het actueel houden van de planning en voor het inspelen op veranderingen, werkt de IHP-systematiek zoals in Lelystad toegepast, goed. Dit willen we graag zo voortzetten. De langere termijn planning wordt vastgelegd in het IHP Meerjarenperspectief waarbij de focus ligt op grootschalige investeringen: (vervangende) nieuwbouw en renovatie. Deel A: Inleiding en context
Wet planmatige aanpak onderwijshuisvesting Vanuit de gezamenlijke verantwoordelijkheid wordt er al jaren gewerkt aan een aanpassing van de wetgeving onderwijshuisvesting. In deze aangepaste wet, die in het voorjaar van 2025 ter behandeling aan de Tweede Kamer is voorgelegd, worden de volgende aanpassingen voorgesteld: Een meerjarenperspectief voor investeringen in onderwijshuisvesting (taak gemeente); Een meerjarenperspectief voor het onderhoud (taak schoolbesturen); Renovatie wordt een volwaardig alternatief voor vervangende nieuwbouw; Opheffing van het investeringsverbod voor het primair onderwijs (zie paragraaf 1.4). Met het voorliggende IHP wordt geanticipeerd op deze nieuwe wetgeving. Eigendom schoolgebouwen Uitgangspunt van de eerder genoemde wetten is dat het eigendom van het schoolgebouw bij het schoolbestuur ligt. De verantwoordelijkheden voor het gebouw zijn daarmee ook voor het schoolbestuur. Dit betreft de verantwoordelijkheid voor al die zaken die te maken hebben met de exploitatie, het beheer en het onderhoud van het schoolgebouw en met aansprakelijkheid als deze zaken niet goed zijn geregeld. Dit eigendom van schoolgebouwen, wordt, in het kader van onderwijshuisvesting, vaak aangeduid als het ‘juridisch eigendom’. Dit ter onderscheiding van het ‘economisch claimrecht’ (ook wel, ‘economisch eigendom’).
Het economisch claimrecht van schoolgebouwen ligt bij de gemeente. Daarmee wordt bedoeld dat, wanneer het onderwijs in een schoolgebouw wordt beëindigd, het schoolgebouw terugvalt aan de gemeente. Dit, omdat de gemeente verantwoordelijk is voor de initiële bekostiging van onderwijshuisvestingsvoorzieningen. Oftewel, de gemeente heeft het gebouw betaald. Het juridisch eigendom van een schoolbestuur is als gevolg van het gemeentelijk claimrecht ook beperkt. Het schoolbestuur mag het gebouw niet verkopen. Ze mag het ook niet verhuren zonder toestemming van de gemeente. De “waarde” van het 7
gebouw blijft dus bij de gemeente. De gemeente heeft ook het vorderingsrecht op leegstaande lokalen. Indien ze deze wil inzetten voor een andere school of voor andere maatschappelijke of recreatieve doeleinden, dan heeft zij het recht om deze ruimten, onder voorwaarden, te vorderen. Multifunctionele voorzieningen Het wettelijk uitgangspunt dat schoolbesturen (juridisch) eigenaar zijn van schoolgebouwen, is geen verplichting. Gemeenten en schoolbesturen mogen anders overeenkomen. In Lelystad zijn de meeste schoolgebouwen van het basisonderwijs in eigendom van de schoolbesturen. Uitzondering hierop vormen de multifunctionele voorzieningen waarin meerdere gebruikers zijn gehuisvest. Hiervan is de gemeente eigenaar. De gemeente zorgt ook voor het onderhoud en het beheer van deze gebouwen. Via een gebruiksovereenkomst worden de lokalen in deze gebouwen in gebruik gegeven aan scholen. 1.4 Financieringsstromen onderwijshuisvesting Voor de bekostiging van onderwijshuisvesting ontvangen zowel de gemeente als de schoolbesturen middelen van het Rijk. In de vorige paragraaf is beschreven voor welke taken gemeenten en schoolbesturen middelen ontvangen. De bekostigingssystematiek wordt hieronder toegelicht. Gemeente De gemeente ontvangt voor de uitvoering van haar zorgplicht voor onderwijshuisvesting de middelen via het gemeentefonds.
Deze middelen maken integraal onderdeel uit van de Algemene Uitkering. Dit betekent dat ze niet geoormerkt zijn en dat het gemeentebestuur in principe vrij is in de wijze waarop deze middelen worden besteed, onder de voorwaarde dat ze voldoet aan haar wettelijke zorgplicht. Van een directe koppeling tussen inkomsten en uitgaven voor onderwijshuisvesting is dan ook geen sprake. De bedoeling hiervan is dat de lokale situatie bepalend is voor de omvang van de middelen die de gemeente inzet voor onderwijshuisvesting. In Lelystad vindt de besluitvorming over de voor de onderwijshuisvesting benodigde Deel A: Inleiding en context
of gewenste investeringsruimte jaarlijks plaats op basis van het IHP in het kader van het gemeentelijk begrotingsproces. De onderwijshuisvesting-uitgaven maken daarmee onderdeel uit van de integrale afweging over het totaal van de gemeentelijke uitgaven. Dit brengt met zich mee dat er geen sprake is van een vooraf vastgesteld budget voor nieuwe uitgaven en/of investeringen en bijgevolg dat de begrote IHP-uitgaven jaarlijks dienen te worden bijgesteld. Schoolbesturen De schoolbesturen ontvangen de middelen voor de uitvoering van hun verantwoordelijkheden op het gebied van onderwijshuisvesting via de lumpsumvergoeding die zij van het Rijk ontvangen. Deze vergoeding is onder andere gekoppeld aan het aantal leerlingen dat onderwijs volgt op een van de onder het bestuur vallende scholen. De lumpsumvergoeding die schoolbesturen ontvangen bestaat uit een vergoeding voor personele lasten en een vergoeding voor de lasten van materiele instandhouding, waaronder onderhoud- en exploitatielasten van gebouwen. Het geld dat in de lumpsum zit, is niet geoormerkt. Ook schoolbesturen hebben, binnen de grenzen van hun wettelijke verantwoordelijkheden, een zekere vrijheid in de wijze waarop ze de lumpsumvergoeding inzetten.
Ze dient te worden besteed aan personele kosten en kosten van materiële instandhouding, maar het is aan het schoolbestuur om te bepalen hoe het geld over de scholen wordt verdeeld en waar de accenten liggen. Ook hiervan is het idee dat schoolbesturen kunnen inspelen op lokale omstandigheden Investeringsverbod primair onderwijs In de Wpo is bepaald dat schoolbesturen het geld uit de lumpsum moeten besteden aan die taken waar het bestuur verantwoordelijk voor is. Ze mogen de lumpsumvergoeding niet aanwenden voor huisvestingsvoorzieningen die horen tot de gemeentelijke zorgplicht, zoals nieuwbouw en uitbreiding. Dit wordt het zogenoemde ‘investeringsverbod’ genoemd. Dit investeringsverbod geldt nu nog voor het primair en speciaal onderwijs. In de voorgestelde ‘wet planmatige aanpak onderwijshuisvesting’ komt dit verbod te vervallen. Daarmee wordt de situatie gelijk8
getrokken met de regelgeving voor het voortgezet onderwijs. Daarvoor geldt namelijk geen investeringsverbod.
