BL Stationsgebied west deelgebied Hanzepark toelichting vaststelling 201223 incl bijlagen klein
Tekst van het document
Bestemmingsplan Stationsgebied west deelgebied Hanzepark
34
In elk geval wordt het gebouw bij dit scenario niet verwoest en behoudt het zijn beschermende werking (t.a.v. letselwering en warmtebelasting) voor de zich daarachter bevindende personen, gelet op het handelingsperspectief schuilen. Ten gevolge van de overdruk treedt wel ruitbreuk op. Door de overdruk zijn op deze afstand, dan ook dodelijke slachtoffers (en gewonden) in de woningen te verwachten. Dit ten gevolge van rondvliegende glasscherven en door de direct daarop volgende zeer hoge warmtebelasting. Naar verwachting zijn in de woningen (commerciële ruimtes en kantoren) ook doden, gewonden en secundaire branden te verwachten. Doordat de ruiten na de explosie niet meer aanwezig zijn, worden de mensen in het gebouw bovendien blootgesteld aan binnendringende giftige stoffen. Voorgestelde maatregel: Het is naar verwachting een effectieve maatregel, om mensen bescherming te bieden tegen scherfwerking en binnendringende giftige stoffen of warmtestraling. Dit betreft echter een advies. Als de Omgevingswet in werking getreden is, en een explosievoorschriftengebied in het omgevingsplan is aangewezen, dient volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bij nieuwbouw, alle beglazing te zijn voorzien van scherfvrij glas.
Toepassing van een scherfvrij glas vereist kozijnen die bij een drukgolf de vervormingsreactie en krachten van het glas kunnen opvangen en voorkomen dat het glas of het kozijn in zijn geheel uit de gevel klapt. De eis in het Bbl ten aanzien van de voorkoming van scherfwerking werkt daarom direct door op de kozijnkeuze, de verankering hiervan, maar ook de sponningdiepte en de eventueel toegepaste verlijming. De verwachting is dat deze eis, tot aanzienlijke meerkosten leidt. Als alternatief kan een lagere kwaliteitseis aan het glas worden gesteld door bv toepassing van gelaagd glas met PVB folie. Ook dit glas vermindert bij een explosie het risico op rondvliegende glasscherven en voorkomt daardoor letsel door scherfwerking. (Dit geldt m.n. voor het glas aan de zijde van het spoor (1e lijns bebouwing) en voor de bouwlagen die boven andere gebouwen uitsteken spoorzijde). Voor de nog te ontwikkelen kavels is het raadzaam gebruik te maken van de “ontwerpregels slim ontwerp van kavel- en gebouwen” om nog enige veiligheidswinst te behalen. Voorbeeld: hierbij is om het bouwwerk zo te positioneren (en vorm bouwwerk), dat de invloed van een eventuele Bleve zo minimaal mogelijk is. • Scenario Gifwolk: Hitte, rook of schadelijke gassen die bij een calamiteit kunnen vrijkomen kunnen ook de veiligheid van het binnenmilieu van een gebouw bedreigen.
Dit geldt niet alleen bij een incident met giftige stoffen op het spoor, maar ook bij een naburige brand. Voorgestelde maatregel Een afschakelbare mechanische ventilatie is een effectieve maatregel. Als de stekker van de mechanische ventilatievoorziening voor de gebruiker bereikbaar is, dan is de mogelijkheid om de stekker uit het stopcontact te halen, voldoende om aan de eis te kunnen voldoen. Hetzelfde kan worden bereikt met een afzonderlijke (groeps)schakelaar voor de ventilatievoorziening in een meterkast of op een centraal bedieningspaneel in bijvoorbeeld de hal van een kantoorgebouw.
Bestemmingsplan Stationsgebied west deelgebied Hanzepark
35
Zelfredzaamheid/bestrijdbaarheid: Voorgestelde maatregelen: 1. Het plangebied dient voldoende mogelijkheden te hebben om van de risicobron (Flevolijn) af te vluchten; 2. Er dienen voldoende vluchtwegen van voldoende capaciteit aanwezig te zijn; 3. Om de zelfredzaamheid te bevorderen, dient een instructie voor de bewoners in de woningen beschikbaar te zijn, met daarop het handelingsperspectief voor het scenario explosie en gifwolk op het spoor en een brand in de omgeving; 4. Voor de commerciële ruimten en kantoren dient het scenario van een calamiteit vanaf het spoor in het ontruimingsplan te worden opgenomen. Bereikbaarheid: Om incidenten te bestrijden moeten de hulpdiensten eerst ter plaatse van het incident kunnen komen en eventueel weer snel wegkomen om gewonden naar het ziekenhuis te vervoeren. Dat wil zeggen dat het plangebied bereikbaar moet zijn voor minimaal het grootste en zwaarste voertuig: een brandweerauto. Bij de uitwerking van het plangebied dient een goede bereikbaarheid te zijn volgens de richtlijn: Handreiking Bereikbaarheid Hulpdiensten brandweer Flevoland. Deze handreiking dient als voorwaarde te worden genomen. Bestrijdbaarheid Voor het bestrijden van een calamiteit, is het belangrijk dat er voldoende bluswater aanwezig is. Het plangebied dient bij de uitwerking voorzien te worden van voldoende bluswater.
De handreiking Bluswater Brandweer Flevoland dient hiervoor als voorwaarde te worden opgenomen. In het kader van het Tracébesluit SAAL heeft de Flevolijn voorzieningen voor het bestrijden van trein incidenten. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan. Behalve voor het onderdeel groepsrisico ten gevolge van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor. De ontvangen adviezen van de Veiligheidsregio/Brandweer worden in de besluitvorming voor dit bestemmingsplan meegewogen en/of worden bij de verdere uitwerking van de plannen betrokken.
4.9
Trillingshinder
In Nederland bestaat geen wetgeving voor het voorkomen van hinder of schade door trillingen. Wel dient het aspect trillingen in het kader van de goede ruimtelijke ordening en de zorgvuldige voorbereiding van besluiten te worden afgewogen indien een trillingsbron aanwezig is. ProRail adviseert doorgaans indicatief onderzoek te doen naar de te verwachten trillingsniveaus, waarbij specifiek wordt gekeken naar de locatie en de bouwkarakteristiek van de te realiseren woningen. Als de te verwachten trillingsniveaus groter zijn dan de na te streven waarden zoals aangegeven in de Richtlijn deel B “Hinder voor personen in gebouwen door trillingen, Meet- en beoordelingsrichtlijn” van de Stichting Bouw-research (SBR), dan zouden eisen / maatregelen in de uitwerking van het plan kunnen worden overwogen aan de woningen.
Bestemmingsplan Stationsgebied west deelgebied Hanzepark
36
Trillingsbronnen In het plangebied worden geen nieuwe trillingsbronnen toegevoegd. Een indicatief onderzoek naar de gevolgen van het bestemmingsplan voor omliggende trillingsgevoelige functies is derhalve niet noodzakelijk. Trillingsgevoelige functies Bij trillingsgevoelige gebouwen gaat het bijvoorbeeld om woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verzorgings- en verpleeghuizen, en kinderdagverblijven. In dit bestemmingsplan worden nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Spoorwegverkeer kan trillingen in de bodem veroorzaken. Doordat de trillingen zich verder in de bodem verspreiden, kunnen gebouwen en personen in de omgeving daar hinder van ondervinden. Resultaten onderzoek In januari 2023 is een quickscan trillingen uitgevoerd (zie bijlage 10). Dit onderzoek geeft aan dat er op de bouwlocatie Hanzepark in Lelystad een verwaarloosbaar risico is met betrekking tot spoortrillingen. De minimumafstand van enig bouwwerk tot het spoor bedraagt 45 meter. De bodemsamenstelling met slappe kleilagen en veenlagen in de toplaag zorgt ervoor dat op deze afstand alleen nog zeer laagfrequente trillingen (< 5 Hz) zullen voorkomen. Deze lage frequenties worden vooral opgewekt door goederentreinen die op deze lijn maar zeer beperkt voorkomen. De vele reizigerstreinen op deze lijn zijn qua trillingsbelasting op het plan verwaarloosbaar.
