Evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL)
Tekst van het document
Onderbouwing HyDeer, Lelystad DEFINITIEF CA240025.007 R02.v1.1 4 december 2025
Bron: schetsontwerp ARCHITECTENBOUWMEESTERS
Onderbouwing HyDeer, Lelystad
Projectnummer: Status: Datum : -
CA240025.007 Definitief 30 januari 2025
Update 4 december 2025: beschrijving toegevoegd t.a.v. landschappelijke inpassing Hoofdstuk 3
CA240025.007 R02.v1.1
2
Inhoud 1.
Inleiding ............................................................................5
1.1
Aanleiding
5
1.2
Situering projectlocatie
6
1.3
Geldend ruimtelijk kader
6
1.4
Procedure
8
1.5
Leeswijzer
8
2
Gebiedsbeschrijving .................................................... 9
3
Planbeschrijving .......................................................... 11
4
Planologisch beleidskader........................................ 15
4.1
Rijksbeleid
15
4.1.1
Nationale Omgevingsvisie ..................................................................................................................... 15
4.1.2
Instructieregels Rijk (AMvB’s) .............................................................................................................. 16
4.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking .............................................................................................. 17
4.1.4
Nationale Klimaatwet .............................................................................................................................. 18
4.2
Provinciaal beleid
18
4.2.1
Omgevingsvisie Flevoland Straks ....................................................................................................... 18
4.2.2
Geconsolideerd Omgevingsprogramma Flevoland ....................................................................... 19
4.2.3
Omgevingsverordening Provincie Flevoland ................................................................................. 20
4.2.4
Programma Landschap van de toekomst ........................................................................................ 20
4.2.5
Omgevingsprogramma Flevoland – Energie en duurzaamheid ............................................... 21
4.2.6
RES Flevoland ............................................................................................................................................ 21
4.3
Gemeentelijk beleid
21
4.3.1
Omgevingsvisie Lelystad 2040 ............................................................................................................. 21
4.3.2
Actieplan Duurzaamheid....................................................................................................................... 22
5
Omgevingsaspecten................................................... 23
5.1
Bedrijfshinder
23
5.2
Geluid
24
5.3
Bodem
25
5.4
Natuurwaarden
26
5.5
Luchtkwaliteit
27
5.6
Externe veiligheid
28
5.7
Archeologie
30
5.8
Cultuurhistorie
32
5.9
Water
32
5.10
Verkeer en parkeren
35
5.11
Milieueffectrapportage
35
6
Uitvoerbaarheid........................................................... 37
CA240025.007 R02.v1.1
3
6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
37
6.2
Economische uitvoerbaarheid
37
7
Belangenafweging en conclusie ............................ 38
Bijlagen Bijlage 1
Akoestisch onderzoek
Bijlage 2
Waterbodemonderzoek
Bijlage 3
AERIUS-berekening
Bijlage 4
QuickScan natuurwaardenonderzoek
Bijlage 5
Archeologisch bureauonderzoek
Bijlage 6
Aanmeldnotitie project-mer-beoordeling
Bijlage 7
Vlekkenplan (60.1_69_Ontwerp nieuwe waterpartijen 20240322.pdf)
CA240025.007 R02.v1.1
4
1. Inleiding 1.1
Aanleiding
De projectlocatie van het voorliggend project is gelegen aan de Edelhertweg te Lelystad. De locatie betreft het voormalig Bio Science lab van de Wageningen – UR. In de afgelopen twee jaren zijn hier de opstallen gesloopt en gesaneerd. Daarna is hier een zonnepark gerealiseerd voor het opwekken van duurzame energie. Circul8 energy produceert hier in samenwerking met de Wageningen – UR duurzame energie. Het voornemen van Circul8 bestaat om op deze locatie aan de voorzijde een uitbreiding te maken met een elektrolizer waarmee er duurzame energie kan worden omgezet naar groene waterstof waarmee de proeflocatie van WUR PPO te gaan voorzien van groene waterstof. Op deze wijze kan er wanneer er te veel stroom op het net zou komen de energie zinvol worden omgezet naar een andere energiedrager.
Uitsnede topografische kaart met aanduiding projectlocatie
Om de ontwikkeling mogelijk te maken dient er afgeweken te worden van de geldende ruimtelijke kaders. Voor deze afwijking wordt een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) voor planologisch strijdig gebruik aangevraagd. Een vereiste bij het aanvragen van zo'n omgevingsvergunning is dat er in de toekomstige situatie sprake blijft van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Met de voorliggende 'goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving' (GoFlo, hierna: onderbouwing) wordt getoetst of de voorgenomen ontwikkeling daarmee in lijn is.
CA240025.007 R02.v1.1
5
1.2
Situering projectlocatie
Het plangebied (Edelhertweg 15 te Lelystad) ligt ten noord - oosten van Lelystad in de gemeente Lelystad.
Luchtfoto met aanduiding kadastraal perceel (rood) en projectgebied (oranje)
De projectlocatie heeft een oppervlakte van ca. 34.200 m2 en betreft het kadastrale perceel gemeente Lelystad, sectie H, nummer 2681.
1.3
Geldend ruimtelijk kader
Het geldend ruimtelijk kader wordt gevormd door het tijdelijke omgevingsplan. Dit tijdelijk omgevingsplan is op 1 januari 2024 (met de inwerkingtreding van de Omgevingswet) van rechtswege in werking getreden. Het tijdelijke omgevingsplan bestaat uit bestaande ruimtelijke besluiten, waaronder plaatselijke verordeningen en de bestemmingsplannen die onder de Wet ruimtelijke ordening zijn vastgesteld. Daarnaast bestaat het tijdelijk omgevingsplan uit de Bruidsschatregels. Dit zijn de voormalige Rijksregels die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet over zijn gegaan naar decentrale overheden. Bestaande toegestane bouw- en gebruiksactiviteiten De bestaande bouw- en gebruiksactiviteiten die voor het projectgebied gelden zijn opgenomen in onderstaande bestemmingsplannen (die opgenomen zijn in het tijdelijk deel van het omgevingsplan): Bestemmingsplan
Vastgesteld
Status
Parapluplan parkeren Lelystad
21-11-2023
Vastgesteld
Parapluplan Algemene regels tankstation Lelystad
26-01-2021
Onherroepelijk
Lelystad – Luchthavencontouren
18-05-2017
Ontwerp
Eerste partiële herziening van het bestemmingsplan
28-01-2015
Onherroepelijk
Buitengebied 2009 Bestemmingsplan ‘eerste partiele herziening van het bestemmingsplan Buitengebied 2009’ Voor het plangebied is het bestemmingsplan “eerste partiele herziening van het bestemmingsplan Buitengebied 2009’ van toepassing. Hierin is het perceel Edelhertweg 15 te Lelystad bestemd als ‘Agrarisch - Science. CA240025.007 R02.v1.1
6
Het gebruiken van het perceel ten behoeve van; 1.
innovatie- en researchbedrijven in hoofdzaak gericht op onderzoek en ontwikkeling van biomassa, gebruik van duurzame en hernieuwbare energie en grondstoffen, en kennisintensieve bedrijven die voornamelijk arbeidsextensief zijn en een duidelijke en aantoonbare relatie hebben met de Wageningen UR;
2.
instellingen voor (agrarische) wetenschappelijk onderzoek;
3.
het oprichten en in werking hebben van bio-gas installaties
4.
bij een en ander behorende voorzieningen, waaronder begrepen parkeerplaatsen en tuinen.