Het schoolbestuur draagt in dat geval zorg voor het onderhoud en de exploitatie van de gymzaal en ontvangt hiervoor van de gemeente een genormeerde vergoeding.
Bij de overheveling van de verantwoordelijkheid voor het groot onderhoud en aanpassingen van de gemeenten naar de schoolbesturen primair en speciaal onderwijs per 1 januari 2015 zijn de mogelijkheden voor de schoolbesturen om te investeren het gebouw wel verruimd. De verantwoordelijkheid voor het beheer en onderhoud is immers uitgebreid tot het gehele gebouw.
1.5 Ontwikkeling van leerlingaantallen (prognose) Per 1 oktober 2024 telden de Lelystadse basisscholen 7.065 leerlingen. Op Speciale Basisschool De Kei waren daarnaast nog 89 leerlingen ingeschreven. Het (voortgezet) speciaal onderwijs telde op 1 oktober 2024 806 leerlingen. Het voortgezet onderwijs telde op 1 oktober 2024 4.411 leerlingen. De verwachting is dat het aantal leerlingen in Lelystad, als gevolg van de groei van de stad, de komende jaren toeneemt.
Met de wetswijziging hebben de schoolbesturen bijvoorbeeld de bevoegdheid gekregen om te investeren in aanpassingen aan het gebouw, bijvoorbeeld op het gebied van energiezuinigheid, binnenklimaat of het aanpassen van het gebouw aan het onderwijsconcept. Voorwaarde is wel dat de investeringen zich in een redelijke termijn terugverdienen en/of zich beperken tot een redelijk bedrag. Wat ‘redelijk’ is, is aan het schoolbestuur om te bepalen. De investeringen mogen in ieder geval niet leiden tot financiële risico’s. Onderlinge vergoedingen De
hierboven
beschreven
vergoedingsstromen
van
de
Rijksoverheid
De grafiek hiernonder laat de ontwikkeling van het aantal leerlingen van reguliere basisscholen zien. In de periode 2020 – 2025 is dit aantal met circa 3% gedaald. De verwachte stijging voor de komende tien jaar is circa 23%. Ook na 2035 wordt een stijging van het aantal leerlingen in het primair onderwijs verwacht.
voor
Onderlinge vergoedingen onderwijshuisvesting zijn gebaseerd op de situatie dat een schoolbestuur eigenaar en De hierboven beschreven vergoedingsstromen van de Rijksoverheid voor onderwijsexploitant is van een schoolgebouw en dat de gemeente dat is van de gymzalen voor het huisvesting zijn gebaseerd op de situatie dat een schoolbestuur eigenaar en exploiprimair onderwijs en (speciaal) voortgezet onderwijs. tant is van een schoolgebouw en dat de gemeente dat is van de gymzalen voor het primair onderwijs en (speciaal) voortgezet onderwijs. Zoals aangegeven in paragraaf 1.3 zijn schoolbesturen niet in alle gevallen eigenaar van schoolgebouwen. In Lelystad ligt het eigendom van de multifunctionele voorzieningen bij
Zoals aangegeven in paragraaf 1.3 zijn schoolbesturen niet in alle gevallen eigenaar de gemeente. De gemeente zorgt ook voor de exploitatie en het onderhoud van deze van schoolgebouwen. In Lelystad ligt het eigendom van de multifunctionele voorgebouwen. Voor de kosten hiervan ontvangt de gemeente van de schoolbesturen een zieningen bij de gemeente. De gemeente zorgt ook voor de exploitatie en het vergoeding. onderhoud van deze gebouwen. Voor de kosten hiervan ontvangt de gemeente van de schoolbesturen een vergoeding. Andersom geldt dit voor gymzalen voor het primair en speciaal onderwijs die eigendom zijn van een schoolbestuur. In Lelystad is dit bijvoorbeeld het geval bij enkele inpandige
Andersom geldt dit voor gymzalen voor het primair en speciaal onderwijs die eigengymzalen van een schoolgebouw waarvan het schoolbestuur eigenaar is. Het dom schoolbestuur zijn van een schoolbestuur. In Lelystad is dit bijvoorbeeld het geval bij enkele draagt in dat geval zorg voor het onderhoud en de exploitatie van de gymzaal inpandige gymzalen van een schoolgebouw waarvan het schoolbestuur eigenaar is. en ontvangt hiervoor van de gemeente een genormeerde vergoeding. Deel A: Inleiding en context
1.5
Ontwikkeling van leerlingaantallen (prognose)
Figuur 1: Aantal leerlingen in het primair onderwijs in Lelystad
Figuur 1: Aantal leerlingen in het primair onderwijs in Lelystad De verwachte stijging van het leerlingenaantal is gebaseerd op de ‘Leerlingenprognose
2025-2044’ van de gemeente Lelystad. Aan deze prognose ligt de bevolkingsprognose 9
De verwachte stijging van het leerlingenaantal is gebaseerd op de ‘Leerlingenprognose 2025-2044’ van de gemeente Lelystad. Aan deze prognose ligt de bevolkingsprognose 2025-2044 ten grondslag, waarin onder meer de prognose voor de woningbouwontwikkeling is opgenomen. Zowel de bevolkingsprognose als de leerlingenprognose worden jaarlijks geactualiseerd. Eventuele wijzigingen in het inwoneraantal van Lelystad en daarmee samenhangende leerlingen aantallen, bijvoorbeeld als gevolg van de aantrekkende woningmarkt en economie, worden in deze actualisaties meegenomen. Een uitgebreidere toelichting op de ontwikkeling van het leerlingenaantal van het primair onderwijs is te vinden in de ‘Leerlingenprognose 2025 – 2044”.
dit meer zijn, omdat bijvoorbeeld in de wijken Warande en Zuiderhage het aantal leerlingen naar verwachting fors zal toenemen en in de bestaande stad minder. Waar en bij welke scholen deze uitbreiding gaat plaatsvinden, is betrokken in het IHP Meerjarenperspectief 2027 – 2042. Voor het voortgezet onderwijs is in 2040 in totaal 35.067 m² BVO aan onderwijshuisvesting nodig. Hiervoor is nu 33.608 m² BVO beschikbaar (Porteum en De Steiger). Hier ontstaat volgens de prognose vanaf 2038 een tekort dat oploopt tot circa 1.500 m² BVO in 2040.
