Evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL)
Tekst van het document
28
-
Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico's is een manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). Het externe-veiligheidsbeleid in Nederland is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van activiteiten voor de omgeving (mens en milieu). Het gaat hierbij onder meer om de risico's die verbonden zijn aan de opslag en het gebruik van gevaarlijke stoffen.
Zoals in het NMP4 (Vierde Nationaal Milieubeleidsplan) is aangegeven, is de basis van het huidige risicobeleid dat het gevaar van een activiteit acceptabel is wanneer: het plaatsgebonden risico niet hoger is dan is genormeerd; de kans op een groot ongeluk met veel slachtoffers kan worden verantwoord (het groepsrisico). Voorliggend plan: Het ontwerp incl. de verschillende installatie onderdelen zijn getoetst op de aspecten maximale effectafstand, plaatsgebonden risico en groepsrisico. Indicatief is in de toetsing ook de waterstofleiding meegenomen. Aangezien deze leiding het perceel verlaat is het niet te voorkomen dat de effectafstanden contouren op het eigen perceel blijven. Maximale effectafstand De effectafstanden blijven binnen de grenzen van de inrichting. Conform de definitie van het groepsrisico, de kans op 10 of meer slachtoffers, is er daarmee geen groepsrisico. Hierdoor is er geen verantwoording van het GR nodig.
Maximale effectafstanden
CA240025.007 R02.v1.1
29
Plaatsgebonden risicocontouren De contour voor de grenswaarde van het plaatsgebonden risico PR 10-6 ligt nagenoeg geheel binnen de inrichting. Binnen deze contour liggen geen geprojecteerde objecten van derden. Hiermee wordt voldaan aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico.
Plaatsgebonden risicocontouren
Conclusie De contour voor de grenswaarde van het plaatsgebonden risico PR 10 -6 ligt grotendeels binnen de inrichting. Er liggen geen (geprojecteerde) kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten binnen deze risicocontour. Hiermee wordt voldaan aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico. Daarnaast ontstaat er als gevolg van de voorgenomen activiteiten geen groepsrisico. Het aspect externe veiligheid vormt daarmee geen belemmering voor de realisatie van onderhavig plan.
5.7
Archeologie
Het "Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed", kortweg het Verdrag van Malta, is op 16 januari 1992 te Valetta tot stand gekomen. Het Verdrag beoogt het cultureel erfgoed dat zich in de bodem bevindt beter te beschermen. In 1992 ondertekende Nederland het 'Verdrag van Malta'. In het verdrag is de omgang met het Europees archeologisch erfgoed geregeld. Het verdrag is geratificeerd door de Eerste en Tweede Kamer en sinds september 2007 is de Archeologische monumentenzorg geïmplementeerd in de Monumentenwet 1988. De Monumentenwet 1988 is vanaf 1 juli 2016 deels overgegaan in de Erfgoedwet. De onderdelen over omgevingsrecht uit de Monumentenwet zijn per 1 januari 2024 overgegaan naar de Omgevingswet. De essentie is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Volgens de wettelijke verplichting wordt in ruimtelijke plannen rekening gehouden met bekende en verwachte archeologische waarden.
CA240025.007 R02.v1.1
30
Projectlocatie De gemeente Lelystad heeft haar archeologische beleid vastgelegd in de notitie ‘Archeologische monumentenzorg in Lelystad’. Op grond van de archeologische beleidskaart geldt voor het plangebied een lage archeologische verwachting.
