BL Bestemmingsplan De Elzen toelichting vaststelling 200324 incl bijlagen klein
Tekst van het document
Woningen bewoners totaal Waarvan woningen bewoners eigen p Waarvan woningen bewoners openbaar Woningen bezoekers Kantoor/bedrijven Commerciële dienstverlening Detailhandel Grootschalige detailhandel Supermarkt Sportfuncties binnen Sportfuncties buiten Bioscoop/theater/podium etc. Sociaal medisch: arts/maatschap/ therapeut/consultatiebureau
parkeerbehoefte maximaal 35,6 32,8 2,8 6
Verpleeg- verzorgingstehuis/ aanleun woning/verzorgingsflat Ziekenhuis patiënten inclusief bezoekers
Verpleeg- verzorgingstehuis/ aanleun woning/verzorgingsflat Ziekenhuis patiënten inclusief bezoekers Ziekenhuis medewerkers Dagonderwijs Avondonderwijs
Ziekenhuis medewerkers Dagonderwijs Avondonderwijs
Totaal
Tabel met berekende behoefte op basis van de parkeerbalans werkdag werkdag werkdag werkdag koop zaterdag zaterdag zondag ochtend middag avond nacht avond middag avond middag Woningen bewoners 17,8 17,8 32 35,6 28,5 21,4 28,5 24,9 Woningen bewoners eigen p 32,8 32,8 32,8 32,8 32,8 32,8 32,8 32,8 Woningen bewoners openbaar 0 0 0 2,8 0 0 0 0 Woningen bezoekers 0,6 1,2 4,8 0 4,2 3,6 6 4,2 Kantoor/bedrijven 0 0 0 0 0 0 0 0 Commerciële dienstverlening 0 0 0 0 0 0 0 0 Detailhandel 0 0 0 0 0 0 0 0 Grootschalige detailhandel 0 0 0 0 0 0 0 0 Supermarkt 0 0 0 0 0 0 0 0 Sportfuncties binnen 0 0 0 0 0 0 0 0 Sportfuncties buiten 0 0 0 0 0 0 0 0 Bioscoop/theater/podium etc. 0 0 0 0 0 0 0 0 Sociaal medisch: arts/maatschap/ therapeut/consultatiebureau 0 0 0 0 0 0 0 0
41,6
0
0
0
0
0
0
0
0
0 0 0 0
0 0 0 0
0 0 0 0
0 0 0 0
0 0 0 0
0 0 0 0
0 0 0 0
0 0 0 0
Totaal
18,4
19
36,8
35,6
32,7
25
34,5
29,1
Totaal openbaar
0,6
1,2
4,8
2,8
4,2
3,6
6
4,2
Berekende behoefte op basis van aanwezigheidspercentages deelgebied 3 Tabel met theoretische parkeerbehoefte
Woningen bewoners totaal Waarvan woningen bewoners eigen p Waarvan woningen bewoners openbaar Woningen bezoekers Kantoor/bedrijven Commerciële dienstverlening Detailhandel Grootschalige detailhandel Supermarkt Sportfuncties binnen Sportfuncties buiten Bioscoop/theater/podium etc. Sociaal medisch: arts/maatschap/ therapeut/consultatiebureau
parkeerbehoefte maximaal 47,8 44,7 3,1 8,1
Verpleeg- verzorgingstehuis/ aanleun woning/verzorgingsflat Ziekenhuis patiënten inclusief bezoekers
Verpleeg- verzorgingstehuis/ aanleun woning/verzorgingsflat Ziekenhuis patiënten inclusief bezoekers Ziekenhuis medewerkers Dagonderwijs Avondonderwijs
Ziekenhuis medewerkers Dagonderwijs Avondonderwijs
Totaal
Tabel met berekende behoefte op basis van de parkeerbalans werkdag werkdag werkdag werkdag koop zaterdag zaterdag zondag ochtend middag avond nacht avond middag avond middag Woningen bewoners 23,9 23,9 43 47,8 38,2 28,7 38,2 33,5 Woningen bewoners eigen p 44,7 44,7 44,7 44,7 44,7 44,7 44,7 44,7 Woningen bewoners openbaar 0 0 0 3,1 0 0 0 0 Woningen bezoekers 0,8 1,6 6,5 0 5,7 4,9 8,1 5,7 Kantoor/bedrijven 0 0 0 0 0 0 0 0 Commerciële dienstverlening 0 0 0 0 0 0 0 0 Detailhandel 0 0 0 0 0 0 0 0 Grootschalige detailhandel 0 0 0 0 0 0 0 0 Supermarkt 0 0 0 0 0 0 0 0 Sportfuncties binnen 0 0 0 0 0 0 0 0 Sportfuncties buiten 0 0 0 0 0 0 0 0 Bioscoop/theater/podium etc. 0 0 0 0 0 0 0 0 Sociaal medisch: arts/maatschap/ therapeut/consultatiebureau 0 0 0 0 0 0 0 0
55,9
0
0
0
0
0
0
0
0
0 0 0 0
0 0 0 0
0 0 0 0
0 0 0 0
0 0 0 0
0 0 0 0
0 0 0 0
0 0 0 0
Totaal
24,7
25,5
49,5
47,8
43,9
33,6
46,3
39,2
Totaal openbaar
0,8
1,6
6,5
3,1
5,7
4,9
8,1
5,7
Berekende behoefte op basis van aanwezigheidspercentages deelgebied 4 Tabel met theoretische parkeerbehoefte
Woningen bewoners totaal Waarvan woningen bewoners eigen p Waarvan woningen bewoners openbaar Woningen bezoekers Kantoor/bedrijven Commerciële dienstverlening Detailhandel Grootschalige detailhandel Supermarkt Sportfuncties binnen Sportfuncties buiten Bioscoop/theater/podium etc. Sociaal medisch: arts/maatschap/ therapeut/consultatiebureau
parkeerbehoefte maximaal 32 29,4 2,6 5,4
Verpleeg- verzorgingstehuis/ aanleun woning/verzorgingsflat Ziekenhuis patiënten inclusief bezoekers
Verpleeg- verzorgingstehuis/ aanleun woning/verzorgingsflat Ziekenhuis patiënten inclusief bezoekers Ziekenhuis medewerkers Dagonderwijs Avondonderwijs
Ziekenhuis medewerkers Dagonderwijs Avondonderwijs
Totaal
Tabel met berekende behoefte op basis van de parkeerbalans werkdag werkdag werkdag werkdag koop zaterdag zaterdag zondag ochtend middag avond nacht avond middag avond middag Woningen bewoners 16 16 28,8 32 25,6 19,2 25,6 22,4 Woningen bewoners eigen p 29,4 29,4 29,4 29,4 29,4 29,4 29,4 29,4 Woningen bewoners openbaar 0 0 0 2,6 0 0 0 0 Woningen bezoekers 0,5 1,1 4,3 0 3,8 3,2 5,4 3,8 Kantoor/bedrijven 0 0 0 0 0 0 0 0 Commerciële dienstverlening 0 0 0 0 0 0 0 0 Detailhandel 0 0 0 0 0 0 0 0 Grootschalige detailhandel 0 0 0 0 0 0 0 0 Supermarkt 0 0 0 0 0 0 0 0 Sportfuncties binnen 0 0 0 0 0 0 0 0 Sportfuncties buiten 0 0 0 0 0 0 0 0 Bioscoop/theater/podium etc. 0 0 0 0 0 0 0 0 Sociaal medisch: arts/maatschap/ therapeut/consultatiebureau 0 0 0 0 0 0 0 0
37,4
0
0
0
0
0
0
0
0
0 0 0 0
0 0 0 0
0 0 0 0
0 0 0 0
0 0 0 0
0 0 0 0
0 0 0 0
0 0 0 0
Totaal
16,5
17,1
33,1
32
29,4
22,4
31
26,2
Totaal openbaar
0,5
1,1
4,3
2,6
3,8
3,2
5,4
3,8
Bijlage 3
Quickscan Wet natuurbescherming 26 mei 2023
Bestemmingsplan Warande – De Elzen
AXON Adviseurs BV
38
QuickScan DE ELZEN
LELYSTAD QuickScan Wet natuurbescherming
Status:
Datum:
26 mei 2023
Definitief
Project:
QS50759
QUICKSCAN 50759 – LELYSTAD
INHOUD 1. Colofon
3
2. Samenvatting en advies
4
3. Inleiding
5
3.1
Aanleiding
5
3.2
Planlocatie
5
3.3
Ontwikkelingen en effecten
6
4. Kader en methode
7
4.1
Wettelijk kader
7
4.2
Onderzoeksmethode
11
4.3
Toepasbaarheid
12
5. Gebiedsbescherming
13
5.1
Natura2000
13
5.2
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
14
5.3
Stikstofdepositie
16
6. Soortbescherming
17
6.1
Flora
17
6.2
Fauna
18
6.3
Houtopstanden
30
Verantwoording
32
Bijlagen
34
Disclaimer
48 2
QUICKSCAN 50759 – LELYSTAD
1. Colofon Onderzoek
QuickScan natuurtoets
Document
QS50759
Datum
26 mei 2023
Locatie
De Elzen; Lelystad
Opdrachtgever
EDOK-RO
Opdrachtnemer
Ecofect B.V.
