BL1.1 Ruimtelijke onderbouwing - Appartementen Wold 11
Tekst van het document
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
De in de voorliggende ruimtelijke onderbouwing besloten ruimtelijke ontwikkeling is in overeenstemming met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten zoals verwoord in de voorgenoemde beleidsstukken.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
22
Ruimtelijke onderbouwing, Lelystad, Wold 11 Definitief
HOOFDSTUK 4
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in ruimtelijke onderbouwingen een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een ruimtelijke onderbouwing vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie en cultuurhistorie, besluit milieueffectrapportage en waterhuishouding.
4.1
Geluid
4.1.1
Wettelijk kader
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 4.1.2
Situatie projectgebied
4.1.2.1 Wegverkeerslawaai Artikel 74.1 van de Wgh bepaalt dat wegen een wettelijke geluidszone hebben. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en of de weg in stedelijk of in buitenstedelijk gebied is gelegen. In onderstaande tabel worden de wettelijke geluidszones weergegeven. Aantal rijstroken 1 of 2 rijstroken 3 of 4 rijstroken 5 of meer rijstroken
Stedelijk gebied 200 m 350 m 350 m
Buitenstedelijk gebied 250 m 400 m 600 m
De wettelijke geluidszone bevindt zich aan weerszijde van de weg en begint naast de buitenste rijstrook. Eventuele parkeerstroken, voet- en fietspaden en vluchtstroken behoren niet tot de weg. De hiervoor genoemde zones gelden niet voor: • •
wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2).
Het projectgebied ligt binnen de wettelijke geluidzone van de Lindelaan (50 km/uur) en de Zuigerplasdreef (50 km/uur). Om de geluidbelasting ten gevolge van het verkeer van de Lindelaan en de Zuigerplansdreef te toetsen is door BJZ.nu een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De rapportage is als bijlage 2 bij deze onderbouwing toegevoegd. Onderstaand zijn de belangrijkste onderzoeksresultaten opgenomen. Onderzoeksresultaten De geluidbelasting ten gevolge van het verkeer van de Zuigerplasdreef bedraagt inclusief 5 dB reductie, hoogstens 42 dB. Met deze waarde wordt voldaan aan de voorkeurswaarde van 48 dB.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
23
Ruimtelijke onderbouwing, Lelystad, Wold 11 Definitief De geluidsbelasting ten gevolge van het verkeer van de Lindelaan bedraagt, inclusief 5 reductie, hoogstens 50 dB. Met deze waarde wordt niet voldaan aan de voorkeurswaarde van 48 dB, maar wel aan de maximale ontheffingswaarde van 58 dB. De bron- en overdrachtsmaatregelen die getroffen kunnen worden om aan de voorkeurswaarde te voldoen ontmoeten bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke of financiële aard. Gevelmaatregelen zijn het meest doelmatig en met een gevelwering van minstens 22 dB wordt het binnen niveau van 33 dB gewaarborgd. Ten tijde van de vergunningaanvraag dient aangetoond te worden of met de getroffen maatregelen wordt voldaan aan dit binnen niveau van 33 dB. Daarnaast wordt ook voldaan aan de vereisten uit het gemeentelijk geluidbeleid voor het verlenen van een hogere waarde. Er kan dan ook een hogere waarde verleend worden van hoogstens 50 dB voor de appartementen van verdieping 1, en 4 t/m 9) ter plaatse van de noord- en oostzijde van het appartementengebouw (toetspunten 25, 26 en 27). Met het in achtnemen van voorstaande is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen. 4.1.2.2 Railverkeerslawaai Ten westen van het projectgebied ligt een spoorlijn Almere – Zwolle (de Hanzelijn) op een afstand van 550 meter.
Voor deze spoorweg is het geluidsproductieplafond 52,5 dB ter hoogte van het projectgebied. Daarvoor geldt een wettelijke geluidzone van 100 meter. Het projectgebied valt buiten deze geluidszone. Gezien de afstand en de tussenliggende bebouwing is een akoestisch onderzoek railverkeerslawaai niet benodigd. Ter plaatse van het projectgebied is ten aanzien van railverkeerslawaai een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te verwachten. 4.1.2.3 Industrielawaai In de omgeving van het projectgebied is geen gezoneerd bedrijventerrein, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, aanwezig. Het aspect industrielawaai is niet van toepassing. Wat betreft de invloed van individuele bedrijven op de beoogde woningen wordt verwezen naar paragraaf 4.5 (milieuzonering). 4.1.3
Conclusie
De Wet geluidhinder vormt geen belemmering in het kader van voorliggende ontwikkeling.
