Handreiking afvoeren en opslaan inboedels bij woningontruiming
Tekst van het document
Realisatie
Handreiking afvoeren en opslaan van inboedels bij woningontruiming Hoe kunnen gemeenten invulling geven aan de afvoer en opslag van inboedels van inwoners na een woningontruiming?
14 december 2020
VNG Realisatie Nassaulaan 12 2514 JS Den Haag Maart 2021 Versie 2.0 Voor meer informatie en vragen verwijzen we u naar de websites vng.nl en www.vngrealisatie.nl/producten/verbinden-schuldendomein. Indien u naar aanleiding van dit document nog vragen heeft, of advies wilt over de schuldenwetgeving in het algemeen kunt u deze stellen via schulden@vng.nl In deze handreiking wordt gesproken over ‘hij’ waar hij of zij bedoeld wordt in verband met de leesbaarheid.
2
Inhoudsopgave 1. Inleiding ............................................................................................................................................... 5 1.1 Achtergrond ............................................................................................................................... 5 1.2 Wetgeving .................................................................................................................................. 5 1.3 Leeswijzer .................................................................................................................................. 6 2. Juridisch kader .................................................................................................................................... 7 3. Impact van de wetswijziging ................................................................................................................ 9 3.1 Welke afdelingen en rollen raakt het? ....................................................................................... 9 3.2 Inhoud van de verschillende rollen ............................................................................................ 9 3.3 Waar staat de gemeente, wat zijn de consequenties? ............................................................
10 3.4 Positionering ............................................................................................................................ 10 4. Beleidskeuzes ................................................................................................................................... 12 4.1 Zelf uitvoeren ........................................................................................................................... 12 4.2 Uitbesteden .............................................................................................................................. 13 4.3 Combineren ............................................................................................................................. 13 4.4 Diensten uitbesteden ............................................................................................................... 14 4.5 Hoe maakt u de juiste afweging? ............................................................................................ 14 4.6 De uitvoering in breder perspectief – liever voorkomen dan genezen .................................... 15 5. De huidige praktijk .............................................................................................................................
16 5.1 Hoe loopt het proces nu?......................................................................................................... 16 5.2 Check huidige werkwijze op compliance ................................................................................. 16 5.3 Praktijkvoorbeelden ................................................................................................................. 16 6. Het uitvoeringsproces ........................................................................................................................ 17 6.1 Voorkomen............................................................................................................................... 17 6.2 Aankondiging ontruiming ......................................................................................................... 18 6.3 Inventarisatie en taxatie ........................................................................................................... 19 6.4 Afvoeren inboedel .................................................................................................................... 21 6.5 Opslag inboedel ....................................................................................................................... 22 6.6 Verkoop van inboedel ..............................................................................................................
23 6.7 Afspraken met ketenpartners................................................................................................... 23 6.8 Processtappen en tijdlijn .......................................................................................................... 24 6.9 Kosten ...................................................................................................................................... 25 7. Communicatie aan inwoners ............................................................................................................. 26
3
7.1 Algemene communicatie over de nieuwe taken ...................................................................... 26 7.2 Communicatie naar inwoners bij woningontruiming ................................................................ 26 7.3 Communicatie met en tussen partijen die ontruimen .............................................................. 27 Bijlage 1. Procesplaat afvoeren en opslaan inboedels ......................................................................... 28
4
1. Inleiding 1.1 Achtergrond Uit kamerstuk 35225 van 14 mei 2020 en de kamerbrief van 16 oktober 2020 van de minister van Binnenlandse zaken blijkt dat het ontruimen van woningen steeds minder noodzakelijk geworden. Het onderstaande beeld van het aantal ontruimingen over de afgelopen jaren laat dit goed zien: • In 2016 waren er 8.100 ontruimingen; • In 2019 waren er ongeveer 5.000 ontruimingen; • In de eerste 6 maanden van 2020 waren er 1200 ontruimingen. De economische omstandigheden van de afgelopen jaren speelden daarbij een rol, evenals de preventieve aanpak van gemeenten en samenwerkingspartners rondom het voorkomen van een woningontruiming en huisuitzetting als gevolg van huurachterstand. In 2020 is vanwege de enorme sociale en financiële impact van de coronacrisis vanuit de VNG samen met het ministerie van Binnenlandse Zaken gewerkt aan afspraken met woningbouwcorporaties en private verhuurders om te voorkomen dat huurders uit hun huis worden gezet. Een deel van de jaarlijkse ontruimingen is technisch: daarbij zijn er geen spullen (of enkel afval) aanwezig, worden de sloten vervangen en wordt een proces-verbaal opgemaakt. Daarnaast zijn er ontruimingen waarbij er nog wel spullen in de woning aanwezig zijn. Deze worden door de gerechtsdeurwaarder op straat gezet waarna zijn ambtelijke taak eindigt.
De spullen moeten vervolgens afgevoerd en eventueel opgeslagen worden omdat het plaatsen van goederen aan de openbare weg zonder vergunning veelal in strijd is met een verbodsbepaling uit de APV. Er is wettelijk niet eenduidig geregeld wat er precies met de ontruimde boedel moet gebeuren. Als gevolg hiervan kunnen allerlei persoonlijke spullen tot en met hele inventarissen op straat komen te liggen. Gemeenten gingen hier tot nu toe verschillend mee om. De meeste gemeenten droegen zorg voor de ontruimde zaken door deze op te slaan en na enige tijd te vernietigen (of terug te geven na betaling van opslagkosten). Echter steeds meer gemeenten legden de schuldeisers, of soms zelfs de gerechtsdeurwaarder, een last onder dwangsom op voor het plaatsen van zaken aan de openbare weg. Er ontbrak een specifieke regeling voor wat er met ontruimde inboedels moest gebeuren. Tweede Kamerleden Chris van Dam (CDA) en Maarten Groothuizen (D66) dienden daarom een amendement in bij de wijziging van de Wet van 3 juni 2020 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (WBRv) van en de Faillissementswet (FW) in verband met de herziening van het beslag- en executierecht. Met dit amendement beoogden zij vast te leggen dat de gemeente zorg draagt voor de tot bewoning bestemde ontruimde zaken.
Wanneer de gemeente spullen afvoert en opslaat blijft er een verbinding bestaan tussen de gemeente en de inwoner. Als de inwoner schuldhulpverlening ontvangt, komt dat ook het proces van schuldhulpverlening ten goede. Hierom beoogden de indieners met dit amendement vast te leggen dat de gemeente zorg draagt voor de tot bewoning bestemde ontruimde zaken met toepassing van de artikelen 5:25, eerste lid, 5:29 en 5:30 Awb. De kosten kunnen worden doorberekend aan de schuldeiser, die de kosten op zijn beurt moet zien te verhalen op de inwoner.
1.2 Wetgeving Op 1 oktober 2020 trad de wijziging van het Rv en FW in verband met de herziening van het beslag- en executierecht in werking. Het college van B&W draagt ten laste van de executant zorg voor de afvoer en opslag, aldus het nieuwe lid 3 van artikel 556 Rv. Dit onderdeel maakt het college van B&W verantwoordelijk voor het meevoeren en opslaan van ontruimde zaken na een woningontruiming. Tussen het indienen van het amendement waarin de verantwoordelijkheid van het college werd vastgelegd en de inwerkingtreding van de wijzigingswet op 1 oktober 2020 zat maar weinig tijd. Daarom is op verzoek van de VNG de inwerkingtreding van deze verplichting voor het college uitgesteld tot 1
5
april 2021. Gemeenten krijgen daardoor meer tijd om zich hierop voor te bereiden en mogelijk afspraken te maken met gerechtsdeurwaarders en bijvoorbeeld woningcorporaties.