Een opvallend verschijnsel in Lelystad is nog dat sprake is van relatief veel verhuisbewegingen binnen de stad zelf. Dit heeft tot gevolg dat leerlingen niet altijd het basisonderwijs afronden op de school waarop ze zijn begonnen. Ook komt het hierdoor voor dat kinderen niet altijd in hun eigen wijk naar school gaan, omdat hun ouders ze hun school willen laten afmaken op die waarop ze zijn begonnen of andersom, dat ouders ze alvast inschrijven op een school die in de nabijheid van hun nieuwe huis ligt. 1.6 Ontwikkeling van de ruimtebehoefte De groei van het leerlingenaantal heeft uiteraard consequenties voor de omvang van scholen en daarmee voor de huisvesting van deze scholen. In toenemende mate is hierdoor sprake van ruimtetekort. Dit kan tot ongeveer 2034 worden opgevangen met het uitbreiden van of grotere vervangende nieuwbouw voor bestaande basisscholen en de reeds geplande nieuwe schoolgebouwen in Zuiderhage (Stella Nova, De Triangel en de zg. Wissellocatie). Na 2034 is de verwachting dat er daarnaast nieuwe onderwijshuisvesting nodig is om de groei van Lelystad op te kunnen vangen. In totaal is in Lelystad ca. 50.500 m² BVO aan onderwijshuisvesting beschikbaar voor het primair onderwijs. In 2040 is er in heel Lelystad 59.384 m² BVO aan onderwijshuisvesting voor het basisonderwijs nodig.
Dit betekent dat er tot 2040 in ieder geval circa 4.600 m² BVO moet worden uitgebreid of bijgebouwd. In de praktijk zal Deel A: Inleiding en context
10
DEEL B: BELEIDSKADER ONDERWIJSHUISVESTING
Inhoudsopgave 1. 1.1 1.2
Inleiding Doel en reikwijdte Dit willen we bereiken
13 13 13
2. 2.1 2.2 2.3 2.4
Leerling centraal Onderscheidend vermogen van onderwijsconcepten Inclusiviteit – passend onderwijs Gelijke kansen Doorgaande leerlijnen
14 14 14 15 16
3. 3.1 3.2 3.3
Toekomstbestendig Flexibiliteit en multifunctionaliteit Spreiding en bereikbaarheid Omvang van de school – exploitatie
17 17 18 18
4. Wijk en leefomgeving 4.1 Leefbaarheid wijk 4.2 Leefbaarheid stad en regio 4.3 Brede Schoolpleinen 4.3.1 Randvoorwaarden
21 21 21 22 22
5. 5.1 5.2 5.3
24 24 25 26
Kwaliteit gebouw Kwalitatieve ambities Renovatie volwaardig alternatief voor nieuwbouw (Co)financiering
Bijlage 1 Overzicht beleidsvoorstellen
29 29
Bijlage 2 Verhuur en medegebruik t.b.v. kinderopvang
33 33 MFA De Botter
Deel B: Beleidskader onderwijshuisvesting
12
1. Inleiding 1.1 Doel en reikwijdte Het doel van het beleidskader onderwijshuisvesting is om heldere uitgangspunten te hebben voor de toekomstige onderwijsvoorzieningen in Lelystad. Uitgangspunten die richting geven aan de gewenste ontwikkeling van deze voorzieningenstructuur. Dit alles met het oog op het zo goed en betaalbaar mogelijk faciliteren van het onderwijs voor de leerlingen in onze stad. De geformuleerde uitgangspunten in dit beleidskader hebben betrekking op alle onderwijsgebouwen en alle aanvragen voor (nieuwe) onderwijshuisvestingsvoorzieningen voor het primair onderwijs, het voortgezet en (voortgezet) speciaal onderwijs in Lelystad. Deze uitgangspunten bouwen voort op het beleidskader dat in 2019 is vastgesteld.
In de volgende hoofdstukken wordt ingegaan op de bouwstenen voor het onderwijshuisvestingbeleid in Lelystad. Deze worden op basis van de volgende thema’s behandeld: • Leerling centraal • Toekomstbestendig • Wijk en leefomgeving • Kwaliteit gebouw In bijlage 1 zijn de beleidsuitgangspunten die voortvloeien uit deze bouwstenen benoemd.
1.2 Dit willen we bereiken De gemeente en de schoolbesturen van het primair, voortgezet en (voortgezet) speciaal onderwijs in Lelystad willen schoolgebouwen realiseren die: • • • • • • • • •
toekomstbestendig zijn; passen bij het (toekomstig) onderwijs; voorzien in de behoefte van de verschillende wijken; passen bij de omvang van het aantal leerlingen; betaalbaar zijn voor zowel schoolbesturen als gemeente; geen of een minimale belasting hebben op het milieu; een gezond binnenklimaat hebben; goed bereikbaar zijn een inspirerende leeromgeving bieden voor leerlingen en docenten en daarmee: > bijdragen aan de leefbaarheid en aantrekkelijkheid van Lelystad; > tonen dat we, passend bij de ambities van Lelystad, bouwen met lef!
Deel B: Beleidskader onderwijshuisvesting
13
2. Leerling centraal 2.1 Onderscheidend vermogen van onderwijsconcepten Een goede leer- en leefomgeving heeft een directe invloed op de ontwikkeling van kinderen. Het is daarom belangrijk een passende leer- en leefomgeving te realiseren zodat kinderen zich zo optimaal mogelijk kunnen ontwikkelen. Een goed gespreid, divers en toegankelijk onderwijsaanbod is daarbij essentieel om elk kind passend en inclusief onderwijs te kunnen bieden binnen de eigen wijk of gemeente. Om thuisnabij onderwijs, keuzevrijheid en de kwaliteit van het onderwijs te borgen is gezamenlijk optrekken van gemeente en schoolbesturen belangrijk. Tegelijkertijd is er aandacht voor specifieke onderwijsconcepten met een breder verzorgingsgebied. We willen dat Lelystadse leerlingen zo veel mogelijk een passende plek op een school in Lelystad kunnen hebben. Het is daarom belangrijk om niet alleen het onderwijsaanbod voor Lelystad als geheel te bezien, maar ook onderscheid te maken per wijk. Het inspelen op specifieke wensen in de wijk mag niet ten koste gaan van de toekomstbestendigheid van het onderwijs (door te kleine scholen) of de flexibiliteit (de mogelijkheid om in te kunnen spelen op veranderingen in de maatschappij en het onderwijs). Voor het voortgezet en (voortgezet) speciaal onderwijs betekent dit dat het aanbod en de ontwikkelingen in de regio moeten worden meegenomen.
