CConstaterende datLelystad
Koppel je AI →
Document · PDF

BL Bestemmingsplan Campus Zuid fase 1 Toelichting VG 230323 incl bijlage

Raadsvergadering 30 mei 2023, gemeente LelystadBij agendapunt: 79. Bestemmingsplan Campus Zuid fase 112.944 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan Campus Zuid fase 1

Vastgesteld

Bestemmingsplan Campus Zuid fase 1

1

Bestemmingsplan Campus Zuid fase 1 IMRO code NL.IMRO.0995.BP00095-VG01 Opdrachtgever Gemeente Lelystad Versiebeheer Concept ontwerp 19 augustus 2022 Ontwerp t.b.v. tervisielegging 23 november 2022 Vastgesteld 23 maart 2023 Opdrachtnemer Axon Adviseurs bv Bestemmingsplan Campus Zuid fase 1

2

Inhoudsopgave TOELICHTING 1.

2.

3.

4.

5.

INLEIDING ........................................................................................................................................ 1 1.1

Ligging en begrenzing plangebied ........................................................................................... 2

1.2

Huidige planologische situatie ................................................................................................ 3

1.3

Procedure ................................................................................................................................ 3

1.4

Leeswijzer ................................................................................................................................ 3

OMSCHRIJVING PLANGEBIED .......................................................................................................... 4 2.1

Huidige ruimtelijke situatie ..................................................................................................... 4

2.2

Stedenbouwkundige opzet Lars en Lily ................................................................................... 5

2.3

Toekomstige invulling na 15 jaar ............................................................................................. 7

2.4

Welstand en beeldkwaliteit..................................................................................................... 8

BELEIDSKADER ................................................................................................................................. 9 3.1

Rijk ........................................................................................................................................... 9

3.2

Provincie ................................................................................................................................ 10

3.3

Gemeente .............................................................................................................................. 11

OMGEVINGSASPECTEN ................................................................................................................. 13 4.1

Milieueffectrapportage ......................................................................................................... 13

4.2

Verkeer en parkeren.............................................................................................................. 13

4.3

Geluid .................................................................................................................................... 14

4.4

Luchtkwaliteit ........................................................................................................................ 15

4.5

Stikstof ................................................................................................................................... 16

4.6

Bodem ................................................................................................................................... 16

4.7

Milieuzonering....................................................................................................................... 18

4.8

Externe Veiligheid.................................................................................................................. 19

4.9

Trillingshinder ........................................................................................................................ 20

4.10

Water ..................................................................................................................................... 20

4.11

Archeologie en cultuurhistorie .............................................................................................. 28

4.12

Ecologie ................................................................................................................................. 29

4.13

Kabels en leidingen................................................................................................................ 31

PLANBESCHRIJVING ....................................................................................................................... 32 5.1

Algemeen............................................................................................................................... 32

Bestemmingsplan Campus Zuid fase 1

3

5.2 6.

Toelichting op de bestemmingen .......................................................................................... 32

UITVOERBAARHEID........................................................................................................................ 35 6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................... 35

6.2

Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................... 36

Bijlage 37 Bijlage 1 Overlegreacties 3.1.1. Bro…………………..…………………………………………………………………………….37

1.

INLEIDING

In 2020 en 2021 is onder de projectnamen ‘Wonen bij LARS’ en ‘Wonen bij LILY’ de bouw van de wooncomplexen via een Wabo procedure vergund 1). De tijdelijke ontwikkeling betreft twee complexen met in totaal 5 woongebouwen. De projecten zijn inmiddels gerealiseerd. In totaal betreft het 299 appartementen (1, 2 en 3 kamerappartementen), inclusief paviljoens met ondersteunende voorzieningen en parkeerplaatsen. Zie figuur 1 voor een impressie, gezien vanaf de Larserdreef. De wooncomplexen zijn ontwikkeld door (woning)corporatie Centrada, in afstemming met de gemeente Lelystad. Hiermee is voorzien in een specifieke behoefte aan flexibele huisvesting in de vorm van mid-stay voorzieningen c.q woningen. Dit zijn huurwoningen die kunnen voorzien in de huisvestingsbehoefte van diverse aan Lelystad gebonden sociale doelgroepen, met name spoedzoekers en statushouders.

Figuur 1: impressie van het complex. Zicht op het project ‘Wonen bij LARS’ vanaf de Larserdreef

De wooncomplexen hebben een tijdelijk karakter. Ze zijn voor een periode van maximaal 15 jaar toegestaan. Deze tijdelijkheid is in de beschikking van de afgegeven omgevingsvergunningen voor de bouw van de wooncomplexen als voorwaarde gesteld. Na afloop van de gestelde termijn dienen deze complexen te worden verwijderd. Het is de wens van Centrada om direct na afloop van deze periode het gebied een definitieve invulling met woningbouw te geven. Dit bestemmingsplan maakt het mogelijk om - na het verwijderen van de tijdelijke complexen van Lars en Lily - de tijdelijke situatie op te heffen en daarvoor in de plaats onder voorwaarden een definitieve woningbouwontwikkeling mogelijk te maken. Daarmee wordt op termijn een toekomstbestendige stedenbouwkundige invulling van dit gebied gewaarborgd, die passend is binnen de grotere ontwikkeling van Campus Zuid. Deze definitieve invulling vraagt om maatwerk en bijbehorende randvoorwaarden. Omdat het vigerende bestemmingsplan niet in dit maatwerk en randvoorwaarden voorziet, is ervoor gekozen een nieuw bestemmingsplan voor deze locatie op te stellen. 1)

Gemeente Lelystad, reguliere procedure Chw, omgevingsvergunning 1033, De Valk 1 t/m 153 d.d. 4 september 2020 en omgevingsvergunning 3074, De Sperwer 1 t/m 148, d.d. 4 juni 2021.

Bestemmingsplan Campus Zuid fase 1

1

1.1 Ligging en begrenzing plangebied Op figuur 2 is de situering van het plangebied in de omgeving weergegeven. Het plangebied bevindt zich in de hoek van de Larserdreef en de Valkendreef in Lelystad. Het plangebied is onderdeel van de Campuszone en is gesitueerd in het deel van deze zone dat ook wel wordt aangeduid als Campus Zuid.

Figuur 2: ligging van het plangebied Campus Zuid fase 1 in Lelystad

De plangrens van het bestemmingsplan is gebaseerd op meerdere uitgangspunten. Zie figuur 3. De noordelijke plangrens sluit aan op het naastgelegen bestemmingsplan Lelystad Midden West. De oostelijke plangrens ligt tegen de bestemming van de Valkendreef aan. De westelijke plangrens wordt bepaald door de geprojecteerde snelfietsverbinding Lelystad-Almere en de zuidelijke plangrens wordt bepaald door de bestaande en gerealiseerde terreinbegrenzing van Lily.