Ecoloog
Dhr. P. Smits/ Mevr. A. van der Voort
Adres
Laan 21, 8071 JG Nunspeet
Telefoon
06-41737676
info@ecofect.nl
Internet
www.ecofect.nl
KvK-nummer
87036487
Btw-identificatienr.
NL864184311B01
Rekeningnummer
NL39 RABO 0198 8908 69
3
QUICKSCAN 50759 – LELYSTAD
2. Samenvatting en advies Uit de QuickScan is gebleken dat bij het uitvoeren van de geplande werkzaamheden de Wet natuurbescherming mogelijk wordt overtreden. Gebiedsbescherming Natura 2000 Gezien de aard van de werkzaamheden en de afstand ten opzichte van Natura 2000-gebieden is een voortoets Natura 2000 niet noodzakelijk. NatuurNetwerk Nederland De planlocatie is gelegen buiten het Natuur Netwerk Nederland (Natuurnetwerk Flevoland) of de Groene buffer hiervan. Aangezien het Natuur Netwerk in Flevoland geen externe werking kent is vastgesteld dat een verdere toetsing niet aan de orde is. Stikstof Gezien de geplande ontwikkeling en de afstand tot stikstofgevoelige natuur is een stikstofberekening (Aerius) voor de aanleg- en de nieuwe gebruiksfase is noodzakelijk. Geadviseerd wordt deze uit te voeren. Soortbescherming Flora Geen overtreding Wet natuurbescherming. Vleermuizen Geen overtreding Wet natuurbescherming. Zoogdieren Mogelijk overtreding Wet natuurbescherming, nader onderzoek marter- en beverachtigen Vogels Geen overtreding Wet natuurbescherming. Overige soorten Mogelijk overtreding Wet natuurbescherming, nader onderzoek reptielen/ amfibieën.
4
QUICKSCAN 50759 – LELYSTAD
3. Inleiding 3.1 Aanleiding Met de voorgenomen ontwikkelingen aan De Elzen te Lelystad heeft opdrachtgever EDOK-RO namens cliënt Ecofect B.V. gevraagd een QuickScan Wet natuurbescherming uit te voeren t.b.v. het vergunning traject en inzicht te verschaffen of de geplande uit te voeren werkzaamheden conflicteren met de Wet natuurbescherming. Voorliggend rapport geeft inzicht in het wettelijk kader, de gebruikte methodiek en de resultaten van het uitgevoerde onderzoek.
3.2 Planlocatie De planlocatie betreft De Elzen te Lelystad (zie figuur 1) een braakliggend terrein gelegen nabij de Zilverschoonlaan te Lelystad. Het terrein ligt aan het water met daaromheen agrarisch cultuurlandschap. De planlocatie bestaat uit oeverzegges, grasland en braakliggend terrein met een modderspoor. Aan de zuidzijde loopt een struweel ruigte die aansluit op het water. Aan de westzijde loopt een glooiende oever die uitmondt in het aangrenzende water. Door de planlocatie loopt een pad genaamd de Oeverzegge.
Figuur 1- Planlocatie aangegeven met rode lijn.
Lelystad is een van de jongste woonplaatsen van Nederland. Lelystad ligt in Oostelijk Flevoland, de derde polder van het plan-Lely. De Wieringermeer is de eerste, de Noordoostpolder is de tweede en Zuidelijk Flevoland de vierde polder.
5
QUICKSCAN 50759 – LELYSTAD
3.3 Ontwikkelingen en effecten Initiatiefnemer is voornemens de planlocatie te herontwikkelen t.b.v. woningbouw. De Elzen maakt deel uit van het Stedenbouwkundig Plan de Elzen. Het terrein zal worden omgevormd tot nieuwbouw met een groene verbindingszone naar het Elzenpark (zie figuur 2). Voor inhoudelijke vragen over het ontwerp en de verdere inrichting van de planlocatie wordt verwezen naar opdrachtgever.
Figuur 2- Opzet van het Stedenbouwkundig plan De Elzen.
Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn blijvend van karakter. De functie van het plangebied zal ecologisch mogelijk veranderen. De ingrepen en effecten van de ingreep in relatie tot natuurwaarden: •
Sloopwerkzaamheden
•
Afvoer sloopmateriaal
•
Egaliseren/ draineren terrein
•
Bouwwerkzaamheden
•
Aan- en afvoer materiaal.
•
Herinrichting terrein welke bij de functie opslag verwacht kan worden.
Dit onderzoek is gericht om een inschatting te maken of beschermde soorten voorkomen en gebruik maken van de projectlocatie.
6
QUICKSCAN 50759 – LELYSTAD
4. Kader en methode 4.1 Wettelijk kader Voor het uitvoeren van ruimtelijke ontwikkelingen is o.a. Wet natuurbescherming van kracht. Deze wetgeving vervangt de Flora- en faunawet, boswet en natuurbeschermingswet welke van kracht waren voor 1 januari 2017. In deze wet is de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden geregeld. In de toekomst zal deze wet worden opgenomen in de omgevingswet (1 januari 2024). Dit onderzoek beperkt zich tot de gebiedsbescherming en de soortenbescherming. In deze QuickScan worden de verschillende onderdelen van de Wet natuurbescherming getoetst. Omdat een veldbezoek en bureau-onderzoek geen zekerheid geeft of de Wet natuurbescherming wordt overtreden, wordt de potentie van het object ingeschat voor wat betreft beschermde soorten. Indien het object potentie heeft, zal een aanvullend onderzoek vast moeten stellen of uit moeten sluiten of er beschermde soorten gebruik maken van de opstallen. Potentie-inschatting vindt plaats op basis van habitatkenmerken, habitatseisen en ervaring van de ecoloog. Een goed voorbeeld is de kans op het waarnemen van vleermuizen tijdens het veldbezoek. De trefkans is nagenoeg nihil bij een bezoek overdag. Indien een object (gebouw of boom) potentie heeft, door bijvoorbeeld open stootvoegen, dan zal een nader onderzoek uit moeten wijzen of de beschermde soorten ook daadwerkelijk gebruik maakt van het object.
