BL Kamerbrief-tk-inzake-ruimtelijke-ordening
Tekst van het document
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG
Ministerie van BZK Turfmarkt 147 Den Haag www.rijksoverheid.nl www.facebook.com/minbzk www.twitter.com/minbzk www.linkedin.com/company/ ministerie-van-bzk Kenmerk 2022-0000268154 Uw kenmerk
Datum
17 mei 2022
Betreft
Ruimtelijke ordeningsbrief
Nationale regie in de ruimtelijke ordening De ruimte in Nederland is schaars, terwijl de ruimtelijke opgaven groot zijn. De urgente maatschappelijke opgaven zoals het woningtekort, de kwaliteit van de natuur, de transitie van de landbouw en de verduurzaming van de energievoorziening hebben allemaal grote ruimtelijke impact. De schaarste aan ruimte maakt dat het Rijk de regie in het ruimtelijk domein moet hernemen: om te kiezen, om te verdelen en om een eerlijke uitkomst mogelijk te maken in dit verdeelvraagstuk. Een goede ruimtelijke aanpak kan oplossingen bieden voor de grote ruimtelijke opgaven. Deze aanpak betekent een grote verbouwing van Nederland, met consequenties voor hoe landschappen, steden en dorpen (her)ingericht worden. Een mooier, gezonder, duurzamer, welvarender en aantrekkelijker Nederland is hierbij het uitgangspunt, met een goede leefomgevingskwaliteit voor alle inwoners van Nederland, nu en in de toekomst. Regie hernemen betekent dat de nationale overheid een sterkere rol zal gaan vervullen dan in de afgelopen jaren, om zo het werk voor provincies, gemeenten en waterschappen beter mogelijk te maken. We staan voor een ingewikkelde klus die we alleen met elkaar en met heldere werkafspraken tot een goed einde kunnen brengen. Niet alleen met elkaar als overheden, maar vooral ook met de mensen in ons land, maatschappelijke organisaties en ondernemers.
Daarom staat participatie aan de basis van het ruimtelijk beleid. Met deze brief legt het kabinet het fundament voor de ontwikkeling van het nationale ruimtelijk beleid. In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is uiteengezet hoe alle belangen worden gewogen, en hoe die allemaal in ons land ingepast kunnen worden. Daarbij gelden drie principes die aan de basis staan van de Nationale Omgevingsvisie: voorrang geven aan meervoudig ruimtegebruik (in plaats van enkelvoudig ruimtegebruik), het centraal stellen van gebiedskenmerken en het voorkomen van ‘afwenteling’ – ofwel het niet meer afschuiven van problemen en lasten op generaties na ons of op andere gebieden. Daarmee zijn belangrijke stappen gezet. Nu is het tijd de NOVI een stap verder brengen, op twee manieren: door nationale structurerende keuzes toe te voegen waar nodig en zo tot een aangescherpte NOVI te komen en door over te gaan tot de uitvoering via NOVEX. Oftewel: van NOVI naar NOVEX. In deze brief wil het kabinet helder zijn over waar wat nodig is, wie dat gaat uitvoeren en wanneer. Pagina 1 van 46
Ministerie van BZK Kenmerk 2022-0000268154
Voor deze brief is gebruik gemaakt van een reeks van recente studies en – adviezen, zoals het Interdepartementaal Beleidsonderzoek Ruimtelijke Ordening (IBO RO), het advies van de Studiegroep Ruimtelijke inrichting Landelijk Gebied, studies van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB), en het advies van de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur (Rli) 'Geef richting, maak ruimte'. De komende tijd zal deze brief in de verschillende programma’s en uiteindelijk in de aanscherping van de NOVI zelf uitgewerkt worden. Stap voor stap geeft het kabinet daarmee antwoord op de verschillende adviezen en studies. De adviezen vragen om een versterking van de Rijksregie in de ruimtelijke ordening met aandacht voor de rol van het midden bestuur, het formuleren van heldere doelstellingen en inzet op uitvoeringskracht. Daarnaast wordt gewezen op het belang van participatie, draagkracht, digitalisering en kennisontwikkeling. Deze punten zijn meegewogen in deze brief. De rapporten zullen worden voorzien van een aparte beleidsreactie. Met deze brief wil het kabinet onderstrepen: de nationale ruimtelijke ordening in Nederland is terug.
De brief is mede verstuurd namens de collegabewindspersonen in het fysieke domein: de ministers van Economische Zaken en Klimaat (EZK), Infrastructuur en Waterstaat (IenW), Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV), Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), de ministers voor Klimaat en Energie (K&E), Natuur en Stikstof (N&S) en de staatssecretarissen van Infrastructuur en Waterstaat (IenW), Defensie (DEF), Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), Mijnbouw en Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Deze brief is ook aan de Eerste Kamer verzonden.
Pagina 2 van 46
Ministerie van BZK Kenmerk 2022-0000268154
Samenvatting Het beeld van tien jaar geleden dat Nederland ‘af’ is en er geen noodzaak is voor nationale ruimtelijke ordening, is achterhaald. Grote, urgente opgaven – zoals klimaatverandering, natuurherstel en voldoende en betaalbare woningbouw – maken dat Nederland aan de vooravond staat van een grote verbouwing. Deze verbouwing wordt alleen succesvol – dus met behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit – als alle partijen hun eigen verantwoordelijkheid nemen én samenwerken. Met deze brief legt het kabinet de basis voor een nieuw nationaal ruimtelijk beleid en voor de uitvoering daarvan. Goed ruimtelijk beleid wordt voorafgegaan door een goede ruimtelijke analyse om het ‘wat’ scherp te maken (deel A.). In deze analyse wordt gekeken naar a) hoe Nederland in elkaar zit (kenmerken en kwaliteiten); b) naar de ruimtelijke effecten van de opgaven en transities; en c) naar wat er nodig is om dit in goede banen te leiden. Deze ruimtelijke analyse is geclusterd langs drie inhoudelijke perspectieven: 1) landbouw en natuur, 2) ordenende netwerken voor energie en (circulaire) economie en 3) leefbare steden en regio’s.
Doel van deze perspectieven is om de complexiteit van de opgaven te doorgronden, de samenhang in beeld te brengen (tussen opgaven, verschillende schaalniveaus, tussen nu en de lange termijn) en de thema’s vast te stellen waarover nationale, structurerende besluiten en richtinggevende uitspraken nodig zijn. Het is dan ook niet aan de orde om een keuze te maken tussen de drie perspectieven. Water en bodem zijn voor alle drie de perspectieven sturend. Na het ‘wat’ volgt het ‘hoe’ (deel B.). De grote, urgente opgaven krijgen vorm en uitvoering via de verschillende nationale programma’s. Maar niet alles kan en niet alles kan overal. Meer dan in de afgelopen jaren zal het kabinet zelf keuzes moeten maken indien nationale opgaven elkaar ruimtelijk in de weg zitten of wanneer de ruimtelijke kwaliteit hier om vraagt. In de programma’s zullen dan ook ruimtelijk structurerende keuzes worden gemaakt. Om zeker te zijn of alle doelen en opgaven daadwerkelijk ruimtelijk passen wordt aan de twaalf provincies gevraagd om vanaf 1 oktober 2022 de nationale opgaven en doelen ruimtelijk te vertalen en te combineren met decentrale opgaven. De provincie bepaalt zelf of deze ‘ruimtelijke puzzel’ op het schaalniveau van de provincie of op het schaalniveau van regio’s daarbinnen wordt gelegd. In alle gevallen komt het wel samen bij de provincie.
