Bijlage _RO_Flevo_Golf_Resort_28-10-2020
Tekst van het document
Flevo Golf Resort
Flevo Golf Resort
Flevo Golf Resort
Inhoudsopgave
Ruimtelijke onderbouwing
5
Hoofdstuk 1
7
Inleiding
Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie 2.2 Stedenbouwkundige inpassing en beeldkwaliteit
11 11 13
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid
17 17 19 21
Hoofdstuk 4 Milieu-aspecten 4.1 Geluid 4.2 Milieueffectrapportage 4.3 Luchtkwaliteit 4.4 Bodem 4.5 Hinder van bedrijven 4.6 Externe veiligheid 4.7 Stikstof depositie 4.8 Kabels en leidingen 4.9 Archeologie en cultuurhistorie 4.10 Ecologie en 'groene' wetgeving en beleid 4.11 Waterparagraaf
23 23 24 24 25 25 25 26 26 26 26 27
Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.2 Economische uitvoerbaarheid
35 35 35
Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6
37 39 49 97 109 147 163
Verkeersmemo Akoestisch onderzoek Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling Stikstofberekening Natuurtoets Watertoets
3
Flevo Golf Resort
4
Flevo Golf Resort
Ruimtelijke onderbouwing
5
Flevo Golf Resort
6
Flevo Golf Resort
Hoofdstuk 1
Inleiding
Aanleiding en doorlopen traject Initiatiefnemer is voornemens om 138 woningen te bouwen ter plaatse van de golfbaan Flevo Golf Resort, verdeeld over twee locaties, respectievelijk 116 in het zuidelijk en 22 woningen in het noordelijk deel. In onderstaande afbeelding is de inrichting van beide locaties weergegeven.
Stedenbouwkundig plan Op dit moment is er sprake van een 18-holes golfbaan die in de huidige vorm geen toekomst heeft. Initiatiefnemer, De Bewonersvereniging Flevo Golf Resort en de Golfclub Flevoland zijn al geruime tijd in
7
Flevo Golf Resort
gesprek met het college van burgemeester en wethouders over de toekomst van de golfbaan. Hieruit is het voorliggende plan naar voren gekomen, waarbij de golfbaan in aangepaste vorm toekomstbestendig behouden kan blijven (van 18 in een 9-holes baan) en dat nieuwbouw van 138 woningen mogelijk wordt. Geldend bestemmingsplan en mate van afwijking van het bestemmingsplan Het geldende bestemmingsplan 'Stadsrandgebied', zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 28 mei 2013, laat woningbouw ter plaatse niet toe.
Uitsnede geldend bestemmingsplan Er ontbreekt aan de zuidzijde een bouwvlak en maatvoeringsaanduidingen voor het maximum aantal woningen en de maximum bouwhoogte. Voor de noordelijke woningen is het opgenomen aantal woningen niet toereikend. Ook geldt er voor deze locatie het Parapluplan Algemene regels woningsplitsing en kamerbewoning Lelystad. Omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan Deze ruimtelijke onderbouwing is bedoeld als onderbouwing bij een omgevingsvergunning om af te wijken van het geldende bestemmingsplan (de zogenoemde c-activiteit; artikel 2.1, eerste lid onder c Wet algemene bepalingen Omgevingsrecht (Wabo)). Op grond van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3 Wabo is een goede ruimtelijke onderbouwing nodig.
8
Flevo Golf Resort
De voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet in de motivering van de omgevingsvergunning voor het 'afwijken van het bestemmingsplan', waarmee de beoogde ontwikkelingen van 138 vrijstaande woningen planologisch mogelijk wordt gemaakt. Doel van de ruimtelijke onderbouwing is het onderbouwen van het project. Concrete bouwaanvragen, de navolgende fase, voor de ontwikkeling van vrije kavels worden getoetst aan deze ruimtelijke onderbouwing met de daarbij behorende stukken. Leeswijzer Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van de huidige situatie, de gewenste ontwikkelingen en ruimtelijke inpassing daarvan. In hoofdstuk 3 worden de uitgangspunten getoetst aan het, voor het project relevante, beleid op de verschillende niveaus. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de omgevingsaspecten. Vervolgens worden in hoofdstuk 5 de maatschappelijk en economische uitvoerbaarheid van het project besproken.
9
Flevo Golf Resort
10
Flevo Golf Resort
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Huidige situatie
Lelystad is een van de jongste woonplaatsen van Nederland. Bij de inpoldering van oost Flevoland werd het land op een rationele een efficiënte manier vormgegeven. Dit is in het buitengebied te zien aan de rechte wegen en kavelstructuur. Maar ook in de opbouw van Lelystad zelf is deze rechte structuur terug te vinden. De hoofdwegen die de verschillende (woon)wijken ontsluiten vormen een recht raamwerk. Binnen dit raamwerk liggen verschillende wijken die zijn omsloten door groen. De wijken hebben allen een ander opbouw, passend bij de tijd waarin zij ontworpen zijn. Door deze opzet zijn de vele wijken van Lelystad min of meer zelfstandig functionerende gebieden. Elk gebied bestaat uit ongeveer 1.000 tot 2.700 inwoners en heeft tot op zekere hoogte een eigen voorzieningenniveau. Voor de woongebieden in Lelystad gelden de volgende kenmerken: 1. 2. 3.
een volledige scheiding tussen het doorgaande autoverkeer en fietsers en voetgangers; een relatief lage woningdichtheid, met eengezinswoningen als meest voorkomend woningtype; een ruimtelijke scheiding tussen wonen en werken.
Het Flevo Golf Resort is onderdeel van het Kustpark. Het Kustpark wordt beschouwd als een overgangsgebied tussen het landelijke gebied, de stad en het IJsselmeer. Het is een gebied met enkele woonbuurten in een groene en waterrijke omgeving. In het gebied zijn, in tegenstelling tot de meeste "eilanden" in Lelystad, geen voorzieningen aanwezig. De verschillende woonbuurten zijn relatief jong (vanaf eerste helft jaren'90). Het Flevo Golf Resort is in drie fasen aangelegd tussen 1996 en 2006. De wijk heeft een herkenbare opzet. De opzet wordt navolgend besproken.
11
Flevo Golf Resort
Huidige omgeving Het resort is gelegen tussen het Houtribbos (noord), Zuigerplasbos (oost), Golfpark (zuid) en de Parkhaven aan het Markermeer (west). De twee bossen zorgen voor een natuurlijke en met name groene omlijsting van het plangebied. Vanuit de wijk is er de mogelijkheid om te voet of met de fiets deze groengebieden te bereiken. Opzet huidige woonwijk De huidige opbouw van de woongebieden in het Flevo Golf Resort hebben een duidelijke structuur. Vrijstaande woningen staan aan weerszijden van lange lanen die van noord naar zuid lopen. De wegen worden door middel van groenstroken gescheiden van de woonkavels. De woonkavels zijn ruim opgezet met vrijstaande woningen van verschillende grootte en hoogte. Verschillende typen woningen komen herhaaldelijk terug in het staatbeeld. Te zien is dat de woningen qua bouwstijl, kleur- en materiaalgebruik bij elkaar aansluiten. Daardoor ontstaat één geheel. Uniek is de aanwezigheid van de golfbaan, het clubhuis en de afslagplaats die door de wijk verspreid liggen. Hierdoor is een unieke groene en rustige wijk ontstaan. Het Golfpark, dat gelegen is ten zuiden van het Flevo Golf Resort, bestaat ook uit woningen op vrije kavels. Het grote verschil is echter dat bij de aanleg van het Golfpark in de jaren 90 een vrijer welstandsbeleid gold voor dit gebied. Hierdoor hebben de woningen verschillende verschijningsvormen.