En zo ja, welke functie heeft het object. Voor diverse soorten zijn er vastgestelde protocollen waarin de optimale onderzoeksperioden, weersomstandigheden en onderzoeksinspanning staan omschreven. Het bevoegd gezag toetst of de onderzoeken op de correcte wijze zijn uitgevoerd. Vanuit de Provincie of omgevingsdiensten zijn er toezichthouders die ten alle tijden kunnen vragen naar de rapporten van de uitgevoerde onderzoeken. Tevens zijn zij bevoegd om op basis van eigen bevindingen het werk stil te leggen en/of een dwangsom op te leggen indien er gehandeld wordt in strijd met de Wet natuurbescherming. Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Artikel 1.11 Zorgplicht 1. Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2.
De zorg houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten:
7
QUICKSCAN 50759 – LELYSTAD
a)
dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel,
b)
indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft
om die gevolgen te voorkomen, of c)
voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan
maakt. Overtreding Wet natuurbescherming Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wil verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Wet natuurbescherming Gebiedsbescherming Artikelen 2.1 tot en met 2.12 van de Wet natuurbescherming regelen de bescherming van Natura2000gebieden (Vogel- en Habitatrichtlijn gebieden). Voor Natura2000-gebieden zijn instandhoudingsdoelen opgesteld voor habitats, soorten, broedvogels en/ of niet-broedvogels. In artikel 2.7 verplicht de Wet natuurbescherming om vooraf te beoordelen of ingrepen/ activiteiten in of in de nabijheid van Natura2000gebieden significant negatieve effecten kunnen hebben op de voor deze gebieden aangewezen instandhoudingsdoelen.
Mocht sprake zijn van (significant) negatieve effecten dan kan het aanvragen van vergunning bij bevoegd gezag (veelal de provincie waarbinnen de ingreep of activiteit plaatsvindt) aan de orde zijn. Soortbescherming Artikelen 3.1 tot en met 3.11 van de Wet natuurbescherming regelen de bescherming van soorten. De bescherming is opgedeeld in vijf categorieën met soorten: •
Vogels met jaarrond beschermde nesten;
•
Overige vogels;
•
Soorten van de Habitatrichtlijn (bijlage IV) en de Verdragen van Bern (bijlage II) en Bonn (bijlage I);
•
Overige soorten die op nationaal niveau beschermd zijn en waarvoor provinciaal geen vrijstelling geldt;
•
Overige soorten die op nationaal niveau beschermd zijn, maar waarvoor provinciaal wel een vrijstelling geldt.
Voor vogels geldt dat er twee categorieën zijn: de vogels met jaarrond beschermde nesten (o.a. Huismus, Gierzwaluw en Buizerd) en de overige broedvogels. Vogels met jaarrond beschermde nesten hebben een strikte beschermingsstatus binnen de Wet natuurbescherming. Van overige broedvogels zijn hun nesten
8
QUICKSCAN 50759 – LELYSTAD
alleen tijdens het broedseizoen beschermd zijn (periode van nestbouw, eileg, broeden en voeren van de jongen op het nest). Voor soorten van de Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn zijn in artikel 3.5 verboden vastgelegd (o.a. verboden om dieren te doden en voortplantings- of rustplaatsen te vernielen) en geldt een strikte beschermingsstatus. Soorten die op nationaal niveau beschermd zijn, kunnen ingedeeld worden in twee categorieën. Provincies mogen besluiten om bepaalde soorten vrij te stellen van bescherming in het kader van ruimtelijke ingrepen, beheer en onderhoud. In de meeste provincies geldt - onder andere voor ruimtelijke ontwikkelingen - een vrijstelling voor een selectie van zoogdieren en amfibieën. Voor de overige soorten gelden vergelijkbare verboden (zie artikel 3.10) als voor soorten van de Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn en geldt eveneens een strikte beschermingsstatus. Voor het overtreden van verbodsartikelen bij ruimtelijke ingrepen is het noodzakelijk om ontheffing aan te vragen bij bevoegd gezag (veelal de provincie waarbinnen de ingreep plaatsvindt). Voor het verkrijgen van een ontheffing dient een uitgebreide rapportage opgesteld te worden waarin o.a. wordt aangegeven hoe gezorgd wordt dat schade tot een minimum beperkt blijft en of compenserende maatregelen aan de orde zijn.
Bescherming houtopstanden Een houtopstand beslaat een oppervlakte van 10 are of meer, of bestaat uit een beplanting van twintig bomen of meer in een rij, gerekend over het totaal aantal rijen. Buiten de bescherming houtopstanden (artikel 4.2) vallen de •
Houtopstanden binnen door de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom houtopstanden,
•
Houtopstanden op erven of in tuinen en fruitbomen en windschermen om boomgaarden,
•
Naaldbomen bedoeld als kerstbomen en niet ouder dan twintig jaar en kweekgoed,
•
Uit populieren of wilgen bestaande wegbeplantingen, beplantingen langs waterwegen en beplantingen langs landbouwgronden (enkele rij)
•
Het dunnen van een houtopstand, Uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa en die:
•
Minimaal eens per tien jaar worden geoogst,
•
Bestaan uit ten minste tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid bestaande uit een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter,
•
Zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Volgens artikel 4.2 is het verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen zonder daar melding van te doen bij Gedeputeerde Staten. Dit geldt niet voor het periodiek vellen van griend- of hakhout. Binnen drie jaar moet het gevelde deel weer zijn herplant. Vrijstellingen gelden er wanneer het vellen gebeurt middels een goedgekeurde gedragscode of de werkzaamheden voortvloeien uit instandhoudingsdoelstellingen voor Natura2000-gebieden of nodig zijn voor aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen.
9
QUICKSCAN 50759 – LELYSTAD
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn § 3.1 Wn
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn § 3.2 Wn
Beschermingsregime andere soorten § 3.3 Wn
Art 3.1 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.
Art 3.5 lid 1 Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.5 lid 1 Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.
Art 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantings- plaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen.
Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
Art 3.1 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben.
Art 3.5 lid 3 Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.
Niet van toepassing.
Niet van toepassing
Art 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidings- gebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidings- gebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
10
QUICKSCAN 50759 – LELYSTAD
4.2 Onderzoeksmethode De volgende methoden zijn bij het onderzoek gebruikt: 1.
Door middel van bureauonderzoek is onderzocht welke beschermde flora en fauna in de omgeving van het plangebied recentelijk zijn waargenomen. Hierbij is gebruik gemaakt van waarnemingen uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Op basis van het onderzoek in verspreidingsatlassen en overige beschikbare natuurinformatie is een inschatting gemaakt welke soorten er redelijkerwijs zijn te verwachten in het plangebied.
2.
Op 23 mei 2023 is het plangebied door dhr. P. Smits en Mevr. A. van der Voort bezocht. Daarbij werden de, in het plangebied aanwezige, natuurwaarden geïnventariseerd en beoordeeld. Tijdens dit veldbezoek was het bewolkt en windig, met 16 graden Celsius. Tijdens het veldbezoek is gekeken naar mogelijke groeiplaatsen dan we
3.
l vaste rust- en verblijfplaatsen van de beschermde flora- en fauna. Dit is uitgewerkt in het hoofdstuk soortbescherming.
4.
Er is een visuele inspectie uitgevoerd op aanwezigheid van kieren, holten en spleten (voor zover aanwezig).
5.
De controle is te voet uitgevoerd en waar mogelijk zijn eventuele toegankelijke holtes en spleten verkennend geïnspecteerd (met zaklamp en/of endoscoop).
6.
Bewijslast is verzameld met fotomateriaal.
7.
De ligging van het plangebied ten opzichte van nabijgelegen beschermde gebieden (Natura 2000 en NNN) werd opgezocht. Dit is uitgewerkt in het hoofdstuk gebiedsbescherming.
8.
In samenspraak met de opdrachtgever is de ingreep in kaart gebracht.
9.