aan de kwaliteit van het onderwijs van de school. We willen daarom dat aan iedere grootschalige investeringsbeslissing een gedragen, inhoudelijk plan voor de gewenste ontwikkeling van het onderwijs van de betreffende school ten grondslag ligt. Daarin wordt gemotiveerd hoe de huisvesting hieraan een bijdrage kan leveren. 2.2 Inclusiviteit – passend onderwijs Vanuit het ministerie van onderwijs wordt gestreefd naar een inclusief onderwijssysteem in 2035 waarbij jongeren en kinderen met en zonder een extra onderwijsondersteuning samen naar school gaan. Dit kan gevolgen hebben voor de huisvesting. Inclusief onderwijs wordt door het ministerie gedefinieerd als een leeromgeving waarbij alle kinderen dicht bij huis, ook als zij een beperking of aanvullende
Het onderwijskundig aanbod wordt vormgegeven door de scholen en schoolbesturen. Ieder schoolbestuur heeft zijn eigen ideeën en opvattingen over hoe het onderwijs in hun school/scholen het best kan worden vormgegeven. Individuele scholen kunnen daarbinnen hun eigen accenten leggen. Dit zorgt voor een divers onderwijsaanbod. De gemeente dient het onderwijs zo goed mogelijk te faciliteren met de huisvesting ervan. Om deze reden is de inhoudelijke visie op het (toekomstig) onderwijs leidend voor iedere investeringsbeslissing. Daarmee bedoelen we de inhoudelijke visie voor de individuele school. Grootschalige investeringen ten behoeve van nieuwbouw of renovatie zijn ondersteunend aan de inhoudelijke visie op het onderwijs van de school en dragen bij Deel B: Beleidskader onderwijshuisvesting
14
ondersteuningsbehoefte hebben, volwaardig en gelijkwaardig toegang hebben tot onderwijs. Zodat zijzich samen kunnen ontwikkelen en kunnen leren en participeren. Het doel is een duurzame deelname te realiseren in een inclusieve maatschappij. Voor kinderen waarvoor dat voor korte of langere tijd nodig is, blijft gespecialiseerd onderwijs beschikbaar. Speciaal onderwijs is een algemene gemeentelijke voorziening terwijl inclusief onderwijs in elke wijk wenselijk is. Maatwerk per wijk en per school zijn vanuit inclusief onderwijs nodig en gewenst. Om te bepalen wat er nodig is voor passend en inclusief onderwijs en wat dit ruimtelijk (en financieel) betekent, ligt een gezamenlijke verantwoordelijkheid bij de gemeente en de betrokken schoolbesturen. De weg naar inclusiever onderwijs kan letterlijk en figuurlijk vragen om ruimte en investeringen. De consequenties kunnen echter per school, wijk en gemeente verschillen. Hoewel het ministerie zich als doel heeft gesteld om inclusief onderwijs in 2035 te hebben gerealiseerd, is er nog onvoldoende vastgelegd over de gevolgen voor de huisvesting. Ook binnen de gemeente Lelystad is nadere specificatie en uitwerking van de definitie van inclusief onderwijs en de consequenties voor de onderwijshuisvesting nodig.
Vooralsnog trekken de gemeente en schoolbesturen samen op om ervoor te zorgen dat aan de behoefte van de leerlingen kan worden voldaan: welke voorzieningen nodig zijn in deze wijk en welke ruimtelijke consequenties er zijn. Het streven hierbij is om deze voorzieningen zo efficiënt mogelijk te realiseren. Dus bijvoorbeeld gezamenlijk wanneer meerdere scholen gebruik maken van hetzelfde gebouw. Of op één centrale plek in de wijk wanneer het een voorziening voor meerdere scholen betreft. In het primair en (voortgezet) speciaal onderwijs is het streven om specifieke begeleiding gedeeltelijk in het schoolgebouw zelf plaats te laten vinden. Hiervoor kan aanvullende ruimte nodig zijn in of bij het schoolgebouw. In het voortgezet onderwijs is nabijheid van specifieke begeleiding en de invulling van passend onderwijs de uitdaging. Per situatie zal worden beoordeeld of het noodzakelijk is Deel B: Beleidskader onderwijshuisvesting
om specifieke begeleiding binnen de school te faciliteren. Een goede samenwerking tussen onderwijs en begeleiding is essentieel voor de ontwikkeling van kinderen in het algemeen en de onderwijsparticipatie van leerlingen in het bijzonder (terugdringen van het aantal thuiszitters). Bij nieuwbouw of renovatie van een school willen we dat een beargumenteerde keuze gemaakt wordt of en in welke mate er recht kan worden gedaan aan de extra ruimtebehoefte voor inclusief onderwijs. Dit vraagt dat de schoolbesturen gezamenlijk onderbouwen welke voorzieningen nodig zijn in de wijk en welke ruimtelijke consequenties er zijn voor de verschillende scholen in de wijk. Met name bij nieuwbouw zijn er combinatiekansen van onderwijs met andere maatschappelijke voorzieningen. Omdat er vanuit het ministerie nog geen duidelijke richtlijn is voor de implementatie van inclusief onderwijs in bestaande en nieuwe schoolgebouwen, zullen de gemeente en de schoolbesturen de ontwikkelingen op dit vlak nauwlettend in de gaten houden. Zowel de gemeente als de schoolbesturen zijn ervan bewust dat landelijk beleid rondom inclusief onderwijs de komende jaren aan ontwikkeling onderhevig is. Veranderend beleid vergt mogelijk een aanpassing van het beleidskader in de toekomst. Een gezamenlijke visie voor Lelystad op inclusief onderwijs en inclusieve schoolgebouwen zal in de komende jaren verder ontwikkeld worden.
Vooruitlopend op het landelijke beleid willen gemeente en schoolbesturen bij nieuwbouw van een school, onder de genoemde voorwaarde, alvast letterlijk de ruimte bieden om inclusief onderwijs vorm te geven. 2.3 Gelijke kansen Ieder kind heeft recht op dezelfde startpositie in de maatschappij. Dat betekent dat sommige kinderen aanvullende ondersteuning nodig hebben om diezelfde startpositie te verkrijgen. In de gemeentelijke Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2016 is daarom een gewichtenregeling vastgesteld waarmee scholen extra ruimte voor huisvesting kunnen krijgen als zogenaamde ‘gewichtenleerlingen’ staan ingeschreven bij de betreffende school. Bij de berekening van de ruimtebehoefte van een school wordt daarom - conform de modelverordening onderwijshuisvesting 15
van de VNG - rekening gehouden met een ruimtetoeslag voor scholen met een hoge achterstandsscore 2.4 Doorgaande leerlijnen Ieder kind doorloopt zijn eigen pad in ontwikkeling. Om het ontwikkelingsaanbod steeds beter te laten passen bij de mogelijkheden en behoefte van de kinderen is het belangrijk dat de verschillende stappen goed op elkaar aansluiten en liefst in elkaar doorlopen. Samenwerking tussen de verschillende partners op het gebied van de ontwikkeling van kinderen is daarbij essentieel. Dat betekent dat er wordt ingezet op de aansluiting van de vroeg- en voorschoolse opvang en educatie op het basisonderwijs, de aansluiting van primair op voortgezet onderwijs en de aansluiting van het voortgezet onderwijs op vervolgonderwijs en/of naar werk. Hierdoor wordt de startpositie van ieder kind bij de volgende stap verbetert en kan ieder kind de stappen op eigen tempo en naar eigen vermogen invullen. Schoolbesturen zijn zelf verantwoordelijk voor het organiseren en (laten) uitvoeren van samenwerkingsverbanden, zoals met voor- en naschoolse opvang, MBOinstellingen of het bedrijfsleven. Binnen de diverse integrale kindcentra in de stad is er al samenwerking tussen het basisonderwijs en de kinderopvang en/of de vroeg- en voorschoolse educatie.