4.2
Bodemkwaliteit
4.2.1
Algemeen
Bij het nemen van een omgevingsvergunning dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. 4.2.2
Situatie projectgebied
Voorgenomen ontwikkeling gaat uit van het realiseren van 49 appartementen op de locatie Wold 11. Om te kijken of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem is ter plaatse van het projectgebied een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De volledige onderzoeksrapportage is opgenomen in bijlage 3 bij deze ruimtelijke onderbouwing. Hierna wordt kort op de belangrijkste onderzoeksresultaten ingegaan. Onderzoeksresultaten
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
24
Ruimtelijke onderbouwing, Lelystad, Wold 11 Definitief De gestelde hypothese dat ter plaatse van de slootdemping en de voormalige weg verhogingen aan zware metalen en/of PAK kunnen worden verwacht, is deels bevestigd In de bovengrond ter plaatse van de voormalige weg is een licht verhoogd gehalte aan PAK gemeten, tevens is een verhoging aan minerale olie gemeten. In de slibhoudende ondergrond ter plaatse van de slootdemping is enkel een licht verhoogd gehalte aan minerale olie gemeten. De gestelde hypothese dat ter plaatse van het overig terrein geen verontreinigingen worden verwacht ten opzichte van de bodemkwaliteitskaart, is bevestigd. In de boven- en ondergrond zijn geen verhogingen aangetoond. In het grondwater zijn enkele zware metalen licht verhoogd gemeten. Getoetst aan het Besluit Bodemkwaliteit voldoet de bovengrond van de voormalige weg en de ondergrond van de slootdemping aan klasse ‘industrie’ vanwege een verhoging aan minerale olie. De boven- en ondergrond van het overig deel van het perceel is indicatief beoordeeld als ‘altijd toepasbaar’. De boven- en ondergrond zijn aanvullend onderzocht op PFAS. Hieruit blijkt dat de kleiige bovengrond voldoet aan de Achtergrondwaarden en dat de kleiige ondergrond beoordeeld is als ‘niet verontreinigd’. De onderzoeksresultaten vormen geen belemmering voor de beoogde woonbestemming.
Tijdens het onderzoek zijn geen waarnemingen gedaan die kunnen duiden op de aanwezigheid van een verontreiniging met asbest. De hypothese van een asbestonverdachte locatie wordt gehandhaafd. Vrijstelling Het voorgenoemde bodemonderzoek bevat niet het gehele projectgebied. Voor een deel van het terrein, ter plaatse van het oude pannenkoekenrestaurant, is echter vrijstelling verkregen. Hiervoor zijn bijlage 4 (omgevingsrapport), bijlage 5 (Oud bodemonderzoek 1992) en bijlage 6 (formulier getekend) toegevoegd. 4.2.3
Conclusie
Het aspect ‘bodem’ vormt geen belemmering in het kader van de uitvoerbaarheid de van ontwikkeling.
3.4
Luchtkwaliteit
4.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtverontreiniging van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • •
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
Ruimtelijke onderbouwing, Lelystad, Wold 11 Definitief •
kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 4.3.2
Situatie projectgebied
Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 4.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat deze ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader het Besluit gevoelige bestemmingen. 4.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor voorliggend initiatief.
4.4
Externe veiligheid
4.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Ruimtelijke onderbouwing, Lelystad, Wold 11 Definitief De regelgeving omtrent het vervoer van gevaarlijke stoffen via buisleiding is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 4.4.2
Situatie in het projectgebied
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 4.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het projectgebied (rode ster) en omgeving weergegeven.
Uit de inventarisatie blijkt dat het projectgebied: • • • •
zich niet bevinden binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen dan wel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich wel bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; wel zijn gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet zijn gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Ruimtelijke onderbouwing, Lelystad, Wold 11 Definitief Spoortraject Almere – Zwolle (de Hanzelijn) Het projectgebied ligt op circa 550 meter van de spoorlijn. Over dit traject vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risicocontour (10-6) van deze spoorlijn bedraagt 6 meter. Gezien de ligging van het projectgebied vormt het plaatsgebonden risico geen belemmering voor onderhavig voornemen. Groepsrisico Gevaarlijke stoffen zijn ingedeeld in stofcategorieën, die elk hun eigen invloedsgebied hebben. Uit de gegevens van de risicokaart volgt dat over de spoorlijn de A, B2, C3, D3 en D4 worden vervoerd. Het invloedsgebied van deze stofcategorieën bedraagt 4 kilometer. Het projectgebied ligt daarmee binnen dit invloedsgebied. Het voornemen ziet toe op het nieuw vestigen van 49 appartementen binnen het projectgebied. Voor een gemiddelde toename van 2,4 personen per woning gaat het in totaal om een toename van (49*2,4) 118 personen. Het projectgebied ligt in het centrum van Lelystad en in een straal van 1 kilometer zijn voornamelijk woningen aanwezig. De toename van 49 appartementen leidt niet tot een grotere toename dan 10% van de aanwezige personendichtheid in de bestaande situatie. Het groepsrisico ter plaatse van het projectgebied zal daarom als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling niet met meer dan 10% toenemen.