1.3 Leeswijzer Deze handreiking ondersteunt gemeenten bij de uitvoering van de wet inzake de afvoer en opslag van inboedel bij woningontruimingen. Het betreft hier zowel (particuliere) huur- als koopwoningen die als gevolg van een vonnis of executoriale verkoop ontruimd worden. De reden van woningontruiming kan een betalingsachterstand zijn in de huur of hypotheeklasten, (extreme) woonoverlast of criminele activiteiten. Bij ontruimingen wordt meestal gesproken over ‘bewoners’. terwijl vanuit het schuldendomein veelal wordt gesproken over ‘inwoners’. In deze handreiking hebben we ervoor gekozen om de één term aan te houden en gebruiken we de term ‘inwoner’. Deze handreiking bevat praktische handvatten zodat gemeenten uitvoering kunnen geven aan de wet. Daarbij leggen we, indien van toepassing, ook verbindingen met een breder perspectief op het schuldendomein, zoals bijvoorbeeld de wijzigingen van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs). In deze handreiking schetsen we de juridische context, de impact van de wetswijziging op verschillende rollen, en geven we een overzicht van de te maken afwegingen en te ondernemen acties op beleids- en uitvoeringsniveau. Dit illustreren we met enkele ‘best practices’ uit de praktijk waarbij aandacht is voor ketensamenwerking tussen partijen.
Tot slot besteden we aandacht aan de communicatie gedurende het ontruimingsproces, richting de inwoner en tussen ketenpartijen onderling, omdat de uitvoering van deze taak vraagt om een goede onderlinge afstemming. De handvatten in deze handreiking betreffen geen landelijk vastgestelde uitvoeringsafspraken. Wel kunnen gemeenten met deze handvatten de afstemming en samenwerkingsafspraken met lokale partners zelf vormgeven. De uitgangspunten in deze handreiking zijn afgestemd met de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) en de NVRD; de landelijke professionele en maatschappelijk relevante vereniging op het gebied van afval en reiniging, gladheidbestrijding en ongediertebestrijding.
6
2. Juridisch kader Op 1 oktober 2020 trad de wijziging van het Rv en FW in verband met de herziening van het beslag- en executierecht in werking. Bij de behandeling van deze wetswijziging in de Tweede Kamer is op het laatste moment een amendement ingebracht en aangenomen over de verantwoordelijkheid van het college van B&W voor ontruimde inboedels van woningen. Met dit amendement is vastgelegd dat de gemeente zorg draagt voor het meevoeren en opslaan van de roerende zaken die zich in de tot bewoning bestemde ontruimde onroerende zaak bevonden. Als gevolg hiervan is lid 3 toegevoegd aan artikel 556 Rv: Artikel 556 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 1. De gedwongen ontruiming geschiedt door een gerechtsdeurwaarder. 2. Deze kan zich doen bijstaan door een of twee getuigen, wier naam en woonplaats hij in dat geval in zijn proces-verbaal zal vermelden en die dit stuk mede zullen tekenen. 3. Het college van burgermeester en wethouders draagt ten laste van de executant zorg voor het meevoeren en opslaan van de roerende zaken die zich in de tot bewoning bestemde ontruimde onroerende zaak bevonden. De artikelen 5:29 en 5:30 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
In lid 3 van artikel 556 Rv is opgenomen dat de artikelen 5:29 en 5:30 Awb van overeenkomstige toepassing zijn. In deze artikelen wordt ook verwezen naar artikel 5:25 Awb. Artikel 5:25 Awb heeft echter betrekking op bestuursdwang, terwijl daar in de nieuwe situatie geen sprake van is. Op dit moment is daardoor nog onduidelijk of de kosten voor afvoer en opslag ook zonder bestuursdwang meegerekend mogen worden bij de berekening van de kosten in verhouding tot de waarde van de inboedel, waardoor de inboedel binnen de 13 weken bewaartermijn verkocht mag worden als de kosten onevenredig hoog worden, zoals benoemd in artikel 5:30 lid 2 Awb. Anders dan bij bestuursdwang heeft de gemeenten onder de nieuwe regeling ook geen titel (het recht van parate executie) om een onwillige executant tot betaling te dwingen. De afvoer en opslag worden immers uitgevoerd ten laste van de executant. De gemeente zal bij de civiele rechter een titel (vonnis) moeten halen om de executant tot betaling te dwingen. Deze uitwerkingen lijken echter onbedoeld, aangezien specifiek bij de toevoeging van lid 3 aan artikel 556 Rv is opgenomen dat de artikelen 5:29 en 5:30 Awb van overeenkomstige toepassing zijn. De VNG is dan ook nog in gesprek met het ministerie van Justitie & Veiligheid over deze uitwerkingen van de wetswijziging.
Het ministerie heeft inmiddels aangegeven dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om voor het kostenverhaal een vergelijkbare regeling te treffen als voor het kostenverhaal op grond van bestuursdwang, zoals bedoeld in artikelen 5:29 en 5:30 Awb. Dit betekent dat beoogd is te regelen dat bij de kosten-batenafweging van lid 2 van 5:30 Awb, in de nieuwe situatie ook de kosten van afvoer en opslag meegenomen mogen worden in de berekening. De kosten die hierbij in rekening kunnen worden gebracht zijn de werkelijke kosten, overeenkomstig de kosten die bij de toepassing van bestuursdwang in rekening kunnen worden gebracht. Het ministerie werkt momenteel aan een aanpassing van de wettekst. Zodra daar meer over bekend is, zal de handreiking worden aangepast.
7
Artikel 5:29 Algemene wet bestuursrecht 1. Voor zover de toepassing van bestuursdwang dit vergt, kan het bestuursorgaan zaken meevoeren en opslaan. 2. Het bestuursorgaan doet van het meevoeren en opslaan proces-verbaal opmaken. Een afschrift van het proces-verbaal wordt verstrekt aan degene die de zaken onder zijn beheer had. 3. Het bestuursorgaan draagt zorg voor de bewaring van de opgeslagen zaken en geeft deze zaken terug aan de rechthebbende. 4. Het bestuursorgaan kan de teruggave opschorten totdat de ingevolge artikel 5:25 verschuldigde kosten zijn voldaan. 5. Indien de rechthebbende niet tevens de overtreder is, kan het bestuursorgaan de teruggave opschorten totdat de kosten van bewaring zijn voldaan.
Artikel 5:30 Algemene wet bestuursrecht 1. Indien een meegevoerde en opgeslagen zaak niet binnen dertien weken nadat zij is meegevoerd, kan worden teruggegeven, kan het bestuursorgaan de zaak verkopen. 2. Het bestuursorgaan kan de zaak eerder verkopen, zodra de ingevolge artikel 5:25 verschuldigde kosten, vermeerderd met de voor de verkoop geraamde kosten, in verhouding tot de waarde van de zaak onevenredig hoog worden. 3. Verkoop vindt evenwel niet plaats binnen twee weken na de verstrekking van het afschrift van het proces-verbaal van meevoeren en opslaan, tenzij het gevaarlijke stoffen of eerder aan bederf onderhevige stoffen betreft. 4. Gedurende drie jaren na het tijdstip van verkoop heeft degene die op dat tijdstip eigenaar was, recht op de opbrengst van de zaak onder aftrek van de ingevolge artikel 5:25 verschuldigde kosten en de kosten van de verkoop. Na het verstrijken van deze termijn vervalt een batig saldo aan het bestuursorgaan. 5. Indien naar het oordeel van het bestuursorgaan verkoop niet mogelijk is, kan het de zaak om niet aan een derde in eigendom overdragen of laten vernietigen. Het eerste tot en met het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Naast bovengenoemde artikelen is onderstaand artikel 14 van de Gerechtsdeurwaarderswet (GDW) eveneens gerelateerd aan deze taak.
Artikel 14 Gerechtsdeurwaarderswet Alvorens over te gaan tot de executie van een executoriale titel tot ontruiming van onroerende zaken, van een woonwagen of woonschip, geeft de gerechtsdeurwaarder aan burgemeester en wethouders van de gemeente waarbinnen de ontruiming zal plaats hebben, zo spoedig mogelijk kennis van het tijdstip waarop hij tot executie zal overgaan.