Deel B: Beleidskader onderwijshuisvesting
16
3. Toekomstbestendig 3.1 Flexibiliteit en multifunctionaliteit Onderwijs vraagt een zekere flexibiliteit van gebouwen, omdat zowel de leerling populaties in de loop der tijd veranderen als de wijze waarop het onderwijs wordt aangeboden. De wijze waarop inclusief onderwijs zich gaat ontwikkelen speelt daarin ook een belangrijke rol. Aanpasbaarheid Met het oog op een lange levensduur is het van belang dat een schoolgebouw qua omvang, bouw en inrichting zoveel mogelijk geschikt is voor toekomstige, veran-derende gebruikersbehoeften. Flexibiliteit en multi-inzetbaarheid van gebouwen is dan wenselijk. In de ideale situatie willen we schoolgebouwen die zich kunnen aanpassen aan wijzigingen in de capaciteits- en functiebehoefte van de gebruiker.
de functionaliteit van de gebouwen worden verhoogd en kan efficiënt ruimtegebruik worden gerealiseerd. In relatie tot de (in bijlage 1 genoemde) beleidsuitgangspunten rondom medegebruik en minimale omvang voor grootschalige investeringen is het van belang dat schoolgebouwen voldoende omvang hebben. Met het combineren van scholen en voorzieningen in één gebouw, kan niet alleen inhoudelijke synergie plaatsvinden, maar zijn er ook meer mogelijkheden om binnen het gebouw te “schuiven”. Wanneer het aantal leerlingen van het scholencluster als uitgangspunt wordt genomen voor het bepalen van de benodigde capaciteit van een gebouw, in plaats van het aantal leerlingen per school, kan de groei van de ene school en krimp van een andere school in dezelfde wijk worden opgevangen in hetzelfde gebouw.
Flexibel bouwen, in de zin dat schoolgebouwen als het ware ‘meebewegen’ naar gelang de ruimtebehoefte is in de praktijk (nog) niet mogelijk. Wel kunnen we streven naar bouwwijzen die uitwisselbaarheid en aan-passingen ten aanzien van voortschrijdend inzicht mogelijk maken en daarmee de flexibiliteit vergroten. Binnen deze bouwwijzen moet voldoende ruimte zijn om de identiteit van de school tot uiting te laten komen, zonder dat wijzigingen in gebruik alleen mogelijk zijn met grootschalige ingrepen in het gebouw. De kloof tussen de vraag naar bouw en renovatie van onderwijshuisvesting en de beschikbare capaciteit vanuit de betrokken partijen (schoolbesturen, gemeente en marktpartijen) wordt steeds groter. Om het risico op vertragingen en overschrijdingen te beperken worden er bijvoorbeeld door de gemeente Amsterdam en vanuit het innovatiefonds onderzoeken gedaan naar slimme innovatieve concepten die zo veel mogelijk gestandaardiseerd worden. Het doel hiervan is om te zorgen voor flexibele en innovatieve gebouwen waarbij de stichtingskosten per m² beperkt worden. Gemeente Lelystad zal deze ontwikkelingen nauwgezet in de gaten houden. Clustering Ook met de clustering van scholen en andere (maatschappelijke) voorzieningen kan Deel B: Beleidskader onderwijshuisvesting
17
Het clusteren van voorzieningen is ook om andere redenen aantrekkelijk. Scholen staan immers niet (meer) op zich zelf. Ze kunnen bijdragen aan en onderdeel zijn van bredere maatschappelijke ontwikkelingen; ze kunnen een ontmoetingsplek vormen in de wijk en de leefbaarheid ervan bevorderen. Zie ook paragraaf 4.1. 3.2 Spreiding en bereikbaarheid Ieder kind moet de mogelijkheid hebben om binnen de eigen wijk naar school te kunnen. Een goede en evenwichtige spreiding van basisscholen en een goede bereikbaarheid daarvan wordt zowel door de gemeente als schoolbesturen onderschreven en blijft onverminderd een belangrijk uitgangspunt voor het onderwijshuisvestingsbeleid. Daarbij hoort ook het in stand houden en zo mogelijk bevorderen van de diversiteit van het aanbod, zodat er voldoende keuzemogelijkheden zijn en blijven voor ouders en hun kinderen. Bij clustering van voorzieningen en/of het (her)lokaliseren van scholen, wordt daarom rekening gehouden met een goede spreiding van basisscholen. Daarbij dient eventueel herlokaliseren van scholen uitdrukkelijk ook gewenst te zijn door de betreffende school en het schoolbestuur. Vanuit duurzaamheidsoverwegingen en de gezondheid van kinderen willen we dat leerlingen zo veel mogelijk lopend of met de fiets naar school gaan.
Lelystadse scholen proberen dat te stimuleren, als ook de gemeente onder andere door te voorzien in veel en veilige fietsroutes. Desondanks zien we een tegengestelde ontwikkeling: meer en meer kinderen worden met de auto naar school gebracht. Het liefst parkeren de ouders nog direct voor de ingang van de school. Dit levert in toenemende mate problemen op van verkeersoverlast. Om die reden is de bereikbaarheid van basisscholen een aandachtspunt. Bij (vervangende) nieuwbouw, wordt daarom onderzocht of en welke maatregelen nodig zijn om de fysieke bereikbaarheid en ontsluiting van de betreffende school te optimaliseren. Schoolbesturen en gemeenten zetten daarbij primair in op het bevorderen van lopen of fietsen en een goede en veilige ontsluiting voor het verkeer per auto. Deel B: Beleidskader onderwijshuisvesting
3.3 Omvang van de school – exploitatie Om een toekomstbestendige en kwalitatieve voorzieningenstructuur te realiseren, streven we naar een passende omvang van scholen. Stichten en opheffen van een school is een schoolbestuurlijke zaak, waaraan wettelijke kaders en normen ten grondslag liggen. Ieder schoolgebouw moet voldoende leerlingen hebben voor een verantwoorde exploitatie. Tegelijkertijd willen we dat het gevoel van veiligheid van de leerlingen en de sociale cohesie op school worden geborgd. Ook de keuzevrijheid voor leerlingen willen we borgen. Bovendien willen we leegstand van schoolgebouwen voorkomen. Bij krimp in de wijk zou deze leegstand kunnen worden ingevuld door huisvesting van andere scholen, kind of wijk gerelateerde functies. Het is essentieel dat de realisatie van maatschappelijke voorzieningen in het algemeen, en onderwijshuisvesting in het bijzonder, een integraal onderdeel uitmaakt van de diverse gebiedsontwikkelingen en wijkplannen. Afstemming met de diverse stakeholders, waaronder de (beoogde) schoolbesturen is noodzakelijk om te kunnen anticiperen op de ontwikkelingen in de wijk: Groei, krimp of wijzigingen in de bevolkingsopbouw- en samenstelling.