Dit kan zondermeer gesteld worden gelet op de dichtheid van bestaande functies in de omgeving. Gelet op het vorenstaande is een nadere verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk. Plasbrandaandachtsgebied Op de spoorroute ter hoogte van het projectgebied is er sprake van een plasbrandaandachtsgebied. Het plasbrandaandachtsgebied is begrensd op 30 meter gemeten vanaf de buitenste spoorstaaf. Het projectgebied ligt buiten deze contour. Belemmeringen zijn niet te verwachten. 4.4.3
Conclusie
Uit de inventarisatie is gebleken dat de ontwikkeling in overeenstemming is met wet- en regelgeving aangaande externe veiligheid.
4.5
Milieuzonering
4.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Ruimtelijke onderbouwing, Lelystad, Wold 11 Definitief en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 4.5.2
Gebiedstypen
4.5.2.1 Algemeen Afstemming van bestaande en nieuwe functies gebeurt door het aanhouden van zogenaamde richtafstanden. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’. Bij deze richtafstanden wordt rekening gehouden met de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar zoals gesteld in de ‘Staat van bedrijfsactiviteiten’. Hierbij wordt uitgegaan van het principe van functiescheiding, waarbij twee gebiedstypen te onderscheiden zijn, namelijk: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen , zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied.
Daarbij wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het projectgebied ligt in het centrum van Lelystad waar sprake is van functiemenging. In dit geval van de uitgegaan van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. De volgende tabel geeft de richtafstanden voor de verschillende omgevingstypes weer. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
4.5.2.2 Situatie projectgebied Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Er wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Ruimtelijke onderbouwing, Lelystad, Wold 11 Definitief 1. 2.
past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geenszins sprake. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het projectgebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of nieuwe functies de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. In het projectgebied worden milieugevoelige functies gerealiseerd, namelijk woningen. In de directe omgeving van het projectgebied zijn een aantal percelen aanwezig waar op basis van het geldende bestemmingsplan milieubelastende functies mogelijk zijn. In de tabel hieronder zijn alle milieubelastende functies in de omgeving weergegeven inclusief bijbehorende milieucategorie, richtafstand en de daadwerkelijke afstand. Functie
Milieucategorie
Kantoor Centrumdoeleinden
1 2
Richtafstand (gemengd gebied) 0 meter 10 meter
Daadwerkelijke afstand Circa 20 meter Circa 185 meter
Op basis van de bovenstaande tabel wordt aan alle richtafstanden voldaan. De naastgelegen kantoorfunctie ligt op een afstand van circa 20 meter vanaf het beoogde appartementengebouw. De omgeving van het projectgebied wordt voornamelijk gekenmerkt door woonfuncties. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat ter plaatse van het projectgebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Andersom worden bestaande omliggende bedrijvigheid niet (verder) beperkt als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. 4.5.3
Conclusie milieuzonering
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.6
Ecologie
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming (Wnb) en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. 4.6.1
Gebiedsbescherming
4.6.1.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Ruimtelijke onderbouwing, Lelystad, Wold 11 Definitief op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermd. Het projectgebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (met stikstofgevoelige habittatten) ‘Veluwe’ bevindt zich op circa 21,8 kilometer. Om aan te tonen of het voornemen resulteert in significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden, heeft BJZ.nu een stikstofonderzoek uitgevoerd. Voor het volledige rapport behorende bij dit onderzoek wordt verwezen naar bijlage 7 bij deze onderbouwing. Hieronder wordt beknopt ingegaan op de belangrijkste resultaten en conclusie. Onderzoeksresultaten BJZ.nu heeft via een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor de aanleg- en gebruiksfase van het project. Uit de berekening is naar voren gekomen dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 4.6.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid.
