CConstaterende datLelystad
Koppel je AI →
Document · PDF

BL D Bureau Buiten Beleidskader LAB2 09-10-2023

Raadsvergadering 30 juni 2026, gemeente LelystadBij agendapunt: 26.285 Vervolg Lelystad Airport Businesspark fase 210.301 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

LELYSTAD AIRPORT BUSINESSPARK FASE 2 Beleidskader

1

Lelystad Airport Businesspark fase 2

Auteur(s): drs Joost Hagens Wouter Maat MSc Projectnummer 1890

Beleidskader

Aangeboden aan: Provincie Flevoland en gemeente Lelystad 9 oktober 2023

2

Inhoudsopgave 1

Inleiding

4

1.1 1.2 1.3

Lelystad Airport Businesspark 2 Onderzoek bureau BUITEN en Stadskwadraat Opbouw van dit beleidskader

4 4 4

2

Relevante beleidskaders en -inspanningen op Rijksniveau

5

2.1 2.2

Wet- en regelgeving Programma’s en visies

5 8

3

Relevante beleidskaders en -inspanningen op provinciaal niveau12

3.1 Wet- en regelgeving 12 3.2 Programma’s en visies 12 3.3 Regionale Energie Strategie Flevoland (RES) en doorvertaling naar Omgevingsverodening 16 4

Relevante beleidskaders en -inspanningen op gemeentelijk niveau 18

4.1 4.2

Wet- en regelgeving Programma’s en visies

18 18

5

Conclusie

27

3

1 Inleiding 1.1 Lelystad Airport Businesspark 2 De eerste fase van Lelystad Airport Businesspark (LAB) nadert zijn voltooiing. Door de gunstige centrale ligging in het land op het kruispunt van de A6 en de N302 en nabij Lelystad Airport en Flevokust Haven zien gemeente Lelystad en provincie Flevoland een grote bovenregionale potentie voor de tweede fase van LAB. De vraag naar ruimte voor bedrijvigheid is hoog in veel segmenten. Daarom kunnen er voor het gebied keuzes worden gemaakt en eisen gesteld. De bedoeling is om op LAB2 een onderscheidend vestigingsklimaat te creëren dat de brede welvaart in Flevoland versterkt en leidt tot diversificatie van de werkgelegenheid.

1.2 Onderzoek bureau BUITEN en Stadskwadraat Gemeente Lelystad en Provincie Lelystad hebben voor LAB2 een onderzoek uitgezet dat moet resulteren in de volgende drie producten: • Een Nota van Uitgangspunten (NvU), waarin ontwikkelrichtingen worden bepaald en verder worden uitgewerkt en een haalbare voorkeursrichting wordt gekozen. Een financiële quick scan vormt onderdeel van het keuzeproces naar de voorkeursrichting. • Een Beleidskader, met daarin randvoorwaarden voor de ontwikkeling van Lelystad Airport Businesspark 2. • Een Businesscase waarmee de financiële haalbaarheid getoetst wordt en die een basis vormt voor een later op te stellen ontwikkelstrategie.

Dit rapport is het beleidskader. De twee andere producten worden als afzonderlijke rapportages uitgebracht, maar ze hangen onderling uiteraard samen. Het gehele onderzoek is uitgevoerd door Bureau BUITEN als hoofdaannemer en Stadkwadraat als onderaannemer voor de planeconomische onderdelen (de quick scan en de Businesscase).

1.3 Opbouw van dit beleidskader In dit beleidskader onderscheiden we twee soorten documenten:

1. Wet- en regelgeving; 2. en programma’s en visies met daarin doelen en ambities die richting geven aan beleid. Aan de hand van wet- en regelgeving worden mogelijkheden en onmogelijkheden van de ontwikkelrichtingen getoetst en de visies- en programma’s laten zien of de ontwikkelrichtingen in lijn zijn met de actuele plannen en ambities van overheden. Het beleidskader bevat per beleidsdocument een korte omschrijving met daaraan gekoppeld de impact op de gekozen ontwikkelrichtingen voor LAB2. • • • •

In hoofdstuk twee worden de beleidsdocumenten op Rijksniveau onder de loep genomen. In hoofdstuk drie worden de beleidsdocumenten op provinciaal niveau bekeken. In hoofdstuk vier worden de beleidsdocumenten op gemeentelijk niveau onderzocht. In hoofdstuk vijf concluderen we vervolgens wat harde eisen/randvoorwaarden zijn en welke ambities wel of niet strijdig zijn de gekozen ontwikkelrichtingen.

4

2 Relevante beleidskaders en inspanningen op Rijksniveau In (het ruimtelijk) beleid richt de Rijksoverheid zich op de nationale belangen, zoals: • Versterking van de economie. Bijvoorbeeld samen met andere overheden te zorgen voor een goed vestigingsklimaat. • Hoofdnetwerken van wegen, spoor en vaarwegen in stand houden en beter benutten. • Verbetering van de kwaliteit van water, bodem en lucht. • Nederland beschermen tegen wateroverlast en overstromingen. • Behoud van unieke cultuur en natuur, zoals de werelderfgoederen.

2.1 Wet- en regelgeving

• • • • •

bijeenkomst, zoals cafés, restaurants, kinderopvang en vergadercentra gezondheidszorg, zoals ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingshuizen logies, zoals hotels en pensions sport, zoals sporthallen, stadions, zwembaden winkels, zoals supermarkten, warenhuizen, showrooms van garages

Vanaf 2023 is ieder kantoor in Nederland groter dan 100 m² verplicht om minimaal energielabel C te hebben. Gebouwen en gebouwdelen met alleen een industriefunctie, die zijn opgeleverd, verkocht of verhuurd, hoeven niet een verplicht energielabel te hebben. Gebouwen die naast de industriefunctie één of meer gebruiksfuncties hebben die wel energielabelplichtig zijn, geldt alleen een energielabelverplichting als het gebruiksoppervlakte van het energielabelplichtige deel groter is dan 50 m².

2.1.1 De Wet ruimtelijke ordening/ Omgevingswet De Wet ruimtelijke ordening regelt hoe de ruimtelijke plannen van Rijk, provincies en gemeenten tot stand komen. De Omgevingswet gaat de Wet ruimtelijke ordening vervangen. Met de Omgevingswet wil de overheid de regels voor ruimtelijke ontwikkeling vereenvoudigen en samenvoegen. De datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet is 1 januari 2024. Volgens de Omgevingswet maken gemeenten, provincies en het Rijk ieder een omgevingsvisie (hoofdstuk 3 en 4).

Impact ontwikkelrichtingen Met de ontwikkeling van het vastgoed op LAB2 moet rekening worden gehouden met de energielabelverplichting. Hoewel gebouwen en gebouwdelen met alleen een industriefunctie uitgezonderd zijn van de energielabelverplichting, zijn laboratoriumfuncties, onderwijs en kantoren dat niet. De energielabel wetgeving vormt daarmee geen belemmering voor de gekozen ontwikkelrichtingen maar is wel een aandachtspunt voor de initiatiefnemers.

2.1.2 Energielabel wetgeving Bij verkoop, verhuur of oplevering van utiliteitsgebouwen is een energielabel verplicht. Het geldt voor gebouwen met de volgende functies (dit kan 1 functie zijn, maar ook een combinatie van meerdere functies): • kantoor • onderwijs, zoals scholen en universiteiten

2.1.3 De Wet Geluidhinder De belangrijkste onderwerpen die in de Wet geluidhinder geregeld worden zijn: • Industrielawaai, voor zover dit betrekking heeft op ‘gezoneerde industrieterreinen’ • Wegverkeerslawaai: – bouwen van woningen langs wegen (niet voor 30 km/u-wegen)

5

–

•

aanleg/ wijzigen van wegen (niet voor hoofdwegen en 30 km/uwegen) Spoorweglawaai: – bouwen van woningen langs spoorwegen – aanleg / wijzigen van secundaire spoorwegen (niet het hoofdspoorwegnet)

Geluid van vliegtuigen valt niet binnen de scope van de Wet Geluidhinder, maar binnen de Wet luchtvaart. In een luchthavenbesluit of luchthavenregeling worden vervolgens grenswaarden voor geluid vastgelegd.