Geen enkele reizigerstrein zal leiden tot voelbare trillingen in het bouwplan. Metingen aan woningen/appartementen 200 meter noordelijk van het plan, hebben uitgewezen dat deze goederentreinen geen voelbare trillingen opwekken op woningfundaties en verwacht mag worden dat deze ook op woningvloeren (ruim) voldoen aan de streefwaarden uit de SBR-B. Voor het nu voorliggende bouwplan met minimaal drie woonverdiepingen boven een commerciële plint, mogen hooguit vergelijkbare maar voor de meeste bouwvolumes lagere trillingssterkten verwacht worden. Conclusie: De uitgevoerde quickscan trillingen leidt tot de conclusie dat er geen aanleiding is tot het doen van vervolgonderzoek met betrekking tot trillingen.
4.10
Water
Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de Watertoets wettelijk verplicht door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle van belang zijn de waterhuishoudkundige aspecten (naast veiligheid en wateroverlast ook bijvoorbeeld waterkwaliteit en verdroging). De watertoets is een belangrijk procesinstrument om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in de ruimtelijke ordening. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan.
Bestemmingsplan Stationsgebied west deelgebied Hanzepark
37
KRW De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is in 2000 ingevoerd en heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie- en kwelgebieden). Door de inrichting van watergangen af te stemmen op de ecologie kan de ecologische toestand verbeterd worden. De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte- en grondwater terug te dringen. De gemiddelde jaarlijkse grondwateronttrekking mag de beschikbare grondwatervoorraad op lange termijn niet overschrijden. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. Een andere aanpak in het licht van verwachte ontwikkelingen inzake zeespiegelstijging, toenemende neerslag en rivierwaterafvoer en verdergaande bodemdaling is noodzakelijk. De adviezen van de commissie staan in het rapport Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes(drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: 1. vasthouden, bergen en afvoeren; 2. schoonhouden, scheiden en zuiveren.
Waterwet De Waterwet (2009) bestaat uit een achttal wetten die zijn samengevoegd tot één wet. De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’ centraal. Eén van de voornaamste veranderingen, naast invoering van de watervergunning, is de verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name het ruimtelijke domein. De verantwoordelijkheden in het oppervlaktewateren grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd. Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Water Programma 2022-2027. Dit document geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Het belangrijkste uitgangspunt is het werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaat adaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). In relatie tot de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt de doorwerking geregeld in de Omgevingswet. Het programma geeft invulling aan de Europese richtlijnen waaronder de KRW, Richtlijn overstromingsrisico’s, de Kaderrichtlijn Mariene Strategie en de EUrichtlijn Marine Spatial Planning.
Het programma geldt als structuurvisie voor de ruimtelijke aspecten. Watervisie en Waterbeheerprogramma Waterschap Zuiderzeeland De Watervisie verbindt waterthema’s en maatschappelijke opgaven.
Bestemmingsplan Stationsgebied west deelgebied Hanzepark
38
Voor een gezonde en duurzame ontwikkeling van het gebied is het nodig om het natuurlijke systeem (bodem en water) en de ruimtelijke en economische ontwikkelingen met elkaar te verbinden in een gezamenlijke aanpak. Niet met maakbaarheid als vertrekpunt, maar toekomstbestendigheid. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 bevat de strategische en tactische doelen voor de komende planperiode en beschrijft op hoofdlijnen welke maatregelen het waterschap neemt om deze doelen te behalen. Het beheergebied wordt water robuust en klimaatbestendig ingericht. Investeringen in het watersysteem zorgt dat er ook in de toekomst voldoende water is bij langdurige droogte én voldoende bescherming bij hoogwater. Watertoets De gemeente heeft op 28 juni 2023 gebruik gemaakt van de digitale watertoets. De ontvangen uitgangspunten zijn in bijlage 11 opgenomen. Daaruit is gebleken dat voor het plan de normale procedure van toepassing is. Over de afstemming van de uitgangspunten voor riolering en de benodigde watercompensatie heeft tussen de gemeente en het waterschap diverse afstemmingen plaatsgevonden. Het waterschap heeft op 24 november 2023 een positief wateradvies gegeven (zie bijlage 11). De gevraagde tekstuele correcties zijn in deze waterparagraaf verwerkt.
De relevante randvoorwaarden voor het plan zijn gerangschikt onder zeven streefbeelden ingedeeld op basis van de drie water-thema's 'Veiligheid, Voldoende Water en Schoon Water'. Thema 1: Veiligheid Het plangebied ligt niet buitendijks. Het plangebied ligt niet in een keurzone van de waterkering. Op basis van de ingevoerde gegevens over het plangebied zijn er geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing. Thema 2: Voldoende water Wateroverlast • Streefbeeld Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, is op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen. • Uitgangspunt wateroverlast Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. De planontwikkeling is gelegen in een watersysteem dat op basis van de toetsing in 2012 voldoet aan de normering voor wateroverlast. Een dergelijk systeem kan het water verwerken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Het verharden van grond met bebouwing of bestrating leidt tot een versnelling van de afvoer van neerslag naar het watersysteem. Waar het verharde oppervlak als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling toeneemt, dienen compenserende maatregelen te worden genomen om piekafvoeren te verwerken. Afwenteling op omliggende gebieden wordt voorkomen en de bergingsruimte in het watersysteem blijft behouden.
Bestemmingsplan Stationsgebied west deelgebied Hanzepark
39
De beleidsregel 'Compensatie toename verhard oppervlak en versnelde afvoer' is begin 2013 door het waterschap vastgesteld. Vanaf het moment van vaststelling van de beleidsregel is de situatie van het beheergebied op dat moment het referentiekader geworden, oftewel de nulsituatie. De compensatieplicht geldt zodanig voor de netto toename van het verhard oppervlak voor een bouwvlak sinds begin 2013. • Randvoorwaarde(n) wateroverlast Het plangebied ligt in stedelijk gebied. Het verhard oppervlak neemt als gevolg van de ontwikkeling netto met m2 toe. Deze toename is groter of gelijk aan 750 m2. Hiervoor is compensatie noodzakelijk. Als met een ontwikkeling binnen het stedelijk gebied sprake is van een netto toename van meer dan 750 m² verhard oppervlak, dan dienen – om wateroverlast in de toekomst te voorkomen - compenserende maatregelen te worden getroffen. In dit plangebied geldt een bergingsnorm van 5% van het totaal aan netto toename verhard oppervlak. Bij de aanleg van oppervlakkige berging in de vorm van bijvoorbeeld infiltratiebermen of wadi's is de bergingsnorm niet toepasbaar. Met behulp van een maatwerkberekening moet worden aangetoond dat de alternatieve berging bij maatgevende gebeurtenissen voldoende compensatie biedt. De huidige afvoersituatie mag niet verslechteren. ➢
In de huidige situatie bestaat het plangebied overwegend uit grasveld, met daaraan ondergeschikt water en voetpad- en wegverharding. Het projectgebied beslaat 14.740 m2. Het bestaande water heeft een oppervlakte van 2.005 m2. Met de realisatie van de nieuwbouw is per saldo sprake van een toename van de verharding. De netto toename bestaat uit de realisatie van bebouwing, de aanleg van bestrating en parkeerplaatsen. In totaal neemt de totale verharding toe met circa 9.310 m2. Conform de uitgangspunten van de watertoets is een totale watercompensatie nodig van circa 466 m2 ten behoeve van de extra waterbuffering en waterbergend oppervlak. Deze compensatie kan niet binnen het plangebied worden gerealiseerd. Daarom is een locatie buiten het plangebied gekozen: langs de spoorzone ter hoogte van de Houtribdreef. Dit is afgestemd met het Waterschap. In het kader van klimaatadaptief beheer van de openbare ruimte krijgt met name de voor te stellen materialisering de nodige aandacht. Bijvoorbeeld de toepassing van waterdoorlatende bestratingen/verhardingen ten behoeve van de parkeerplaatsen.