Het NNN is in de provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het dichtstbijzijnde gebied dat tot het NNN behoort ligt op circa 1,9 kilometer van het projectgebied. Daarmee ligt het projectgebied niet in of in de directe nabijheid van het NNN, waarmee van aantasting van de wezenlijke kenmerken of waarden geen sprake is. 4.6.2
Soortenbescherming
4.6.2.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. 4.6.2.2 Situatie projectgebied Ter plaatse van het projectgebied is door Natuurbank Overijssel een quickscan flora en fauna uitgevoerd, welke is opgenomen als bijlage 8 bij deze ruimtelijke onderbouwing. Hierna wordt op de onderzoeksresultaten ingegaan. Onderzoeksresultaten De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vogels kunnen een bezet nest hebben in de beplanting. Vleermuizen gebruiken het plangebied uitsluitend als foerageergebied.
Het plangebied is geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de beplanting gerooid wordt tijdens de voortplantingsperiode, BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Ruimtelijke onderbouwing, Lelystad, Wold 11 Definitief wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden zonder voorbereiding, kan niet uitgesloten worden dat een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie gedood wordt. Ook worden mogelijk vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaatsen van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat deze dieren op eigen beweging vertrekken of dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde dieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Bovenstaande geldt niet voor de wezel, hermelijn en bunzing. Deze soorten hebben mogelijk een vaste rusten voortplantingsplaats in het plangebied.
Deze soorten zijn niet vrijgesteld van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’. Er wordt een ontheffing aangevraagd te worden voor deze soorten (kleine marterachtigen). 4.6.3
Conclusie
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
4.7
Archeologie & cultuurhistorie
4.7.1
Archeologie
4.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.7.1.2 Situatie projectgebied De gemeente Lelystad heeft de archeologische verwachtingswaarden vastgelegd op haar archeologische beleidskaart. Voor de locatie geldt een lage verwachtingswaarde. Daarnaast is de locatie reeds bebouwd geweest. De gronden zijn dan ook verstoord. Een onderzoek naar aanwezige archeologische waarden is niet noodzakelijk. Voor de locatie geldt geen archeologische onderzoeksplicht bij bodemingrepen. Wel geldt de algemene zorgplicht. 4.7.2
Cultuurhistorie
4.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Ruimtelijke onderbouwing, Lelystad, Wold 11 Definitief In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan/ruimtelijke onderbouwing “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 4.7.2.2 Situatie projectgebied Er bevinden zich zowel in het projectgebied als de directe omgeving geen Rijks- danwel gemeentelijke monumenten. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor voorliggend plan. 4.7.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
4.8
Besluit milieueffectrapportage
4.8.1
Kader
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een omgevingsvergunning kan op twee manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •
•
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 4.8.2
Situatie projectgebied
4.8.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 21,8 kilometer afstand van het projectgebied. Door BJZ.nu is een stikstofberekening uitgevoerd ten behoeve van het meten van de stikstofdepositie. Uit dit onderzoek is gebleken dat er geen sprake is van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 4. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit plan dan ook niet noodzakelijk.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Ruimtelijke onderbouwing, Lelystad, Wold 11 Definitief 4.8.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijke gemaakt middels een omgevingsvergunning waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.r-beoordelingsplichtig plan. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.' Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. 2. 3.
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Indien het project wordt vergeleken met de drempelwaarden uit de D-lijst kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject en daarmee tevens geen m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Onderhavig voornemen ziet toe op de realisatie van 49 appartementen. Dit valt aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject. Daarom is met betrekking tot de voorgenomen ontwikkeling een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld.
Uit deze aanmeldnotitie is gebleken dat ten gevolge van het plan geen significant negatieve effecten op de omgeving zullen optreden. Voor een uitgebreide beschrijving van de milieueffecten wordt verwezen naar de aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling, opgenomen in bijlage 9 van deze ruimtelijke onderbouwing. 4.8.3
Conclusie
Deze ontwikkeling is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van voorliggend initiatief.
4.9
Water
4.9.1
Wet- en regelgeving en beleid
KRW De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is in 2000 ingevoerd en heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie- en kwelgebieden). Door de inrichting van watergangen af te stemmen op de ecologie kan de ecologische toestand verbeterd worden. De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte- en grondwater terug te dringen. Daarnaast zal de onttrekking van grondwater in evenwicht worden gebracht met de aanvulling van het grondwater. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. Een andere aanpak in het licht van verwachte ontwikkelingen inzake BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Ruimtelijke onderbouwing, Lelystad, Wold 11 Definitief zeespiegelstijging, toenemende neerslag en rivierwaterafvoer en verdergaande bodemdaling is noodzakelijk. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21)’. De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes(drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: 1. vasthouden, bergen en afvoeren; 2. schoonhouden, scheiden en zuiveren. Waterwet De Waterwet (2009) stelt integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’ centraal. Één van de voornaamste veranderingen, naast invoering van de watervergunning, is de verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name het ruimtelijke domain. De verantwoordelijkheden in het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd. De waterwet gaat bijna volledig op in de Omgevingswet, die per 1 januari 2024 in werking treedt. Op grond van o.m. de Waterwet is voor gemeenten, naast het inzamelen en transporteren van vrijkomend stedelijk afvalwater een formele taak weggelegd voor het afvoeren van overtollig regenwater.