Minimale omvang Hoewel de omvang en het opheffen van scholen de verantwoordelijkheid is van het schoolbestuur, kan de gemeente vanuit haar verantwoordelijkheid voor adequate en kwalitatief goede huisvesting wel voorwaarden stellen aan de minimale omvang van schoolgebouwen wanneer nieuwe investeringen nodig zijn. In de beleidskaders 2012 en 2019 is een minimale omvang vastgesteld voor een gebouw, wil het in aanmerking komen voor een grootschalige investering, zoals vervangende nieuwbouw of renovatie. Dit uitgangspunt willen we handhaven. Voor een gezonde exploitatie wordt in zijn algemeenheid een eenstroomschool met een omvang van 200 leerlingen gehanteerd als minimale omvang. Dit betekent dat er voor iedere leeftijdscategorie een volwaardige groep kan worden gerealiseerd (totaal 8 groepen). In de bestaande stedelijke structuur van Lelystad lijkt deze omvang het best passend. Vanuit de ambitie om toekomstbestendige scholen te realiseren 18
en efficiënt ruimtegebruik mogelijk te maken (zie paragraaf 3.1) is het voor de uitbreidingswijken van Lelystad wenslijk een grotere maat te hanteren. In deze wijken is het wenselijk om uit te gaan van een tweestroomschool, ofwel een combinatie van twee eenstroomscholen, met ruimte voor in totaal 16 groepen, in hetzelfde gebouw. Hiermee kan beter worden ingespeeld op wijzigingen in leerlingenaantallen. Door de minimale omvang te koppelen aan het gebouw en niet aan de school, worden kleine scholen niet uitgesloten om in aanmerking te komen voor vernieuwing. Met het onder één dak brengen van twee of meerdere scholen ligt de omvang van 200 leerlingen in de bestaande stedelijke structuur en 400 leerlingen in uitbreidingswijken binnen bereik. Op deze wijze wordt ook het risico beperkt dat veel geld wordt geïnvesteerd in een gebouw van een solitaire, kleine school die door eventuele verdere krimp ophoudt te bestaan. Evenwel is het mogelijk dat een ‘gevestigde’ buurtschool met een stabiel leerlingenaantal van (net) onder 200 leerlingen toch aan vernieuwing toe is en dat er geen mogelijkheden zijn om ‘slim’ te combineren. Daarom wordt voorgesteld het beleidsuitgangspunt enigszins te nuanceren. Namelijk door het als ‘streven’ te handhaven, waarbij de mogelijkheid om grootschalige investeringen te doen in schoolgebouwen met een kleinere omvang niet helemaal is uitgesloten.
Uitbreiding scholen en dislocaties Met de groei van de stad en het bewaken van de keuzevrijheid is er een grotere kans dat het animo voor een school groter is dan het aantal beschikbare plaatsen. In nauwe samenwerking tussen het betrokken schoolbestuur en de gemeente kunnen de mogelijkheden van het opvangen van de leerlingen worden afgewogen. De gemeente is wettelijk verplicht om te voorzien in voldoende huisvestingscapaciteit. Ze kan daarin voorzien door een schoolgebouw uit te breiden of door de betreffende school door te verwijzen naar leegstand in een nabijgelegen andere school. 1 ‘redelijke termijn’ wordt in dit verband gekoppeld aan de duur van een tranche zoals (wordt) vastgesteld voor het IHP-meerjarenperspectief Deel B: Beleidskader onderwijshuisvesting
In het geval van uitbreiding gelden de volgende voorwaarden: • De uitbreiding is functioneel en ruimtelijk redelijkerwijs mogelijk; • De uitbreiding heeft geen grote extra belasting voor de omgeving op o.a. het gebied van verkeer en parkeren. Vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik en spaarzaam omgaan met de beschikbare middelen, zijn de schoolbesturen en de gemeente het erover eens dat bij nieuwe aanvragen voor capaciteitsuitbreiding eerst de mogelijkheden voor medegebruik van leegstand in een nabijgelegen school worden bekeken, alvorens tot uitbreiding van een gebouw wordt overgegaan. Dit beleid kan er in de praktijk toe leiden dat een school kan worden doorverwezen naar meerdere andere locaties (zogenoemde dislocaties). Schoolbesturen en scholen vinden het wenselijk vanwege onderwijskundige, organisatorische en personele aspecten dat scholen zoveel mogelijk op één locatie zijn gehuisvest. Indien de situatie zich voordoet dat een school zoveel leerlingen heeft of dreigt te krijgen dat deze niet meer op de huidige locatie gehuisvest kan worden, wordt eerst bekeken of: • De betrokken schoolbesturen alsnog afspraken kunnen maken over de verdeling van leerlingen. Een (tijdelijke) aannamestop kan hier onderdeel van uitmaken; • Er binnen redelijke1 termijn perspectief is op passende huisvesting in relatie tot het meerjarenperspectief.
Het uitgangspunt is huisvesting op maximaal één disclocatie. Dit kan betekenen dat de gemeente de uitbreiding van scholen moet financieren, terwijl er in de nabijheid sprake is van leegstaande onderwijscapaciteit. Tijdelijk doorverwijzen naar meer dan één dislocatie kan dan, vanuit financiële doelmatigheid toch de voorkeur hebben. Dit ter afweging en beoordeling door het college. Idealiter maken de schoolbesturen onderling afspraken over hoe om te gaan met groei van de ene en krimp van de andere school in relatie tot de invulling van leegstand. Een flexibel gebouw met daarin meerdere basisscholen, waar per schooljaar bekeken kan worden welke ruimte nodig is voor welke school, kan hieraan bijdragen. 19
Voor het voortgezet en (voortgezet) speciaal onderwijs is het belangrijk dat er een goede balans is tussen het aantal gebouwen en de grootte van de opleiding. Het kan voor deze scholen een keuze zijn om verschillende leerwegen in verschillende gebouwen te huisvesten. Hierbij is het wel belangrijk dat de afstand tussen de gebouwen goed te overbruggen is voor de leerlingen en medewerkers. Mocht uitbreiding van de school vanwege een toestroom van leerlingen niet mogelijk en/of wenselijk zijn, dan kan het nodig zijn om het toelatingsbeleid aan te passen. In het LEA worden afspraken vastgelegd om te bewaken dat er een gelijk speelveld blijft bestaan en gelijke toegang wordt bevorderd. Voor dislocaties is bij de actualisering van het IHP Jaarprogramma in 2023 vastgesteld dat een school voor primair onderwijs, in geval van ruimtetekort, voor extra ruimte kan worden doorverwezen naar leegstand in een (school)gebouw binnen een straal van 2 kilometer hemelsbreed voor een periode van maximaal 5 jaar. Hieraan zijn een aantal voorwaarden opgenomen waaraan de school en de gemeente moeten voldoen: • Met het aantal groepen dat in de dislocatie wordt gehuisvest, kan organisatorisch en onderwijskundig geen goede verdeling worden gemaakt tussen de groepen in de hoofdlocatie en de dislocatie (dit, ter bepaling in onderling overleg tussen de gemeente en het schoolbestuur).