Figuur 3: begrenzing van het plangebied Campus Zuid fase 1

Bestemmingsplan Campus Zuid fase 1

2

1.2 Huidige planologische situatie Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Warande fase 1’, dat op 24 november 2009 is vastgesteld door de gemeenteraad van Lelystad. In dit bestemmingsplan zijn aan de gronden in het plangebied de bestemmingen ‘Gemengd-1 - uit te werken bestemming’ en ‘Gemengd-2 - uit te werken bestemming’ toegekend. Zie figuur 4. Deze bestemming geeft ruimte voor de bouw van woningen, maatschappelijke voorzieningen en de aanleg van groen, water en verkeersfuncties. Op basis van dit bestemmingsplan konden de complexen Lars en Lily niet worden gerealiseerd. Om de appartementen wel mogelijk te maken, is in 2020 en 2021 voor de bouw van de beide wooncomplexen op grond van artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3 van de Wabo van het bestemmingsplan afgeweken. Voor ieder complex is op grond van de regeling uitvoering Crisis en herstelwet een omgevingsvergunning verleend. De omgevingsvergunning is verleend voor een tijdelijke instandhouding van 15 jaar, gerekend vanaf de data waarop de beschikkingen voor de verleende omgevingsvergunningen zijn afgegeven: -

omgevingsvergunning 1033, De Valk 1 t/m 53 (Lars) d.d. 4 september 2020; omgevingsvergunning 3074, De Sperwer 1 t/m 148 (Lily), d.d. 4 september 2021.

Figuur 4: uitsnede bestemmingsplan Warande fase 1

1.3 Procedure De wijziging van de planologische situatie voor dit plangebied wordt mogelijk gemaakt door middel van het voorliggende nieuwe bestemmingsplan (artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening, Wro).

1.4 Leeswijzer Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van de huidige situatie, de gewenste ontwikkelingen en ruimtelijke inpassing daarvan. In hoofdstuk 3 worden de uitgangspunten getoetst aan het, voor het project relevante, beleid op de verschillende niveaus. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de omgevingsaspecten. Vervolgens geeft hoofdstuk 5 een toelichting op het juridische gedeelte van het bestemmingsplan: de regels en de verbeelding (kaart). De maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van plan is in hoofdstuk 6 gegeven.

Bestemmingsplan Campus Zuid fase 1

3

2.

OMSCHRIJVING PLANGEBIED

2.1

Huidige ruimtelijke situatie

Campuszone Het plangebied is onderdeel van de Campuszone. De Campuszone is gelegen ten zuiden van het stadshart. Campus betekent in het latijn ‘open veld’. Het is een parkachtig autoluw gebied, met alzijdige gebouwen met een relatief grote maat. Deelgebied Campus Noord bevat naast woon- en kantoorgebouwen ook het ziekenhuis St. Jansdal, dat momenteel wordt herontwikkeld. De nieuwe onderwijscampus Porteum heeft een plek gekregen in deelgebied Campus Midden. Het jongste deel van de Campuszone is Deelgebied Campus Zuid en begint ten zuiden van de Larserdreef. In dit deel van de Campuszone zijn clusters van semi- permanente woongebouwen in een groen landschap gerealiseerd. Een ‘MRA-snelfietsroute’ vanaf het stadshart richting Almere zal de structuurdrager worden van de openbare ruimte. De Campuszone wordt doorontwikkeld voor onderwijs – en sportvoorzieningen (VO, MBO en HBO), het ziekenhuis en daaraan gerelateerde zorgvoorzieningen en woongebouwen. In het Ontwikkelingsplan 2003 is reeds rekening gehouden met de ontwikkeling van Campus Zuid. Dit Ontwikkelingsplan is in 2009 echter geactualiseerd, waarbij de omvang van Campus Zuid is teruggebracht naar bijna 23 hectare. Inmiddels wordt het Ontwikkelingsplan uit 2009 opnieuw geactualiseerd tot een nieuw masterplan voor Lelystad Zuid.

Deze visie gaat onverminderd uit van het doortrekken van de Campuszone ten zuiden tussen Larserdreef en tussen de spoorlijn en de Valkendreef. Het gebied zal plek bieden aan wonen en werkgelegenheid (bedrijven). Daarnaast wordt een sterkere verwevenheid gezocht tussen stad en natuur, door ruimte te bieden aan groen, recreatie en waterberging. De kavels van Lars en Lily passen in deze structuur. Stedenbouwkundige structuur Lars en Lily In de plannen is al rekening gehouden met de tijdelijke woningbouw van Lars en Lily. Lars als Lily vormen ieder een wooneiland. Beide eilanden zijn bereikbaar vanuit een nieuwe afrit van de Valkendreef. Aansluitend op deze afrit is een parallelweg gerealiseerd waar de diverse wooneilanden op aangetakt worden. Nieuw aangelegde watergangen zorgen voor een goede afbakening van de wooneilanden en een heldere stedenbouwkundige structuur. Deze watergangen zijn deels ter compensatie van de nieuwbouw van de huurwoningen aan de Grietenij en de Doelen in Campus Midden en deels voor de benodigde waterberging vanwege de tijdelijke woningbouw van Lars en Lily. De bereikbaarheid per fiets is via een nieuw fietspad langs de Valkendreef. Tussen Lars en Lily is ruimte voor een toekomstige fietsverbinding. Deze fietsverbinding wordt opportuun zodra de Metropolitane fietsroute tussen Lelystad en Almere door Campus Zuid wordt aangelegd.

Laatstgenoemde fietsroute wordt in dat geval de hoofdfietsroute door Campus Zuid.

Bestemmingsplan Campus Zuid fase 1

4

2.2

Stedenbouwkundige opzet Lars en Lily

In het plangebied van dit bestemmingsplan staan twee appartementencomplexen. De projectnaam van deze complexen is ‘Lars’ en ‘Lily’. Lars Het complex ‘Lars’ bestaat uit 3 woongebouwen en een paviljoen (zie figuur 5): woongebouw 1 met in totaal 52 appartementen, waarvan 20 met twee en 32 met één kamer. Het woongebouw bestaat uit vier bouwlagen. woongebouw 2 met in totaal 50 appartementen, waarvan 20 met twee en 30 met één kamer. Het woongebouw bestaat uit vijf bouwlagen. woongebouw 3 met in totaal 50 appartementen, waarvan 20 met twee en 30 met één kamer. Dit woongebouw bestaat uit 5 bouwlagen. een paviljoen met (onder andere) een ontmoetingsruimte, beheerderskamer en wasserette. Dit paviljoen is centraal gelegen in het midden van het complex, tussen de drie woongebouwen. Het paviljoen heeft één bouwlaag. De woongebouwen zijn opgebouwd uit op elkaar gestapelde, demontabele modules. Door de modulaire bouw zijn de gebouwen na 15 jaar eenvoudig opnieuw te gebruiken. De gebouwen worden niet aangesloten op het gasnet en op daken liggen zonnepanelen.

Figuur 5: woongebouwen en paviljoen ‘Lars’. Lily Het complex ‘Lily’ bestaat uit 2 woongebouwen, een paviljoen en overdekte fietsenstallingen (figuur 6): woongebouw A met in totaal 95 appartementen, waarvan 62 met twee en 33 met drie kamers. Het L-vormige woongebouw bestaat deels uit 4 en deels uit 5 bouwlagen; woongebouw B met in totaal 52 appartementen, waarvan 36 met één kamer, 8 met twee kamers en 8 met drie kamers. Dit is een 4-laags woongebouw. een paviljoen met gezamenlijke functies, waaronder een ontmoetingsruimte, beheerderskamer en wasserette. Dit paviljoen is centraal gelegen. Het paviljoen heeft één bouwlaag.

Bestemmingsplan Campus Zuid fase 1

5

-

twee overdekte fietsenstallingen voor de toekomstige bewoners, met een gezamenlijke oppervlakte van circa 187 m2. De fietsenstallingen hebben beide één bouwlaag en zijn centraal gelegen.

