BL Bestemmingsplan Stationsgebied Oost - Totaal inclusief bijlagen
Tekst van het document
Bestemmingsplan Stationsgebied Oost
Vastgesteld
Stationsgebied Oost
blz. 2
Inhoudsopgave Toelichting
3
(vastgesteld)
blz. 3
Toelichting
(vastgesteld)
Inhoudsopgave van de toelichting
1
Inleiding
7
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
Aanleiding en doel van het plan Opzet bestemmingsplan Ligging en begrenzing plangebied Vigerende plannen Leeswijzer
7 7 7 7 7
2
Planbeschrijving
8
2.1 2.2 2.3
Bestaande situatie Ontwikkelingen Juridische aspecten
9 10 11
3
Ruimtelijke ordening
14
3.1 3.2
Kader Conclusies
14 19
4
Volkshuisvesting
20
4.1 4.2 4.3
Kader Onderzoek Conclusie
20 20 21
5
Mobiliteit
22
5.1 5.2 5.3
Kader Onderzoek Conclusie
22 22 23
6
Natuur
24
6.1 6.2 6.3
Kader Onderzoek Conclusie
24 26 27
7
Water
28
7.1 7.2 7.3
Kader Onderzoek Conclusie
28 30 32
8
Archeologie en cultuurhistorie
33
8.1 8.2
Archeologie Cultuurhistorie
33 35
9
Milieu
38
9.1 9.2
Algemeen M.e.r.-beoordeling
38 38
9.3 9.4 9.5 9.6 9.7 9.8 9.9
Bodemkwaliteit Akoestische aspecten Luchtkwaliteit Milieuzonering Externe veiligheid Overige belemmeringen Duurzaamheid
39 41 41 44 45 47 48
10
Uitvoerbaarheid
49
10.1 Economische uitvoerbaarheid 10.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 10.3 Handhavingaspecten
50 50 51
11
Procedure
52
11.1 Voorbereidingsfase 11.2 Ontwerpfase 11.3 Vaststellingsfase
52 52 53
Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1: Quickscan ecologie, Natuur-Wetenschappelijk Centrum, november 2021 Bijlage 2: Akoestisch onderzoek, KuiperCompagnons, 4 maart 2022 Bijlage 3: Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling, KuiperCompagnons, 9 maart 2023 Bijlage 4: Stikstofdepositie-onderzoek, KuiperCompagnons, 13 maart 2023 Bijlage 5: Digitale watertoets, 15 februari 2023 Bijlage 6: Onderzoek externe veiligheid, Aviv, 28 februari 2023 Bijlage 7: Advies veiligheidsregio Flevoland, 8 februari 2023 Bijlage 8: Reactienota vooroverleg en inspraak Bijlage 9: Nota van zienswijzen en wijzigingen bestemmingsplan Stationsgebied Oost Bijlage 10: Aanvullend akoestisch onderzoek busstation, KuiperCompagnons, 26 mei 2023 Bijlage 11: Wateradvies ontwerpbestemmingsplan Stationsgebied Oost Lelystad, Waterschap Zuiderzeeland, 17 mei 2023 Bijlage 12: Advies Reactienota vooroverleg en inspraak, Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek, 25 april 2023
7
1
Inleiding
1.1
Aanleiding en doel van het plan Het voornemen tot de uitbreiding en ontwikkeling van Lelystad Airport heeft geleid tot afspraken tussen de gemeente Lelystad, het Rijk en de provincie Flevoland over de landzijdige bereikbaarheid van de luchthaven. Als gevolg hiervan heeft het college van B&W in overleg met de provincie besloten om in te zetten op de aanleg van een nieuw eilandbusstation, inclusief de bijbehorende infrastructuur als maatregel voor een betere doorstroming van het OV. Omdat het eilandbusstation en de bijbehorende infrastructuur niet binnen het huidige bestemmingsplan past is er een nieuw bestemmingsplan nodig, inclusief bijhorende onderzoeken.
1.2
Opzet bestemmingsplan Het bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” bestaat uit bestemmingen en regels. De bestemming van de gronden is geometrisch bepaald1 door middel van lijnen, coderingen en arceringen. In de bestemmingen zijn regels ten aanzien van het bouwen en het gebruik opgenomen. Het plan gaat vergezeld van deze toelichting. In de toelichting worden de keuzes die zijn gemaakt bij het opstellen van de geometrische plaatsbepaling en de regels verantwoord en verduidelijkt. Vervolgens wordt hierin de uitvoerbaarheid van het plan aangetoond.
1.3
Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied ligt centraal in Lelystad. Aan de westzijde van het plangebied ligt het station Lelystad Centrum en aan de oostzijde het centrum van Lelystad, waar zich onder ander het stadhuis bevindt. Afbeeldingen 1.1 en 1.2 geven de ligging van het plangebied weer.
1.4
Vigerende plannen Het nieuwe bestemmingsplan vervangt gedeeltelijk de volgende plannen:
1.5
naam voorgaand plan
vaststelling door raad
Beheersverordening Stadshart
5 juli 2016
Bestemmingsplan Stadshart
27 februari 2006
Leeswijzer Deze toelichting bestaat uit vier delen. Het eerste deel bevat een aantal algemene planaspecten. Vervolgens vindt de planbeschrijving plaats en wordt tevens een toelichting gegeven op de bestemmingsmethodiek. In de daar op volgende hoofdstukken wordt de achterliggende onderbouwing gegeven voor, onder andere, de aspecten ruimtelijke ordening, volkshuisvesting, mobiliteit, natuur en landschap, water, archeologie en cultuurhistorie en milieu. Tenslotte wordt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan aangetoond en wordt ook ingegaan op het overleg- en inspraaktraject. 1
Geografische coördinaten volgens het Rijksdriehoekstelsel bepalen de ligging van een bestemming. Met gebruikmaking van de coördinaten kan exact de plaats van een object in een gebied worden bepaald.
Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld
8
Afbeelding 1.1: Globale ligging plangebied in Lelystad
Afbeelding 1.2: Globale ligging plangebied in het centrum van Lelystad
Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld
9
2
Planbeschrijving
2.1
Bestaande situatie In het noorden van het plangebied ligt de Stationsweg. Verder loopt de Middenweg van noord naar zuid door het plangebied. De bebouwing bestaat in de huidige situatie uit het bestaande busstation, een kiosk, een coffeeshop en stationsgerelateerde voorzieningen zoals fietsenstallingen.