Uitsnede bestemmingsplankaart ‘Eerste partiële herziening buitengebied 2009’ met aanduiding projectlocatie
De gronden waarop de herontwikkeling wordt gerealiseerd zijn op grond van dit bestemmingsplan bestemd met de enkelbestemming ‘Agrarisch – Science’ en de gebiedsaanduiding 'testlocatie windturbines'. Op grond van de regels behorend bij deze enkelbestemming is het beoogde gebruik niet toegestaan. Dit betreft het gedeelte van het plan dat voorziet in het transporteren van waterstof naar externe gebruikers. Dit is dus strijdig met de bepalingen uit het bestemmingsplan. Het produceren en distribueren van het groene waterstof voor de omliggende WUR-locaties past daarentegen wel binnen het huidige regime. Lelystad – Luchthavencontouren: Met dit facetbestemmingsplan zijn de luchthavencontouren van Luchthaven Lelystad. Hierin worden de beperkingen voor de omgeving aangegeven rondom Luchthaven Lelystad. Dit gaat voornamelijk om beperkingen m.b.t. het bouwen van geluidsgevoelige bebouwing, bouwhoogtes en het vrijhouden van gronden. Parapluplan Algemene regels tankstation Lelystad: De vestiging van nieuwe tankstations kan de leefomgeving aantasten. Dit plan biedt een juridisch-planologische regeling om die aantasting te beperken. Verder neemt het plan de bescherming over van het Voorbereidingsbesluit Tankstations Lelystad dat de gemeenteraad op 8 oktober 2019 (Raadsbesluit nr. 190012761) heeft genomen. Dit bestemmingsplan omvat alle in de verbeelding bij dit plan aangeduide gebieden
CA240025.007 R02.v1.1
7
waarvoor een onherroepelijk bestemmingsplan geldt. Het is een zogenoemd parapluplan, dat de geldende bestemmingsplannen niet vervangt, maar aanvult. Parapluplan parkeren Lelystad Het doel van het paraplubestemmingsplan is het zorgen voor een toetsingskader om te bepalen of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid bij nieuwbouwplannen, verbouwplannen en functiewijzigingen. Deze herziening is een bestemmingplan dat één onderdeel wil regelen in meerdere plannen. Het heeft tot doel om een parkeerregeling op te nemen in de bestemmingsplannen zoals genoemd in artikel 3.1 van de regels. Het bestemmingsplan is opgesteld conform de normen die zijn opgenomen in de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. Daarnaast zijn de verplichte bepalingen uit het Besluit ruimtelijke ordening, te weten de anti-dubbeltelregel en het overgangsrecht, opgenomen.
1.4
Procedure
Zoals ook in paragraaf 1.3. uiteengezet, past voorliggend initiatief niet binnen het geldend planologisch kader. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 beschikken alle gemeenten over een tijdelijk omgevingsplan, bestaande uit onder andere alle bestemmingsplannen. Er zijn twee mogelijkheden om alsnog medewerking te kunnen verlenen aan dit project: 1.
Wijziging van het (tijdelijke) omgevingsplan;
2.
Verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, artikel 5.1, eerste lid onder a Omgevingswet (verder: BOPA).
Gezien de omvang en de beperkte ruimtelijke impact van voorliggend initiatief, wordt gekozen voor een BOPA. Een BOPA is vergelijkbaar met de omgevingsvergunning voor een buitenplanse afwijking met ruimtelijke onderbouwing zoals we onder de Wet ruimtelijke ordening kenden, waarbij ook de strijdigheid met het bestemmingsplan werd opgeheven. Er dient wel gemotiveerd te worden dat er sprake is van een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. De Omgevingswet gaat uit van snelle en eenvoudige procedures voor alle vergunningen die verleend moeten worden. Dit betekent dat in principe voor alle plannen de korte (reguliere) procedure uitgangspunt is en daarmee hoofdregel van de Omgevingswet. De kruimelregeling is dan ook komen te vervallen. De beslistermijn voor de korte procedure is normaliter maximaal acht weken (eventueel plus zes weken bij verlenging van de beslistermijn). Daarna is er nog bezwaar en beroep mogelijk. Voor de verlening van een BOPA voor dit tijdelijke project is de reguliere procedure van toepassing.
1.5
Leeswijzer
De GoFlo moet aantonen dat de ontwikkeling voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Onderdeel hiervan is enerzijds de toetsing aan geldend beleid en anderzijds omgevingsaspecten. Het geldend beleid wordt getoetst in hoofdstuk 3. De omgevingsaspecten worden getoetst in hoofdstuk 4. Aan de hand van de toetsing van de aspecten wordt een belangenafweging gemaakt, waaruit moet blijken dat de beoogde activiteit aanvaardbaar is. De onderbouwing onderbouwt dat de beoogde activiteit aanvaardbaar is.
CA240025.007 R02.v1.1
8
2
Gebiedsbeschrijving
De projectlocatie is gelegen aan de Edelhertweg 15 te Lelystad. De locatie, ten oosten van Lelystad betreft het voormalig Bio Science lab van de Wageningen – UR. In de afgelopen twee jaren zijn hier de opstallen gesloopt en gesaneerd. Daarna is hier een zonnepark gerealiseerd voor het opwekken van duurzame energie. De omgeving bestaat voor het grootste gedeelte uit de agrarische bestemming. Aan de westelijke zijde is op 300 meter afstand de A6 te vinden. De rest van de omgeving is als weiland in gebruikt.
Zicht op de projectlocatie vanaf de Edelhertweg (Bron: Streetsmart)
In de navolgende afbeeldingen wordt de directe omgeving van het projectgebied nader gevisualiseerd.
Overzijde van de projectlocatie in noordelijke richting (Bron: Streetsmart)
CA240025.007 R02.v1.1
9
Overzijde van de projectlocatie richting het oosten (Bron: Streetsmart)
Overzijde van de projectlocatie richting het westen (Bron: Streetsmart)
CA240025.007 R02.v1.1
10
3
Planbeschrijving
Het is de bedoeling om een strook aan de voorzijde van het terrein in te richten als locatie waar de groene stroom wordt omgezet naar groene waterstof. Hiervoor zal de waterpartij deels worden verlegd en de groene zone opnieuw worden ingericht. Met het project HyDeer zullen installaties worden gerealiseerd en geëxploiteerd om groene waterstof te produceren en te distribueren. De geproduceerde waterstof wordt in eerste instantie per as en later ook via waterstofleidingen
aan
de
afnemers
geleverd.
