CConstaterende datLelystad
Koppel je AI →
Document · PDF

BL Bestemmingsplan Stationsgebied Oost - Totaal inclusief bijlagen

Raadsvergadering 26 september 2023, gemeente LelystadBij agendapunt: 162. Vaststelling bestemmingsplan Stationsgebied Oost22.616 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Bodem en grondwater Voor ondergrondse constructies, waarvan de onderkant dieper ligt dan de hoogste grondwaterstand, wordt geadviseerd waterdicht te bouwen om te voorkomen dat overlast van grondwater ontstaat. Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van het inzamelings- en transportstelsel van afvalwater, kortom de riolering, ligt bij de gemeente. Het Waterschap Zuiderzeeland is verantwoordelijk voor de zuivering van het aangeleverde afvalwater. 7.3

Conclusie Het plan voorziet niet in een toename van het verhard oppervlak. In de nieuwe situatie neemt het verhard oppervlak af, waardoor er meer ruimte vrijkomt voor de toepassing van klimaatadaptieve maatregelen. Watercompensatie is niet benodigd. Voor de overige wateraspecten worden ook geen dermate nadelige effecten verwacht dat het aspect water een belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld

33

8

Archeologie en cultuurhistorie

8.1

Archeologie

8.1.1 Kader Verdrag van Malta In 1992 werd het Europese Verdrag van Malta ondertekend door een groot aantal EU-landen, waaronder ook Nederland, met als doel om het (Europese) archeologische erfgoed veilig te stellen. Ter implementatie van het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving is in 2007 de Monumentenwet gewijzigd. De bescherming van archeologische waarden was geregeld in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ); een wijziging in de Monumentenwet. De kern van de WAMZ was dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten bewaard moeten blijven, bij voorkeur in situ. Naast het inventariseren van de te verwachten archeologische waarde, moet het bestemmingsplan uiteindelijk, indien nodig, een bescherming bieden voor archeologisch waardevolle gebieden. Dit kan bijvoorbeeld door middel van een omgevingsvergunning voor werken en/of werkzaamheden. Erfgoedwet De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bundelt de bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd.

In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet. Provinciaal archeologiebeleid Voordat de Zuiderzee ontstond is het grondgebied van de provincie Flevoland ook al bewoond geweest. Duizenden jaren geleden hebben deze eerste bewoners sporen achtergelaten, die bewaard zijn gebleven in de bodem van Flevoland. Deze archeologische waarden zijn uniek. Het Europees verdrag op het gebied van de bescherming van het archeologisch erfgoed verplicht de deelstaten om archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem te behouden. Dit is geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving. Indien behoud in de bodem niet mogelijk is moeten belangrijke archeologische waarden door middel van opgravingen en onderzoek veilig worden gesteld. Het provinciaal beleid sluit aan bij het Europese verdrag en legt de nadruk op het vergroten van het maatschappelijk rendement van de archeologische monumentenzorg. Deze verplichting geldt voor heel Flevoland.

In het provinciaal archeologiebeleid is onderscheid gemaakt in Provinciaal Archeologische en Aardkundige Kerngebieden (PArK'en), archeologische aandachtsgebieden en top 10-locaties.

Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld

34

Deze gebieden en locaties acht de provincie van provinciaal belang. De PArK'en en top-10locaties zijn door de provincie uitgewerkt, de uitwerking van de archeologische aandachtsgebieden is een gemeentelijke verantwoordelijkheid. Archeologische aandachtsgebieden zijn gebieden met een relatief hoge dichtheid aan goed geconserveerde archeologische waarden. Zij omvatten delen van de prehistorische stroomgebieden van de Vecht, IJssel en Eem, waarin onder andere nederzettingen van de Swifterbantcultuur liggen. Deze aandachtsgebieden bevinden zich onder andere in het noordelijke en zuidelijke deel van gemeente Lelystad. De vermoedelijke archeologische waarden in het noordelijke gebied zijn dusdanig groot dat dit gebied, dat grenst aan het PArK Rivierduingebied Swifterbant, in gemeentelijk beleid als te onderzoeken gebied is aangewezen. Naast PArK'en, aandachtsgebieden en top-10-locaties zijn door de provincie ook aardkundig waardevolle gebieden aangewezen. In de aardkundig waardevolle gebieden bevinden zich naast oude menselijke sporen ook sporen van vroegere landschappen. Elementen als oude geulsystemen en rivierduinen, zeldzame veenresten en zeer oude bodems vormen onderdelen van deze zeer oude, fossiele landschappen. Uit deze aardkundige elementen is de ontstaansgeschiedenis van Flevoland af te lezen.

De provincie heeft een eerste inventarisatie en waardering van de aanwezige aardkundige waarden uitgevoerd. Dit heeft geresulteerd in de globale begrenzing van aardkundig waardevolle gebieden. Binnen de gemeentegrenzen van Lelystad bevinden zich onder andere de aardkundig waardevolle gebieden “Rivierduinen en stroomgeulen Swifterbant 1 en 2”. Gemeentelijk archeologiebeleid In het gemeentelijk archeologiebeleid wordt onderscheid gemaakt tussen gebieden met (hoge) archeologische waarde en hoge en middelhoge archeologische verwachting en gebieden met een lage archeologische verwachting. In gebieden met (hoge) archeologische waarde (PArK Rivierduingebied) moet altijd archeologisch onderzoek worden gedaan. In gebieden met hoge en middelhoge archeologische verwachting is ook onderzoek nodig. In de gebieden met een lage archeologische verwachting is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Het gemeentelijk beleid is op 28 augustus 2008 vastgesteld en sinds 11 september 2008 in werking. De hierboven gemaakte onderverdeling in gebieden met een hoge, middelhoge en lage archeologische verwachting, en de reeds onderzochte gebieden kunnen van toepassing zijn op het gebied buiten de provinciale aandachtsgebieden. Het staat de gemeente vrij buiten de provinciale aandachtsgebieden het beleid van toepassing te verklaren.