Figuur 6: woongebouwen, paviljoen en fietsenstallingen ‘Lily’ In totaal is voor de beide complexen tezamen circa 9.661m2 verhard voor met name de woongebouwen en infrastructuur en bestrating. Voor circa 5.067 m2 is halfverharding voor parkeerplaatsen aangebracht. Binnen het plangebied is circa 5.572 m2 groen aangebracht. Parkeren en verkeer De gebouwen zijn ontsloten op de Valkendreef. Het parkeren vindt op eigen terrein plaats. Woningtypen In de tijdelijke woongebouwen zijn verschillende typen appartementen aanwezig: Lars •

Eénkamerappartementen met een oppervlakte van circa 22 m2.

•

Tweekamerappartementen met een oppervlakte van circa 36 m2.

•

Eénkamerappartementen met een oppervlakte van circa 22 m2.

•

Tweekamerappartementen met een oppervlakte van circa 36 m2.

•

Driekamerappartementen met een oppervlakte van circa 50 m2.

Lily

De appartementen voorzien in een specifieke behoefte aan flexibele huisvesting in de vorm van mid-stay huurwoningen. Dit zijn huurwoningen die kunnen voorzien in de huisvestingsbehoefte van diverse aan Lelystad gebonden sociale doelgroepen, met name spoedzoekers en statushouders.

Bestemmingsplan Campus Zuid fase 1

6

Onder mid-stay en spoedzoekers wordt daarbij respectievelijk het volgende verstaan: •

•

zelfstandige, verplaatsbare dan wel permanente woningen waarvoor tijdelijke huurcontracten worden uitgegeven (voor zover mogelijk conform huidige wetgeving). Bedoeld voor de doelgroepen: spoedzoekers, EU-werkers, jonge Lelystedelingen (waaronder studenten), vergunninghouders, uitstroom van personen vanuit Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang, etc. een persoon die door omstandigheden dringend woonruimte nodig heeft, maar nog niet lang genoeg ingeschreven staat of zich uit voorzorg heeft kunnen inschrijven voor een reguliere sociale huurwoning.

De complexen vallen niet onder reguliere woningbouw, maar vormen een flexibele woonvorm waaraan vanuit verschillende, specifieke doelgroepen behoefte is (en die op dit moment in Lelystad onvoldoende aanwezig is). Het uitgangspunt is dat bewoners hier relatief kort (2 tot 5 jaar) verblijven, om daarna door te stromen naar een reguliere huur- of koopwoning. Dat geen sprake is van een reguliere (sociale) huurwoning blijkt bijvoorbeeld ook uit het gegeven dat de inschrijftijd van woningzoekenden geen rol speelt bij de woningtoewijzing.

2.3

Toekomstige invulling na 15 jaar

De gebouwen van Lars en Lily zijn tijdelijk. Uiterlijk op 4 september 2035 (Lars) en 4 juni 2036 (Lily) zijn de bestaande gebouwen verwijderd en is er in het plangebied ruimte voor een definitieve invulling met woningbouw. Uitgangspunten voor deze nieuwe ontwikkeling zijn: -

-

-

-

-

-

na verwijdering van alle bestaande gebouwen en gebouwen die deel uitmaken van de complexen Lars en Lily, kunnen in totaal maximaal 148 woningen worden teruggebouwd; de 148 woningen worden in gestapelde bouw uitgevoerd. Deze volumes worden binnen het in dit bestemmingsplan opgenomen bouwvlak gepositioneerd; de mix van woningtypen draagt bij aan de woningbehoefte; de maximale bouwhoogte van de toekomstige bebouwing mag maximaal de in dit bestemmingsplan opgenomen bouwhoogte bedragen. Dit komt overeen met de hoogste bouwhoogte van de bestaande bebouwing, namelijk 16 meter; bij de nieuwe verkaveling wordt uitgegaan van bouwblokken met binnenhoven waar het parkeren wordt afgewikkeld en representatieve gevels worden georiënteerd op de omringende openbare ruimte; de bebouwing voegt zich in de beoogde campusstructuur van Campus Zuid. Het landschap is de groene drager voor de nieuwe bouwblokken. De ruimten rondom de nieuwe bouwvolumes vormen onderdeel van de groene campusstructuur, waarin fietspaden, recreatief medegebruik en waterpartijen gerealiseerd kunnen worden; de nieuwe invulling voldoet aan alle wettelijke vereisten (o.a. Wet natuurbescherming, Wet geluidhinder etc).

Bestemmingsplan Campus Zuid fase 1

7

2.4

Welstand en beeldkwaliteit

Het gemeentelijk welstandsbeleid is vastgelegd in de ‘Welstandsnota 2015 Lelystad geeft ruimte kwaliteit’. Na de sloop van de tijdelijke bebouwing worden bouwplannen voor een nieuwe invulling met maximaal 148 woningen ontwikkeld. In een vroeg stadium wordt hiervoor een nieuw beeldregieplan opgesteld, en als onderdeel van de Welstandsnota door de gemeente vastgesteld. Daarbij worden de uitgangspunten uit paragraaf 2.3. betrokken.

Bestemmingsplan Campus Zuid fase 1

8

3.

BELEIDSKADER

Dit hoofdstuk bevat een beschrijving van het voor het plangebied van toepassing zijnde beleid, zowel van het rijk, provincie als de gemeente. Wanneer van toepassing, wordt aangegeven of dit beleid nadere uitgangspunten voor de gewenste ontwikkeling in het plangebied oplevert.

3.1

Rijk

Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is een onderdeel van de nieuwe Omgevingswet. Met de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving in Nederland. Het ontwerp van de NOVI richt zijn op vier prioriteiten. Deze onderwerpen hebben onderling veel met elkaar te maken en ze hebben gevolgen voor hoe we onze fysieke leefomgeving inrichten: ruimte maken voor de klimaatverandering en energietransitie; de economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden; onze steden en regio's sterker en leefbaarder maken; het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen. De Omgevingsvisie geeft geen specifieke beleidskaders voor individuele woonprojecten. De conclusie is dat voor de onderhavige planontwikkeling geen rijksbelangen zijn gemoeid. Ladder duurzame verstedelijking Voor het bepalen van de behoefte aan het project is de Ladder voor Duurzame Verstedelijking (hierna te noemen: de Ladder) doorlopen. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Deze ladder bestaat uit twee treden en is bedoeld als hulpmiddel bij een zorgvuldige afweging van ruimtelijke en infrastructurele besluiten.

Het doorlopen van de Ladder heeft als doel het realiseren van een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een acceptabel woonen leefklimaat en een duurzaam ruimtegebruik. De Ladder is van toepassing op woningbouwplannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij het bepalen of en hoe de Ladder moet worden toegepast, zijn de volgende aspecten van belang: Geen stedelijke ontwikkeling, ligging in bestaand stedelijk gebied Er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Op basis van de vigerende uitwerkingsmogelijkheid die het bestemmingsplan biedt én de verleende omgevingsvergunningen voor de wooncomplexen zijn op deze locatie reeds woningen toegestaan. Er is sprake van bestaand stedelijk gebied. De onderbouwing van de aantallen woningen en de behoefte, is in het kader van de verleende omgevingsvergunningen voldoende gegeven. Wanneer de tijdelijke bebouwing wordt gesloopt en daarvoor in de plaats maximaal 148 woningen worden gerealiseerd, is per saldo sprake van een afname van het aantal woningen (van 300 naar 148). Er is in dat geval sprake van de herontwikkeling van bestaand stedelijk gebied. Conclusie: de Ladder duurzame verstedelijk is niet van toepassing.