Uitsnede archeologische beleidskaart Lelystad met aanduiding projectlocatie (rode kader)
Voor een gebied met een lage archeologische verwachting geldt dat de landschappelijke omstandigheden hier minder gunstig waren voor bewoning. Bovendien is het bodemprofiel in deze gebieden meestal aangetast door een of meer overstromingsfasen, waardoor de top van het pleistocene oppervlak is weggeslagen. De kans op het aantreffen van prehistorische vindplaatsen is laag. Voor het plangebied is in 2019 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd door De Steekproef. Het rapport van het archeologisch bureauonderzoek is opgenomen in bijlage 5. De resultaten van dit onderzoek hebben geleid tot het volgende advies: De top van het dekzand bevindt zich rond 5,5 meter onder maaiveld (9,9 meter onder NAP). Aangezien de voorgenomen bodemingrepen niet dieper reiken dan 1,40 meter onder maaiveld (ca. 5,8 meter onder NAP) wordt dit archeologisch niveau niet bedreigd. Hoewel er een kans bestaat op het aantreffen van scheeps- of vliegtuigwrakken, of delen hiervan, is de verwachting hiervoor niet hoger dan elders in Flevoland. Veelal zijn dit toeval vondsten, omdat ze met gebruikelijke archeologische opsporingstechnieken zoals booronderzoek moeilijk in kaart te brengen zijn. Wij adviseren daarom het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ingrepen tot een maximale diepte van 9,4 meter onder NAP.
Het belangrijkste aspect is in dit geval de diepte waarop de pleistocene zandondergrond kan worden aangetroffen. In het archeologisch informatiesysteem Archis van de Rijksdienst RCE staat aangegeven dat de top van de pleistocene zandondergrond voor de nieuwe locatie van de waterpartij zich bevindt op -10 tot -8 m t.o.v. NAP. Het maaiveld waar de waterpartij komt te liggen bevindt zich rond de -4,5 m NAP. Aangezien de ingreep maximaal tot 3,0 m -mv reikt, is -7,5 m NAP, zal de verstoring van de bodem niet dieper reiken dan 0,5 tot 2,5 m CA240025.007 R02.v1.1
31
boven het pleistocene zandoppervlak. Dit betekent dat eventuele aanwezige vindplaatsen in het zandoppervlak niet worden verstoord. Conclusie Op basis van de conclusies uit het archeologisch onderzoek zijn er vanuit het aspect archeologie geen belemmeringen voor het voorgenomen project. De gemeente Lelystad dient als bevoegd gezag te bepalen of ze dit advies al dan niet overneemt.
5.8
Cultuurhistorie
Om de cultuurhistorische waarden van het gebied te bepalen is de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Flevoland gebruikt. Deze kaart geeft de cultuurhistorische waardering voor het gebied weer en laat zien of er historische monumenten in het gebied aanwezig zijn. Toetsing In het plangebied is geen sprake van historisch landschap of andere beschermde cultuurhistorische aspecten volgens de provinciale waardenkaart. Vanuit het oogpunt van cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen voor dit project.
5.9
Water
Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de watertoets wettelijk verplicht. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten (naast veiligheid en wateroverlast ook bijvoorbeeld waterkwaliteit en verdroging). De watertoets is een belangrijk procesinstrument om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in de ruimtelijke ordening. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan. De watertoetsprocedure kan op drie manieren gevolgd worden: de procedure geen waterschapsbelang, de korte procedure en de normale procedure. Welke procedure gevolgd moet worden hangt af van de implicaties van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. De procedure geen waterschapsbelang en de korte procedure zijn bedoeld voor ruimtelijke plannen met beperkte gevolgen voor de waterhuishouding. Bij deze twee procedures kan de watertoets volledig digitaal doorlopen worden. De normale procedure is gericht op ruimtelijke plannen met relatief vergaande consequenties voor de waterhuishouding. In dit geval is actieve betrokkenheid van Waterschap Zuiderzeeland nodig.
Wet- en regelgeving en beleid De belangrijkste wet- en regelgeving en beleid op het gebied van water is hier opgenomen. KRW De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is in 2000 ingevoerd en heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie- en kwelgebieden). Door de inrichting van watergangen af te stemmen op de ecologie kan de ecologische toestand verbeterd worden. De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte en grondwater terug te dringen. Daarnaast zal de onttrekking van grondwater in evenwicht worden gebracht met de aanvulling van het grondwater.