Actieve betrokkenheid hierbij van alle medeoverheden – inclusief rijkspartijen – en private en maatschappelijke partijen is gevraagd. Met deze ruimtelijke puzzel ontstaat 1 juli 2023 inzicht of de uitvoering van de programma’s ruimtelijk mogelijk is in de betreffende provincie of dat aanvullende nationale keuzes noodzakelijk zijn. Dat kan ook een herschikking van opgaves binnen en tussen provincies betreffen. Daarnaast kan deze puzzel handreikingen geven voor de samenhang tussen en eventueel volgtijdelijkheid van de uitvoering van de verschillende programma’s. Wederkerige afspraken hierover in oktober 2023 vormen het ruimtelijke arrangement per provincie. Naast deze ruimtelijke regie per provincie wordt ook ingezet op een gebiedsgerichte regie. Voor een aantal regio’s is duidelijk dat de nationale opgaven dusdanig stapelen, dat een gebiedsgerichte ordening en prioritering van Pagina 2 van 46
Ministerie van BZK Kenmerk 2022-0000268154
verschillende nationale opgaven noodzakelijk is. Dit zijn NOVEX-gebieden die als gevolg van de nationale opgaven worden herbestemd en/of ingrijpend worden heringericht. Voor deze gebieden is op voorhand duidelijk dat meerdere Rijkspartijen meerjarig deelnemen in perspectief- en planontwikkeling en in de uitvoering. Een gezamenlijk ontwikkelperspectief is de basis voor strategische besluiten van alle overheden, maatschappelijke en private partijen voor de ontwikkeling van het gebied, inclusief gezamenlijk afgestemde uitvoeringsafspraken en investeringsbesluiten. Het realiseren van samenhang in beleid loopt via de programma’s NOVEX en Mooi Nederland en de aanscherping van de NOVI (deel C.). In het programma NOVEX staat de provinciale en gebiedsgerichte samenwerking centraal, evenals het versterken van de uitvoeringskracht – onder andere door de ontwikkelfunctie bij het Rijksvastgoedbedrijf – en een data gedreven aanpak. In het programma Mooi Nederland wordt de regie op samenhang in ruimtelijke kwaliteit en identiteit geborgd. Door te inspireren, organiseren en te normeren wordt in de gehele fysieke leefomgeving aan ruimtelijke kwaliteit gewerkt. De nationale structurerende keuzes uit de programma’s plus de programma’s NOVEX en Mooi Nederland leiden tot de aanscherping van de NOVI. En dat voedt vervolgens het nationale beleid. Zo ontstaat een cyclisch proces.
Het kabinet zal bij de aanscherping van de NOVI bezien welke keuzes juridisch vastgelegd moeten worden. Tevens zal expliciet invulling gegeven worden aan een inspraaken participatietraject.
Ontwikkelingen in het fysieke domein hebben vaak een lange doorlooptijd van planvorming naar realisatie. Hierdoor is het vaak niet mogelijk om op basis van feitelijke ontwikkelingen en evaluaties tijdig plannen bij te sturen. Daarom introduceert het kabinet in aanvulling op de bestaande monitor de zogeheten Planmonitor die vooruitblikt op ontwikkelingen. Daarmee heeft het kabinet een krachtig instrument in handen om eerder bij te sturen bij eventuele ongewenste ontwikkelingen.
Pagina 2 van 46
Ministerie van BZK Kenmerk 2022-0000268154
A. Drie perspectieven
De blik op de ruimtelijke inrichting van Nederland is opgebouwd uit drie perspectieven. De draagkracht van het bodem- en watersysteem is van betekenis voor de vraagstukken in alle drie de perspectieven. Het eerste perspectief gaat over landbouw en natuur, de tweede over de ordenende netwerken voor energie en (circulaire) economie en de derde over leefbare steden en regio’s. Elk perspectief is op dezelfde manier opgebouwd: eerst worden de kenmerken en kwaliteiten van de huidige situatie beschreven, vervolgens de opgaven die op Nederland af komen en effect hebben op de ruimte en tenslotte worden een aantal mogelijke perspectieven geschetst die een antwoord kunnen geven op die opgaven. Daarna worden de grootste vraagstukken die hieruit volgen benoemd.
De perspectieven zijn ruimtelijke analyses – van hoe Nederland in elkaar zit (kenmerken en kwaliteiten), van de ruimtelijke consequenties die actuele opgaven en transities hebben, en van wat nodig is om dit alles in goede banen te leiden. De drie perspectieven zijn bedoeld om de complexiteit van de verschillende opgaven te doorgronden, de samenhang in beeld te brengen (tussen opgaven, verschillende schaalniveaus, tussen nu en de lange termijn) en de thema’s vast te stellen waarover op nationaal niveau besluiten of waarvoor richtinggevende uitspraken nodig zijn. Het is belangrijk om zulke vraagstukken in de tijd te plaatsen: een beslissing die nu geschikt en effectief blijkt, is dat op lange termijn misschien niet meer. En omgekeerd: een opgave kan pas in de toekomst gaan spelen, maar kan vragen dat daar nu in de planvorming al rekening mee te houden. Het moet dus duidelijk zijn tot wanneer het huidige
Pagina 2 van 46
Ministerie van BZK Kenmerk 2022-0000268154
gebruik mogelijk is en wanneer veranderingen en maatregelen noodzakelijk zijn. Het gaat dus ook niet om een keuze tussen deze drie perspectieven; de perspectieven gelden naast elkaar en in samenhang tot elkaar. In elk perspectief gelden de drie principes die aan de basis stonden van de Nationale Omgevingsvisie. In de herwaardering van het nationaal ruimtelijk beleid zullen water en bodem weer meer sturend zijn voor alle ruimtelijke plannen. Dat is in lange tijd niet zo geweest. Vanuit een eeuwenoud geloof in de maakbaarheid van het land, en geholpen door de voordelen van technologie, zijn het landschap en de ondergrond volledig naar de hand gezet. Dit heeft veel gebracht maar de kwalijke gevolgen hiervan zijn niet langer te ontkennen: wateroverlast, bodemdaling, verdroging, bodem- en waterverontreiniging, hittestress en biodiversiteitsverlies, die nog eens versterkt worden door de klimaatverandering. Om het tij te keren en om op de lange termijn te komen tot een duurzame, gezonde en aantrekkelijke leefomgeving, moet weer ‘geluisterd’ worden naar wat de bodem en het water ‘te vertellen hebben’.
Het afstemmen van ruimtelijke keuzes over woningbouw, energietransitie, natuur, landbouw, infrastructuur en economie op de staat en de kwaliteit van de ondergrond en de natuurlijke dynamiek van het water, leidt tot een logische en toekomstbestendige ruimtelijke inrichting – die in zichzelf mooi, betekenisvol en leefbaar is. Perspectief 1 – Perspectief voor landbouw en natuur
Op basis van het bodem- en watersysteem is Nederland in te delen in drie zones: laag Nederland, hoog Nederland en de grote watersystemen die horen bij de ligging in een delta (rivieren, grote wateren, Noord- en Waddenzee). Van oudsher worden de hogere zandgronden in het oosten en zuiden gekenmerkt door voor landbouw ontgonnen gebieden die worden benut voor diversie typen landbouw en enkele intensieve veeteeltgebieden zoals in Zuidoost-Brabant, de Gelderse Vallei en Twente en een aantal ‘droge’ natuurgebieden. Laag Nederland staat bekend om zijn unieke natuurgebieden, vooral in de natte delen, op de overgangen van zoet naar zout, en in de kustzone en op de Wadden. In dit deel van Nederland liggen ook de akkerbouwgebieden op de vruchtbare klei in met name de zuidwestelijke delta, de Kop van Noord-Holland, Friesland, Groningen en in de grote droogmakerijen de Noordoostpolder en Flevoland. De kenmerken van het bodem- en watersysteem én de manier waarop het land wordt gebruikt, leidt tot
Pagina 2 van 46
Ministerie van BZK Kenmerk 2022-0000268154
een grote diversiteit aan landschappen. De rivieren, grote wateren en de kust hebben ook een grote ecologische, landschappelijke en recreatieve waarde. Daarin zijn ecologisch belangrijke gebieden de verbindingszones langs rivieren, de kust, natuurgebieden in de Noordzee en natuurgebieden op de gradiënten tussen zoet en zout. Opgaven De kwaliteit en vitaliteit van het landelijk gebied staat onder druk. De manier van gebruik leidt tot uitputting van het bodem- en watersysteem, een verslechtering van de kwaliteit van de natuur en heeft een negatief effect op het klimaat en biodiversiteit. Steeds meer dieren en planten verdwijnen en de hoge stikstofuitstoot brengt in met name delen van hoog Nederland enorme schade toe aan de natuur. Voldoende schoon en zoetwater is van groot belang voor veel verschillende functies, maar de beschikbaarheid en kwaliteit hiervan op de lange termijn is een groot vraagstuk. De Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (VHR) vereist het voorkomen van verslechtering en het realiseren van een gunstige staat van instandhouding van de natuur. Om de doelen van deze richtlijn te behalen, moeten diverse drukfactoren worden aangepakt, zowel binnen als buiten de natuurgebieden.