Impact ontwikkelrichtingen Het gebied rondom Lelystad Airport en dus ook LAB2 kent verschillende hoogtebeperkingen vanwege de vliegveiligheid en de werking van de apparatuur voor luchtverkeersdienstverlening: • Op de gronden gelegen binnen de gebieden met hoogtebeperkingen in verband met vliegveiligheid zijn geen obstakels toegestaan hoger dan 41,3 meter. • Op de gronden gelegen binnen de gebieden met hoogtebeperkingen in verband met de goede werking van de apparatuur voor luchtverkeerscommunicatie, -navigatie of -begeleiding zijn geen obstakels toegestaan hoger dan de op de kaarten (figuur 1.1 en figuur 1.2) aangegeven waarden.

Impact ontwikkelrichtingen Binnen het zoekgebied van LAB2 vallen verschillende boerderijen waar gewoond wordt. Deze woningen blijven mogelijk staan en dat geeft beperkingen. Volgens de Wet geluidhinder mag de geluidbelasting van een industrieterrein niet meer zijn dan 50 dB. De Crisis- en herstelwet (Chw) geeft voor bepaalde projecten de mogelijkheid om van geluidregelgeving af te wijken. Dit geldt voor ‘Ontwikkelingsgebieden’ en ‘Innovatieve experimenten’. Met de ontwikkeling van LAB2 dient dus rekening te worden gehouden met de maximale geluidbelasting.

In een deel van het gebied is de maximale bouwhoogte daarmee 16,3 meter. Veel bedrijfsgebouwen kennen een maximale vrije hoogte van circa 12 meter (circa 14 meter inclusief dak) bij nieuwbouw. Hogere gebouwen komen wel voor in de markt, bijvoorbeeld tot 18 meter of (met een tussenvloer) tot circa 25 á 30 meter. Deze hogere bedrijfsgebouwen kunnen dus niet overal op LAB2 worden gerealiseerd. Hetzelfde geldt voor de realisatie van windturbines.

2.1.4 Luchthavenbesluit Lelystad Airport In het luchtvaartbesluit staat wat er op en bij een luchthaven wel en niet mag. Er is voor elke luchthaven in Nederland een luchthavenbesluit. Dit besluit heeft betrekking op de luchthaven Lelystad. In dit luchthavenbesluit staan beperkingen m.b.t. geluidbelasting, (externe) veiligheid, hoogtebeperkingen, vogelaantrekkende bestemmingen en grondgebruik en Laserstraalvrij gebied.

Daarnaast kent het gebied waarin LAB2 ligt ook beperkingen ten aanzien van vogelaantrekkende bestemmingen en grondgebruik. Een bestemming of grondgebruik binnen de volgende categorieën is niet toegestaan: • industrie in de voedingsopslag met extramurale opslag of overslag (anders dan in een volledig afgesloten gebouw); • viskwekerij met extramurale opslag; • afvalstoffen met extramurale opslag of verwerking; • natuurgebied of vogelgebied; • moerasgebied of oppervlaktewater groter dan 3 hectare.

6

Ten slotte wordt een bestemming voor of een gebruik door een laserstraal die de vliegveiligheid kan verstoren niet toegestaan in het gebied rondom Lelystad Airport waaronder LAB2.

Figuur 1.2: hoogtebeperkingen in meters vanwege vliegveiligheid t.o.v. het zoekgebied LAB2

Kortom, het Luchthavenbesluit kan mogelijk tot knelpunten / belemmeringen leiden voor de gekozen ontwikkelrichtingen. De bouwhoogte kan daarmee tot directe implicatie leiden bij de ontwikkeling van LAB2. Figuur 1.1: hoogtebeperkingen in meters vanwege vliegveiligheid t.o.v. het zoekgebied LAB2

2.1.5 Wet natuurbescherming In de Wet natuurbescherming staan regels voor de bescherming van dieren en planten in Nederland. De provincies voeren deze wet vervolgens uit. Impact ontwikkelrichtingen Met de ontwikkeling van LAB2 moet rekening worden gehouden met de Wet natuurbescherming. Er is een verbod op het verstoren of beschadigen van beschermde soorten dus met de ontwikkeling van LAB2 dient daar rekening mee te worden gehouden.

7

2.1.6

De wet stikstofreductie en Nationaal Programma Landelijk Gebied: reductie stikstofuitstoot De stikstofcrisis heeft sinds de PAS-uitspraken van De Raad van State in 2019 grote invloed op ontwikkelingen in het landelijk gebied, met name voor de landbouwsector. De intensieve veehouderij is specifiek een punt van aandacht omdat dit gemoeid gaat met veel stikstofuitstoot. Op 1 juli 2021 trad de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking. Het doel van deze wet is het verminderen van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige natuurgebieden om te voldoen aan de wettelijke omgevingswaarden in de Wet natuurbescherming en het verbeteren van de natuur door het halen van de instandhoudingsdoelstellingen in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Op 16 december 2022 is vervolgens het programma Stikstofreductie en Natuurverbetering vastgesteld. Dit programma is de motor in de bovengenoemde structurele stikstofaanpak: het voorziet in een uitvoeringsplicht voor maatregelen die opgenomen zijn in het structurele pakket maatregelen en versterkt de samenhang. De vaststelling van het Nationaal Programma Landelijk gebied wordt in het voorjaar van 2024 verwacht. De provincies hebben vanaf medio 2022 één jaar de tijd hebben om het ‘gebiedsplan’ uit te werken, wat dus medio 2023 uitgewerkt zou moeten zijn.

Impact ontwikkelrichtingen Het Rijksbeleid voor stikstof heeft consequenties voor een deel van de landbouwbedrijven en andere economische activiteiten (zoals de bouw) in de buurt1 van een beschermd Natura 2000-gebied die bijdragen aan de stikstofuitstoot. In het geval van een Omgevingsvergunning bouwen of een wijziging van het bestemmingsplan of straks het omgevingsplan, zal dan in veel gevallen een vergunning wet Natuurbescherming nodig zijn. Met de ontwikkeling van LAB2 is de initiatiefnemer – vooralsnog Provincie Flevoland en gemeente Lelystad - verantwoordelijk voor het treffen van 1

In de kamerbrief vervolgacties naar aanleiding van het eindrapport van het Adviescollege Meten en Berekenen Stikstof, wordt benoemd dat het kabinet aanleiding ziet voor het invoeren van een

eventuele mitigerende maatregelen om aantasting van Natura 2000gebieden binnen een afstand van 25 kilometer te voorkomen. Ook voor ‘Omgevingsvergunningen bouwen’ zal dit relevant zijn. Binnen die straal gaat onder meer om delen van Oostvaardersplassen, Markermeer en IJsselmeer en N2000-gebieden aan de kust van Noord-Holland en rand van de Veluwe in Gelderland. Locaties/gebieden met (vigerende) bestemmingsplannen waarin nog planruimte zit, zullen gemakkelijker kunnen worden benut dan plekken waar een nieuw bestemmings-/Omgevingsplan voor nodig is. Omdat het zoekgebied van LAB2 in het vigerende bestemmingsplan bestemd is als agrarisch, zal het bestemmingsplan of straks het Omgevingsplan aangepast moeten worden om de ontwikkeling van LAB2 mogelijk te maken. Stikstof is daarmee een belangrijk aandachtspunt voor de ontwikkeling van LAB2.

2.2 Programma’s en visies 2.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat voor een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet meer apart van elkaar worden opgelost maar moeten in samenhang worden bekeken. De belangrijkste keuzes in de NOVI die ook van invloed zijn op de ontwikkeling en invulling van Lelystad Airport Businesspark 2 (LAB2) zijn: • een klimaatbestendige inrichting. Dat betekent dat we Nederland zo inrichten dat ons land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat we functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen maximale rekenafstand van 25 kilometer voor depositieberekeningen in het kader van toestemmingsverlening Wet natuurbescherming.

8

•

•

•

•

•

(bodem en water) inpassen. Een voorbeeld hiervan is het op termijn verhogen van grondwaterstanden in veenweidegebieden; de verandering van de energievoorziening. Bij de inpassing van duurzame energie hebben we oog voor omgevingskwaliteit. Een voorbeeld hiervan is dat we eerst kijken naar ongebruikte daken om zonnepanelen op te plaatsten; de overgang naar een circulaire economie, waarbij we tegelijk goed kunnen blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat bieden. Een voorbeeld is het aanpassen van productieprocessen en het gebruik van reststoffen in het haven- en industriegebied; de ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. Hiermee sturen we op een goed bereikbaar netwerk van steden. We gebruiken zo de ambities en mogelijkheden in steden en regio’s in heel Nederland. Voorbeelden van regionale uitwerking hiervan zijn de verstedelijkingsstrategieën, waarin vooruitgekeken wordt hoe verschillende ruimtelijke functies in en rondom steden het beste ingepast kunnen worden; het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden.

