CConstaterende datLelystad
Koppel je AI →
Document · PDF

BL C Bureau Buiten Nota van Uitgangspunten LAB2 09-10-23

Raadsvergadering 30 juni 2026, gemeente LelystadBij agendapunt: 26.285 Vervolg Lelystad Airport Businesspark fase 213.913 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

26

3.3.7

Scale-ups

Diversificatie van de werkgelegenheid De economie van Flevoland heeft behoefte aan snelgroeiende bedrijvigheid. Scale-ups zijn dus interessant voor LAB2 en in zekere zin een relevant onderdeel voor elke ontwikkelrichting. Scale-ups zijn als ontwikkelrichting toegevoegd vanuit het voorbeeld Brainport Industrie Campus (BIC), waar onderwijs, bedrijfshuisvesting en gedeelde faciliteiten zijn gebundeld. Diversificatie is afhankelijk van het type scale-up maar scale-ups kunnen in potentie aanvullend zijn, alleen al vanwege snelle groei en de prikkel die nieuwe toetreders geven aan bestaande economische activiteiten. Voor LAB2 moet het vermoedelijk gaan om scale-ups met een fysiek product; vanwege het ontbreken van aanknopingspunten is LAB2 geen locatie voor bijvoorbeeld fintech-achtige bedrijvigheid. Brede welvaart Snelgroeiende bedrijvigheid, is met name vanuit economisch perspectief (materiele welvaart en arbeid) een belangrijke toevoeging voor Flevoland. Hoewel de aard van scale-ups natuurlijk behoorlijk uiteen kan lopen en daarmee ook hun effecten op brede welvaart, is de verwachting dat dit oordeel per saldo positief zal uitvallen.

Figuur 3.7: het effect van de ontwikkelrichting scale-ups op de brede welvaart Score Flevoland

Milieu

Veiligheid

Score ontwikkelrichting Welzijn 5 4 3 2 1 0

Samenleving

Materiele welvaart

Gezondheid

Arbeid Wonen

Voorlopige conclusie scale-ups Vanuit innovatie en economische optiek zijn snelgroeiende bedrijven uiteraard een interessante doelgroep voor LAB2. Omdat het vrijwel altijd om tech-gebaseerde bedrijven gaat, zijn ze goed voor diversificatie en vermoedelijk ook voor brede welvaart. De uitdaging voor LAB2 zit erin om een omgeving te creëren waarin snelle groeiers in het economisch spectrum van de ‘fysieke goederen’ een voordeel zien van vestiging op LAB2. Denkbaar is dat gezamenlijke faciliteiten voor food, energietransitie/maakindustrie/circulaire bouw (labs, praktijklokalen, ontmoetingsmogelijkheden voor kruisbestuiving, eenvoudige faciliteiten als bedrijfsrestaurant/kantine, etc.) hier een rol in kunnen spelen. Met deze faciliteiten kan een ecosysteem worden gerealiseerd zonder dat LAB2 expliciet wordt ingericht voor scale-ups.

27

Qua ecosysteem moet ook het publieke en private financieringsaanbod worden geoptimaliseerd, want dat is voor scale-ups een cruciale factor. Vanuit het nieuwe provinciale economische beleid is al een kapitaalmarktonderzoek aangekondigd om lacunes in beeld te brengen. 3.3.8

Figuur 3.8: het effect van de ontwikkelrichting vrijetijdseconomie op de brede welvaart Score Flevoland Welzijn 5

Vrijetijdseconomie

Diversificatie van de werkgelegenheid De vrijetijdseconomie sluit qua arbeidsvraag in opleidingsniveau wel goed aan op arbeidsaanbod Flevoland. Maar banen in de sector zijn vaak seizoensgevoelig en er is een hoge mate van flexarbeid in de sector. Hoewel grootschalige indoorleisure kapitaalintensief kan zijn, is de toegevoegde waarde per baan in de sector in het algemeen bescheiden. Per saldo draagt dit onvoldoende bij aan de diversificatieambitie. Brede welvaart In de beoordeling op brede welvaart hebben de positieve effecten op welzijn (het voorzieningenniveau) en de economische aspecten (met kanttekeningen) de overhand. Daar zijn wel opmerkingen bij te maken. In de eerste plaats de al genoemde flexarbeid en lage toegevoegde waarde per baan, wat niet correspondeert met het ambitieniveau voor LAB2. In de tweede plaats moet een eventuele leisure-ontwikkeling op LAB2 een eigenstandige grote aantrekkingskracht hebben, wat qua mobiliteitsprofiel niet gunstig is, omdat er geen (goede) treinverbinding is.

Score ontwikkelrichting

Milieu

4

Materiele welvaart

3 2 1

Veiligheid

0

Samenleving

Gezondheid

Arbeid Wonen

Voorlopige conclusie vrijetijdseconomie Grootschalige nieuwvestigingen in de vrijetijdseconomie is een kleine markt. Er zijn voorbeelden van locaties die reeds lang zijn gereserveerd en waar nog geen succes is geboekt (de TRZ-locatie te Assen bijvoorbeeld). Ook zijn businesscases in de sector niet altijd overtuigend. Vanuit NBTC/NFIA zijn er weinig leads en die leads kijken vaak als eerste naar Amsterdam of een traditioneel toeristengebied. De relatief centrale ligging van LAB2 in Nederland binnen de MRA is een pluspunt, maar dat alleen is niet voldoende. Voeg dit bij het negatieve oordeel over de arbeidsmarktdiversificatie en dan is de conclusie dat deze ontwikkelrichting voor het vervolg buiten beschouwing wordt gelaten.