Afbeelding 2.1: Impressie plangebied vanaf de Middenweg (bron: Google Streetview)
Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld
10
2.2
Ontwikkelingen De gemeente Lelystad wil in 2040 een zelfstandige, sociaal veerkrachtige, duurzame, aantrekkelijke en economisch sterke stad met 100.000 inwoners zijn. De ontwikkeling van het stationsgebied is daarin één van de hoofdpunten. Dit bestemmingplan maakt de realisatie van een nieuw eilandbusstation, inclusief bijbehorende infrastructuur, mogelijk. Het nieuwe busstation met middeneiland komt ten opzichte van het huidige busstation wat zuidelijker te liggen, waardoor er ruimte ontstaat voor de inrichting van een groter stationsplein. Hierdoor wordt de relatie tussen het station en het centrum versterkt. Het nieuwe stationsplein vormt de entree van “Lelystad, hoofdstad van de Nieuwe Natuur”. Bij de uitwerking wordt daar invulling aan gegeven middels een hoogwaardige beeldkwaliteit met voldoende ruimte voor groen. Er zijn afspraken met het Rijk en de provincie Flevoland over een betere doorstroming van het OV. Met het nieuwe eilandbusstation verandert de routing van de bussen. De verplichte route over het stationsplein -via de noordelijke onderdoorgang- komt te vervallen, waardoor de rijtijden worden verkort. Om ruimte te creëren voor de nieuwe route is de bestaande bebouwing langs de Middenweg (o.a. het voormalige Casino Magic Apple Lelystad) al gesloopt ten behoeve van de aanleg van de busbaan.
Door het verleggen van de Middenweg ontstaat tevens ruimte voor een busbaan en een breder fietspad (E-bikeroute). Daarnaast moet de coffeeshop verplaatst worden om het eilandbusstation en bijbehorende infrastructuur mogelijk te maken. Door de herinrichting ontstaat er een (potentiële) woningbouwkavel aan de Zilverparkkade. Deze ontwikkeling is nu echter niet opgenomen in dit bestemmingplan.
Afbeelding 2.2: Impressie Eilandbusstation (bron: West8)
Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld
11
2.3
Juridische aspecten
2.3.1 Planmethodiek Het uitgangspunt voor dit bestemmingsplan is het mogelijk maken van de hierboven beschreven ontwikkelingen. Bij de opzet van het plan is gekozen voor (globale) eindbestemmingen. Daarnaast is waar mogelijk of waar nodig aangesloten op de vigerende plannen. Op basis van de bepalingen van een eindbestemming kan direct een omgevingsvergunning worden afgegeven, indien het bouwplan past binnen de regels die gelden bij de bestemming. 2.3.2 Regels De regels bestaan uit vier hoofdstukken: Inleidende regels (hoofdstuk 1) Bestemmingsregels (hoofdstuk 2) Algemene regels (hoofdstuk 3) Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4) Hoofdstuk 1 Inleidende regels In dit hoofdstuk is een aantal begrippen verklaard dat wordt gebruikt in de regels. Dit voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is het artikel "Wijze van meten” opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Tevens zijn, waar mogelijk, flexibiliteitsbepalingen opgenomen. Hierna volgt een toelichting per artikel.
Verkeer De gebiedsontsluitingswegen, te weten de Middenweg en een klein deel van de Stationsweg, hebben de bestemming ‘Verkeer’ gekregen. Met de aanduidingen ‘specifieke vorm van verkeer – busbaan’ en ‘specifieke vorm van verkeer – busstation’ is aangegeven waar het eilandbusstation en de busbanen worden gesitueerd. Deze aanduidingen zijn ruim ingetekend zodat er voldoende flexibiliteit is voor het definitieve ontwerp. Verkeer – Verblijfsgebied Het plangebied dat niet onder de bestemming ‘Verkeer’ valt, is bestemd als ‘Verkeer – Verblijfsgebied’. Deze bestemming vormt grotendeels het openbaar gebied. De toegestane functies en bebouwing zijn gericht op het openbaar nut. Binnen de bestemming zijn gebouwen ten behoeve van het verblijf en verkeer, waaronder in ieder geval wordt begrepen een wachtruimte voor chauffeurs, toegestaan, met een maximum inhoud van 50 m2. Daarnaast is er de mogelijkheid om binnen de bestemming maximaal één gebouw te realiseren ten behoeve van horecabedrijven tot en met categorie 2, waarvan de oppervlakte maximaal 250 m² b.v.o. mag bedragen. Deze functies kunnen, indien gewenst, ook met elkaar worden gecombineerd.
Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld
12
Ook is één kiosk toegestaan, waarvan de hoogte maximaal 3 meter en de oppervlakte maximaal 50 m² mag bedragen. Binnen deze bestemming zijn ook het stationsplein en de e-bikeroute gelegen. Deze e-bike route loopt centraal door het plangebied en is een belangrijk structurerend element voor deze gebiedsontwikkeling. Daarom is deze route binnen de bestemming ‘Verkeer – verblijfsgebied’ op de verbeelding voorzien van een functieaanduiding ‘specifieke vorm van verkeer – verblijfsgebied - e-bikeroute’. Daarbij zijn binnen deze bestemming enkele ondergeschikte functies toegestaan die passend zijn bij de inrichting als een e-bikeroute, zoals bermen, groen en straatmeubilair. Hoofdstuk 3 Algemene regels In deze paragraaf worden, in aanvulling op de bestemmingsbepalingen, aanvullende regels gesteld. Anti-dubbeltelregel In deze regel is vastgelegd dat grond die in aanmerking moest worden genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning, waarvan de uitvoering heeft plaatsgevonden of alsnog kan plaatsvinden, bij de beoordeling van een andere aanvraag om omgevingsvergunning niet opnieuw in beschouwing mag worden genomen. Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels is een algemeen verbod op strijdig gebruik opgenomen, en wordt een aantal voorbeelden genoemd wat in ieder geval als strijdig gebruik wordt beschouwd.
Daarnaast is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het realiseren van voldoende waterberging of watercompenserende maatregelen. Algemene afwijkingsregels Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen. In het artikel is een aantal algemene afwijkingen opgenomen, dat middels een omgevingsvergunning kan worden verleend. Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan bij een omgevingsvergunning mogelijk te maken. Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een aantal algemene wijzigingsregels opgenomen. Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken die niet met een omgevingsvergunning voor afwijken geregeld kunnen worden. Het betreft bijvoorbeeld een geringe wijziging van de bestemmingsgrens. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd.
Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld
13
In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald. 2.3.3 Geometrische plaatsbepaling Voor het verbeelden van de geometrisch bepaalde bestemmingen is een BGT-ondergrond gebruikt. Dit bestand is opgebouwd in coördinaten in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting, of kortweg Rijksdriehoekscoördinaten (ook wel: RD-coördinaten). Dit zijn de coördinaten die in Nederland worden gebruikt als grondslag voor ondermeer geografische aanduidingen, waarbij de exacte locatie van een gebied wordt vastgelegd. In het plan is met behulp van lijnen, coderingen en arceringen aan gronden (en in dit geval ook wateren) een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn met aanduidingen nadere regels aangegeven. Op een afdruk van de geometrische plaatsbepaling, de verbeelding, zijn alle bestemmingen en aanduidingen naast elkaar zichtbaar.
Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld
14
3
Ruimtelijke ordening
3.1
Kader
3.1.1 Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. Deze structuurvisie vervangt de Nota Ruimte. De structuurvisie geeft een integraal kader voor het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de ‘kapstok’ voor het rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de structuurvisie schetst het Rijk ambities tot 2040 en doelen, belangen en opgaven tot 2028. De leidende gedachte in de SVIR is ruimte maken voor groei en beweging. Door urbanisatie, individualisering, vergrijzing en ontgroening nemen de ruimtelijke verschillen toe. Ambities tot 2040 zijn onder andere het aansluiten van woon- en werklocaties op de (kwalitatieve) vraag en het zoveel mogelijk benutten van locaties voor transformatie en herstructurering. Ook wil het Rijk ervoor zorgen dat in 2040 een veilige en gezonde leefomgeving met een goede milieukwaliteit wordt geboden. In de SVIR is verder vastgelegd dat provincies en (samenwerkende) gemeenten verantwoordelijk zijn voor programmering van verstedelijking. (Samenwerkende) gemeenten zorgen voor (boven)lokale afstemming van woningbouwprogrammering die past binnen de provinciale kaders. Ook zijn de gemeenten verantwoordelijk voor de uitvoering van de woningbouwprogramma’s. De SVIR doet geen specifieke uitspraken met betrekking tot het plangebied.
Het voorliggende bestemmingsplan ziet op de ontwikkeling van een binnenstedelijke locatie. Daarmee is de beoogde ontwikkeling niet in strijd met de SVIR. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Rijk legt met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), de nationale ruimtelijke belangen juridisch vast. Enerzijds betreft het de belangen die reeds in de (ontwerp-) AMvB Ruimte uit 2009 waren opgenomen en anderzijds is het Barro aangevuld met onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden. Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken. Ter bescherming van deze belangen zijn reserveringsgebieden, begrenzingen en vrijwaringszones opgenomen. In het besluit is aangegeven op welke wijze bestemmingsplannen voor deze gebieden moeten zijn ingericht. Indien geldende bestemmingsplannen niet voldoen aan het Barro dan moeten deze binnen drie jaar na inwerkingtreding van het besluit zijn aangepast.
Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld
15
Bij besluit van 28 augustus 2012 (in werking getreden op 1 oktober 2012) is het Barro aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen hoofdinfrastructuur (reserveringen voor hoofdwegen en landelijke spoorwegen en vrijwaring rond Rijksvaarwegen), de elektriciteitsvoorziening, het regime van de herijkte ecologische hoofdstructuur en waterveiligheid (bescherming van primaire waterkeringen en bouwbeperkingen in het IJsselmeergebied). Ook is bij besluit van 28 augustus 2012 het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangepast. In het Bro is de ladder voor duurzame verstedelijking (duurzaamheidsladder) opgenomen. Als gevolg van deze wijziging zijn gemeenten en provincies verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk besluit de duurzaamheidsladder op te nemen, wanneer een zodanig besluit een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Bij besluit van 18 mei 2016 zijn er een aantal wijzigingen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening doorgevoerd. Het betreft wijzigingen aan de regels omtrent grote rivieren, elektriciteitsvoorzieningen, ecologische hoofdstructuur, IJsselmeergebied en enige technische wijzigingen. Met betrekking tot het plangebied van voorliggend bestemmingsplan gelden geen nationale ruimtelijke belangen. Doorvertaling van het Barro is daarom niet van toepassing.
Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling mogelijk van een bestaande binnenstedelijke locatie. Deze ontwikkeling is in lijn met het rijksbeleid. Nieuwe Ladder voor Duurzame Verstedelijking Op 1 juli 2017 is de Nieuwe Ladder voor Duurzame Verstedelijking in werking getreden (artikel 3.1.6 lid twee en drie Bro). De nieuwe Ladder is ten opzichte van de voorgaande Ladder vereenvoudigd. De drie treden zijn komen te vervallen en er is een nieuwe bepaling toegevoegd. De Laddertoets geldt alleen voor plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. Onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Voor de herinrichting van het busstation moet dus een laddertoets worden gegeven. Dit houdt in dat een plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het plan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het huidige busstation bevindt zich al binnen het plangebied.
Daarnaast komt de voorgenomen ontwikkeling voort uit een afspraak tussen de gemeente Lelystad, het Rijk en de provincie Flevoland over de bereikbaarheid van de luchthaven. De voorgenomen ontwikkeling verbetert de doorstroom van het (bus)verkeer. Tevens ligt het plangebied binnen het bestaand stedelijk gebied. Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Naar verwachting treedt de Omgevingswet in 2023 in werking. De Omgevingswet bundelt alle huidige wetten over de leefomgeving. Daarbij hoort ook één Rijksvisie op de leefomgeving: de
Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld
16
Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. In Nederland staan we voor een aantal urgente opgaven, die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Denk aan de opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Deze opgaven zullen Nederland flink veranderen. Door goed in te spelen op deze veranderingen kan Nederland vooroplopen en kansen verzilveren. Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In de NOVI zijn deze maatschappelijke opgaven samengevat in vier prioriteiten: • ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie • duurzaam economisch groeipotentieel; • sterke en gezonde steden en regio’s • toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De NOVI doet geen specifieke uitspraken met betrekking tot het plangebied. 3.1.2 Provinciaal beleid Omgevingsplan Flevoland 2006 In het Omgevingsplan Flevoland (vastgesteld door Provinciale Staten op 2 november 2006) is het omgevingsbeleid van de provincie Flevoland voor de periode 2006-2015 neergelegd, met een doorkijk naar 2030.