Er wordt daarbij gebruik gemaakt van een voorkeursvolgorde logistieke functies welke inhoudt: indien aantoonbaar nodig concentratie op bestaande terreinen, is dit niet haalbaar dan concentreren in clusters op locaties langs corridors; het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. We werken bijvoorbeeld aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen.

Impact ontwikkelrichtingen De beoogde ontwikkelrichtingen (waaronder circulaire economie energietransitie) sluiten goed aan op de keuzes en opgaven uit de NOVI. De keuzes en opgaven die in de NOVI worden genoemd zijn daarmee

belangrijke aandachtspunten voor de ontwikkeling van LAB2. Met het programma NOVEX (Nationale Omgevingsvisie Extra) geeft het Rijk vervolgens regie aan het leggen van de ruimtelijke puzzel in samenwerking met provincies, gemeenten en waterschappen. Doel van de provinciale puzzel is om te onderzoeken hoe, door de ruimtelijke schaalniveaus heen, de verschillende opgaven elkaar kunnen versterken, welke nationale richtinggevende keuzes daarvoor nodig zijn en hoe die moeten worden uitgevoerd. Deze opgaven worden vertaald naar de NOVEX-gebieden. In Flevoland wordt al enige tijd proefgedraaid onder de titel Strategische Agenda Flevoland (paragraaf 3.2.4). 2.2.2 Ladder voor duurzame verstedelijking De Rijksoverheid heeft voor provincies en gemeenten de ladder voor duurzame verstedelijking ontwikkeld. Deze moeten gemeenten en provincies gebruiken bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. De ladder helpt de ruimte zorgvuldig te gebruiken, door alleen ruimte beschikbaar te maken voor ontwikkelingen waar vraag naar is (vraaggerichte programmering) en ruimtelijk toe te delen in een voorkeursvolgorde van binnenstedelijk naar nieuw buiten de bestaande bebouwing. Impact ontwikkelrichtingen Vraaggerichte programmering is een belangrijk aandachtspunt voor de ontwikkeling van LAB2. Aandacht moet uitgaan naar de ontwikkelrichtingen waar daadwerkelijk vraag naar is.

Marktvraag is dan ook een belangrijk criterium voor de afweging van de verschillende ontwikkelrichtingen. Het betekent dat voor LAB2 de behoefte moet worden aangetoond in een regionaal perspectief. Daarvoor kan worden aangesloten op de behoefteramingen MRA, aangevuld met nadere gemeentelijke en/of provinciale informatie. Een ander belangrijk uitgangspunt voor LAB2 is dat er zorgvuldig met de ruimte moet worden omgegaan. Dit betekent dat er extra aandacht moet zijn voor intensief of tenminste zorgvuldig ruimtegebruik.

9

2.2.3 Verantwoord vliegen naar 2050: Luchtvaartnota 2020-2050 De Luchtvaartnota 2020-2050 bevat regels en voorwaarden voor de ontwikkeling van de civiele luchtvaart om te komen tot een veilige en duurzame luchtvaartsector. De Rijksoverheid heeft de regie bij de ontwikkeling van de luchtvaart en waarborgt de publieke belangen. Het Rijk stelt voor de luchtvaart onder meer de normen vast voor veiligheid, hinder en de uitstoot van vervuilende stoffen. Centraal in de Luchtvaartnota 2020-2050 staan vier publieke belangen: 1. Nederland veilig in de lucht en op de grond. 2. Nederland goed verbinden. 3. Aantrekkelijke en gezonde leefomgeving. 4. Nederland duurzaam. Impact ontwikkelrichtingen De komst van drones en onbemande vliegtuigen leidt tot nuttige toepassingen en biedt kansen voor bedrijven die zich zouden kunnen vestigen op LAB2. Het kabinet wil onbemande luchtvaartuigen de ruimte geven en vernieuwende technologie en diensten mogelijk maken. Dat moet wel veilig gebeuren en met aandacht voor hinder. Naast het inpassen van nieuwe luchtvaartuigen wacht de sector ook een forse uitdaging om schoner, stiller en zuiniger te worden. Dat kan door bijvoorbeeld te vliegen op duurzame kerosine of met andere technieken, zoals elektromotoren. De eerste prototypes die elektrisch vliegen op korte afstanden zijn er al. Er is innovatie nodig op vier terreinen: 1.

navigatie- en communicatietechnologie 2. efficiëntere en stillere motoren en vliegtuigen 3. duurzame brandstoffen 4. elektrisch en hybride vliegen De ontwikkelrichting ‘luchtvaart gerelateerd’ sluit goed aan op de Luchtvaartnota.

2.2.4 Nationaal Programma Verduurzaming Industrie Het kabinet neemt meer regie over de industriële energietransitie met het Nationaal Programma Verduurzaming Industrie. Er is een stuurgroep opgericht waarin het kabinet, medeoverheden, bedrijfsleven en netbeheerders vertegenwoordigd zijn. Het doel is versnellen door met overheid en bedrijven vraag en aanbod beter op elkaar aan te laten sluiten en besluiten te nemen binnen de hele keten. Belangrijke pijlers zijn: • De productie moet schoner en minder belastend zijn voor de leefomgeving en grondstoffen moeten uiteindelijk opnieuw gebruikt worden. • De industrie verbruikt veel energie en speelt daarom een belangrijke rol in de omschakeling naar schone energie, zoals elektriciteit en waterstof. Andere sectoren in Nederland willen daar ook gebruik van maken, bijvoorbeeld voor transport. Dat kan alleen als daar de nodige infrastructuur voor komt. Het is belangrijk dat die energieinfrastructuur in hoog tempo wordt aangelegd. Met het Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (MIEK) blijft de overheid zich hiervoor inzetten, zowel voor de verduurzaming van de industrie als voor mobiliteit, landbouw en de woningbouw. Impact ontwikkelrichtingen Met de ontwikkeling van LAB2 kan een bijdrage worden geleverd aan de ambities en doelen van het Nationaal Programma Verduurzaming Industrie.

Deze ambities sluiten goed aan op de gekozen ontwikkelrichtingen van LAB2. Omdat netcongestie onder andere door de elektrificatie van de industrie wordt veroorzaakt, is dit een belangrijk aandachtspunt. 2.2.5 Nationaal Programma Circulaire Economie 2023 – 2030 In een circulaire economie worden spullen die nu nog als afval worden gezien, hergebruikt. Zo hebben we minder of geen nieuwe grondstoffen uit de aarde nodig. Daarom wil het kabinet dat de economie in 2050

10

volledig circulair is. Het Nationale Programma Circulaire Economie (NPCE) bevat maatregelen om de komende jaren zuiniger om te gaan met grondstoffen. Het circulaire-economiebeleid is tot op heden vooral gericht op vrijwilligheid en vrijblijvendheid. Om de ambitie te verwezenlijken zijn meer richtinggevende en dwingende maatregelen nodig. Er wordt daarom ingezet op een mix van beprijzende, normerende en stimulerende maatregelen. Er zijn vier ‘knoppen’ waar met circulaireeconomiebeleid aan gedraaid kan worden om ons grondstoffengebruik meer circulair te maken. De maatregelen in het NPCE zijn daarop gericht. • Vermindering van grondstoffengebruik: minder (primaire) grondstoffen gebruiken door af te zien van het produceren of kopen van producten, deze te delen of ze efficiënter te maken (‘narrow the loop‘). In het NPCE is bijvoorbeeld de ambitie geformuleerd dat de Nederlandse overheden veel meer circulair gaan inkopen. • Substitutie van grondstoffen: primaire grondstoffen vervangen door secundaire grondstoffen en duurzame biogrondstoffen die zo hoogwaardig mogelijk toegepast worden, of door andere, meer algemeen beschikbare grondstoffen met een lagere milieudruk. Denk hierbij aan de verplichting tot een bepaald percentage recyclaat (hergebruikte materialen). • Levensduurverlenging: producten en onderdelen langer en intensiever gebruiken door hergebruik en reparatie.