Naast stikstofvermindering gaat het dan ook over bijvoorbeeld de verbetering van waterkwaliteit en -kwantiteit, reductie van broeikasgassen en het gebruik van en verbindingen tussen natuurgebieden. De sterke overbelasting door stikstof is op dit moment een van de grootste drukfactoren voor de natuurkwaliteit. Met het Coalitieakkoord heeft het kabinet de huidige wettelijke doelstelling uit de Wet stikstofreductie en natuurverbetering van 2035 naar voren gehaald. Dit betekent dat in 2030 74% van het stikstofgevoelige Natura 2000areaal onder de zogenoemde kritische depositiewaarden moet zijn gebracht. In 2025 is dit 40%. De landbouw en het landgebruik moeten voldoen aan de doelstellingen zoals deze recent door het kabinet geformuleerd zijn. Naast de opgave voor natuur en stikstof, is er in het landelijk gebied ook een grote klimaatopgave voor landgebruik en de landbouw. Die heeft onder meer betrekking op de veehouderij, glastuinbouw, veenweidegebieden, landbouwbodems, bossen en natuur. De zoetwaterproblematiek uit zich op de hogere zandgronden in grote watertekorten tijdens hete en droge periodes en fikse wateroverlast bij piekbuien. De oorzaak ligt in een watersysteem dat (nog) niet weerbaar is tegen klimaatverandering en sociaaleconomische ontwikkelingen.
Onder andere door het te snel afvoeren van water – waardoor het grondwaterpeil zich maar lastig kan herstellen – in combinatie met een aanzienlijke vraag naar datzelfde grondwater voor drinkwater en de landbouw. Het leidt ertoe dat natuurgebieden verdrogen – met soortenverlies tot gevolg –, boeren de kwaliteit van hun gewassen achteruit zien gaan en gebouwen schade ondervinden. De kwaliteit van zoetwater is onvoldoende en dreigt verder te verslechteren. De inzet voor het bereiken van een goede toestand van oppervlakte- en grondwater wordt gevormd door de Kaderrichtlijn Water en de Nitraatrichtlijn. De waterkwaliteit verbetert weliswaar, maar er ligt nog een stevige opgave om aan de Europese afspraken uit de Kaderrichtlijn Water te voldoen. Door de combinatie van zeespiegelstijging en lagere rivierafvoeren in de zomer zal de verzilting in laag Nederland toenemen. De vraag is hoe lang de zoetwatervoorraad hier nog tegen bestand is. Pagina 2 van 46
Ministerie van BZK Kenmerk 2022-0000268154
Basis voor de problematiek is dat in een aantal gebieden het gebruik, onder andere de landbouwactiviteiten, niet of onvoldoende in balans zijn met de bodemkundige en hydrologische omstandigheden. Dit geldt bijvoorbeeld voor de veenweidegebieden. Door ontwatering – vaak ten behoeve van landbouwkundig gebruik – treedt in die gebieden veenoxidatie op en daarmee ook de toenemende uitstoot van CO2. De inklinking van het veenpakket die hiermee gepaard gaat, leidt tot bodemdaling. De noodzaak voor een veilig watersysteem (dat ook de piekbuien kan opvangen) leidt - vanwege de zeespiegelstijging en een hogere waterafvoer in de rivieren tot nieuwe ruimteclaims, waar nu keuzes moeten worden gemaakt om voor de lange termijn voldoende ruimte te behouden. Daarbij staan ook de ecologische, landschappelijke en recreatieve kwaliteit van de rivieren, grote wateren en de kust onder druk. Mogelijke perspectieven Om deze uitdagingen op het gebied van natuur, bodem, waterkwaliteit en klimaatopgave te halen is een integrale aanpak nodig. Al deze opgaven hebben grote gevolgen en kunnen alleen in samenhang en gebiedsgericht worden opgepakt. De aanpak is alleen succesvol en duurzaam als er wordt ingezet op een transitie van de landbouw en het landelijk gebied.
Een krachtige landbouwsector, die sterk genoeg is om de omslag naar de kringlooplandbouw te maken, is een voorwaarde voor het realiseren van de onontkoombare doelen op het gebied van natuur, stikstof, klimaat, bodem en water. Perspectief voor de landbouw is daarbij belangrijk, voor de voedselzekerheid, voor de economische waarde die landbouw toevoegt, voor de sociaaleconomische waarde die zij heeft in de gebieden en voor het beheren van het landelijk gebied. Maar ook met het oog op belangrijke ecosysteemdiensten die de landbouw kan leveren zoals versterking van biodiversiteit, vastleggen van stikstof- en broeikasgasemissies, waterberging en waterveiligheid, landschappelijke kwaliteit, culturele identiteit en erfgoed en een gezonde leefomgeving. Om dit te kunnen realiseren is het belangrijk om bedrijven een duidelijk perspectief te bieden: wat kan op welke plek en welke verandering is er nodig en mogelijk. Daarbij hoort ook duidelijkheid over financiële mogelijkheden en lange termijn verdienmodellen. Agrarische ondernemers moeten in staat worden gesteld om binnen de gebiedsdoelen toekomstbestendige keuzes te maken voor hun bedrijf.
Dit vraagt om op korte termijn voor gebieden en de sector met duidelijke kaders te komen om aan de onontkoombare ecologische doelen te kunnen voldoen en inzicht te geven in het instrumentarium dat agrarische ondernemers kunnen gebruiken om een keuze te maken voor toekomstig duurzaam landgebruik. De minister van LNV zal de Kamer in juni nader informeren over de uitwerking van dit perspectief voor de landbouwsector. Ruimtelijke keuzes op basis van onder meer water en bodem kunnen de juiste kaders en randvoorwaarden bieden aan wat er lokaal in deze gebieden moet gebeuren. Dat gaat bijvoorbeeld om overgangsgebieden landbouw-natuur, het beheer van grond- en oppervlaktewater op de hoge zandgronden, het versterken van de functie van de beekdalen, de zoetwaterbeschikbaarheid in laag Nederland, de vernatting van veenweidegebieden, de integrerende rol van groenblauwe dooradering met Pagina 2 van 46
Ministerie van BZK Kenmerk 2022-0000268154
landschapselementen voor de noodzakelijke verbinding van natuur, landgebruik en water. Om op lange termijn voldoende ruimte te houden voor de bescherming tegen de zeespiegelstijging, afvoer en berging van meer water vanuit de rivieren en de gevolgen van extreme neerslag, is op (langere) termijn waarschijnlijk meer ruimte nodig. Op plekken waar dat aan de orde is, kan een afweging plaatsvinden of kwetsbare of strategische functies niet hier maar juist elders gepland kunnen worden. Daardoor worden onomkeerbare besluiten voorkomen. En zo blijft er voldoende ruimte voor maatregelen die op de langere termijn noodzakelijk zijn.