In zoverre het inzamelen en transporteren van relatief schoon regenwater buiten de afvalwaterstroom doelmatig kan worden uitgevoerd, vindt deze gescheiden van de afvoer van het stedelijk afvalwater plaats. Het ‘gebiedseigen water’ wordt op plaatsen waarvoor mogelijkheden aanwezig zijn, vastgehouden en geborgen in aanwezig stedelijk water en/of retentiestroken. Het bergen en vasthouden van regenwater op locatie mag niet leiden tot (water)overlast voor de woonomgeving. Tot slot heeft de gemeente een watertaak waterhuishoudkundige maatregelen te treffen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming(en) zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. In de Keur van het waterschap Zuiderzeeland, onderdeel uitmakend van de Waterwet, is aangegeven wat wel en niet mag bij waterkeringen en wateren (de zogenaamde waterstaatswerken). De waterschapsverordening vervangt de Keur bij inwerkingtreding van de Omgevingswet. Nationaal Waterprogramma Het Nationaal Waterprogramma (2022) bestaat uit het landelijke en regionale waterbeleid, vastgesteld op basis van de Waterwet en de Wet Ruimtelijke Ordening. In het plan zijn de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en - beheer beschreven voor de periode 2022-2027. Het programma richt zich op schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is.
Het programma geeft invulling aan de Europese richtlijnen waaronder de KRW, Richtlijn overstromingsrisico’s, de Kaderrichtlijn Mariene Strategie en de EU-richtlijn Marine Spatial Planning. Het programma geldt als structuurvisie voor de ruimtelijke aspecten. Watervisie en waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap Zuiderzeeland De Watervisie verbindt waterthema’s en maatschappelijke opgaven. Voor een gezonde en duurzame ontwikkeling van het gebied is het nodig om het natuurlijke systeem (bodem en water) en de ruimtelijke en economische ontwikkelingen met elkaar te verbinden in een gezamenlijke aanpak. Niet met maakbaarheid als vertrekpunt, maar toekomstbestendigheid. Het Waterbeheerprogramma 2022-207 bevat de strategische en tactische doelen voor de komende planperiode en beschrijft op hoofdlijnen welke maatregelen het waterschap neemt om deze doelen te behalen. Het gaat hierbij om reguliere werkzaamheden van waterschappen, waaronder peilbeheer, onderhoud aan dijken en het zuiveren van afvalwater. Het beheergebied wordt waterrobuust en klimaatbestendig ingericht. Investeringen in het watersysteem zorgt dat er ook in de toekomst voldoende water is bij langdurige droogte én voldoende bescherming bij hoogwater. 4.9.2
Watertoets
Het Waterschap Zuiderzeeland is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. Op basis van inhoudelijke beoordeling van het waterschap Zuiderzeeland ten aanzien van de ontwikkeling is de normale procedure van toepassing. Dit in verband met de uitbreiding van de lozing in het stedelijk gebied groter dan 30 vervuilingseenheden (v.e.). De watertoets is opgenomen in bijlage 10 van deze toelichting. Het ruimtelijk plan wordt in de watertoets op drie thema’s getoetst: 1) Waterveiligheid, 2) Voldoende water en 3) Schoonwater. De gewenste ontwikkeling heeft beperkte gevolgen voor de waterhuishouding. De beleidsthema’s Voldoende water en Schoon water zijn van toepassing.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Ruimtelijke onderbouwing, Lelystad, Wold 11 Definitief 1.
Thema Waterveiligheid
Het plan ligt niet buitendijks of in een beschermingszone van een waterkering. Op basis van de ingevoerde gegevens over het projectgebied zijn er geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing. 2.