Door middel van een nauwkeurige analyse van deze data en waarnemingen is: a.
bepaald of negatieve effecten op beschermde gebieden op voorhand zijn uit te sluiten of dat hiervoor een aanvullend onderzoek noodzakelijk is,
b.
een inschatting gemaakt van de redelijkerwijs te verwachten negatieve effecten op de (potentieel) aanwezige beschermde soorten en functies,
c.
bepaald of de bescherming van houtopstanden aan de orde is.
10. Er is gebruik gemaakt van de volgende hulpmiddelen (zie verantwoording). 11. De opgestelde rapportage is gecontroleerd en beoordeeld door een tweede lezer.
11
QUICKSCAN 50759 – LELYSTAD
4.3 Toepasbaarheid Deze QuickScan is gericht op de mogelijke overtreding van de Wet natuurbescherming, niet aan andere (natuur)wetgeving. De resultaten van het onderzoek zijn 3 jaar geldig. Dit onderzoek kan voor de opdrachtgever als bewijsstuk dienen dat natuuronderzoek is verricht. Deze rapportage kan dan ook ingediend worden aan belanghebbende partijen zoals gemeente en provincie. Op basis van in de deze rapportage opgenomen projectgegevens (zie hoofdstuk 3; mei 2023) is dit onderzoek uitgevoerd en een inschatting gemaakt van de effecten hiervan op de beschermde soorten en gebieden. Latere wijzigingen van het project kunnen invloed hebben op deze effecten en zijn dus niet opgenomen in deze rapportage. Er zal dan een nieuwe beoordeling plaats moeten vinden. Deze verstrekte natuurinformatie is ten behoeve van de initiatief- en ontwerpfase van de planontwikkeling. Om in de uitvoerings- en beheerfase overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen, wordt – indien nodig- in deze rapportage aangegeven wanneer het noodzakelijk is om te werken volgens één van de volgende standaarden: •
Algemeen zorgvuldig handelen
•
Gedragscode ruimtelijke ontwikkeling
•
Ecologisch werkprotocol
•
Ontheffing/vergunning Wet natuurbescherming
12
QUICKSCAN 50759 – LELYSTAD
5. Gebiedsbescherming 5.1 Natura 2000 In Europa is een netwerk van beschermde gebieden opgezet. Dit zijn de zogenoemde Natura 2000-gebieden. Deze gebieden zijn in de Wet natuurbescherming strikt beschermd. Volgens de Wet natuurbescherming is het volgens artikel 2.7 lid 2 verboden zonder vergunning projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Dit geldt ook voor projecten die fysiek buiten het Natura 2000-gebied gelegen zijn, maar wel een effect kunnen hebben op het gebied (externe werking). Het plangebied ligt op een afstand van de Natura 2000-gebieden De Oostvaardersplassen (2.727 m.) en het Marker- en IJmeer (2.964 m.) (figuur 2 en 3).
Figuur 2 – Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen (2.727 meter)
Figuur 3- Natura 2000-gebied Markermeer en IJmeer (2.964 meter)
13
QUICKSCAN 50759 – LELYSTAD
Het plangebied is gelegen op een afstand van respectievelijk 2.727 en 2.964 meter van de Natura 2000gebieden de Oostvaardersplassen en het Marker- en IJmeer. Overige gebieden liggen op een grotere afstand en worden in deze rapportage niet verder toegelicht. De Oostvaardersplassen De Oostvaardersplassen zijn ontstaan in het voorheen diepste en natste deel van de Zuidelijk Flevoland en werden behouden toen de zich ontwikkelende natuurwaarden aanleiding waren om de bestemming van industriegebied te wijzigen in natuurgebied. De omliggende delen van de polder klonken vervolgens in en om het gebied nat te kunnen houden werd ruim de helft van het gebied in 1976 omgeven door een kade, waardoor hier afzonderlijk peilbeheer mogelijk is. Na wisselingen van waterstanden en verdeling in een westelijk en een oostelijk deel kan het water tegenwoordig bij een hoge waterstand weer vrijelijk stromen en functioneert het bekade deel van het moeras als één geheel. Het waterpeil wordt bepaald door natuurlijke variaties in neerslag en verdamping. In de tweede helft van de jaren negentig is het oostelijke deel van het buitenkaadse gebied vernat en zijn zowel in het westen als in het oosten, aansluitend op het binnenkaadse gebied, uitgebreide complexen van poelen aangelegd. Het Markermeer/ IJmeer Het Markermeer ontstond als gevolg van voltooiing van de Houtribdijk tussen Enkhuizen en Lelystad in 1976.
In luwere en ondiepere delen van het Markermeer, zoals de Gouwzee (het deelgebied tussen het eiland Marken en het vasteland van Noord-Holland dat is aangewezen onder de Habitatrichtlijn) en de kustzone Muiden zijn kranswierbegroeiingen ontstaan. Momenteel bevat het zuidelijk deel van de Gouwzee de grootste oppervlakte aan kranswiervegetatie met sterkranswier in ons land. De kranswieren vormen in de zomer en de herfst een belangrijke voedselbron voor o.a. krooneenden. Belangrijk broedgebied voor visetende watervogels (visdief). Het Markermeer/IJmeer is van belang voor visetende (fuut, aalscholver, nonnetje, grote zaagbek, dwergmeeuw, zwarte stern), mosseletende (kuifeend, tafeleend, topper) en waterplantenetende (krooneend, meerkoet, tafeleend) watervogels. Voor de soorten van de eerste twee categorieën zijn de omstandigheden in de jaren negentig verslechterd door afname van de driehoekmossel in het Markermeer en afname van de spiering in zowel het IJsselmeer als het Markermeer. Het eerste proces is verbonden aan afname van de voedselrijkdom na de aanleg van de Houtribdijk in combinatie met de hoge sliblast, het tweede proces is mogelijk klimaatgerelateerd. Ondanks afname is vooral het aantal kuifeenden en het aantal nonnetjes nog steeds van internationale en grote nationale betekenis.
De betekenis van het gebied voor grote concentraties ruiende watervogels is niet verminderd De Gouwzee heeft een bijzondere betekenis door het voorkomen van een groot veld sterkranswier, waarop door grote aantallen duikende herbivoren (krooneend, tafeleend, meerkoet) wordt gefoerageerd. Conclusie Natura 2000 Gezien de aard van de werkzaamheden, de projectlocatie en de (effect)afstanden (licht, trilling en geluid) tot de Natura 2000-gebieden wordt er geen verstoring of negatieve effecten verwacht op genoemde gebieden.
14
QUICKSCAN 50759 – LELYSTAD
5.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: • • • • •
Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; Alle Natura 2000-gebieden.
Figuur 4- Planlocatie t.o.v. NNN
Conclusie Natuurnetwerk Nederland Aangezien het plangebied is gelegen buiten het NNN van Flevoland of de Groene buffer hiervan en het NNN in Flevoland geen externe werking kent, is nadere toetsing niet aan de orde.
15
QUICKSCAN 50759 – LELYSTAD
5.3 Stikstofdepositie Door de uitspraak van de Raad van State inzake het Programma Aanpak Stikstof kan er geen beroep gedaan worden op de oude regeling PAS. Citaat uit de kamerbrief van 11 juni 2019: ‘Het is duidelijk dat het PAS niet meer gebruikt kan worden als passende beoordeling voor toestemmingsverlening. Dat wil niet zeggen dat alle vergunningverlening daarmee helemaal stil komt te liggen. Met een individuele passende beoordeling die voldoet aan de randvoorwaarden die de Afdeling schetst is dit wel mogelijk. Als gevolg van de uitspraak geldt als voorwaarde bij toestemmingsverlening dat zodanige maatregelen moeten worden getroffen dat verzekerd is dat de stikstofdepositie op daarvoor gevoelige Natura 2000gebieden niet toeneemt. Dat kan door maatregelen verbonden aan de activiteit zelf (intern salderen), of – onder strikte voorwaarden – door saldering met de effecten van beëindiging of beperking van andere activiteiten (extern salderen). Individuele toestemmingsverlening is ook mogelijk op basis van een andere ecologische onderbouwing waaruit blijkt dat de natuurlijke kenmerken van het betreffende Natura 2000gebied niet worden aangetast, ondanks een toename van stikstofdepositie van het betreffende project. Het is aan het betreffende bevoegde gezag om hierover te oordelen. Hierbij is aandacht voor een eenduidige handelwijze tussen de bevoegde gezagen.