Deze
afnemers
zijn
o.a.
waterstoftankstations,
landbouwmachines, binnenvaartschepen en industriële bedrijven die zich binnen- en buiten de regio kunnen bevinden. Een deel van de waterstof wordt ingezet voor de WUR-locaties in de omgeving. Het andere deel van de groene waterstof zal worden verzameld in zogenaamde tube trailers en getransporteerd worden naar externe afnemers zoals die hierboven beschreven staan. Het bestaande zonnepark dat op het terrein aanwezig is blijft aanwezig. De ontwikkeling wordt landschappelijk ingepast conform het vlekkenplan, zie bijlage 7. Het realiseren van deze landschappelijke inpassing betreft een voorwaardelijke verplichting.
Ontwerp waterstofinstallatie (Bron: Toelichting aanvraag omgevingsvergunning Hydeer)
Het plan bestaat uit drie onderdelen: A, B en C. Onderdeel A bestaat uit de elektrolysers en toebehoren. De elektrolysers zijn opgebouwd uit drie containers (rood omkaderd) en zijn op hoofdlijnen bedoelt voor: (nummer 1 op de onderstaande afbeelding) stroomtoevoer, (2) waterstofproductie en (3) koelvoorziening, zie onderstaand figuur.
CA240025.007 R02.v1.1
11
Uitsnede opzet elektrolysers + toebehoren (Bron: Toelichting aanvraag omgevingsvergunning Hydeer)
Elke elektrolyse opstelling heeft een vermogen van 5 MW, om tot het totale vermogen van 105 MW te komen wordt de opstelling 21 keer herhaald. Verder zijn er diverse toebehoren nodig om elektriciteit, water en stikstof op de juiste plek te krijgen. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van laagspanningsverdelers (nummer 4, zowel onder als boven), hoogspanningsverdelers (nummer 5, zowel onder als boven), watervoorbehandeling (nummer 6, zowel onder als boven), een noodstroomvoorziening (nummer 7, onderstaande afbeelding) en de opslag van stikstofbundels (8, onderstaande afbeelding).
Uitsnede opzet elektrolysers + toebehoren. Onderdeel A (Bron: Toelichting aanvraag omgevingsvergunning Hydeer)
Onderdeel B zijn de trailervulplaatsen en compressoren. Via de trailervulplaatsen wordt waterstof onder relatief hoge druk per vrachtwagen aan de afnemers geleverd. De geproduceerde waterstof wordt daarvoor eerst via de compressoren op het juiste drukniveau gebracht. Ook kunnen de trailervulplaatsen gebruikt worden om tijdelijk waterstof op te slaan in zowel tubetrailers of Multi Element Gas Containers (MEGC). Deze MEGC’s kunnen zowel op de trailer/oplegger blijven staan of op de grond worden geplaatst op één van de trailervulplaatsen. In totaal CA240025.007 R02.v1.1
12
zullen er 12 trailervulplaatsen (nummer 1 op de onderstaande afbeelding) beschikbaar zijn voor tubetrailers of MEGC’s. Van de compressoren zijn vier sets aanwezig. Elke compressorset (rood omkaderd) bestaat uit de volgende onderdelen en is opgebouwd uit drie containers: Stroomtoevoer en hydrauliekpompen (2), compressoren (3) en een koelunit (4). Om ervoor te zorgen dat de compressoren geleidelijk kunnen inschakelen wordt gebruik gemaakt van in totaal twee verticale lagedruk buffertanks (5).
Uitsnede opzet trailervulplaatsen en compressoren. Onderdeel B (Bron: Toelichting aanvraag omgevingsvergunning Hydeer)
Onderdeel C bestaat uit een reduceerstation en overige. Een reduceerstation is nodig omdat het drukniveau per afnemer kan verschillen. Met een reduceerstation wordt de druk vanaf de elektrolysers gereduceerd en zijn bovendien kleppen en afsluiters aanwezig om de waterstof flow te controleren. Onder overige wordt een gebouw en een parkeerplaats voorzien. Het gebouw wordt gebruikt als wachtruimte voor chauffeurs en als werkruimte voor o.a. servicepersoneel. Ook worden hier sanitaire voorzieningen opgenomen. Verder worden datacommunicatie systemen voor o.a. de aansturing van de waterstofinstallaties hier geplaatst. De parkeerplaatsen worden gebruikt voor personeel dat op het terrein aanwezig is.
CA240025.007 R02.v1.1
13
Uitsnede reduceerstation, gebouw en parkeerplaatsen. Onderdeel C (Bron: Toelichting aanvraag omgevingsvergunning Hydeer)
CA240025.007 R02.v1.1
14
4 Planologisch beleidskader In dit hoofdstuk wordt het relevante rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid besproken dat van toepassing is op de projectlocatie. Door de relatief kleine omvang van de ontwikkeling worden de belangen vanuit het rijksbeleid maar beperkt geraakt.
4.1
Rijksbeleid
4.1.1 Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is vastgesteld op 11 september 2020. Deze visie beschrijft dat nationale ruimtelijke opgaven zoals de bouw van 1 miljoen woningen, duurzaam energie opwekken, klimaatverandering en de overgang naar een circulaire economie. Deze opgaven vragen meer ruimte dan er beschikbaar is in Nederland. Het is daarom belangrijk goede keuzes te maken ten aanzien van ruimtebeslag. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) richt zich op onderstaande vier prioriteiten. Deze onderwerpen hebben onderling veel met elkaar te maken en ze hebben gevolgen voor hoe de fysieke leefomgeving wordt ingericht. De Nationale Omgevingsvisie helpt bij het maken van de noodzakelijke keuzes. 1.
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie •
Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. We reserveren voldoende ruimte voor toekomstige waterveiligheidsmaatregelen.
•
We maken de energie-infrastructuur geschikt voor duurzame energiebronnen en reserveren daarvoor ruimte.
•
We passen duurzame energie in met oog voor de kwaliteit van de omgeving en combineren deze zo veel mogelijk met andere functies, zoals zonnepanelen op daken en clustering van windmolens. Voor de inpassing van duurzame energie op land worden regionale energiestrategieën opgesteld.
2.
Duurzaam economisch groeipotentieel •
De Nederlandse economie verandert van karakter en is in 2050 geheel circulair en de broeikasgasemissies zijn dan met 95% gereduceerd, met 55% reductie als beoogd tussendoel in 2030.
•
We zetten in op optimale (inter)nationale bereikbaarheid van steden en economische kerngebieden in het Stedelijk Netwerk Nederland.
•
Overheden investeren in een aantrekkelijke, gezonde en veilige leefomgeving in steden en regio's en bevorderen een aantrekkelijk vestigingsklimaat.
3.