Nationale vraagstukken Hoe kunnen regionale water- en bodemsystemen de basis bieden voor de grote transities en opgaven? Hoe kan daarbij worden aangesloten bij de diversiteit aan landschappen met hun bijbehorende kwaliteiten? Hoe kan de uitputting van de ondergrond en het watersysteem worden gestopt, en kunnen de nationale en internationale doelstellingen op het gebied van natuur, stikstof, water, bodem en klimaat worden gerealiseerd? Wat zijn concrete kortetermijnacties die voorsorteren op langetermijnoplossingen? Hoe kan de landbouw toekomstperspectief worden geboden binnen de mogelijkheden van het bodem- en watersysteem en de doelen voor stikstof/biodiversiteit, vitale bodem, waterkwaliteit en -kwantiteit en klimaat? Hoe worden geschikte gronden voor de landbouw behouden met voldoende ruimte voor de noodzakelijke verduurzaming, die ook vraagt om extensivering? Met welk ruimtelijk en ander instrumentarium wordt de beweging naar een kringlooplandbouw ondersteund, die in balans is met de omgeving en ook bedrijfseconomisch perspectief biedt? Hoe blijft met het oog op droogte en verzilting de zoetwatervoorziening op peil? Welke rol speelt het IJsselmeer daarin? En hoe verhouden strategische grondwaterreserves zich tot andere bodemfuncties, zoals het gebruik van geothermie? Hoe lang kan verzilting worden tegengegaan met zoetwater, en wanneer komt er een omslag? Hoe wordt het
natuursysteem robuust? Door nieuwe natuurgebieden te creëren, landbouwgronden en het stedelijk gebied ‘natuurinclusiever’ in te richten, en de verweving van stad en land (vaak langs waterlopen) naar een hoger niveau te tillen? Door de ecologische kwaliteit van de delta – zee, kust, wetlands, IJsselmeer, zoet (grond)water – nog beter te borgen? Hoe blijft het landelijk gebied vitaal, met een brede welvaart en landschappelijke kwaliteit? Hoe wordt nu al voldoende ruimte gereserveerd om het land ook op de lange termijn veilig te houden voor overstromingen vanuit zee en rivieren? Hoe en waar wordt voldoende ruimte voor waterberging gerealiseerd voor zoetwatervoorziening bij droogte en ter voorkoming van wateroverlast als gevolg van extreem weer? Wat is een effectieve strategie om kwetsbare en strategische functies en netwerken ook voor de lange termijn te beschermen en hoe wordt deze gerealiseerd?
Pagina 2 van 46
Ministerie van BZK Kenmerk 2022-0000268154
Perspectief 2 – Ordenende netwerken voor energie en (circulaire) economie
Nederland beschikt over grote infrastructuren voor energie (elektriciteit, gas), data en internet, en mobiliteit (voor personen en goederen; over weg, spoor, water en door de lucht). In dit netwerk zijn grote economische functies verankerd, zoals tuinbouwcomplexen, havens, vliegvelden, datacenters, kantoorlocaties en industriegebieden. Dit systeem is internationaal van karakter en spreidt zich uit over de Noordzee en Noordwest-Europa. Opgaven Nederland moet in 2050 klimaatneutraal en circulair zijn. De oorlog in Oekraïne en de daaruit voortkomende wens om niet langer afhankelijk te zijn van Russisch gas, en de onheilspellende berichten van het internationale klimaatpanel jagen deze hoge ambities alleen maar aan. De opgave begint bij het reduceren van de vraag naar energie en grondstoffen door besparingen, systeemkeuzes en het ontwikkelen van alternatieven met lager gebruik van energie en grondstoffen. Daarnaast moet de opwekcapaciteit van duurzame energie hoe dan ook omhoog en circulair worden vormgegeven. Op zee en op land, boven en onder de grond, is ruimte nodig voor de winning, opslag, conversie en het transport van energie. Daarin is een belangrijke rol weggelegd voor winning van elektriciteit uit wind- en zonne-energie en de winning en distributie van warmte.
De infrastructuur die nodig is om opgewekte energie op te slaan en te transporteren naar huishoudens, bedrijven, havengebieden en mainports vraagt om een flinke (circulaire) versterking. Industrieclusters – die ook zelf om moeten naar een duurzame en circulaire manier van werken – hebben in dat hernieuwde energienetwerk een schakelfunctie voor aanlanding, gebruik, omzetting en doorvoer, waarvoor ook ruimte nodig is in die clusters, boven en onder de grond. Voldoende ruimte voor de economische functies en goede internationale verbondenheid is van belang voor onze economie. Bijvoorbeeld de vraag naar meer ruimte voor bedrijven, zoals grootschalige logistieke complexen en datacenters, en de noodzakelijke ruimte voor industrieclusters en mainports. Ongeveer driekwart van de eindbestemmingen van de producten die vanuit deze logistieke complexen worden verzonden, bevindt zich in Nederland. Ook de versterking en verduurzaming van deze netwerken, en het behoud van de goede internationale verbindingen, vragen om grote ruimtelijke keuzes en
Pagina 2 van 46
Ministerie van BZK Kenmerk 2022-0000268154
zorgvuldige inpassing. Ontwikkelingen zoals de winning, opslag en vervoer van duurzame energie, de behoefte aan logistieke complexen en datacenters en de omslag naar een circulaire economie hebben effect op het ruimtebeslag. Een belangrijk aspect daarbij is de vraagontwikkeling van de industrie op het land. Een goede match tussen vraag en aanbod leidt mogelijk tot een kleinere ruimtelijke impact en vergt waarschijnlijk minder investeringen in de energieinfrastructuur. De energietransitie vindt niet van de ene op de andere dag plaats, waardoor gedurende enige tijd traditionele en nieuwe systemen naast elkaar bestaan. Doorontwikkeling van de circulaire economie waarbij de retourstromen vanuit de consument in belang toenemen, zullen naar verwachting in de toekomst tot extra fysieke en milieuruimte leiden, mede in het vervoer. Tegelijkertijd levert het ook milieuwinsten op omdat er minder afval ontstaat en de keten wordt gesloten. Dit sluit aan bij het kabinetsbeleid voor circulaire economie en de ambitie om in Nederland toe te werken naar volledig circulair in 2050. De ruimtelijke consequenties hiervan zijn nog niet helder. De impact van al deze vraagstukken op ruimtelijke kwaliteit, het watersysteem, natuur en milieu (geluid, gezondheid, veiligheid) staat buiten kijf.
Het dwingt om na te denken over de balans tussen internationale verbondenheid, economische groei, leefbaarheid en gezondheid. Daarbij hoort ook de rol die de ondergrond en de lucht spelen in de ruimtelijke planvorming. Veel van de benodigde infrastructuren komen immers in de bodem te liggen, waar de ruimte ook schaars is. Bovendien wordt het risico met de toename van benutting van ondergrondse warmtebronnen groter op conflicten met strategische zoetwatervoorraden. Ordening van de gebruiksruimte in de lucht, met onder andere de milieu- en veiligheidscontouren die daarbij horen is nodig met het oog op luchtvaart en radarsystemen, hoogbouw, hoogspanningsmasten en de komst van windturbines. Mogelijke perspectieven Voor de omslag naar hernieuwbare energie biedt de Noordzee ruimte om elektriciteit op te wekken uit zon en wind. Maar de zee is niet leeg, dus afstemming op de natuur, visserij, archeologie en scheepvaart is noodzakelijk. Voor de natuur betekent dat concreet dat nieuwe initiatieven moeten passen binnen de ecologische draagkracht van de Noordzee. Ook de opwekking van energie op het land is een grote ruimtelijke opgave, met veel maatschappelijke impact. Er wordt ook gekeken naar de rol die kernenergie daarin kan spelen.
Om het toekomstige energie- en economische netwerk zo efficiënt mogelijk in te richten, is het mogelijk om nieuwe grootschalige en energie-intensieve functies (inclusief bijbehorende netwerken) te plaatsen in ‘corridors’ en op knooppunten bij deze corridors. Deze clusters, gesitueerd op enkele zorgvuldig bepaalde locaties, kunnen dan ook fungeren als schakels in het energie- en mobiliteitssysteem. Hierbij zijn koppelingen denkbaar met bestaande infrastructuren, zoals spoorlijnen, waterwegen, buisleidingen of hoogspanningstracés. Bij de planning van deze corridors en knooppunten moet rekening worden gehouden met zeespiegelstijging en de ruimte die nodig is om hoge waterstanden op te vangen. Op korte termijn zijn fundamentele systeemkeuzes nodig. Bijvoorbeeld over de rol die waterstof inneemt in de energietransitie, over de bundeling van netwerken in corridors en over de clustering in knooppunten. Pagina 2 van 46
Ministerie van BZK Kenmerk 2022-0000268154
Nationale vraagstukken Hoe kan de energievraag en de vraag naar (schaarse) grondstoffen en materialen worden gereduceerd, om de ruimtelijke opgave rond het verduurzamen van de resterende vraag haalbaar te maken? Wat kan ruimtelijk beleid hieraan bijdragen? Welke systeemkeuzes horen daarbij? Hoe worden de noodzakelijke uitbreiding en versterking van de (inter)nationale netwerken – energie, vervoer, logistiek, data – in samenhang uitgewerkt met andere opgaven, zoals natuurontwikkeling, verstedelijking, gezondheid, landschappelijke kwaliteit, bodemkwaliteit en voldoende ruimte voor water? Is het gewenst om dergelijke netwerken te bundelen in corridors van wegen, spoorlijnen, waterwegen, buizen en hoogspanningsleidingen, inclusief slimme locaties voor opslag en conversie, en hoe geven we hier vorm aan? Is clustering van nieuwe bedrijvigheid, zoals logistiek langs de internationale corridors de juiste strategie? Kunnen hyperscale datacenters worden geclusterd op strategisch gekozen plekken? Zo ja, hoe kan dit worden vormgegeven en geïnstrumenteerd? Hoe worden de bestaande industrieclusters verduurzaamd? Dan gaat het om besparing en vergroening met vermindering van emissies, om de transitie naar een circulaire economie, om de functie die zij hebben in het toekomstige energiesysteem, om het benutten van restwarmte.