In het gebied ten zuidwesten van de bebouwde kom tot aan het Knarbos ligt een aaneengesloten strook met een hoge en gematigde archeologische waarde. Bij bodemverstoringen dient hier eerst archeologisch (voor)onderzoek plaats te vinden. Archeologisch onderzoek is nodig om uit te sluiten dat archeologisch waardevolle vindplaatsen worden verstoord. Dit geldt niet voor de overige locaties met een hoge en gematigde archeologische verwachting. 8.1.2 Conclusie In het vigerende bestemmingsplan ‘Stadshart’ kent het plangebied geen archeologische dubbelbestemming. Het plangebied valt daarnaast buiten het in het Provinciaal Omgevingsplan

Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld

35

2006 opgenomen PArK en aandachtsgebied. Volgens de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW 2.0) bevindt het plangebied zich in een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde. Er is geen nader archeologisch onderzoek noodzakelijk. 8.2

Cultuurhistorie

8.2.1 Kader Visie erfgoed en ruimte ‘Kiezen voor karakter’ (juni 2011) In de Visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' zet het Rijk uiteen hoe cultureel erfgoed wordt geborgd in de ruimtelijke ordening voor de periode 2011-2015. In de jaren 2012-2016 heeft de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in vijf programmalijnen uitvoering gegeven aan de beleidsnota Visie Erfgoed en Ruimte, Kiezen voor Karakter. Dit programma heeft vanaf 2017 een doorstart gekregen. De moderne monumentenzorg is ontwikkelings- en gebiedsgericht. Bovendien vindt het Kabinet samenwerking met publieke en private partijen van belang. In de Visie wordt het karakter van Nederland gevat in vier kenmerkende eigenschappen: waterland, stedenland, kavelland en vrij land. De gebiedsgerichte omgang met erfgoed vergt dat deze karakteristieken worden verbonden met opgaven uit andere sectoren en dat de economische, sociaal-culturele en ecologische kracht van het erfgoed beter wordt uitgebaat. Veranderingen in de monumentenzorg en de ruimtelijke ordening geven burgers en bedrijven meer ruimte en geven decentrale overheden meer vrijheden en verantwoordelijkheden. Iedere overheidslaag staat voor de taak zijn belangen zo veel mogelijk vooraf kenbaar te maken en waar nodig met regels te borgen. Het rijk is daarnaast verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel.

Provincies krijgen een centrale rol in de gebiedsgerichte belangenafweging en gemeenten verbinden gevolgen aan een gebiedsgerichte analyse van erfgoedwaarden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Het Rijk heeft gekozen voor vijf prioriteiten van het gebiedsgerichte erfgoedbeleid in de komende jaren: 1. werelderfgoed: de samenhang borgen en de uitstraling vergroten; 2. eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren; 3. herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: met focus op groei en krimp; 4. levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie en ecologie; 5. en wederopbouw: het tonen van een tijdperk. Beleidsvisie Cultuur 2017-2020 Cultureel Erfgoed Nu Lelystad ouder wordt, beschikt de stad over objecten met cultuurhistorische waarde die de ontwikkeling van Lelystad weergeven en het behouden waard zijn. Bij de behandeling van het Structuurplan Lelystad 2015 heeft de gemeenteraad aangegeven behoefte te hebben aan meer inzicht in het cultuurhistorisch erfgoed in Lelystad. Dit heeft ertoe geleid dat in 2007 door externe deskundigen een inventariserende quickscan is uitgevoerd. Deze quickscan heeft geleid tot een waardering van een aantal cultuurhistorische elementen in Lelystad. Op basis van deze waardering heeft de raad in 2008 besloten om het principe van ‘behoud door ontwikkeling’ als uitgangspunt te hanteren voor de gemeentelijke monumentenverordening.

Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld

36

'Behoud door ontwikkeling' staat voor een beleidsmatige aanpak dat zijn oorsprong vindt in de nota Belverdere (1999) van het rijk. Binnen het concept van 'Behoud door ontwikkeling' wordt het cultuurhistorisch erfgoed niet louter beschermd, maar worden de cultuurhistorische en archeologische kwaliteiten benut bij ruimtelijke vraagstukken op bijvoorbeeld het gebied van woningbouw, infrastructuur en natuurontwikkeling. Daarmee worden de waarden van het cultuurhistorisch erfgoed direct betrokken bij de (her)inrichting van de openbare ruimte en er niet buiten geplaatst. Dit komt niet alleen het erfgoed ten goede (behoud), maar ook de kwaliteit van het ruimtelijk ontwerp (ontwikkeling). Cultuurhistorische Waardenkaart Lelystad De cultuurhistorische waardenkaart geeft een overzicht op hoofdlijnen van de cultuurhistorische kenmerken en waarden in provincie Flevoland. De cultuurhistorische waardenkaart is opgebouwd uit verschillende kaarten. Dit zijn landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten, landschappelijke en cultuurhistorische basiskwaliteiten, een archeologische beleidskaart en aardkundig waardevolle gebieden. Momenteel wordt er gewerkt aan gemeentelijk cultuurbeleid voor de periode 2022-2025. 8.2.2 Onderzoek Uit de cultuurhistorische waardenkaart, zie afbeelding 8.1, blijkt dat het plangebied zelf geen cultuurhistorische waarden kent.

Ten oosten van het plangebied is een belangrijke interne ontsluiting aangeduid. Deze ontsluiting wordt door de voorgenomen ontwikkelingen niet aangetast. Het NS station heeft – ondanks dat het geen gemeentelijk monument is - wel cultuurhistorische waarde. Aan het station worden geen wijzigingen aangebracht.

Afbeelding 8.1: Cultuurhistorische waardenkaart Flevoland (plangebied in rood aangegeven).

Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld

37

8.2.3 Conclusie Met voorgenomen ontwikkeling worden de archeologische waarden niet onevenredig geschaad. Het plangebied kent bovendien geen cultuurhistorische waarden die deze ontwikkeling in de weg staan. Vanuit het aspect archeologie en cultuurhistorie bestaan geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld

38

9

Milieu

9.1

Algemeen In dit hoofdstuk worden de ruimtelijke (on)mogelijkheden inzichtelijk gemaakt. Waar nodig dient een vertaling plaats te vinden naar de juridische regeling. Het uitgangspunt hierbij is dat de juridische regeling zowel de ruimtelijke kwaliteit als de milieukwaliteit voldoende dient te borgen.

9.2

M.e.r.-beoordeling

9.2.1 Kader Het inwerkingtredingsbesluit wijziging Besluit m.e.r. is op 7 juli 2017 in werking getreden. In dit gewijzigde Besluit m.e.r. is de nieuwe procedure omtrent de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Het besluit is aangepast omdat de Europese rechter heeft geoordeeld dat de drempelwaarden voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten onvoldoende recht deden aan de vraag of er sprake is van "aanzienlijke gevolgen voor het milieu". Het besluit is aangepast en de drempelwaarden zijn nu indicatief. Dat betekent dat als een project (ruim) onder de drempelwaarden blijft er wel een toetsing moet worden gedaan. Het bevoegd gezag moet zich er van vergewissen dat er daadwerkelijk geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu zijn. Bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van woningbouw kan sprake zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals aangegeven in D 11.2, kolom 1, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat; of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De drempelwaarden in het Besluit m.e.r. (kolom 2-'gevallen' in de D-lijst) zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden.