CA240025.007 R02.v1.1
32
Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. Een andere aanpak in het licht van verwachte ontwikkelingen inzake zeespiegelstijging, toenemende neerslag en rivierwaterafvoer en verdergaande bodemdaling is noodzakelijk. De adviezen van de commissie staan in het rapport Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes(drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: vasthouden, bergen en afvoeren schoonhouden, scheiden en zuiveren. Omgevingswet Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening.
Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot: 1. he voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; 2. het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en 3. het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Water Programma 2022-2027. Dit document geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Het belangrijkste uitgangspunt is het werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). In relatie tot de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de doorwerking geregeld in de Omgevingswet. Het programma geeft invulling aan de Europese richtlijnen waaronder de KRW, Richtlijn overstromingsrisico’s, de Kaderrichtlijn Mariene Strategie en de EU-richtlijn Marine Spatial Planning. Het programma geldt als structuurvisie voor de ruimtelijke aspecten. Watervisie en Waterbeheerprogramma Waterschap Zuiderzeeland De Watervisie verbindt waterthema’s en maatschappelijke opgaven.
Voor een gezonde en duurzame ontwikkeling van het gebied is het nodig om het natuurlijke systeem (bodem en water) en de ruimtelijke en economische ontwikkelingen met elkaar te verbinden in een gezamenlijke aanpak. Niet met maakbaarheid als vertrekpunt, maar toekomstbestendigheid. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 bevat de strategische en tactische doelen voor de komende planperiode en beschrijft op hoofdlijnen welke maatregelen het waterschap neemt om deze doelen te behalen. Het beheergebied wordt waterrobuust en klimaatbestendig ingericht. Investeringen in het watersysteem zorgt dat er ook in de toekomst voldoende water is bij langdurige droogte én voldoende bescherming bij hoogwater." Watertoets Voor het initiatief is de digitale watertoets doorlopen. Op basis van deze digitale watertoets blijkt de normale procedure van toepassing. Waterveiligheid Het plangebied ligt niet in een beschermingszone van een primaire waterkering. Voor het onderdeel primaire waterkering zijn geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing.
CA240025.007 R02.v1.1
33
Voldoende water Voor de ontwikkeling geldt dat er een toename is van netto verhard oppervlak onder andere door de realisatie van een trailervulplaatsen en de diverse bouwwerken met bijbehorende verhardingen. Het verhard oppervlak (dakoppervlak + straatverharding) neemt als gevolg van de ontwikkeling netto met 20.000 m2 toe. Deze toename is groter dan 2.500 m2. Hiervoor is compensatie noodzakelijk. Het plangebied is gelegen in een peilgebied waarbij 5,0% van de netto toename aan verharding als open water moet worden gecompenseerd. Ten behoeve van de realisatie van de waterstofinstallatie wordt de aanwezige watergang langs de Edelhertweg in noordelijke richting verlegd. Daarbij wordt de huidige watergang over een lengte van ca. 400 meter gedempt (7.160 m3) en wordt een nieuwe watergang gegraven (9.810 m3). Met deze ingreep neemt de capaciteit van de waterberging met 2.649 m3 toe. Voor het verleggen van de watergang is op 15 oktober 2024 door het Waterschap Zuiderdzeeland een vergunning afgegeven. Schoon water Het waterschap streeft naar goede leef, verblijf- en voortplantingsmogelijkheden voor de aquatische flora en fauna in het beheergebied. Het grond- en oppervlaktewater biedt leef-, verblijf-, en voortplantingsmogelijkheden voor de (aquatische) flora en fauna in het beheergebied. De chemische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor.
Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het water doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan. Voor het behoud van schoon water is een zorgvuldige materiaalkeuze van belang. In dit geval wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende materialen, zoals koper, zink en lood. Bij het ontwerp van een nieuw watersysteem moet rekening gehouden worden met de hoeveelheid kwel en de kwelwaterkwaliteit. Het plangebied is gelegen in een gebied met kwel van matige tot slechte kwaliteit. Het waterschap is vroegtijdig betrokken voor advies over het ontwerp van het nieuwe watersysteem. Ten gevolge van het productieproces vindt lozing van procesafvalwater plaats op oppervlakte water. De samenstelling van dit water is gelijk aan die van ingedikt water. Er wordt verwacht dat er per jaar circa 32.00 m3 procesafvalwater op het oppervlakte water geloosd zal worden. Het Waterschap heeft aangegeven in te stemmen met een dergelijke lozing. Voor deze lozing is een Omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater op een oppervlaktewater nodig. In het kader van de planontwikkeling is deze vergunning aangevraagd. Het Waterschap heeft aangegeven dat deze vergunning zal worden afgegeven.
Conclusie Voor het verleggen van de watergang is op 15 oktober 2024 door het Waterschap Zuiderdzeeland een vergunning afgegeven. Daarnaast heeft het Waterschap aangegeven akkoord te gaan met het lozen van het proceswater op het oppervlakte water. Daarvoor is een lozingsvergunning voor het vrijkomende proceswater aangevraagd. Hieruit valt te concluderen dat vanuit het aspect water er geen belemmeringen zijn voor onderhavig project.
CA240025.007 R02.v1.1
34
5.10 Verkeer en parkeren Verkeer Het aantal verkeersbewegingen tijdens de exploitatiefase wordt vooral veroorzaakt door het distribueren van waterstof via de weg. Daarnaast vinden verkeersbewegingen plaats door servicepersoneel en andere medewerkers die de projectlocatie bezoeken. In onderstaande tabel is een indicatie weergegeven van de verkeersbewegingen die per jaar worden verwacht. Voertuigbewegingen Waterstofafvoer
Per dag
Per weekdag
Per jaar
30
42,1
10942
Demi water
5
7,0
1497
Service
2
2,0
730
Support
2
2,0
730
Som
39
53,1
13899
Totaal bewegingen (heen en weer)
78
106
Gezien bovenstaande indicatie kent de ontwikkeling een verkeersgeneratie van 106 verkeersbewegingen per weekdag (46 voertuigen x 2 bewegingen). Op grond van deze aantallen mag worden geconcludeerd dat de verkeersgeneratie ten gevolge van dit initiatief beperkt zal zijn en niet zal leiden tot een verkeerskundig ongewenste situatie op de Edelhertweg en de omliggende wegen. Parkeren / laden Het plan voorziet in een trailervulplaats die ruimte biedt aan minimaal 12 trailers. Aansluitend op de trailervulplaats is voldoende parkeergelegenheid aanwezig voor meerdere (onderhouds)voertuigen. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmeringen voor onderhavig project.
5.11 Milieueffectrapportage Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag om een Bopa volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Dit gebeurt overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Voor plannen en besluiten die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (kunnen) hebben, dient een milieueffectrapportage (MER) worden opgesteld. De verplichting een MER op te stellen is van kracht sinds 1 september 1987 en is verankerd in de Omgevingswet (en voorheen in de Wet milieubeheer). Voor sommige plannen of projecten geldt direct de verplichting om een MER op te stellen, maar er zijn ook plannen waarvoor het bevoegd gezag moet beoordelen of zij het nodig vindt om ter voorbereiding van een besluit een MER te laten maken. In het Omgevingsbesluit is opgenomen voor welke activiteiten de m.e.r.-(beoordelings)plicht bestaat. Het gaat dan met name om activiteiten die aanzienlijke nadelige effecten op het milieu kunnen hebben. Aanmeldnotitie project-mer-beoordeling Om een correcte beoordeling te kunnen geven over de mogelijke milieugevoelige effecten die de voorgenomen ontwikkeling kan veroorzaken, is een aanmeldnotitie project-mer-beoordeling opgesteld. Deze aanmeldnotitie is als bijlage 6 bij deze motivering opgenomen.