8
3. Impact van de wetswijziging 3.1 Welke afdelingen en rollen raakt het? De wetswijziging raakt verschillende rollen en taken binnen de gemeentelijke organisatie. Een aantal gemeenten is zelf al actief betrokken bij het afvoeren en opslaan van inboedels bij woningontruiming. Voor deze gemeenten gaat het vooral om het toetsen of het bestaande proces voldoet aan de wijze waarop de wettelijke taak nu bij gemeenten wordt neergelegd. Voor gemeenten die nu niet, of niet actief, bij dit proces betrokken zijn, betekent dit dat zij deze taak moeten inrichten en implementeren. Er zijn verschillende manieren om dit vorm te geven. Zelf uitvoeren, uitbesteden of een combinatie hiervan. De voor- en nadelen hiervan worden besproken in hoofdstuk 4 van deze handreiking besproken. Wat de beste aanpak is zal afhangen van de lokale situatie, bijvoorbeeld het aantal woningontruimingen, beschikbare gemeentelijke faciliteiten (opslag, eigen gemeentelijke reinigingsdienst). We onderscheiden in ieder geval de volgende rollen: • Administratief; • Financieel; • Coördinatie en uitvoering van de afvoer en opslag; • Contractbeheer; • Planning & control; • Bestuurlijke verantwoording.
3.2 Inhoud van de verschillende rollen Administratief Het proces van afvoeren en opslaan van inboedels, de verkoop, schenking of vernietiging ervan, of de teruggaaf aan de eigenaar van de inboedel, moet zorgvuldig worden vastgelegd. Het betreft hier immers een voor de eigenaar zeer impactvolle gebeurtenis. Dit betekent dat de gemeente vanaf de aankondiging van de ontruiming, tot aan de afronding van het gehele proces moet zorgdragen voor het zorgvuldig vastleggen van alle verschillende stappen. Dit proces komt nader aan bod in hoofdstuk 6 van deze handreiking. Coördinatie en uitvoering van afvoer en opslag Op de dag van de ontruiming moet de gemeente ervoor zorgdragen dat de verschillende (gemeentelijke)diensten ter plaatse zijn op het moment dat de ontruiming start, zodat zij ervoor kunnen zorgen dat de inboedel niet ‘op de stoep’ blijft staan. Daarvoor is het belangrijk goede afspraken te maken met de executant en de gerechtsdeurwaarder. Wellicht zijn er waardevolle spullen, dan moet dat worden vastgelegd. Gevaarlijke stoffen en/of bederfelijke zaken moeten niet mee naar de opslag maar dienen vernietigd te worden. Verder moet de gemeente zorgen dat er een geschikte en afdoende opslaglocatie beschikbaar is waar de inboedel naartoe gebracht kan worden, zodat de meegevoerde zaken worden beschermd tegen weersinvloeden, ongedierte en andere oorzaken van beschadiging.
Eventueel kan het afsluiten van een adequate verzekering tegen verlies en diefstal nuttig zijn. Van de afvoer en opslag moet een proces-verbaal worden opgemaakt. Financieel De gemeente voert het afvoeren en opslaan uit op kosten van de executant. De VNG voert momenteel nog gesprekken met het ministerie van J&V o.a. over de kosten die voortvloeien uit de uitvoering van deze wettelijke taak. De uitkomst hiervan is belangrijk om te kunnen bepalen welke kosten vervolgens kunnen, c.q. moeten worden doorberekend aan de executant en op welke wijze. Bij toepassing van bestuursdwang mogen de werkelijke kosten (dus ook personele kosten etc.) meegenomen worden. Waarschijnlijk zal het, net als bij bestuursdwang, gaan om het doorberekenen van de werkelijke kosten, gezien dat feit dat specifiek bij de toevoeging van lid 3 aan artikel 556 Rv is opgenomen dat de artikelen 5:29 en 5:30 Awb van overeenkomstige toepassing zijn.
9
Contractbeheer Als de gemeente ervoor gekozen heeft het afvoeren, opslaan, verkoop of vernietiging uit te besteden, dan is het belangrijk de hiervoor gemaakte afspraken over de uitvoering en de kosten goed vast te leggen, te monitoren en te evalueren. De partij(en) aan wie de uitvoering is opgedragen kan (kunnen) via rapportage en verslaglegging verantwoording afleggen over de uitgevoerde werkzaamheden en de daarvoor in rekening gebrachte kosten. Planning & control Een goede planning & control ondersteunt het management om sturing te geven aan de processen en mensen binnen de organisatie. De planning & control cyclus geeft de gemeente concrete handvatten om (bij)sturing te geven aan de activiteiten binnen de organisatie. Het is belangrijk zicht te hebben op de gemeentelijke taken, zodat, wanneer nodig tijdig bijgestuurd kan worden. Zo kan bijvoorbeeld tijdig worden op- en afgeschaald als er meer of minder ontruimingen plaatsvinden. Bestuurlijke verantwoording Bij bestuurlijke verantwoording gaat het er niet alleen om te verantwoorden wat de gemeente daadwerkelijk heeft gedaan, maar ook of dit voldoet aan de door de gemeente gestelde doelen. Bijvoorbeeld het voorkomen van zoveel mogelijk ontruimingen door inzet van preventieve maatregelen.
Daarom is het belangrijk om niet alleen de uitvoering op zich goed te regelen en te stroomlijnen, maar ook (beleids)doelen te stellen: wat wil de gemeente, welke positie kiest de gemeente t.o.v. de inwoner, hoe wordt samengewerkt met de partners? Op basis van vooraf gemaakte keuzes, de uitvoering en de resultaten kan bestuurlijke verantwoording worden afgelegd.
3.3 Waar staat de gemeente, wat zijn de consequenties? De gemeente neemt bij een woningontruiming een bijzondere positie in. Zij is geen partij, maar heeft wel een taak. Het is aan de gemeente zelf om te bepalen hoe zij invulling geeft aan deze wettelijke taak. Daarnaast heeft de gemeente ook een relatie met de inwoner. Een belangrijke reden voor de wetswijziging is om het contact tussen gemeente en inwoner niet kwijt te raken, maar er juist voor te zorgen dat de gemeente in contact komt, c.q. blijft na een woningontruiming. Wellicht heeft de inwoner meer problemen en kan de gemeente de inwoner daarbij ondersteunen. Een ontruimde inwoner heeft geen dak meer boven zijn hoofd en heeft opvang nodig. De gemeente heeft als onderdeel van het openbaar bestuur een algemene zorgplicht voor haar inwoners. Zo is zij bijvoorbeeld verplicht een aanvraag voor noodopvang in behandeling te nemen en dient zij de inwoner direct na de gerechtelijke woningontruiming (tijdelijk) onderdak te bieden. Het is belangrijk dat de gemeente bij woningontruiming haar positie bepaalt op basis van de totale context, zodat zij niet alleen zorgdraagt voor het afvoeren en opslaan van de inboedel, maar zich ook bekommert om de inwoner die geen dak meer boven zijn hoofd heeft.