Dat hoeft echter niet altijd het geval te zijn: in bepaalde gevallen kan een activiteit met een kleinere omvang wel degelijk belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan, dat betrekking heeft op activiteiten, die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Er zal een toets moeten worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:

• •

belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.

De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling bestaan geen vereisten voor de vorm, maar wel voor de inhoud.

Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld

39

9.2.2 Beoordeling en conclusie De beoogde ontwikkeling kan aangemerkt worden als een stedelijk ontwikkelingsproject en komt voor in de eerste kolom van de D-lijst horende bij het Besluit mer (categorie 11.2). Hoewel de drempelwaarde (kolom 2) (bij lange na) niet wordt overschreden, dient wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden. In het kader van de voorliggende ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld waarin de verschillende milieuaspecten afgewogen zijn. Deze is opgenomen als bijlage 3. In deze aanmeldnotitie wordt aan de hand van de drie criteria uit bijlage III van de Europese m.e.r.richtlijn(2011/92/EU), inzicht gegeven in de mogelijke milieueffecten van dit plan. Uit de aanmeldnotitie blijkt dat er geen belangrijk negatieve gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. Er hoeft geen milieueffectrapport te worden gemaakt. 9.3

Bodemkwaliteit

9.3.1 Kader Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) voorziet in maatregelen indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (landof water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit.

Relatie Wabo, Wbb en Woningwet (Ww) De inwerkingtreding van de Wabo (1 oktober 2010) heeft ook effect op de Wbb en de Woningwet (Ww): in de Wabo is aangegeven dat in de plaats van de aanhoudingsgrond (uit de Ww) een afstemmingsregeling wordt opgesteld waarbij de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning wordt afgestemd op de acties ten aanzien van de bodemverontreiniging. Voorts geldt ten aanzien van de bodem dat de Woningwet gemeenten verplicht in hun bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem op te nemen. Die voorschriften moeten in elk geval betrekking hebben op het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem, op de aard en omvang van dat onderzoek en op inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport.

Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld

40

9.3.2 Onderzoek Uitgangspunt is dat bij ontwikkelingen de bodemkwaliteit geschikt is voor de toekomstige functie. Een busstation (met bijbehorende kiosk en verkeersstromen) wordt niet gezien als een gevoelige functie. Bodemonderzoek in het kader van het bestemmingsplan is dan ook niet benodigd. Historische gegevens Stadshart Na de drooglegging is het terrein gebruikt als landbouwgrond. Daarna is het terrein opgespoten met zand. Het gebied heeft een centrumfunctie sinds het midden van de jaren zeventig. In het Stadshart zijn alle voor een stadscentrum gebruikelijke functies aanwezig. Vrijwel het hele gebied is verhard. Het gebied is opgehoogd met zand. Onder de wegen, parkeerterrein en het busstation zijn verschillende materialen gebruikt als funderingslaag. Het Stadshart is voorzien van gescheiden riolering. Er zijn voorzover bekend geen bodemlozingen in het gebied. In het Stadshart is een aantal bedrijven gevestigd (geweest) waar als gevolg van de werkzaamheden bodemverontreiniging zou kunnen ontstaan. Dit zijn een autoherstelbedrijf, een benzineservicestation, een autowasstraat, een aantal fotospeciaalzaken, een chemische wasserij en een aantal doe-het-zelfzaken. Bij alle bedrijven waar met bodembedreigende stoffen gewerkt wordt, zijn afdoende maatregelen getroffen om bodemverontreiniging te voorkomen. In het Stadshart heeft een aantal keren brand gewoed.

Na deze branden is niet onderzocht of de bodem daarbij verontreinigd is geraakt. De verwachting is echter dat bij deze branden de bodem hooguit marginaal verontreinigd is geraakt. Bij het benzineservicestation is in 1991 een bodemsanering uitgevoerd. De aanwezige grondverontreiniging is in zijn geheel weggenomen. In het grondwater resteerde een restverontreiniging met minerale olie en vluchtige aromaten. Voor deze restverontreiniging is een aparte grondwatersanering uitgevoerd. Na deze sanering is een vloeistofdichte vloer aangelegd. Bij de chemische wasserij is in 1998 een bodemsanering uitgevoerd. Na afloop van deze sanering resteerde in het grondwater een restverontreiniging met gechloreerde koolwaterstoffen. Het gedrag van de restverontreiniging wordt door jaarlijkse herbemonstering (monitoring) gevolgd. In 2001 is in het hele Stadshart op diverse plaatsen een bodemonderzoek uitgevoerd. Hieruit bleek voor de locatie rond de chemische wasserij dat er nog aanzienlijke hoeveelheden gechloreerde koolwaterstoffen en hun afbraakproducten in het grondwater aanwezig waren. In 2002 heeft er op de locatie De Waag een nader bodemonderzoek plaatsgevonden en is ten behoeve van de sloop van het sportcentrum een deel van de verontreiniging gesaneerd. Voordat op de locatie De Waag een bestemmingswijziging of nieuwbouw kan plaatsvinden zal een aanvullende sanering uitgevoerd moeten worden.

In het Stadshart is op ruim tien locaties bodemonderzoek uitgevoerd. Bij het voormalige busstation en op de Reaalhof is geconstateerd dat de grond als gevolg van uitloging en/of menging met de funderingslaag licht verontreinigd is geraakt met olie, PAK’s, koper en nikkel. Bij de overige onderzoeken is geen verontreiniging in de bovengrond aangetroffen. In het grondwater zijn de gebruikelijk verhoogde achtergrondwaarden voor arseen, chroom en

Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld

41

vluchtige aromaten aangetroffen. Deze verhoogde waarden vormen geen belemmering voor het beoogde gebruik. In het Stadshart bestaat, afgezien van de hierboven genoemde deellocaties, geen vermoeden van bodemverontreiniging. 9.3.3 Conclusie Het aspect bodem levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkelingen. 9.4