De golfbaan die om en door de wijk ligt geeft het Flevo Golf Resort een groen decor. Opgaande groenstructuren scheiden de wijk van de Houtribweg. Daardoor is er vanaf deze weg en de dijk geen zicht op (achterkanten) van de wijk, maar op een groenstructuur.
12
Flevo Golf Resort
2.2
Stedenbouwkundige inpassing en beeldkwaliteit
Stedenbouwkundig plan De opzet van de huidige woonwijk is in de vorige paragraaf besproken. Een uitbreiding van de wijk zal logischerwijs deze opzet volgen waardoor de wijk één geheel blijft. Daarom is ervoor gekozen de lange rechte lanen die van noord naar zuid lopen ook in de uitbreiding van de wijk toe te passen. Aan weerszijden van de weg liggen groenstroken waarin ruimte is voor bomen. Hierdoor blijft de groene uitstraling van de wijk behouden. Binnen de wijk zijn verschillende groenstructuren te vinden. Dit zijn bestaande groenstructuren die in het ontwerp behouden zijn gebleven. Hierdoor heeft de wijk na aanleg meteen volgroeide groenstructuren. De omlijsting van groen en water is ook in deze stedenbouwkundige opzet terug te vinden. De verschillende lanen worden door elkaar gescheiden door middel van brede watergangen. Dit past bij het waterrijke karakter van Lelystad en de omgeving. De groenstructuur met de Houtribweg is ook zo veel mogelijk behouden gebleven. Het zuidelijk deel van het plan wordt ontsloten via het Golfpark. Om ook een fysieke binding met de rest van het Flevo Golf Resort te behouden is er een langzaamverkeersroute gecreëerd die over het golfterrein loopt. Tevens is deze route te gebruiken als calamiteitenroute, zodat dit deel van de wijk bereikbaar blijft.
13
Flevo Golf Resort
Stedenbouwkundig plan zuidelijk deel Het noordelijk deel van het plangebied voegt zich binnen de structuur van de bestaande wijk. Hiervoor wordt enkel een bestaande weg benut/doorgetrokken. De bestaande afslagplaats blijft behouden, maar wordt verkleind.
14
Flevo Golf Resort
Stedenbouwkundig plan noordelijk deel Beeld vanuit de omgeving Het oostelijk deel van het plan is gelegen nabij de Houtribweg. Door het bestaande bosschage zo veel mogelijk te behouden blijft het zicht vanaf de Houtribweg en de dijk op het plangebied groen. Omdat er geluidshinder optreed vanuit de Houtribweg is het nodig geluidswerende maatregelen te nemen. Door deze achter de groenstrook te plaatsen in de vorm van een kleine grondwal met daarop een (met klimop begroeid) scherm blijft het zicht vanaf de Houtribweg natuurlijk.
Doorsnede Beeldkwaliteit Het voorliggende plan sluit aan bij de huidige structuur van het golfresort. De herkenbare lanenstructuur, de groene opzet en de woningtypologie zijn passend binnen de huidige structuur. Voor wat betreft de woningen kan zowel aangesloten worden bij de stijl van de huidige woningen als een nieuwe beeldkwaliteit gekozen worden die wordt door gevoerd in deze nieuwe gedeelten. In beide gevallen kan gehoor gegeven worden aan de welstandsnota van gemeente Lelystad welke richtlijnen geeft over plaatsing, vorm, aanzicht, materiaal, kleurgebruik en detaillering van de gebouwen.
15
Flevo Golf Resort
Bouwen en gebruik Het geldende bestemmingsplan bevat reeds adequate bouw- en gebruiksregels voor de woningen in het golfresort. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om de maximale bouwhoogte van 10 m voor hoofdgebouwen, de regeling voor aan-huis-verbonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, de regeling voor aanen uitbouwen en bijgebouwen en afstanden ten opzichte van andere woningen. Deze regels blijven onverkort van toepassing en vormen daarmee tevens een goed beheerskader voor de nieuwe woonwijk. Verkeer en parkeren Parkeren Op basis van de stedelijkheidsgraad en de stedelijke zone is met behulp van genoemde publicaties de parkeerbehoefte per woning vastgesteld in onderstaande tabel. De parkeerbehoefte bedraagt 2,0 parkeerplaatsen per woning. De parkeernorm geeft het aantal parkeerplaatsen weer dat per woning moet worden gerealiseerd. Deze parkeerplaatsen kunnen zowel op eigen terrein als in het openbaar gebied worden gerealiseerd. Voor parkeerplaatsen op eigen terrein geldt onderstaande rekenmethodiek. Indien er parkeerplaatsen op eigen terrein van woningen worden gerealiseerd, mogen deze plaatsen als parkeercapaciteit worden meegerekend volgens de rekenwaarden, zoals opgenomen in onderstaande tabel.
Het plan biedt qua opzet voldoende ruimte om aan de norm van 2 parkeerplaatsen per woning te voldoen. Verkeersgeneratie Op basis van de stedelijkheidsgraad en de stedelijke zone is de verkeersgeneratie per woning vastgesteld. De verkeersgeneratie per woning bedraagt 7,8 tot 8,6 ritten per etmaal. De locaties genereren respectievelijk ongeveer 1.000 (zuidelijke locatie) en 200 ritten (noordelijke locatie) per etmaal. De ontsluiting van beide locaties vindt plaats op de Houtribweg. Op basis van de verkeersanalyse, zie bijlage 1, is geconcludeerd dat beide aansluitingen voldoende capaciteit hebben om de toename van het gemotoriseerd verkeer ten gevolge van de komst van de locaties te verwerken. Ook voor langzaam verkeer zijn voldoende en goede mogelijkheden om de locaties te bereiken dan wel te verlaten.
16
Flevo Golf Resort
Hoofdstuk 3
Beleidskader
Dit hoofdstuk bevat een beschrijving van de beleidsonderdelen van verschillende overheden, voor zover van belang voor de ontwikkeling van het plangebied. De verschillende paragrafen zijn eerst gerangschikt naar overheidslaag en vervolgens naar onderwerp.
3.1
Rijksbeleid
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is begin 2012 in werking getreden. Deze visie treedt in de plaats van onder meer de Nota Ruimte. Het Rijk kiest voor een selectiever inzet van rijksbeleid en daarom een aantal nationale belangen. Hierbuiten hebben de decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Rijk gaat er van uit dat de nationale belangen die via wet- en regelgeving opgedragen worden aan de andere overheden goed door hen worden behartigd. De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect, dat wil zeggen door tussenkomst van de provincie, door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmingsplannen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken.