CA240025.007 R02.v1.1
35
Uit deze vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Conclusie In het kader van de mer-notitie is in voldoende mate inzicht gegeven in de milieugevolgen van de beoogde ontwikkeling. Gelet op de kenmerken van de activiteit, de locatie van de activiteit en de kenmerken van de effecten van de activiteit, wordt geconcludeerd dat deze niet leidt tot milieueffecten van dusdanige omvang dat sprake kan zijn van ‘belangrijke nadelige milieugevolgen’. Het doorlopen van een mer-procedure voor het project is daarom niet noodzakelijk. Het is aan de bevoegde gezagen om hierover een definitief besluit te nemen en dit bekend te maken.
CA240025.007 R02.v1.1
36
6
Uitvoerbaarheid
6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Als onderdeel van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties verzoekt de gemeente Lelystad aan de initiatiefnemer met betrekking tot dit plan een zorgvuldige omgevingsdialoog te voeren met omwonenden en andere belanghebbenden. Hierbij geldt dat de uitkomst van de omgevingsdialoog geen toetsingsgrond vormt voor het wel of niet meewerken aan de verlening van de omgevingsvergunning met goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving. De gemeente beoordeelt uitsluitend of de omgevingsdialoog op een (voldoende) zorgvuldige wijze is gevoerd. Communicatie en dialoog Zowel de gronden binnen het projectgebied als alle omliggende gronden zijn eigendom van de Wageningen University & Research (WUR). De WUR is als grondeigenaar nauw betrokken geweest bij de planvoorbereiding en is geheel op de hoogte van de planontwikkeling. De WUR staat positief tegenover de ontwikkeling en hebben hiervoor dan ook een nieuw opstalrecht uitgegeven om, naast de zonnepanelen, een waterstof installatie te realiseren.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
De kosten voor zowel onderhavige procedure, als de kosten voor de realisering van het plan zelf, zijn volledig voor rekening van de initiatiefnemer. Ook eventuele claims met betrekking tot planschade zijn voor rekening van initiatiefnemer die daartoe een overeenkomst met de gemeente Lelystad zal sluiten. De gemeente Lelystad hoeft geen gelden te reserveren. De economische uitvoerbaarheid is hierdoor aangetoond.
CA240025.007 R02.v1.1
37
7
Belangenafweging en conclusie
Het realiseren van een waterstofinstallatie aan de Edelhertweg te Lelystad is strijdig met het geldend planologisch kader. Er zijn geen binnenplanse afwijkings- en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen voor het college van burgemeester en wethouders om het realiseren van de waterstofinstallatie te vergunnen. Ten behoeve van de realisatie van het initiatief dient daarom afgeweken te worden van het vigerende tijdelijk omgevingsplan. Middels een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) is het mogelijk om in afwijking van het vigerende omgevingsplan de beoogde waterstofinstallatie te vergunnen. In voorliggende onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving is ingegaan op het van toepassing zijnde beleid en de diverse relevante omgevingsaspecten vanuit oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Tegen de realisering van het project bestaat vanuit ruimtelijk en stedenbouwkundig oogpunt geen bezwaar aangezien aan de volgende uitgangspunten c.q.
randvoorwaarden wordt voldaan: • het project is niet strijdig met het Rijks-, provinciale en regionale beleid; • het project past binnen het gemeentelijke beleid en voldoet aan de door de gemeente gestelde randvoorwaarden; • de milieuaspecten bodem, geluid, milieuzonering, luchtkwaliteit en externe veiligheid vormen geen beletsel voor de realisatie van het project; • het project heeft geen negatieve invloed op de aspecten archeologie, verkeer en parkeren, waterhuishouding, en natuurbescherming; • de financiële consequenties van het project zullen volledig worden gedragen door de initiatiefnemer. Conclusie Op grond van vorenstaande overwegingen kan worden geconcludeerd dat bij het voorgenomen project, namelijk het realiseren van een waterstofinstallatie aan de Edelhertweg te Lelystad, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
CA240025.007 R02.v1.1
38