Dit vertraagt de vraag naar nieuwe grondstoffen (‘slow the loop’). • Hoogwaardige verwerking: de kringloop sluiten door recycling van materialen en grondstoffen, zodat er minder afval wordt verbrand of gestort én er meer hoogwaardig aanbod van secundaire grondstoffen ontstaat (’close the loop’).

Impact ontwikkelrichtingen Circulaire economie is een kansrijke ontwikkelrichting voor LAB2. Met de ontwikkeling van LAB2 kan daarom een bijdrage worden geleverd aan de ambities en doelen van het Nationaal Programma Circulaire Economie.

11

3 Relevante beleidskaders en inspanningen op provinciaal niveau

Impact ontwikkelrichtingen Het zoekgebied van LAB2 bevindt zich niet in een stiltegebied, grondwaterbeschermingsgebied, grondwateronttrekkingsgebied, een natuurbeschermingsgebied of in een beschermd landschap. De omgevingsverordening leidt daarom niet tot knelpunten / belemmeringen voor de gekozen ontwikkelrichtingen.

Binnen de provincie wordt gewerkt aan het opstellen van verschillende beleidsprogramma's of -regels. Daarin wordt vanuit een specifieke opgave de provinciale rol uitgewerkt in het richting geven, beweging stimuleren of mogelijk maken van ontwikkelingen. De provincie vervult taken op het gebied van: • ruimtelijke ordening (vaststellen van streekplannen voor de bestemming van de grond, en beoordelen of bestemmingsplannen van gemeenten niet strijdig zijn met de provinciale streekplannen); • natuur, milieu, water en landschap; • verkeer en vervoer (bijvoorbeeld de aanleg van wegen en fietspaden); • stimulering van de regionale economie; • welzijn en cultuur; • (met name financieel) toezicht op gemeenten; • toezicht op waterschappen.

3.2 Programma’s en visies

3.1 Wet- en regelgeving 3.1.1 Omgevingsverordening Flevoland In de omgevingsverordening staan de regels hoe de provincie Flevoland omgaat met de fysieke leefomgeving. De Omgevingsverordening provincie Flevoland is vastgesteld op 26 januari 2022 en treedt gelijktijdig met de Omgevingswet in werking.

3.2.1 Omgevingsvisie FlevolandStraks In de omgevingsvisie worden drie opgaven beschreven die de kern vormen voor alle ontwikkelingen waar de provincie Flevoland bij betrokken is: Het Verhaal van Flevoland (fysieke omgeving), Krachtige Samenleving (sociaal-economische omgeving) en Ruimte voor Initiatief (bestuurlijke omgeving). Daarnaast zijn er 4 strategische opgaven geformuleerd waarmee Flevoland haar inwoners en bedrijven wil voorbereiden op veranderende maatschappelijke opvattingen en technologische mogelijkheden, zodat zij optimaal kunnen profiteren van deze ontwikkelingen. Het gaat hierbij om de volgende strategische opgaven: duurzame energie, regionale kracht, circulaire economie en landbouw: Meerdere Smaken. 3.2.2 Omgevingsprogramma Flevoland In het Omgevingsprogramma Flevoland is bestaand beleid op het gebied van de fysieke leefomgeving beleidsarm omgezet naar één programma. Op deze wijze zijn de provinciale beleidskeuzes compact beschreven en is de samenhang tussen de verschillende beleidsterreinen gewaarborgd. Het programma kan worden gezien als een concrete uitwerking van de omgevingsvisie. Impact ontwikkelrichtingen De provincie zet actief in op de realisatie van drie (boven-)regionale bedrijventerreinen waaronder Lelystad Airport Businesspark (LAB1 en

12

LAB2). De provincie vindt de ontwikkeling van Luchthaven Lelystad en de uitbouw van LAB2 van groot belang en streeft naar een geïntegreerde ontwikkeling van dit gebied in samenhang met een goede ontsluiting via weg en openbaar vervoer. In het omgevingsprogramma staat dat Flevoland de ambitie heeft om in 2030 op duurzame energie te draaien. Daarnaast wil Flevoland bedrijvigheid binnenhalen die zich richt op duurzame innovatie. Het gebruik van hernieuwbare energie en het stimuleren van de bio- en circulaire economie zijn daar prominent onderdeel van. De gekozen ontwikkelrichtingen in de Nota van Uitgangspunten dragen bij aan deze ambities. 3.2.3 Strategische Agenda Flevoland, Over de brug komen De Strategische Agenda ‘Over de brug komen’ van 18 februari 2022 is opgesteld door de volgende overheden: de provincie, de zes gemeenten van Flevoland, het waterschap en verschillende ministeries. Met als doel om in oktober 2022 met het Rijk samenwerkingsafspraken te maken over de groei- en ontwikkelopgave van Flevoland.

De volgende doelen zijn gesteld met betrekking tot de doorontwikkeling van de economie, het versterken van de ruimtelijk-economische infrastructuur, de verduurzaming van de landbouw en het bewaken en verstreken van de grenzen van het natuurlijk fundament: • De Flevolandse clusters op het gebied van de voedselverwerkende industrie, logistiek, voertuigtechnologie, maakindustrie en bouw zijn verder gegroeid en onderscheiden zich op bovenregionaal niveau. De clusters versterken elkaar met vruchtbare samenwerkingen. Samen leiden ze tot een groei van productiviteit en werkgelegenheid, wat uitmondt in een duurzaam verdienvermogen op lange termijn. • In de ontwikkeling van de Flevolandse economie wordt ingezet op (inter)nationale ontwikkelingen op het gebied van digitalisering, hernieuwbare energie en circulariteit. • Flevoland kent een ruim aanbod aan multifunctionele werklocaties waar bedrijven zich kunnen vestigen en mensen elkaar kunnen

•

•

•

•

•

vinden en ontmoeten om samen innovaties te ontwikkelen, kennis uit te wisselen en elkaars expertise te benutten. De bereikbaarheid van deze locaties is op orde en ze zijn passend in het Flevolandse landschap. Er is aandacht voor de kwaliteit van het onderwijs door het bevorderen van talent ontwikkeling en groei. Meer specifiek is de kennisinfrastructuur in Flevoland uitgebreid met technische opleidingen op alle niveaus, van lager praktijkgericht tot het hoger en universitair onderwijs, gekoppeld aan de kansrijke economische clusters. De elektriciteitsinfrastructuur in Flevoland is aangepast om voldoende capaciteit te bieden voor toekomstige ontwikkelingen. Om met onzekerheden om te kunnen gaan en tevens tijdig te kunnen programmeren, trekken (lokale) overheden en (regionale) netbeheerders in een vroeg stadium van ontwikkelingen samen op. Flevoland wordt in Nederland voorloper in de duurzame akkerbouw, tuinbouw en bosbouw en pakt zijn verantwoordelijkheid in de nationale opgave om de landbouw te verduurzamen. Er is daarvoor genoeg ruimte voor duurzame hoogproductieve akkerbouw en de regio wordt experimenteergebied voor (hoogtechnologische) innovaties op het gebied van duurzaam boeren waarna deze (inter-) nationaal toegepast kunnen worden. De Flevolandse landbouw ontwikkelt zich met oog voor bodem- en waterkwaliteit en biodiversiteit.

Dat betekent onder andere dat er rekening wordt gehouden welk type landbouw op welke plek mogelijk en wenselijk is, met oog voor de effecten op het verdienvermogen van agrariërs. Het natuurlijk fundament is (mede)bepalend in de ruimtelijke keuzes en de ontwikkelingen leiden ten minste niet tot achteruitgang en waar mogelijk tot een verbetering van de leefomgeving. Bodemkwaliteit, waterhuishouding en biodiversiteit geven de kaders voor wat er ruimtelijk mogelijk is in verstedelijking en economische ontwikkeling. Waar deze grenzen nu worden overschreden zoeken

13

•

we naar een andere functieverdeling om de achteruitgang van het fundament tegen te gaan. Het natuurlijk fundament van Flevoland is robuust en toekomstbestendig. Dat betekent dat de biodiversiteit in landelijke en stedelijke gebieden toeneemt, de bodemkwaliteit verbetert, bodemdaling wordt geminimaliseerd en stad en land klimaatadaptief zijn. Met deze ontwikkelingen wordt Flevoland het ‘Groen-blauwe Hart’ van Nederland; een aantrekkelijk gebied voor mensen, dieren en planten.