Bestemmingsplan Campus Zuid fase 1

9

3.2

Provincie

Omgevingsvisie FlevolandStraks (2017) De Omgevingsvisie FlevolandStraks (Samen maken we Flevoland) die op 8 november 2017 door Provinciale Staten is vastgesteld, geeft de langetermijnvisie van de provincie Flevoland op de toekomst van dit gebied. Het gaat over de periode tot 2030 en verder. Er zijn drie kernopgaven: Het Verhaal van Flevoland (fysieke omgeving), Krachtige Samenleving (sociaal-economische omgeving) en Ruimte voor Initiatief (bestuurlijke omgeving). Deze opgaven vormen de kern voor alle ontwikkelingen waar de provincie Flevoland bij betrokken is. Zowel voor de strategische opgaven uit de Omgevingsvisie, als andere vraagstukken van de provincie Flevoland. De Omgevingsvisie geeft geen specifieke beleidskaders voor individuele woonprojecten. Bij het onderhavige plangebied zijn geen provinciale belangen gemoeid. Omgevingsprogramma Flevoland (2019) Dit Omgevingsprogramma anticipeert op de toekomstige Omgevingswet, waarin staat dat een provincie moet beschikken over een programma. Daarin is al het beleid voor ontwikkeling, gebruik, beheer, bescherming of behoud van de fysieke leefomgeving gebundeld. Daarmee zijn beleidskeuzes compact en de samenhang geborgd. Het programma bindt alleen de provincie, maar gemeenten en waterschappen moeten er bij het maken van plannen of beleid wel rekening mee houden.

Het programma bestaat uit het onderdeel A Ruimte: doel is een goede woon-, werk- en leefomgeving. Grootschalige ontwikkelingen mogen, omdat in omliggende regio's daarvoor geen ruimte is. Voorwaarde is een evenwichtige ontwikkeling. Bereikbaarheid, voorzieningenniveau en werkgelegenheid moeten worden verbeterd. Voor het stedelijk gebied geldt dat wordt ingezet op de ontwikkeling van vitale steden en dorpen. Kern van het beleid is: efficiënt ruimtegebruik, versterking van het draagvlak voor voorzieningen, nieuwe solitaire clusters buiten stedelijk gebied zijn in beginsel niet toegestaan, tenzij het een kwaliteitsimpuls betreft. Op het gebied van wonen is meer differentiatie nodig (starters, ouders, alleenstaanden), met het kwaliteitsbehoud van bestaande de woningvoorraad. Het onderhavige plan wijkt niet af van het omgevingsprogramma Flevoland (2019). Omgevingsverordening Flevoland (2019) De provincie wil anticiperen op de Omgevingswet en daarom is de omgevingsverordening opgesteld. Dit betekent dat alle regels met betrekking tot omgevingsrecht (in dit geval de provinciale) in één regeling worden gebundeld.

De verordening bestaat uit drie soorten regels: algemene regels en vergunningstelsels gericht op burgers, regels gericht tot bestuur zoals omgevingswaarden en beoordelingsregels voor aanvragen en als derde instructieregels over uitoefening van taken en bevoegdheden door gemeenten en waterschappen. De Omgevingsverordening ziet net als de Omgevingswet op alle regels inzake de fysieke leefomgeving (bouwen, infra, water, bodem, lucht, landschap, natuur en cultureel erfgoed). Het onderhavige plan wijkt niet af van de Omgevingsverordening Flevoland (2019).

Bestemmingsplan Campus Zuid fase 1

10

3.3

Gemeente

Structuurvisie Lelystad 2023 en Omgevingsvisie (september 2021) De gemeenteraad van Lelystad heeft in januari 2014 de 'Structuurvisie Lelystad 2023' vastgesteld. Het is een actualisatie van het uit 2005 daterende 'Structuurplan Lelystad 2015'. Het Structuurplan heeft een looptijd van 25 jaar, waarbij gedurende de periode tot 2015 hoofdzakelijk uitvoering zal worden gegeven aan het vastgestelde beleid. De onderhavige ontwikkeling past in de beleidsuitgangspunten van de Structuurvisie. Ter voorbereiding op de Omgevingswet heeft de gemeente Lelystad de Omgevingsvisie Lelystad 2040 ‘Sterke stad in de regiohoofdstad van de nieuwe natuur’ vastgesteld (22 juni 2021). Lelystad wil haar inwoners een steeds aantrekkelijkere en groene woonomgeving in een bruisende stad bieden. De ambitie is dat Lelystad een sterke stad in de regio en Hoofdstad van de Nieuwe Natuur wordt. Lelystad gaat zich de komende jaren onvermoeid inzetten om voor haar toekomstige 100.000 inwoners een economisch sterke, groene en gezonde leefomgeving te ontwikkelen. Lelystad gaat voor groene verstedelijking. De nieuwbouw en transformatie van de bestaande stad wordt gericht ingezet op selectieve plekken waar de maatschappelijke en economische meerwaarde het grootst is en bijdragen aan het in balans brengen van de stad. Met het woningbouwprogramma en transformatieopgave sluit Lelystad aan op diverse ambities.

Huidige inwoners wordt een beter perspectief op een wooncarrière (zowel starten als doorstromen) geboden. En ook op de ruimtelijke kwaliteiten van de stad (Hoofdstad van de Nieuwe Natuur) en op het economisch profiel van onze stad. Het onderhavige project past in deze ambitie. Woonvisie 2022-2027 Een leven lang wonen in Lelystad Op 8 maart 2022 heeft de gemeenteraad de nieuwe woonvisie vastgesteld. In de woonvisie staan de belangrijkste afspraken voor het woonbeleid. Er staan opgaven in voor onder meer de groeiambitie, de bestaande stad, betaalbaarheid en beschikbaarheid, duurzaamheid en wonen en zorg. Met de nieuwe Woonvisie streeft de gemeente Lelystad naar een versnelde kwalitatieve groei van de stad met de juiste woning op de juiste plek en wijken met alle voorzieningen die daarbij horen. De komende jaren wordt ingezet op veel verschillende woningen om nieuwe inwoners en bedrijvigheid aan zich te binden. Voor de bestaande stad wil de gemeente de kwaliteit van woningen en de woonomgeving verbeteren. Ook gaat Lelystad experimenteren en ruimte bieden voor innovatieve architectuur en duurzame bouwstijlen en zorgt het voor een gevarieerd aanbod aan woonvoorzieningen met passende zorg.

Het onderhavige bestemmingsplan draagt bij aan de in de woonvisie beschreven ambities en woonopgaven, o.a.: Voldoende betaalbaar aanbod Mogelijkheden voor wooncarrière en doorstroming Differentiatie in doelgroepen inzet op sociale sector: zoekduur verkorten

Bestemmingsplan Campus Zuid fase 1

11

Welstandsnota (2015) De gemeente Lelystad heeft haar welstandsbeleid vastgelegd in de Welstandsnota, Lelystad geeft ruimte kwaliteit (2015). Voor een nieuwe invulling wordt een nieuw beeldregieplan opgesteld. Dit is als voorwaarde in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen. Actieplan Duurzaamheid 2021-2024 In 2016 heeft de gemeenteraad de Kadernota Duurzaamheid vastgesteld. In deze kadernota zijn de langjarige doelen beschreven die leiden tot een duurzamer Lelystad. Een jaar later is eveneens door de gemeenteraad het Uitvoeringsplan Duurzaamheid 2017-2020 vastgesteld. Daarin zijn speerpunten met projecten benoemd die bijdragen aan het behalen van de doelstellingen. Tegelijkertijd heeft de raad middelen beschikbaar gesteld om deze doelen te behalen. Als vervolg hierop is het Actieplan Duurzaamheid 2021-2024 vastgesteld. Geconstateerd is dat de door de raad vastgestelde kaders van 2016 nog actueel zijn en de middelen om deze te kunnen behalen vooralsnog toereikend zijn Lelystad wil de stad zodanig inrichten dat deze vanuit economisch, ecologisch en menselijk oogpunt gezond, aantrekkelijk en toekomstbestendig is. In een gezonde stad is ruimte voor duurzame energie-, water-, voedsel-, grondstoffen- en afvalkringlopen. Daarbij wordt gestreefd naar een samenhangende duurzame ontwikkeling met een betere balans tussen economie, ecologie en de mens.