28

3.4 Samenvattende beoordeling ontwikkelrichtingen Op basis van de achterliggende slides en de voorafgaande beoordeling per ontwikkelrichting is in tabel 3.1 een voorlopig totaalbeeld geschetst. Voorlopig, omdat dit beeld nog wordt verrijkt met informatie uit de financiële quick scan en er in het volgende hoofdstuk een aantal andere overwegingen aan worden toegevoegd. De scores in tabel 3.1 laten zien dat bijna alle bestudeerde ontwikkelrichtingen relevant kunnen zijn voor LAB2, met uitzondering van de vrijetijdseconomie. Reguliere logistiek valt eveneens af, maar het hoogwaardige deel kan wel interessant zijn, mits met specifieke condities die moeten garanderen dat er inderdaad sprake is van beoogde hoogwaardigheid, intensief ruimtegebruik, duurzaamheid (energie, transportvloot en vastgoed) en synergie met de andere ontwikkelrichtingen. Voor wat die synergie betreft, het moet bij die hoogwaardige logistiek dus gaan om logistiek die van betekenis is voor de andere ontwikkelrichtingen op LAB2. Eenzelfde opmerking kan worden gemaakt bij maakindustrie en scale ups: daar worden in het bijzonder kansen gezien die aansluiten op de andere ontwikkelrichtingen. Dus maakindustrie in agrofood, energietransitie, luchtvaart en circulaire bouw en scale ups in diezelfde clusters.

Tabel 3.1 Samenvattend overzicht beoordeling ontwikkelsrichtingen Markt/Vraag Diversificatie banen (1) Secundaire agrofood ++ + (2) Energietransitie ++ ++ (3) a) reguliere logistiek ++ b) hoogwaardig (zie tekst) ++ + (4) Luchtvaartgerelateerd ++ ++ (5) Circulaire economie ++ + (6) Maakindustrie + ++ (7) Scale ups + +

Brede Welvaart + ++ 0 + + 0/+ +

(8) Vrijetijdseconomie 0 0 + Legenda: - - = -2 ; - = -1 ; 0 = 0 ; + = 1 ; ++ = 2 ; Score bij ‘Totaal’ is optelling hiervan.

Ecosysteem

Totaal

Opmerkingen

++ 0/+ + + 0/+ 0/+ 0 0/+

6,0 6,5 1,0 4,0 5,5 4,5 3,5 3,5

0

1,0

Grote markt, groeikans en goed ecosysteem Economisch en maatschappelijk kans Hoogwaardige deel met eisen en synergie andere richtingen mogelijk interessant Met name elektrisch vliegen In het bijzonder circulair bouwen Vooral gekoppeld aan de andere richtingen Shared facilities en financieringsinstrumentarium aandachtspunt Geringe trefkans, matige business cases

.

29

4 Selectie ontwikkelrichtingen LAB2

Tabel 4.1 Samenvattend overzicht financiële quick scan

In dit hoofdstuk wordt toegewerkt naar een voorstel voor de ontwikkelrichtingen waar LAB2 zich op moet richten. Op basis van de analyse in het voorafgaande hoofdstuk, die mede zijn gebaseerd op de achterliggende informatie van de desk research die als bijlage zijn toegevoegd, is aan het einde van hoofdstuk 3 in tabel 3.1 een overzicht gegeven van de kansrijkheid per ontwikkelrichting. In dit hoofdstuk wordt dit aangevuld met informatie uit de financiële quick scan. Vervolgens wordt beredeneerd welke van de ontwikkelrichtingen in een conceptueel plan voor LAB2 aan bod komen.

4.1 Financiële quick scan In het kader van deze studie en specifiek ten behoeve van de selectie van ontwikkelrichtingen heeft Stadkwadraat een financiële quick scan gemaakt. Dat is een separate notitie, in de vorm van een vertrouwelijke bijlage. In de quick scan is gekeken naar onder meer de afzetbaarheid van grond binnen een ontwikkelrichting, het aandeel uitgeefbaar areaal en soort gebouwen die ervoor nodig zijn en daarmee ook naar de ordegrootte van de investeringen. Dat is onder meer afgezet tegen een voor de ontwikkelrichting relevant prijsniveau en dat resulteert in een uiteindelijke beoordeling. Die beoordeling – in de vorm van een financieel saldo – is – omwille van de vertrouwelijkheid van de financiële cijfers - in kwalitatieve termen weergegeven in tabel 4.1.