Bestemmingsplan Stationsgebied west deelgebied Hanzepark
40
De locatie waar de watercompensatie wordt gerealiseerd Goed functionerend watersysteem • streefbeeld Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het (maatschappelijk) gewenste grond- en oppervlaktewaterwaterregime (GGOR) mogelijk. Waterschap Zuiderzeeland streeft er naar dat de feitelijke situatie van het watersysteem overeenkomt met de legger. Op die manier kan het waterschap weloverwogen anticiperen op en reageren in extreme situaties. • Randvoorwaarden goed functionerend watersysteem Het waterschap streeft naar een robuust en klimaatbestendig watersysteem met grote peilvakken. Versnippering van het watersysteem is een ongewenste situatie. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan op bestaande peilvakken en de inrichting wordt afgestemd op de functie van het water. In nieuwe watersystemen wordt gestreefd naar aaneengesloten waterelementen met een minimum aantal duikers en/of andere kunstwerken en zonder doodlopende einden. Het watersysteem wordt dusdanig ingericht dat het goed controleerbaar en beheersbaar is ➢
Buiten het plangebied wordt nieuw water aangelegd (als compensatie voor de toename van de verharding), inclusief verbindingssloten. Dit wordt nieuw stedelijk water.
Anticiperen op watertekort Het waterschap wil een robuust watersysteem dat voorbereid is op de effecten van toekomstige klimaatveranderingen. Tot nu toe ligt de nadruk bij klimaatveranderingen met name op meer extreme neerslag en stijging van de zeespiegel. Ook extreem droge periodes zullen echter vaker voor komen. Het robuuste watersysteem dat het waterschap nastreeft moet hier ook op anticiperen.
Bestemmingsplan Stationsgebied west deelgebied Hanzepark
41
➢
Ten behoeve van de planontwikkeling is geen bronnering van grondwater nodig. Er wordt in het plan geen gebruikt gemaakt van bodemenergie, ofwel warmte koude opslag. Bij deze planontwikkeling zal geen grondwater worden onttrokken ten behoeve van beregening, veedrenking of bedrijfsmatige toepassingen.
Overname stedelijk water Met het oog op de uiteindelijke overname van het beheer en onderhoud van nieuw (stedelijk) water is het nodig dat het waterschap betrokken wordt bij de uitwerking van een plangebied naar een definitieve ontwerp van het watersysteem. Dit definitieve ontwerp behoeft de ambtelijke goedkeuring van het waterschap om overname uiteindelijk mogelijk te maken. Thema 3: Schoon Water • Uitgangspunt Bij de inrichting van het watersysteem wordt gestreefd naar het realiseren van een ecologisch gezond watersysteem. Bij de dimensionering van het watersysteem wordt rekening gehouden met de te verwachten waterkwaliteit. Slechte kwaliteit kwelwater: Bij het ontwerp van een nieuw watersysteem moet rekening gehouden worden met de hoeveelheid kwel en de kwelwaterkwaliteit. ➢
Het plangebied is (gedeeltelijk) gelegen in een gebied met kwel van matige tot slechte kwaliteit. Het waterschap is vroegtijdig betrokken voor advies over het ontwerp van het nieuwe watersysteem.
Goede structuurdiversiteit en oppervlaktewaterkwaliteit Het waterschap streeft naar goede leef, verblijf- en voortplantingsmogelijkheden voor de aquatische flora en fauna in het beheergebied. De chemische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor. • Uitgangspunt: Bij de inrichting van het watersysteem wordt gestreefd naar het realiseren van een ecologisch gezond watersysteem. Bij de dimensionering van het watersysteem wordt rekening gehouden met de te verwachten waterkwaliteit. In het ontwerp van het watersysteem wordt uitgegaan van het principe 'schoon houden, scheiden, zuiveren'. Verontreinigingen worden voorkomen of aangepakt bij de bron. • Randvoorwaarden: Conform de Waterwet (Ww) is het verboden om zonder vergunning afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in welke vorm dan ook te brengen in oppervlaktewateren. Schoon hemelwater mag zonder waterstaatswerk direct geloosd worden op oppervlaktewater. Als hiervoor een voorziening zoals een drain of buis wordt aangebracht is hiervoor een vergunning nodig. De voor demping van bestaande watergangen gebruikte materialen moeten voldoen aan de eisen uit het "Besluit bodemkwaliteit (BBK)" en/of de Waterbodemkwaliteitskaart van waterschap Zuiderzeeland.
Bestemmingsplan Stationsgebied west deelgebied Hanzepark
42
Aan lozingen in oppervlaktewater - als gevolg van uitlogende materialen verwerkt in bouwwerken (bijvoorbeeld zinken of koperen daken) - kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld. Lozingen op kwetsbaar water van alle typen oppervlakken gemaakt van uitlogende materialen kunnen worden verboden door het waterschap. Bij de inrichting van het watersysteem zijn alleen milieuvriendelijke, nietuitlogende en gecertificeerde materialen toegestaan. Voor beschoeiing geldt aanvullend dat de materialen niet-oxideerbaar zijn. Oppervlaktewater met een doelstelling voor goede chemische en/of biologische waterkwaliteit (vaak helder) wordt niet nadelig beïnvloed door water met een lagere waterkwaliteitsdoelstelling (vaak troebel). Negatieve chemische beïnvloeding van de ecologische (water)kwaliteit of het ecologische functioneren van wateren, door ruimtelijke ontwikkelingen wordt voorkomen, omdat compensatie zeer beperkt mogelijk is. ➢
Buiten het plangebied wordt nieuw water aangelegd (als compensatie voor de toename van de verharding), inclusief verbindingssloten. Er wordt geen water gedempt.
Goed omgaan met afvalwater • Streefbeeld: Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de regulering of behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan. Verontreiniging van het oppervlaktewater door afvalwater (huishoudelijk afvalwater, vervuild hemelwater en bedrijfsafvalwater) wordt voorkomen. • Uitgangspunten: Voor nieuw te ontwikkelen terreinen geldt dat het hemelwater niet naar een centrale rioolwaterzuivering wordt afgevoerd, maar in of in de nabijheid van het plangebied wordt geloosd. Zonodig voorafgegaan door een lokale zuivering. Bij nieuwbouwgebieden (bijvoorbeeld woonwijk, industrieterrein) is de aanleg van een gescheiden rioolstelsel een voorwaarde. Afstromend hemelwater van vervuilde oppervlakken wordt gezuiverd. ➢
Maatregelen in het Stationsgebied zullen moeten voorkomen dat verontreinigingen in het open water geraken. Deze maatregelen zullen zowel materiaalvoorschriften in de bouw betreffen als het voorkomen dat verontreinigingen via de verharding in het water belanden. Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater, dat wordt afgekoppeld naar het oppervlaktewater, wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. Er dienen zo min mogelijk (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben).