Akoestische aspecten

9.4.1 Kader De Wet geluidhinder verlangt inzicht in de akoestische effecten bij de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige objecten, zoals de realisatie van woningen. 9.4.2 Onderzoek In het plan wordt, naast de verandering van de ligging en de afwikkeling van het busverkeer, voorzien in het verleggen van de naar het busstation toeleidende wegen en het gedeelte van de Middenweg tussen de Ziekenhuisweg en de Visarenddreef. Dergelijke fysieke wijzigingen op of aan een gezoneerde weg moeten op grond van de Wet geluidhinder worden getoetst aan de grenswaarden die in het hoofdstuk reconstructies zijn beschreven. Omdat de Middenweg in westelijke richting wordt verplaatst, de verkeersintensiteit op de Middenweg waar mogelijk wordt gereduceerd (en/of de rijsnelheid beperkt) en er tussen de nieuwe ligging van de Middenweg/Middendreef het spoortalud met geluidsschermen is gelegen wordt ter plaatse van woningen geen toename van de geluidsbelasting boven de voorkeursgrenswaarde verwacht. De wijzigingen van het busstation vinden echter wel plaats in de directe nabijheid van woningen. Omdat de geluidssituatie op deze locatie mede wordt bepaald door weg en/of het railverkeer wordt een model ontwikkeld en wordt de geluidsbelasting bepaald. Door KuiperCompagnons is een onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 2. Hieronder is de conclusie beschreven.

Er is geen sprake van een toename van de geluidsbelasting van 1,5 dB of meer door de wijzigingen aan de Middenweg zodat in de zin van de Wet geluidhinder geen sprake is van een reconstructie-situatie. Een hogere waarde procedure is daarom ook niet aan de orde. 9.4.3 Conclusie De akoestische aspecten leveren geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkelingen. 9.5

Luchtkwaliteit

9.5.1 Kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit.

Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld

42

De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling van maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. De jaargemiddelde grenswaarde voor zeer fijnstof (PM2,5) bedraagt 25 µg/m3. Met het van kracht worden van het NSL zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 aangepast. Voor PM10 is dat 11 juni 2011 en 1 januari 2015 voor NO2. De grenswaarde voor PM2,5 is vanaf 1 januari 2015 van toepassing. Naast de introductie van het NSL is het begrip ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (NIBM) een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit.

Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: - de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; - de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project; - de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; - projectsaldering kan worden toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. NIBM-projecten (kleine projecten) In de bijlagen van de “Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)” (ook wel: regeling NIBM) zijn functiecategorieën of combinaties van functiecategorieën aangegeven waarbij sprake is van een NIBM-project. In de Regeling NIBM is voor een woningbouwlocatie een cijfermatige kwantificatie opgenomen wanneer een woningbouwproject als NIBM kan worden beschouwd.

Momenteel bedraagt de cijfermatige kwalificatie 1.500 nieuwe woningen bij één ontsluitingsweg of 3.000 nieuwe woningen bij twee ontsluitingswegen, waarbij het wegverkeer zich evenredig over de beide ontsluitingswegen verdeeld. 9.5.2 Onderzoek De voorgenomen ontwikkeling is niet zondermeer aan te merken als een ontwikkeling die past binnen de term ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Om deze reden is onderzoek noodzakelijk naar het effect op de concentraties van de

Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld

43

luchtverontreinigende stoffen. Voor dit onderzoek is de verkeersaantrekkende werking van de voorgenomen ontwikkeling relevant. In paragraaf 5.2 is reeds de verkeersaantrekkende werking van de ontwikkeling bepaald. De totale ontwikkeling leidt niet tot extra motorvoertuigbewegingen. Hierdoor is op voorhand al te concluderen dat de NIBM-rekentool het voorliggende plan als ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) aanmerkt. Dit betekent dat het voorliggend plan ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is niet nodig. Goede ruimtelijke ordening (NSL-monitoringstool) Voor de volledigheid zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het plangebied. Met de NSL-monitoringstool zijn langs de belangrijkste wegen (de Middenweg en het Stationsplein) de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. In afbeelding 9.2 zijn de jaargemiddelde concentraties weergegeven voor het peiljaar 2020 ter hoogte van de planlocatie.

Afbeelding 9.2: Overzicht concentraties NO2, PM10 en PM2,5, peiljaar 2017 (NSL-monitoringstool 2018).

Uit deze afbeelding blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied voor de voorgenoemde stoffen niet meer bedragen dan respectievelijk 28,1 µg/m3, 18,7 µg/m3 en 10,3 µg/m3. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5) wordt dan ook niet overschreden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. 9.5.3 Conclusie De ontwikkelingen in dit plan zijn aan te merken als een project dat NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld

44

Daarnaast zijn de ter plaatse van het plan de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. Deze waarden zijn veel lager dan de gestelde grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit leidt niet belemmeringen voor dit bestemmingsplan. 9.6

Milieuzonering

9.6.1 Kader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. 9.6.2 Onderzoek De omgeving van het plangebied is te typeren met het omgevingstype gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast het plangebied liggen winkels en (kleine) bedrijven. In geval van het omgevingstype gemengd gebied kunnen de afstanden uit bijlage 1 van de VNG-brochure - zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat - met één afstandsstap worden verkleind, behoudens voor het aspect gevaar. Het busstation valt op basis van de VNG-publicatie bedrijven en milieuzonering in categorie 3.2, met een richtafstand van 50 meter in “gemengd gebied”. Omdat de omliggende woningen binnen deze richtafstand zijn gelegen, is nader akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen als bijlage 2.

Hieronder zijn de conclusies beschreven. Uit het onderzoek blijkt dat gelet op de reeds aanwezige geluidsbelasting voor wat betreft het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidsniveau sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Aanvullend onderzoek In bovengenoemd onderzoek is ervan uitgegaan dat de exploitatie (vrijwel) geheel met elektrische bussen plaats zal vinden. Inmiddels is gebleken dat - als gevolg van netcongestie bij Liander - de kans reëel is dat de concessiehouder niet met een volledige zero-emissie-operatie kan starten en dat tijdelijk een aantal dieselbussen ingezet zal worden tot het moment dat de laadinfrastructuur volledig operationeel is. Gelet op het voorgaande is aanvullend onderzocht wat de akoestische gevolgen zijn van deze tijdelijke situatie waarbij een aantal ritten met dieselbussen wordt gereden in plaats van met elektrische bussen. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 10 bij deze toelichting. Uit het onderzoek blijkt dat ook in de situatie waarbij gedeeltelijk dieselbussen ingezet worden voor wat betreft het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld

45

De conclusies met betrekking tot de optredende maximale geluidsniveaus en met betrekking tot wegverkeerslawaai blijven ongewijzigd. 9.6.3 Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 9.7