Uitkomst quick scan Agrofood (secundair)

Groot positief

Energietransitie

Beperkt negatief

Hoogwaardige logistiek

Groot positief

Luchtvaartgerelateerd

Zeer groot positief

Circulair bouwen

Beperkt positief

Maakindustrie

Zeer groot positief

Scale ups

Beperkt negatief

Vrijetijdseconomie

Zeer fors negatief

Bron: Financiële quick scan LAB2, Stadkwadraat, bewerking Bureau BUITEN

Het kwantitatieve resultaat is het opbrengstenniveau verminderd met het investeringsvolume exclusief grondexploitatiekosten. Uitgangspunt is dat deze kosten verdisconteerd zijn in de grondprijs die de ontwikkelaar betaalt aan de grondexploitant. Het gaat hierbij om een abstracte benadering die een mogelijke financiële uitkomst benadert, maar die te globaal is voor een business case. Op basis van de gehanteerde uitgangspunten hebben vijf van de acht ontwikkelrichtingen een positief resultaat. Deze ontwikkelrichtingen zijn vanuit financieel perspectief kansrijk voor de invulling van LAB2. Dat betekent ook dat er drie ontwikkelrichtingen een negatief financieel resultaat hebben. Dat zijn vrijetijdseconomie, scale-ups en energietransitie. Voor energietransitie is deze uitkomst op het eerste oog wellicht verwonderlijk. In de rekenexercitie komt dit door een lager aandeel uitgeefbaar in vergelijking tot sommige andere richtingen, wat resulteert in hogere kosten openbare ruimte en minder opbrengsten. Bovendien zijn er relatief hoge stichtingskosten. Dat maakt dat deze ontwikkelrichting op

30

basis van deze uitgangspunten een negatief financieel resultaat heeft in de quick scan. Voor scale ups vloeit het financieel resultaat met name voort uit een relatief lange uitgifteperiode, omdat dit als een vrij ‘dunne’ en specifieke markt wordt gezien. Scale ups kunnen zeker interessant zijn, maar dan uiteraard slechts voor een beperkter deel van de ontwikkeling, terwijl in de quick scan voor elk van de ontwikkelrichtingen naar het gehele gebied is gekeken.

• • • •

Agrofood Energietransitie Luchtvaartgerelateerde bedrijvigheid Circulair bouwen

Figuur 4.1 Drie invalshoeken voor selecteren voorkeursrichting

Maakindustrie heeft het beste financiële resultaat, met name voortkomend uit het volwassen karakter van deze sector, wat naar verwachting leidt tot een hoge(re) marktwaarde/beleggingswaarde van vastgoed. Ook luchtvaart, logistiek en agrofood hebben een positief financieel resultaat, gevolgd door circulair. Voor deze ontwikkelrichtingen geldt dat er een positieve businesscase is te maken, uitgaande van de gekozen uitgangspunten in deze financiële quick scan.

4.2 Selectie van ontwikkelrichtingen In de onderzoekaanpak van Bureau BUITEN en Stadkwadraat is aangegeven dat voor de selectie van ontwikkelrichtingen naar de combinatie wordt gekeken van de mate waarin sprake is van diversificatie van werkgelegenheid, het veronderstelde effect op Brede Welvaart en de financiële quick scan (zie figuur 4.1). De combinatie van tabel 3.1 (economische analyses) met tabel 4.1 (financiële quick scan) leidt tot de volgende conclusies. Voor LAB2 wordt ingezet op de volgende vier ontwikkelrichtingen:

Agrofood, luchtvaartgerelateerd en circulair bouwen komen zowel positief uit de economische analyse, als uit de financiële quick scan en zijn dus logische clusters/activiteiten om op in te zetten. Voor energietransitie geldt dat de financiële quick scan weliswaar licht negatief is, maar dat de economische analyse dermate positief is, dat er toch op wordt ingezet. Gelet op het brede maatschappelijke belang en de grote publieke en private investeringen in energietransitie, wordt verwacht dat er uiteindelijk ook een positieve businesscase voor deze ontwikkelrichting mogelijk wordt. Binnen deze ontwikkelrichtingen kan het ook om maakindustrie of scale ups gaan, maar vooral gekoppeld aan deze richtingen. Op basis van de

31

geformuleerde ambities is er voor generieke logistiek, die niet ondersteunend is aan de gekozen ontwikkelrichtingen, geen ruimte op LAB2. Onder stringente voorwaarden (zie subparagraaf 3.3.3) kan hoogwaardige logistiek gekoppeld van toegevoegde waarde zijn, als er sprake is van synergie met de vier gekozen ontwikkelrichtingen. Er wordt qua marketing en acquisitie niet op de drie aanvullende ontwikkelrichtingen – maakindustrie, scale ups en hoogwaardige logistiek – ingezet, om helderheid en focus te creëren. De vrijetijdseconomie valt af, met een negatieve inschatting vanuit zowel de analyse als de financiële quick scan. 4.2.1

Digitalisering en menselijk kapitaal dwarsdoorsnijdende aspecten

Er zijn twee aspecten die relevant zijn voor de ontwikkeling van LAB2 en die in zekere zin een dwarsdoorsnijdend karakter hebben omdat ze voor elke ontwikkelrichting relevant zijn: digitalisering en menselijk kapitaal. Voortgaande digitalisering speelt in elke bedrijfstak en is relevant voor de vier hiervoor geformuleerde ontwikkelrichtingen die de basis zijn voor LAB2. Denk bijvoorbeeld aan voortgaande automatisering in de voedingsindustrie of de ontwikkeling van robots voor de landbouw. Of in de energietransitie aan slimme en wellicht lerende ICT-systemen die efficiënte keuzes maken voor energieopslag danwel directe levering aan het net en daarmee bijdragen aan balans op het stroomnet en aan de businesscase van bijvoorbeeld een megabatterij/-accu. Bij de bouw van elektrische vliegtuigen speelt robotisering eveneens en is optimaal energiemanagement nodig dat digitaal is aangestuurd. Bij circulaire bouw zijn digitale materiaalpaspoorten relevant en zonder automatisering/ robotisering is een bouwfabriek ondenkbaar. LAB2 mikt niet specifiek op eigenstandige ICT-bedrijven, maar tegelijkertijd zal geen bedrijf op LAB2 zonder ICT/digitaliseringskennis en -capaciteit kunnen. ICT-/’digital tech’-