Bestemmingsplan Stationsgebied west deelgebied Hanzepark
43
Het Stationsgebied is voorzien van een gescheiden rioolstelsel. De droogweerafvoer wordt afgevoerd naar de afvalwaterzuiveringsinstallatie. Het regenwater (van o.a. daken) wordt afgevoerd naar open water, waarbij het minder schone regenwater (o.a. van de parkeerplaatsen) separaat wordt behandeld (lokale zuivering/infiltratie) en afgevoerd naar het oppervlaktewater. In de vervolgfase toont de gemeente aan dat de toename aan vuilwaterproductie kan worden afgevoerd met de riolering. Als dit niet zo is, dan zal een alternatieve afvoer nodig zijn, bijvoorbeeld door een aan te leggen persleiding naar de zuivering.
4.11
Archeologie en cultuurhistorie
Ter implementatie van het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving is in 2007 de Wet op de archeologische monumentenzorg als onderdeel van de Monumentenwet in werking getreden. De wet verplicht gemeenten bij het opstellen van ruimtelijke plannen en projecten rekening te houden met de in hun bodem aanwezige waarden. De gemeente Lelystad heeft in 2008 haar beleid vastgelegd in het document “Archeologische monumentenzorg in Lelystad". In het bestemmingsplan Schepenwijk is geconcludeerd dat in het plangebied geen sprake is van Provinciale Archeologische en Aardkundige Kerngebieden (PArK'en), archeologische aandachtsgebieden en top 10-locaties. Daarnaast heeft het plangebied een lage verwachtingswaarde voor archeologische vondsten. In het bestemmingsplan is geen dubbelbestemming ‘Waarde-archeologie’ opgenomen. Voldaan wordt aan het gemeentelijke beleid “Archeologische monumentenzorg in Lelystad”. Nader onderzoek is niet nodig. Cultuurhistorie Bij het opstellen van plannen moeten cultuurhistorische waarden tijdig in beeld worden gebracht. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt in dat verband specifieke eisen aan het opstellen van ruimtelijke plannen.
De inrichting van dit terrein en het ontwerp van de gebouwen dienen te voldoen aan de gestelde stedenbouwkundige en architectonische randvoorwaarden, passend bij de karakteristieke kenmerken van de stedenbouwkundige structuur van het Stationsgebied en de omgeving daarvan. Voor het overige zijn er geen cultuurhistorische waarden waarmee in het plangebied rekening gehouden moet worden. Nader onderzoek is niet nodig.
4.12
Ecologie
Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de Wet Natuurbescherming. Doel van de Wet natuurbescherming (Wnb) is drieledig: 1. bescherming van de biodiversiteit in Nederland, 2. decentralisatie van verantwoordelijkheden en 3. Vereenvoudiging van regels.
Bestemmingsplan Stationsgebied west deelgebied Hanzepark
44
Ten behoeve van de voorgenomen plannen is het rapport ‘Quickscan flora en fauna Stationsgebied west deelgebied 1 te Lelystad’ opgesteld (zie bijlage 12). Er is een bureaustudie en veldbezoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek worden hierna samengevat. Gebiedsbescherming Natura-2000 gebieden Het projectgebied ligt op 2.300 m afstand van het Natura 2000-gebied Markermeer & IJmeer. Door de kenmerken van het projectgebied, de afstand tot het Natura 2000gebied en de aard van het tussenliggende stedelijke gebied zijn geen negatieve effecten aan de orde als gevolg van de toekomstige inrichting van het projectgebied op het Natura 2000-gebied en de instandhoudingsdoelen. Een eventuele toename van stikstofemissie en stikstofdepositie op Natura 2000-gebied als gevolg van het projectvoornemen is hierbij buiten beschouwing gelaten. Hiervoor is een AERIUSberekening uitgevoerd. Voor deze berekening wordt verwezen naar bijlage 4.
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het projectgebied ligt op 2.200 m van het dichtstbijzijnde NNN gebied. Gezien de afstand tot het NNN en het tussenliggende stedelijke gebied worden geen negatieve effecten verwacht. Soortenbescherming Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming betreft de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wil verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Resultaten quickscan Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een bureaustudie en veldonderzoek uitgevoerd.
Samenvattend zijn de resultaten als volgt: Houtopstanden Het projectgebied ligt binnen de bebouwde kom waardoor de Wet natuurbescherming niet van toepassing is op aanwezige houtopstanden. Binnen de invloedsfeer van het project zijn geen houtopstanden aanwezig.
Bestemmingsplan Stationsgebied west deelgebied Hanzepark
45
Overige bescherming Naast de Wet natuurbescherming kan een provincie of gemeente ook een eigen beleid voeren om aanvullende soorten en/of gebieden te beschermen. Hierbij valt te denken aan weidevogelleefgebied of een ecologische hoofdstructuur of hoofdgroenstructuur binnen een stad. Het beleid voor deze gebieden staat vermeld in de structuurvisie of omgevingsvisie van de gemeente of provincie. Voor dit project geldt geen aanvullend beschermingsbeleid. Op basis van de uitgevoerde bureaustudie blijkt dat er geen rekening gehouden moet worden met overige relevante (provinciale) bescherming. De projectlocatie maakt geen onderdeel uit van een beschermd gebied, zowel provinciaal als landelijk, waardoor aanvullend beschermingsbeleid niet van toepassing is. Soortenbescherming Uit de quickscan Wet natuurbescherming ten aanzien van soortenbescherming wordt het volgende geconcludeerd: - binnen het plangebied zijn geen waarnemingen die duiden op vaste rust- of verblijfplaatsen waaronder nest- en roestplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten of rustplaatsen; - binnen en in de directe omgeving van het plangebied kunnen algemene vogelsoorten zonder jaarrond beschermde nest- of vaste rustplaats tot broeden komen.
Ieder in aanbouw of in gebruik zijnde nest is beschermd; - verblijfplaatsen van vleermuizen zijn vanwege het ontbreken van bebouwing en bomen met holtes of scheuren uitgesloten; - mogelijk vormt het plangebied onderdeel van een vliegroute en foerageergebied. Gelet op de vele geschikte alternatieven gaat het hier niet om essentieel leefgebied van vleermuizen; - verblijfplaatsen en leefgebied van hermelijn en wezel zijn niet uit te sluiten binnen het plangebied; - verblijfplaatsen en voortplantingshabitat van de rugstreeppad zijn niet uit te sluiten binnen het plangebied. - groei- en verblijfplaatsen van beschermde flora, vissen, reptielen en ongewervelden zijn gezien de terreinkenmerken, habitateisen en bekende verspreidingsgegevens uitgesloten; - in het plangebied zijn enkele algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren te verwachten. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van de verbodsartikelen. Conclusie: Een aantal adviezen uit het onderzoek is gegeven vanwege de aanwezigheid van puin, bouwmateriaal en containers in het plangebied en de mogelijkheid dat dit als schuilplaats / leefgebied voor beschermde soorten wordt gebruikt. Aangezien het puin, het bouwmateriaal en de containers op het gehele terrein inmiddels zijn opgeruimd en het plangebied weer een grasveld is dat regulier beheerd wordt, is er geen reden meer om nader onderzoek uit te voeren.