Het Omgevingsplan is een bundeling van de vier wettelijke plannen op provinciaal niveau: Streekplan, Milieubeleidsplan, Waterhuishoudingsplan en Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan (PVVP). Ondanks dat de planperiode is verstreken, geldt het toch nog als provinciaal beleidskader. Omgevingsvisie FlevolandStraks (2017) De omgevingsvisie FlevolandStraks (Samen maken we Flevoland) is op 8 november 2017 door Provinciale Staten vastgesteld. De omgevingsvisie FlevolandStraks geeft de visie van de provincie Flevoland op de toekomst van dit gebied. De visie gaat over de periode tot 2030 en verder. Het geeft aan welke kansen en opgaven er voor Flevoland liggen en welke ambities er zijn voor de toekomst. Het bijzondere verleden van de jongste provincie van Nederland vormt de basis van de visie. In deze omgevingsvisie wordt ingezet op een Flevoland dat zich in 2030 verder bovenregionaal onderscheidt met een aantal voorzieningen die van excellente kwaliteit zijn. Hierbij wordt onder andere ingezet op excellente woonmilieus in Lelystad. De herontwikkeling van het plangebied draagt bij aan het aantrekkelijker maken van het centrum door het plein voor het station te vergroten en te herinrichten. Tevens wordt het verkeer veiliger gemaakt door het busverkeer (deels) te scheiden van het gewone verkeer en een aparte E-bikeroute te creëren.
Hiermee wordt aangesloten bij de ambitie die in de omgevingsvisie is geformuleerd.
Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld
17
Omgevingsprogramma Flevoland (2019) Dit Omgevingsprogramma anticipeert op de toekomstige Omgevingswet, waarin staat dat een provincie moet beschikken over een programma. Daarin is al het beleid voor ontwikkeling, gebruik, beheer, bescherming of behoud van de fysieke leefomgeving gebundeld. Daarmee zijn beleidskeuzes compact en de samenhang geborgd. Het programma bindt alleen de provincie, maar gemeenten en waterschappen moeten er bij het maken van plannen of beleid wel rekening mee houden. Het programma bestaat uit het onderdeel A Ruimte: doel is een goede woon- , werk- en leefomgeving. Grootschalige ontwikkelingen mogen, omdat in omliggende regio’s daarvoor geen ruimte is. Voorwaarde is een evenwichtige ontwikkeling. Bereikbaarheid, voorzieningenniveau en werkgelegenheid moeten worden verbeterd. Voor het stedelijk gebied geldt dat wordt ingezet op de ontwikkeling van vitale steden en dorpen. Kern van het beleid is: efficiënt ruimtegebruik, versterking van het draagvlak voor voorzieningen, nieuwe solitaire clusters buiten stedelijk gebied zijn in beginsel niet toegestaan, tenzij het een kwaliteitsimpuls betreft. Op het gebied van wonen is meer differentiatie nodig (starters, ouders, alleenstaanden), met het kwaliteitsbehoud van de bestaande woningvoorraad. Het onderhavige plan wijkt niet af van het omgevingsprogramma Flevoland (2019).
Omgevingsverordening Flevoland (2019) De provincie wil anticiperen op de Omgevingswet en daarom is de omgevingsverordening opgesteld. Dit betekent dat alle regels met betrekking tot omgevingsrecht (in dit geval de provinciale) in één regeling worden gebundeld. De verordening bestaat uit drie soorten regels: algemene regels en vergunningstelsels gericht op burgers, regels gericht tot bestuur zoals omgevingswaarden en beoordelingsregels voor aanvragen en als derde instructieregels over uitoefening van taken en bevoegdheden door gemeenten en waterschappen. De Omgevingsverordening ziet net als de Omgevingswet op alle regels inzake de fysieke leefomgeving (bouwen, infra, water, bodem, lucht, landschap, natuur en cultureel erfgoed. Het onderhavige plan wijkt niet af van de Omgevingsverordening Flevoland (2019). Ontwikkelingsvisie 2030 Het verstedelijkingsbeleid in Flevoland is gericht op de versterking van de bestaande steden en dorpen. Mede gezien de gewenste bundeling van de verstedelijking langs de hoofdinfrastructuur ligt de nadruk van verdere stedelijke ontwikkelingen op Almere en vervolgens op Lelystad. Dronten en Emmeloord, die aan één van de beide ontwikkelingsassen liggen, hebben een kleinere opvangtaak. De overige kernen in Flevoland voorzien primair in de opvang van de eigen woningbehoefte. Realisatie van verstedelijking is primair een gemeentelijke taak.
Provinciale aandacht is nodig voor de onderlinge afstemming tussen gemeenten over de omvang en de zoekrichting van de reservering van ruimte voor stedelijke ontwikkeling. Het plangebied is aangeduid als stedelijk gebied. Voorgenomen ontwikkeling voorziet in versterking van de bestaande stad door de herinrichting van het busstation. De ontwikkeling is hiermee in lijn met de ontwikkelingsvisie 2030.
Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld
18
3.1.3 Gemeentelijk beleid Structuurvisie Lelystad 2023 De gemeenteraad van Lelystad heeft in januari 2014 de 'Structuurvisie Lelystad 2023' vastgesteld. Het is een actualisatie van het uit 2005 daterende 'Structuurplan Lelystad 2015'. Belangrijk verschil tussen de nieuwe Structuurvisie en het voormalige Structuurplan is de veranderde focus: van accent op groei en ontwikkeling naar onderhoud en beheer van de bestaande stad. Inherent daaraan is dat kwaliteit belangrijker is dan kwantiteit. In de nieuwe visie is rekening gehouden met alle gemeenteraadsbesluiten tot en met 2013, maar ook van provinciaal en van rijksbeleid dat een doorwerking heeft op de (mogelijke) inrichting van de openbare ruimte. Alle nieuwe ontwikkelingen en beleidswijzigingen hebben een nieuwe, aangepaste plankaart opgeleverd. De geactualiseerde visie geeft een doorkijk tot 2023; het verwoordt beleidsuitgangspunten en vormt de leidraad om Lelystad klaar te maken voor de toekomst. Ten opzichte van het voormalige structuurplan, heeft de raad een aantal beleidsrichtingen vastgesteld, voortvloeiend uit al eerder besproken of in de lijn der verwachting liggende beleidsuitspraken of -voornemens.
Afbeelding 3.1: Uitsnede Structuurvisie Lelystad 2023.