gebaseerde bedrijvigheid met een duidelijke relatie naar één of meer van de vier ontwikkelingsrichtingen is dus relevant voor LAB2 en kan er ook worden gehuisvest. Van een andere aard, maar eveneens dwarsdoorsnijdend, is de relevantie van menselijk kapitaal. Er is een structurele krapte op de arbeidsmarkt, doordat oude grote cohorten uitstromen en worden vervangen door kleinere jonge cohorten. Om de beoogde ontwikkeling op LAB2 te versterken of van een impuls te voorzien is een link naar het onderwijs een vereiste. Dat kan per individueel bedrijf worden opgepakt en ingevuld, maar het is ook denkbaar en zelfs wenselijk om op terreinniveau bij te dragen aan de randvoorwaarden hiervoor, bijvoorbeeld in de vorm van een praktijklokaal. Ook ‘zachte’ faciliteiten als een stagebank/stagecoördinator kunnen helpen om de band tussen onderwijs en LAB2 te versterken en dat is dan weer een bescheiden extra impuls voor vestiging van bedrijven. 4.2.2

Invulling LAB2

LAB2 wordt een ‘Ontwikkel- en Maak’-gebied, gericht op kennisintensieve bedrijvigheid. Op LAB2 worden fundamentele innovaties die elders tot stand zijn gebracht, doorontwikkeld en geproduceerd. Dat is het overkoepelende thema. LAB2 richt zich op ontwikkel- en maakbedrijven en kennisdiensten (ingenieursbureaus, testbedrijven, labs, etc.) ten behoeve van de aangeduide clusters. Agrofood en energietransitie worden als de grote(re) kansrijke dragers voor de ontwikkeling gezien, bij energietransitie met de opmerking dat in de uiteindelijke opzet er aandacht moet zijn voor een gezond financieel resultaat. Behoudens tijden van conjuncturele tegenwind, wordt voor deze twee clusters elk jaar wel enige marktvraag verwacht, met in hoogconjunctuur en incidenteel uitschieters naar boven.

32

Voor luchtvaartgerelateerd en circulair bouwen is de markt in potentie groot, maar de trefkans lager. De uitgifte zal gemiddeld in kleinere stukjes en meer schoksgewijs tot stand komen, al is in beide markten een grote klapper denkbaar. Een bouwfabriek vergt al snel een flinke kavel, maar het zal vermoedelijk ook maar om één of twee van dergelijke initiatieven gaan. En wanneer die komen, is lastig voorspelbaar. Eenzelfde argument geldt voor opschaling van de bouw van elektrische vliegtuigen. Sceptici zeggen dat Nederland slechts als ontwikkellocatie relevant is en dat serieuze opschaling omwille van prijs elders in de wereld zal plaatsvinden, maar er is wel degelijk kans op een serieuze bouwer die in één keer een flinke kavel afneemt. Het UAV-deel13 zal kleinere bedrijven betreffen. De ontwikkeling van het luchtvaartgerelateerde deel is relevant. Zowel in de huidige functie voor de General Aviation als in een toekomst met openstelling voor groothandelsverkeer.

Ruimte voor hoogwaardige logistiek wordt uitsluitend gefaciliteerd ten behoeve van versterking van de vier geselecteerde ontwikkelrichtingen en onder stevige voorwaarden die moeten borgen dat het ook echt om hoogwaardige logistiek gaat, dat er relatief zorgvuldig met de ruimte wordt omgegaan, die duurzaam is (gebouw, energie, vloot) en die van betekenis is voor de andere ontwikkelrichtingen; zie hoofdstuk 3 voor een voorzet daarvoor. Bijvoorbeeld: Hoogwaardige foodlogistiek die bijdraagt aan een sterker agrofoodcluster op LAB2 behoort dus tot de doelgroep.

4.2.3

Conclusie: selectie van ontwikkelrichtingen

Advies: voor LAB2 in te zetten op agrofood, energietransitie, luchtvaartgerealteerde bedrijvigheid en circulair bouwen. LAB2 wordt een ‘Ontwikkel- en Maak’-gebied, gericht op kennisintensieve bedrijvigheid. LAB2 richt zich op ontwikkel- en maakbedrijven en kennisdiensten (ingenieursbureaus, testbedrijven, labs, etc.) in • Agrofood; • Energietransitie; • Luchtvaartgerealteerde bedrijvigheid en; • Circulair bouwen. Het kan hierbij tevens om maakindustrie, scale ups of hoogwaardige, synergetische logistiek – zoals hiervoor gedefinieerd – gaan, maar de focus ligt op de vier genoemde ontwikkelrichtingen.

13

UAV staat, zoals eerder vermeld, voor Unmanned Aerial Vehicle, de meer generieke benaming voor drones in allerlei soorten en maten.