Hoe worden de kansen die de Noordzee biedt benut, voor de productie, het transport, de conversie en opslag van duurzame energie? Dit in relatie tot andere functies, zoals natuur, scheepvaart, archeologie, waterkering en visserij, en met het oog voor de manier waarop de bijbehorende infrastructuur aan land komt en de distributie georganiseerd wordt. Is er een hogere opgave voor de opwekking van duurzame energie op land? En zijn er dan ook nadere ruimtelijke richtinggevende uitspraken nodig om dit goed vorm te geven? Keuzes over het gewenste energiesysteem van de toekomst hebben ook grote ruimtelijke gevolgen, zoals de keuze voor de rol van waterstof. Hoe wordt in die keuze ook de ruimtelijke impact betrokken en is de uiteindelijke keuze gebaseerd op een integrale afweging? De energietransitie vraagt ook ruimte in de bodem en ondergrond voor nieuwe en andersoortige transportinfrastructuur, opslag en bijvoorbeeld geothermie. Hoe kan dat veilig worden gerealiseerd en ingepast naast andere waardevolle kwaliteiten en functies in de bodem en ondergrond, zoals de strategische watervoorraden.
Pagina 2 van 46
Ministerie van BZK Kenmerk 2022-0000268154
Perspectief 3 – Leefbare steden en regio’s
Dit perspectief gaat over de kracht van het stedelijke netwerk. Een netwerk van bereikbare, compacte steden met een hoge leefkwaliteit – waar wonen, werken en voorzieningen altijd nabij zijn –, omgeven door een palet aan mooie en waardevolle landschappen. Deze configuratie is uniek in de wereld. Opgaven Er zijn tot 2030 900.000 extra woningen nodig voor verschillende doelgroepen en in verschillende prijsklassen met speciale aandacht voor betaalbaarheid. En er is voldoende ruimte nodig voor de groei van de stedelijke economie: op bedrijventerreinen in en nabij de stad en gemengd met andere functies in de stad. Met voldoende ruimte voor en nabijheid van wonen en werken wordt de agglomeratiekracht versterkt. Het is belangrijk om de locaties hiervoor goed te kiezen, in te passen en in te richten. Daarbij gelden randvoorwaarden voor locatiekeuze en ontwikkeling, die gebaseerd zijn op de kenmerken van het bodem- en watersysteem, de kwaliteit van de leefomgeving (onder andere lucht en geluid), behoud van de natuurkwaliteit, het versterken van de agglomeratiekracht en het energie- en mobiliteitssysteem. Daarnaast staan we voor de transformatie van de bestaande gebouwde omgeving.
Daarin komen uiteenlopende opgaven samen, zoals verduurzaming, versterking van de biodiversiteit, gezondheid, mobiliteit en klimaatadaptatie (het doel is dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is ingericht), alsook sociale vraagstukken. Onderdeel hiervan is de transitie naar een circulaire economie waarvoor waarschijnlijk ruimte nodig is, maar die ook ruimtebesparend kan zijn door bijvoorbeeld een verschuiving van bezit naar gedeeld gebruik van mobiliteitsmiddelen. De problematiek van bodemdaling in het stedelijk gebied zorgt voor maatschappelijke en financiële schade aan gebouwen, funderingen, boven- en ondergrondse infrastructuur en beheer van de openbare ruimte daardoor. Dit vraagt aandacht in het bestaand stedelijk gebied en bij keuzes voor nieuwe locaties of randvoorwaarden voor inrichting. Naast uitbreiding van wonen en werken in de steden heeft ook de uitbreiding van opwekking van duurzame energie impact op de capaciteit van de elektricitieitsnetwerken, waar nu al grote knelpunten zijn. Dit zorgt mogelijk voor vertraging van de ontwikkeling van wonen en werken in de stad én de uitbreiding van opwekking op het land: als er onvoldoende ruimte is in de netwerken, is er
Pagina 2 van 46
Ministerie van BZK Kenmerk 2022-0000268154
uitbreiding nodig voordat er nieuwe locaties kunnen worden aangesloten. Het is een samenhangend vraagstuk want het vernieuwen, uitbreiden en vervangen van het energienetwerk vergt niet alleen tijd, maar ook ruimte – boven en onder de grond. Het gaat over het goed plannen van de uitbreiding van de netwerken én plannen van de ontwikkelingen aan die netwerken voor wonen, werken en de opwekking van duurzame energie. Mogelijke perspectieven De woningbouwopgave en de bijbehorende opgave voor voldoende werklocaties is een kans om het stedelijke netwerk te versterken. Door nieuwe woningen en werklocaties op en rond multimodale knooppunten te bouwen, en tegelijkertijd het veelzijdige mobiliteitsnetwerk (auto, openbaar vervoer, fiets) op te waarderen. En door ook de groenstructuren in de stad, van de stad naar buiten en rondom de steden te versterken. Het combineren van de opgave voor wonen en werken in de steden en het stedelijk netwerk en tegelijkertijd de aandacht voor de kwaliteit van deze steden versterkt de agglomeratiekracht van het netwerk als geheel, en onze internationale concurrentiepositie. De transformatie van steden en wijken gaat over het vergroten van de leefbaarheid en het creëren van een gezonde, schone en veilige leefomgeving in combinatie met het ruimtelijk vormgeven van de noodzakelijke transities.
Het gaat over het mengen en daarmee de nabijheid van functies (wonen, werken, voorzieningen), de transitie naar duurzame mobiliteit (meer openbaar vervoer, lopen en fietsen), verduurzaming (isoleren, zon op dak, benutten van warmtebronnen zoals geothermie, aquathermie en restwarmte, circulair bouwen, uitbreiding van de daarvoor benodigde netwerken), terugdringen van luchtverontreiniging en geluidhinder als gevolg van onder andere mobiliteit, het op een gezonde, landschappelijke en natuurinclusieve wijze inrichten van de openbare ruimte waardoor biodiversiteit toeneemt, hittestress afneemt en ruimte ontstaat voor de opvang en infiltratie van overtollig regenwater en het verbinden van stad en land. Van groot belang is hierbij ook het sociale vraagstuk: bouwen aan gemeenschappen en inclusieve steden voor de mensen die er wonen. Ruimtelijke oplossingen dragen daar deels aan bij, maar niet alleen. Bij al deze vraagstukken zijn verbanden met mobiliteit en data-infrastructuur van belang, inclusief de ordening daarvan op nationaal niveau: van wie is de warmte, hoe wordt de noodzaak van het benutten van geothermie afgewogen tegen drinkwaterbescherming en de benodigde infrastructuur? Door te combineren, te herschikken, te verdichten en te vergroenen kan dit worden opgelost – integrale planning op de schaal van wijk, stad en regio.
Tot besluit: het kan verstandig zijn om ontwikkelingen in het stedelijk netwerk meer in balans te brengen, en daardoor de ontwikkeling in zuidelijke, oostelijke en noordelijke delen van Nederland te vergroten, daar te ontwikkelen in gebieden die minder vatbaar zijn voor overstromingen, maar ook om het gehele netwerk van compacte en bereikbare steden op nationaal niveau meer in evenwicht te brengen en overal voldoende ruimte te houden voor kwaliteit en alle transformaties in het stedelijk gebied.