Thema Voldoende water • Wateroverlast Streefbeeld: Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, is op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen. Uitgangspunten: Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. De planontwikkeling is gelegen in een watersysteem dat op basis van de toetsing in 2012 voldoet aan de normering voor wateroverlast. Een dergelijk systeem kan het water verwerken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. De beleidsregel 'Compensatie toename verhard oppervlak en versnelde afvoer' is begin 2013 door het waterschap vastgesteld. Vanaf het moment van vaststelling van de beleidsregel is de situatie van het beheergebied op dat moment het referentiekader geworden, oftewel de nulsituatie. De compensatieplicht geldt zodanig voor de netto toenamevan het verhard oppervlak voor een bouwvlak sinds begin 2013.” Planspecifiek: Het projectgebied ligt in stedelijk gebied. In de beoogde situatie is er sprake van een toename van verharding. De beoogde parkeerplaatsen worden grotendeels uitgevoerd in halfopen verharding (grasbeton). Door het treffen van deze voorziening is er in de beoogde situatie sprake van een toename van verharding <750 m2. Een compensatie in de vorm van een waterbergingsvoorziening is niet nodig.
• Goed functionerend watersysteem Streefbeeld: Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het (maatschappelijk) gewenste grond- en oppervlaktewaterwaterregime (GGOR) mogelijk. Waterschap Zuiderzeeland streeft er naar dat de feitelijke situatie van het watersysteem overeenkomt met de legger. Op die manier kan het waterschap weloverwogen anticiperen op en reageren in extreme situaties. Graven nieuw water: In het plangebied wordt nieuw water gegraven. Er wordt gestreefd naar aaneengesloten waterelementen met een minimum aantal duikers en/of andere kunstwerken en zonder doodlopende einden.“ Randvoorwaarden: Het waterschap streeft naar een robuust en klimaatbestendig watersysteem met grote peilvakken. Versnippering van het watersysteem is een ongewenste situatie. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan op bestaande peil-vakken en de inrichting wordt afgestemd op de functie van het water. Nabij watergang: Het plangebied bevindt zich binnen tien meter afstand van een bestaand watergang. De watergang wordt ten minste aan één zijde voorzien van een obstakelvrije werkstrook van minimaal 5 meter breed en 4 meter hoog. Bij een waterbreedte vanaf 12 meter geldt dit aan weerszijden.
Bij een talud van 1:4 of flauwer is geen onderhoudsstrook nodig.” Planspecifiek: De planontwikkeling leidt niet tot nieuwe peilvakken. De planontwikkeling heeft geen gevolgen voor het streefpeil van het oppervlaktewater in of in de omgeving van het projectgebied. Het functioneren van het huidige watersysteem (doorstroming, afwatering, realiseren van het gewenste peil) zal door de planuitvoering niet verslechteren. Gezien de nabijheid bij een watergang is een obstakelvijre werkstrook van minimaal 5 meter in de tekening (afbeelding 2.3) opgenomen. • Anticiperen op watertekort Streefbeeld: Het waterschap wil een robuust watersysteem dat voorbereid is op de effecten van toekomstige klimaatveranderingen. Tot nu toe ligt de nadruk bij klimaatveranderingen met name op een meer extreme neerslag en stijging van de zeespiegel. Ook extreem droge periodes zullen echter vaker voor komen. Het robuuste watersysteem dat het waterschap nastreeft moet hier ook op anticiperen. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Ruimtelijke onderbouwing, Lelystad, Wold 11 Definitief
Uitgangspunt: In het hele beheergebied streeft het waterschap na dat de aanwezige functies worden gefaciliteerd door goed en voldoende water. Echter binnen een klimaatbestendig en robuust watersysteem past afhankelijkheid van wateraanvoer niet. Met het oog op toekomstige watertekorten is het wenselijk de hoeveelheid aanvoerwater zoveel mogelijk te beperken. Randvoorwaarden: Nieuwe watersystemen worden dusdanig ingericht dat ze zelfvoorzienend zijn. Uitbreiding van wateraanvoer bij de huidige functies is niet wenselijk. De afweging van wateraanvoer vindt plaats op basis van robuustheid, effectiviteit en efficiency. Hierbij geldt als uitgangspunt dat herverdeling van water binnen de polder de voorkeur heeft boven wateraanvoer van buiten de polder. 3.
Thema Schoon water Streefbeeld: Het waterschap streeft naar goede leef, verblijfen voortplantingsmogelijkheden voor de aquatische flora en fauna in het beheergebied. Uitgangspunt: Bij de inrichting van het watersysteem wordt gestreefd naar het realiseren van een ecologisch gezond watersysteem. Oevers worden bij voorkeur duurzaam en indien passend bij de functie natuurvriendelijk ingericht. Bij de dimensionering van het watersysteem wordt rekening gehouden met de te verwachten waterkwaliteit. • Goede oppervlaktewaterkwaliteit Uitgangspunt: In het ontwerp van het watersysteem wordt uitgegaan van het principe 'schoon houden, scheiden, zuiveren'. Verontreinigingen worden voorkomen of aangepakt bij de bron. Randvoorwaarden: Conform de Waterwet (Ww) is het verboden om zonder vergunning afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in welke vorm dan ook te brengen in oppervlaktewateren. Schoon regenwater mag zonder waterstaatswerk direct geloosd worden op oppervlaktewater. Indien hiervoor een voorziening zoals een drain of buis (waterstaatswerk) wordt aangebracht is hiervoor een vergunning nodig. Dempen oppervlaktewater: De voor demping van bestaande watergangen gebruikte materialen moeten voldoen aan de eisen uit het "Besluit bodemkwaliteit (BBK)" en/of d Waterbodemkwaliteitskaart van waterschap Zuiderzeeland.