33

5 Positionering en uitgangspunten voor ontwikkeling LAB2 In dit hoofdstuk wordt gekeken naar de positionering van LAB2. Vanuit daar worden er concrete uitgangspunten geformuleerd die betrekking hebben op duurzaamheid, de conceptuele uitwerking en marketing en acquisitie. Ten slotte komen er eventuele beleidsimplicaties aan de orde. 5.1 Positionering LAB2 LAB2 is gelegen in een gebied dat is aangewezen als bedrijventerrein van bovenregionaal belang14. Vanwege de schaal en ligging - aan aansluiting A6, naast Lelystad Airport, centraal in Nederland, in de MRA – is de locatie geschikt en aantrekkelijk voor verschillende doelgroepen. De schaarste aan bedrijventerreinen in de MRA en in (overig) Flevoland maken dat er voor de ontwikkeling van LAB2 zorgvuldige keuzes gemaakt kunnen worden en eisen kunnen worden gesteld. Aan de voorkant hebben Provincie Flevoland en gemeente Lelystad zich uitgesproken dat LAB2 zich moet gaan onderscheiden in termen van diversificatie van werkgelegenheid en Brede Welvaart. Hiermee wordt dus een andere invulling beoogd dan op LAB1.

14

Met het oog op de diversificatie van de werkgelegenheid en het toekomstig verdienvermogen in de regio, heeft Flevoland behoefte aan slimme, hoogproductieve banen. Te midden van researchcentra en de huidige en toekomstige kennisinfrastructuur in en rond Flevoland, is LAB2 dan ook een geschikte locatie voor de ontwikkeling van een kennisintensief ontwikkel- en maakgebied. Rekening houdend met de arbeidsmarktkrapte en de versterking van de economische structuur, is arbeid uit andere regio’s of het (definitief) binden van hoger opgeleiden aan Flevoland wenselijk. Om dit te bereiken is aandacht nodig voor een goed leef- en verblijfklimaat. Naast een kwalitatieve en duurzame inrichting van het terrein is ook de personenbereikbaarheid via OV een belangrijke factor. De opwaardering (en het doortrekken) van de huidige busverbinding (naar LAB2) is hierin essentieel. Daarnaast zijn (duurzame) vormen van deelmobiliteit een belangrijke en noodzakelijke aanvulling, met tenminste een laadplein voor deelmobiliteit.

5.2 Duurzaamheid en toekomstbestendigheid LAB2 is het bedrijventerrein van morgen, niet dat van gisteren. Daarmee moet vol worden ingezet op een duurzaam bedrijventerrein, wat ook nog eens fysiek-ruimtelijk op orde en economisch sterk moet zijn. Gezien de omvang in areaal, grondstofstromen en energiegebruik spelen bedrijventerreinen een steeds belangrijkere rol in het behalen van de energie-, klimaat- en circulaire doelen. De kwaliteit van het terrein beïnvloedt de aantrekkingskracht op ondernemingen, alsook het functioneren van ondernemers. Bovendien is een groene en gezonde werkomgeving een steeds belangrijkere voorwaarde voor een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Een brede interpretatie van het begrip

Omgevingsprogramma Flevoland vastgesteld op 27 februari 2019

34

toekomstbestendigheid is daarom van belang. Een duurzaam bedrijventerrein, bevat maatregelen op drie niveaus: • De openbare ruimte: zoals (collectieve) energieopslag, laadfaciliteiten voor personen- en vrachtauto’s (en deelmobiliteit), groene halfverharding en wadi’s, duurzame (deel)mobiliteit en wandel- en fietspaden. • De gebouwde omgeving op de kavels: zoals het aanbrengen van zonnepanelen op daken, gevels en carports, het toepassen van automatisch dempende LED-verlichting, demontabel bouwen en het aanbrengen van nestkasten voor lokale soorten. • De bedrijfsprocessen in de bedrijfsvoering van de gevestigde bedrijven: zoals de uitwisseling van grondstoffen/reststromen, het scheiden van afvalstromen en de inkoop van groene stroom (als de lokale bronnen onvoldoende elektriciteit leveren).

gebouwen te stellen voor de energieprestatie en de milieuprestatie van toe te passen bouwmaterialen. Daarnaast is het vanzelfsprekend om voor LAB2 aan de voorkant het parkmanagement goed te regelen en privaatrechtelijk te verankeren dat de bedrijven daar verplicht aan bijdragen, inclusief afspraken over verduurzamingsmaatregelen.

Voorbeelden van deze maatregelen zijn te zien op pagina 36 en 37. Bij de implementatie hebben zowel de gemeente (inrichting en beheer openbare ruimte), de eigenaren van de kavels (inrichting van de kavels, bouw van de panden) en gebruikers (duurzaam gebruik van panden en openbare ruimte) een verantwoordelijkheid. Op dit moment geldt voor nieuw- en verbouw het Bouwbesluit 2012. Extra verduurzamingseisen voor de gebouwde omgeving kunnen daarmee niet uniform worden afgedwongen. Publiekrechtelijk is er wel een aantal zaken te regelen, zoals bovengrondse afvoer van hemelwater en parkeren op eigen terrein. Met de invoering van de omgevingswet, wordt het Bouwbesluit een algemene maatregel van bestuur die onder de omgevingswet valt: het ‘Besluit Bouwwerken Leefomgeving’ (BBL). Hiermee verandert er het nodige: ten eerste wordt een stap gezet in duurzaamheidseisen die aan panden worden gesteld. Alle gebouwen moeten bijvoorbeeld (bijna) energieneutraal (BENG) zijn. Ten tweede krijgen gemeenten zoals het er nu naar uit ziet, lokale maatwerkruimte om strengere eisen aan nieuwe