Het duurzaamheidsbeleid van Lelystad focust op zes speerpunten: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

energie: meer energiebesparing en meer duurzame energie; afval en circulaire economie: meer scheiden, minder restafval en van afval naar grondstof; voedsel: meer consumptie van gezonde lokale producten en minder voedsel weggooien; fysieke leefomgeving: duurzame gebiedsontwikkeling, milieuvriendelijk beheer in een groene, biodiverse stad; mobiliteit: minder en schonere mobiliteit; onderwijs en ondernemen: versterken van de (duurzame) basis in het onderwijs, samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven bij duurzame innovatie en meer maatschappelijk verantwoord ondernemen.

De toekomstige plannen die binnen dit plangebied gerealiseerd zullen worden, dienen een bijdrage te leveren aan het duurzaamheidsbeleid van de gemeente.

Bestemmingsplan Campus Zuid fase 1

12

4.

OMGEVINGSASPECTEN

In dit hoofdstuk worden de relevante omgevingsaspecten beoordeeld. Daarbij wordt zowel de bestaande tijdelijke situatie (Lars en Lily) als de mogelijk definitieve invulling met maximaal 148 gestapelde woningen beoordeeld.

4.1

Milieueffectrapportage

Voor besluiten en plannen die ontwikkelingen bevatten, die (mogelijk) belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen hebben, geldt de plicht voor het opstellen van een milieueffectrapportage. Op die manier krijgt milieu een volwaardige rol in de afweging van belangen. De drempelwaarden voor projecten waarbij deze verplichting aan de orde is, zijn vastgelegd in het Besluit m.e.r. Beoordeling Campus Zuid fase 1 In het kader van de aangevraagde omgevingsvergunningen voor de bouw van ‘Lars en Lily’ is een Aanmeldingsnotitie opgesteld. Op basis daarvan is gesteld dat met de bouw van 300 appartementen geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen en dat daarom geen milieueffectrapport (m.e.r.) nodig is. In het kader van dit nieuwe bestemmingsplan is het niet noodzakelijk om wederom een Aanmeldingsnotitie op te stellen. Het bestemmingsplan regelt in eerste instantie de bestaande, tijdelijke situatie van Lars en Lily waarvan de milieueffecten reeds onlangs zijn onderzocht. In tweede instantie maakt het bestemmingsplan na afloop van de tijdelijke situatie een invulling van maximaal 148 gestapelde woningen mogelijk. Dit betekent dat het gebruik ten opzichte van de huidige tijdelijke invulling aanzienlijk minder intensief wordt. Ook met deze nieuwe invulling zal geen sprake zijn van belangrijke nadelige milieugevolgen.

Conclusie Een milieueffectrapport (en een aanmeldnotitie vormvrij m.e.r. beoordeling) is niet noodzakelijk. Het plan voldoet aan de wettelijke bepalingen uit het Besluit m.e.r.

4.2

Verkeer en parkeren

Beoordeling Campus Zuid fase 1 In het kader van het onderzoek naar de milieueffecten van de projecten Lars en Lily is voor het onderdeel ‘verkeer en parkeren’ gebruik gemaakt van kencijfers van het CROW. Hierbij is het kengetal gehanteerd voor de woningcategorie ‘huur, appartement, midden/goedkoop (inclusief sociale huur)’, gelegen in de ‘rest bebouwde kom’ van een ‘sterk stedelijk gebied’. Deze keuze is een worst case, onder andere omdat de beoogde appartementen met een oppervlakte van maximaal 50 m relatief klein zijn. Op basis van het voorgaande is een verkeersgeneratie tussen de 3,2 en 4 verkeersbewegingen per etmaal per appartement aan de orde. Er is voor de beide projecten een maximum aantal van 608 + 588 = 1.196 verkeersbewegingen per etmaal berekend. De projectgebieden zijn ontsloten via de Valkendreef en de Larserdreef. Deze aantallen leiden niet tot onaanvaardbare verkeerseffecten op deze wegen. 2

Wanneer de 300 appartementen op termijn worden gesloopt, en daarvoor in de plaats maximaal 148 gestapelde woningen terug worden gebouwd, zal het aantal verkeersbewegingen ten opzichte van de huidige situatie per saldo afnemen.

Bestemmingsplan Campus Zuid fase 1

13

Ook dan zal dit niet tot onaanvaardbare verkeerseffecten leiden. Nader verkeerskundig onderzoek is niet nodig. Parkeren Bij de ontwikkeling van de projecten Lars en Lily is uitgegaan van een parkeernorm van 1,3 parkeerplaats per appartement. Deze norm is maatwerk, omdat in het toen geldende Parkeerbeleidsplan (2009) niet werd voorzien in een parkeernorm voor specifiek één-, twee- en driekamerappartementen in het mid-stay huursegment. Dit heeft geresulteerd in een totale parkeerbehoefte van 152+192=344 parkeerplaatsen. Op dit moment zijn er 344 parkeerplaatsen in het plangebied gerealiseerd, met een uitbreidingsmogelijkheid voor 39 extra parkeerplaatsen bij Lily. Specifiek voor de uitbreidingsmogelijkheid is tussen de gemeente en Centrada afgesproken dat de extra parkeerplaatsen door Centrada worden aangelegd wanneer de bezettingsgraad van de 192 voorziene plaatsen bij Lily de 85% overschrijdt. Wanneer de tijdelijke 300 appartementen op termijn worden gesloopt, en daarvoor in de plaats maximaal 148 gestapelde woningen terug worden gebouwd, dient aan de geldende parkeernormen voor de beoogde woningbouw te worden voldaan. Dit vereiste is opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan. Uitgangspunt is dat de parkeerbehoefte (fiets en auto’s) ook in de nieuwe situatie zoveel mogelijk op de eigen kavel wordt opgevangen.

Conclusie Nader verkeerskundig onderzoek en/of parkeerberekeningen is niet noodzakelijk.

4.3

Geluid

Voor het onderdeel geluidshinder is de Wet geluidhinder (Wgh) van kracht. Het doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidshinder in de toekomst. Beoordeling Campus Zuid fase 1 Industrielawaai Het project heeft geen consequenties in verband met industrielawaai en voorziet niet in de wijziging van een geluidzone in de zin van de Wet geluidhinder. Spoorwegverkeer en wegverkeerslawaai Spoor Langs een aantal spoorwegen zijn onderzoekszones aangewezen waarbinnen akoestisch onderzoek moet worden verricht. De breedte van deze zone is afhankelijk van hoogte van het geluidproductieplafond op de referentiepunten. De waarde van het geluidproductieplafond van de referentiepunten ter hoogte van het plangebied ligt volgens het Geluidregister Spoor rond 65 dB. Volgens artikel 1.4a Bgh bedraagt de zone, ter hoogte van het plangebied, van de spoorlijnen van en naar Lelystad dus 300 meter. Deze onderzoekszone is gemeten vanuit de buitenste spoorstaaf. Het plangebied ligt buiten deze geluidzone, op 440 meter van de Hanzelijn.