In 2012 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) van kracht geworden. Waar de bepalingen zijn gericht op gemeentelijke plannen gaat het Rijk dus er van uit dat deze doorwerking krijgen. Desgevraagd zal het Rijk wel zonodig in de voorbereidingsfase van de bestemmingsplanprocedure haar nationale belangen toelichten en zo nodig kennis en advies geven daarover. Het Rijk blijft wel opkomen voor de directe belangen vanuit de rol van weg- en waterbeheerder (Rijkswaterstaat), eigenaar van defensie terreinen (ministerie van Defensie) en projecten in het kader van rijkscoördinatieregeling rond rijksinpassingsplannen op het terrein van de Infrastructuur en Waterstaat (ministerie van I en W). Ontwerp Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is een onderdeel van de nieuwe Omgevingswet. Met de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving in Nederland. Het ontwerp van de NOVI richt zijn op vier prioriteiten. Deze onderwerpen hebben onderling veel met elkaar te maken en ze hebben gevolgen voor hoe we onze fysieke leefomgeving inrichten: ruimte maken voor de klimaatverandering en energietransitie; de economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden; onze steden en regio's sterker en leefbaarder maken; het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen.
De ontwerp Omgevingsvisie geeft geen specifieke beleidskaders voor individuele woonprojecten. De conclusie is dat voor het onderhavige project geen rijksbelangen zijn gemoeid. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De nationale belangen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte die juridische borging vragen, zijn geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Daarmee vervangt het Barro het bestaande planologisch beleid uit de Nota Ruimte en een aantal Planologische Kernbeslissingen. In het besluit zijn de regelingen met betrekking tot de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), Rijksbufferzones, Nationale Landschappen, de Waddenzee en militaire terreinen opgenomen. Uitgangspunt daarbij is dat het huidige beleid zoveel mogelijk 'beleidsneutraal' wordt voortgezet. Een aantal regelingen is 'getrapt'
17
Flevo Golf Resort
vastgelegd. Dit wil zeggen dat de provincies en gemeenten verplicht zijn dit beleid nader uit te werken. Met de inwerkingtreding van het Barro heeft er ook een wijziging plaatsgevonden van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het Bro is opgenomen dat gemeenten en provincies verplicht zijn om in de toelichting van een ruimtelijk besluit de zogenaamde 'ladder voor duurzame verstedelijking' op te nemen, wanneer een zodanig ruimtelijk besluit een nieuwe stedelijke ontwikkeling (zie art. 1.1.1 Bro) mogelijk maakt. Ladder voor duurzame verstedelijking De Laddertoets wordt uitgevoerd wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. In het Bro is geen ondergrens vastgelegd voor de omvang van de ontwikkeling.
Of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak van de Raad van State van 28 juni 2017 dat: 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Lelystad geeft de hoogste prioriteit aan woningbouwontwikkelingen binnen bestaand stedelijk gebied (onder meer het Lelycentre en Stadshart/Theaterkwartier), en zijn de mogelijkheden voor uitbreiding van binnenstedelijke woningen beperkt en moeten de meeste nieuwe woningen buiten bestaand gebied gerealiseerd worden. Voorliggend plangebied is binnen bestaand stedelijk gebied gelegen en vormt daarmee een geschikte locatie voor woningbouw. Binnen het plangebied worden meer dan 11 extra woningen mogelijk gemaakt, dus is sprake van een Ladderplichtige stedelijke ontwikkeling. Het rapport 'Kwalitatief Versnellen' uit het najaar 2018, onderbouwt het woningbouwprogramma 2019-2022 van de gemeente Lelystad. Het rapport beschrijft de versnellingsopgave voor woningbouw binnen de MRA: Lelystad maakt onderdeel uit van de MRA (Metropool Regio Amsterdam). De ligging van Lelystad en de steeds verbeterde ontsluitingen in combinatie met de aantrekkende economie biedt Lelystad kansen voor de (nabije) toekomst.
Vanuit de MRA is de gemeente gevraagd een bijdrage te leveren aan de opgave om tot 2025 extra woningen in aanbouw te nemen: de zogenaamde versnellingsopgave. Lelystad heeft in gesprekken met de MRA kenbaar gemaakt dat zij hiertoe bereid is. (p.8) Basis voor de woningbehoefte in kwantitatieve zin vormt de demografische prognose voor Lelystad van de MRA: het MRA-scenario. Deze prognose laat tussen 2017 en 2030 een huishoudensgroei met 3.680 huishoudens zien. (p.13) Als kwantitatief vertrekpunt voor de komende jaren kan een gemiddeld aantal opleveringen van netto 400 tot 500 woningen als realistisch gezien worden. (p.14) Om meer grip te krijgen op de vraagkant is onderzoeksbureau RIGO gevraagd een realistische inschatting te maken van de groeipotentie van Lelystad. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in het RIGO
18
Flevo Golf Resort
rapport 'Groeipotentie en woningbehoefte Lelystad' (20 maart 2018). De uitkomst van dit onderzoek is een onderbouwde schatting van de hierboven besproken kwantitatieve woningbehoefte, maar ook van de kwalitatieve woningbehoefte in termen van woningtypen, eigendom en prijsklassen voor de periode tot 2030 voor de gehele stad. In onderstaande tabel is de behoefte weergegeven naar segmenten volgens het MRA -scenario, uitgedrukt in gemiddelden per jaar (over de dertien jaar tussen 2017 en 2030). Het overgrote deel van de behoefte in dit scenario bestaat uit ééngezins koopwoningen. De vraag naar huurappartementen neemt ook sterk toe. De behoefte aan ééngezins huurwoningen neemt in dit scenario licht af. In de praktijk betekent dit niet dat deze woningen leeg komen te staan, maar dat ze sneller beschikbaar komen. (p.23 RIGO rapport)
Conclusie: Uit voorgaande tabel blijkt de grote behoefte aan woningen in aantallen zowel als type woningen. Het levert daardoor met maximaal 138 grondgebonden woningen in het duurdere segment een bijdrage aan de grote kwantitatieve én kwalitatieve woningbehoefte binnen Lelystad en omgeving. Hiermee wordt tevens voldaan aan de Laddertoets.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Flevoland Straks
De Omgevingsvisie FlevolandStraks geeft de visie van de provincie Flevoland op de toekomst van dit gebied. De visie gaat over de periode tot 2030 en verder. Het geeft aan welke kansen en opgaven er voor Flevoland liggen en welke ambities er zijn voor de toekomst. Flevoland nu Flevoland heeft 1.400 vierkante kilometer ingericht land en ruim 400.000 inwoners. In Flevoland is het vroegere ideaal van een maakbare wereld herkenbaar: lange lijnen, strakke functiescheiding en grootschalige gebiedsontwikkeling. Flevoland heeft zijn landbouw-, recreatie-, natuur- en stedelijke gebieden gekregen. Sterkste troeven Almere en Lelystad leunen op de Noordvleugel met onder andere Amsterdam, het Gooi en Utrecht. Dagelijks pendelen vele mensen op en neer. De welvaart en economie in beide steden ademen mee met het oude land. In beide steden is er een economie, die zich nog verder moet ontwikkelen tot een stabiele kracht. Sterkste troef van beiden steden is het rustige wonen in een groene omgeving. In beide steden is een grote groep mensen, die de voordelen van de nabij gelegen krachtige economische regio weet te benutten. Nieuwe inwoners en bedrijven vestigen zich daarom hier. Hiertegenover staat dat in
19
Flevo Golf Resort
beide steden ook groepen inwoners zijn, die een minder gunstig sociaal economisch perspectief hebben. Zij profiteren nog niet van de kansen die de regio biedt. Krachten in de samenleving De provinciale organisatie van Flevoland richt zich voornamelijk op de wettelijke taken en realisatie van een aantal ontwikkelopgaven. Het accent ligt op fysieke ontwikkelingen zoals Marker Wadden, Almere 2.0 en Lelystad Airport. Met de ruim 400.000 inwoners in Flevoland en tal van organisaties zijn er vele krachten. Zij bepalen de ontwikkeling van Flevoland. Het zwaartepunt voor de provincie verschuift meer en meer richting het – in sociaal-economisch opzicht – profijtelijk maken van de fysieke inrichting en het optimaal ruimte geven aan de krachten in de samenleving. Het is de stap van de maakbare samenleving naar de samenleving die het zelf wil, kan en gaat maken. FlevolandStraks In 2030 en verder is Flevoland de kroon op de Nederlandse poldertraditie. Bij nieuwe ontwikkelingen is er evenwichtige aandacht voor fysieke, sociale en economische aspecten. De provincie koestert de eigenzinnige schoonheid van de oorspronkelijke opzet van de polders. En benut het in Flevoland aanwezige talent alsmede de potenties, kracht en ondernemerschap van de samenleving. Belofte In Flevoland is de belofte van bestuurlijke vernieuwing ingelost. De maatschappelijke opgaven staan centraal.