35

Duurzame energie-oplossingen zoals zonne-energie, windenergie, aanleg warmtenet, smart grid

Klimaatadaptatie en groenblauwe daken

Duurzame mobiliteit en zelfrijdend vervoer Circulaire bebouwing

Dubbel ruimtegebruik

36

Snelfietsroutes en verbeterde bereikbaarheid met het openbaar vervoer

5.3 Conceptuele uitwerking LAB2 5.3.1

Gezonde werkomgeving met voldoende fiets- en wandelpaden

Prettige werkomgeving, gedeelde voorzieningen en functiemenging

Conceptueel model voor LAB2

Ging het in hoofdstuk 4 met name over het de potentiële ontwikkelrichtingen van LAB2, hebben we in dit hoofdstuk geconstateerd dat er ook aandacht nodig is voor een goed verblijfklimaat en de faciliteiten, omdat LAB2 een kennisintensief ontwikkel- en maakgebied moet worden. In vergelijking tot LAB1 vraagt dit meer aandacht voor een voetgangersvriendelijke buiteninrichting, meer groen en zowel op business- als op werkenden gerichte faciliteiten. Een centrumgebied ten behoeve van collectief gebruik vergroot de kans van slagen van het concept. Hierin zouden een horeca-/kantinefunctie, een sportschool, vergader- en kleinschalige congresfaciliteiten, eventueel labs en een lokaal voor praktijkonderwijs een bijdrage leveren aan de aantrekkelijkheid van de locatie voor bedrijven en personeel. Deze opsomming is indicatief en niet-limitatief. Rond het centrumgebied is er ruimte voor drie of vier ‘werelden’: • Foodworld, waar wordt gewerkt aan gezonde voeding, eiwittransitie en de technologie voor het voeden van 10 miljard wereldburgers, daaraan gekoppelde machine-industrie en gerobotiseerde productielijnen, etc. • Energyworld, dat zich richt op de nieuwe generatie componenten of producten voor productie of slimme opslag en distributie van hernieuwbare energie, etc.

Ook elektrische mobiliteit, denk daarbij aan de toeleverende industrie of bedrijven in de faciliterende industrie (dus geen dealer of autofabriek). • Constructionworld, waar innovatief, sneller en duurzamer bouwen bouwen werkelijkheid wordt en waar ook ruimte is voor de technologieontwikkelaars achter deze verandering. • Aviation World, waar innovatie en verduurzaming van vliegen, inclusief elektrisch vliegen en Unmanned Aerial Vehicles, centraal staan.

37

Voor de drie eerste richtingen is afstemming op – overigens slechts ten dele vergelijkbare – initiatieven in Almere relevant. Een logische scheiding kan worden gezocht in een differentiatie naar positie in de innovatieketen. LAB2 richt zich op de ontwikkelingscomponent en daarmee op de hogere TRL-niveaus. Die scheiding dient overigens als zacht te worden geïnterpreteerd. Uitgangspunt is dat ontwikkelingen in Flevoland elkaar versterken. De centrale faciliteiten moeten het gebied aantrekkelijk maken voor de gebruikers. Figuur 5.1: Conceptuele verbeelding van de vier werelden van LAB2

Standaardelementen voor een goed beheer zijn ook een verplichting om bij te dragen aan parkmanagement, gezamenlijke beveiliging en een bereidheid om te onderzoeken of op het vlak van energie en grondstoffen/componenten samenwerking mogelijk is. Een maximale inzet op de productie van hernieuwbare energie is eveneens een conditio sine qua non. De energievoorziening en -opslag (mede met het oog op netcongestie) voor het bedrijventerrein en een energy hub met tenminste laadfaciliteiten voor personen- en vrachtauto’s en een waterstoftankpunt dienen onderdeel uit te maken van het plan. 5.3.2 Gefaseerde ontwikkeling Het bruto plangebied voor LAB2 is met 265 ha zeer groot. De behoefte aan bedrijventerrein zal jaarlijks fors kunnen fluctueren tussen 0 en ca. 10 ha per jaar, met incidentele grotere uitschieters. Hoe dan ook is het gebied veel te groot om in één keer in de markt te zetten. Het conceptuele model voor LAB2 staat of valt met een langjarige ontwikkelhorizon en de bereidheid om selectief te zijn, om daarmee het profiel en de bijdrage aan de brede welvaart op de lange termijn tot stand te brengen. Het is dus een bewust andere keuze dan gaan voor quick wins op korte termijn en snelle uitgifte. Geadviseerd wordt om voor een eerste fase te mikken op een omvang van ca. 20 ha elk voor Agroworld en Energyworld en ca.

10 ha per ontwikkelrichting voor Constructionworld en Aviation World. Samen met een centrumgebied is er dan sprake van een eerste ontwikkelingsfase van ca. 60-70 ha. In het uiteindelijke ontwerp moet worden gezocht naar mogelijkheden voor ruimtelijke flexibiliteit, uitwisselbaarheid en snelle opschaalbaarheid, zodat ook bij incidentele grote gebruikers er relatief snel kan worden geschakeld. Het Brabantse model van vraaggericht ontwikkelen van bedrijventerrein kan hierbij als voorbeeld dienen.