Materialen inrichting watersysteem: In het ontwerp van het watersysteem wordt uitgegaan van het principe 'schoon houden, scheiden, zuiveren'. Verontreinigingen worden voorkomen of aangepakt bij de bron. Bij de inrichting van het watersysteem zijn alleen milieuvriendelijke, niet-uitlogende en gecertificeerde materialen toegestaan. Voor beschoeiing geldt aanvullend dat de materialen nietoxydeerbaar zijn. Planspecifiek: Er worden in het projectgebied geen uitlogende materialen gebruikt. • Goed omgaan met afvalwater Streefbeeld: Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de regulering of behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan. Uitgangspunt: Voor nieuw te ontwikkelen terreinen geldt dat het hemelwater niet naar een centrale rioolwaterzuivering wordt afgevoerd maar in of in de nabijheid van het projectgebied wordt verwerkt. Voor bestaande gebieden wordt gestreefd naar het afkoppelen van verhard oppervlak. Het ombouwen van bestaande stelsels naar gescheiden stelsels heeft een sterke voorkeur. Afstromend regenwater van vervuilde oppervlakken wordt gezuiverd. Verontreinigingen door afvalwater (huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater) worden voorkomen.
Randvoorwaarden: Bij nieuwbouwgebieden is de aanleg van een gescheiden rioolstelsel een voorwaarde. In bestaand gebied wordt ernaar gestreefd om schoon regenwater af te koppelen van
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Ruimtelijke onderbouwing, Lelystad, Wold 11 Definitief het rioolstelsel. Onder schoon hemelwater wordt verstaan: Hemelwater van verhardingen met een verkeersintensiteit lager dan 1000 voertuigen per dag; • Hemelwater vanaf parkeerplaatsen met minder dan 50 plaatsen; • Hemelwater van daken/woningen waarbij geen voor het watersysteem schadelijke uitloogbare stoffen zijn gebruikt; Hemelwater van onverhard terrein; • Hemelwater van centrumgebieden (met uitzondering van marktterreinen). Planspecifiek: Het voornemen ziet toe op de realisatie van meer dan 50 parkeerplaatsen. Het treffen van een zuiverende voorziening is daarmee verplicht. In de beoogde situatie wordt een zuiverende voorziening getroffen. In overleg met het bevoegd gezag wordt dit aspect nader uitgewerkt. In de nieuwe situatie wordt een appartementengebouw gerealiseerd. Het hemelwater vanaf de daken (dak bovenste bouwlaag) wordt als schoon water beschouwd en dit wordt gezamenlijk met het wegwater geloosd naar het naastgelegen oppervlaktewater. Het hemelwater vanaf de balkons, galerijen en terrasdaken worden als vuilwater afgevoerd en daarmee direct aangesloten op het dwariool. Het huishoudelijk afvalwater wordt op het dwa-riool aangesloten. Er is voldoende capaciteit aanwezig. •
Slechte kwaliteit kwelwater
Het plangebied is gelegen in een gebied met kwel van slechte kwaliteit. Er wordt oppervlakte water aangelegd in het plangebied dat in verbinding staat met het watersysteem van het waterschap. Het waterschap wordt nog betrokken voor advies over het ontwerp van het nieuwe watersysteem. Uitgangspunt voor het nieuwe watersysteem is dat er geen (extra) kwelwater van slechte kwaliteit in het watersysteem van het waterschap komt. In de nieuwe situatie wordt een watersysteem aangelegd. Het waterschap wordt beetrokken bij het ontwerp van dit watersysteem.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Ruimtelijke onderbouwing, Lelystad, Wold 11 Definitief
HOOFDSTUK 5
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad naar aanleiding van een omgevingsvergunning moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk plan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan of omgevingsvergunning geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval wordt een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico van planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. De gemeentelijke kosten worden verhaald middels de legesverordening, waardoor het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Ruimtelijke onderbouwing, Lelystad, Wold 11 Definitief
HOOFDSTUK 6 6.1
VOOROVERLEG EN PARTICIPATIE
Vooroverleg
Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en het Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. 6.1.1
Het Rijk
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 6.1.2
Provincie Flevoland
In het kader van het wettelijke vooroverleg wordt de ruimtelijke onderbouwing naar de provincie Flevoland opgestuurd. 6.1.3
Waterschap Zuiderzeeland
Het waterschap Zuiderzeeland is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. Op basis van inhoudelijke beoordeling van de ontwikkeling is de normale procedure van toepassing. Het voornemen is afgestemd met het waterschap Zuiderzeeland.