Bestemmingsplan Campus Zuid fase 1

14

Artikel 1.4a Besluit geluidhinder

Het plan voldoet daarmee aan de grenswaarden van de Wet geluidhinder. Een akoestisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Wegverkeerslawaai De bestaande tijdelijke gebouwen van Lars en Lily zijn geluidgevoelige functies. Voor de bouw van Lars en Lily heeft een akoestisch onderzoek plaatsgevonden. In dit onderzoek is de geluidbelasting vanwege de Valkendreef, Zuigerplasdreef en de Larserdreef voor toepassing van de aftrek volgens artikel 110g van de Wet geluidhinder bepaald. In een vervolgonderzoek is vervolgens bepaald met welke geluidwerende gevelvoorzieningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de toekomstige bewoners wordt gerealiseerd. De uitkomsten van deze onderzoeken zijn bij de planontwikkeling van beide complexen betrokken. Wanneer na 15 jaar de 300 tijdelijke gebouwen van Lars en Lily worden verwijderd en de locatie vervolgens met maximaal 148 gestapelde woningen definitief wordt ingevuld, moet voor deze bebouwing rekening worden gehouden met de dan geldende reguliere geluidsnormen. Deze voorwaarde is in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen. Daarnaast is hiermee met de begrenzing van noordelijke bouwvlak rekening gehouden. De grens volgt aan de dreefzijde exact de bebouwingscontour van de huidige bebouwing. De toekomstige nieuwe bebouwing kan dus niet dichter bij de dreven worden gerealiseerd.

Conclusie De bestaande situatie voldoet aan de wettelijke bepalingen uit de Wet geluidhinder. Bij de ontwikkeling van een nieuw plan op deze locatie moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder (zoals ook in de regels is bepaald).

4.4

Luchtkwaliteit

Voor het aspect luchtkwaliteit is de Wet milieubeheer van kracht. De wet is enerzijds bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid aan te pakken, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging. In het MER (Milieueffectrapport Warande, Witteveen+Bos, 14 januari 2008) is aangegeven dat de luchtkwaliteit verslechtert maar dat wel wordt voldaan aan de grenswaarden.

Bestemmingsplan Campus Zuid fase 1

15

Beoordeling Campus Zuid fase 1 De complexen Lars en Lily vormen tezamen de bestaande situatie, waarvoor bij de vergunningenprocedure is onderbouwd dat ze onder de regeling ‘Niet in betekenende mate’ (luchtkwaliteitseisen) vallen en in niet betekenende mate bijdrage aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Aangezien met dit bestemmingsplan de bestaande situatie wordt geregeld, is geen aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit noodzakelijk. Wanneer de 300 woningen worden gesloopt en in de plaats daarvan maximaal 148 gestapelde woningen worden gerealiseerd, zal deze ontwikkeling op basis van de verwachte verkeersbewegingen ook in niet betekende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Conclusie: Het plan voldoet aan de wettelijke bepalingen uit de Wet milieubeheer.

4.5

Stikstof

Projecten of handelingen (zoals bijvoorbeeld vestiging/uitbreiding van een bedrijf of een woningbouwplan) kunnen vergunningplichtig zijn in het kader van de Natuurbeschermingswet. Deze activiteiten kunnen stikstofdepositie veroorzaken ter plaatse van gevoelige habitattypes in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Beoordeling Campus Zuid fase 1 Vóór de bouw van de gebouwen Lars en Lily was een relevante toename van stikstofdepositie c.q. negatief effect op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden niet op voorhand uit te sluiten. Daarom zijn in het kader van de vergunningsprocedure destijds stikstofberekeningen uitgevoerd. De conclusie van deze berekeningen was dat dat de uitstoot (emissie) van stikstof niet leidt tot depositie op omliggende Natura 2000-gebieden hoger dan 0,00 mol per hectare per jaar. Om die reden is geen relevant nadelig effect voor deze gebieden te verwachten. Conclusie: Voor de bestaande situatie is geen stikstofberekening noodzakelijk. Wanneer de 300 tijdelijke woningen worden gesloopt en in de plaats daarvan maximaal 148 gestapelde woningen worden gerealiseerd, zal voor deze ontwikkeling opnieuw een berekening uitgevoerd dienen te worden.

4.6

Bodem

Het beleid ten aanzien van de bodemkwaliteit is op nationaal niveau vastgelegd in de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Gestreefd wordt naar een duurzaam bodembeheer. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er gezondheidsrisico's of ecologische risico's daardoor zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Om deze vragen te beantwoorden is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig. Het uitgangspunt wat betreft de bodem in het plangebied is, dat de kwaliteit ervan zodanig dient te zijn dat er geen risico's zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor de beoogde functie(s).

Bestemmingsplan Campus Zuid fase 1

16

Beoordeling Campus Zuid fase 1 Ten behoeve van de bouw van Lars en Lily is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De conclusies van dit onderzoek luiden (onder andere) als volgt: -

-

-

-

-

Onderhavig terrein is in verband met de voorgenomen herontwikkeling van het terrein, waarbij o.a. enkele gebouwen zullen worden gerealiseerd, onderzocht volgens de richtlijnen uit de NEN 5740. Op basis van de beschikbare gegevens is hierbij uitgegaan van een voor de aanwezigheid van een verminderde bodemkwaliteit onverdachte locatie en de daarbij behorende onderzoeksstrategie voor een onverdachte niet-lijnvormige locatie (ONV-NL). Analytisch bleek de zandige bovenlaag niet verontreinigd te zijn met de standaard NEN-parameters, dan wel met organochloorbestrijdingsmiddelen. De kleiige onderlaag is ten hoogste licht verontreinigd met de som-parameter aldrin/dieldrin/endrin. Het grondwater bleek sterk verontreinigd te zijn met koper en licht verontreinigd met barium, lood, danwel naftaleen. Het geheel aan onderzoeksresultaten geeft aanleiding de gestelde hypothese te verwerpen. De in het grondwater aangetoonde sterk verhoogde gehalten overschrijden het criterium voor nader onderzoek. De overige aangetoonde verhoogde gehalten overschrijden dit criterium niet. Formeel dient derhalve een nader onderzoek te worden uitgevoerd naar het voorkomen van koper in het grondwater. Gezien de afwezigheid van humane risico's behoeft de aangetroffen kwaliteit echter niet direct een belemmering te vormen voor de voorgenomen herontwikkeling.

Geadviseerd wordt onderhavige rapportage voor te leggen aan het bevoegd gezag (gemeente Lelystad). Resumerend kan bij beoordeling van het geheel aan onderzoeksresultaten gesteld worden dat de aangetroffen bodemkwaliteit, behoudens de geconstateerde sterke verhogingen aan koper in het grondwater, aanvaardbaar wordt geacht en zodoende geen belemmering behoeft te vormen voor de geplande herontwikkeling.