Sterke en gezonde steden en regio's •
We versterken het Stedelijk Netwerk Nederland door de ontwikkeling van de stedelijke regio's te ondersteunen en te zorgen voor goede onderlinge en externe verbindingen. Verstedelijking koppelen we aan de ontwikkeling van de (ov-) infrastructuur en vindt plaats in de regio's waar er vraag is.
•
Het Rijk hanteert een integrale verstedelijkingsstrategie. Dit is een samenhangende aanpak van wonen, werken, mobiliteit, gezondheid, veiligheid en leefomgevingskwaliteit. Zo kunnen steden zich duurzaam ontwikkelen.
CA240025.007 R02.v1.1
15
•
Verstedelijking vindt geconcentreerd plaats in de regio. Toe te voegen nieuwe woon- en werklocaties worden zorgvuldig en op efficiënte wijze ingepast met oog voor beschikbare ruimte en mobiliteit. Het woningaanbod in de regio's sluit aan bij de vraag naar aantallen en typen woningen, woonmilieus en prijsklasse.
•
We richten de leefomgeving zo in dat deze een actieve, gezonde leefstijl en maatschappelijke participatie bevordert. We verbeteren de luchtkwaliteit, zodat in 2030 wordt voldaan aan de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie.
•
We versterken het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad en verbeteren de aansluiting op het groene gebied buiten de stad. Een natuurinclusieve ontwikkeling van de stedelijke regio's en natuurinclusief bouwen zijn het uitgangspunt.
•
We richten steden en regio's klimaatbestendig in.
•
Het stedelijke mobiliteitssysteem levert een goede bereikbaarheid op. De auto, het ov, fietsen en lopen zijn onderling verknoopt. Het systeem draagt zo bij aan een gezonde leefomgeving en een gezonde leefstijl.
•
Voor gebieden buiten het Stedelijk Netwerk Nederland, die liggen aan de grens van het land en/of waar vraagstukken rond bevolkingsdaling spelen, ontwikkelen de overheden gezamenlijk een integrale gebiedsgerichte aanpak.
4.
Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied •
Unieke landschappelijke kwaliteiten worden versterkt en beschermd. Nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebied voegen landschapskwaliteit toe. Omgevingsbeleid wordt landschapsinclusief
Voorliggend plan: Met betrekking tot het voornemen is er een direct raakvlak tussen deze visies en onderhavig plan. Punt 1 uit de Novi betreft ‘Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie’. Welke verder uitgesplitst is in drie punten: •
Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. We reserveren voldoende ruimte voor toekomstige waterveiligheidsmaatregelen.
•
We maken de energie-infrastructuur geschikt voor duurzame energiebronnen en reserveren daarvoor ruimte.
•
We passen duurzame energie in met oog voor de kwaliteit van de omgeving en combineren deze zo veel mogelijk met andere functies, zoals zonnepanelen op daken en clustering van windmolens. Voor de inpassing van duurzame energie op land worden regionale energiestrategieën opgesteld.
Met voorliggend plan zullen installaties worden gerealiseerd en geëxploiteerd om groene waterstof te produceren en te distribueren. Daarnaast wordt op de locatie ook zonne-energie en windenergie wordt opgewekt. Conclusie Vanuit de NOVI zijn geen belemmeringen voor het voorgenomen project. 4.1.2 Instructieregels Rijk (AMvB’s) Artikel 8.0b, eerste lid, van het Bkl bepaalt dat bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsvergunning de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele instructies het beoordelingskader vormen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Uit het tweede lid van artikel 8.0b van het Bkl volgt dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geweigerd wordt als:
CA240025.007 R02.v1.1
16
a.
de activiteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van instructie(regel)s;
b.
de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan (opvolger van het voorbereidingsbesluit);
c.
de omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door provincie of Rijk, belemmert.
De hoofdonderwerpen waarvoor het Bkl instructieregels (met het oog op een ETFAL) bevat zijn hieronder opgesomd: •
Waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2)
•
Beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3)
•
Beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geuren bodemkwaliteit;
•
Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 5.129g Bkl);
•
Het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden;
•
Het behouden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten
(paragraaf
5.1.7),
waaronder
landsverdediging
en
nationale
veiligheid,
elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; •
Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8)
Voorliggend plan: Een aantal van deze hoofdonderwerpen komt terug in de voorliggende onderbouwing. De instructieregels die relevant zijn, bijvoorbeeld bij het beschermen van de waterbelangen, worden meegenomen in de toetsing aan de milieu- en omgevingsaspecten in hoofdstuk 5. Conclusie Vanuit de instructieregels van de Rijksoverheid zijn geen belemmeringen voor het voorgenomen project. 4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Het doorlopen van de ladder voor duurzame verstedelijking (hierna: de ladder) is een motiveringsvereiste voor ruimtelijke plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. Het doel van de ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De ladder is opgenomen paragraaf 5.1.5.4 van het Bkl. De volgende stappen dienen doorlopen te worden: 1.
Uitgangspunten vaststellen: Wat zal met het projectbesluit mogelijk gemaakt worden. Is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling?
2.
Afweging locatiekeuze: valt het projectgebied binnen of buiten bestaand stedelijk gebied.
3.
Beschrijving van de behoefte: voorzien de functies die het project mogelijk maakt in een behoefte.
Voorliggend plan: Onderhavig project betreft de realisatie van een waterstofinstallatie, buiten het stedelijk gebied. Om deze reden wordt dit ook niet gezien als stedelijke ontwikkeling. Hierdoor hoeft onderhavig project niet aan de Ladder getoetst te worden.
CA240025.007 R02.v1.1
17
4.1.4 Nationale Klimaatwet Om aan het Klimaatakkoord van Parijs te voldoen en de wereldwijde opwarming van de aarde en de verandering van het klimaat te beperken heeft Nederland op 2 juli 2019 de Klimaatwet vastgesteld. In de Klimaatwet staan drie doelen: 1.
een vermindering van 49% (ten opzichte van 1990) van de broeikasgasuitstoot in 2030;
2.
een vermindering van 95% (ten opzichte van 1990) van de broeikasgasuitstoot in 2050;
3.
100% broeikasgas-neutrale elektriciteit in 2050.
Ter uitvoering van de Klimaatwet heeft de minister van Economische Zaken en Klimaat op 1 april 2020 het Klimaatplan vastgesteld. Dit Klimaatplan bevat de hoofdlijnen van het nationale klimaatbeleid voor de komende 10 jaar (2021-2030). Daarnaast gaat het Klimaatplan, conform de Klimaatwet, in op de laatste wetenschappelijke inzichten over klimaatverandering, technologische ontwikkelingen, internationale beleidsontwikkelingen en de economische gevolgen. De inhoud van het Klimaatplan is voor een belangrijk deel bepaald door de hoofdlijnen van het Klimaatakkoord, dat in juni 2019 tot stand is gekomen met betrokkenheid van meer dan 100 maatschappelijke (publieke en private) partijen. In het klimaatakkoord staan afspraken tussen de overheid en vijf betrokken sectoren (elektriciteit, industrie, bebouwde omgeving, landbouw en transport). Deze afspraken moeten ervoor zorgen dat in 2050 de doelen, zoals opgenomen in de Klimaatwet worden gehaald. Afspraken over de opwek van duurzame energie, waaronder zonne-energie, zijn vastgelegd in het hoofdstuk 'Elektriciteit'. Zo is afgesproken dat in 2030 70% van alle elektriciteit uit hernieuwbare bronnen komt. Dat gebeurt met windturbines op zee, op land en met zonnepanelen op daken en in zonneparken. Voor wind en zon op land is afgesproken dat in 2030 minimaal 35 TWh geproduceerd moet worden.