4.13
Kabels en leidingen
Volgens het bestemmingsplan zijn in het plangebied geen kabels en leidingen aanwezig die een planologische belemmering met zich meebrengen. Wel moet voor de positionering van de nieuwbouw en grondwerkzaamheden rekening worden gehouden met de bestaande kabels en leidingen.
Bestemmingsplan Stationsgebied west deelgebied Hanzepark
46
De in het plangebied aanwezige kabels zijn geïnventariseerd. Indien nodig zullen kabels en leidingen worden verlegd. In het plangebied worden brandkranen en glasvezelkabels aangelegd.
4.14
Bezonning
Bij bezonning bij ruimtelijke ontwikkelingen gaat het om voldoende zon op de gevel en om schaduwwerking. Nieuwbouw kan schaduw veroorzaken op de openbare ruimte of tuinen van omwonenden. Voorkomen moet worden dat de schaduw te veel toeneemt. Sommige functies hebben juist een goede bezonning nodig, zoals tuinen, terrassen of speelplekken. Er is geen wet- en regelgeving voor bezonning. Voor zowel de toepassing als de inhoud van een bezonningsstudie bestaat derhalve geen directe wettelijke basis. Wel bestaande er de zogenaamde TNO-normen, met een ‘lichte’ en een ‘strenge’ norm: •
•
De ‘lichte’ TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam. De ‘strenge’ TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam.
Deze normen worden alleen toegepast op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen immers - hoogbouw of niet - nooit direct zonlicht. De ‘TNOnormen’ geven een richtlijn of er sprake is van voldoende bezonning en of er sprake is van goede bezonning. De normen zijn in principe gericht op de bezonning door een raam in de woonkamer. De norm is echter ook te gebruiken om te bepalen of er voldoende bezonning is op balkons, tuinen en/of andere buitenruimtes. Landelijk wordt veelal enkel de lichte norm gehanteerd. Om de effecten van de beoogde ontwikkeling ten aanzien van bezonning op de omliggende gebouwen in beeld te brengen, is een bezonningsstudie opgesteld. Het rapport is opgenomen in bijlage 13. Conclusies rapport Op basis van de vergelijking tussen de huidige planologische bezonningssituatie en nieuwe planologische bezonningssituatie, kan het volgende worden geconcludeerd. In de huidige planologische situatie treedt er voornamelijk een verslechtering op in de ochtend van met name de wintermaanden bij de direct nabij gelegen woningen. Na circa 11:00 uur ondervinden de woningen ten westen van het plangebied geen schaduwhinder meer. Bij de toekomstige planologische bezonningssituatie is er sprake van een afname aan schaduwhinder bij een aantal nabijgelegen woningen en een beperkte toename aan schaduwhinder op verderaf gelegen woningen.
Dit wordt vooral veroorzaakt door de geplande hoogbouw in de zuidwesthoek van het plangebied. Bij de bestaande appartementencomplexen en de grondgebonden woningen aan de Hanzepark is er sprake van een verbetering van de bezonningssituatie ten opzichte van de huidige planologische situatie. Dit komt met name door de afname in volume en bouwhoogte.
Bestemmingsplan Stationsgebied west deelgebied Hanzepark
47
Voor de bestaande woningen die verder van het plangebied westelijk liggen, is er sprake van een beperkte schaduwhinder toename. Deze toename is echter beperkt. Deze schaduw ontstaat vroeg in de ochtend in de maanden september tot en met maart van zonsopgang tot circa 10:00 uur. Deze toename wordt veroorzaakt doordat het zuidelijke deel van de nieuwe planologische situatie ten opzichte van de huidige planologische situatie hoger is. Ondanks de af- en toename van schaduwhinder in de nieuwe planologische situatie voldoen alle omliggende woningen in de omgeving aan de lichte TNO-norm in de maatgevende periode van 19 februari tot en met 21 oktober. Voor plannen binnen een hoogstedelijke omgeving is een beperkte verslechtering acceptabel. Nu ook in de nieuwe situatie aan de lichte TNO-norm wordt voldaan kan worden geconcludeerd dat het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening voor het aspect bezonning. De uitkomsten van de bezonningsstudie vormen geen aanleiding voor een aanpassing van het bestemmingsplan. 4.15 Windhinder Als een bestemmingsplan bebouwing met een bouwhoogte van 30 meter of hoger mogelijk maakt, moet onderzoek plaatsvinden naar de windhinder. Als lager dan 30 meter gebouwd mag worden, moet er een afweging plaatsvinden of de bebouwing kan leiden tot windhinder. In Nederland bestaat geen wetgeving ter voorkoming van windhinder of windgevaar.
Dit betekent niet dat bij het opstellen van ruimtelijke plannen windhinder of windgevaar niet hoeft te worden meegenomen in de afwegingen. De grondslag voor de beoordeling van het aspect windhinder staat in art. 3.1 Wro, de zorg voor een goede ruimtelijke ordening. Daarvoor is het in kaart brengen van mogelijke windhinder of windgevaar en deze betrekken in de beoordeling nodig. In het Stationsgebied zijn gebouwen voorzien met een hogere bouwhoogte dan 30 m (plaatselijk tot maximaal 70 m). Om de effecten van de beoogde ontwikkeling ten aanzien van windhinder in beeld te brengen, is een beschouwing op windhinder uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 14 van de toelichting. Conclusies onderzoek - Op veel plaatsen rond het plan mag een voor slenteren goed windklimaat verwacht worden. Dit gunstige windklimaat wordt verklaard door de oriëntatie en opbouw van het plan. - In de straat midden door het plan is het te verwachten windklimaat op de meeste plekken goed voor doorlopen, matig voor slenteren (kwaliteitsklasse C). In de doorgangen op dekniveau in het zuidelijke blok is het windklimaat op veel plekken matig voor doorlopen en daarmee slecht voor slenteren. Er wordt geadviseerd in deze gebieden geen windgevoelige functies te realiseren. - Bij de zuidoosthoek van het plan is een matig windklimaat voor doorlopen te verwachten.
De set back van de toren draagt bij aan het beperken van de hinder in dit gebied. Het is dan ook van belang om bij de verdere uitwerking van de plannen er voor te zorgen dat deze set back behouden blijft. - Door de goede opbouw van het plan is er nergens in het gebied een voor doorlopen slecht windklimaat te verwachten.
Bestemmingsplan Stationsgebied west deelgebied Hanzepark
48
Uit de berekeningen blijkt dat er in de doorgerekende bebouwingssituatie geen overschrijding voor het criterium voor windgevaar of beperkt risico op windgevaar te verwachten is. De doorgerekende bebouwingssituatie is een voorbeelduitwerking van het stedenbouwkundig plan. Indien de uiteindelijk te realiseren bebouwing significant afwijkt van de hier doorgerekende bebouwingssituatie, wordt geadviseerd bij de nadere uitwerking een aanvullend windklimaatonderzoek te doen.
Bestemmingsplan Stationsgebied west deelgebied Hanzepark
49
5.