Impact ontwikkelrichtingen De gekozen ontwikkelrichtingen van LAB2 sluiten goed aan op de doelen die zijn gesteld in de Strategische Agenda Flevoland. De gekozen ontwikkelrichtingen zijn in lijn met de aangemerkte clusters in de strategische agenda (voedselverwerkende industrie, logistiek, voertuigtechnologie, maakindustrie en bouw). De potentie wordt groter als de clusters elkaar ook versterken. Bedrijven kunnen meeliften op de ontwikkeling van Lelystad Airport en de aanwezigheid van het MITC voor het innoveren en testen van duurzame technologieën in vliegtuigen en wegtransport, hun innovaties kunnen worden toegepast in de maakindustrie of de logistieke sector. 3.2.4 Flevolandse Woonagenda In de Flevolandse woonagenda beschrijft de provincie actiepunten die bijdragen aan een verbeterd evenwicht op de woningmarkt, waardoor het goed wonen is voor iedereen. Impact ontwikkelrichtingen Flevoland zet in op een goed en volwaardig woonklimaat om een bredere groep aan Flevoland te binden. Volgens het onderzoek ‘Effecten van de samenstelling van de migratie op wonen en werken in Flevoland’ (uit 2020) wonen er relatief weinig hoger opgeleiden in Flevoland. Zij richten zich op onderscheidende woonmilieus: enerzijds hoogstedelijke

woonmilieus, anderzijds juist meer landschappelijke woonmilieus. Door de groeiende vanzelfsprekendheid van thuiswerken bij veel hoogopgeleiden, hechten zij meer aan ‘ruimtelijk wonen’; zeker na het afgelopen jaar met veranderingen als gevolg van de Covid19-pandemie. Flevoland biedt hiervoor kansen, omdat ruimte er relatief betaalbaar is. 3.2.5

Ontwerp Economische Visie 2030 en ontwerp Economisch Programma 2023-2028 In de economische visie en het economisch programma wordt de provinciale inzet concreet gemaakt met vier programmalijnen: verdienvermogen mkb, menselijk en sociaal kapitaal, toekomstbestendig bedrijfsleven en ruimtelijk-economische ontwikkeling. Daartoe zijn tien waarden beschreven die het gewenste maatschappelijke effect waar dit economisch beleid aan moet bijdragen duiden: • Fijn leven in Flevoland: Wonen en werken in Flevoland als een positieve keuze. • Gezondheid, vitaliteit en welzijn voor de bevolking: Een omgeving om in te wonen en werken die bijdraagt aan het welbevinden van de Flevolander. En geen schade toebrengt. • Veerkrachtige huishoudens: Huishoudens die tegenslag aan kunnen en zichzelf kunnen redden, met zo min mogelijk professionele ondersteuning en zorg. • Gelijke maatschappelijke kansen voor iedereen: Een samenleving waarin meedoen kan en mag. • Goede sociale samenhang: Betrokkenheid van Flevolanders bij maatschappelijke verbanden in hun persoonlijk leven. Als lid van de maatschappij en als burger in de samenleving. • Goed gekwalificeerde bevolking: Een bevolking die is toegerust voor het meebewegen met de veranderende arbeidsmarkt. • Gebalanceerde en veerkrachtige economie: Weerbaar voor crises en wendbaar voor veranderingen.

• Economische zelfstandigheid: Een volwassen en volwaardige Flevolandse economie.

14

• •

Duurzaam Flevoland: Milieu, natuur en klimaat zijn richtinggevend. De Flevolandse economie transformeert naar een circulaire economie en draagt bij aan de energietransitie Betrouwbare overheid: Een overheid die robuust, wendbaar, effectief is en verbonden met de samenleving.

In het ontwerp Economisch Programma 2023-2028 wordt de provinciale inzet beschreven die van invloed is op de verschillende ontwikkelrichtingen: • De provincie bekijkt of de bestaande instrumenten voldoende passend zijn om binnen het mkb-verdienvermogen bij te dragen aan de brede welvaart aspecten en maatschappelijke transitie. Dit is ook een belangrijk uitgangspunt in het ontwikkelperspectief van LAB2. • De provincie stimuleert het mkb dat met haar producten of diensten een bijdrage levert aan de grote transities, zoals de circulaire-, energie- en voedseltransitie. Met digitalisering als doorkruisende opgave. • De provincie moedigt het internationaal ondernemen aan en helpt het mkb bij het aanboren van de juiste afzetmarkten. De provincie stimuleert het gebruik van Europese regelingen door er bekendheid aan te geven en te helpen bij het gebruik ervan. De provincie ondersteunt bedrijven met internationale ambities ook door bijvoorbeeld aan te haken bij de netwerken van Amsterdam en de regio Zwolle en bij handelsmissies van andere regio’s. De provincie draagt samen met partners bij aan de (economische) zichtbaarheid van Flevoland. • De provincie jaagt actief het betrokken ondernemerschap aan om hiermee meer verbinding tussen elkaar en met de provincie te krijgen. En zodoende het ecosysteem van ondernemerschap te versterken.

• •

•

•

•

De provincie zal verkennen of er behoefte is en mogelijkheden zijn om ‘triple helix’ samenwerking te organiseren rondom de voedselenergie- en grondstoffentransitie. De maatschappij ontwikkelt zich en er zijn grote transitieopgaven (circulair, voedsel en energie) die vragen om werknemers met de juiste skills. Werknemers moeten wendbaar en flexibel over de arbeidsmarkt kunnen bewegen. De provincie wil de infrastructuur van onderwijs/kennis (arbeidsmarkt) versterken door samen met partners een agenda op te stellen die zich richt op de eerder genoemde transities en de transitie van de arbeidsmarkt. Op de huidige arbeidsmarkt is het hebben van het juiste diploma van belang. Op de arbeidsmarkt van de toekomst is het hebben van de juiste skills belangrijker dan het hebben van het juiste papiertje. Daarnaast zet de provincie zich in voor onbenut arbeidspotentieel. Dit wordt opgepakt op verschillende schaalniveaus (generiek, specifiek, opgavegericht of transitiegericht) door samen te werken met verschillende organisaties en themagroepen. Hierbij gaat het om de samenwerking met het Regionaal Werkbedrijf Flevoland, maar ook om de samenwerking met andere provincies.

Voor bedrijven is het belangrijk dat de werkgelegenheid die zij creëren passend is bij de structuur van de arbeidsmarkt en dat vacatures binnen een (internationaal) bedrijf aansluiten bij de opleiding en ervaring van de Flevolandse werkzoekenden. Omdat in het ontwikkelperspectief voor LAB2 wordt geconstateerd dat de huidige structuur van de arbeidsmarkt nog niet goed aansluit bij sommige kennisintensieve banen/ vacatures is dit een belangrijk aandachtspunt. De provincie wil meer inzetten op menselijk en sociaal kapitaal. De aansluiting van onderwijs en arbeidsmarkt is daarin een belangrijk thema. Techniek is een voorbeeld van een belangrijke sector waar die mismatch goed zichtbaar is en waar de instroom nu (te) klein is. Dit is ook relevant in het kader van de het ontwikkelperspectief van

15

LAB2, aangezien de beperkte regionale beschikbaarheid van (kennisintensieve) arbeid. Impact ontwikkelrichtingen De gekozen ontwikkelrichtingen hebben als doel om de brede welvaart in Flevoland te versterken en de werkgelegenheid te verbreden. De gekozen ontwikkelrichtingen in de Nota van Uitgangspunten dragen daarmee bij aan de waarden die worden genoemd in het ontwerp Economische Visie 2030. De waarden benadrukken namelijk gezondheid, vitaliteit en welzijn evenals een goed gekwalificeerde beroepsbevolking. De gekozen ontwikkelrichtingen komen bovendien overeen met het ontwerp Economisch Programma 2023-2028 waarin wordt voorgesteld om een bijdrage te leveren aan de grote transities, zoals de circulaire-, energie- en voedseltransitie. Met digitalisering als doorkruisende opgave. 3.2.6 Visie Werklocaties Flevoland De provincie wil met de Visie Werklocaties Flevoland richting geven aan de ontwikkeling van werklocaties in de nieuwe realiteit. Doelstelling van deze visie is om te komen tot zorgvuldig ruimtegebruik van werklocaties zodat het aanbod passend is bij de behoefte en regionaal is afgestemd. Het maatschappelijk effect dat de provincie daarmee wil bereiken is slim en zuinig ruimtegebruik.