38

5.4 Aandachtspunten marketing en acquisitie Bij de ontwikkeling van LAB2 hoort een passende branding (neerzetten identiteit naar buiten toe) en communicatiestrategie per ontwikkelrichting. Dit is geen sluitpost, maar medebepalend voor het succes van het gebied. Marketing en acquisitie in Flevoland werkt op de volgende wijze: • Het is van belang om een duidelijke rolverdeling voor acquisitie aan te houden. De landelijke werkwijze is dat NFIA rechtstreeks contacten houdt met de ROM’s (regionale ontwikkelingsmaatschappijen). Horizon is de 'ambassadeur' voor Flevoland. Om de rolverdeling transparant te houden voor NFIA komen daar verder geen andere entiteiten bij. • Horizon beschikt over bedrijfsmakelaars/business developers die goed in contact staan met het bestaande bedrijfsleven. • Voor nationale acquisitie geldt dat de acquisitieafdeling van de gemeente eerst aan zet is, de ROM - Horizon kan daarin helpen/begeleiden. • Internationale acquisitie vindt plaats in overleg tussen de gemeentelijke acquisiteurs, de NFIA en ROM. Hiernaast halen OMALA en AAA via andere kanalen leads binnen, maar dat betekent niet dat ze een volwaardige acquisitie-partner zijn of worden. NFIA schakelt dus met Horizon en de gemeente waarna leads en andere informatie verder wordt uitgezet naar de gemeente of de ontwikkelingsmaatschappij.

• Gemeente Lelystad heeft ook acquisiteurs in dienst die rechtstreeks betrokken zijn bij de acquisitie van bedrijven die zich vestigen in de stad Lelystad. De acquisiteurs opereren zowel zelfstandig als in overleg met Horizon en andere acquisitiepartners. • Een belangrijke volgende stap is om een strategisch acquisitieplan op te stellen voor LAB2 waarin de bestaande partijen (Horizon, acquisiteurs van de gemeente, OMALA) op een juiste manier met de

hierboven beschreven rolverdeling gaan opereren. Op deze wijze kan er goed overzicht worden gehouden op potentiële klanten/bedrijven. Iedere ontwikkelrichting heeft te maken met andere aanbieders dus ook een ander focusgebied. Binnen de agrofood is met name de EuropeesAngelsaksische markt kansrijk (met de focus op Nederland). Een voorbeeld is een machinebouwer voor het agrofoodcluster. Als we kijken naar de energietransitie (in combinatie met de maakindustrie) dan zijn ook Aziatische en Amerikaanse aanbieders relevant. Een voorbeeld is de productie van elektrische auto’s – deze markt maakt een sterke groei door. Ook rondom de ontwikkelrichting luchtvaartgerelateerd zijn wereldwijd veel initiatieven: bedrijven zoals Wright electric (Amerikaans), Avinor (Noors), Swedavia (Zweeds), Maeve Aerospace (uit Delft) en Electron (Brits-Nederlands) houden zich bezig met elektrisch vliegen. Een ander voorbeeld en meteen ook een dwarsverband met de energietransitie is de batterijtechnologie (zowel interessant voor auto’ als vliegtuigen) of de productie daarvan.

5.5 Dwarsverband met of implicaties voor beleidskader In het beleidskader voor de ontwikkeling van LAB2 is het vigerende beleid op verschillende niveaus (Rijk, provincie, gemeente) naast de beoogde ontwikkelrichtingen gelegd. Vervolgen is er een driedeling geformuleerd met daarin: • harde eisen/randvoorwaarden (met een directe implicatie) voor LAB2; • ambities van de beleidskaders waarmee de ontwikkelrichtingen overeen komen of er een bijdrage aan leveren; • majeure aandachtspunten en (beperkte) strijdigheid tussen beleidskaders en ontwikkelrichtingen.

39

Harde eisen/randvoorwaarden aan LAB2 Er zijn betrekkelijk weinig beleidskaders of onderdelen daarvan die expliciete eisen stellen, die een direct effect hebben op LAB2. Vooral bij het Luchthavenbesluit Lelystad is dat wel het geval. Dat leidt voor een deel van LAB2 tot begrenzing van activiteiten en bestemmingen. In een deel van het zoekgebied van LAB2 is de maximale bouwhoogte 16,3 meter. In het nog te maken fysieke ontwerp voor LAB2 en het (uiteindelijke) Omgevingsplan moet hiermee rekening worden gehouden. Hogere bouwhoogtes zijn mogelijk aan de A6-zijde en gebruikers die hoogte nodig hebben zullen aan die kant terecht kunnen. LAB2 levert bijdrage aan beleidsdoelen of past binnen kaders Er is een groot aantal beleidsdocumenten en visies die relevant zijn voor LAB2 en waarbij de beoogde ontwikkeling past binnen die kaders en/of expliciet een bijdrage levert aan de beoogde doelen. In het beleidskader staat dit nader uitgelegd. De belangrijkste constatering voor de beoogde ontwikkeling is dat die visies en programma’s wel van belang zijn en tot aandachtspunten leiden, maar dat die niet van een zodanige strekking zijn dat hier bijzondere aandacht voor nodig is. Majeure aandachtspunten Het confronteren van beoogde ontwikkeling voor LAB2 met het vigerend beleid, leidt op een aantal punten wel tot majeure aandachtspunten.