Wanneer uit een individuele passende beoordeling niet de vereiste zekerheid kan worden verkregen dat er geen sprake is van aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betrokken Natura 2000-gebied, zal alleen toestemming kunnen worden verleend aan de hand van de ADCtoets. Een toestemming op basis van de ADC-toets kan alleen worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: er zijn geen alternatieve oplossingen (A), het project is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang (met inbegrip van redenen van sociale of economische aard) (D), en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura-2000 bewaard blijft (C). Het resultaat van de compensatie moet in beginsel bereikt zijn op het moment waarop het betrokken gebied schade van het project ondervindt.’ (einde citaat) De afstand tot depositiegevoelige Natura 2000-gebieden (inclusief habitatsoorten) is 2.727/ 2.964 meter. Het gaat hier om het Natura 2000-gebied de Oostvaarderplassen en het Marker- en IJmeer. Er zijn instandhoudingsdoelstellingen voor stikstofgevoelige habitattypen of soorten met stikstofgevoelig leefgebied vastgesteld voor deze Natura 2000-gebieden. Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden in relatie tot de geplande ontwikkelingen wordt een mogelijke toename aan stikstofdepositie verwacht.
Advies/ conclusie Een Aeriusberekening voor de aanleg- en nieuwe gebruiksfase wordt dan ook geadviseerd om aan te tonen dan wel uit te sluiten of er in één of beide fasen stikstofdepositie plaatsvindt.
16
QUICKSCAN 50759 – LELYSTAD
6. Soortbescherming De Wet natuurbescherming kent twee vormen van soortbescherming voor ruimtelijke ontwikkeling gekoppeld aan de juridische status van de soorten: • •
Algemene zorgplicht Zorgvuldig handelen
Algemene zorgplicht Heb respect voor alle wilde flora en fauna en tracht het doden, verontrusten en beschadigen van aanwezige soorten te voorkomen of, indien voorkomen in redelijkheid niet mogelijk is, dit zo veel mogelijk te beperken. Zorgvuldig handelen Deze vorm van soortbescherming is gekoppeld aan soorten met een juridisch beschermde status. Er dient invulling te worden gegeven aan zorgvuldig handelen tijdens de uitvoering van werken die vallen onder ruimtelijke ontwikkeling. Zorgvuldig handelen betreft: 1.
Voorkomen dat schade optreedt aan beschermde planten en dieren (bijvoorbeeld andere projectlocatie kiezen).
2.
Beperken van schade aan beschermde planten en dieren (bijvoorbeeld beschermingszone hanteren rondom een bewoond vogelnest of verplaatsen beschermde planten).
3.
Ongedaan maken van schade aan beschermde planten en dieren:
Preventief: alternatieve verblijfplaats (mitigerende maatregelen) realiseren voordat het werk uitgevoerd wordt (bijvoorbeeld aanleg van een poel voor de gewone pad). Achteraf: opgelegd door het bevoegd gezag indien onzorgvuldig is gehandeld.
6.1 Flora Toetsing aan gebiedsbescherming vindt uitsluitend plaats indien beschermde gebieden in het geding zijn, terwijl toetsing aan de soortbescherming altijd vereist is, zowel binnen als buiten beschermde gebieden. Bevinding veldbezoek Het perceel is nauwkeurig onderzocht op inheemse en uitheemse beschermde vegetatie. Er zijn geen (groeiplaatsen van) beschermde soorten aangetroffen.
17
QUICKSCAN 50759 – LELYSTAD
6.2 Fauna Op de planlocatie is geen bebouwing aanwezig. Het is gedeeltelijk braak en gedeeltelijk graslandschap. Langs de zijden lopen oeverzegges met aan de zuidzijde een struweel ruigte die in een lijn loopt langs de planlocatie. Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen niet aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 500 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels ook niet bekend. Huismus Tijdens het veldbezoek is vastgesteld dat door het ontbreken van bebouwing met pannendak de planlocatie habitatsongeschikt is voor de huismus. Het habitat moet beschikken over struiken, straatgras, zandbaden, water en optische nestlocaties. Een nader onderzoek huismus is niet noodzakelijk. Gierzwaluw De gierzwaluw maakt ook gebruik van menselijke bebouwing als nestplaats. Deze 90- dagenvogel broedt veelal onder dakpannen. Een aantal voorwaarden stelt de gierzwaluw aan zijn nestplaats (kolonie). Een potentiële nestplaats is vrijwel nooit onder de 3 meter te vinden in verband met het aan- en afvliegen en doorgaans ook niet in de onmiddellijke omgeving van bomen. Gierzwaluwen hebben invliegopeningen nodig van ca 55 x 20 mm. De planlocatie is habitatongeschikt voor de gierzwaluw door het ontbreken van bebouwing.
Een nader onderzoek gierzwaluw is niet noodzakelijk. Uilen/ Roofvogels Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van uilen of roofvogels die duiden op het gebruik van verblijfplaatsen of foerageergebied (o.a. braakballen, prooiresten, geplukte vogels, zitplaatsen met uitwerpselen/krijtsporen). Het NDFF geeft ook geen waarnemingen weer. Sporen van uilen, zoals braakballen en meststrepen zijn niet gevonden. Categorie 5 Van de vogels uit categorie 5 (zie tabel 3) kunnen in de omgeving worden verwacht: vink (Fringillidae), pimpelmees (Cyanistes caeruleus), koolmees (Parus major), ekster (Pica pica) Zwarte Roodstaart (Phoenicurus ochruros), en spreeuw (Sturnus vulgaris). Wat betreft de spreeuw kan er buiten het broedseizoen worden geveld omdat dit soort een soort is dat makkelijk uitwijkt naar alternatieve verblijfplaatsen (doorgaans gebouwen). Bonn en Bern Het voorkomen van vogels zoals genoemd in de verdragen van Bonn en Bern kan niet worden uitgesloten. Deze soorten vallen zowel onder het beschermingsregime Vogelrichtlijn als het beschermingsregime Habitatrichtlijn. Voor deze soorten geldt dat ze niet opzettelijk mogen worden verstoord, ongeacht hun staat van instandhouding. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die soorten, nesten, eieren of vaste rust- of verblijfplaatsen beschadigen of verstoren.
Voor werkzaamheden met schadelijke effecten op broedvogels wordt veelal geen ontheffing verleend, omdat het uitvoeren van de werkzaamheden buiten het broedseizoen over het algemeen een goed alternatief vormt. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd, omdat deze per soort
18
QUICKSCAN 50759 – LELYSTAD
en vaak per jaar kan verschillen. Van belang is of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum. Voor de meeste soorten kan de periode tussen half maart en eind juli worden aangehouden als broedseizoen. Advies/ conclusie Ten aanzien van vogels worden geen nadere onderzoeken noodzakelijk geacht.
19
QUICKSCAN 50759 – LELYSTAD
Jaarrond beschermde nesten In onderstaande tabel (volgende pagina) zijn opgenomen de nesten welke door de wetgever jaarrond beschermd zijn. Geen van deze nesten zijn aangetroffen.