Om dit te bereiken zijn acht leidende principes gehanteerd: • Ladder voor duurzame verstedelijking staat centraal • Echte stappen zetten in creëren van marktspanning en deprogrammeren • Dynamisch voorraadbeheer • Aanpak herstructurering en duurzaam beheer • Duurzaamheid: de provincie streeft naar energiezuinige en klimaatbestendige werklocaties • Grip op de bestaande voorraad en monitoring: doel is het verbreden van de ontwikkeling van het instrument van de kwaliteitskaart naar alle Flevolandse gemeenten en voor de overige segmenten.

• •

Meer ruimte aan het veld via uitnodigingsplanologie Stimuleren van pioniers en ruimte voor experiment

Impact ontwikkelrichtingen De Visie Werklocaties Flevoland is ten dele verouderd (bv. stappen in deprogrammeren), tegelijkertijd zijn bepaalde opgaven zoals het realiseren van energiezuinige en klimaatbestendige werklocaties, het toevoegen van meer kwaliteit (kan ook door het aantrekken van kennisintensieve segmenten) en het stimuleren van ruimte voor experiment nog steeds relevant. LAB2 draagt daarmee bij aan de 'nog steeds relevante opgaven'. 3.2.7 Actieplan Biodiversiteit Om de biodiversiteit in Flevoland voor 2030 te versterken, heeft de provincie Flevoland het Actieplan Biodiversiteit opgesteld. Het doel hiervan is dat alle overheden, organisaties en burgers zich gezamenlijk inzetten om de biodiversiteit te vergroten. Samen met andere partners wil de provincie zich vanuit het actieplan richten op natuurgebieden, landelijke en stedelijke gebieden. Dijken, bermen, sloten, vaarten tochten verbinden deze gebieden met elkaar, de zogeheten ‘Groene Draad’. Impact ontwikkelrichtingen Het zoekgebied voor LAB2 is geen direct onderdeel van de ‘Groene Draad’ maar deze natuurgebieden liggen wel in de nabijheid van het zoekgebied. De ontwikkeling van LAB2 is niet in strijdt met het actieplan biodiversiteit.

3.3 Regionale Energie Strategie Flevoland (RES) en doorvertaling naar Omgevingsverodening De provincie Flevoland is één van de 30 regio’s waarvoor een Regionale Energie Strategie (RES) is opgesteld. Met de Regionale Energie Strategie wordt laten zien wat de provincie Flevoland kan bijdragen aan de verduurzaming.

16

Voor windenergie is het beleid in Flevoland gericht op een cyclisch en parallel proces van saneren en opschalen, zodat steeds meer energie met steeds minder windmolens wordt geproduceerd. Een deel van LAB2 valt binnen het zogeheten windgebied van de Omgevingsverordening (een kleiner deel valt er sowieso buiten), maar doordat in dat deel ook hoogtebeperkingen gelden met het oog op de vliegveiligheid, is grootschalige productie van windenergie op LAB2 geen optie. Voor zonne-energie in het landelijk gebied – waar de grond in LAB2 nu nog toe behoort – bepaalt de Omgevingsverordening dat er een maximaal areaal van 1.000 ha netto (cumulatief op provinciale schaal) mag worden ontwikkeld. Het is niet waarschijnlijk dat dit op de beoogde gronden van LAB2 gaat gebeuren, omdat de bestemming als bedrijventerrein een financieel aantrekkelijker optie is. Alsdan behoort het tot het stedelijk gebied en is er de mogelijkheid voor de realisatie van zon-op-dak tot de mogelijkheden.

In de tweede plaats kan zon-op-dak op LAB2 gezien het areaal van de gebiedsontwikkeling (een eerste fase van indicatief 80 ha met een doorgroei op langere termijn) een goede bijdrage leveren aan de duurzame energie-ambities in Flevoland. Dan moet het wel mogelijk zijn om de geproduceerde energie direct te gebruiken, of op te slaan of terug te leveren. Dat laatste vormt gezien de huidige netcongestie en de groeiende stroomvraag (ook zonder LAB2, maar zeker met) een uitdaging. Onderzocht moet worden in hoeverre LAB2 wellicht met off-gridoplossingen en/of batterijen/accu’s kan of moet worden gerealiseerd.

Vanaf 2025 moeten utiliteitsgebouwen groter dan 250 m2 op basis van landelijke regels geschikt zijn voor zon-op-dak, mits aan een aantal andere randvoorwaarden is voldaan. Het moet onder meer qua netcongestie mogelijk zijn om terug te leveren. Het is dus niet meer nodig om een verplichting voor zon-op-dak op het niveau van het bedrijventerrein te formuleren. Impact ontwikkelrichtingen In de eerste plaats kan worden geconstateerd dat de geformuleerde kaders de beoogde ontwikkelrichtingen in de NvU niet in de weg zitten. Sterker nog: de ontwikkelrichting energietransitie mikt op innovatieve maak- en ontwikkelbedrijven in duurzame energie en energieopslag, die het mede mogelijk gaan maken dat Flevoland haar RES-doelen (en wellicht meer) gaat halen.

17

4 Relevante beleidskaders en inspanningen op gemeentelijk niveau Binnen de gemeente wordt gewerkt aan het opstellen van verschillende beleidskaders en -inspanningen. Een gemeente heeft veel verschillende taken. De gemeente: • maakt omgevingsplannen. • houdt toezicht op de woningbouw en maakt daarover afspraken met woningcorporaties. • is verantwoordelijk voor inrichting openbare ruimte • zorgt voor een goede bereikbaarheid van de gebouwde omgeving, waaronder bedrijventerreinen • is verantwoordelijk voor de Participatiewet

4.1 Wet- en regelgeving 4.1.1 Bestemmingsplan/ omgevingsplan Het bestemmingsplan beschrijft wat de gemeente toestaat qua functie van bebouwing rondom LAB2. Impact ontwikkelrichtingen Ter plaatse van de projectlocatie geldt nu nog het bestemmingsplan Lelystad – Larserknoop (reparatie) uit 2020. Dit bestemmingsplan is aanvullend aan het bestemmingsplan Lelystad Larserknoop (vastgesteld 28 september 2010). In deze plannen is de projectlocatie bestemd als agrarisch en bedrijventerrein.

Het zoekgebied van LAB2 is in het vigerende bestemmingsplan bestemd als agrarisch. Dit betekent dat er alleen bedrijfsgebouwen ten behoeve van grondgebonden agrarische bedrijven mogen worden gebouwd. Dit betekent dat het bestemmingsplan of straks het omgevingsplan moet worden gewijzigd/ herzien om de ontwikkeling van LAB2 mogelijk te maken.

4.2 Programma’s en visies 4.2.1 Koersdocument 2040 en omgevingsvisie Lelystad 2040 In het koersdocument 2040 worden enkele grote opgaven beschreven. Dat zijn de volgende: • Het laten verkrijgen van een hogere economische status voor meer inwoners • Het verkrijgen van meer balans en draagkracht van de bevolking en voldoende kwantitatieve en kwalitatieve publieke en commerciële voorzieningen. • Er ligt een uitdaging om het regionaal potentieel als vestigingsplaats voor ondernemers en als aantrekkelijke woongemeente van waaruit de hele regio goed en snel te bereiken is, meer en beter te benutten. In omgevingsvisie Lelystad 2040 worden verschillende sociale, economische en klimaatgerelateerde ambities van de gemeente Lelystad beschreven. Naast de gestelde grote opgaven uit het Koersdocument 2040 spelen ook de volgende opgaven in de fysieke leefomgeving van Lelystad: • energie: energietransitie door de stad • aardgasvrij en energiezuinig te maken; • economie: transitie naar een meer circulaire economie; • natuur en landschap: ecologische kwaliteit verbeteren; • klimaatadaptatie: openbare ruimte klimaatrobuust maken;

18

• • • • •

bodem: omgaan met bodemdaling; mobiliteit en bereikbaarheid: verduurzamen mobiliteit, overlast doorgaand vrachtverkeer tegengaan; cultureel erfgoed: beschermen en behouden jonge monumenten van Lelystad; landbouw: toekomstbestendig maken