De provincie treedt met gemeenten en waterschap op als één bestuur (complementair bestuur). Periodiek worden de opgaven en oplossingen van de provincie voorgelegd aan een representatieve groep Flevolanders. Flevoland biedt ruimte voor ondernemingen en mensen die hun ideaal willen realiseren. De begintijd van de bepalende overheid en de maakbare samenleving hebben we achter ons gelaten. Iedereen die wil bijdragen aan de toekomst van Flevoland is van harte uitgenodigd. De stap van “nee tenzij” naar “ja mits” wordt gezet. Door deze opstelling zijn er meer mogelijkheden voor initiatieven van inwoners en bedrijven . Excellent Flevoland draait grotendeels op duurzame energievoorziening. Overal – in stad en land – zijn de gevolgen van de energietransitie merkbaar. Huishoudens en bedrijven zijn energieneutraal. Energie wordt duurzaam opgewekt. Nieuwe woonwijken zijn aangelegd zonder gasnet. De energierekeningen van de inwoners zijn fors gereduceerd en er zijn vele Flevolandse bedrijven gespecialiseerd in duurzame energie en energiebesparing. Flevoland heeft in economisch, maatschappelijk en fysiek opzicht geprofiteerd van de energietransitie. In Flevoland zijn vele nieuwe economische activiteiten. Ondernemers pakken de kansen van de veranderende economie. Hieronder ook de circulaire economie. Het woord afval heeft een andere betekenis gekregen: het is grondstof voor productie.
Groene grondstoffen en gebruikte materialen bewerken we zodanig dat ze hun weg vinden naar afzetmarkten. In 2030 en verder onderscheidt Flevoland zich bovenregionaal met een aantal voorzieningen, die van excellente kwaliteit is. Voorzieningen met een aantrekkingskracht en een reputatie die zich over de provinciegrenzen heen uitstrekken. Het gaat onder meer om de toplandbouw, de ontwikkeling van Almere en Lelystad (o.a. Lelystad Airport) tot knooppunten in de regionale netwerken, excellente woonmilieus in Almere en Lelystad en prachtige groenblauwe natuur- en recreatiegebieden langs de waterrijke randen van de Flevopolders. Het zijn de authentieke krachten van Flevoland, die naar een volgend – hoger – niveau zijn doorontwikkeld. Liggend aan het IJmeer, Markermeer en IJsselmeer zijn Almere en Lelystad de buitenplaatsen voor de Noordvleugel: de nationale economische motor. De pracht en kracht van de jonge natuur dringt met het Nationaal Park Nieuw Land door tot in het hart van beide steden. De steden vormen de (inter)nationale toegangspoort voor woningzoekenden in de metropoolregio. De agrarische sector staat er ondanks de onzekerheden op de wereldmarkt sterk voor. Flevoland – en in het bijzonder Noordoostpolder, Dronten, Lelystad en Zeewolde – staat bekend om haar toplandbouw.
Of het nu gaat om grootschalige productie, biobased economy, natuur inclusief of koppeling met gezondheid. In Flevoland zitten de voorlopers van de sector, die worden gesteund door onderzoek, onderwijs en overhead. Ruimte voor duurzame ontwikkeling In heel Flevoland is een samenleving waar mensen met elkaar optrekken en naar elkaar omkijken. Flevoland biedt in 2030 en verder ruimte voor duurzame ontwikkelingen met oog voor fysieke, sociale en
20
Flevo Golf Resort
economische aspecten. Deze toekomst maken we samen: inwoners, bedrijven, organisaties, overheden. De Omgevingsvisie is een uitnodiging van de provincie Flevoland aan iedereen die wil bijdragen. Samen vormen we de omgeving van deze visie: de Omgevingsvisie FlevolandStraks. 3.2.2
Omgevingsverordening
De omgevingsverordening omvat drie soorten regels. Ten eerste regels die gericht zijn tot burgers en bedrijven, zoals algemene regels en vergunningstelsels. Ten tweede regels die zijn gericht tot het uitvoerend bestuur, zoals omgevingswaarden en beoordelingsregels voor vergunningaanvragen. En ten derde omvat het instructieregels over de uitoefening van taken en bevoegdheden door gemeenten en waterschappen. De provincies hebben van het Rijk geen overgangstijd gekregen, hetgeen inhoudt dat de omgevingsverordening gelijktijdig met de Omgevingswet inwerking zal moeten treden. Dit heeft geleid tot een eerste aanzet voor een omgevingsverordening zoveel als mogelijk in lijn met de Omgevingswet en digitaal ontsloten volgens de op dit moment geldende regelgeving in standaarden. Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland 2012 In 2012 hebben de Provinciale Staten van Flevoland de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland 2012 (hierna: VFL 2012) vastgesteld. De VFL 2012 omvat (grotendeels) de provinciale regels op het gebied van de fysieke leefomgeving.