Pagina 2 van 46
Ministerie van BZK Kenmerk 2022-0000268154
Nationale vraagstukken Hoe draagt de woningbouwopgave en de behoefte aan werklocaties bij aan de versterking van het stedelijk netwerk en de agglomeratiekracht? Door verstedelijking te situeren rond multimodale knooppunten (waarbij dit multimodale netwerk zelf ook een opknapbeurt krijgt) en door goede inpassing van nieuwe woningen in bestaand stedelijk gebied of het landschap. Hoe worden deze toekomstbestendig gebouwd? Hoe wordt er voor nu en in toekomst een gezonde leefomgeving geborgd met oog voor onder andere de impact van geluid en uitstoot van schadelijke stoffen en hoe wordt daarmee de leefkwaliteit van de bestaande stad vergroot? En hoe groeit groen daarin mee? Hoe wordt omgegaan met de problematiek door bodemdaling in het stedelijk gebied? Als het gaat om bouwen: waar en hoe? Wat zijn de eisen die het bodem- en watersysteem stellen aan de locatie waar de ontwikkeling plaatsvindt én hoe wordt er ontwikkeld? Wordt buitendijks bouwen uitgesloten? Wordt grootschalige ontwikkeling uitgesloten in kwetsbare gebieden waar bijvoorbeeld de risico’s op overstroming of bodemdaling hoog zijn? En als er wel wordt gebouwd in dit soort gebieden: welke randvoorwaarden en welke aangepaste vormen zijn dan denkbaar? Wat zijn de gevolgen van bouwen in het landschap voor mobiliteit en bereikbaarheid? Welke voorwaarden zijn noodzakelijk vanuit het perspectief van natuurlijke en
landschappelijke kwaliteit of gezondheid? Hoe bouwen we natuurinclusief? Is het meer in evenwicht brengen van het stedelijk netwerk door de verstedelijking (wonen en werken) meer richting het zuiden, noorden en oosten van het land te verleggen de juiste strategie en hoe geven we daar vorm aan? Hoe krijgt de transformatie van de bestaande dorpen en steden vorm, waar zoveel opgaven tegelijk samenkomen? Hoe wordt met kwaliteit vormgegeven aan de verduurzaming en verdichting van steden en dorpen? Hoe wordt invulling gegeven aan de mobiliteitstransitie en circulaire economie, en hoe kan een groene en klimaatadaptieve inrichting ertoe leiden dat steden en regio’s leefbaar, gezond, veilig, natuurinclusief, mooi, aangenaam, sociaal en toekomstbestendig zijn? Wat is er nodig voor een goede ordening van de ondergrond? Veel opgaven (energietransitie, klimaatadaptatie, biodiversiteit) hebben ruimte nodig in de ondergrond. Zonder regie dreigt de uitvoering vast te lopen en zijn de kosten onnodig hoog, zeker in het stedelijk gebied.
Hoe krijgt de lokale en regionale opwekking van duurzame energie en de regionale systemen die daarvoor nodig zijn (netwerken, opslag, conversie, slim gebruik) vorm in samenhang met andere opgaven, zoals de verstedelijkingsplannen, mobiliteitstransitie, beschikbare ruimte en de staat van de benodigde netwerken? Hoe komt er een goede balans in gebieden waar de impact op leefkwaliteit, veiligheid en gezondheid potentieel groot is? Denk aan goederencorridors in het zuidoosten van Nederland, Schiphol en (inter)nationale corridors in de stad – zoals Utrecht dat als ‘draaischijf’ fungeert in een (inter)nationaal spooren wegennetwerk, en havens en industrieclusters met milieueffecten op de verstedelijking in Amsterdam en Rotterdam.
Pagina 2 van 46
Ministerie van BZK Kenmerk 2022-0000268154
B. Ruimtelijke regie
In dit deel wordt uitgewerkt hoe invulling wordt gegeven aan de ruimtelijke regie waarbij alle partijen hun eigen verantwoordelijkheid nemen én samenwerken. In het deel B1. wordt aangegeven met welke nationale programma’s het kabinet de grote opgaven in het fysieke domein wil aanpakken. Voor elk van deze programma’s wordt toegelicht welke nationale keuzes in dit programma worden gemaakt. In deel B2. wordt vervolgens aangegeven hoe gezorgd wordt dat de doelen uit die nationale programma’s – in combinatie met de decentrale opgaven ruimtelijk passen. Dit gebeurt per provincie. Hierdoor ontstaat zekerheid dat alle opgaven ruimtelijk inpasbaar zijn en de programma’s dus ook in onderlinge samenhang zijn uit te voeren. Naast deze ruimtelijke regie per provincie wordt ingezet op een gebiedsgerichte regie voor een aantal regio’s waar duidelijk is dat de nationale opgaven stapelen. In deel B3. is te lezen voor welke gebieden dit geldt en welke aanpak hierbij hoort.
Pagina 2 van 46
Ministerie van BZK Kenmerk 2022-0000268154
B1. Nationale ruimtelijke keuzes
Er zijn ambitieuze doelen gesteld voor de nationale programma’s waarmee dit kabinet de grote opgaven in het fysieke domein aanpakt. Daaruit volgen vaak ruimtelijk structurerende keuzes. Het Rijk heeft daarin een integrale verantwoordelijkheid – inclusief de ruimtelijke bestemming voor de nationale netwerken – voor energie, bereikbaarheid en het hoofdwatersysteem. Voor een goede uitvoering is het wezenlijk om die ruimtelijke keuzes op elkaar te leggen en te toetsen of alles ‘past’. Veel van deze keuzes hebben ook een verstrekkender effect dan alleen de borging van één nationale opgave. Er is dus een samenhangende afweging noodzakelijk om de juiste ruimtelijke keuzes te maken die oplossingen bieden voor meerdere nationale opgaven. Deze nationale ruimtelijke keuzes zijn kaderstellend voor het Rijk en voor de decentrale overheden. Daarbij hoort ook het uitgangspunt om de opgaven met behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit, leefomgeving, en versterking van het landschap en erfgoed aan te pakken. Gelet op het verzoek aan de 12 provincies om die ruimtelijke puzzel te leggen tussen oktober 2022 en juli/oktober 2023, worden deze keuzes zo veel mogelijk voor 1 oktober 2022 gemaakt. Daar waar het nog niet mogelijk is om keuzes te maken vóór 2022 worden deze al wel aangekondigd en zoveel mogelijk in de tijd geplaatst.
Pagina 2 van 46
Ministerie van BZK Kenmerk 2022-0000268154
Nationale programma’s ten aanzien van het bodem- en watersysteem
Programma Water en Bodem Sturend: Dit programma van het ministerie van IenW operationaliseert het principe ‘water en bodem sturend’ uit het Coalitieakkoord. Hierin wordt het Nationaal Water Programma 2022-2027 nader uitgewerkt. Het formuleert de randvoorwaarden en structurerende keuzes die nodig zijn om de draagkracht van water- en bodemsystemen structureel ruimtelijk te borgen. Het programma richt zich op de thema’s verziltende kust en polders, laagveengebieden, hoge zandgronden, klimaat- en waterrobuust verstedelijken, ruimte voor het watersysteem en de bescherming van de bodem en ondergrond. De lopende en in ontwikkeling zijnde programma’s op het gebied van water en bodem leveren belangrijke handvatten om water en bodem sturend te laten worden. Het gaat hierbij om het Programma Integraal Riviermanagement, het Programma Bodem en Ondergrond, het Kennisprogramma Zeespiegelstijging, de adviezen uit de Beleidstafel Wateroverlast en Hoog Water, de aanbevelingen van de Studiegroep Grondwater het Deltaprogramma. Een goede verbinding met de programma’s Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) en op het gebied van woningbouw en energietransitie is van groot belang. In september volgt een Kamerbrief waarmee de inzet van het programma wordt uiteengezet.
Pagina 2 van 46
Ministerie van BZK Kenmerk 2022-0000268154
Nationale keuzes die in dit programma worden gemaakt: Keuzes over het reserveren van ruimte voor opvang en afvoer van water: De klimaatverandering zorgt ervoor dat we rekening moeten houden met extreem weer met als gevolg tijdelijk hogere neerslag, hogere afvoer van rivieren en langere periodes van droogte. Hierdoor is er meer ruimte nodig voor het watersysteem, de waterberging en zoetwatervoorraad. De invulling daarvan vergt nadere uitwerking. Keuzes over de woningbouw in relatie tot de randvoorwaarden met betrekking tot het water- en bodemsysteem. In het kader van de woningbouwopgave is het van belang om Nederland klimaatbestendig en waterrobuust in te richten. Risico’s voor waterveiligheid, wateroverlast en droogte voor onze huidige steden en bebouwing en voor de nieuw te bouwen woningen mogen – ondanks de klimaatverandering – niet toenemen. Dit wordt betrokken bij de
-
-
-
verdere uitwerking van het beleid op gebied van water en bodem en bij gebiedsontwikkeling, de inpassing en bouwwijze van woningbouw, andere gebouwen en infrastructuur.