Doordat zon en wind weersafhankelijk is wordt de stroomproductie ook meer afhankelijk van grillig weer. Dat vraagt om een flexibel energiesysteem dat zorgt dat vraag en aanbod matchen. Dat kan met bijvoorbeeld opslag, back-up productie, omzetten van stroom in (waterstof)gas of warmte en koppeling met het buitenland (in- en export van duurzaam opgewekte elektriciteit). Voorliggend plan Het voorliggend plan voorziet in de ontwikkeling en realisatie van een groene waterstofinstallatie waarmee duurzaam opgewekte stroom van het zonnepark op hetzelfde perceel ingezet kan worden al groene waterstof. Hiermee past het bij de plannen die zijn vastgelegd in de Nationale Klimaatwet. Er worden dan ook geen belemmeringen verwacht.
4.2 Provinciaal beleid 4.2.1 Omgevingsvisie Flevoland Straks De Omgevingsvisie Flevoland Straks geeft de langetermijnvisie van de provincie Flevoland op de toekomst van dit gebied. Het gaat over de periode tot 2030 en verder. Het geeft aan welke kansen, opgaven en uitdagingen er voor Flevoland liggen. Er zijn drie kernopgaven: 1.
Het Verhaal van Flevoland (fysieke omgeving);
2.
Krachtige Samenleving (sociaal-economische omgeving);
3.
Ruimte voor Initiatief (bestuurlijke omgeving).
Deze opgaven vormen de kern voor alle ontwikkelingen waar de provincie Flevoland bij betrokken is. Zowel voor de strategische opgaven uit de Omgevingsvisie, als andere vraagstukken van de provincie Flevoland. In de strategische opgaven staan de belangrijkste vraagstukken en ambities voor de toekomst beschreven. Het gaat om de volgende opgaven: CA240025.007 R02.v1.1
18
•
Duurzame Energie
•
Regionale Kracht
•
Circulaire Economie
•
Landbouw: Meerdere Smaken
Voorliggend plan: Het voorliggend plan voorziet in de ontwikkeling en realisatie van een groene waterstofinstallatie op een perceel waar momenteel al een zonnepark aanwezig is. De ontwikkeling sluit daarmee dus aan bij de opgave ‘Duurzame Energie’, waarbij het opwekken van waterstof onder deze opgave ook beschreven is binnen de omgevingsvisie. Door dit te combineren op een terrein waar al een zonnepark aanwezig is wordt duurzaam om gegaan met de ruimte en wordt niet onnodig extra ruimte ingenomen. De Omgevingsvisie Flevoland Straks geeft daarom geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.2.2 Geconsolideerd Omgevingsprogramma Flevoland Op 27 februari 2019 is het omgevingsprogramma Provincie Flevoland vastgesteld en op 10 juli 2019 is hiervan een geconsolideerde versie vastgesteld. Dit omgevingsprogramma vindt zijn oorsprong in de reeds vigerende wetten en bestaand beleid, zoals de Waterwet, de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder en de Wet natuurbescherming en anticipeerde op de Omgevingswet. Er is voor gekozen om het bestaande beleid voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming of het behoud van de fysieke leefomgeving te bundelen in één programma dat digitaal beschikbaar is. Met de vaststelling van het Omgevingsprogramma is dan ook een groot aantal beleidsnota's komen te vervallen. Op deze wijze zijn de provinciale beleidskeuzes compact beschreven en is de samenhang tussen de verschillende beleidsterreinen het beste gewaarborgd. De provincie wil de vitaliteit van het landelijk gebied vergroten en de gebruiksmogelijkheden ervan meer afstemmen op de maatschappelijke behoeften. In Flevoland is er namelijk sprake van verdergaande schaalvergroting en herstructurering van de landbouw. Hierdoor wordt een toenemende leegstand van agrarische bedrijfslocaties verwacht. In Flevoland wordt geschat dat tussen nu en 2030 sprake zal zijn van 400 tot 600 bedrijfsbeëindigingen, met als gevolg dat de bestaande bebouwing herbestemd moet worden.
Om het landschap vitaal te houden wil de provincie de ontwikkeling van agrarische bedrijvigheid die zich richt op duurzame productie en verwerking van landbouwproducten optimale ontwikkelingskansen geven. Daarnaast wil de provincie ook de ruimte bieden aan nieuwe functies in het landelijk gebied om het economische draagvlak te verbreden en deze te verweven met de bestaande landbouwfunctie. Om de ambitie voor duurzame energie te realiseren geeft de provincie aan dat er een energietransitie nodig is. Met gemeenten en andere partners wil de provincie zoeken naar zowel duurzame productie als energiebesparing. Voorliggend plan: Het voorliggend plan voorziet in de ontwikkeling en realisatie van een groene waterstofinstallatie op een perceel waar momenteel al een zonnepark aanwezig is. Het perceel is een voormalige proeflocatie van de WUR. Het realiseren van een waterstofinstallatie wordt niet benoemd in het Omgevingsprogramma. Echter sluit dit wel aan bij de andere manieren van duurzame energie die wel beschreven worden in het beleidsstuk. Gezien het daarnaast gerealiseerd wordt op een terrein wat al als zonnepark gebruikt wordt geeft het Omgevingsprogramma Flevoland geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
CA240025.007 R02.v1.1
19
4.2.3 Omgevingsverordening Provincie Flevoland De omgevingsverordening Flevoland 2024 is sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 gewijzigd naar een nieuwe versie. Deze ‘nieuwe’ omgevingsverordening is door Provinciale Staten vastgesteld op 1 november 2023. Het is een digitaal bestand waarin de regels en de toelichting zijn gekoppeld aan de locatie op een digitale kaart. Dit zijn regels voor inwoners of bedrijven en (instructie-)regels voor andere overheden. Het gaat dan bijvoorbeeld om zaken die bij een initiatief gelden. Denk aan verboden en toestemmingen in de vorm van een omgevingsvergunning of een melding. Ook is het soms nodig om bepaalde waarden op een andere locatie te compenseren. Onderdeel van de Omgevingsverordening is het onderdeel ‘Duurzame energie’. In dit hoofdstuk wordt in gegaan op de vereisten, de plekken en de regels omtrent wind- en zonne-energie. Voorliggend plan: Het voorliggend plan voorziet in de ontwikkeling en realisatie van een groene waterstofinstallatie. Andere duurzame energievormen dan wind- en zonne-energie, zoals de productie van waterstof, worden niet beschreven in de omgevingsverordening. Er is daarom geen directe belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Echter moet de ontwikkeling wel voldoen aan de andere beleidsstukken.