De VFL 2012 betrof een actualisatie van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland uit 2007, waarin een eerste integratieslag had plaatsgevonden van de daarvoor geldende provinciale regelgeving (Provinciale milieuverordening Flevoland, Grondwaterverordening Flevoland 1996, Ontgrondingenverordening Flevoland 2002, Verordening waterhuishouding Flevoland, Verordening waterkering Noord-Nederland en Landschapsverordening Flevoland 2004). Sinds de vaststelling in 2012 is de VFL 2012 zeven keer gewijzigd. Eind 2017 is de voorbereiding gestart om vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet te komen tot een omgevingsverordening die ziet op alle elementen van de fysieke leefomgeving, en op activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Integratie van verordeningen De reikwijdte van de Omgevingswet –de fysieke leefomgeving omvat onder meer bouwwerken, infrastructuur, water, bodem, lucht, landschappen, natuur en cultureel erfgoed– heeft geleid tot een verdere integratie van de provinciale regelgeving in de omgevingsverordening.
De omgevingsverordening bestaat per ingang van haar inwerkingtreding uit: de VFL 2012 met regels betreffende onder meer windenergie, grondwaterbeschermingsgebieden, watersysteem, NatuurNetwerk Nederland, stiltegebieden, ontgassen binnenvaart, bodemsanering, ontgrondingen, wegen en vaarwegen, handhaving; de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Flevoland 2016; de Verordening kwaliteit VTH omgevingsrecht provincie Flevoland; regels voor zonne-energie. De inhoud van de omgevingsverordening wordt in de periode tot inwerkingtreding van de Omgevingswet steeds verder in lijn gebracht met die wet en de daarop gebaseerde regelgeving. Ook zal de verordening moeten passen bij de Omgevingsvisie FlevolandStraks, het Omgevingsprogramma Flevoland en diens opvolgers. Dit betekent dat de omgevingsverordening continue in beweging is. Conclusie De voorliggende plan is in overeenstemming met de gestelde doelen en streefpunten, en wordt niet in strijd geacht met de belangen die voor de Provincie gelden. Zaken die provinciale belangen in het geding brengen zijn hier niet aan de orde.
3.3
Gemeentelijk beleid
Structuurplan Lelystad 2015 en Structuurvisie Lelystad 2023 De gemeenteraad van Lelystad heeft in januari 2014 de 'Structuurvisie Lelystad 2023' vastgesteld. Het is een actualisatie van het uit 2005 daterende 'Structuurplan Lelystad 2015'. Het Structuurplan heeft een looptijd van 25 jaar, waarbij gedurende de periode tot 2015 hoofdzakelijk uitvoering zal worden gegeven aan het vastgestelde beleid. In de structuurvisie is de locatie van de golfbaan opgenomen binnen de bestaande stad.
21
Flevo Golf Resort
Iets ten zuidwesten ligt het gebied dat in de structuurvisie wordt aangewezen als "ontwikkeling woongebied aan de kust". Eerder is aangegeven dat het gebied Noordzoom als meest geschikte locatie eerst in aanmerking moest komen voor kwalitatief hoogwaardige woningbouw. De noodzaak om hier woningen te bouwen werd in het raadsvoorstel als volgt verwoord: "De woningmarkt in de Metropool Regio Amsterdam (MRA) wordt geconfronteerd met een enorme vraagdruk. De gemeente Lelystad heeft toegezegd een bijdrage te leveren om extra woningen in aanbouw te nemen (de versnellingsopgave). Binnen de MRA biedt Lelystad de mogelijkheid om suburbaan wonen te realiseren. Tegelijkertijd verwachten we dat gebieden als Flevogolf Resort, Houtribhoogte en Buitenhof binnen enkele jaren volgebouwd zijn. Hier is met name ruimte voor luxe woonmilieus met woningen in het midden - en hoge segment. Deze woonmilieus worden Excellent Wonen genoemd. Om voldoende kwalitatieve woningen aan te kunnen blijven bieden is een nieuwe opvolger van deze gebieden op korte termijn gewenst." Het plan Noordzoom heeft geen doorgang gevonden. Dat betekent dat de opgave van de gemeente Lelystad richting de Metropool Regio Amsterdam hier niet ingevuld kon worden. Deze invulling kan wel gevonden worden bij het voormalige golfterrein. De onderhavige ontwikkeling past in de beleidsuitgangspunten van de Structuurvisie.
Archeologische monumentenzorg in Lelystad Op 28 augustus 2008 heeft de gemeenteraad van Lelystad het archeologische beleid vastgesteld. Dit beleid is opgesteld om vorm te geven aan het rijks- en provinciaal beleid voor archeologie en cultuurhistorie. Het beleid bestaat uit beleidsafspraken en een beleidsadvieskaart. Bij toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met op de kaart aangemerkte gebieden. In het beleid is ook de doorwerking van het beleid voor bestemmingsplannen opgenomen. Daarbij is een lijst opgenomen met categorieën van archeologische waarden en de manier waarop deze in het bestemmingsplan opgenomen moeten worden, zie paragraaf 4.9.
22
Flevo Golf Resort
Hoofdstuk 4
Milieu-aspecten
Hierna wordt eerst kort ingegaan op het algemene milieubeleid van de hogere overheden. Vervolgens worden de diverse milieu-aspecten apart beschreven. Milieubeleid Het beleid op de verschillende niveaus heeft als hoofddoelstelling het bereiken van duurzame ontwikkeling. De hoofdlijnen van dit rijks- en provinciaal beleid zijn: ketenbeheer; energie-extensivering; kwaliteitsbevordering. Bij de inrichting en het beheer van nieuwe woningbouwlocaties moet volgens de provincie rekening worden gehouden met een aantal elementen: infrastructuur, ov-ontsluiting en overige verkeerskundige aspecten; afvalverwijderingsstructuur; energievoorziening en -verbruik; watervoorziening en waterverbruik, waterhuishoudkundige aspecten (watertoets); verstoring door stank, geluid, risico; compact bouwen; materiaalgebruik (kwaliteit en kwantiteit); keuze voor een rioleringssysteem; natuur in de stedelijke omgeving.
4.1
Geluid
De volgende geluidstypen komen in beeld als het gaat om geluidshinder en wettelijke bepalingen: geluid van wegverkeer; geluid van railverkeer; geluid van bedrijven. Hieronder wordt bevindt zich een nadere beschrijving van deze aspecten binnen het plangebied. 4.1.1
Wegverkeer
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is uitgevoerd, zie bijlage 2. Voor de nieuw te realiseren woningen plan Flevo Golf Resort is sprake van een overschrijding van de genswaarde voor wegverkeerslawaai. Zonder maatregelen in de vorm van een scherm of wal is er ook sprake van een overschrijding van de 53 dB waarde, een aanvullende eis die het hogere-waarde beleid van de gemeente Lelystad stelt. Ter plaatse van enkele delen van de bebouwing zijn geluidafschermende maatregelen nodig om aan de voorwaarden die de gemeente stelt te kunnen voldoen. Dit kan in de vorm van een wal met een hoogte van 4,5 meter of een scherm met een hoogte van 4 meter ten opzichte van het maaiveld. In alle gevallen wordt dan op de 1e verdieping voldaan aan de gestelde grenswaarden. Bij enkele woningen kan het wel nodig zijn om de 2e verdieping doof uit te voeren. Tevens dient conform het beleid overwogen te worden of er een geluidsreducerend asfalt toegepast kan worden op de Houtribweg. In de huidige situatie is al een steenmastiek asfalt aanwezig op de Houtribweg. Dit asfalt heeft een lichte geluidsreductie ten opzichte van standaard asfalt. Door het toepassen van een stiller asfalt is een verdere reductie mogelijk van circa 3 dB. Ook bij toepassing van een stiller asfalt zal echter nog steeds sprake zijn van een overschrijding en daarmee is ook nog steeds een hogere-waarde procedure nodig.