3.4 Positionering De positie van de gemeente ten opzichte van de inwoner bij woningontruiming is neutraal. Zij neemt een onafhankelijke positie in bij het afvoeren en het opslaan van de inboedel en geeft slechts uitvoering aan een wettelijke taak. Uiteraard is het belangrijk daarin samen op te trekken met alle partijen die betrokken zijn bij de woningontruiming, maar de gemeente oordeelt niet en is onafhankelijk. Zo kan zij enerzijds uitvoering geven aan haar wettelijke taak en anderzijds ook hulpverlenend zijn naar de inwoner. Positionering van betrokken partijen De executant is in dit geval de (particuliere) verhuurder of de hypotheekverstrekker. Deze partij verzoekt de rechtbank om een ontruimingsvonnis en besluit of de ontruiming daadwerkelijk gepland en uitgevoerd wordt. De executant kiest domicilie bij de gerechtsdeurwaarder waardoor officiële documenten die gericht zijn aan de executant bij het kantoor van de deurwaarder dienen te worden
10
bezorgd. De gemeente verhaalt de kosten voor afvoer en opslag op de executant. De executant dient op zijn beurt de kosten te verhalen op de inwoner. De rechter bepaalt of de woning ontruimd mag worden. Gemeenten en gerechtsdeurwaarders kunnen niet (be)oordelen of een ontruiming wenselijk is. De gerechtsdeurwaarder voert de ontruiming uit. Hij betekent het vonnis en zegt de ontruimingsdatum aan. Daarnaast informeert hij de gemeente over de ontruiming (conform artikel 14 GDW). Vanaf het moment van de ontruiming heeft de gerechtsdeurwaarder de regie en bepaalt hij wat er gebeurt in de woning en wie de woning eventueel betreedt. De geëxecuteerde is in dit geval de bewoner van de te ontruimen woning. Bij de ontruiming is een (hulp)officier van justitie aanwezig. Deze (hulp)officier van justitie vertegenwoordigd de inwoner gedurende de ontruiming. Hij zorgt voor een goede uitvoering van het vonnis en als de inwoner niet aanwezig is dient hij ervoor te zorgen dat de rechten van de inwoner niet geschonden worden.
11
4. Beleidskeuzes Hoewel het college van B&W bij wet verantwoordelijk is voor het meevoeren en opslaan van de roerende zaken, zijn er in praktijk verschillende varianten mogelijk om uitvoering te geven aan deze nieuwe taak. Deze uitvoeringsvarianten zijn op hoofdlijnen in te delen in: • Zelf uitvoeren; • Uitbesteden of • Een combinatie van zelf uitvoeren en uitbesteden Aan iedere variant zijn uiteraard zowel voor- als nadelen verbonden. De belangrijkste afwegingen zijn samen met gemeenten geïnventariseerd in een expertsessie. Deze bevinden zich hoofdzakelijk rondom de thema’s kosten, capaciteit, regievoering, expertise en de positie van de gemeente. Hieronder volgt een overzicht van mogelijke voor- en nadelen per variant. Gemeenten kunnen daarmee op basis van hun eigen lokale situatie bepalen welke variant voor hen het meest gunstig is. Dit is bijvoorbeeld afhankelijk van de grootte van de gemeente, de beschikbare capaciteit, maar ook van de huidige samenwerking met ketenpartners of de mate van tevredenheid over de huidige werkwijze en afspraken. Zo zijn er bijvoorbeeld gemeenten die hier goede afspraken over hebben met woningbouwcorporaties. Ongeacht de uitvoeringskeuze, blijven gemeenten altijd eindverantwoordelijk voor de uitvoering van de afvoer en opslag van inboedels.
4.1 Zelf uitvoeren Zelf uitvoeren biedt gemeenten de mogelijkheid om regie te nemen en te houden, omdat zij het gehele proces in eigen hand hebben. Hierdoor is ook de samenwerking tussen betrokken partijen sneller te realiseren en wordt de afstemming en aansturing in de uitvoeringspraktijk vergemakkelijkt. Enkele gemeenten gaven aan dat het bovendien goedkoper is om de taak zelf uit te voeren dan om het in te kopen. Ook een aanbestedingsprocedure – indien noodzakelijk - waarbij een externe organisatie de opdracht krijgt tot afvoer en/of opslag, kost vaak veel tijd en capaciteit. Voor sommige gemeenten kan zelf uitvoeren echter ook flinke impact hebben. Dit is sterk afhankelijk van de huidige werkwijze, de gemeentegrootte en de gemeentelijke infrastructuur. Deze impact is bijvoorbeeld minder groot voor gemeenten die al een deel van de uitvoering op basis van bestuursdwang uitvoerden. Bijkomend nadeel van de nieuwe taak kan het implementatietraject zijn dat hieraan voorafgaat, de impact is echter sterk afhankelijk van de huidige inrichting. Voor dit traject is er bovendien een beperkte doorlooptijd omdat de verantwoordelijkheid zoals aangegeven op 1 april 2021 ingaat. Dit alles kan veel druk leggen op de interne organisatie. Een hierop aansluitend nadeel kan de verhouding zijn van de relatief kleine taak ten opzichte van de benodigde implementatie en capaciteit in de uitvoering.
Enkele gemeenten geven aan daar op dit moment onvoldoende mankracht en geld voor vrij te kunnen spelen. Een argument van andere orde is de positie van de gemeente. Mogelijk levert deze extra rol van de gemeente verwarring op bij de inwoner. Duidelijk en eenduidige communicatie is dan ook van groot belang. Bij een ontruimingssituatie zijn vooral de inwoner, de verhuurder/hypotheekverstrekker en gerechtsdeurwaarder betrokken partijen, waarbij de gerechtsdeurwaarder de woning ontruimt. Hoe past het afvoeren en opslaan van inboedel door de gemeente hierin? Enkele gemeenten pleiten er daarom bijvoorbeeld voor om de taak uit te besteden aan een woningbouwcorporatie of andere externe partij. De mogelijke voor- en nadelen zijn dus: Voordelen
Nadelen
Gemeente heeft regie
Extra taak voor gemeente
Samenwerking en afstemming makkelijker te
Implementatietraject onder tijdsdruk
realiseren Zelf uitvoeren kan goedkoper zijn dan uitbesteden
Verhouding kleine taak t.o.v. benodigde capaciteit
12
Geen aanbestedings- of inkoopprocedures
Afhankelijkheid van interne capaciteit en middelen Verwarring inwoner over positie gemeente
4.2 Uitbesteden Er zijn verschillende argumenten om te kiezen voor uitbesteding. Allereerst het argument om de taak daar te beleggen waar de expertise al is. Voor gemeenten die op dit moment niet of nauwelijks betrokken zijn bij de afvoer en opslag kan het gunstiger zijn om de taak uit te besteden aan partijen die hier ervaring mee hebben (zoals bijvoorbeeld een verhuisbedrijf of woningbouwcorporaties die de afvoer en opslag uitvoeren als hun huurders ontruimd worden), dan zelf de expertise te moeten opbouwen. Een ander argument is het kostenaspect. Opslag bij derden kan bijvoorbeeld goedkoper zijn, zeker wanneer de frequentie van ontruimingen laag is of er weinig inboedel is om op te slaan. Ook in gemeenten waar de frequentie van ontruimingen lastig te voorspellen is, kan het gunstiger zijn om uit te besteden zodat er meer flexibiliteit is om in te spelen op schommelingen. Bij uitbesteding hoeft er immers minder capaciteit, zowel qua personeel als qua opslag, beschikbaar gehouden te worden. Nadelen van uitbesteden zijn vooral gerelateerd aan het uit handen geven van de regie en de communicatie en controle. Daarnaast kan de uitbesteding op termijn alsnog duurder uitvallen dan vooraf was voorzien. Bij uitbesteding is het ook van belang om goede contractuele afspraken te maken met de externe partij en dit contract goed te beheren en evalueren. Voordelen
Nadelen
Taak volgt expertise
Regie en controle uit handen
Geen eigen capaciteit of middelen vrijhouden
Communicatie extern
Flexibel inspelen op toename of afname ontruimingen
Kan mogelijk duurder uitvallen Goede contractuele vastlegging en beheer Juiste wijze van afdichten van verleggen handelingsbevoegdheid
4.3 Combineren Een voor de hand liggend voordeel van een combinatie tussen bovenstaande vormen is de mogelijkheid tot maatwerk. De gemeente kan een analyse maken van de intern beschikbare expertise en middelen en hetgeen ontbreekt uitbesteden. Zo kunnen zaken als het opstellen van een proces verbaal bijvoorbeeld uitbesteed worden aan gerechtsdeurwaarders, zie ook paragraaf 6.3. De meeste gemeenten zien in deze uitvoeringsvorm vooral een constructie waarin de gemeente regie houdt en andere partijen uitvoeren. Hiermee samenhangende nadelen zijn de extra taken rondom het uitvoeren van toezicht op de uitvoerende partners en de samenwerkingsafspraken met deze partners. Wanneer de uitvoering een samenspel is tussen verschillende (uitvoerings-)partijen, moeten de processen bovendien goed op elkaar aansluiten en zijn er sluitende afspraken nodig over de kosten. Voordelen
Nadelen
Maatwerk: uitbesteding o.b.v. inhoudelijke afwegingen
Extra taken t.a.v. toezicht
Regie houden maar niet uitvoeren
Risico: op elkaar aansluitende processen? Afspraken over kosten
13
4.4 Diensten uitbesteden Ook in juridisch opzicht dient te worden bezien welke taken worden uitbesteed en hoe dat kan worden geregeld. Machtigen Wanneer een externe organisatie alleen feitelijke handelingen verricht namens de gemeente dan kan de externe organisatie gemachtigd worden om deze handelingen uit naam van de gemeente uit te voeren. Het afvoeren en opslaan van de boedel zijn feitelijke handelingen. Daartoe kan het college aan een externe organisatie een machtiging verlenen. Hierbij is wel van belang dat nadere afspraken worden gemaakt over de wijze van uitvoering. Bovendien wordt met het verlenen van een machtiging geen verplichting tot handelen opgelegd, daarover moeten eveneens duidelijke afspraken worden gemaakt. Mandateren Bij mandatering ontstaat de bevoegdheid om in naam van de gemeente besluiten te nemen. De gemeente houdt hierbij de bevoegdheid en blijft juridisch aanspreekbaar voor de genomen besluiten. Gemandateerde zaken worden namens de mandaatverlener uitgevoerd. De mandaatverlener blijft verantwoordelijk en het moet altijd helder zijn wie de mandaatverlener is. De bevoegdheid om te besluiten de inboedel te verkopen, om niet in eigendom over te dragen of te vernietigen, kan door het college worden gemandateerd aan een derde. De derde moet instemmen met het mandaat en het mandaat moet schriftelijk worden verleend.