Nederlandse naam
Bescherming
Nederlandse naam
Bescherming
Nederlandse naam
Bescherming
Steenuil
Categorie 1
Blauwe reiger
Categorie 5
Kleine vliegenvanger
Categorie 5
Gierzwaluw
Categorie 2
Boerenzwaluw
Categorie 5
Koolmees
Categorie 5 Categorie 5
Huismus
Categorie 2
Bonte vliegenvanger
Categorie 5
Kortsnavelboomkruip er
Roek
Categorie 2
Boomklever
Categorie 5
Oeverzwaluw
Categorie 5
Grote gele kwikstaart
Categorie 3
Boomkruiper
Categorie 5
Pimpelmees
Categorie 5
Kerkuil
Categorie 3
Bosuil
Categorie 5
Raaf
Categorie 5
Oehoe
Categorie 3
Brilduiker
Categorie 5
Ruigpootuil
Categorie 5
Ooievaar
Categorie 3
Draaihals
Categorie 5
Spreeuw
Categorie 5
Slechtvalk
Categorie 3
Eidereend
Categorie 5
Tapuit
Categorie 5
Boomvalk
Categorie 4
Ekster
Categorie 5
Torenvalk
Categorie 5
Buizerd
Categorie 4
Gekraagde roodstaart
Categorie 5
Zeearend
Categorie 5
Havik
Categorie 4
Glanskop
Categorie 5
Zwarte kraai
Categorie 5
Ransuil
Categorie 4
Grauwe vliegenvanger
Categorie 5
Zwarte mees
Categorie 5
Sperwer
Categorie 4
Groene specht
Categorie 5
Zwarte roodstaart
Categorie 5
Wespendief
Categorie 4
IJsvogel
Categorie 5
Zwarte specht
Categorie 5
Zwarte wouw
Categorie 4
Kleine bonte specht
Categorie 5
Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming het gehele seizoen: Categorie 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil). Categorie 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus). Categorie 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk). Categorie 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil). Categorie 5. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd.
Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Indien dit het geval is, is een omgevingscheck benodigd.
20
QUICKSCAN 50759 – LELYSTAD
Vleermuizen Het leefgebied van beschermde vleermuizen (artikel 3.5 Habitatrichtlijn bijlage IV) bestaat uit verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden. In de toelichting vleermuizen (volgende pagina) worden deze onderdelen nader toegelicht. Verblijfplaatsen voor vleermuizen moeten voldoen aan een geschikt microklimaat: temperatuur, verschillende temperaturen binnen één object (gradiënten), snelheid van opwarmen of afkoelen (bufferwaarde) en vochtigheid. Essentieel is dat de verblijfplaats tochtvrij is in verband met de temperatuurregulatie en het voorkomen van uitdroging in de winter. Winterverblijven moeten daarnaast grotendeels vorstvrij zijn. Vleermuizen zijn gevoelig voor licht. Bij een verblijfplaats wordt dan ook niet vaak een lichtbron gevonden. De toegang tot de verblijfplaats, de in- en uitvliegopeningen en de aanvliegroute moet vrij van obstakels zijn. Zoals reeds eerder is beschreven is de planlocatie vrij van bebouwing, dit maakt het habitatsongeschikt voor gebouwbewonende soorten. Een nader onderzoek naar gebouwbewonende vleermuizen wordt niet noodzakelijk geacht. Nabij en op de planlocatie zijn geen bomen aanwezig met vleermuispotentie. Hierbij kan gedacht worden aan holten en loshangende schors.
Eventueel aanwezige soorten zullen geen hinder ondervinden van de geplande ontwikkeling en er zullen geen verblijfplaatsen verloren gaan vanwege eerder genoemde redenen. Schade op onmisbare vliegroutes en foerageergebieden, verblijfplaatsen van vleermuizen kan mogelijk ontstaan wanneer de lijnelementen verdwijnen uit het landschap. Nabij en op de planlocatie zijn deze lijnelementen aanwezig. Echter, deze lijnelementen staan niet in verbinding met andere lijnelementen en staan dus op zichzelf wat het ongeschikt maakt als vliegroute. De bouwingrepen zullen geen effect hebben op foerageergebieden. Deze zullen ook niet verloren gaan. Een nader onderzoek naar foerageergebied en vliegroutes is dus niet noodzakelijk. Het biotoop en habitat laat zich het beste omschrijven door een randstedelijke omgeving. Advies/ conclusie Nader onderzoek naar vleermuizen wordt niet noodzakelijk geacht.
21
QUICKSCAN 50759 – LELYSTAD
Toelichting vleermuizen Verblijfplaats Een object (gebouw, boom, bunker, grot, kast en dergelijke) waarin een of meerdere vleermuizen verblijven (overdag of ’s winters, met enige regelmaat). Zomerverblijfplaats: Een verblijfplaats die gebruikt wordt door vleermuizen die niet in winterslaap zijn waarvan niet aangetoond is dat het een kraamverblijfplaats dan wel een paarverblijfplaats is. Kraamverblijfplaats Een verblijfplaats van een kraamgroep met vrouwtjes met jongen. Paar(verblijf)plaats Een verblijfplaats of de omgeving daarvan, waar ten minste een baltsend mannetje of meerdere vleermuizen overdag verblijven en paren of komen zwermen. Welk gedrag is waar te nemen, is afhankelijk van de soort. Te herkennen aan zwermgedrag en/of baltsroepen. (Zwermen bij het invliegen komt bij meer verblijfsfuncties voor.) Winterverblijfplaats Een verblijfplaats waar in de winter een of meerdere vleermuizen in winterslaap (hybernation) gaan. Het betreft bij soorten die jaarrond in hun leefgebied blijven nogal eens een voormalige paarplaats of een andere verblijfplaats.
Er
zijn
bij
soorten
als
gewone
dwergvleermuis
massa
winterverblijfplaatsen
en
winterverblijfplaatsen voor kleinere groepen te onderscheiden. Vliegroute Een vaste route van een vleermuis of een groep van vleermuizen vanaf een verblijfplaats naar een foerageergebied of tussen verblijfplaatsen visa versa. Migratieroute Een vaste route van zomerleefgebied naar winterverblijfplaats of winterleefgebied en visa versa. Foerageergebied Een gebied waar een vleermuis of een groep van vleermuizen foerageert.
22
QUICKSCAN 50759 – LELYSTAD
Zoogdieren Bever en otter In het plangebied zijn geen sporen van de bever (Castor fiber) of de otter (Lutra lutra) aangetroffen. Echter door de rurale ruigtes en struwelen bij het water aan de zuidzijde van de planlocatie is het gebied een geschikt habitat voor deze soorten. Bij het raadplegen van NDFF kwam ook naar voren dat op en nabij de planlocatie waarnemingen zijn gedaan van de bever en de otter. Gezien deze soorten allebei beschermd zijn wordt een vervolgonderzoek bever en otter noodzakelijk geacht. De bever De bever is een knaagdier, met een lichaamslengte van 70-100 cm., De staart heeft een gemiddelde lengte tussen de 25 en 37 cm. Bevers zijn semi-aquatische knaagdieren wat inhoudt dat deze soort zich graag in het water houdt, maar ook op land. In Flevoland is een grote populatie bevers ontstaan (zie figuur 5). Bevers hebben bij steile, lemige rivieroevers een voorkeur voor holen. Deze holen bestaan uit een nest van 1,2 m breed en 40-50 cm hoog, met een korte gang naar buiten. Bij instort gevaar dekken ze de ingang af met takken. Bij een te harde ondergrond of lage oevers bouwen bevers burchten en/of dammen. Deze constructies bestaan uit natuurlijk materiaal zoals takken, modder en plantenresten. Burchten of dammen worden meestal op oevers of op het water gebouwd.
De populatie in Flevoland is ontstaan door bevers van het Natuurpark Lelystad die uit het park zijn ontsnapt. De populatie is door de jaren heen gestaag toegenomen en valt onder de bescherming van de Wet natuurwet
Figuur 5 – Verspreidingsgegevens bever in Nederland @NDFF 2023.