In de structuurvisie wordt het plangebied benoemd als een plaats gericht op commerciële dienstverlening met plaats voor stedelijke leisure. Ook is het plangebied aangeduid als belangrijke knooppunt voor de bereikbaarheid en overstappunt. Onderhavige ontwikkeling
Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld
19
voorziet in de herinrichting van het busstation die de doorstroom van het OV bevordert. Het bestemmingsplan is daarmee in overeenstemming met het gemeentelijk beleid. (Ontwerp) Omgevingsvisie (september 2020) De gemeenteraad heeft op 22 juni 2021 de Omgevingsvisie Lelystad 2040 vastgesteld. De Omgevingsvisie is het resultaat van een intensief participatieproces van de afgelopen vier jaar met inwoners en maatschappelijke partners. De Omgevingsvisie is een van de instrumenten van de nieuwe Omgevingswet. De Omgevingsvisie is een strategische visie op lange termijn voor de leefomgeving (denk bijvoorbeeld aan je eigen woonomgeving, het park, de wegen, de voorzieningen, de milieukwaliteit, de bedrijventerreinen, de natuurgebieden, etc.). De Omgevingsvisie vormt een goede basis voor de implementatie van de nieuwe Omgevingswet. De Omgevingsvisie geeft koers als Hoofdstad van de Nieuwe Natuur en als een sterke stad in de regio. En biedt de ruimtelijke principes voor de verdere ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van de stad tot 2040. Ook de ambities van Lelystad Next Level zijn hierin opgenomen. Lelystad zet hierbij in op kwalitatief groeien van de stad. In de Omgevingsvisie wordt prioriteit gegeven aan het Stadshart, de Kustontwikkeling, Warande en de Bestaande stad. Lelystad kan groeien als naast de woningen ook de stad als geheel en de voorzieningen in de stad meegroeien.
Dat maakt Lelystad sterker en interessanter voor zowel inwoners als bedrijven. 3.2
Conclusies Dit bestemmingplan maakt de realisatie van een nieuw eilandbusstation, inclusief bijbehorende infrastructuur, mogelijk. De doelstelling hierbij is het realiseren van een aantrekkelijker verblijfsen leefgebied, dat past bij de groeiambities van Lelystad. Tevens is het OV-knooppunt een belangrijke entree van Lelystad Hoofdstad van de Nieuwe Natuur. Bij de uitwerking wordt hier invulling aan gegeven middels een hoogwaardige beeldkwaliteit met voldoende ruimte voor groen. Voorgenomen ontwikkelingen zijn in lijn in met de kaders van zowel het Rijk, de provincie als de gemeente.
Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld
20
4
Volkshuisvesting
4.1
Kader
4.1.1 Provinciaal beleid Naast kwantitatieve doelstellingen op het gebied van bevolkingstoename en woningbouw, heeft de provincie ook tot doel om een kwaliteitsslag voor de woonomgeving na te streven. Het beleid is er op gericht om bij de bouw van nieuwe woningen te zoeken naar een balans tussen uitbreiding en herstructurering. De provincie ziet op die manier mogelijkheden om goed in te kunnen spelen op de behoefte aan gedifferentieerde woonmilieus, de verweving van functies en het zoeken naar de combinaties van wonen, werken en zorg op wijk- en/of buurtniveau. De verdere invulling van deze opgave laat de provincie aan de gemeenten zelf over. Wel wordt speciaal aandacht besteed aan de behoefte aan specifieke woonmilieus binnen Lelystad. 4.1.2 Gemeentelijk beleid Woonvisie Het college van Lelystad heeft de definitieve Woonvisie 2021-2030 en Woonagenda 2021-2025 vastgesteld. Hierin staat dat iedereen die dat wil in Lelystad een leven lang moet kunnen wonen. In de Woonvisie 2021 – 2030 wordt begonnen met de zin dat Lelystad als een stad is ontworpen voor minimaal 100.000 inwoners. De voorzieningen, zoals de wegenstructuur, het stadshart, de maatschappelijke- en zorgvoorzieningen zijn opgezet voor een stad met die omvang. Lelystad biedt haar inwoners een steeds aantrekkelijkere en groene woonomgeving in een bruisende stad.
Lelystad wordt een sterke stad in de regio en hoofdstad van de nieuwe natuur. Lelystad gaat zich de komende jaren onvermoeid inzetten om voor haar toekomstige 100.000 inwoners een economisch sterke, groene en gezonde leefomgeving te ontwikkelen. Daarnaast kennen we in Nederland een nijpende woningnood en is sinds 2015 het woningtekort jaarlijks verder toegenomen. De behoefte aan goede woningen in Nederland en zeker in de Metropoolregio Amsterdam (MRA) is groot. Tot 2035 zijn er één miljoen woningen nodig in Nederland. De gemeente Lelystad kan en zal hier met haar ruimte een betekenisvolle rol in spelen. Groeiambitie Lelystad Het college van Lelystad ziet in de waarschuwing van de Rekenkamer om terughoudend te zijn met plannen voor grootschalige nieuwbouw geen reden tot bijstelling van haar groeiambitie. Lelystad wil naar minimaal 100.000 inwoners en heeft de ruimte voor 40.000 nieuwe woningen. 4.2
Onderzoek De voorgenomen ontwikkeling maakt geen woningen mogelijk. Wel draagt de voorgenomen ontwikkeling bij aan een betere bereikbaarheid en wordt het stationsplein en het busstation heringericht. Hierdoor wordt het centrum van Lelystad aantrekkelijker, ook om te wonen.
Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld
21
4.3
Conclusie Zoals in paragraaf 2.2 beschreven valt de woningbouwkavel aan de Zilverparkkade buiten dit bestemmingplan. Verder zal de coffeeshop verplaatst worden om het eilandbusstation en bijbehorende infrastructuur mogelijk te maken. Er worden middels dit bestemmingplan geen woningen mogelijk gemaakt. De voorgenomen ontwikkeling zit het beleid over volkshuisvesting dus niet in de weg.
Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld
22
5
Mobiliteit
5.1
Kader
5.1.1 Provinciaal beleid Mobiliteitsvisie Flevoland 2030 Het mobiliteitsbeleid van de provincie Flevoland is in 2006 vastgelegd in het Omgevingsplan Flevoland 2006 (OPF) en de Nota Mobiliteit Flevoland, beide met het jaar 2015 als horizon. In 2014 is daarom een bestuursopdracht vastgesteld om het mobiliteitsbeleid te herzien. Sinds 2006 hebben zich de nodige (maatschappelijke en innovatieve) ontwikkelingen voorgedaan die vragen om een andere, meer flexibele sturingsfilosofie op mobiliteitsvraagstukken. Deze mobiliteitsvisie vervangt het onderdeel mobiliteit in het OPF. Door de mobiliteitsvisie aan te vullen met een programma Mobiliteit en Ruimte wordt enerzijds voldaan aan de wettelijke eisen anderzijds wordt rekening gehouden met het toekomstige stelsel van de Omgevingswet door uit te gaan van een visie aangevuld met een programma. Deze mobiliteitsvisie is de visie op mobiliteit van de provincie Flevoland. In de snel veranderende samenleving wordt steeds vaker gekeken “wie waar over gaat”. Als afbakening naar andere overheden geldt dat de provincie zich richt op bovengemeentelijke, regionale aspecten van het beleid binnen het nationale mobiliteitsbeleid en niet treedt in het lokale en het nationale mobiliteitsbeleid. De visie gaat niet concreet in op de verkeerssituatie in en rondom het plangebied. Er is om deze reden dan ook geen strijd met de provinciale visie. 5.2
Onderzoek De voorgenomen ontwikkeling zorgt niet dat er meer verkeersbewegingen zijn. Dit bestemmingplan maakt de realisatie van een nieuw busstation, inclusief bijbehorende infrastructuur, mogelijk. De routing van de bussen verandert met het nieuwe busstation en de route over het stationsplein, via de noordelijke onderdoorgang komt te vervallen. Er ontstaat ruimte voor het voorplein met inrichting openbare ruimte. Door het verleggen van de Middenweg ontstaat er ruimte voor een busbaan en een E-bikeroute. Tevens wordt het stationsplein vergroot en heringericht. Aangezien de verkeersgeneratie door de voorgenomen ontwikkeling niet toeneemt en doordat de doorstroom van het verkeer verbeterd wordt, is een mobiliteitsonderzoek niet benodigd. Wel heeft de gemeente veel aandacht voor het aspect mobiliteit binnen het plangebied. In de Mobiliteitsvisie Lelystad 2020 – 2030 is opgenomen dat de gemeente een betere doorstroming voor het OV op de Middenweg-Middendreef, Visarenddreef en Stationslaan wil realiseren. Middels dit bestemmingplan wordt hier deels invulling aan gegeven (Middenweg). De overige doelstellingen dienen te worden bereikt met maatregelen buiten de plangrens van dit bestemmingsplan.
Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld
23
In 2016 is er een onderzoek uitgevoerd naar doorstromingsvarianten van de Middenweg. Daarnaast zijn voor het stationsgebied een groot aantal varianten doorgerekend om na te gaan of halvering van de hoeveelheid verkeer mogelijk is en zo ja, met welke maatregelen. In het Ontwikkelingsplan Stationsgebied Lelystad is onder andere mobiliteit verder uitgewerkt en zijn verschillende omgevingsaspecten in de huidige situatie vergeleken met de situatie na de maatregelen. Deze studies hebben tot de voorliggende ontwikkelingen geleid. Parkeren De voorgenomen ontwikkelingen leiden niet tot meer behoefte aan parkeerplaatsen. Zoals hierboven beschreven betreft de ontwikkeling de verplaatsing van het busstation, de verlegging van wegen en de herinrichting van het stationsplein. 5.3
Conclusie Het verkeer neemt door de voorgenomen ontwikkeling niet toe. De verplaatsing van het busstation, met bijbehorende infrastructuur, leidt tot een betere doorstroom van het verkeer. Tevens wordt de bestaande noord-zuid fietsroute tussen Ziekenhuisweg en Station NS opgewaardeerd tot e-bikeroute.
Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld
24
6
Natuur
6.1
Kader Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden, met wetgeving ten aanzien van soorten en Natura 2000-gebieden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet. Daarnaast hebben provincies eigen beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN; de voormalige Ecologische Hoofdstructuur of EHS) en overige natuurwaarden buiten het NNN.
6.1.1 Wnb: soorten Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. 1.
Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl. Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de wet wel verplicht rekening te houden met de aanwezigheid van (bewoonde) nesten. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn.
2.
Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden dieren opzettelijk te verstoren. Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien: ✓ er geen andere bevredigende oplossing is, en ✓ geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld
25
✓ sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen: • de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of • de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. 3.
Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien: ✓ er geen andere bevredigende oplossing is, en ✓ indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In de gemeente Lelystad is de provincie Flevoland het bevoegd gezag voor de Wnb. Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet nodig indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb).
6.1.2 Wnb: Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een ‘habitattoets’ dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. 6.1.3 Natuurnetwerk Nederland Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden en verbindingszones. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid).
Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld
26
6.2
Onderzoek
6.2.1 Soorten In het kader van de soortenbescherming is door het Natuur-Wetenschappelijk Centrum een quickscan uitgevoerd naar de (mogelijk) aanwezige natuurwaarden. De quickscan is opgenomen als bijlage 1. Hieronder zijn de resultaten van de quickscan beschreven. Vleermuizen De aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van zowel boombewonende als gebouwbewonende vleermuizen kan met zekerheid uitgesloten worden. De aaneengesloten lijnvormige bomenrijen kan een vliegroute van vleermuizen zijn. Overigens kan in dit geval worden uitgesloten dat het een essentiële vliegroute betreft. Nabij de bomenlaan zijn voldoende alternatieve oriëntatiepunten en -lijnen voor vleermuizen. Alleen voor vleermuizen met een zwakke sonar (zoals de grootoorvleermuis) is het van belang dat een gat in een boomrij of andere structuur niet groter dan 50 meter is. Overigens komt deze soort in Lelystad (nog) niet voor. Wel biedt de bomenrij extra luwte en foerageermogelijkheden voor vleermuizen. Met name op dagen dat het hard waait is deze luwte benodigd voor navigerende vleermuizen. Vandaar is het wel wenselijk dat de bomenlaan zoveel mogelijk behouden blijft of dat een dergelijke bomenrij in de nieuwe situatie wordt ingepast. Wel zijn mitigerende maatregelen nodig om lichtverstoring te voorkomen voor mogelijk aanwezige vleermuizen.
Het is hierbij met name van belang dat tijdens de schemering en gedurende de avond en nacht geen verlichting gebruikt wordt. Vogels met een vaste verblijfplaats Er zijn geen nesten van kraaiachtigen of verblijfplaatsen van vogels met een vaste verblijfplaats aangetroffen in het plangebied. De oude nesten van Turkse tortels zullen niet gebruikt gaan worden door vogels met een vaste verblijfplaats. Het plangebied is ook ongeschikt om te dienen als verblijfplaats van de Huismus. Wel zijn er twee vrouwelijke en een mannelijke Huismus aangetroffen op het Stationsplein. Ook zijn er ten oosten van het Stationsplein, net buiten het plangebied, tien individuen (4 vrouwelijke en 6 mannelijke) foeragerend aangetroffen. Deze huismussen werden gevoerd door mensen op straat. Doordat er geen (potentiële) verblijfplaatsen van de Huismus zijn gevonden binnen het plangebied is de verwachting dat de huismussen vanuit omliggende wijken komen om te foerageren. De locatie van de foeragerende huismussen wordt niet gezien als een essentieel onderdeel van het leefgebied van de Huismus, doordat de dieren naar waarschijnlijkheid gevoerd worden in verschillende wijken in de omgeving.