Externe veiligheid

9.7.1 Kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour.

Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Voor het bevoegd gezag geldt met betrekking tot het GR wel een verantwoordingsverplichting. 9.7.2 Onderzoek Externe veiligheid gaat over de invloed van het transport of opslag van gevaarlijke stoffen op de omgeving. Het plangebied ligt binnen de risicocontouren van de spoorlijn. Het gebied valt deels binnen het plasbrandaandachtsgebied van de Hanzelijn. Binnen een groot gedeelte van de ontwikkeling worden echter geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Het aantal aanwezigen bij het busstation zal niet of nauwelijks toenemen ten opzichte van de bestaande situatie, bovendien is de aanwezigheid van korte duur. Het planvoornemen bevat echter ook een wachtruimte voor buschauffeurs, een horecavoorziening (verplaatsing bestaande horeca) en een kiosk. Dit wordt beschouwd als beperkt kwetsbaar object (artikel 1 lid b van het Bevi). Door onderzoeksbureau Aviv is daarom een onderzoek naar externe veiligheid uitgevoerd, welke opgenomen is als bijlage 6 bij deze

Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld

46

toelichting. In het onderzoek zijn de externe veiligheidsrisico’s van de nabij gelegen spoorlijn Weesp - Zwolle in beeld gebracht. Dit heeft geleid tot de volgende conclusies. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied. Groepsrisico Het groepsrisico is in zowel de huidige als toekomstige kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde. De verdere verantwoording van het groepsrisico kan achterwege blijven. Wel dient het bestuur van de veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen. In de toelichting bij het besluit dient in elk geval in te worden gegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien een ramp zich voordoet. Plasbrandaandachtsgebied Voor de spoorlijn Weesp - Zwolle is een plasbrandaandachtsgebied voorgeschreven. De toekomstige bebouwing ligt buiten het plasbrandaandachtsgebied (<30m). Het plasbrandaandachtsgebied vormt daardoor geen belemmering voor de ontwikkeling. Ten behoeve van de ontwikkeling is daarnaast advies gevraagd bij de Veiligheidsregio Flevoland. Dit advies is opgenomen als bijlage 7 bij deze toelichting. Om het risico te beheersen en/of het effect van een incident te beperken, benoemen zij een aantal maatregelen die mogelijk zijn.

Deze worden hieronder behandeld. Beperken van de bron In een ruimtelijk plan worden activiteiten bestemd of strijdig gemaakt. Er worden geen nieuwe risicovolle activiteiten mogelijk gemaakt. Transport over diverse modaliteiten is gereguleerd in de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen. Tevens is de Hanzelijn in het kader van het Tracébesluit SAAL eerder al beoordeeld en zijn bronmaatregelen getroffen. Een ruimtelijke maatregel t.a.v van een plasbrand, is om de uitstroom van (lekkende) brandstof vanaf het spoor te voorkomen/beperken. Advies is om in overleg met Prorail, te onderzoeken of hier mogelijkheden zijn om de uitstroom (tijdig) op te kunnen vangen, of dat destijds al in een dergelijk voorziening is voorzien, bv middels een geul, tunnelbak of grindbed. Beperking van het effect De risicobron in en om het plangebied heeft in het geval van een incident effecten in het plangebied. Om dit effect te beperken kan gekeken worden naar de gebouwde omgeving of naar de zelfredzaamheid van de gebruikers ervan. Gebouwde omgeving Bij het ordenen van de gebouwde omgeving kan rekenschap gegeven worden van de invloed van potentiële incidenten op het plangebied. De (beperkt kwetsbare) objecten dienen te voldoen aan de brandwerendheid, conform bouwbesluit 2012 par. 2.3, artikel 2.5.

De brandwerendheid van de uitwendige scheidingsconstructie van een gedeelte van een te bouwen bouwwerk dat gelegen is in een veiligheidszone of plasbrandaandachtsgebied is ten minste 60 minuten van buiten naar binnen bepaald volgens NEN 6069, uitgaande van de buitenruimte als een brandcompartiment en een buitenbrandkromme volgens NEN-EN 13501-2.

Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld

47

Bestrijdbaarheid De overheid biedt hulpverlening door effecten van incidenten actief te bestrijden. De regionale brandweer is voorbereid op de basisbrandweerzorg. Het incident zal dan bestreden worden en moeten (potentiële) slachtoffers zo snel mogelijk van de incidentlocatie worden afgevoerd. De hulpdiensten zijn afhankelijk van twee ruimtelijke randvoorwaarden voor bestrijding van incidenten: bereikbaarheid en bluswater. Bereikbaarheid Om incidenten te bestrijden moeten de hulpdiensten eerst ter plaatse van het incident komen en eventueel weer snel wegkomen om gewonden naar het ziekenhuis te vervoeren. Dat wil zeggen dat het plangebied bereikbaar is voor minimaal het grootste en zwaarste voertuig: een brandweerauto. Details kunt u vinden in de Handreiking Bereikbaarheid Hulpdiensten. Het plangebied kent een goede bereikbaarheid en is de doorstroming van verkeer in de nieuwe situatie zelfs beter dan in de bestaande situatie. Bluswater In het kader van het Tracébesluit SAAL heeft de Flevolijn voorzieningen voor het bestrijden van trein incidenten. Om de effecten van incidenten te bestrijden moeten de hulpdiensten over voldoende bluswater beschikken. Details kunt u vinden in de Handreiking Bluswater Brandweer Flevoland. Dit is nader gereguleerd op gebouwniveau in de omgevingsvergunning. Het plangebied is voorzien van voldoende bluswater. Zelfredzaamheid 1.

Het belangrijkste handelingsperspectief is vluchten bij een incident vanaf het spoor. Voor de (beperkt kwetsbare) objecten in het gebied dienen mogelijkheden te zijn om van de risicobron af te vluchten. 2. Het plangebied kent verder vooralsnog voldoende mogelijkheden om te vluchten. 3. Het mechanisch ventilatiesysteem moet een voorziening hebben waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld bij een externe calamiteit, die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnen lucht. 4. Het nieuwe plangebied zal niet leiden tot een (grote) toename van personen, waardoor ook het groepsrisico niet c.q. nauwelijks zal toenemen. Verantwoording groepsrisico zal hierdoor niet nodig zijn. 9.7.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 9.8

Overige belemmeringen Inleidend Naast de hiervoor beschreven milieuaspecten kunnen er nog andere belemmeringen in of nabij het plangebied aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op de planvorming. Het gaat bijvoorbeeld om de aanwezigheid van straalpaden, planologisch relevante kabels en leidingen (zoals waterleidingen of rioleringsleidingen), beschermingszones en dergelijke.

Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld

48

Onderzoek In het plangebied bevinden zich geen planologisch relevante leidingen. Er zijn wel diverse andere leidingen aanwezig. Er zijn geen overige belemmeringen gelegen binnen het plangebied Conclusie Er bestaan geen overige belemmeringen in het plangebied. 9.9

Duurzaamheid

9.9.1 Kader Nationaal klimaatbeleid In het Klimaatakkoord van Parijs (2015 United Nations Climate Change Conference, Parijs) is vastgelegd de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder de twee graden Celsius, met het streven een maximale temperatuurstijging van anderhalve graad Celsius te realiseren. Nederland wil om hierin invulling te geven gaan naar een CO2-arme energievoorziening in 2050. Een eerste uitwerking van de route naar een CO2-arme economie is vastgelegd in de energieagenda 2016 van het kabinet "Naar een CO2-arme energievoorziening". De energieagenda geeft aan dat “deze transitie vraagt om een drastische reductie van het gebruik van fossiele energie, tot dichtbij nul in het jaar 2050. Kadernota Duurzaamheid Lelystad Visie: Lelystad is een groene, vitale gemeente waar het aantrekkelijk wonen, werken en verblijven is. Er is een sterk sociaal netwerk waarin de mensen elkaar inspireren en verantwoordelijkheid nemen voor elkaar en hun omgeving. Waarbij de overheid bestaande netwerken en nieuwe initiatieven ondersteunt waar nodig en zelf het goede voorbeeld geeft. Lelystad is een sociaal en financieel gezonde gemeente in een prettige, groene leefomgeving met vitale woonwijken, goed onderwijs en perspectief op voldoende banen. Lelystad profileert zich als een ondernemende stad met een duurzaam en innovatief profiel.

Veel innovatieve oplossingen worden bedacht in Lelystad. De omgeving wordt ingezet om lokaal voedsel te verbouwen en grondstoffen te ontwikkelen. Steeds meer afval kan als grondstof dienen. Lelystad is een gemeente die haar eigen energiebehoefte volledig duurzaam opwekt. De ambitie is om de stad zodanig in te richten dat deze vanuit economisch, ecologisch en menselijk oogpunt gezond, aantrekkelijk en toekomstbestendig is. In een gezonde stad is ruimte voor duurzame energie-, water-, voedsel-, grondstoffen- en afvalkringlopen. Daarbij wordt gestreefd naar een samenhangende duurzame ontwikkeling met een betere balans tussen economie, ecologie en de mens. Hierbij houden we de onderstaande uitgangspunten in het vizier: • Energie • Kies recyclebare materialen • Gebruik geen schadelijke producten • Behoud onze natuur • We gaan zuinig om met energie en kiezen voor groene energie:

Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld

49

Duurzaam bouwen Duurzaam bouwen staat voor het ontwikkelen en beheren van de gebouwde omgeving met respect voor mens en milieu zodat kan worden voorzien in de behoefte van de huidige generatie zonder dat voor toekomstige generaties de mogelijkheid wordt ontnomen om ook in hun behoeften te kunnen voorzien. Duurzaam bouwen is daarmee onderdeel van de kwaliteit van de gebouwde omgeving. 9.9.2 Onderzoek Lelystad werkt hard aan de transitie naar een aardgasloze gebouwde omgeving. Voor dit plan wordt er ingezet op meer elektrisch OV. 9.9.3 Conclusie De ontwikkelingen zullen voldoen aan de wettelijke vereisten.

Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld

50

10

Uitvoerbaarheid

10.1 Economische uitvoerbaarheid Exploitatieverplichting Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. Er hoeft geen exploitatieplan te worden vastgesteld. De te ontwikkelen gronden voor het eilandbusstation ontwikkelt de gemeente Lelystad zelf. Deze te ontwikkelen gronden zijn al in eigendom van de gemeente. De gemeenteraad dient het Stedenbouwkundig Ontwerp Stationsgebied en de financiële dekking voor de uitvoering van het ontwerp nog vast te stellen.

Volgens de actuele planning wordt dit besluit in het voorjaar 2023 aan de gemeenteraad voorgelegd. 10.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Draagvlak Met dit bestemmingsplan wordt de herontwikkeling van een deel van het Stadshart van Lelystad mogelijk gemaakt. Deze herontwikkeling leidt tot een beter leefbaar centrumgebied van de stad. Tevens wordt de ontwikkeling passend geacht binnen de actuele beleidskaders van het Rijk, de provincie en gemeente. Over het concept Stedenbouwkundig ontwerp Stationsgebied Oost, dat als basis heeft gediend voor het bestemmingsplan, heeft op 24 november 2022 al participatie met de omgeving (omwonenden en ondernemers uit de omgeving) plaatsgevonden. Ook zal in het voorjaar 2023 het voorontwerpbestemmingsplan in het kader van de inspraak/participatie gedurende 6 weken ter visie worden gelegd waarbij een inspraakreactie kan worden ingediend. Verder zal tijdens deze termijn van terinzagelegging een inloopavond over het bestemmingsplan worden georganiseerd voor omwonenden, ondernemers en andere belangstellenden. Daarmee wordt verondersteld dat er voldoende draagvlak is. Bovendien wordt in de bestemmingsplanprocedure de mogelijkheid geboden om zienswijzen in te dienen (zie ook paragraaf 11.2). Conclusie Gezien het voorgaande wordt het plan maatschappelijk uitvoerbaar geacht.

Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld

51

10.3 Handhavingaspecten Inleidend Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving ligt bij de gemeente. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de duurzame bescherming van mens en omgeving te waarborgen. Binnen het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening en de Woningwet. Bij overtreding van deze regelgeving moet gedacht worden aan bouwen zonder omgevingsvergunning voor het bouwen, bouwen in afwijking van een verleende vergunning, het handelen zonder of in afwijking van een noodzakelijke vergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en voor werkzaamheden (de vroegere aanlegvergunning) en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een afwijking. Er zijn twee vormen handhaving te onderscheiden: preventieve en repressieve handhaving. Preventieve handhaving bestaat uit actief toezicht door of namens de gemeente door bijvoorbeeld regelmatige controles op de uitvoering van vergunningen en regelmatige gebiedscontroles.