Keuzes over het gebruik van de beekdalen. Om de effecten van wateroverlast bij extreem weer, watertekort bij aanhoudende droogte, verdroging van natuurgebieden en verslechtering van de waterkwaliteit tegen te gaan, zijn aanvullende eisen aan het gebruik van beekdalen nodig. Versnelde stijging van de zeespiegel en verminderde beschikbaarheid van zoetwater zorgt ervoor dat er op termijn onvoldoende zoetwater beschikbaar is voor het tegengaan van verzilting. Hiervoor is het noodzakelijk om grenzen te formuleren voor beschikbaarheid van zoetwater uit het hoofdwatersysteem voor doorspoeling van het regionale watersysteem. De daarvoor te maken keuzes worden in belangrijke mate gebaseerd op het kennisprogramma zeespiegelstijging. Grondwateronttrekkingen, ontwatering en waterbehoefte van grondwaterafhankelijke natuurgebieden moeten weer in balans worden gebracht met grondwateraanvulling door onder andere regenwater beter vast te houden en watergebruik te verminderen. De studiegroep Grondwater zal aanbevelingen doen voor de keuzes die daarvoor nodig zijn.
Programma Bodem en Ondergrond: Dit programma van de staatssecretaris van IenW ontwikkelt samen met medeoverheden een samenhangend beleid voor duurzaam bodemgebruik en ordening van de ondergrond. Er wordt aangestuurd op vitale bodems, die blijvend natuurlijke diensten leveren (koolstofopslag, grondwatervoorraden, voedingsbodem, etc.). Er liggen veel claims op dezelfde ondergrondse ruimte. Om te voorkomen dat functies in de knel komen en doelen niet gehaald, wordt meer regie gevoerd op de ondergrondse ruimte. De vaststelling is voorzien in 2023. Nationale keuzes die in dit programma worden gemaakt: Verdergaand herstel is nodig. De bodem in Nederland is verontreinigd door jarenlang verkeerd gebruik. Er is een succesvolle bodemsaneringsoperatie opgestart, die nog niet is afgerond. Een vitale bodem is essentieel voor onze maatschappelijke opgaven. Het aansturen op ‘vitale bodems’ betekent dat naast verontreiniging ook biologische en fysische indicatoren nodig zijn. Pagina 2 van 46
Ministerie van BZK Kenmerk 2022-0000268154
-
Van de ondergrond wordt vaak verlangd dat meerdere zaken op dezelfde plek worden gerealiseerd terwijl dat niet kan. Het is daarom essentieel dat IenW meer regie op de ruimtelijke ordening van de ondergrond neemt. Het voorkomen van vergrijzing van grondwater maakt hiervan onderdeel uit.
Programma Integraal Rivier Management (IRM): Dit programma van de minister van IenW werkt aan bevaarbare rivieren en een veilig, vitaal en aantrekkelijk Maas- en Rijngebied. Samen met stakeholders uit het rivierengebied zorgen we ervoor dat waterveiligheid, bevaarbaarheid, zoetwaterbeschikbaarheid, waterkwaliteit, natuur en een (economisch) aantrekkelijke leefomgeving met elkaar in balans komen en blijven. In 2023 is de gezamenlijke toekomstvisie klaar en worden de hoofdkeuzes vastgesteld in het Programma IRM. Nationale keuzes die in dit programma worden gemaakt: In een programma IRM worden beleidskeuzes gemaakt over afvoer- en bergingscapaciteit, sedimenthuishouding en bodemligging van Maas en Rijntakken. Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP): Dit programma is ontwikkeld door de ministers van IenW, LNV en BZK en beschrijft de hoofdlijnen van het waterbeleid en het beheer van de Rijkswateren en de Rijksvaarwegen voor de periode 2022-2027. De wateropgaven in Nederland worden door klimaatverandering, bodemdaling, milieuverontreiniging, biodiversiteitsverlies en ruimtedruk steeds groter en complexer. In de uitvoering ligt bovendien een grote opgave om verouderde infrastructuur zoals bruggen en sluizen in stand te houden en waar nodig te vervangen of te renoveren.
Belangrijke onderdelen van het NWP zijn de stroomgebiedbeheerplannen, het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee. In maart 2022 is het NWP vastgesteld. Deltaprogramma: In het Deltaprogramma werken het rijk, provincies, gemeenten en waterschappen – met inbreng van maatschappelijke organisaties, kennisinstellingen en het bedrijfsleven – samen aan de bescherming van Nederland tegen hoogwater, de zorg voor voldoende zoetwater en een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting. In het programma werken de overheden in zeven deelgebieden samen aan drie thematische deelprogramma’s met onderliggende vertakkingen in de regio’s. Zesjaarlijks worden zogenoemde deltabeslissingen en voorkeursstrategieën herijkt (eerstvolgende in 2026). Daarnaast adviseert de Deltacommissaris gevraagd of uit eigen beweging.
Pagina 2 van 46
Ministerie van BZK Kenmerk 2022-0000268154
Nationale programma’s ten aanzien van Perspectief voor landbouw en natuur
Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG): Het NPLG is een beleidsprogramma onder de NOVI, met LNV, IenW en BZK als opdrachtgevers. In het NPLG worden gebiedsgerichte opgaven en maatregelen gebundeld voor natuur, stikstof, landbouw, water, bodem en klimaat. De EU-eisen zijn leidend: Vogel- en Habitatrichtlijn voor Natura 2000-gebieden, Kaderrichtlijn Water en afspraken voor broeikasgassen door landbouw en landgebruik. In het Coalitieakkoord is het doel van het NPLG vastgelegd en is in het fonds landelijk gebied 25 miljard euro extra gereserveerd voor de financiering van deze ambities. In oktober 2022 is per provincie een pakket van doelen, indicatieve maatregelen en een indicatief budget beschikbaar, en zijn voor het landelijk gebied structurerende keuzes geformuleerd voor bodem en water, en stikstof. Op basis daarvan gaan medeoverheden, onder regie van de provincies en met het Rijk als partner, aan de slag om provinciale programma’s voor het landelijk gebied op te stellen. Deze zijn 1 juli 2023 gereed. De eerste versie van de gebiedsplannen met betrekking tot stikstof worden hiertoe verder ontwikkeld. Nationale keuzes die in dit programma worden gemaakt: Keuzes voor een betere ruimtelijke bescherming van goede landbouwgrond, zodat de beste landbouwgrond voor landbouw kan worden behouden1. Het bodem- en watersysteem vormt bij de beoordeling een belangrijk uitgangspunt.
Denk aan vitale bodems, onder andere organisch stofgehalte, beschikbaarheid van (grond)water en het anticiperen op de toename van verzilting van bodems en oppervlaktewater. In gebieden waar de omstandigheden voor de landbouw minder gunstig zijn, is het belangrijk dat boeren in staat worden gesteld hun bedrijfsvoering aan te passen aan de eisen die het water- en bodemsysteem en natuur en landschap stellen, om daarvoor een bedrijfseconomisch perspectief te kunnen ontwikkelen. Het perspectief voor de landbouw – de ontwikkelmogelijkheden voor landbouwbedrijven – verschillen per gebied, al naar gelang de mogelijkheden 1
Kamerstuk 33 037, nr. 402 Pagina 2 van 46
Ministerie van BZK Kenmerk 2022-0000268154
-
-
en de beperkingen die vanuit de omgeving gelden. Daarom kiest het kabinet voor een aanpak waarin op gebiedsniveau plannen worden gemaakt met goede betrokkenheid van de regio en sector. In het Nationaal Programma Landelijk Gebied (het NPLG) spreken rijk en provincies de kaders voor de gebiedsgerichte uitwerking af. In gebieden waar de druk op de natuur en het milieu zwaar is (denk aan De Veluwe, Gelderse Vallei of De Peel), is de transitie van de landbouw urgent. In die gebieden kan veel meer nadruk komen op extensivering en op de rol van landbouw in het beheer van natuur en landschap. Keuzes over systeemherstel van de Natura 2000 gebieden in de overgangsgebieden landbouw-natuur: de inzet is om overgangsgebieden rond Natura 2000 te realiseren waarbij de opgaven voor natuur, stikstofreductie, klimaat, water en verduurzaming van landbouw gelijktijdig kunnen worden aangepakt. De uitwerking vindt plaats in gebiedsplannen, waarin aandacht is voor het bieden van duurzaam perspectief aan de landbouw, een brede welvaart en behoud van een vitaal landelijk gebied. Keuzes die zorg dragen voor het terugdringen van bodemdaling in de veenweidegebieden: bodemdaling van veenweidegebieden levert maatschappelijke en financiële schade op door verzakking van gebouwen en infrastructuur. In het landelijk gebied leidt bodemdaling tevens tot emissies van broeikasgassen.