Bovendien zal medewerking van de provincie Flevoland nodig zijn aangezien zij beheerder van deze weg is. Er kleven ook civieltechnisch bezwaren aan het toepassen van een stil(ler) asfalt. Dit is niet altijd toepasbaar bij rotondes vanwege de grotere slijtage. Vooralsnog wordt in dit onderzoek uitgegaan van afschermende maatregelen in de vorm van een wal of scherm die redelijk effectief zijn voor onderzochte plan en waarbij ook voldaan wordt aan het gemeentelijk beleid. Binnen dit kader kan het plan bij toepassing van een wal of scherm gesitueerd op de eigen
23
Flevo Golf Resort
ontwikkellocatie gerealiseerd worden, zie paragraaf 2.2. Voor die situaties waarbij de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, dienen op grond van het Bouwbesluit geluidwerende voorzieningen te worden getroffen aan de gevel om te voldoen aan de vereiste binnenwaarde. Ten behoeve van de aanvraag omgevingsvergunning dient dit middels een aanvullend onderzoek in een later stadium aangetoond te worden. 4.1.2
Railverkeer
Het plangebied ligt buiten de geluidszone van de spoorbaan (500 m), zodat er geen akoestisch onderzoek nodig is. 4.1.3
Industrielawaai
Het plangebied ligt niet binnen een geluidszone van industrielawaai.
4.2
Milieueffectrapportage
Beleidskader Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De wijziging van het Besluit m.e.r. volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU van de Europese Unie. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer (Wm) zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing, waarbij het niet uitmaakt of het een activiteit betreft boven of onder de D-drempel. In het gewijzigde Besluit m.e.r. is de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling beschreven. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, dienen de volgende stappen genomen te worden. 1. De initiatiefnemer stelt een aanmeldnotitie op. 2. Het bevoegd gezag neemt binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit. 3. De initiatiefnemer voegt het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag (Artikel 7.28 Wet milieubeheer). Vormvrije m.e.r-beoordeling In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ (activiteit D11.2).
Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer of een aangesloten gebied van 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De voorgenomen activiteiten in het plan liggen ruim onder de plandrempel waarvoor conform het Besluit m.e.r. een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Gelet hierop, wordt geconcludeerd dat de drempelwaarden niet worden overschreden, waardoor in onderhavig plan kan worden volstaan met het uitvoeren van een zogenaamde ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’, zie Bijlage 3.
4.3
Luchtkwaliteit
Voor het aspect luchtkwaliteit is de Wet milieubeheer van kracht. De wet is enerzijds bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid aan te pakken, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging. Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (2020) geldt in de directe omgeving van het projectgebied een gemiddelde fijnstof concentratie (PM10) van 18 ìg/m3 en een gemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2) van 13 ìg/m3. De norm voor beide stoffen ligt op 40 ìg/m3 (jaargemiddelde concentratie vanaf 2015). Er is dus geen sprake van een dreigende overschrijding van de grenswaarden. Met de ontwikkeling van deze locatie worden 138 woningen toegevoegd. Dit project valt onder de regeling ‘Niet in betekenende mate’ (luchtkwaliteitseisen) en draagt niet in betekenende mate bij aan de
24
Flevo Golf Resort
verslechtering van de luchtkwaliteit. Aanvullend onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.
4.4
Bodem
Het beleid ten aanzien van de bodemkwaliteit is op nationaal niveau vastgelegd in de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Gestreefd wordt naar een duurzaam bodembeheer. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er gezondheidsrisico's of ecologische risico's daardoor zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Om deze vragen te beantwoorden is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig. Het uitgangspunt wat betreft de bodem in het plangebied is, dat de kwaliteit ervan zodanig dient te zijn dat er geen risico's zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor de beoogde functie(s). In de directe omgeving van het plangebied zijn diverse bodemonderzoeken uitgevoerd. Recentelijk is verkennend bodemonderzoek (Grondslag bodemkwaliteitsbureau, Verkennend bodemonderzoek Flevo Golf Resort te Lelysytad, Albatroslaan/ Eaglelaan, fase 5, project 6225, 12 december 2018) op bouwlocatie fase 5 op het Flevo Golf Resort, nabij de Eaglelaan, uitgevoerd. Uit de onderzoeksresultaten volgt de conclusie dat de locatie geschikt is voor woningbouw. Het is niet aannemelijk dat de gronden door het huidige gebruik verontreinigd zijn.
Er is dus geen sprake van een verdachte locatie. Er dient nog onderzoek naar de bodemkwaliteit van het perceel plaats te vinden in het kader van de omgevingsvergunning voor bouwen. Op voorhand kan echter gesteld worden dat de bodemkwaliteit, gelet op de resultaten uit eerdere onderzoeken, geschikt of geschikt te maken is voor uitvoering van de bouwplannen die mogelijk gemaakt worden.
4.5
Hinder van bedrijven
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Voor deze afstemming wordt de basiszoneringslijst van de VNG-brochure ’Bedrijven en milieuzonering’ (2009) gehanteerd. Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. In de omgeving van het projectgebied zijn geen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen of gevoelige functies gelegen die een onaanvaardbare milieuhinder met zich meebrengen. Het onderhavige plan hoeft derhalve niet aan richtafstanden getoetst te worden.
4.6
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. In het kader van het aspect externe veiligheid is de risicokaart geraadpleegd. Hieruit blijkt dat in en in de omgeving van het projectgebied geen sprake is van risicobronnen en transportroutes voor gevaarlijke stoffen, met uitzondering van de N307 waar 853 wagens LF1 en 853 wagens GF3 vervoerd worden, conform gegevens uit 2002. In het kader van het geldende bestemmingsplan 'Stadsrandgebied' is onderzoek gedaan naar de veiligheidsaspecten. Er geldt geen plaatsgebonden risicontour Voor ruimtelijke besluiten binnen 200 meter van de transportroute dient het groepsrisico te worden bepaald. In de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is aangegeven dat in sommige gevallen de berekening van het groepsrisico achterwege kan blijven. Hiervoor zijn vuistregels opgenomen in de concept Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) die de gebruiker een indicatie geven wanneer een risicoberekening zinvol is. Met de vuistregels kan ingeschat worden of de vervoersaantallen, bebouwingsafstanden en/of aanwezigheidsdichtheden te klein zijn om tot een overschrijding van de oriëntatiewaarde of 0,1 maal de oriëntatiewaarde kunnen leiden. De drempelwaarde voor 0,1 maal de
25
Flevo Golf Resort
oriëntatiewaarde geeft een indicatie dat zeker een groepsrisicoberekening moet worden uitgevoerd. Uit de vuistregels blijkt dat voor de N307 is gebleken op basis van de geringe bevolkingsdichtheid en grote afstand tot de weg het groepsrisico kleiner zal zijn dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Een berekening van het groepsrisico is daarom niet zinvol. In het projectgebied worden verder geen ontwikkelingen voorgesteld die invloed hebben op externe veiligheidsrisico’s. Vanuit de externe veiligheid bestaan geen uitgangspunten en belemmeringen voor het project. Een aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk.