Het kan op basis van deze resultaten met voldoende zekerheid worden uitgesloten dat de voorgenomen plannen significant nadelige effecten hebben op de verblijfplaatsen en/of functionele leefomgeving van de Huismus en andere vogels met een vaste verblijfplaats. Er is ten aanzien van vogels met een vaste verblijfplaats geen aanvullend onderzoek nodig en vanuit de Wet natuurbescherming bestaan er, op de zorgplicht na, geen verdere verplichtingen.
Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld
27
Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek is de aanwezigheid van (strikt) beschermde grondgebonden zoogdieren niet aangetoond. Kijkend naar de verspreidingsgegevens is er geen verwachting dat er beschermde soorten voorkomen. Vanuit de Wet natuurbescherming zijn er geen verdere verplichtingen, behalve de zorgplicht, ten aanzien van de grondgebonden zoogdieren. Zorgplicht Tenslotte geldt voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde) de zorgplicht. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden. Manieren om aan de zorgplicht te voldoen zijn bijvoorbeeld: • Er wordt gelegenheid gegeven aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Dit gebeurt door onder andere vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen) gefaseerd te verwijderen; • In verband met verstoring van aanwezige dieren worden de werkzaamheden zoveel mogelijk overdag uitgevoerd. 6.2.2 Gebieden Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Omdat, als gevolg van de voorgenomen plannen, geen oppervlakte aan NNN verloren gaat, is toetsing aan de wet- en regelgeving omtrent het NNN niet nodig.
Binnen een afstand van 8 kilometer zijn geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden aanwezig. Omdat het project daarnaast alleen voorziet in een verbetering van de doorstroming van het OV, wordt ingezet op meer elektrisch OV in de nieuwe concessie voor het OV en het verkeer over de Middenweg waar mogelijk wordt gereduceerd, is een afname van de stikstofemissie en depositie door de gebruiksfase aan de orde. Voor de aanleg van het busstation en bijbehorende infrastructuur is de stikstofdepositie in de aanlegfase beschouwd. Beoordeeld is of sprake is van een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats gelegen binnen Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plan. De notitie inclusief complete berekeningen is opgenomen als bijlage 4 bij deze toelichting. Uit dit onderzoek wordt geconcludeerd dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000gebieden. Dit betekent dat significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten en dat de Wet natuurbescherming niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit project. 6.3
Conclusie Vanuit de Wet natuurbescherming zijn er, op de zorgplicht na, geen verplichtingen. Wel zijn mitigerende maatregelen nodig om lichtverstoring te voorkomen voor mogelijk aanwezige vleermuizen.
Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld
28
7
Water
7.1
Kader Nationaal Waterplan De waterplannen geven het landelijke, respectievelijk regionale (strategische) waterbeleid weer. Voor het Rijk is dit vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP). Het NWP geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid. De Rijksoverheid stelt iedere zes jaar een Nationaal Water Plan en Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren op. Voor de periode 2022-2027 worden deze twee plannen - vooruitlopend op de Omgevingswet - samengebracht in één programma: het Nationaal Water Programma. In het Nationaal Water Programma 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Dit staat in één programma waarmee de Rijksoverheid anticipeert op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Nederland heeft te maken met grote wateropgaven die bovendien in de toekomst steeds groter en complexer worden. Dit komt door een aantal samenhangende uitdagingen: klimaatverandering, bodemdaling, milieuverontreiniging en ruimtedruk. In de uitvoering ligt bovendien een grote opgave om verouderde infrastructuur zoals bruggen en sluizen in stand te houden en waar nodig te vervangen of te renoveren.
De wateropgaven waar Nederland op dit moment voor staat, de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor 3 hoofdambities van dit NWP: • • •
Een veilige en klimaatbestendige delta. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur.
De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving zoals de energietransitie, woningbouw en de landbouw is noodzakelijk. Daarbij is het van groot belang dat ‘aansluiten op de karakteristieken van het watersysteem’ en ‘meebewegen met water’ leidende principes blijven voor de integrale aanpak van ruimtelijke ontwikkelingen in ons land. In Nederland komen veel opgaven voor de leefomgeving bij elkaar op een klein oppervlak. Niet alles kan, soms moeten keuzes worden gemaakt. Daarvoor zijn in het NWP een aantal afwegingsprincipes voor het waterbeleid en -beheer opgenomen. De 3 hoofdambities voor het waterbeleid worden in het NWP uitgewerkt voor verschillende thema’s – klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwaterverdeling en droogte, waterkwaliteit, grondwater, scheepvaart – en voor de bijbehorende beheer- en uitvoeringstaken van Rijkswaterstaat. Ook de samenhang van het waterbeleid met andere onderwerpen komt aan bod: natuur, landbouw, bodem en ondergrond, landschap, verstedelijking, energietransitie en industrie. Hierna worden per hoofdambitie de belangrijkste beleidsdoelen en -keuzes en de beheer- en uitvoeringstaken van Rijkswaterstaat voor de planperiode van dit NWP samengevat.
Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld
29
Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen.
De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit nieuwe instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en het waterschap samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen (bijvoorbeeld wateroverlast of verdroging) in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (Bro 1985) en is hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Watervisie De Watervisie past goed in de geest van de Omgevingswet. Die stelt dat overheden meer de opgaven waar ze met elkaar voor staan centraal moeten stellen, in plaats van hun eigen taken. Bij de totstandkoming van de Watervisie is gesproken met gemeenten, provincie, terreinbeheerders, Rijkswaterstaat en LTO. Bij Waterschap Zuiderzeeland kijken ze in de Watervisie door een waterbril naar hun beheergebied. Zoals wat grote opgaven en infrastructurele ontwikkelingen betekenen voor het bodem- en watersysteem.