4.2.4 Programma Landschap van de toekomst Het Programma Landschap van de Toekomst geeft richting aan alle ontwikkelingen in Flevoland. In het Programma staan de visie en ambities, handvatten en uitvoeringsprogramma voor hoge ruimtelijke kwaliteit van de Provincie Flevoland. In het Handboek zijn onze kernkwaliteiten, 24 bouwstenen voor hoge ruimtelijke kwaliteit, uitgewerkt. Het programma is zelfbindend en heeft op zichzelf geen juridische doorwerking. Het programma is daarmee richtinggevend. Andere overheden en initiatiefnemers moeten er dus rekening mee houden. De richtlijnen in het programma wegen zwaar bij beslissingen, zonder dwingend te sturen op de uitkomst. Afwijken mag alleen als daar goede redenen voor zijn. Na het van kracht worden van de Omgevingswet zijn Gedeputeerde Staten het bevoegde gezag. In het programma worden 9 opgaves besproken: -
Transities in de landbouw
-
Verstedelijking en woningbouw
-
Bedrijvigheid, logistiek, datacenters
-
Infrastructuur, aanpassing en uitbreiding
-
Energietransitie
-
Bodemdaling, verminderde drooglegging en kwel
-
Essentaksterfte
-
Biodiversiteit
-
Klimaatverandering
Hierbij wordt over de energietransitie aangegeven, dat om deze mogelijk te maken gekeken moet worden hoe de nieuwe vormen van energieopwekking geïntegreerd moet worden in de leefomgeving. In dit programma wordt voor dit onderwerp verder ook verwezen naar het Omgevingsprogramma Flevoland – Energie en duurzaamheid Voorliggend plan Het voorliggend plan voorziet in de ontwikkeling en realisatie van een groene waterstofinstallatie. Het Programma Landschap van de toekomst schetst geen directe belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. De uitwerking van het onderdeel ‘Energietransitie’ wordt beschreven in het Omgevingsprogramma Flevoland – Energie en duurzaamheid. Deze wordt behandeld in 4.2.5.
CA240025.007 R02.v1.1
20
4.2.5 Omgevingsprogramma Flevoland – Energie en duurzaamheid Flevoland staat bekend om haar windmolens. Bijna een kwart van alle windenergie komt uit onze provincie. Maar ook op andere gebieden is Flevoland actief om de energie in Flevoland zo duurzaam mogelijk te maken. Bijvoorbeeld met zonne-energie en warmte uit de bodem of water. En dat doet de provincie niet alleen, maar altijd in samenwerking met andere overheden, organisaties en de Flevolanders zelf. Er wordt in het hoofdstuk Energie in Balans gesproken op de vier pijlers. 1.
Opslag in baterijen
2.
Opslag in warmte
3.
Opslag in waterstof
4.
Hybride oplossingen
Gezien het voorliggende plan wordt er gefocust op pijler 3. Over opslag in waterstof wordt het volgende gezegd: ‘Elektriciteit omzetten in waterstof. Deze vorm van opslag draagt bij aan de energietransitie wanneer er (overtollige) duurzame elektriciteit wordt omgezet naar groene waterstof. Waterstof kan worden opgeslagen of verder worden verwerkt tot andere energiedragers zoals ammoniak of methaan. Waterstof is voor de middellange en lange termijn een onmisbare schakel binnen de energietransitie’. Voorliggend plan Het voorliggend plan voorziet in de ontwikkeling en realisatie van een groene waterstofinstallatie waarmee duurzaam opgewekte stroom van het zonnepark op hetzelfde perceel ingezet kan worden als groene waterstof. Hiermee sluit het direct aan bij het Omgevingsprogramma Flevoland – Energie en duurzaamheid. Er worden dan ook geen belemmeringen verwacht. 4.2.6 RES Flevoland Een uitwerking van het Klimaatakkoord is dat 30 regio's in Nederland een Regionale Energie Strategie (RES) opstellen. In de RES-en wordt per regio inzicht geven in het regionale bod voor grootschalige opwek van zonneen windenergie dat bijdraagt aan doelstelling van 49% CO2-reductie in 2030 en concreet zorgt voor een opwek van minimaal 35 TWh hernieuwbaar op land. De gemeente Lelystad maakt deel uit van de RES-regio Flevoland.
Op 22 juni 2021 heeft de raad van de gemeente Lelystad ingestemd met de RES 1.0. Dit is het vervolg op het Concept RES van 2020. Uitgangspunt van de RES 1.0 is bestaand beleid, zoals onder andere opgenomen in de provinciale Structuurvisie Zon. Met dit uitgangspunt zet Flevoland voor nu in op het opwekken van 5,81 TWh duurzame elektriciteit in 2030. Voorliggend plan Het voorliggend plan voorziet in de ontwikkeling en realisatie van een groene waterstofinstallatie waarmee duurzaam opgewekte stroom van het zonnepark op hetzelfde perceel ingezet kan worden als groene waterstof. Hiermee sluit het aan bij RES Flevoland. Er worden dan ook geen belemmeringen verwacht.
4.3 Gemeentelijk beleid 4.3.1 Omgevingsvisie Lelystad 2040 Op 22 juni 2021 heeft de gemeenteraad van Lelystad de Omgevingsvisie Lelystad 2040 vastgesteld. In de omgevingsvisie is voor het buitengebied/landelijk gebied opgenomen dat het ruimte zal bieden aan grootschalige energieopwekking zoals windenergie, zonneparken en energieopslag onder voorwaarden, zoals dat in het gemeente en provinciaal beleid voor windmolens en zonneparken is bepaald.