In 2040 heeft Lelystad arbeidsplaatsen voor de gegroeide bevolking gerealiseerd en is de ontsluiting richting de stad en regio verbeterd doormiddel van de Lelylijn, spooraansluiting Flevokust Haven, verbreding van de A6 en N23/A23 en de verdere ontwikkeling van Lelystad airport. Ook moet Lelystad zich gespecialiseerd hebben in logistiek, circulariteit, secundaire agro-food, toerisme en recreatie. Daarnaast moet het opleidingsniveau van de bevolking goed zijn en aansluiten op het economische profiel van 2040. De nieuwe werkgelegenheid rondom LAB/ Lelystad Airport en Flevokust Haven en het toerisme met name langs de kust en in het bijzonder het Bataviakwartier, zorgt er voor dat steeds meer inwoners binnen Lelystad zelfstandig in eigen inkomen kunnen voorzien. Het openbaar vervoer ondergaat een schaal- en kwaliteitssprong. Een snelle HOV-verbinding verbindt straks Bataviakwartier-Station Lelystad Centrum-Campus-LAB-Lelystad Airport, de belangrijkste ontwikkelgebieden van de stad. Er zijn eveneens integrale opgaven voor (bestaande) bedrijventerreinen en industriegebieden. Hier liggen uitdagingen met betrekking tot biodiversiteit, hittestress en wateroverlast. Ook bedrijventerreinen moeten straks aardgasvrij zijn. Volgens de omgevingsvisie wordt LAB ontwikkeld als centrum voor handel, logistiek en innovatieve maakindustrie. Dit wordt gedaan door

ruimte te geven aan productiebedrijven, logistiek en aan de luchthaven gerelateerde commerciële functies zoals kantoren, ontmoetingsplekken en hotels. Bij de mogelijke ontwikkeling van nieuwe kantoren focust Lelystad zich op het Stadshart en LAB en gaat Lelystad vraaggericht ontwikkelen. Impact ontwikkelrichtingen De Nota van Uitgangspunten is grotendeels in lijn met het Koersdocument 2040 en de omgevingsvisie Lelystad 2040, maar anders dan hier staat wordt logistiek dus niet als ontwikkelrichting gekozen, hoogstens als ondersteunend/synergetisch op de andere 4. 4.2.2 Strategische Agenda Lelystad Next Level De gemeente Lelystad richt zich op een structurele samenwerking tussen bedrijfsleven, onderwijsinstellingen en overheden, wat inhoudt; • Lelystad Airport een plek maken waar deze samenwerking voor meer innovatie en werkgelegenheid zorgt; • De economische propositie van Lelystad voor de regio aanscherpen; • Het trekken van nieuwe kansrijke en sterke bedrijven aan en stimuleren werkgelegenheid in de buurt; • Het afstemmen van een groter deel van het onderwijsaanbod op de werkgelegenheid die er is en komen gaat; • Bedrijven en onderwijsinstellingen samen onderwijsprogramma’s laten vormgegeven; • De logistieke sector toekomstbestendig maken door verder te kijken dan vervoer alleen.

Impact ontwikkelrichtingen Gemeente Lelystad zet de komende jaren sterk in op werkgelegenheid rondom de luchthaven en Flevokust. LAB2 moet bovendien aansluiten op het economisch profiel van Lelystad en leiden tot een economische structuurversterking. Belangrijke sectoren waar op moet worden ingezet zijn maakindustrie, logistiek, distributie, groothandel, secundaire

19

agrofood en toerisme. Lelystad Next Level duidt hiervoor de urgentie. Daarnaast moet de samenwerking via het triple helix model intensiever worden, wat moet gaan leiden tot meer innovatie en werkgelegenheid. Ook wordt het onderwijs sterker gericht op de gevestigde bedrijven. In de Nota van Uitgangspunten van LAB2 ligt de focus echter minder op logistiek, distributie en groothandel. Daarmee wijkt de Nota van Uitgangspunten af van de Strategische Agenda Lelystad Next Level.

economische ontwikkelingen. Een florerend Stadshart en Bataviakwartier genereren werkgelegenheid in de detailhandel, horeca en leisure/(water)recreatie. Deze gebieden worden ondersteund en een goede fysieke bereikbaarheid van de economische kerngebieden is een belangrijke voorwaarde. De gemeente identificeert enkele opgaven. Deze worden hieronder benoemd en daarbij worden ambities en acties genoemd.

4.2.3 Het Economisch Perspectief Lelystad 2030 In dit document beschrijft de gemeente uitgebreid wat de economische ambities zijn op de lange termijn. Ze identificeren verschillende opgaven en zetten uiteen hoe deze opgaven uitgewerkt gaan worden in de toekomst. In 2040 heeft Lelystad een robuuste economische structuur met meer bedrijvigheid en meer werkgelegenheid en maakt deel uit van sterke economische netwerken. Ze heeft zich gespecialiseerd, levert een regionale meerwaarde en de beroepsbevolking heeft hierop afgestemde skills en benodigde kennis en kunde. Lelystad is een belangrijke economische speler in de regio. Mensen trekken naar Lelystad omdat de werkgelegenheid sterk groeit. De multimodale bereikbaarheid wordt daarbij ten volle benut en Lelystad neemt een stevige positie in als circulaire, multimodale, logistieke hub. Hiermee verzilvert Lelystad de reeds aanwezige kracht en kansen. Dat wil onder meer zeggen: • Het inspelen op de kansen van de ontwikkeling van Airport Lelystad; • Doorontwikkeling van (hoogwaardige) logistiek en maakindustrie; • Het uitbouwen van de vrijetijdseconomie, en; • Een optimale benutting van de potentie van de secundaire agrofood sector (voedselverwerking en bijbehorende logistiek)

•

Lelystad zet in op een economie die toekomstbestendig is in het licht van de transities (energie, circulair, klimaat en digitaal). Een economie die floreert door samen te werken en meer economische activiteit te ontplooien. Belangrijke werkgebieden als Lelystad Airport Businesspark (LAB), Lelystad Airport en Flevokust Haven bieden ruimte voor duurzame

•

•

Aantrekkelijke werklocaties – Tijdig starten met de planontwikkeling van werklocaties (voornamelijk voor MKB) – Stimuleren en bewaken van toekomstbestendigheid werklocaties (monitoringssysteem) – Actualisatie van het locatiebeleid (2023/2024) – In de etalage hebben staan van XXL-kavels Inclusieve arbeidsmarkt – Faciliteren en ondersteunen van instrumenten gericht op het mobiliseren van arbeidsvermogen van groep die niet regulier aan het werk komt (Lelystadakkoord); – Uitbreiden succesvolle activiteiten als leerwerkbedrijven. – Doorontwikkeling van Concern voor Werk en het Werkbedrijf tot een sociale onderneming. Versterken ondernemersklimaat – Faciliteren van de doorgroei van bestaande bedrijven. – Doorontwikkeling activiteiten op het gebied van accountmanagement middels jaarplannen. – Bieden van inzicht in beschikbare ondersteuningsaanbod bij andere partijen, zoals Horizon. – Actief verwijzen naar relevante faciliteiten voor ondersteuning met betrekking tot subsidiemogelijkheden en business development.

20

•

•

•

•

Regionale samenwerking – Voldoende inzet van capaciteit en middelen om binnen de relevante samenwerkingsverbanden te kunnen participeren. – Continuering van de samenwerking binnen de MRA. O.a. inzetten op opvangen van ‘overkook’ en ‘niet-teaccommoderen-economische-groei’ vanuit Amsterdam. – Regionale samenwerking gebaseerd op wederzijdse versterking en met de inzet om te komen tot een sterke gespecialiseerde economie in Lelystad. Kansen op het gebied van transitiesectoren – Inzetten op vergroten van bewustzijn en stimuleren van experimenten en innovaties – Stimuleren dat ondernemers gebruik maken van bestaande (bekende) samenwerkingsverbanden – Cross-overs met de logistieke sector in Lelystad – Onderzoeken en benutten van kansen in relatie tot aansluiting op backbones voor elektriciteit, gas en waterstof. Human Capital – Inzet op ontwikkeling (beroeps)onderwijs passend bij economie van Lelystad – Vergroten bewustzijn belang leven lang ontwikkelen – Samenwerken voor versterking hoger- en wetenschappelijk onderwijs Goederengerichte sectoren: maak & logistiek – Intensiveren triple helix samenwerking met relevante partners om het ecosysteem rond logistiek uit te bouwen – Uitbreidingsruimte hoogwaardige logistiek en maakindustrie – Selectiecriteria vastleggen voor vestiging van nieuwe hoogwaardige logistiek.