Denk hierbij aan klimaatverandering, de woningbouwopgave, achteruitgang van de biodiversiteit en de energietransitie. De visie laat zien hoe deze opgaven en het waterschapswerk aan waterveiligheid, het beheer van sloten, tochten en vaarten en het zuiveren van afvalwater elkaar kunnen beïnvloeden. In de Watervisie verbindt het waterschap waterthema’s en maatschappelijke opgaven. Want steeds vaker overstijgen deze opgaven de grenzen van vakgebieden en organisaties. Ze vragen om een gezamenlijke aanpak. Voor een gezonde en duurzame ontwikkeling van het gebied is het nodig om het natuurlijke systeem (bodem en water) en de ruimtelijke en economische ontwikkelingen met elkaar te verbinden. Niet met maakbaarheid als vertrekpunt,
Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld
30
maar toekomstbestendigheid. Zodat inwoners en hun nageslacht prettig kunnen wonen, werken en recreëren in steden en dorpen, landbouwgebieden en natuurterreinen. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Als waterbeheerder zorgt Waterschap Zuiderzeeland ervoor dat het watersysteem, het zuiveringssysteem en de dijken voldoen aan de eisen die daaraan gesteld worden. In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 beschrijft het waterschap welk waterwerk we in de komende jaren te doen hebben. Het Waterbeheerprogramma volgt uit de eerder gepubliceerde Watervisie. Het Waterbeheerprogramma bestaat uit vier hoofdthema’s: Omgeving, Waterveiligheid, Voldoende en gezond water en Schoon, gezuiverd water. Per thema beschrijft het waterschap de maatregelen die nodig zijn. Deze beschrijving is op hoofdlijnen, zodat er ruimte wordt gehouden om de manier waarop aan de doelen wordt gewerkt aan te kunnen passen. Het is een dwarsdoorsnede van het werk dat het waterschap in de komende jaren, deels samen met onze gebiedspartners, (blijft) uitvoeren. Keur Waterschap Zuiderzeeland 2017 Daarnaast geldt tevens de Keur Waterschap Zuiderzeeland 2017, die bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt vervangen door de waterschapverordening. De Keur is de verordening (wettelijke regeling) van het waterschap en gaat vooral over het waterkwantiteitaspect.
De Keur is van toepassing op het aanbrengen van veranderingen aan het watersysteem (o.a. aanleggen van duikers, dammen en werkzaamheden op of aan de dijken). Ook het onttrekken van water aan de bodem of aan oppervlaktewater is geregeld in de Keur. Voor handelingen in het watersysteem is een watervergunning nodig of kan volstaan worden met een melding. 7.2
Onderzoek Hieronder volgt de inhoudelijke toetsing aan de verschillende waterthema’s. Toetsing aan deze thema’s levert de watertoets op. Op 15 februari 2023 is de digitale watertoets ingevuld, deze is opgenomen als bijlage 5 bij deze toelichting. Hieruit volgt de korte procedure. Oppervlaktewatersystemen Het plangebied is gelegen binnen het peilbesluit ‘Lelystad’ en valt binnen het peilgebied ‘Lelystad centrum (oost)’: dit peilgebied kent een zomer- en winterpeil van NAP -5,40. In de huidige situatie is geen oppervlaktewater in het plangebied aanwezig. Veiligheid Binnen het plangebied zijn geen waterkeringen aanwezig. Waterkwantiteit Het plangebied is in de huidige situatie grotendeels verhard (op enkele bermen na). In de nieuwe situatie neemt het verhard oppervlak af, waardoor er meer ruimte vrijkomt voor de toepassing van klimaatadaptieve maatregelen. Afbeelding 7.1 toont een impressie van de toekomstige situatie in het plangebied.
Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld
31
Afbeelding 7.1 Integraal stedenbouwkundig ontwerp Stationsgebied Oost
Omdat het de ambitie is om voor het plangebied een afname van de verharding te realiseren, is watercompensatie niet benodigd. Wanneer toch uit het definitieve ontwerp blijkt dat de toename in verharding groter is dan 750 m², zal in overleg met het waterschap alsnog voldoende compensatie worden gerealiseerd. Dit is geborgd in de regels van dit bestemmingsplan. Waterkwaliteit Binnen het plangebied is een gescheiden rioolstelsel aanwezig. Het afvalwater dat wordt geproduceerd met de ontwikkeling zal worden aangesloten op de vuilwaterriolering. Ook het (vervuild) hemelwater dat valt op verharde oppervlakken zoals de weg en het busstation, zal gescheiden worden afgevoerd en zal niet worden aangesloten op het hemelwaterriool. Op deze manier wordt dit (vervuilde) hemelwater niet gemengd met schoon hemelwater afkomstig van daken en overkappingen. Het schone hemelwater wordt aangesloten op de openbare hemelwaterriolering. Over de lozingsroute en voorzuivering van het vervuilde hemelwater zal nadere afstemming plaatsvinden tussen de gemeente en het waterschap. De voorkeursroute hiervoor is aansluiting op de hemelwaterriolering na het passeren van een voorzuivering. Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater, dat wordt afgekoppeld naar het oppervlaktewater, wordt vervuild.
In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. Er dienen zo min mogelijk (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Klimaatadaptatie Op 27 november 2018 is in het kader van klimaatadaptatie een stresstest gehouden. Als gevolg daarvan is afgesproken dat bij herontwerp en ontwerp van de openbare ruimte rekening gehouden gaat worden met de gevolgen van de klimaatverandering (wateroverlast, droogte, hittestress). Dit wordt meegenomen bij de verdere uitwerking van het plan.
Bestemmingsplan “Stationsgebied Oost” Toelichting Vastgesteld
32
Het Waterschap Zuiderzeeland was actief betrokken in dit project. Samen met het waterschap is bepaald of het peilvak waarin het bestemmingsplangebied ligt klimaatbestendig is. Er is op basis van het toen geldende klimaatscenario geconcludeerd dat in het peilvak tot 2050 geen grote problemen worden verwacht door neerslag. De ontwikkeling van de klimaatverandering en het tempo hiervan is onvoorspelbaar. Het ontwerp dient daarom aan het meest recente klimaatscenario getoetst te worden in overleg met het waterschap. Doordat het plangebied goed is aangesloten op het watersysteem worden droogte en wateroverlast door het in- en uitlaten van water voorkomen. Tevens voorziet het project in een verbetering van de doorstroming van het OV en wordt het verkeer over de Middenweg waar mogelijk gereduceerd. Hierdoor zullen mensen minder lang in het OV/verkeer aanwezig zijn, waardoor hittestress verminderd wordt. Ook wordt ingezet op meer elektrisch OV wat bijdraagt aan een duurzamer wereld waarbij klimaatveranderingen tegengegaan worden. Het nieuwe station met middeneiland komt ten opzichte van het huidige busstation wat zuidelijker te liggen waardoor er ruimte ontstaat voor de herinrichting van een groter stationsplein. Bij de herinrichting van het stationsplein kunnen klimaatadaptieve maatregelen toegepast worden. In ieder geval is er voldoende ruimte voor groen.