CA240025.007 R02.v1.1
21
Voorliggend plan Het voorliggend plan voorziet in de ontwikkeling en realisatie van een groene waterstofinstallatie waarmee duurzaam opgewekte stroom van het zonnepark op hetzelfde perceel ingezet kan worden als groene waterstof. Hiermee sluit het aan op de Omgevingsvisie Lelystad 2040. Hierdoor voorzien we geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling binnen dit beleid. 4.3.2 Actieplan Duurzaamheid Na het aflopen van het Uitvoeringsplan Duurzaamheid 2017-2020 heeft de gemeente Lelystad het Actieplan Duurzaamheid 2021 – 2024 opgesteld. In dit Actieplan heeft de gemeente maatregelen benoemd en projecten gedefinieerd die de komende 4 jaar gaan helpen om een stukje dichter bij de einddoelen van 2050 te komen. Hierbij maken ze gebruik van vijf speerpunten (Energie, Afval & Circulaire Economie, Voedsel, Mobiliteit, Fysieke Leefomgeving). Voorliggend plan Het voorliggend plan voorziet in de ontwikkeling en realisatie van een groene waterstofinstallatie op een perceel waar momenteel al een zonnepark aanwezig is. Wat betreft het speerpunt ‘Energie’ worden in het actieplan de volgende onderdelen genoemd: Evenwicht tussen het lokale energieverbruik en duurzaam opgewekte energie (energieneutraal, excl. mobiliteit in 2025 met een maximale compensatieopgave van 4,4 PJ) door in te zetten op: -
Vermindering van het energieverbruik in met name de bestaande bouw en lokale industrie;
-
Vergroten van de opwek van duurzame energie door met name windenergie en zonne-energie;
-
Onderzoek naar inzetbaarheid slimme technische concepten en alternatieve hernieuwbare bronnen;
-
Geleidelijke uitfasering van het gebruik van fossiele brandstoffen in de gebouwde omgeving.
De ontwikkeling en realisatie van een groene waterstofinstallatie waarmee duurzaam opgewekte stroom van het zonnepark op hetzelfde perceel ingezet kan worden al groene waterstof past bij de tweede en derde maatregel die in het actieplan beschreven zijn. Gezien het passend is binnen het speerpunt ‘Energie’ en niet voor problemen zorgt bij andere speerpunten voorzien wij geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling binnen dit beleid.
CA240025.007 R02.v1.1
22
5
Omgevingsaspecten
In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt aangegeven hoe deze in deze onderbouwing van de fysieke leefomgeving zijn ingepast.
5.1
Bedrijfshinder
Voorheen werd vanuit de Wet ruimtelijke ordening (Wro) een goede ruimtelijke ordening beoogd bij het ontwikkelen van nieuwe ruimtelijke plannen. Deze goede ruimtelijke ordening is gericht op het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. In dat kader is een systematiek ontwikkeld die door middel van richtafstanden voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) op voorhand regelt om hinder en gevaar te voorkomen: De VNGbrochure 'Bedrijven en milieuzonering'. Deze milieuzonering dient twee doelen: •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen;
•
het bieden van voldoende ruimte en zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam kunnen (blijven) uitoefenen.
Omgevingswet Onder de Omgevingswet wordt een nieuwe werkwijze geïntroduceerd, waarbij het werken met milieucategorieën voor bedrijven komt te vervallen. De regeling wordt vervangen door direct milieuregels in het omgevingsplan op te nemen: 'Milieuzonering nieuwe stijl'. Ook onder deze nieuwe regeling blijven beide doelen die met milieuzonering worden nagestreefd gelden. Het toepassen van de 'milieuzonering nieuwe stijl' is echter vrijwillig. Er kan ook op een andere wijze getoetst worden aan de milieunormen. In de onderbouwing bij een BOPA dient in ieder geval te worden onderbouwd dat sprake is van een evenredige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Een ETFAL kan door voldoende afstand tussen de milieubelastende en de woonactiviteiten aan te houden. Wat voldoende is, hangt af van de aard en omvang van de milieubelastende activiteiten in de directe omgeving van de projectlocatie zijn toegelaten. De VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' kan hierbij nog steeds een basis bieden voor een indicatie voor de inpasbaarheid van de activiteit en kan nog steeds worden gebruikt. Systematiek De VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) geeft handreikingen voor een verantwoorde inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving en voor de inpassing van gevoelige bestemmingen nabij bedrijven. Het is geen wet, maar een gangbare manier om milieuzonering toe te passen.
In de VNG-brochure worden per bedrijfssoort en per milieuaspect indicatieve afstanden gegeven tot gevoelige objecten. Indien aan de VNGafstand wordt voldaan, kan gesteld worden dat hinder niet te verwachten is. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Milieucategorie
Richtafstand tot gevoelige functies in een
Richtafstand tot gevoelige
rustige woonwijk
functies in gemengd gebied
1
10 meter
0 meter
2
30 meter
10 meter
3.1
50 meter
30 meter
3.2
100 meter
50 meter
4.2
300 meter
100 meter
CA240025.007 R02.v1.1
23
Voorliggend plan De beoogde waterstofinstallatie valt onder de categorie vervaardiging van chemische producten waarbij de installatie wordt aangeduid als ‘anorganisch chemische grondstoffenfabrieken’ (categorie 4.2). Voor een dergelijke bedrijfssoort geldt voor een maximale richtafstand van 300 meter (geluid en gevaar). Dit betekent dat wordt geadviseerd om, op basis van een goede ruimtelijke ordening, een afstand van minimaal 300 meter aan te houden met geluidsgevoelige functies of kwetsbare objecten (zoals woningen). Bij de beoogde ontwikkeling wordt voldaan aan de richtafstanden. Binnen 300 meter van het beoogde waterstofinstallatie zijn dergelijke functies niet gesitueerd. Conclusie Het aspect bedrijfshinder vormt daarmee geen belemmering voor het onderhavige project.
5.2
Geluid
Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Ook zijn direct werkende regels in de bruidsschat opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: • activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); • geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); • geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).
De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Voorliggend plan Voor het project is door Sain Milieuadvies een akoestisch onderzoek verricht om te bepalen of het bedrijf in de gewenste vorm akoestisch inpasbaar is. Hiervoor is de geluidbelasting van het bedrijf op de omgeving bepaald en getoetst aan de geluidnormen uit het Omgevingsplan. Onderstaand wordt kort ingegaan op de resultaten van het onderzoek.
Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport dat is opgenomen in bijlage 1.
CA240025.007 R02.v1.1
24
•
•
•
Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau: De geluidsbelasting voldoet in alle perioden aan de normstelling zoals die volgt uit het Omgevingsplan en aan de standaardwaarden en advieswaarden die volgen uit de Instructieregels van het Bkl. Maximaal geluidsniveau: De geluidgevoelige bestemmingen liggen op ruime afstand van de inrichting. De optredende maximale geluidsniveaus voldoen daardoor ruimschoots aan de normstelling uit het Omgevingsplan en aan de standaardwaarden en advieswaarden die volgen uit de Instructieregels van het Bkl. Indirecte hinder: Het inrichtingsgebonden verkeer zal ter hoogte van relevante woningen in het heersend verkeersbeeld zijn opgenomen. De geluidsbelasting ten gevolge van de indirecte hinder is daarom niet berekend.