Verder kan het college instructies geven en inlichtingen verlangen over de uitoefening van het mandaat. Ook blijft het college bevoegd om deze bevoegdheid zelf uit te voeren. Volmachtverlening Volmacht is de bevoegdheid om in naam van de volmachtgever privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten. De volmachtgever blijft ook zelf bevoegd om de rechtshandelingen te verrichten. De daadwerkelijke verkoop van de inboedel, of de eigendomsoverdracht om niet, ter uitvoering van een besluit daartoe zijn privaatrechtelijke rechtshandelingen. Om een externe organisatie of persoon de gemeente te laten vertegenwoordigen bij de verkoop of eigendomsoverdracht om niet, is een volmacht nodig.
4.5 Hoe maakt u de juiste afweging? We adviseren om bij de afwegingen in ieder geval de volgende thema’s te betrekken: - kosten; - benodigde capaciteit, zowel qua opslag als qua menskracht; - regievoering; - (gemeentelijke) expertise; - gemeentelijke positie. Hoe deze aspecten zich verhouden tot uw gemeente is veelal afhankelijk van de volgende aspecten: - het aantal (verwachtte) ontruimingen in uw gemeente; - de manier waarop de taak op dit moment wordt uitgevoerd; - de (kwaliteit van) bestaande samenwerkingen; - de grootte van uw gemeente; - de beschikbare capaciteit en (financiële) middelen; - de visie op de rol en verantwoordelijkheid van de gemeente ten aanzien van schuldenproblematiek en maatschappelijk verantwoorde incasso.
14
Een algemene tendens is dat het aantal ontruimingen ieder jaar verder terugloopt. Als deze trend zich doorzet zal zelf uitvoeren mogelijk steeds minder kostendekkend zijn en minder flexibiliteit bieden om af te schalen vanwege vaste kostenposten. Tegelijkertijd kan het ook juist minder kostbaar worden als de eigen personele bezetting flexibel ingezet kan worden. In geval van uitbesteding is het belangrijk de mogelijk verwachte afname mee te nemen in de te maken afspraken.
4.6 De uitvoering in breder perspectief – liever voorkomen dan genezen Wanneer we deze nieuwe taak in een breder perspectief zetten, is het voor de hand liggend om bij deze uitvoeringsvarianten ook te kijken naar de brede samenhang in het schuldendomein. Hoewel het belangrijk is om de afvoer en opslag van inboedel bij woningontruimingen goed te organiseren, is het voorkomen van een ontruiming uiteraard te prefereren. Het loont dus, zowel voor de inwoner, als de verhuurder/hypotheekverstrekker en de gemeente zelf om te analyseren welke stappen er voorafgaan aan een ontruimingsvonnis en te bepalen of hier nog winst te behalen valt. Het spectrum hierin is breed, zowel ten aanzien van de mogelijke te betrekken partijen (zowel intern als extern) als het schuldentraject zelf: van preventie tot nazorg, inclusief voorkomen van uitval en recidive. In deze handreiking zijn in de hiernavolgende hoofdstukken diverse suggesties opgenomen om hiermee aan de slag te gaan.
15
5. De huidige praktijk 5.1 Hoe loopt het proces nu? De gemeente is op de hoogte van de ontruiming op basis van artikel 14 van de GDW, waarbij de deurwaarder de gemeente voor zover mogelijk, informeert over de aard en omvang van de ontruimde boedel. De wijze waarop dit gebeurt en het tijdstip waarop, verschilt per deurwaarder/gemeente. De kosten kunnen worden doorberekend aan de schuldeiser, die de kosten op zijn beurt moet zien te verhalen op de eigenaar van de inboedel. De ontruiming wordt uitgevoerd door de gerechtsdeurwaarder en deze plaatst achtergelaten zaken aan de openbare weg (trottoir) en vervangt de sloten.
5.2 Check huidige werkwijze op compliance In veel gemeenten bestaan al samenwerkingsafspraken tussen gemeenten, gerechtsdeurwaarders en, als de werkzaamheden zijn uitbesteed, partijen die de inboedel kunnen afvoeren en opslaan. Dit blijkt niet alleen uit informatie van verschillende gemeenten, maar ook uit de gesprekken met de KBvG en de NVRD. Slechts in een deel van de gemeenten loopt het op dit moment (nog) niet goed. In voorkomende gevallen kan dit leiden tot rechtsonzekerheid bij de inwoner, onnodige procedures en onwenselijke negatieve publiciteit. Een woningontruiming heeft immers altijd veel impact. Daar waar de samenwerking al goed loopt is er in principe geen enkele reden deze samenwerking te beëindigen. Het is wel belangrijk om een check te doen op de processen en de uitvoering om te beoordelen of de samenwerking voldoet aan de wetswijziging. Door de samenwerking naast deze handreiking te leggen, is het mogelijk hier een inschatting van te maken. Wellicht moeten er kleine aanpassingen worden gemaakt, wellicht wordt ook nu al aan alle vereisten voldaan. Als dat zo is dan kan de bestaande samenwerking zo veel als mogelijk worden voortgezet.
5.3 Praktijkvoorbeelden Voordat deze handreiking is opgesteld is een aantal voorbeelden van samenwerking verzameld en is op 1 februari 2021 een expertsessie gehouden met een aantal gemeenten. In deze expertsessie zijn onder andere een aantal praktijkvoorbeelden verzameld van gemeenten waar nu al sprake is van een goede samenwerking en waar de wetswijziging waarschijnlijk weinig consequenties zal hebben. De verzamelde praktijkvoorbeelden zijn hieronder opgenomen. In een kleine gemeente in het noorden van Limburg is de afgelopen jaren een goede samenwerking opgebouwd tussen de lokale gerechtsdeurwaarder(s) en de gemeente. Bij iedere ontruiming wordt samen opgetrokken en in overleg bepaald wat de beste aanpak is voor de desbetreffende ontruiming. Waar mogelijk wordt geprobeerd de ontruiming te voorkomen. Partijen zijn trots op de korte lijnen en de goede samenwerking.