Het is mogelijk om het hoofdgebouw van de school uit te breiden. Ook zijn er uitzonderingen opgenomen met betrekking tot de duur van de tijdelijke huisvesting en de afstand: • Indien er vooruitzicht is op vervangende nieuwbouw van de hoofdgebouw van de school, geldt een verwijsperiode van maximaal 8 jaren (conform de duur van één tranche van het IHP meerjarenperspectief); Indien de leegstand waarnaar een school wordt doorverwezen zich binnen een afstand van 200 meter van het hoofdgebouw bevindt, geldt geen maximale verwijsperiode; • Indien het niet mogelijk is het hoofdgebouw van de school uit te breiden, geldt eveneens geen maximale verwijsperiode. In dat geval is de minimale omvang Deel B: Beleidskader onderwijshuisvesting
van de toe te wijzen ruimte in een dislocatie voldoende voor de huisvesting van vier groepen plus noodzakelijke nevenruimten (bijvoorbeeld een pauze/ overlegruimte voor personeel en een speelzaal bij huisvesting kleuters), zulks ter onderbouwing door het schoolbestuur. Gebruik leegstaande ruimtes Vanuit de notie dat de materiele instandhouding van leegstand de schoolbesturen geld kost en het niet benutten ervan voor onderwijs er toe kan leiden dat de gemeente aanvullende huisvesting moet bekostigen, is de afgelopen jaren – op basis van de beleidskaders uit 2012 en 2019 – een actief leegstandbeleid toegepast. Hierbij is het van belang het onderscheid te maken tussen normatieve overcapaciteit en werkelijke overcapaciteit. De werkelijke overcapaciteit is vaak kleiner dan de normatieve overcapaciteit, omdat ruimtes in het kader van doorgaande leerlijnen en passend onderwijs worden ingezet (zie hoofdstuk 2). Voor het gebruik van leegstaande klaslokalen maakt de wet- en regelgeving (artikel 107 en 108 van de WPO) onderscheid in medegebruik en verhuur. In bijlage 1 is aangegeven hoe de invulling van leegstaande klaslokalen voor kinderopvang kan worden vormgegeven.
20
4. Wijk en leefomgeving 4.1 Leefbaarheid wijk Het IHP Meerjarenperspectief kijkt naar de behoeften van de stad en haar wijken en zorgt ervoor dat de huisvesting van de scholen – eventueel in combinatie met overige maatschappelijke voorzieningen – hierop is afgestemd. Een integrale afweging van de onderwijshuisvestingsbehoefte (en overige maatschappelijke functies) en vertaling ervan in de hiervoor benodigde voorzieningen verbetert de leefbaarheid in de stad als geheel en de wijken afzonderlijk. Voor het primair onderwijs is de school als ontmoetingsplek in de wijk en haar inwoners al langer het uitgangspunt in het gemeentelijk beleid. We willen dat schoolgebouwen uitnodigend zijn voor de wijk en haar bewoners. Een school als ontmoetingsplek in de wijk, kan ook een centraal verbindingspunt zijn voor professionals die zich bezig houden met de ontwikkeling van kinderen van 0-12 jaar. Zowel de gemeente als de besturen van de Lelystadse basisscholen ondersteunen deze ontwikkeling door waar mogelijk ruimte beschikbaar te stellen in of nabij scholen voor andere maatschappelijke organisaties. Deze organisaties zijn in beginsel kindgebonden, en/of kunnen een bijdrage leveren aan het inhoudelijk concept van een school.
De ontwikkeling hiervan heeft vooral inhoudelijke overwegingen: het met verschillende partners (scholen, kinderopvang, welzijn e.d.) samenwerken aan de ontwikkeling van kinderen van 0- 12 jaar (denk aan IKContwikkeling). Om deze inhoudelijke samenwerking vorm te geven, is gezamenlijke huisvesting gewenst (maar niet per se noodzakelijk). Het vergemakkelijkt de samenwerking voor de schoolbesturen. Daarom streven we in de wijken naar gebouwen waarin voorzieningen worden geclusterd en/of gedeeld. Eén of meerdere (kleinere) scholen in één gebouw in combinatie met kinderopvang-, zorgvoorzieningen etc., waarbij de voorzieningen passen bij de “kleur van de omgeving” en de vraag, ook wat betreft de schaal van de voorziening. Om een toekomstbestendige voorzieningenstructuur te realiseren is het niet meer Deel B: Beleidskader onderwijshuisvesting
wenselijk om scholen als solitaire voorzieningen te zien. Bij investeringsvraagstukken zullen om deze reden steeds de mogelijkheden worden onderzocht van het faciliteren en/of huisvesting van een breder aanbod dan alleen onderwijs. Het versterken van de samenwerking gericht op opvang, onderwijs, ontwikkeling, ontmoeten en ontspannen, ten behoeve van de Lelystadse leerling, staat hierbij centraal. Iedere wijk heeft daarin eigen behoeften. Dit kan tot uiting komen in: • Architectonische verschijningsvorm; • Stedenbouwkundig inpassing, passend bij de schaal en opbouw van de wijk; • Aanvullende voorzieningen; • Aansluiting op en inpassing in (bestaande) infrastructuur. Bij de besluitvorming over een clustering van voorzieningen spelen naast het maatschappelijk belang uiteraard ook de financieringsmogelijkheden een rol. Voor de financiering van de huisvesting voor aanvullende functies in een schoolgebouw, zal steeds een sluitende businesscase worden opgesteld. 4.2 Leefbaarheid stad en regio In een goede (leer)omgeving is er ruimte voor inclusiviteit. Dit betreft leerlingen, maar ook de inwoners van de omliggende wijk. Een school kan een verbindende factor zijn in de wijk die verschillende generaties met elkaar in contact brengt. Hierbij zijn ook samenwerkingen met andere maatschappelijke organisaties binnen een multifunctionele accommodatie mogelijk.
Voor het voortgezet onderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs wordt naar Lelystad als geheel gekeken en de relatie tot de regio. Doel is een dekkend en breed aanbod voor de leerlingen van het voortgezet (speciaal) onderwijs in Lelystad en omgeving. Daarnaast kan in de definitiefase worden bekeken welke mogelijkheden er zijn om de schoolgebouwen een bredere functie te geven en ook buiten schooltijd een maatschappelijke invulling te geven. Daarmee is de school meer dan een ontmoetingsplaats voor jongeren onderling. Voor de wijk kan de school dan ook de mogelijkheid bieden voor ontmoeting tussen buurtgenoten en de (schoolgaande) jongeren. 21
4.3 Brede Schoolpleinen Op basis van het onderwijshuisvestingsbeleid heeft de gemeente de afgelopen jaren geïnvesteerd in het openstellen van de schoolpleinen in de stad: de zogenaamde ‘brede schoolpleinen’. Een brede schoolplein is een plein dat is opengesteld voor de buurt met een uitnodigende, aantrekkelijke inrichting. Het doel van brede schoolpleinen is, dat de schoolpleinen niet alleen worden gebruikt onder schooltijd, maar ook buiten schooltijd een speelplek en ontmoetingsplek zijn voor alle kinderen en bewoners uit de omgeving. Schoolpleinen krijgen daarmee een multifunctionele functie, dragen bij aan een efficiënte invulling van de openbare ruimte en een verbeterde verbinding tussen de school en de buurt. Daarnaast dragen ze bij aan een ‘vriendelijker’ uitstraling en de aantrekkelijkheid van buurten en wijken. Op basis van deze uitgangspunten zijn inmiddels veel mooie pleinen in de stad gerealiseerd, waar kinderen ook na schooltijd veel plezier van hebben.