23
QUICKSCAN 50759 – LELYSTAD
De otter De otter is van de familie marterachtigen en bevindt zich vaak op oevers. De soort heeft zijn jachtgebied met name in het water, waar die jaagt op met name vis. Echter, soms jaagt deze soort ook op klein gevogelte. Naast dat het goede zwemmers zijn kunnen ze zich ook op het land goed voortbewegen. Het is een schuw dier dat met name nachtactief is. Het uiterlijk kenmerkt zich door een donkere, dichte grijsbruine vacht met een per individu verschillend wit vlekkenpatroon rond de lippen. Figuur 6 laat de verspreidingsgegevens van deze marterachtige zien. Het is duidelijk te zien dat de otter in Flevoland voorkomt. Binnen deze provincie wordt deze soort ook wettelijk beschermd.
Figuur 6 – Verspreidingsgegevens otters binnen Nederland @ NDFF 2023.
Hamster, hazelmuis en noordse woelmuis Het verspreidingsgebied van de hamster (Cricetus cricetus) en hazelmuis (Muscardinus avellanarius) is beperkt tot Zuid-Limburg. Voor de noordse woelmuis (Microtus oeconomus) geldt dat deze soort een zeer natte, kruidenrijke vegetatie behoeft en dat de verspreiding zich beperkt tot de lage, natte delen van Nederland. Derhalve kan worden gesteld dat binnen het plangebied geen van de genoemde soorten voorkomen. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Slaapmuizen Het verspreidingsgebied van de eikelmuis (Eliomys quercinus) beperkt zich tot specifieke gebieden in ZuidLimburg. De soort kan voor het plangebied worden uitgesloten. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied.
24
QUICKSCAN 50759 – LELYSTAD
Ware muizen Het verspreidingsgebied van de grote bosmuis (Apodemus flavicollis) beperkt zich tot de oostgrens van Nederland en ligt ver buiten het plangebied. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Voor de overige ware muizen geldt dat zij door de provincie Flevoland voor ruimtelijke ingrepen zijn vrijgesteld van de Wet natuurbescherming. Spitsmuizen Het verspreidingsgebied van de veldspitsmuis (Crocidura leucodon) betreft Twente en Zeeuws-Vlaanderen en ligt derhalve buiten het plangebied. De waterspitsmuis (Neomys fodiens) is gebonden aan schone wateren met een rijke oevervegetatie. Derhalve kan worden gesteld dat beide soorten niet in het plangebied voorkomen. Voor de overige spitsmuizen geldt dat zij door de provincie Flevoland voor ruimtelijke ingrepen zijn vrijgesteld van de Wet natuurbescherming. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Woelmuizen De verspreiding van de molmuis (Arvicola scherman) is beperkt tot Limburg. Sporen zijn van deze soort niet aangetroffen. De planlocatie leent zich dan ook niet voor deze soort. De overige onder dit beschermingsregime vallende woelmuizen zijn door de provincie Flevoland voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld van de Wet natuurbescherming. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied.
Eekhoorn Tijdens het veldbezoek werden geen nesten van de eekhoorn (Sciurus vulgaris) of knaagsporen aangetroffen. De bomen nabij het plangebied zijn onderzocht. Het plangebied vertoont dan ook geen essentiële functie voor de eekhoorn. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Haasachtigen, egel en vos Deze soorten zijn door de provincie Flevoland voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld van de Wet natuurbescherming. Er zijn volgens het NDFF wel waarnemingen van de egel nabij de planlocatie. Geadviseerd wordt om hierbij met de geplande ontwikkeling rekening te houden en hiernaar ook zorgvuldig te handelen. Marterachtigen De planlocatie biedt mogelijk geschikt leefgebied voor marterachtigen. De planlocatie heeft enkele verbindingszones, struwelen en ruigten. Marterachtigen kunnen hier gebruik van maken. Het is dan ook niet uitgesloten dat de boommarter op de planlocatie voorkomt. Het plangebied heeft geen vaste rust-of verblijfplaatsen, maar biedt wel potentie voor de groep marterachtigen. Nader onderzoek naar marterachtigen wordt dan ook noodzakelijk geacht.
Overige zoogdieren De in Nederland voorkomende zoogdieren betreffen of zeezoogdieren of slechts zelden in Limburgse bossen waargenomen soorten (de wilde kat (Felis silvestris) en lynx (Lynx lynx) en de in Nederland gevestigde wolf (Canis lupus)) ofwel in het bos of open veld levende grote hoefdieren. Derhalve kan worden gesteld dat binnen
25
QUICKSCAN 50759 – LELYSTAD
het plangebied geen overige zoogdieren voorkomen. In de diverse databases zijn wel verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied (het ree: capreolus capreolus). Conclusie/ Advies Nader onderzoek naar bever, otter en marterachtigen wordt noodzakelijk geacht.
26
QUICKSCAN 50759 – LELYSTAD
Overige soorten Reptielen, amfibieën en vissen Het plangebied ligt binnen het bereik van beschermde reptielen en amfibieën, namelijk de rugstreeppad en de ringslang. Het aanwezige water nabij de planlocatie ligt aan een glooiende oever, waardoor deze soorten op het plangebied voor kunnen komen. Daarnaast waren er ook moddersporen met stilstaand water aanwezig.( zie figuur 7) met daarnaast zandgronden en weinig vegetatie. Dit is erg aantrekkelijk voor de rugstreeppad die graag vertoeft in ondiep water. Dit maakt het plangebied habitatgeschikt voor deze soort. Tijdens het raadplegen van NDFF kwam ook naar voren dat de rugstreeppad waargenomen is op en nabij de planlocatie.
Figuur 7 – Modderspoor met stilstaand water op de planlocatie
De rugstreeppad De rugstreeppad heeft zijn naam te danken aan de gele streep die over de rug loopt. De soort kenmerkt zich aan een geelbruine of grijze huid met een groen vlekkenpatroon. De wratten zijn vaak roodbruin van kleur en de buik heeft donkere vlekken met een lichte onderkant. Het dier heeft een gemiddelde grote van 10 cm en wordt actief tijdens de schemering.
27
QUICKSCAN 50759 – LELYSTAD
In figuur 8 zijn de verspreiding gegevens van de rugstreeppad te zien. De soort valt binnen provincie Flevoland onder de Wet natuurbescherming. Een nader onderzoek reptielen/amfibieën is dan ook noodzakelijk.
Figuur 8– Verspreidingsgegevens in Nederland van de rugstreeppad @ NDFF 2023
De kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris), gewone pad (Bufo bufo), bruine kikker (Rana temporaria), bastaardkikker (Pelophylax esculentus) en meerkikker (Pelophylax ridibundus) zijn door de provincies voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld van de Wet natuurbescherming. De effectafstanden en invloeden van genoemde soorten zijn dus irrelevant. De ingreep heeft geen invloed op het habitat van deze soorten. De ringslang Zoals eerder aangegeven zijn er op de planlocatie waarnemingen bekend van de rugstreeppad. Echter, bij inventariserend onderzoek kwam naar voren dat ringslang ook is waargenomen. Deze slang is een watergebonden soort en kenmerkt zich door twee duidelijke gele en zwarte vlekken achter de kop. De lengte van kop naar staart is gemiddeld 120 cm, wat het de grootste reptielensoort van Nederland maakt. Het habitat van de ringslang moet water, zandgronden en overgangen klei/veengronden bevatten. Daarnaast jaagt deze slang met name op kleine amfibieën en vissen. Tijdens het veldbezoek aan de planlocatie werden deze habitatseisen wel waargenomen. Figuur 9 geeft de verspreidingsgegevens van de ringslang weer. Hier is duidelijk te zien dat het reptiel voorkomt in o.a. Flevoland. De soort is dan ook strikt beschermd en valt onder de Wet natuurbescherming binnen deze provincie. Een nader onderzoek reptielen/amfibieën is dan ook noodzakelijk.