Conclusie Op basis van het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt dat er vanuit akoestiek geen belemmeringen bestaan voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.3
Bodem
Algemeen Bij een omgevingsplanplanprocedure of bij een functiewijziging (bij een omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik) moet het bevoegde gezag voldoende inzicht hebben om de vraag te kunnen beantwoorden of de bodem geschikt is voor de toe te kennen functie. Daarvoor dient een bodemonderzoek. Een bodemonderzoek hoeft echter niet te worden uitgevoerd als de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel kan dienen voor een omgevingsplanwijziging. Een belangrijke voorwaarde daarbij is de vaststelling van het niet verdacht zijn van de locatie voor puntbronnen op basis van een uitgevoerd NEN 5725 vooronderzoek. Blijkt hieruit dat er geen verdachte locaties/situaties zijn, ofwel er zijn geen knelpunten, dan kan volstaan worden met dit vooronderzoek aangevuld met een veldinspectie. Uit het vooronderzoek volgens NEN 5725 kan ook blijken dat de kwaliteit van de bodem onvoldoende zou kunnen zijn ofwel een verdachte situatie bestaat. In die gevallen moet altijd een vooronderzoek gevolgd door een verkennend onderzoek conform NEN 5740 worden uitgevoerd, aangevuld met een bodemonderzoek asbest conform NEN5707. Onderzoeken die niet volgens de geldende normen zijn opgesteld en uitgevoerd zijn of verouderde onderzoeken gelden niet als representatief en onvoldoende.
Voorliggend plan: Vanuit de functie van de waterstofinstallatie worden geen eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem, omdat er geen personen verblijven. Daarnaast heeft het realiseren van de installatie geen invloed op de milieu hygiënische bodemkwaliteit; de kwaliteit van de grond verslechtert niet. Ten behoeve van het vastleggen van de nulsituatie van de bodemkwaliteit wordt voorafgaand aan de realisatie van het initiatief een nulsituatieonderzoek uitgevoerd. In verband met de voorgenomen demping van de watergang langs de Edelhertweg in het kader van de aanleg van een waterstofinstallatie is een waterbodemonderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat hergebruik van de grond en bagger als grootschalige bodemtoepassingen (GBT) op of in de bodem of onder oppervlaktewater mogelijk is. Het volledige rapport van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 2. Conclusie projectgebied Voor de beoogde ontwikkeling vormt het aspect bodem geen belemmering.
CA240025.007 R02.v1.1
25
5.4
Natuurwaarden
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. De regelgeving voor de bescherming van flora en fauna (de voormalige Wet natuurbescherming) staan in de Aanvullingswet, Aanvullingsbesluit en Aanvullingsregeling natuur. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (verder: Bal) staan de nadere regels uitgewerkt. Deze wet vormt een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatig gebiedsbescherming plaats door middel van het Nationaal Natuurnetwerk Nederland (NNN, voormalige ecologische hoofdstructuur (EHS)), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau in omgevingsvisies en verordeningen is vastgelegd. Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie ligt niet in of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is ‘IJsselmeer’ op ruim 3,2 km afstand. Gelet op de grote afstand tussen het plangebied en omliggende Natura 2000-gebieden worden negatieve effecten vanwege geluidverstoring, licht of trillinghinder uitgesloten. Stikstofdepositie Ten behoeve van het planvoornemen is onderzocht of sprake is van een stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Daartoe is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Uit de stikstofberekeningen is gebleken dat de genoemde grenswaarde niet wordt overschreden.
De rapportage van dit stikstofonderzoek is bijgevoegd als bijlage 3. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (hierna NNN). Het meest nabij gelegen NNN ligt op ruim 1,0 kilometer afstand van het plangebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan beleidsregels voor de bescherming van het NNN, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Flevoland. Soortenbescherming In het kader van voorliggend project is een QuickScan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd om na te gaan welke natuurwaarden in de directe omgeving van het projectgebied aanwezig zijn en welke vervolgstappen eventueel nodig zijn in het kader van de Omgevingswet (Ow) onderdeel natuur. Het rapport van deze QuickScan is opgenomen in bijlage 4. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk bezetten amfibieën er een (winter)rust- en voortplantingsplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats.
Vogels kunnen een bezet nest hebben in de beplanting en in de oevervegetatie van de waterpartij. Vleermuizen gebruiken het plangebied uitsluitend als foerageergebied. Het plangebied is geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de beplanting gerooid wordt en de waterpartij verlegd wordt tijdens de CA240025.007 R02.v1.1
26
voortplantingsperiode van vogels, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten in het plangebied. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden zonder voorbereiding, kan niet uitgesloten worden dat een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie gedood wordt. Ook worden mogelijk vaste (winter)rustplaatsen en/of voortplantingsplaatsen van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat deze dieren op eigen beweging vertrekken of dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde dieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Conclusie Gezien de conclusies uit de QuickScan en het stikstofonderzoek vormt het aspect Natuur geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
5.5
Luchtkwaliteit
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: -
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
-
het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
-
het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;
Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL met de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook komen te vervallen. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Huidige jaargemiddelde concentraties NSL-Monitoringstool 2020 Uit de monitoringstool van het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit, Atlas voor de Leefomgeving) volgt dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) in de directe omgeving van het plangebied lager liggen dan de grenswaarden die voor deze stoffen zijn vastgesteld (voor PM10 en NO2 40 μg/m³ en voor PM2,5 20 μg/m³). De concentratie NO2 bedraagt minder dan 12 μg/m³, de concentratie PM10 bedraagt minder dan 15 μg/m³ en de concentratie PM2,5 minder dan 8 μg/m³. Dit betekent dat de luchtkwaliteit in de huidige situatie voldoende wordt geacht en er geen normen worden overschreden.
CA240025.007 R02.v1.1
27
Niet in betekenende mate (NIBM) Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. In artikel 5.54 Bkl is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die binnen de getalsmatige grenzen vallen en daardoor niet in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Onderhavig plan behoort tot de in de lijst opgenomen categorieën van gevallen en mag derhalve gerangschikt worden als een activiteit welke in niet betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Desondanks is volledigheidshalve voor de ontwikkeling de bijdrage aan een verslechtering van de luchtkwaliteit in beeld gebracht. Hiervoor is gebruikt gemaakt van de NIBM-tool van het Ministerie van Infrastructuur & Milieu. In deze tool dient het extra aantal verkeersbewegingen ten opzichte van de bestaande situatie te worden ingevoerd, waarbij dient te worden uitgegaan van het weekdaggemiddelde. Zie ook paragraaf 5.10 voor een nadere onderbouwing van de gehanteerde voertuigbewegingen.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie
2025
Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
106
Aandeel vrachtverkeer
92,5%
NO2 in μg/m3
1,11
3
0,08
Maximale bijdrage extra verkeer
PM10 in μg/m 3
Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m Conclusie
1,2
De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig
Uit deze berekening kan worden geconcludeerd dat de bijdrage van het extra verkeer in niet betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging en er geen nader onderzoek noodzakelijk is. De luchtkwaliteitseisen zoals aangegeven in paragraaf 5.1.4.1 Bkl leveren derhalve geen beperkingen op voor de ontwikkeling. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen beperkingen oplevert voor de realisatie van onderhavig plan.
5.6
Externe veiligheid
Nationaal beleidskader De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crisissen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. CA240025.007 R02.v1.1