6.2
Participatie
6.2.1
Algemeen
Ruimtelijke ontwikkelingen hebben een aanzienlijke impact op de levenskwaliteit, het milieu en onze beleving van steden en dorpen. Het is daarom van cruciaal belang om burgers, belanghebbenden en gemeenschappen actief te betrekken bij het plannen en vormgeven van deze ontwikkelingen. 6.2.2
Participatievorm
Woensdag 26 juli 2023 is er een fysieke inloopavond georganiseerd voor de omwonenden en geïnteresseerden omtrent het tot dan toe uitgewerkte plan en het voornemen om het terrein te transformeren tot woongebied. De inloopavond heeft op locatie plaatsgevonden, tussen 19.00 en 20.00. Een week van tevoren is er een advertentie geplaatst in de Flevo Post met de uitnodiging/aankondiging. De directe omwonenden zijn via een aparte brief geattendeerd op de inloopavond. Tijdens de inloopavond zijn circa 25 personen aanwezig geweest. Het beoogde plan is middels banners gepresenteerd. Omwonenden en geïnteresseerden hadden de mogelijkheid om vragen te stellen en voorkeuren aan te geven. Ook konden de aanwezigen via een reactieformulier reageren op het plan. De reactie op het planvoornemen was veelal positief. De ruimte balkons en de ligging van het plan, midden in het groen en toch direct bij het centrum, zijn ook positief ontvangen. Er is geen reactieformulier ingevuld en deze zijn ook niet meegenomen, terwijl er zich wel de eerste 14 geïnteresseerden gemeld hebben bij de makelaar op deze inloopavond. Deze geïnteresseerden hebben al wel enkele punten uitgesproken die wij in de nadere planuitwerking mee zullen nemen. Dit gaat dan om de vraag of het ook mogelijk is om bij een
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Ruimtelijke onderbouwing, Lelystad, Wold 11 Definitief appartement een eigen parkeerplaats bij te kopen en de vraag of het mogelijk is om appartementen samen te voegen om zo tot een groter appartement te komen. Naderhand is nog overleg geweest met twee geïnteresseerden. Dit contact heeft per e-mail plaatsgevonden, er zijn geen nieuwe opmerkingen uit voort gekomen. In bijlage 11 bij deze ruimtelijke onderbouwing is het volledige participatieverslag opgenomen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Ruimtelijke onderbouwing, Lelystad, Wold 11 Definitief
BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Ruimtelijke onderbouwing, Lelystad, Wold 11 Definitief
Bijlage 1
Landschappelijk inpassingsplan
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Ruimtelijke onderbouwing, Lelystad, Wold 11 Definitief
Bijlage 2
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Ruimtelijke onderbouwing, Lelystad, Wold 11 Definitief
Bijlage 3
Verkennend bodemonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
Ruimtelijke onderbouwing, Lelystad, Wold 11 Definitief
Bijlage 4
Vrijstelling Bodem Omgevingsrapport
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
46
Ruimtelijke onderbouwing, Lelystad, Wold 11 Definitief
Bijlage 5
Vrijstelling Bodem oud bodemonderzoek 1992
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
47
Ruimtelijke onderbouwing, Lelystad, Wold 11 Definitief
Bijlage 6
Vrijstelling Bodem formulier getekend
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
48
Ruimtelijke onderbouwing, Lelystad, Wold 11 Definitief
Bijlage 7
AERIUS-berekening
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
49
Ruimtelijke onderbouwing, Lelystad, Wold 11 Definitief
Bijlage 8
Quickscan natuurwaardenonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
50
Ruimtelijke onderbouwing, Lelystad, Wold 11 Definitief
Bijlage 9
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
51
Ruimtelijke onderbouwing, Lelystad, Wold 11 Definitief
Bijlage 10
Watertoetsresultaat
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
52
Ruimtelijke onderbouwing, Lelystad, Wold 11 Definitief
Bijlage 11
Participatieverslag
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
53