28
QUICKSCAN 50759 – LELYSTAD
Figuur 9 – Verspreidingsgegevens in Nederland van de ringslang @ NDFF 2023
De beschermde vissen zijn rivieroptrekkende zoutwater soorten die niet of nauwelijks in Nederland worden aangetroffen. De beekdonderpad (Cottus rhenanus), beekprik (Lampetra planeri), elrits (Phoxinus phoxinus) en gestippelde alver (Alburnoides bipunctatus) zijn soorten van schone heldere continu stromende beken en zijn (grotendeels) beperkt tot de provincie Limburg. De beekprik komt ook elders op de hogere zandgronden voor en van de elrits bevindt zich een geïsoleerde populatie op de Veluwe. De kwabaal (Lota lota) is een soort van grote wateren en riviertjes. Dergelijke leefgebieden komen in het plangebied ook niet voor. Derhalve kan worden gesteld dat in het plangebied geen onder dit beschermingsregime voorkomende vissen te verwachten zijn. De ingreep heeft geen invloed op het habitat van deze soorten. Vlinders en libellen In het plangebied komen geen voedselarme wateren of vegetaties voor die geschikt zijn als leefgebied voor onder dit beschermingsregime vallende libellen en dagvlinders. Het voorkomen van deze libellen en vlinders kan daarom redelijkerwijs worden uitgesloten. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Overige ongewervelden Het oeveraas (Palingenia longicauda), de juchtleerkever (Osmoderma eremita) en Bataafse stroommossel (Unio crassus) zijn uit Nederland verdwenen.
Van de vermiljoenkever (Cucujus cinnaberinus) is slechts een populatie nabij Maarheeze (Noord-Brabant) bekend. Omdat veensloten en vennen met schoon water
29
QUICKSCAN 50759 – LELYSTAD
ontbreken in het plangebied kan het voorkomen van andere overige ongewervelden redelijkerwijs worden uitgesloten. Het plangebied bevindt zich buiten het bekende verspreidingsgebied van de Europese rivierkreeft (Astacus astacus) en het vliegend hert (Lucanus cervus). In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Conclusie/ Advies Nader onderzoek naar reptielen/ amfibieën wordt noodzakelijk geacht.
30
QUICKSCAN 50759 – LELYSTAD
6.3 Houtopstanden Op de planlocatie worden geen bomen gekapt zoals bedoeld in het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming. Overtreding op dit onderdeel Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Hoofdstuk 4 in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van houtopstanden. Een bij wet beschermde houtopstand betreft een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend buiten de bebouwde kom, die een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer, of bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Voor het kappen (van een deel) van een beschermde houtopstand geldt meld- (artikel 4.2) en herplantplicht (artikel 4.3). Er geldt een verbod op de kap als het voornemen daartoe niet (maximaal een jaar en minimaal een maand) vooraf is gemeld bij bevoegd gezag. Binnen drie jaar moet dezelfde grond op bosbouwkundig verantwoorde wijze zijn herbeplant. De gemeenteraad stelt de grens bebouwde kom Wet natuurbescherming vast. Het bevoegd gezag is meestal de provincie waar (het grootste deel van) de ingreep plaatsvindt, soms is dat het Rijk. Provinciale staten kunnen in de provinciale verordening regels opnemen over de melding en de herplant, zoals herplant op andere gronden dan waar de (deels) gevelde opstand stond. Deze regel geldt niet voor: 1.
Houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom;
2.
Houtopstanden op erven of in tuinen;
3.
Fruitbomen en windschermen om boomgaarden;
4.
Naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar;
5.
Kweekgoed;
6.
Uit populieren of wilgen bestaande: a.
Wegbeplantingen;
b.
Beplantingen langs waterwegen, en
c.
Eenrijige beplantingen langs landbouwgronden;
7.
Het dunnen van een houtopstand;
8.
Uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: a.
Ten minste eens per tien jaar worden geoogst;
b.
Bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en
c.
Zijn aangelegd na 1 januari 2013.
31
QUICKSCAN 50759 – LELYSTAD
Verantwoording Literatuur/ bronnen •
Wet natuurbescherming
•
Omgevingsverordening
•
Fauna inventarisatie, Rik Schoon
•
150416_Rapport_Effectafstanden_Natura_2000.pdf
Materiaal •
Camera
•
Zaklamp
•
Thermometer
•
Windmeter
•
Verrekijker
•
Endoscoop
•
Ladder (5 meter)
•
UV lamp
Internet •
www.rvo.nl
•
www.bij12.nl
•
wwww.verspreidingsatlas.nl
•
www.zoogdiervereniging.nl
•
www.ndff.nl
•
www.synbiosys.alterra.nl/natura2000
•
https://atlasnatuurlijkkapitaal.nl/kaarten
•
www.natura2000.nl
•
https://www.infomil.nl
32
QUICKSCAN 50759 – LELYSTAD
•
https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/bever
•
https://www.faunabeheereenheid.nl/diersoorten/diersoorten-nederland/bever
•
https://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie/rugstreeppad
•
https://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie/ringslang
33
QUICKSCAN 50759 – LELYSTAD
Bijlagen
Groningen
Friesland
Drente
Overijssel
Flevoland
Gelderland
Utrecht
Noord- Braband
Zuid-Holland
Zeeland
Noord-Holland
Limburg
Ministerie EZ(AmvB RN art. 3.31)
Vrijgestelde soorten per provincie
Aardmuis
Microtus agrestis
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Bosmuis
Apodemus sylvaticus
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Bunzing
Mustela putorius
Dwergmuis
Micromys minutus
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Dwergspitsmuis
Sorex minutus
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Egel
Erinaceus europaeus
x
x
x
x
x
x
x
x
Eekhoorn
Sciurus vulgaris
Gewone bosspitsmuis
Sorex araneus
Haas
Lepus europeus
Hermelijn
Mustela erminea
Huisspitsmuis*
Crocidura russula
x
x
Konijn
Oryctolagus cuniculus
x
x
Molmuis
Arvicola scherman
Ondergrondse woelmuis
Pitymys subterraneus
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Ree
Capreolus capreolus
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Rosse woelmuis
Clethrionomys glareolus
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Steenmarter
Martes foina
Tweekleurige bosspitsmuis
Sorex coronatus
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Veldmuis*
Microtus arvalis
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Vos
Vulpes vulpes
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Wezel
Mustela nivalis
x
x5 x
x
x
Wild zwijn
Sus scrofa
Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Zoogdieren
Woelrat
Sus scrofa
x5 x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x5 x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x2
x
x x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Amfibiën en reptielen Bruine kikker
Rana temporaria
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Gewone pad
Bufo bufo
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Hazelworm
Anguis fragilis
Kleine watersalamander
Lissotriton vulgaris
Levendbarende hagedis
Zootoca vivipara
Meerkikker
Pelophylax ridibundus
x3 x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x4 x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Middelste groene kikker / bastaardkikker Pelophylax klepton esculentus x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
* voor deze soorten daarnaast algemene vrijstelling in/op gebouwen en bijbehorende erven Wnb 3.10 3e lid x1 = vrijstelling geldt in de periode maart- april en juli tot en met november x2 = vrijstelling geldt in de periode 15 augustus tot en met februari x3 = vrijstelling geldt in de periode juli, augustus en september x4 = vrijstelling geldt in de periode 15 augustus tot en met 15 oktober x5 = de vrijstelling voor deze soorten wordt ingetrokken met de inwerkingtreding van de Omgevingsverordening 2022
34