Vervolgens worden in het kader van preventieve handhaving duidelijke en maatschappelijk geaccepteerde regels opgesteld en aandacht besteed aan communicatie en voorlichting. Repressieve handhaving bestaat uit de aanwending van publiekrechtelijke middelen bij geconstateerde overtredingen, zoals het opleggen van een dwangsom of het uitoefenen van bestuursdwang. Daarnaast is het mogelijk strafrechtelijke middelen toe te passen en privaatrechtelijk actie te ondernemen bij inbreuk op het eigendomsrecht van de gemeente. Repressieve handhaving heeft als primaire doel een einde te maken aan een specifieke overtreding van de Wro of de Woningwet. De handhaafbaarheid van een bestemmingsplan is met name afhankelijk van het draagvlak van de regels onder de burgers en van de duidelijkheid van de regels.

Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld

52

11

Procedure

11.1 Voorbereidingsfase Vooraankondiging Op grond van artikel 1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet voorafgaand aan een bestemmingsplanprocedure, een vooraankondiging worden gepubliceerd waarin de gemeente aangeeft een bestemmingsplan voor te bereiden. Inspraak Het voorontwerpbestemmingsplan Stationsgebied Oost met de bijbehorende stukken heeft van 12 januari 2023 tot en met 22 februari 2023 (6 weken) ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld om een inspraakreactie in te dienen op het voorontwerpbestemmingsplan. De binnengekomen reacties zijn samengevat en van een reactie voorzien in de ‘Reactienota vooroverleg en inspraak’, die als bijlage 8 bij dit bestemmingsplan is toegevoegd. Overleg Conform artikel 3.1.1 van het Bro moeten burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeentes en waterschappen en met de Rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader is het voorontwerpbestemmingsplan voor advies toegezonden aan de betrokken overlegpartners.

De binnengekomen reacties zijn samengevat en van een reactie voorzien in de ‘Reactienota vooroverleg en inspraak’, die als bijlage 8 bij dit bestemmingsplan is toegevoegd. 11.2 Ontwerpfase Na afronding van de inspraakprocedure en het vooroverleg is de formele bestemmingsplanprocedure gestart. De aanpassingen die volgen uit de inspraakreacties en de overlegreacties zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is artikel 3.8 Wro (gelezen in samenhang met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht) van toepassing. De kennisgeving van het ontwerpbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan moet in de Staatscourant worden geplaatst en dient via elektronische weg te geschieden. Tevens dient de kennisgeving te worden toegezonden aan die diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn, aan het waterschap en aan belanghebbende gemeenten. Het ontwerpbestemmingsplan is gedurende zes weken ter inzage gelegd. Binnen deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. Ook zijn de stukken met de kennisgeving aan de eerder genoemde diensten en instanties worden toegezonden (artikel 3:13 Awb).

De adviezen van het Waterschap en de Omgevingsdienst zijn als respectievelijk bijlage 11 en 12 bij deze toelichting opgenomen. Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld

53

Zienswijzen Tijdens de periode van terinzagelegging is 1 zienswijze ingediend. In de ‘Nota van zienswijzen en wijzigingen Bestemmingsplan Stationsgebied Oost’, opgenomen als Bijlage 9 bij deze toelichting, is deze zienswijze samengevat en is aangegeven wat er met deze zienswijze is gedaan. De zienswijze is niet overgenomen en heeft niet tot wijziging van het ontwerpbestemmingsplan geleid. Ambtshalve wijzigingen In het plan zijn enkele ambtshalve wijzigingen opgenomen. Het betreft hier enkele aanvullingen in de toelichting, een verwijsfout die wordt hersteld in de regels en een wijziging van de toegestane oppervlakte in de regels. 11.3 Vaststellingsfase Binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging moet de gemeenteraad beslissen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Tegen het besluit tot vaststelling staat, voor belanghebbenden, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking waarna tot planrealisatie kan worden overgegaan.

Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld

Bestemmingsplan Stationsgebied Oost

Vastgesteld

Stationsgebied Oost

blz. 2

Inhoudsopgave Bijlagen bij de toelichting

3

Bijlage 1 Quickscan ecologie, Natuur-Wetenschappelijk Centrum, november 2021

5

Bijlage 2

Akoestisch onderzoek, KuiperCompagnons, 4 maart 2022

41

Bijlage 3 maart 2023

Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling, KuiperCompagnons, 9

Bijlage 4 2023

Stikstofdepositie-onderzoek, KuiperCompagnons, 13 maart

Bijlage 5

Digitale watertoets, 15 februari 2023

135

Bijlage 6

Onderzoek externe veiligheid, Aviv, 28 februari 2023

153

Bijlage 7

Advies veiligheidsregio Flevoland, 8 februari 2023

173

Bijlage 8

Reactienota vooroverleg en inspraak

179

95

107

Bijlage 9 Nota van zienswijzen en wijzigingen bestemmingsplan Stationsgebied Oost

203

Bijlage 10 Aanvullend akoestisch onderzoek busstation, KuiperCompagnons, 26 mei 2023

209

Bijlage 11 Wateradvies ontwerpbestemmingsplan Stationsgebied Oost Lelystad, Waterschap Zuiderzeeland, 17 mei 2023 229 Bijlage 12 Advies Reactienota vooroverleg en inspraak, Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek, 25 april 2023

233

(vastgesteld)

blz. 3

Bijlagen bij de toelichting

(vastgesteld)

blz. 4

(vastgesteld)

blz. 5

Bijlage 1 Quickscan ecologie, Natuur-Wetenschappelijk Centrum, november 2021

(vastgesteld)

Quickscan t.b.v. de herinrichting van het busstation aan de Middenweg te Lelystad

November 2021 P21-172/W2052 Auteur: D. Koopman Natuur-Wetenschappelijk Centrum 078-6213921 info@nwcadvies.nl www.nwcadvies.nl

Quickscan t.b.v. de herinrichting van het busstation aan de Middenweg te Lelystad

Natuur-Wetenschappelijk Centrum, Noorderelsweg 4A, 3329 KH Dordrecht

Quickscan t.b.v. de herinrichting van het busstation aan de Middenweg te Lelystad

Opdrachtgever:

KuiperCompagnons

Uitvoering:

Natuur-Wetenschappelijk Centrum

Veldwerk:

Danny van den Heuvel

Samenstelling:

Daniëlle Koopman

Foto’s:

NWC

Quickscan t.b.v. de herinrichting van het busstation aan de Middenweg te Lelystad [Samenst.: Koopman, D.] [Foto’s: NWC] Met lit. opg., Dordrecht: Strix/NWC.