In een grotere gemeente in het midden van het land is de afgelopen jaren in gezamenlijkheid fors ingezet op preventie. Hierdoor is het aantal ontruimingen enorm gedaald en daar zijn alle samenwerkende partijen trots op. Consequentie van dit positieve beleid van het voorkomen van ontruiming is dat het werk in 2020 enorm is afgenomen. Doelstelling is deze samenwerking voort te zetten om nog meer ontruimingen te voorkomen.
Een middelgrote gemeente in het oosten van het land heeft de afgelopen jaren fors ingezet op samenwerking. Partijen hebben met elkaar geïnvesteerd in het afstemmen, inrichten en opbouwen van de samenwerking. Alle partijen zijn er trots op dat dit nu goed loopt. Wel vragen alle partijen zich af of ze deze samenwerking op dezelfde voet kunnen voortzetten in verband met de wetswijziging.
16
6. Het uitvoeringsproces 6.1 Voorkomen Hoewel het belangrijk is om de afvoer en opslag van inboedel bij woningontruimingen goed te organiseren, willen zowel de gemeente als de inwoner en de verhuurder/hypotheekverstrekker en de gerechtsdeurwaarder een ontruiming uiteraard veelal liever voorkomen. Binnen de huidige werkwijze van gemeenten is preventie in verschillende stadia vaak al een onderdeel van de uitvoering van vroegsignalering, schuldhulpverlening of een crisisloket. Dit betreffen dan ook meestal geen nieuwe taken, maar het is wel van belang het traject tot woningontruiming in een breed perspectief te bezien en waar nodig processen opnieuw uit te lijnen. Bij ontruimingen op basis van huur-of hypotheekschulden zijn vanuit het perspectief van het ontstaan van de schuld tot aan de ontruiming diverse aanknopingspunten te benoemen, zoals: Preventie Er zijn diverse lokale voorbeelden van preventieve activiteiten om schulden te voorkomen, zowel vanuit gemeenten zelf als in samenspel met maatschappelijke en/of private organisaties. Zo zijn er bijvoorbeeld corporaties die nieuwe huurders bij de sleuteloverdracht direct wegwijs maken in de diverse voorzieningen voor hulp bij administratie of financiën in hun wijk of stad. Vroegsignalering De gewijzigde Wgs biedt een sterkere basis voor vroegsignalering.
Woningbouwcorporaties, particuliere verhuurders (en binnenkort wellicht ook hypotheekbanken, hiervoor loopt momenteel een experiment), zorgverzekeraars en energie- en waterleveranciers (vaak aangeduid als signaalpartners) zijn verplicht om vroegsignalen door te geven aan gemeenten wanneer hun sociale incassoactiviteiten geen oplossing bieden. Gemeenten zijn op hun beurt verplicht om ontvangen vroegsignalen op te volgen en binnen 4 weken na ontvangst van het vroegsignaal een eerste gesprek te bieden als de inwoner dit aanbod accepteert. De manier waarop een signaal opgevolgd wordt heeft veel invloed op het resultaat. Zo is een huisbezoek bijvoorbeeld effectiever dan een brief en loont het om (zowel bij mondelinge als schriftelijke communicatie) goed na te denken over je boodschap en te zorgen voor begrijpelijke taal, waar mogelijk ondersteund met visuals. Zie voor meer informatie de Leidraad prioriteren en opvolgen vroegsignalen. Warme verwijzing Naast bovengenoemde signaalpartners die vanuit de wet een grondslag hebben om vroegsignalen door te geven zijn er uiteraard nog andere partners die ook een belangrijke signaleringsfunctie hebben. Zo kunnen afdelingen/partijen als gemeentebelastingen en Werk & Inkomen, welzijnswerkers, (thuis)zorgorganisaties, voedselbanken, vrijwilligers, ervaringsdeskundigen, actieve wijkinwoners etc. ook belangrijke signalen opvangen.
Hoewel zij geen grondslag hebben voor gegevensuitwisseling is het natuurlijk wel mogelijk om goede afspraken te maken over warme doorverwijzing naar (schuld)hulpverlening. Een ‘koude’ verwijzing naar een telefoonnummer of aanmeldformulier is namelijk meestal niet genoeg. Maak dus goede afspraken met samenwerkingspartners zodat zij samen met u kunnen zorgen dat een inwoner écht aankomt bij de hulp- of dienstverlening. Zo kunnen zij bijvoorbeeld samen direct een afspraak maken, meegaan naar een spreekuur, op vaste tijden (video)bellen met een schuldhulpverlener of een driegesprek hebben. Het is belangrijk hier samen een plan voor te maken en korte lijnen te organiseren met schuldhulpverleners. Verlagen drempels en uitval schuldhulpverlening Daarnaast benadrukt de Wgs de brede toegang tot schuldhulpverlening, waarbij slechts één absolute weigeringsgrond van toepassing is: inwoners die geen verblijfsstatus hebben komen niet in aanmerking voor schuldhulpverlening. Daarnaast hebben gemeenten de beleidsvrijheid om fraude en/of recidive als afwijzingsgrond te hanteren. Ook is de inlichtingenplicht van de inwoner beperkt om de drempel te verlagen en vroegtijdige uitval te voorkomen. Zie ook de andere ondersteuningsdocumenten op onze pagina over de Wgs.
17
Inzet bij naderende ontruiming Diverse gemeenten hebben goede ervaringen om dreigende ontruimingen alsnog te voorkomen, bijvoorbeeld via de Eropaf methode. Zo zijn er gemeenten die afgelopen jaar nauwelijks huisuitzettingen hadden en zijn er gemeenten die in de praktijk creatieve oplossingen vinden als ontruimingen alsnog onvermijdelijk zijn. Bijvoorbeeld door met de corporatie af te spreken dat de woning niet ontruimd wordt maar dat alleen het slot veranderd wordt. Zo blijven de spullen in de woning en is er meer rust en ruimte om met de inwoner te kijken naar een passende oplossing. De Handreiking van Schouders Eronder geeft een bondig overzicht van mogelijke acties om ontruimingen te voorkomen. Daarnaast plegen veel gemeenten en corporaties ook inzet om ontruiming op grond van o.a. overlast en/of hennepteelt te voorkomen, via bijvoorbeeld een laatste kansbeleid. De rechter bepaalt uiteindelijk of de woning ontruimd mag worden. Gemeenten en gerechtsdeurwaarders kunnen niet beoordelen of een ontruiming wenselijk is. Ook wanneer een ontruiming helaas onvermijdelijk is, kan in ieder geval ingezet worden op het voorkomen dat de inboedel op straat komt. Zo kan de inwoner geadviseerd worden om zijn spullen elders op te slaan en in ieder geval te zorgen dat bijvoorbeeld huisdieren, zaken met een emotionele waarde, medicijnen, legitimatiebewijzen, diploma’s, studieboeken etc.
veiliggesteld worden. Bij de meeste gemeenten is dit al een onderdeel van de reguliere werkwijze rondom vroegsignalering en/of crisis.
6.2 Aankondiging ontruiming Gemeenten geven er de voorkeur aan om meegenomen te worden in het bepalen van de ontruimingsdatum. Echter voor de datum van de ontruiming is de gerechtsdeurwaarder afhankelijk van de agenda’s van de officier van Justitie en de politie. Deze zullen vaak leidend zijn. Desalniettemin wordt getracht om waar mogelijk de datum zoveel mogelijk in onderling overleg vast te stellen. In praktijk blijken er bovendien goede voorbeelden te zijn van gemeenten die een jaarplanning doorspreken met lokale gerechtsdeurwaarders om zo bijvoorbeeld vaste data uit te sluiten of juist vaste dagen in de week voor ontruimingen vast te stellen. Artikel 14 GDW stelt gerechtsdeurwaarders verplicht om, voor zij overgaan tot de ontruiming zo spoedig mogelijk het tijdstip voor de ontruiming door te geven aan het college van B&W. Omdat gemeenten diverse voorbereidingen dienen te treffen voor de afvoer en opslag van inboedel is het belangrijk dat zij hier voldoende tijd voor krijgen. In artikel 14 GDW is echter geen termijn voor deze melding opgenomen. Uit de kennissessie bleek dat hiervoor in de praktijk bijvoorbeeld een termijn van minimaal 2 weken voor gehanteerd wordt. Dit kan echter ook korter zijn, als de rechter een ontruimingsdatum bepaalt in het vonnis en deze minder dan 2 weken in de toekomst ligt.