4.7
Stikstof depositie
Projecten en activiteiten kunnen leiden tot stikstof productie die vervolgens neerslaat (stikstof depositie) op beschermende Natura2000 gebieden en daar leidt tot negatieve effecten voor de natuur. Naast veehouderijen, industriële bedrijvigheid, evenementen en wegverkeer kan ook woningbouw leiden tot stikstofdepositie. Voor het plangebied is in dit kader vooral Natura2000 gebied de Veluwe van belang. Dit gebied ligt op ruim 15 kilometer afstand van het plangebied. De nabij het plangebied gelegen Oostvaardersplassen, Markermeer en IJsselmeer zijn ook Natura2000 gebieden, maar deze zijn niet stikstof gevoelig. Om vast te stellen wat de feitelijke stikstofemissie binnen de hele, nog te ontwikkelen wijk, is een berekening gemaakt, zie bijlage 4. De berekeningen met AERIUS genereert een rekenresultaat en een drietal pdf bestanden waarin wordt geconstateerd dat er geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn met een overschrijding van een projectbijdrage van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar voor elk van de drie fasen.
4.8
Kabels en leidingen
Planologisch relevante kabels en leidingen (hoofdleidingen, straalpaden et cetera) dienen met de van toepassing zijnde belemmeringenstroken in een bestemmingsplan te worden verankerd. In het plangebied komen deze niet voor, waardoor belemmeringenstroken voor kabels en leidingen niet aan de orde zijn.
4.9
Archeologie en cultuurhistorie
Ter implementatie van het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving is in 2007 de Wet op de archeologische monumentenzorg als onderdeel van de Monumentenwet in werking getreden. De wet verplicht gemeenten bij het opstellen van ruimtelijke plannen en projecten rekening te houden met de in hun bodem aanwezige waarden. In het bestemmingsplan 'Stadsrandgebied' is een dubbelbestemming ‘Waarde archeologie’ opgenomen. Deze dubbelbestemming is niet van toepassing op het onderhavige projectgebied. Nader onderzoek is niet nodig. Cultuurhistorie Bij het opstellen van plannen moeten cultuurhistorische waarden tijdig in beeld worden gebracht. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt in dat verband specifieke eisen aan het opstellen van ruimtelijke plannen. De inrichting van dit terrein en het stedenbouwkundig plan voldoen aan de gestelde stedenbouwkundige en architectonische randvoorwaarden, passend bij de karakteristieke kenmerken van de stedenbouwkundige structuur. Voor het overige zijn er geen cultuurhistorische waarden waarmee in het plangebied rekening gehouden moet worden.
4.10 Ecologie en 'groene' wetgeving en beleid Om de uitvoerbaarheid van het plan te toetsen, is een inventarisatie van natuurwaarden uitgevoerd, zie bijlage 5. Het doel van de inventarisatie is om na te gaan of aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is. Uit het onderzoek komt naar voren dat geen jaarrond beschermde nest- of verblijfplaatsen van vogels of
26
Flevo Golf Resort
verblijfplaatsen van bever, otter en vleermuizen verloren gaan. Wel zijn voor deze soort(groep)en een aantal voorzorgsmaatregelen nodig om verstoring dan wel verkeersslachtoffers (otter en bever) te voorkomen. Het gaat hierbij om de volgende maatregelen: De oevers van de watergangen dienen voorafgaand aan het bouwrijp maken van het projectgebied en voorafgaand aan de aanleg van de infrastructuur en watergangen kort af te worden gemaaid. Overigens vindt er in de huidige situatie al jaarlijks maaibeheer langs de watergangen plaats, zodat dit een voortzetting is van het gewone beheer Daarnaast is het nodig om er bij de aanleg van de inrit aan de zuidzijde van het projectgebied voor te zorgen dat dat watergang hier beschikbaar blijft als veilige route waarlangs bever en otter zich kunnen verplaatsen. De aanleg van een dam als toegang tot de te bouwen woonwijk zou kunnen leiden tot verkeersslachtoffers. Daarom dient de toegangsweg te worden uitgevoerd als brug met een voor otter geschikte passeermogelijkheid. Voor alle werkzaamheden geldt dat moet worden voorkomen dat bever en otter verstoord worden door de aanlegwerkzaamheden. De aanlegwerkzaamheden die langs of nabij de watergangen worden uitgevoerd, mogen daarom uitsluitend tussen zonsopkomst en zonsondergang worden uitgevoerd. Bovendien mogen geen bouwlampen langs de watergangen worden geplaatst.
In dat geval zijn negatieve effecten op bever en otter door verstoring uit te sluiten. In verband met de verwachte broedvogels dienen de aanlegwerkzaamheden die verstoring kunnen veroorzaken te worden uitgevoerd buiten het broedseizoen. Dezelfde maatregel is ook nodig voor de overige broedvogels waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn. Een standaardperiode voor het broedseizoen is er niet; van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Voor de meeste vogels, inclusief sperwer geldt dat het broedseizoen ongeveer van 15 maart tot 15 juli duurt. Voor de potentiële nestplaats van ransuil en boomvalk is het echter beter om een langere periode voor het broedseizoen aan te houden, namelijk van 15 februari tot en met 31 augustus, afhankelijk van de soort die wordt aangetroffen. Tot slot wordt geadviseerd om bij de plaatsing van bouwlampen en buitenverlichting lampen te plaatsen met naar beneden gerichte armaturen die geen lichtuitstraling richting de zij- en bovenkant veroorzaken. In dat geval zijn geen negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten. Deze voorzorgsmaatregelen zijn op voorhand voorgeschreven terwijl niet duidelijk is of de potentiële vleermuisverblijfplaats en potentiële nestplaats van sperwer en boomvalk of ransuil in gebruik zijn.
Daarom is het raadzaam om voorafgaand aan de uitvoering nader onderzoek naar deze soorten uit te voeren om te bepalen of deze maatregelen echt noodzakelijk zijn. Daarbij kan het in het kader van de uitvoering nodig blijken om een ontheffing van de Wnb aan te vragen en kan het nodig zijn om de maatregelen nog beter toe te spitsen op de situatie ten tijde van de uitvoering. Zo kan het zijn dat sperwer een nieuw nest bouwt, waarop een kleine aanpassing van de inrichting nodig is om de nestplaats te kunnen behouden. Indien gewerkt wordt volgens deze of vergelijkbare voorzorgsmaatregelen kunnen negatieve effecten op niet-vrijgestelde soorten voorkomen worden, waardoor het plan ecologisch gezien redelijkerwijs uitvoerbaar kan worden geacht. Een nadere analyse in het kader van de gebiedenbescherming van de Wnb of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid is niet noodzakelijk. Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van natuurlijke habitats en soorten. Voor deze activiteit is daarom geen vergunning op grond van de Wnb nodig. Het plan is daarnaast op het punt van provinciaal natuurbeleid niet in strijd met de Provinciale Omgevingsverordening.