PLANBESCHRIJVING
5.1
Algemeen
In voorgaande hoofdstukken zijn de uitgangspunten voor de ruimtelijke en functionele situatie in het plangebied aangegeven. Deze uitgangspunten zijn getoetst aan het beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. In dit hoofdstuk wordt de inhoud van de bestemmingen (de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden) toegelicht en wordt aangegeven hoe de uitgangspunten een juridische vertaling in de regels en de verbeelding hebben gekregen. Het bestemmingsplan valt onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het bestemmingsplan is opgezet volgens de wettelijke regelgeving en qua systematiek volgens de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012), met inachtneming van de aanpassingen die voortvloeien uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het plan is digitaal raadpleegbaar uitgevoerd. Het digitale plan verschaft de burger ‘online’ informatie over het bestemmingsplan. Bovendien is de digitale versie bedoeld voor uitwisseling van gegevens binnen de gemeente en met andere overheidsinstanties. Handboek bestemmingsplannen Lelystad Naast dat het bestemmingsplan voldoet aan de Wro en de Wabo, voldoet het (waar mogelijk) ook aan het handboek van de gemeente Lelystad. Het handboek maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare manier zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld.
Vanwege het specifieke ontwerp van dit project, kunnen op deze locatie niet alle bouwen gebruiksmogelijkheden die in het algemeen standaard binnen deze bestemmingen worden geboden, mogelijk worden gemaakt. De beide bestemmingen zijn specifiek toegespitst op de ontwerpprincipes van het project en de ruimtelijke ontwikkelmogelijkheden die daarbinnen kunnen worden geboden. Parapluplan Algemene regels woningsplitsing en kamerbewoning Lelystad De regels uit dit parapluplan (vastgesteld 22 september 2020) zijn in dit bestemmingsplan overgenomen. Met deze regels wordt woningsplitsing en verkamering van woningen in alle woonwijken binnen in het stedelijk gebied van Lelystad ruimtelijk gereguleerd. Parapluplan Parkeren Lelystad De gemeente heeft op 21 november 2023 het Parapluplan Parkeren Lelystad met de Nota Parkeernormen Lelystad 2023 vastgesteld. Het paraplubestemmingsplan is onverkort van toepassing voor het onderhavige plangebied. In de regels van het bestemmingsplan Stationsgebied West - deelgebied Hanzepark wordt naar het Parapluplan Parkeren Lelystad verwezen. In het Parapluplan past het bevoegd gezag de beleidsregels van de 'Nota Parkeernormen Lelystad 2023' toe met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze beleidsregels zoals die gelden ten tijde van de ontvangst van de aanvraag om een omgevingsvergunning.
Bestemmingsplan Stationsgebied west deelgebied Hanzepark
50
Volgens de Nota Parkeernormen Lelystad 2023 ligt het plangebied Stationsgebied West – deelgebied Hanzepark in het centrumgebied. Binnen dit gebied wordt voor de gehele stationsomgeving met een lagere parkeernorm gewerkt, zodat kan worden gestuurd op lager autobezit en autogebruik. Deze aanpak is al in een eerder stadium door de gemeenteraad vastgesteld. Voor het Stationsgebied heeft de gemeenteraad een parkeernorm van 0,6 vastgesteld.
5.2
Toelichting op de bestemmingen
Algemeen De voorgenomen ontwikkeling past niet in het huidige bestemmingsplan dat voor dit plangebied geldt (Schepenwijk). De beoogde plannen zijn op in ieder geval de volgende punten in strijd met het huidige bestemming Gemengd-1: -
de maximale bouwhoogte: gewenst is maximaal 70 m, toegestaan is: 35 / 50 m; het type woningen: gewenst is grondgebonden woningen en appartementen, toegestaan is: alleen appartementen; het aantal woningen: gewenst is circa 250 woningen, toegestaan is: maximaal 87 appartementen; de functies: gewenst zijn kantoren en commerciële voorzieningen, toegestaan is alleen kantoren.
Het nieuwe bestemmingsplan heft deze strijdigheden op en maakt de beoogde ontwikkeling mogelijk. De bestemming ‘Gemengd’ wordt vervangen door een volledige woonbestemming. Groen De groene rand rondom het plangebied heeft als hoofdfunctie groenvoorzieningen. Met name heeft deze rand een belangrijke functie voor de afwatering en bermen. Ook passen de bestaande voet- en fietspaden binnen deze bestemming. Binnen de bestemming Groen worden daarnaast ook bij deze bestemming behorende functies en voorzieningen mogelijk gemaakt, zoals verhardingen ten behoeve van lokaal verkeer, speelvoorzieningen, water, kunstobjecten, kunstwerken en nutsvoorzieningen. Om het groene karakter van deze zone te waarborgen, zijn geen gebouwen toegestaan. Met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen, palen en masten en overige bouwwerken geen gebouwen zijnde. Water De gronden met de bestemming Water zijn bestemd voor waterlopen, waterpartijen, oevers, bermen en beplanting, wegen, straten, paden en extensief dagrecreatief gebruik. En daaraan ondergeschikt groenvoorzieningen. Om ervoor te zorgen dat binnen deze bestemming geen gebouwen mogen worden geplaatst, is een bouwmogelijkheid binnen de bestemmingsregeling uitgesloten. Bouwwerken geen gebouwen zijnde – zoals bijvoorbeeld kunstwerken - zijn onder bepaalde restricties wel toegestaan.
Wonen Voor het gebied waar de woningen worden gerealiseerd, is één bestemming opgenomen: Wonen. Voor deze bestemming is gekozen omwille van een aantal redenen:
Bestemmingsplan Stationsgebied west deelgebied Hanzepark
51
-
de bestemming sluit aan bij de gemeentelijke systematiek; deze bestemming geeft de nodige flexibiliteit bij de verdere uitwerking van de plannen voor de gebouwen en omliggend openbaar gebied; de ontwikkeling vindt in nauwe afstemming plaats tussen de gemeente Lelystad en de ontwikkelende partijen.
Binnen deze bestemming zijn zowel grondgebonden woningen (vrijstaand, rijen en twee-onder-één-kap) als woongebouwen (appartementen), inclusief gebouwen ten behoeve van onderhoud en beheer, bergingen en stallingen, trappenhuizen en liftschachten, toegestaan. De bestemming biedt ook ruimte voor de bijbehorende functies zoals wegen, straten en paden. Maar ook parkeervoorzieningen, water, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen en tuinen. Hoofdgebouwen De bouwmogelijkheden zijn globaal en flexibel opgezet. De bouwplannen dienen binnen deze kaders te passen. De woningen worden binnen de aangegeven bouwvlakken gebouwd. Er zijn twee afzonderlijke bouwvlakken aangegeven, één voor het noordelijk deel en één voor het zuidelijk deel van het plangebied. Omdat de maximale bouwhoogtes van de woningen variëren, zijn overeenkomstig het SPvE, per bouwvlak de maximale bouwhoogten met een aanduiding ‘maximum bouwhoogte’ op de verbeelding weergegeven. Parkeren Door middel van de aanduiding ‘parkeerterrein’ is bepaald waar de parkeerterreinen worden gerealiseerd. De minimale begrenzing van deze terreinen is overgenomen uit het SPvE. Binnen deze aanduiding dienen het aantal benodigde parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Bij de omgevingsvergunning dient te worden aangetoond dat het plan voldoet aan de regels uit het Paraplubestemmingsplan Parkeren Lelystad.