Afspraken bij uitstel of afstel In de praktijk blijkt de ontruiming ook regelmatig afgewend te worden of opnieuw gepland te worden. Het is dus belangrijk om ook goede afspraken te maken over deze wijzigingen omdat op enig moment al wel kosten gemaakt worden in de voorbereiding. Sommige gemeenten hanteren bijvoorbeeld een praktijkafspraak dat 24 uur voorafgaand aan het geplande ontruimingstijdstip het tijdstip niet meer gewijzigd mag worden zonder dat er kosten in rekening worden gebracht. Tegelijkertijd wordt er bij voorkeur gezocht naar een balans waarbij de inzet op het voorkomen van een ontruiming niet tegengewerkt wordt door dergelijke afspraken over kosten. De praktijk kan hier weerbarstig zijn; ontruimingen kunnen soms als de ontruiming al gestart is nog afgelast worden. Daardoor is het soms onvermijdelijk dat er al kosten gemaakt zijn door de betrokken partijen. Gerechtsdeurwaarders zullen in dergelijke gevallen wel direct met de executant bespreken hoe omgegaan wordt met de gemaakte kosten en wat meegenomen moet worden in de betalingsregeling. Gerechtsdeurwaarders zullen dat naar verwachting ook doen voor de kosten die gemeenten maken. Gemeenten dienen hierover nadere afspraken te maken met lokale gerechtsdeurwaarders.
In dergelijke praktijksituaties is het proces soms moeilijk te beheersen of beïnvloeden en is het vooral van belang om tot goede afspraken te komen over de communicatie en onderlinge afstemming wanneer dit zich
18
voordoet. De inwoner bereiken De aankondiging van de ontruiming door de deurwaarder gaat natuurlijk ook naar de inwoner. De ervaring is echter dat inwoners in dit stadium van schuldenproblematiek hun post vaak niet meer openen of lezen. Gerechtsdeurwaarders hebben een andere taakstelling en andere positie ten opzichte van de inwoner dan de gemeente. Het kan verstandig zijn om als gemeente te bepalen of – en zo ja welke – rol de gemeente daarin voor zichzelf ziet. En in het verlengde daarvan, welke inzet gepleegd wordt om de inwoner alsnog te bereiken. Daarmee kan namelijk eventueel een extra mogelijkheid gecreëerd worden om de ontruiming alsnog te voorkomen of in het uiterste geval de inwoner te adviseren zijn inboedel veilig te stellen (zie ‘Inzet bij naderende ontruiming’ in paragraaf 6.1). Daarbij is ook van belang om de inwoner op de hoogte te stellen van het feit dat de gemeente de inboedel direct na de ontruiming afvoert, zodat de inwoner weet dat er na de ontruiming nauwelijks tijd is voor het veiligstellen van de inboedel. Het is daarbij belangrijk dat gemeenten geen probleemeigenaar worden maar facilitator blijven. Tijdens de expertsessies met gemeenten werd gesproken over de mogelijkheid om (contact)informatie uit te wisselen die kan helpen de inwoner te bereiken en ondersteunen.
Zo heeft zowel de verhuurder/hypotheekverstrekker als de gemeente zelf (bijvoorbeeld in het kader van vroegsignalering) soms al informatie over de inwoner. Daarbij spelen diverse afwegingen een rol: of dit volledig in het belang van het individu is en er geen andere optie is dan de uitwisseling van persoonsgegevens om dit belang te behartigen, in hoeverre dit valt onder de publieke taak van gemeenten en of hetzelfde effect bereikt kan met de uitwisseling van minder persoonsgegevens (de verwerking dient noodzakelijk en proportioneel te zijn). Hoewel er enige twijfel bestaat over de geoorloofdheid van gegevensuitwisseling in dit verband, lijkt het legitiem om beperkte uitwisseling van persoonsgegevens, zoals bijvoorbeeld een actueel telefoonnummer, in dit geval te faciliteren. Gemeenten kunnen in dergelijke situaties advies inwinnen bij bijvoorbeeld hun functionaris gegevensbescherming. Ook de communicatie over de positionering van de gemeente is belangrijk; de gemeente ondersteunt, maar is geen opdrachtgever en geen onderdeel van ‘het conflict’ tussen de inwoner en de verhuurder/hypotheekverstrekker. Deze positie wordt beschreven als: de regie ligt bij de verhuurder/hypotheekverstrekker, de gerechtsdeurwaarder en eventueel de rechtbank en de gemeente ontvangt de aanzegging en weet wanneer zij waar aanwezig moet zijn.
6.3 Inventarisatie en taxatie De verantwoordelijkheid van de gemeente betreft het meevoeren en opslaan van de zaken die zich in de woning bevonden en zijn ontruimd. Feitelijk gaat deze taak in vanaf het moment dat de inboedel op de straat is gezet door de gerechtsdeurwaarder. Er is juridisch geen titel voor gemeenten om op basis van artikel 556 lid 3 Rv de woning te betreden. Vanaf het moment van de ontruiming bepaalt de gerechtsdeurwaarder wat er gebeurt in de woning en wie de woning eventueel betreedt. De officier van justitie vertegenwoordigt in deze situatie de inwoner. De taak van de gemeente start met het inventariseren van de mee te voeren inboedel die op straat staat. Opmaken proces-verbaal Conform artikel 5:29 lid 2 Awb, dient de gemeente van het meevoeren en opslaan een proces-verbaal op te maken. Een afschrift van het proces-verbaal wordt verstrekt aan degene die de zaken onder zijn beheer had; de inwoner. Een proces-verbaal hoeft niet ambtsedig te zijn en kan bijvoorbeeld ook opgesteld worden door een toezichthouder of Boa, maar aan een ambtsedig proces-verbaal wordt wel een hogere bewijswaarde toegeschreven. Daarnaast draagt de detaillering van het proces-verbaal, eventueel aangevuld met foto’s, bij aan de bewijskracht.
Een gedetailleerd proces-verbaal is bovendien van belang indien gemeenten aansprakelijk gehouden worden voor eventuele ontstane schade of vermissing. Wanneer de staat van de inboedel voor de afvoer en opslag goed is vastgelegd kan discussie hierover worden voorkomen. Met het oog op de al aanwezige expertise voor inventarisatie en eventuele taxatie kan ervoor gekozen worden het proces-verbaal op te laten maken door een
19
toezichthouder of Boa. Daarnaast geven diverse gemeenten er de voorkeur aan om gerechtsdeurwaarders het proces-verbaal te laten opmaken. Uitbesteding proces-verbaal aan de gerechtsdeurwaarder De KBvG heeft aangegeven dat gerechtsdeurwaarders een proces-verbaal kunnen opmaken in opdracht van gemeenten. Dit betreft een andersoortig proces-verbaal dan het proces-verbaal dat zij opmaken voor de ontruiming. Het proces-verbaal voor de ontruiming van de woning is ambtsedig. Deze ambtshandeling stopt op het moment dat de inboedel op straat staat. De ontruimingshandeling wordt dus (formeel) gescheiden van een eventuele opdracht van gemeenten om een proces-verbaal te maken voor de afvoer en opslag van inboedel. Voor dit laatste maakt de gerechtsdeurwaarder een proces-verbaal van constatering op. Dit type proces-verbaal heeft geen dwingende, maar wel ‘bijzondere bewijskracht’. Op dit moment is een proces-verbaal van constatering nog niet ambtsedig (daar wordt momenteel wel naartoe gewerkt) en als gevolg daarvan is het proces-verbaal vormvrij en gelden er geen vaste Btag-tarieven (Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders) voor. De kosten voor dit proces-verbaal zijn afhankelijk van de wensen van de gemeente. Een gerechtsdeurwaarder kan dit immers zo specifiek of globaal opstellen als de gemeente wil.