Naar aanleiding van de voorgaande conclusies is een aanvullend grondwateronderzoek uitgevoerd. De conclusies van dit aanvullende onderzoek luiden (onder andere) als volgt: - Uit de analyseresultaten blijkt de in het verkennend bodemonderzoek in het grondwater aangetoonde sterke verontreinigingen aan koper in het aanvullend bodemonderzoek niet worden gereproduceerd. - Na de herbemonstering van de peilbuizen en de opvolgende analyse op de aanwezigheid van koper blijkt het grondwater in de peilbuizen B01 en B02 niet verontreinigd te zijn met koper. Wellicht is de langere rusttijd en de eerder genoemde variabiliteit van invloed. De laatste analyseresultaten worden representatief geacht. - Zoals ook reeds in de rapportage van het verkennend onderzoek opgenomen, vormt, gezien de afwezigheid van humane risico’s en de variabiliteit, de grondwaterkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen bouwplannen. Conclusie Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan. Voor de bestaande situatie is nader onderzoek niet noodzakelijk.

Bestemmingsplan Campus Zuid fase 1

17

4.7

Milieuzonering

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Voor deze afstemming wordt de basiszoneringslijst van de VNG-brochure ’Bedrijven en milieuzonering’ (2009) gehanteerd. Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Bedrijfsactiviteiten In de directe omgeving van het plangebied zijn de volgende, vanuit milieuzonering relevante bestemmingen en functies aanwezig: - Direct ten zuiden en westen het plangebied bevinden zich gronden met de bestemmingen ‘Gemengd-1 - uit te werken bestemming’ en ‘Gemengd-2 - uit te werken bestemming’. Binnen deze bestemmingen zijn in beginsel bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 1 en 2 toegestaan, maar op grond van het bouwverbod zijn deze activiteiten nog niet bij recht toegestaan. De betreffende gronden liggen nog geheel braak. In alle gevallen is nog een uitwerkingsplan noodzakelijk om hier bedrijfsactiviteiten te vestigen. Om die reden kan een belemmering voor bestaande bedrijfsactiviteiten niet aan de orde zijn. Daar komt nog bij dat gezien de inrichting van het plangebied naar verwachting aan de richtafstand van 10 meter voor categorie 2 kan worden voldaan.

- Circa 200 meter ten noorden van het plangebied, aan de overzijde van de Larserdreef, bevinden zich gronden met een gemengde bestemming. Op deze gronden zijn bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 1 en 2 toegestaan, onder andere in de vorm van maatschappelijke voorzieningen. Dit betekent dat een richtafstand van 10 meter aan de orde is, waaraan ruimschoots voldaan wordt. - Circa 50 meter ten oosten van het plangebied, aan de overzijde van de Valkendreef, bevinden zich gronden met de bestemming ‘Detailhandel Volumineuze detailhandel’. Hier is winkelboulevard Palazzo gevestigd. Deze gronden zijn bestemd voor detailhandelsbedrijven in volumineuze goederen. Dit betreffen bedrijfsactiviteiten met maximaal milieucategorie 2. Dit betekent dat een richtafstand van 10 meter aan de orde is, waaraan ruimschoots voldaan wordt. - Ten oosten van het plangebied bevinden zich gronden met de bestemming 'Maatschappelijk - Justitieel'. Hier is de Penitentiaire Inrichting Lelystad gevestigd. Dit betreft een inrichting voor detentie. Een gevangenis komt het meest overeen met 'klinieken en dagverblijven' die tot milieucategorie 1 gerekend worden. Hiervoor geldt een richtafstand van 0 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan. - Op circa 300 m ten westen van het plangebied zijn twee biomassacentrales gevestigd, langs de spoorlijn van Almere naar Zwolle.

Dit betreffen bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 3.2, waarvoor in dit geval een richtafstand van 50 meter aan de orde is. Hieraan wordt ruimschoots voldaan. Conclusie: Het bestemmingsplan voldoet aan de richtafstanden. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

Bestemmingsplan Campus Zuid fase 1

18

4.8

Externe Veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. In het kader van het aspect externe veiligheid is de risicokaart geraadpleegd. Hieruit blijkt dat in het projectgebied geen sprake is van risicobronnen voor gevaarlijke stoffen. Wel vindt in de nabijheid van het projectgebied over de Hanzelijn vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Hierdoor is sprake van een plaatsgebonden risicocontour en een groepsrisico. Deze spoorlijn maakt deel uit van het Basisnet spoor. Aan de in het plangebied beoogde woonfunctie zijn geen externe veiligheidsrisico's verbonden. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen risicobronnen in de vorm van buisleidingen, inrichtingen of transportroutes die onderdeel zijn van het Basisnet. Wel bevindt zich op 100 m een regionale transportroute (geen onderdeel van het Basisnet) waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het betreft de provinciale weg ter plaatse van de Larserdreef, die onderdeel is van de transportroute N302 Hoorn-Kootwijk. Via de landelijke risicokaart is voor het transport van gevaarlijke stoffen over N302 Hoorn-Kootwijk een zogenaamd attribuutrapport beschikbaar.

Uit dit rapport blijkt dat voor de transportroute over de Larserdreef rekening moet worden gehouden met transporten van de volgende gevaarlijke stoffen: - LF1 (brandbare vloeistof, bijvoorbeeld diesel); - LF2 (brandbare vloeistof, bijvoorbeeld benzine). Op basis hiervan kan het persoons- en groepsrisico voor transportroutes aan de hand van de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) worden beoordeeld. Plaatsgebonden risico (PR) Op basis van de vuistregels vanuit de HART en het attribuutrapport kan worden vastgesteld dat er geen toetsing van het PR hoeft plaats te vinden voor de Larserdreef. Deze heeft geen PR 10-5- en 10-6-contour. Groepsrisico (GR) In HART is in tabel 1-2 de maximale effectafstand per stofcategorie weergeven. Deze afstand wordt gemeten vanaf het bebouwingsgebied tot de as van de weg (in dit geval de Larserdreef). Over de Larserdreef worden uitsluitend gevaarlijke stoffen in de categorieën LF1 en LF2 vervoerd. Voor beide stoffen geldt een maximale effectafstand van 45 meter. Voor de voorgenomen ontwikkeling geldt dat de afstand gemeten vanaf de noordgrens van het plangebied tot aan de as van de Larserdreef 100 meter bedraagt. Het plangebied en de bebouwing in het plangebied liggen hiermee buiten de invloedssfeer van de transportroute over de Larserdreef. Ook een nader toetsing van het GR kan daarom achterwege blijven.

Bestemmingsplan Campus Zuid fase 1

19

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.

4.9

Trillingshinder

In Nederland bestaat geen wetgeving voor het voorkomen van hinder of schade door trillingen. Wel dient het aspect trillingen in het kader van de goede ruimtelijke ordening en de zorgvuldige voorbereiding van besluiten wel te worden afgewogen indien een trillingsbron aanwezig is. ProRail adviseert doorgaans indicatief onderzoek te doen naar de te verwachten trillingsniveaus, waarbij specifiek wordt gekeken naar de locatie en de bouwkarakteristiek van de te realiseren woningen. Als de te verwachten trillingsniveaus groter zijn dan de na te streven waarden zoals aangegeven in de Richtlijn deel B “Hinder voor personen in gebouwen door trillingen, Meet- en beoordelingsrichtlijn” van de Stichting Bouw-research (SBR), dan zouden eisen / maatregelen in de uitwerking van het plan kunnen worden overwogen aan de woningen. Trillingsbronnen In het plangebied worden geen nieuwe trillingsbronnen toegevoegd. Een indicatief onderzoek naar de gevolgen van het bestemmingsplan voor omliggende trillingsgevoelige functies is derhalve niet noodzakelijk. Trillingsgevoelige functies Bij trillingsgevoelige gebouwen gaat het bijvoorbeeld om woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verzorgings- en verpleeghuizen, en kinderdagverblijven. In dit bestemmingsplan worden nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Spoorwegverkeer kan trillingen in de bodem veroorzaken.