In de eerste plaats wordt daarbij gewezen op de stikstofproblematiek. Binnen een straal van 25km bevinden zich verschillende Natura2000- en NNN-gebieden, met ongetwijfeld deels ook stikstofgevoelige natuur. Dat is majeur aandachtspunt voor het opstellen van Omgevingsplan voor LAB2. Ook is het vervolgens van betekenis voor het aanvragen van ‘Omgevingsvergunningen bouwen’ door partijen die bedrijfshuisvesting op LAB2 willen realiseren. Een tweede mogelijk aandachtspunt betreft eventuele geluidzonering in relatie tot mogelijk te handhaven woningbouw. In het plangebied bevinden zich enkele woonhuizen/boerderijen, die mogelijk blijven.

Binnen de vier ontwikkelrichtingen kan er ook sprake zijn van maakbedrijven waar geluid een relevant onderwerp bij is. Bij het ontwerp en in het Omgevingsplan moet rekening worden gehouden met de maximaal toelaatbare geluidsbelasting op de gevels van woningen. Zo nodig moet het terrein hiertoe worden gezoneerd. Overigens is in moderne bedrijfshuisvesting met bronmaatregelen (isolatie) veel te bereiken, dus het kan zijn dat dit probleem zich in de praktijk feitelijk niet gaat voordoen. Een derde aandachtspunt wordt gevormd door de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. De marktbehoefte voor LAB2 moet worden aangetoond. In de NvU wordt daar reeds aandacht aan besteed, maar bij het Omgevingsplan vraagt dit punt om aandacht. Daarbij zal het overigens niet lastig zijn om aan te tonen dat een ontwikkeling op de schaal van LAB2 niet binnenstedelijk kan worden gerealiseerd. Ook het gemeentelijk rioleringsplan en de klimaatadaptatiestrategie leiden tot aandachtspunten voor het ontwerp. Daarbij zijn de geformuleerde beleidsambities overigens gangbaar en zullen voor architecten/ontwikkelaars/bouwers geen onoverkomelijke drempels bevatten. De gemeentelijke mobiliteitsvisie vraagt aandacht voor mobiliteitspreventie.

Dat is ook vanuit de Provincie Flevoland een aandachtspunt, waarbij wordt opgemerkt dat dit ook al voor LAB1 relevant is en er al over nagedacht is bij het gereed maken van de luchthaven voor het eventuele groothandelsverkeer. Er zijn twee punten waar de beoogde ontwikkeling voor LAB2 een zekere spanning vertoont met voor de gemeentelijke beleidsambities. In het Koersdocument 2040, de Omgevingsvisie Lelystad 2040 en de Strategische Agenda Lelystad Next Level wordt expliciet ingezet op een verdere groei van de logistieke sector en die groei wordt ook gekoppeld

40

aan Lelystad Airport Businesspark. Nu wordt die groei daadwerkelijk gefaciliteerd op LAB1 en op Flevokust, maar voorLAB2 wordt niet - of althans slechts in een ondersteunende vorm – ingezet op de logistieke sector. De beoogde ontwikkeling op LAB2 is hiermee niet strijdig, maar staat er wel mee op enigszins gespannen voet.

Tabel 5.1 Indicatieve kenmerken relevante ontwikkelrichtingen

Agrofood

Energietransitie

Hoogwaardige logistiek

Luchtvaartgerelateerd

Circulair bouwen

Maakindustrie

Inschatting vraag (ha/jaar)

1-4

1-2

5-15

0-1

1-2

0-2

0-2

xxx

Kavelgroottes

0,5-3>

0,5-3>

2-10>>

0,5-2>

1-5

1-5

0,5-2>>

xxx

Banen/ha

30-60

20-40

20-40

30-50

20-40

20-100

variabel

xxx

Milieuhindercategorie* max

4.2, vs 5.1

4.2, vs 5.1

3.2

4.2

4.2

4.2, vs 5.1

<4.2

xxx

ja

kan

nee

ja

kan

ja

kan

xxx

Geluidzonering

Scale ups

Vrijetijdseconomie

41

Bijlage 1: gevoerde gesprekken • • • • • • •

Onno Zwart, Ben van de Ven, Bart Verschut, Stefan Bakker (OMALA) Ties Elzinga (Horizon) Jan Hendrik Sweers (MITC/Provincie Flevoland) Sierdjan Koster (Rijksuniversiteit Groningen) Rogier Wilms (Provincie Flevoland, Energie-opgavemanager) Frans de Vries (FLV Aviation) Joep Schroeders en Olav Steffers (Amsterdam Airport Area)

Ambtelijke begeleidingscommissie: • Carolien Visser (Provincie Flevoland) • Jan de Boer (Provincie Flevoland) • Vincent Sloesen (gemeente Lelystad) • Luca van Seumeren (gemeente Lelystad) • Economische zaken provincie Flevoland • Economische zaken gemeente Lelystad Bestuurlijk betrokkenen: • Jan Klopman (gedeputeerde Provincie Flevoland) • Chris Jansen (gedeputeerde Provincie Flevoland) • Jan de Reus (gedeputeerde Provincie Flevoland) • Jan Nico Appelman ((voormalig) gedeputeerde Provincie Flevoland) • Dennis Grimbergen (wethouder Lelystad)

42

43

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lelystad&id=1dd4200c-cc8d-4efa-9733-ff90418e7a76