Dit is in artikel 6.1 van de regels van het bestemmingsplan vastgelegd. De maximale bouwhoogte van gebouwde parkeervoorzieningen is 6 meter. De parkeervoorzieningen mogen bovengronds, ondergronds en/of halfverdiept worden gebouwd. Commerciële en maatschappeljike voorzieningen Het bestemmingsplan laat ruimte voor commerciële en maatschappelijke voorzieningen. Hieronder worden kantoorfuncties met baliefunctie verstaan. Ook zijn kantoren zonder baliefunctie en gemeenschappelijke voorzieningen t.b.v. het wonen toegestaan (wasserette, gemeenschappelijke ruimten etc). De voorzieningen zijn niet alleen in de plint van het gebouw toegestaan. Strijdig gebruik In de regels is een lijst met gebruiksactiviteiten opgenomen die niet (of onder bepaalde restricties) zijn toegestaan, zoals horeca, bed-and-breakfast, detailhandel.
Bestemmingsplan Stationsgebied west deelgebied Hanzepark
52
6.
UITVOERBAARHEID
Een wettelijk onderdeel van het bestemmingsplan is om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van het project. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid.
6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Via de procedure van het bestemmingsplan wordt de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het project aangetoond. Tijdens deze procedure zijn verschillende wettelijke momenten waar op de plannen kan worden gereageerd. Door de gemeente wordt via een omgevingsmanager een zorgvuldige communicatie met de omgeving geborgd. De gemeente Lelystad draagt zorg voor de communicatie rondom de totale gebiedsontwikkeling. Resultaten participatie De omgeving is op meerdere momenten betrokken geweest bij het opstellen van de stedenbouwkundige kaders: • Individuele gesprekken met stakeholders • Informatiebijeenkomst 8 februari 2023 • Besloten bijeenkomst 24 mei 2023 En op 7 september 2023 is een inloopbijeenkomst georganiseerd over het concept ontwerp bestemmingsplan. In bijlage 15 (Reactienota Overleg en participatie) is de verslaglegging van dit participatiemoment opgenomen. Daarnaast bestaan in het kader van de procedure de wettelijke momenten waarop omwonenden en andere belanghebbenden een zienswijze of beroep kunnen indienen. De beschrijving van de formele procedure is als volgt: Resultaten Overleg 3.1.1. Bro In het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het concept ontwerp bestemmingsplan Stationsgebied west – deelgebied Hanzepark op 19 juli voor advies naar de verschillende vooroverlegpartners verzonden: 1. 2. 3. 4. 5.
Provincie Flevoland Waterschap Zuiderzeeland Omgevingsdienst Flevoland Gooi en Vechtstreek Veiligheidsregio/Brandweer ProRail
Van alle partners is een advies ontvangen. Deze zijn samengevat en van een gemeentelijke reactie voorzien. Het ontwerp bestemmingsplan is hierop aangepast. De Reactienota is opgenomen in bijlage 15. Resultaten tervisielegging ontwerp bestemmingsplan Conform artikel 3.8 Wro heeft het ontwerp bestemmingsplan de uniforme openbare voorbereidingsprocedure doorlopen, welke is vastgelegd in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Het ontwerp bestemmingsplan is na behandeling in het college van burgemeester en wethouders in de Flevopost gepubliceerd.
Bestemmingsplan Stationsgebied west deelgebied Hanzepark
53
Het plan heeft zes weken ter inzage gelegen. Het ontwerp bestemmingsplan was ook digitaal raadpleegbaar op de site van de gemeente. Belanghebbenden hebben in die zes weken hun zienswijze kenbaar kunnen maken bij de gemeente. Tijdens deze periode is één zienswijze binnengekomen. Deze zienswijze is in een Reactienota samengevat en van een gemeentelijk antwoord voorzien. Deze zienswijze heeft niet geleid tot een aanpassing van het vast te stellen bestemmingsplan. De Reactienota is opgenomen in bijlage 16. Ambtshalve wijzigingen In de Reactienota (bijlage 16) is ook een overzicht opgenomen van de doorgevoerde ambtshalve wijzigingen. Dit zijn wijzigingen die voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan in de toelichting en de regels zijn aangebracht. Vervolg procedure Binnen acht weken na afloop van de termijn dat het ontwerp bestemmingsplan ter inzage heeft gelegen stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan vast. Tegen de vaststelling van een bestemmingsplan staat rechtstreeks beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Parallel aan de bestemmingsplanprocedure worden ook de volgende procedures doorlopen: Procedure Stedenbouwkundig Programma van Eisen (SPvE) Het SPvE is op 18 juli 2023 door de gemeenteraad vastgesteld (RB 160). Procedure verzoek hogere waarde De publicatie van het ontwerp besluit Hogere Waarden heeft ter inzage gelegen.
Gedurende 6 weken vanaf de terinzagelegging van dit ontwerpbesluit zijn geen zienswijzen binnengekomen. Op 19 december 2023 heeft het college van B&W het Hogere Waarden besluit vastgesteld. Na het onherroepelijk worden van het besluit, wordt de vastgestelde hogere waarde bij het Kadaster geregistreerd. Belanghebbenden kunnen beroep aantekenen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen het Hogere Waarden besluit. Zo spoedig mogelijk nadat het Hogere Waarden besluit onherroepelijk is geworden, moet dit worden ingeschreven in de openbare registers. Crisis- en herstelwet De ontwikkeling van het Stationsgebied valt onder de categorieën van projecten die zijn aangewezen in bijlage I (artikel 3.1) bij de Crisis en herstelwet (Chw). Afdeling 2 Chw is op de bestemmingsplanprocedure van toepassing. Dat betekent dat belanghebbenden die tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in beroep gaan, in het beroepschrift de beroepsgronden moeten aanvoeren. Na afloop van de termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Verder moet de Raad van State een eventueel beroep bij voorrang, binnen een half jaar, behandelen.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
Aangetoond moet worden dat het project economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en het kostenverhaal.
Bestemmingsplan Stationsgebied west deelgebied Hanzepark
54
Financiële haalbaarheid De gronden zijn in eigendom van de gemeente Lelystad. Via een koop- ontwikkelingsovereenkomst worden de gronden aan Centrada en een nader te bepalen marktpartij overgedragen. De planontwikkelingskosten voor het project zijn voor rekening van Centrada en de marktpartij. De gemeente legt het gehele openbaar gebied aan. Kostenverhaal Het project voorziet in de bouw van meerdere woningen. In de Wet ruimtelijke ordening is opgenomen dat voor dergelijke bouwplannen in verband met het kostenverhaal van de gemeente, een exploitatieplan moet worden vastgesteld. Omdat het kostenverhaal anderszins verzekerd is (via koop-ontwikkelingsovereenkomsten met Centrada en een marktpartij), is het vaststellen van een exploitatieplan niet noodzakelijk.
Bestemmingsplan Stationsgebied west deelgebied Hanzepark
55
7.
EINDCONCLUSIE
Ruimtelijke aanvaardbaarheid De planontwikkeling past niet binnen de huidige juridische-planologische kaders. In ruimtelijk opzicht is de beoogde planontwikkeling wél aanvaardbaar. De onderbouwing daarvan is als volgt. Het doel is om in dit gebied circa 250 woningen te realiseren, inclusief commercieel / maatschappelijke voorzieningen. Ruimtelijke aanvaardbaarheid Uit de onderbouwing blijkt de ruimtelijke aanvaardbaarheid voldoende te zijn aangetoond. Milieu hygiënische aanvaardbaarheid Geconcludeerd is dat met de realisatie van het project geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Economische aanvaardbaarheid Het plan is economisch uitvoerbaar. De gemeente zal de gronden pas overdragen na ondertekening van een koop-ontwikkelingsovereenkomst.