Doordat de trillingen zich verder in de bodem verspreiden, kunnen gebouwen en personen in de omgeving daar hinder van ondervinden. In de ‘Handreiking Nieuwbouw en spoortrillingen’ (mei 2019, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat) wordt geadviseerd om voor ontwikkelingen die op minder dan 100 meter van het spoor liggen, onderzoek naar trillingshinder uit te voeren. Het plangebied ligt op 640 m afstand van het tracé van de Hanzelijn, de spoorlijn van Lelystad naar Zwolle en ligt daarmee ver buiten de 100 meter zone. Conclusie: Het plan voldoet aan de SBR-B. Er is dan ook geen aanleiding tot het doen van vervolgonderzoek met betrekking tot trillingen.

4.10

Water

Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de watertoets wettelijk verplicht door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle van belang zijn de waterhuishoudkundige aspecten (naast veiligheid en wateroverlast ook bijvoorbeeld waterkwaliteit en verdroging). De watertoets is een belangrijk procesinstrument om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in de ruimtelijke ordening. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan.

Bestemmingsplan Campus Zuid fase 1

20

Beleid, wet- en regelgeving KRW De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is in 2000 ingevoerd en heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie- en kwelgebieden). Door de inrichting van watergangen af te stemmen op de ecologie kan de ecologische toestand verbeterd worden. De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte- en grondwater terug te dringen. Daarnaast zal de onttrekking van grondwater in evenwicht worden gebracht met de aanvulling van het grondwater. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. Een andere aanpak in het licht van verwachte ontwikkelingen inzake zeespiegelstijging, toenemende neerslag en rivierwaterafvoer en verdergaande bodemdaling is noodzakelijk. De adviezen van de commissie staan in het rapport Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: - vasthouden, bergen en afvoeren; - schoonhouden, scheiden en zuiveren.

Waterwet De Waterwet is op 22 december 2009 in werking getreden. Deze Waterwet bestaat uit een achttal wetten die zijn samengevoegd tot één wet. De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering' centraal. De verantwoordelijkheden in het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd. De voornaamste veranderingen zijn de invoering van de watervergunning en een verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name het ruimtelijke domein. Op grond van onder meer de Waterwet is voor gemeenten, naast het inzamelen en transporteren van vrijkomend stedelijk afvalwater een formele taak weggelegd voor het afvoeren van overtollig regenwater. In zoverre het inzamelen en transporteren van relatief schoon regenwater buiten de afvalwaterstroom doelmatig kan worden uitgevoerd, vindt deze gescheiden van de afvoer van het stedelijk afvalwater plaats. Het ‘gebiedseigen water’ wordt op plaatsen waarvoor mogelijkheden aanwezig zijn, vastgehouden en geborgen in aanwezig stedelijk water en/of retentiestroken. Het bergen en vasthouden van regenwater op locatie mag niet leiden tot (water)overlast voor de woonomgeving.

Tot slot heeft de gemeente een watertaak waterhuishoudkundige maatregelen te treffen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming(en) zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. In de Keur van het waterschap Zuiderzeeland, onderdeel uitmakend van de Waterwet, is aangegeven wat wel en niet mag bij waterkeringen en wateren (de zogenaamde waterstaatswerken).

Bestemmingsplan Campus Zuid fase 1

21

Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan is vastgesteld op basis van de Waterwet en de Wet Ruimtelijke ordening (Wro). Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Belangrijke ambities hierin zijn het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van de ruimte. Het geeft maatregelen die in de periode 2016 - 2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Nederland voldoet met dit plan aan de Europese eisen beschreven in de KRW, de Richtlijn Overstromingrisico`s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS), het plan geldt als structuurvisie voor de ruimtelijke aspecten. Waterbeheerplan Waterschap Zuiderzeeland Het Waterbeheerplan 2016-2021 (WPB3) bevat langetermijndoelen (zichtjaar 2050), doelen voor de planperiode (2016-2021) en maatregelen die het waterschap (samen met gebiedspartners) uit gaat voeren. De doelen en maatregelen hebben betrekking op de kerntaken van het waterschap (waterveiligheid, schoon water, voldoende water) en het thema water en ruimte.

Hierbij gaat het om reguliere werkzaamheden, zoals peilbeheer, onderhoud aan dijken en het zuiveren van afvalwater en om nieuwe ontwikkelingen. Het Waterbeheerplan is in 2022 vervangen door het Waterbeheerprogramma. Keur Waterschap Zuiderzeeland De Keur van Waterschap Zuiderzeeland bevat regels voor werkzaamheden en activiteiten die effect kunnen hebben op het functioneren van het watersysteem, zoals een toename van verhard oppervlak en werkzaamheden nabij of in oppervlaktewater of (de beschermingszone van) waterkeringen. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt de Keur vervangen door de Waterschapsverordening. Gemeentelijk Rioleringsplan Lelystad 2016 t/m 2021 Het actuele waterbeleid van de gemeente is met name te vinden in het Gemeentelijk Rioleringsplan Lelystad 2016 t/m 2021. Vanuit dit rioleringsplan zijn met name de volgende beleidsuitspraken relevant: In de gemeente Lelystad is geen sprake van structurele grondwateroverlast in openbaar gebied. Al het hemelwater dat op de verharde oppervlakken binnen de bebouwde kom valt, wordt apart van het afvalwater ingezameld. Omdat de gemeente Lelystad geen gemengde stelsels heeft, is afkoppelen geen optie. Wadi’s verdienen de voorkeur als een centrale (in)filtratie voorziening nodig is. Een wadi is een doordachte groene voorziening en geeft retentie, zuivering, infiltratie en gedoseerde afvoer.

Een goed ontworpen wadi biedt bovendien ruimtelijke kwaliteit, natuurontwikkeling en recreatief medegebruik. Beoordeling Ten behoeve van dit voorliggende bestemmingsplan is op basis van inhoudelijke beoordeling van de ontwikkeling de normale watertoetsprocedure van toepassing.

Bestemmingsplan Campus Zuid fase 1

22

Om die reden is deze waterparagraaf voor afstemming aan Waterschap Zuiderzeeland voorgelegd. De uitkomsten van de digitale watertoets zijn in de waterparagraaf verwerkt. Het waterschap heeft in de brief van 19 oktober 2022 een positief wateradvies afgegeven (onder voorwaarde dat in de waterparagraaf een aantal aanvullingen worden toegevoegd). De brief is opgenomen in bijlage 1. De relevante randvoorwaarden voor het plan zijn daarbij gerangschikt onder zeven streefbeelden, die zijn ingedeeld op basis van de drie waterthema's: Veiligheid, Voldoende Water en Schoon Water. Voor de bouw van Lars en Lily is een destijds een digitale watertoets doorlopen. De randvoorwaarden die in de waterparagraaf van de ruimtelijke onderbouwingen voor Lars en Lily waren opgenomen, worden hieronder nogmaals weergegeven. Daar waar nodig wordt aanvullend ook ingegaan om de toekomstige situatie met maximaal 148 gestapelde woningen (situatie na 15 jaar). Thema 1: Veiligheid Veiligheid - primaire waterkeringen op orde Het plangebied ligt niet buitendijks. Het plangebied ligt niet in een keurzone van de waterkering. Op basis van de ingevoerde gegevens over het plangebied zijn er geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lelystad&id=9e128f01-31ca-4592-bb7c-f22b4db32b2c