– Inzet op verbinden van logistiek met maakindustrie en agrofood – Lobby naar het Rijk voor nationale status logistiek cluster

–

•

Inzet op huisvesting voor arbeidsmigranten ter facilitatie van logistiek cluster Vrijetijdseconomie – Versterken ondernemerschap binnen de vrijetijdseconomie – Aantrekken nieuwe bedrijven binnen de vrijetijdseconomie – Versterken onderlinge samenwerking tussen ondernemers in deze sector – Uitbouwen en verzilveren van de positie in de regio (MRA) – Gewenste ontwikkelingen planologisch mogelijk maken dan wel borgen in de relevante documenten als Omgevingsvisie en omgevingsplannen

Impact ontwikkelrichtingen De opgaven sluiten goed aan op de gekozen ontwikkelrichtingen. Anders dan genoemd in deze opgaven wordt er binnen de Nota van Uitgangspunten geen aandacht besteedt aan de vrijetijdseconomie en wordt ook logistiek niet als ontwikkelrichting gekozen, hoogstens als ondersteunend/synergetisch op de andere vier in de NvU voorgestelde ontwikkelrichtingen. 4.2.4 Beeldregieplan Lelystad Airport Businesspark Het beeldregieplan uit 2019 heeft betrekking op zowel LAB1 als LAB2. Voor LAB2 zijn met name de bepalingen die betrekking hebben op de hoofdstructuur relevant. Daarover zegt het beeldregieplan: • Bouw voort op de landschappelijke orthogonale structuur • Maak de verbinding met de omliggende natuur via een groene corridor over het businesspark • Maak het gebied de poort naar Lelystad • Benut de centrale ligging in het land • Maak LAB een duurzaam bedrijventerrein • Zorg voor een flexibel plan, vanwege de schaal en lange doorlooptijd.

21

De genoemde groene corridor vormt een wezenlijk onderdeel van het beeldregieplan en heeft consequenties voor LAB2 waarmee in het uiteindelijke ontwerp rekening moet worden gehouden. Ook bevat het beeldregieplan nadere richtsnoeren voor het ontwerp. 4.2.5 Woonvisie en woonagenda 2022-2027 Lelystad biedt ruimte voor experimenten, innovatieve architectuur, innovatieve bouwstijlen en ontwikkelingen om het behoud van grondstoffen te stimuleren, zoals demontabel en circulair bouwen met houtbouw en bio-based materialen. Impact ontwikkelrichtingen De woonvisie beschrijft enkele ambities die niet direct invloed hebben op de ontwikkelrichtingen van LAB2, maar die wel laten zien dat er ingezet wordt op woonplezier en leefbaarheid in Lelystad. Daarnaast wordt er ook ingezet op circulair bouwen, wat ook één van de ontwikkelrichtingen is waarop wordt ingezet in de Nota van Uitgangspunten voor LAB2. 4.2.6 Gemeentelijk Rioleringsplan Lelystad 2022-2031 Het gemeentelijk rioleringsplan Lelystad 2022 t/m 2031 (GRP) bevat de gemeentelijke watertaken voor afvalwater, hemelwater en drainage en de kosten voor het beheer van de daarvoor aangelegde voorzieningen in de Gemeente Lelystad. In het GRP is bepaald dat hemelwater gescheiden van vuilwater wordt ingezameld. De Gemeente Lelystad kent dus een gescheiden rioleringsstelsel.

Impact ontwikkelrichtingen Bij de ontwikkeling van LAB2 zal de gemeente rekening moeten houden met de ontwikkeling van een gescheiden rioleringsstelsel. Schoon hemelwater zal daarmee direct worden afgevoerd naar de sloten rondom het bedrijventerrein, waardoor alleen afvalwater door de afvalzuivering gaat.

4.2.7 Kadernota Duurzaamheid en Actieplan duurzaamheid 2021-2024 Het integrale duurzaamheidsbeleid voor Lelystad voor de komende jaren bestaat uit 6 lokale speerpunten: energie, afval & circulaire economie, voedsel, fysieke leefomgeving, mobiliteit en onderwijzen & ondernemen. Voor deze 6 speerpunten heeft de gemeente de volgende actiepunten opgesteld: Energietransitie • Inzetten op verduurzaming (verdere energiebesparing als ook op een toename van hernieuwbare energie) in de gebouwde omgeving: – Gebiedsgerichte aanpak waarbij een wijk of een bedrijventerrein wordt gekozen om te bekijken welke mogelijkheden er zijn. – Voor nieuwbouw wordt het rijksbeleid gevolgd dat aangeeft dat er vanaf 2020 zo goed als energieneutraal gebouwd moet worden. Om dit te proberen te versnellen, gaat de markt gestimuleerd worden om energie- neutrale of energieleverende concepten aan te bieden, en de klanten beter te informeren over de voordelen en de financiering. – Bij bedrijfsterreinen worden bedrijven gestimuleerd om te kijken naar de mogelijkheden van energie- uitwisseling, zoals er nu een project wordt opgestart op Oostervaart door Marfo, McCain, WUR-ACR RES en Liander. Aan de andere kant gaat de omgevingsdienst een plan ontwikkelen om intensiever in te zetten op concrete energiebesparingsmaatregelen.

• Inzetten op slimme concepten zoals: – De timing en plaats van grote elektriciteit gebruikers/vermogensvraag: waar en wanneer komt nieuwe bedrijvigheid zoals bijvoorbeeld datacenters, warmtepompen, laadvoorzieningen voor elektrisch vervoer etc? – De timing en plaats van grote elektriciteit-invoeders: waar komen nieuwe zonneprojecten en windprojecten, waar gaat de

22

–

– –

opgewekte elektriciteit ingevoed worden in het bestaande laagspanningsnet, waar in het landelijk gebied? Slim/innovatief inpassen van zonne- en windprojecten (bijvoorbeeld hergebruik van oude aansluitingen van windparken, combineren van wind- en zonne-energie op één aansluiting); Slimme combinaties met laadpalen en zonnepanelen op daken van openbaar vastgoed of parkeerplaatsen. Smart grid meet- en regelsystemen waardoor bestaande infrastructuur beter kan worden benut en nieuwe diensten kunnen worden ontwikkeld en aangeboden.

Circulariteit • Herijken afvalbeleidsplan met aansluiting op de landelijke VANGdoelstellingen van afvalscheiding van 75% in 2020 en 100 kilogram restafval. • Circulaire economie als agendapunt opnemen voor economische agenda. Onderdelen van de uitwerking hiervan zijn: – Inzetten op economisch instrumentarium voor een circulaire economie: – Inbedden duurzaam ondernemen in het ondernemersplein – Acquisitiebeleid mede richten op duurzame bedrijven in specifieke sectoren die bijdragen aan de circulaire stad. – Meedoen met de inspanningen van de Amsterdam Economic Board om een Circulaire Grondstoffen Hub voor de MRA vorm te geven en daarbij een eigen positie in te nemen – Markt maken van biomassa als grondstof en daarbij proberen verbindingen te maken met andere economische sectoren zoals logistiek – Het onderwijs betrekken bij duurzame vraagstukken op het gebied van circulaire economie

Voedsel Ontwikkelen van een regionale voedselstrategie waarin de volgende punten aan de orde komen: • Stimuleren telen van voedsel in de stad en het zichtbaar maken van de voedselketen door: – het helpen vinden van geschikte terreinen of gebouwen, – het geven van informatie over onder meer de benodigde vergunningen en geldende bestemmingsplannen – het inrichten van een coördinatiepunt, waar de initiatieven bijeenkomen, getoetst en gecoördineerd kunnen worden – agrarische voorloperpositie uitnutten door: vernieuwen van de agrarische sector in de stadsrand (onder andere be- en verwerking; lokale levering, kortere keten) en vasthouden en uitbouwen van de duurzame positie. Betere samenhang en samenwerking met onderwijs en onderzoek.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lelystad&id=03f219b0-ef1b-43d6-b96c-8a539e6ccf2d