Dit beleid willen we daarom graag continueren. Wel zijn we ons ervan bewust dat in de bestaande stedelijke omgeving de sociale controle niet altijd geborgd is of dat sommige leerlingen gebaat zijn bij afscherming van de buitenruimtes bij de school. Het (gedeeltelijk) afschermen van het schoolplein voor de buurt moet echter goed worden onderbouwd. In uitbreidingsgebieden wordt ervan uitgegaan dat de stedenbouwkundige inpassing voldoende mogelijkheden bieden om sociale controle te bewerkstelligen. Inmiddels zijn de meeste schoolpleinen in de stad al openbaar toegankelijke ‘buurtpleinen’. Een aantal daarvan zijn inmiddels al jaren geleden gerealiseerd en zijn soms deels verouderd en/of passen niet meer bij de tijdgeest en wensen van scholen en leerlingen. Sinds enkele jaren stelt de gemeente daarom budget beschikbaar om, naast de omvorming van schoolpleinen tot brede schoolpleinen (voor zover nog gewenst voor de enkele pleinen die nog geen brede schoolplein zijn), ook de kwaliteit van al bestaande brede schoolpleinen te verbeteren, specifiek gericht op het vergroenen van schoolpleinen en het creëren van meer bewegingsmogelijkheden voor kinderen. Voorgesteld wordt om deze investeringen te continueren. 4.3.1 Randvoorwaarden
Brede schoolplein sbo De Kei Deel B: Beleidskader onderwijshuisvesting
Speelruimtebeleid en (groot) onderhoud Bij de uitvoering van het ‘brede schoolpleinen-beleid’, wordt een koppeling gemaakt met het speelruimtebeleid, zodat bij de realisatie ervan niet alleen wordt gekeken naar de behoefte van het onderwijs maar vanuit het totale voorzieningenniveau op buurt- c.q. wijkniveau. Daarnaast worden investeringen ook zo veel mogelijk gecombineerd met het geplande (groot) onderhoud van het plein of omliggende openbare ruimte, zodat de beschikbare middelen efficiënt kunnen worden ingezet. Inrichting Voor de ontwikkeling van brede schoolpleinen gelden aanvullend de volgende voorwaarden: 22
• De pleinen moeten openbaar toegankelijk zijn, niet alleen voor de eigen leerlingen maar ook voor kinderen van 2 tot 14 uit de buurt. • De pleinen moeten veilig zijn wat betreft inrichting (speeltoestellen). • De pleinen moeten alle genoemde leeftijdscategorieën uitnodigen en zelfs uitdagen tot spelen en bewegen. • De pleinen moeten zodanig zijn ingericht dat vandalisme zoveel mogelijk wordt voorkomen en wordt gestimuleerd dat sociale controle kan plaatsvinden. • De inrichting rondom de school moet inbraakwerend zijn. • De inrichting van de pleinen voldoet aan de gemeentelijke vereisten voor het inrichten van speelplekken. • Voor specifieke inrichtingswensen voor schoolpleinen, die buiten de scope van het regulier onderhoud door de gemeente vallen, wordt een ‘adoptieovereenkomst’ afgesloten, waarin de afspraak wordt vastgelegd dat de school zelf zorgt voor het onderhoud (denk aan moestuinen, et cetera.)
die een gedeelte niet conform de inrichtings- en toegankelijkheidseisen hebben gerealiseerd, en waar het schoolplein is voorzien van een afsluitbaar hekwerk, bekostigen het onderhoud van het plein en de toestellen zelf. Hierbij is het niet van belang of het hekwerk open of dicht staat.
Financiële bijdrage De huidige situatie is dat, voor het aanleggen en het onderhoud van brede schoolpleinen de verantwoordelijkheid ligt bij de gemeente. Voor schoolpleinen die omheind zijn door een afsluitbaar hekwerk komt het onderhoud van de schoolpleinen en speeltoestellen voor rekening van het schoolbestuur. Dit betekent dat op dit moment bij een brede schoolplein de gemeente de kosten betaalt voor het onderhoud, die het schoolbestuur bij een ‘gewoon’ schoolplein zelf had betaald vanuit de lumpsumbekostiging. Vanuit het gelijkheidsbeginsel is daarom het uitgangspunt dat elke school met een brede schoolplein, ongeacht het eigendom van het speelplein, een bijdrage levert aan het onderhoud van het (brede) schoolplein en de speeltoestellen. Voorgesteld wordt om deze bijdrage te continueren. De bijdrage voor “tuinonderhoud” is sinds 2023 integraal in de rijksvergoeding verwerkt en niet separaat te herleiden. Uitgangspunt is dat het door de minister van OCW in 2022 vastgestelde bedrag (voordat de eenvoudiger bekostigingsberekening werd doorgevoerd) jaarlijks wordt geïndexeerd met de percentages voor de materiele instandhouding. Schoolbesturen zonder brede schoolplein, of Deel B: Beleidskader onderwijshuisvesting
23
5. Kwaliteit gebouw 5.1 Kwalitatieve ambities Gemeente Lelystad wil voor haar leerlingen graag goede onderwijshuisvesting realiseren. Dit zijn gebouwen die de onderwijskundige taak van de schoolbesturen zo goed mogelijk faciliteren. Ook heeft de gemeente in het voorgaande beleidskader vastgelegd dat zij nieuwe schoolgebouwen of MFA’s ‘groen en onderscheidend’ zal bouwen. Hiermee worden er aanvullende eisen gesteld aan de duurzaamheid, kwaliteit en uitstraling van de gebouwen. Voor zover passend binnen de budgetten kunnen er ook nog extra maatregelen worden getroffen om gebouwen klimaatadaptief te maken. Per kwalitatieve ambitie wordt hierna toegelicht wat hierover is vastgesteld of wat de mogelijkheden hiervoor zijn. Duurzaamheid Bij de vernieuwing van schoolgebouwen is duurzaamheid een onvermijdelijk thema. Duurzaamheid is ook een heel erg breed thema, waar op uiteenlopende wijzen invulling aan kan worden gegeven. De overeenkomst van alle denkbare duurzaamheidsmaatregelen is dat ze bijdragen aan een beter milieu en aan het welbevinden van mensen. Specifiek voor onderwijs geldt daarbij nog dat scholen (en de gebouwen waarin ze zich bevinden) een belangrijke voorbeeldfunctie hebben. Kinderen brengen een groot deel van hun leven door op school. Het schoolgebouw is, in uren gemeten, hun tweede thuis. Ze leren niet alleen ìn de school, ze leren ook vàn het schoolgebouw.