Bestemmingsplan Stationsgebied west deelgebied Hanzepark
56
Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10 Bijlage 11 Bijlage 12 Bijlage 13 Bijlage 14 Bijlage 15 Bijlage 16
Stedenbouwkundig Programma van Eisen Hanzepark Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. Akoestisch onderzoek Stikstofberekening Bodemonderzoek PFAS onderzoek Quickscan externe veiligheid Berekening groepsrisico Verantwoording groepsrisico Trillingshinder Uitgangspunten Waterschap t.b.v. de watertoets en positief wateradvies Quickscan flora en fauna Bezonningsstudie Windhinderonderzoek Reactienota Overleg en Participatie Reactienota Zienswijzen en ambtshalve wijzigingen
Bijlage 1
Stedenbouwkundig Programma van Eisen Hanzepark
HANZEPARK LELYSTAD
Stedenbouwkundig Programma van Eisen Hanzepark, Lelystad - 5 juni 2023
Opdrachtgever : Gemeente Lelystad Samenstellers : Gemeente Lelystad, ambtelijke projectgroep WEST8
Datum : 5 juni 2023
Lelystad - Stedenbouwkundig Plan van Eisen ontwikkeling Hanzepark
2
INHOUDSOPGAVE Inleiding
4
1 - Plangebied Hanzepark
5 - 11
1.1 1.2 1.3 1.4
7 9 10 11
Concept plangebied Woonprogramma Parkeerprogramma Amitie duurzaam en toekomstbestendig bouwen
2 - Ruimtelijke uitgangspunten en beeldkwaliteit
12 - 27
2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9 2.10 2.11 2.12 2.13 2.14
13 14 15 16 17 18 19 20 22 23 24 25 26 27
Opbouw bouwblok Ontsluiting gebouwen Buitenruimte appartementen Plintfuncties - Entree en lobby Plintfuncties - Commercie en maatschappelijk Plintfuncties - Fietsenstalling Parkeren Binnentuin Daken Wonen aan het park Plintfuncties Koningsbergenstraat Tuinen en ‘Delftse stoep’ Openbare ruimte inrichting Architectonische opgave
3 - Stedenbouwkundige uitgangspunten
28 - 34
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6
29 30 31 32 33 34
Algemene omschrijving plangebied Bestaande infrastructuur Stedenbouwkundig ruimtelijk kader Voorbeelduitwerking Geluid belasting Bereikbaarheid calamiteiten en bezorgdiensten
Lelystad - Stedenbouwkundig Plan van Eisen ontwikkeling Hanzepark
3
Inleiding Lelystad staat voor een stevige opgave. Groei en ontwikkeling zijn noodzakelijk om de stad levendig en aantrekkelijk te houden voor de bestaande samenleving, nieuwe inwoners en bedrijvigheid. Het stationsgebied is als onderdeel van het centrum in de omgevingsvisie aangemerkt als prioritair gebied voor de ontwikkeling van de stad en de woningbouwproductie. De hoge druk op de woningmarkt in de regio biedt
Ontwikkellocaties westzijde station conform Ontwikkelingsplan 2021
Lelystad de kans om in een deel van de vraag naar woningen op OV knooppunten in de regio te voorzien. De te implementeren woningbouw richt zich op gemixte stedelijke woonmilieus in hoge dichtheden. De ontwikkeling Hanzepark wordt als deel ontwikkeling binnen de grotere ontwikkeling van het stationsgebied van Lelystad, als een van de eerste gerealiseerd. Naast Hanzepark, worden ook het naastgelegen blok van de Rechtbank en Getronics verder ontwikkeld in samenhang met een vernieuwd stationsgebied. Het Ontwikkelingsplan Stationsgebied (2021) vormt het globale kader voor de uitwerking van het gehele gebied. Op basis van dit kader is voor het deelgebied Hanzepark het voorliggende Stedenbouwkundig Programma van Eisen (SPvE) uitgewerkt. Het SPvE Hanzepark bevat de ruimtelijke uitgangspunten voor de toekomstige bebouwing van dit deelgebied.
Vogelvlucht Ontwikkelingsplan Stationsgebied 2021
Lelystad - Stedenbouwkundig Plan van Eisen ontwikkeling Hanzepark
4
Foto: vrijliggend kavel naast de Rechtbank en Hanzeborg
1 - Plangebied Hanzepark Lelystad - Stedenbouwkundig Plan van Eisen ontwikkeling Hanzepark
5
Vogelvlucht van het beoogde stationsgebied 2023
Lelystad - Stedenbouwkundig Plan van Eisen ontwikkeling Hanzepark
6
1.1 Concept plangebied Het bouwkavel tussen de Stationslaan en Koningsbergenstraat is bouwrijp voor de ontwikkeling van woningen, kantoren en maatschappelijke functies. We willen hier twee hoogstedelijke bouwblokken ontwikkelen op steenworp afstand van het station en de voorzieningen van het Stadshart. Het bouwblok krijgt twee gezichten; een hoog stedelijke typologie en een sub-stedelijke typologie. Stedelijke bouwvolumes met appartementen zijn gelegen aan een spoor en de Stationslaan en trekt het centrum het spoor over. Met aan de spoorzijde een stedelijk uitzicht, is er aan de westzijde een aangename ruimte van het park. De bebouwing aan de Stationslaan schermt het geluid van spoor en centrumring af van de woningen en buitenruimtes aan de westzijde van de ontwikkeling. In de plint van het gebouw is er ruimte voor commerciële en maatschappelijke voorzieningen waarmee aan de Stationslaan een levendiger beeld ontstaat. De bewoners parkeren de auto in de parkeergarage in het binnenterrein van het blok. Boven de garage wordt een daktuin gerealiseerd waarmee het park als het ware naar binnen wordt getrokken en de woonkwaliteit voor de bewoners aanzienlijk bevordert. Het groen zorgt voor biodiversiteit in het blok en is eventueel ook te bewandelen. Aan de andere zijde van het groene dak stappen bewoners de voordeur uit aan het park.
Hier wordt gewoond in eengezinswoningen, beneden-bovenwoningen,
of
appartementen
in
de
luwte
van
het geluid, aan de zijde van de middagzon. En wordt hier koffie gedronken op de stoep, terwijl de kinderen in de speeltuin spelen. Tussen de bouwblokken is een doorgang naar de Stationslaan. Op deze hoek is de mogelijk voor een commerciële of maatschappelijk functie, zoals een wijkzorgcentrum (huisarst, fysio, tandarts, etc). Groen is een doorlopend thema en dient ook als een ruimtelijke drager van de ontwikkeling, te verdelen in drie niveau’s’; gebouw, kavel en gebied. Het gewenste kwalitatieve beeld is op de volgende pagina te zien aan de hand van referentiebeelden.
Concept schets wonen in het Hanzepark Lelystad - Stedenbouwkundig Plan van Eisen ontwikkeling Hanzepark
7
Voorkeur kwaliteit gebouw niveau
Voorkeur kwaliteit kavel niveau
Lelystad - Stedenbouwkundig Plan van Eisen ontwikkeling Hanzepark
Voorkeur kwaliteit gebied niveau
8
1.2 Woonprogramma
Corporatie
tabel. Aan de hand van het 3D rekenmodel zijn deze aantallen getest en
Markt
maatvoering van de bouwblokken bepaald.
verdeling
aantal
Sociale huur
30%
75
Goedkope huur
10%
25
Goedkope koop
10%
25
Middel duur koop
20%
50
Duur koop
30%
75
Totaal
100%
250
100
Type
woningen is opgedeeld in verschillende segmenten, als getoond in de