Het is dus van belang om dit vooraf af te stemmen om zo inzicht te krijgen in de benodigde tijdsinvestering en de te verwachten kosten. In alle gevallen is van belang dat de twee processen-verbaal, van de ontruiming en van de afvoer en opslag, goed op elkaar zijn afgestemd en geen tegenstrijdigheden bevatten. Taxeren inboedel Als gemeenten voor de opslag van de inboedel willen weten wat de waarde van de inboedel is, zal de inboedel getaxeerd moeten worden. Dit is niet verplicht, maar om gebruik te kunnen maken van artikel 5:30 lid 2 Awb en aan te kunnen tonen dat de verschuldigde kosten onevenredig hoog zijn t.o.v. de waarde van de inboedel, zal er wel een waarde van de inboedel bekend moeten zijn. In de huidige uitvoeringspraktijk wordt bij verkoop van inboedels soms gewerkt met opkopers, in deze gevallen is de bewaartermijn al verlopen en wordt de waarde dus achteraf pas vastgesteld. Zoals hierboven beschreven kan een gerechtsdeurwaarder in opdracht van de gemeente een procesverbaal van constatering opstellen, maar een gerechtsdeurwaarder kan de inboedel niet taxeren. Gerechtsdeurwaarders kunnen wel een inschatting maken op basis van ervaringsregels en in algemene termen beschrijven wat voor inboedel zij hebben aangetroffen. Daarbij benoemt een gerechtsdeurwaarder bijvoorbeeld ook dat zij geen bijzondere zaken hebben aangetroffen die mogelijk van grote waarde kunnen zijn.
Deze inschatting betreft geen formele taxatie en daarmee is ook de exacte waarde van de inboedel niet vastgesteld. Het is voor gemeenten dus van belang om vooraf keuzes te maken in gewenste uitvoering zodat de benodigde functies en expertises vertegenwoordigd zijn bij de ontruiming om het proces-verbaal op het gewenste detail-niveau op te stellen. Overhandigen proces-verbaal Een correcte overhandiging van het proces-verbaal van afvoer en opslag is van belang omdat hier een termijn aan gekoppeld is: vanaf het moment van overhandigen van het proces-verbaal mag de inboedel na 2 weken verkocht worden als de kosten onevenredig hoog worden t.o.v. de waarde van de inboedel. Als dit niet van toepassing is, geldt een maximaal verplichte bewaartermijn van 13 weken vanaf het moment van meevoeren en opslaan van de inboedel (zie ook de alinea ‘Opslag inboedel’ hieronder). Het overhandigen van het proces-verbaal blijkt in praktijk vaak een uitdaging, met name wanneer het niet lukt om contact te krijgen met de eigenaar van de inboedel. In deze gevallen kan de gemeenten ervoor kiezen om een gerechtsdeurwaarder in te schakelen voor een openbare betekening van het proces-verbaal. Ook wanneer het opmaken van het proces-verbaal geen ambtshandeling is, bestaat er een grondslag om het de Basisregistratie personen (BRP) te raadplegen en kunnen
20
gerechtsdeurwaarders het proces-verbaal openbaar betekenen.
6.4 Afvoeren inboedel Inrichten van de afvoer Voor het afvoeren van de inboedel zijn verschillende opties mogelijk. Gemeenten kunnen ervoor kiezen dit te laten uitvoeren door interne afdelingen, zoals het afvalbedrijf of openbare-/stadswerken of de organisaties waaraan zij dergelijke taken hebben uitbesteed. Indien gemeenten ervoor kiezen om dit elders te beleggen werden tijdens de expertsessie verhuisbedrijven en in woningontruiming gespecialiseerde bedrijven gezien hun expertise als optie genoemd. Hoewel de inwoner in eerste instantie zijn inboedel had moeten veiligstellen, dienen gemeenten de inboedel af te voeren. Hieruit vloeit voort dat deze taak zorgvuldig uitgevoerd dient te worden. Het is daarom van belang dat gemeenten bepalen welke voorzorgmaatregelen zij nemen om dit adequaat te doen en hoe zij omgaan met eventuele claims van inwoners over vermissing en/of schade aan hun inboedel, ook in geval van uitbesteding.. Door een goede vastlegging in het proces-verbaal wordt een helder onderscheid gemaakt tussen de staat van de inboedel in de woning en het vervolg wanneer de gemeente vervoert en opslaat. Hieruit blijkt opnieuw het belang van voldoende expertise bij het opmaken van een proces-verbaal. De aard van de inboedel Diverse gemeenten maken bij de afvoer direct onderscheid tussen wat opgeslagen moet worden en wat vernietigd wordt.
Gevaarlijke en bederfelijke stoffen vallen niet onder de bewaartermijn, maar andere zaken dienen 13 weken opgeslagen te worden (tenzij de kosten de baten overstijgen, in dat geval mag na 2 weken opslag overgegaan worden tot verkoop, zie ook de alinea Opslag inboedel hieronder). De huidige wetgeving biedt op dit moment geen mogelijkheid om zaken die niet gevaarlijk of bederfelijk zijn direct te vernietigen, ook al heeft de inboedel die bij ontruimingen wordt aangetroffen geen waarde. Naast de praktische inrichting spelen er op dit punt ook aandachtspunten ten aanzien van de inhoud van de af te voeren boedel. Zoals beschreven in paragraaf 6.1 ‘Voorkomen’, is het allereerst van belang om zo veel mogelijk te voorkomen dat inboedel op straat komt te staan. Daarnaast zullen gerechtsdeurwaarders waar mogelijk de omvang en aard van de inboedel doorgeven aan gemeenten. Als zij bijvoorbeeld op de hoogte zijn van de aanwezigheid van huisdieren, zullen zij gemeenten hierover informeren. Zo kunnen gemeenten ter voorbereiding van de ontruiming een regeling kunnen treffen met de dierenbescherming of een gemeenteambtenaar inschakelen die zich bezighoudt met gevonden dieren binnen de gemeente. Verder kunnen er natuurlijk diverse andere zaken met een emotionele waarde of medicijnen, legitimatiebewijzen, diploma’s of studieboeken etc. onderdeel uitmaken van de inboedel.
Afhankelijk van de zorgvuldigheid waarmee de inboedel is ingepakt en wordt bekeken, zal dit ontdekt worden vóór het afvoeren en opslaan. In dat geval is het aan te raden deze zaken in bijvoorbeeld een gekleurde doos apart te zetten en te zorgen dat dit vooraan in de opslag terecht komt. Ook hiervoor geldt dat gemeenten beleidsvrijheid hebben om de zaken waar de inwoner om vraagt vrij te geven. Voor wat betreft legitimatiebewijzen komt het in de praktijk voor dat de (hulp)officier van justitie deze in bewaring neemt. Tot slot kan het gebeuren dat er ‘onontdekte’ persoonsgegevens tussen de inboedel zitten die vervolgens afgevoerd en opgeslagen worden. Deze persoonsgegevens worden echter niet zodanig ‘verwerkt’ dat dit onder algemene verordening gegevensbescherming (AVG) valt. Dit type ‘verwerking’ valt namelijk niet binnen de materiele reikwijdte van de AVG omdat het geen verwerking betreft die digitaal of computergestuurd uitgevoerd wordt. Ook betreft het geen analoge/schriftelijke/offline verwerking van persoonsgegevens, want deze vallen alleen onder de verordening als dat gestructureerd en geordend geschiedt en dat is bij afvoer en opslaan van inboedel niet het geval.