De opgaven in het landelijk gebied worden uitgewerkt als onderdeel van het NPLG. In het programma Water en Bodem Sturend zal het ministerie van IenW in kaart brengen of en zo ja welke eventuele aanvullende maatregelen nodig zijn om bodemdaling - ook op langere termijn - tegen te gaan.
Programma Natuur/Agenda Natuurinclusief: Dit programma van de minister voor Natuur en Stikstof is gericht op het halen van de doelen van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor het daadwerkelijk realiseren van de VHR-doelstellingen is het van belang dat ook buiten de Natura 2000-gebieden maatregelen worden genomen om achteruitgang van soorten en leefgebieden tegen te gaan. Het Programma Natuur bestaat uit een uitvoeringsprogramma voor Natuurherstel en de Agenda natuurinclusief. Het uitvoeringsprogramma levert een belangrijke bijdrage aan het realiseren van de juiste condities voor een gunstige of verbeterde staat van instandhouding van alle soorten en habitats onder de VHR. In samenwerking met de provincies wordt deze zomer een Agenda Natuurinclusief gepresenteerd. Nationale keuzes die in dit programma worden gemaakt: De Europese Commissie zal waarschijnlijk een norm stellen van 10 procent landschapselementen in het agrarisch gebied, die verbindingen tussen natuurgebieden en agrarische biodiversiteit versterken. Vanuit het Aanvalsplan ‘Versterking Landschappelijke identiteit via Landschapselementen’ wordt momenteel uitgewerkt wat ervoor nodig is om dit in het landelijk gebied te realiseren. Deze dooradering draagt tevens aantoonbaar bij aan het realiseren van de waterkwaliteitsdoelen.
Pagina 2 van 46
Ministerie van BZK Kenmerk 2022-0000268154
Nationale programma’s voor Ordenende netwerken voor energie en een (circulaire) economie
Programma Energiehoofdstructuur (PEH): Dit programma van de minister voor KenE is gericht op de ruimtelijke planning van het energiesysteem op nationale schaal. Voor de zomer 2023 wordt het ontwerpprogramma opgeleverd. De minister voor KenE zorgt in samenhang daarmee via het Nationaal Programma
Pagina 2 van 46
Ministerie van BZK Kenmerk 2022-0000268154
Infrastructuur Duurzame Energie (PIDI) voor versnelling van de realisatie van de infrastructuurplannen die de industrie nodig heeft om de klimaatdoelstellingen te behalen. De planning van PIDI loopt mee in de begrotingscyclus van het Rijk. Jaarlijks vindt in het najaar het BO MIEK plaats waarin investeringsplannen concreet worden gemaakt. Nationale keuzes die in dit programma worden gemaakt: Ruimtelijke keuzes over energieinfrastructuur van nationaal belang met een integrale afweging: Het programma energiehoofdstructuur richt zich op het tijdig borgen van voldoende ruimte voor het energiesysteem in 2050. Daarvoor worden vanuit verschillende scenario’s ontwikkelrichtingen vastgelegd voor nationale transportinfrastructuur, grootschalige conversiestations voor waterstof en opslaglocaties op het land. Het energiesysteem heeft een grote ruimtelijk structurerende werking en moet daarom in samenhang worden gezien met onder andere de ontwikkelingen in het landelijk gebied, woningbouw en bedrijvigheid, en het water- en bodemsysteem.
Nationaal Plan Energiesysteem: Overkoepelend werkt de minister voor KenE aan een Nationaal Plan Energiesysteem voor 2050 waarmee vanuit de publieke belangen van leveringszekerheid, betaalbaarheid, veiligheid en ruimtelijke inpasbaarheid ook richting wordt gegeven aan de gewenste ontwikkeling van het energiesysteem (dat voor een groot deel ruimtelijk geborgd wordt in eerdergenoemde programma’s). Programma Noordzee en partiële herziening en VAWOZ: Doel van dit programma onder leiding van de minister van IenW is om te komen tot een gezonde Noordzee met een duurzaam gebruik, waarbinnen plek is voor beschermde natuurwaarden, een duurzame visserij en voldoende ruimte voor windparken op zee, zeescheepvaart en andere gebruikers. In samenhang hiermee worden in de Verkenning Aanlanding Wind Op Zee (VAWOZ) verschillende kansrijke kabel- en buisleidingentracés vanuit de windenergiegebieden op zee naar mogelijke aanlandlocaties onderzocht. Nationale keuzes die in dit programma en deze verkenning worden gemaakt: Keuze voor extra energieopwekking op zee: In maart 2022 heeft het kabinet nieuwe gebieden aangewezen voor windparken, waarmee de capaciteit van wind op zee voor 2030 wordt verdubbeld tot circa 21 GW. Om de CO2reductiedoelstellingen voor 2035 en 2040 te behalen, zijn er aanvullende windenergiegebieden nodig.
De keuze voor maximale opwekking van energie op zee betekent dat er meer ruimte nodig is op zee en voor de aanlanding in de kustgebieden. Daarbij moet rekening worden gehouden met het effect op de natuur en biodiversiteit in de gebieden en de landschappelijke en recreatieve kwaliteit van de zee en de kust. Eind 2023 staat de vaststelling gepland van de partiele herziening van het Programma Noordzee 2022-2027. Keuze over aanlanding energie vanuit zee zoveel mogelijk waar concentratie van vraag is: Op basis van deze verkenning worden besluiten genomen over te starten ruimtelijke procedures voor het nader onderzoeken en ruimtelijk inpassen van tracés en aansluitingen op het hoogspanningsnet of het Pagina 2 van 46
Ministerie van BZK Kenmerk 2022-0000268154
waterstofnet. Hier wordt in het bijzonder ook de verbinding gemaakt met de plannen voor de verduurzaming van de industrie, aangezien het matchen van vraag en aanbod ruimtelijk en ook energetisch efficiënt is. Oplevering van de verkenning is voorzien in september 2023. Programma Regionale Energiestrategieën: In 30 RES’en werken decentrale overheden met het Rijk samen met maatschappelijke partners, netbeheerders, het bedrijfsleven en bewoners een aantal afspraken uit het Klimaatakkoord uit. In het bijzonder gaat het hier om keuzes voor grootschalige elektriciteitsopwekking op het land richting 2030. De oplevering van de RES’en 1.0 was op 1 juli 2021. In juli 2023 wordt de RES 2.0 opgeleverd waarin nieuwe inzichten en nadere keuzes over de warmtevoorziening en hernieuwbare opwekking zijn verwerkt. Daarna vindt een tweejaarlijkse update van de RES’en plaats. Beleidsbrief Zon: In de beleidsbrief zon van mei 2022 wordt door de minister voor KenE samen met de minister voor VRO keuzes gemaakt over de opwek van duurzame energie uit zon. Nationale keuzes in deze brief worden gemaakt: Maximaal zon op dak: De opgave voor hernieuwbare energie op het land blijft nodig. Dubbel ruimtegebruik is noodzakelijk, ook met het oog op maatschappelijk draagvlak voor opwekking. Het kabinet zet erop in dat daken en andere objecten maximaal kunnen worden benut voor de opwekking van zonne-energie.