Trefw.: Wet natuurbescherming, Quickscan, Middenweg, Lelystad

W2052/P21-172

Niets uit deze uitgave mag openbaar worden gemaakt of verveelvoudigd, door middel van; druk, fotokopie, microfilm of op enige andere wijze, zonder toestemming van de uitgever of de opdrachtgever.

Dordrecht, november 2021

Inhoud

Samenvatting

1

Inleiding

7

2

Gebiedsbeschrijving

9

3

Wettelijk kader

11

4

Methode

17

5

Resultaten

19

6

Effecten, verplichtingen en aanbevelingen

21

Referenties

Bijlagen: Bijlage 1: Foto’s van het plangebied Bijlage 2: Beschermde soorten Wet natuurbescherming Bijlage 3: Vleermuizen en ruimtelijke ingrepen Bijlage 4: Vogels en ruimtelijke ingrepen

Samenvatting Onderstaande tabel geeft de conclusies uit voorliggend rapport weer. Voor de volledigheid en om een verkeerde interpretatie te voorkomen, dient ook hoofdstuk 6 (effecten, verplichtingen en aanbevelingen) gelezen te worden. Soortgroep

Effecten beschermde soorten

Verplichtingen

Vleermuizen

Geen. Mits mitigerende maatregelen worden getroffen.

Zorgplicht; voorkomen van lichtverstoring.

Vogels vaste

Geen.

Zorgplicht.

Geen.

Zorgplicht.

verblijfplaats Grondgebonden Zoogdieren

Quickscan t.b.v. de herinrichting van het busstation aan de Middenweg te Lelystad

1.

Inleiding In het plangebied aan de Middenweg te Lelystad zijn er plannen voor de herinrichting van het busstation. Hierbij zal het bestaande busstation worden verplaatst en aangepast en zal ook de naastgelegen Middenweg worden gereconstrueerd en zullen er een nieuwe busbaan en fietspad worden aangelegd. De geplande werkzaamheden kunnen van invloed zijn op de aanwezige beschermde flora en fauna in het plangebied. In het kader van de Wet natuurbescherming dient bij dergelijke ruimtelijke ingrepen en bij wijzigingen van bestemmingsplannen onderzoek gedaan te worden naar de aanwezige beschermde natuurwaarden en dient een beoordeling gemaakt te worden van eventuele negatieve effecten van de plannen op deze waarden. KuiperCompagnons heeft het Natuur-Wetenschappelijk Centrum (NWC) gevraagd een uitbreidende quickscan flora en fauna op deze locatie uit te voeren en te adviseren omtrent de relevante natuurwetgeving.

7

Quickscan t.b.v. de herinrichting van het busstation aan de Middenweg te Lelystad

8

Quickscan t.b.v. de herinrichting van het busstation aan de Middenweg te Lelystad

2.

Gebiedsbeschrijving en voorgenomen plannen Gebiedsbeschrijving Het plangebied bevindt zich aan de Middenweg te Lelystad (provincie Flevoland) (figuur 1 en 2, bijlage 1; foto 1 t/m 4).

Figuur 1: Ligging van het plangebied (rood omlijnd).

Figuur 2: Plannen voor het plangebied.

9

Quickscan t.b.v. de herinrichting van het busstation aan de Middenweg te Lelystad

Beschermde gebieden Het plangebied bevindt zich op ongeveer 2,7 kilometer afstand van Natura 2000-gebied de ‘Markermeer & IJmeer’ (figuur 3). Vanwege deze afstand en de aard van de werkzaamheden worden geen significant nadelige effecten verwacht op de habitattypen en instandhoudingsdoelstellingen van dit Natura-2000 gebied als gevolg van verstoring door geluid, verstoring door licht en andere storingsfactoren. Het plangebied bevindt zich niet in het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Hierdoor is een toetsing aan de wet- en regelgeving omtrent het NNN niet nodig.

Figuur 3: Ligging van het plangebied (rode cirkel) ten opzichte van Natura 2000-gebied ‘Markermeer & IJmeer’ (groen gearceerd).

10

Quickscan t.b.v. de herinrichting van het busstation aan de Middenweg te Lelystad

3.

Wettelijk kader In Nederland is de bescherming van belangrijke natuurwaarden vanaf 2017 wettelijk vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Het gaat hierbij zowel om bescherming van soorten als bescherming van gebieden. Onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming De provincies zijn sinds 1 januari 2017 verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wet natuurbescherming en dus ook voor ontheffingsaanvragen. Om een ontheffingsaanvraag in behandeling te nemen, dient het onderzoek aan goedgekeurde voorwaarden (o.a. ten aanzien van methode, intensiteit, periode, tijd tussen onderzoeksmomenten) te voldoen. Slechts als het onderzoek volgens deze voorwaarden uitgevoerd is, kan volgens de wetgever een goed onderbouwde uitspraak gedaan worden over; - de aanwezigheid van beschermde soorten; - de functie van een gebied of onderdelen binnen een gebied voor deze beschermde soorten; - het belang van een gebied of onderdelen binnen een gebied voor aanwezige beschermde soorten; - de effecten van plannen op deze soorten; - de keuze voor te nemen (mitigerende- en/of compenserende) maatregelen. De voorwaarden waaraan onderzoek moet voldoen, staan beschreven in de kennisdocumenten die in opdracht van de wetgever door BIJ12 opgesteld zijn en de inventarisatieprotocollen van het Netwerk Groene Bureaus.

Onderzoeken die niet volgens deze voorwaarden uitgevoerd zijn, kunnen volgens het bevoegd gezag geen basis en onderbouwing vormen van ontheffingsaanvragen en aanvragen zullen om die reden afgewezen worden. Het NWC is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens bovengenoemde kennisdocumenten en inventarisatieprotocollen. Soortbescherming Voor dier- en plantensoorten zijn in de Wnb een aantal verbodsbepalingen opgenomen, waarvan vooral de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 belangrijk zijn in het kader van flora- en faunaonderzoek bij onder andere ruimtelijke ontwikkelingen (tekstvak 1). De verbodsbepalingen uit de artikelen gelden overal in Nederland, ongeacht het type of de omvang van de werkzaamheden of activiteiten die uitgevoerd worden. De bepalingen uit de Wnb kunnen daarom van invloed zijn op ruimtelijke ingrepen, zoals het aanleggen van infrastructuur, het slopen en realiseren van bebouwing, het uitbreiden van industriegebieden en het kappen van bomen. Ook bij het opstellen of herzien van bestemmingsplannen zijn de bepalingen uit de Wnb van belang. In het kader van het 11

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lelystad&id=de92ea77-7455-4d88-85c0-f88c159afd3c