4.11 Waterparagraaf Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de watertoets wettelijk verplicht door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten (naast veiligheid en wateroverlast ook bijvoorbeeld waterkwaliteit en verdroging). De watertoets is een belangrijk procesinstrument om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in de ruimtelijke ordening. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan.
27
Flevo Golf Resort
De watertoetsprocedure kan op drie manieren gevolgd worden: de procedure geen waterschapsbelang, de korte procedure en de normale procedure. Welke procedure gevolgd moet worden hangt af van de implicaties van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. De procedure geen waterschapsbelang en de korte procedure zijn bedoeld voor ruimtelijke plannen met beperkte gevolgen voor de waterhuishouding. Bij deze twee procedures kan de watertoets volledig digitaal doorlopen worden. De normale procedure is gericht op ruimtelijke plannen met relatief vergaande consequenties voor de waterhuishouding. In dit geval is actieve betrokkenheid van Waterschap Zuiderzeeland nodig. De relevante randvoorwaarden voor het plan zijn gerangschikt onder zeven streefbeelden ingedeeld op basis van de drie waterthema's Veiligheid, Voldoende Water en Schoon Water. Van streefbeeld naar randvoorwaarde vindt u het uitgangspunt, dat het vertrekpunt vormt bij de verwezenlijking van het streefbeeld. U krijgt op deze manier een goed overzicht van de randvoorwaarden en kan eveneens herleiden waarop deze gebaseerd zijn. De digitale watertoets is doorlopen. De resultaten hiervan zijn in Bijlage 6 opgenomen. Hieruit volgt dat een normale procedure doorlopen dient te worden. 4.11.1
Wet- en regelgeving en beleid
Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is in 2000 ingevoerd en heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratieen kwelgebieden). Door de inrichting van watergangen af te stemmen op de ecologie kan de ecologische toestand verbeterd worden. De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte- en grondwater terug te dringen. Daarnaast zal de onttrekking van grondwater in evenwicht worden gebracht met de aanvulling van het grondwater. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. Een andere aanpak in het licht van verwachte ontwikkelingen inzake zeespiegelstijging, toenemende neerslag en rivierwaterafvoer en verdergaande bodemdaling is noodzakelijk. De adviezen van de commissie staan in het rapport Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw(WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes(drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: vasthouden, bergen en afvoeren; schoonhouden, scheiden en zuiveren.
Waterwet De Waterwet is op 22 december 2009 in werking getreden. Deze Waterwet bestaat uit een achttal wetten die zijn samengevoegd tot één wet. De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de watersysteembenadering' centraal. De verantwoordelijkheden in het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd. De voornaamste veranderingen zijn de invoering van de watervergunning en een verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name het ruimtelijke domein. Op grond van o.m. de Waterwet is voor gemeenten, naast het inzamelen en transporteren van vrijkomend stedelijk afvalwater een formele taak weggelegd voor het afvoeren van overtollig regenwater. In zoverre het inzamelen en transporteren van relatief schoon regenwater buiten de afvalwaterstroom doelmatig kan worden uitgevoerd, vindt deze gescheiden van de afvoer van het stedelijk afvalwater plaats. Het gebiedseigen water wordt op plaatsen waarvoor mogelijkheden aanwezig zijn, vastgehouden en geborgen in aanwezig stedelijk water en/of retentiestroken. Het bergen en vasthouden van regenwater op locatie
28
Flevo Golf Resort
mag niet leiden tot (water)overlast voor de woonomgeving. Tot slot heeft de gemeente een watertaak waterhuishoudkundige maatregelen te treffen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming(en) zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. In de Keur van het waterschap Zuiderzeeland, onderdeel uitmakend van de Waterwet, is aangegeven wat wel en niet mag bij waterkeringen en wateren (de zogenaamde waterstaatswerken). Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan is vastgesteld op basis van de Waterwet en de Wet Ruimtelijke ordening (Wro). Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Belangrijke ambities hierin zijn het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van de ruimte. Het geeft maatregelen die in de periode 2016 - 2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
Nederland voldoet met dit plan aan de Europese eisen beschreven in de KRW, de Richtlijn Overstromingrisico`s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS), het plan geldt als structuurvisie voor de ruimtelijke aspecten. Waterbeheerplan Waterschap Zuiderzeeland Het Waterbeheerplan 2016-2021 (WPB3) bevat langetermijndoelen (zichtjaar 2050), doelen voor de planperiode (2016-2021) en maatregelen die het waterschap (samen met gebiedspartners) uit gaat voeren. De doelen en maatregelen hebben betrekking op de kerntaken van het waterschap (waterveiligheid, schoon water, voldoende water) en het thema water en ruimte. Hierbij gaat het om reguliere werkzaamheden, zoals peilbeheer, onderhoud aan dijken en het zuiveren van afvalwater en om nieuwe ontwikkelingen. 4.11.2
Plangebied
Veiligheid Het plangebied ligt niet buitendijks. Op basis van dit aspect zijn er geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing. Het plangebied ligt ook niet in een beschermingszone van een overige waterkering. Op basis van dit aspect zijn er geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing. Primaire waterkeringen op orde Streefbeeld Het buitenwater is een reële bedreiging voor de veiligheid in Flevoland. Waterkeringen beschermen Flevoland tegen deze bedreiging. Het waterschap wil de veiligheid ook in de toekomst blijven waarborgen. Door te werken aan veilige, robuuste en duurzame waterkeringen anticipeert het waterschap op sociale, ruimtelijke, economische en klimatologische ontwikkelingen. Uitgangspunt Het plangebied is gelegen nabij de waterkering. Om de veiligheid met primaire keringen te waarborgen wordt bij ruimtelijke planvorming rekening gehouden met waterhuishoudkundige eisen voor de korte en lange termijn. Dit conform het besluit algemene regels ruimtelijke ordening en de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (ministerie I&M; 2012). Ten behoeve van de veiligheid, beheerbaarheid en de benodigde ruimte voor toekomstige ontwikkelingen geldt een beperkingvoor handelingen op of in de nabijheid van de waterkering. Daarvoor zijn een kering en zijn omgeving in zones opgedeeld.
Dit betreffen de kern, binnen-, tussen- en buitenbeschermingszones van de waterkeringen. In sommige gevallen worden gebouwen, windmolens, kabels en leidingen en beplanting toch toegestaan. Voor nader bepaalde handelingen wordt dan ontheffing verleend op het verbod met een watervergunning. Per zone zijn hier voorwaarden voor geformuleerd. De belangrijkste voorwaarde is dat het waterkeringbelang en het beheer en onderhoud niet in het geding komen. Meer informatie over de in beginsel toegestane activiteiten en voorwaarden staat in de Keur.
29
Flevo Golf Resort
Randvoorwaarde(n) In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is aangegeven dat een beschermingszone ook in bestemmingsplannen dient te worden verankerd. Om voldoende rekening te houden met de waterstaatkundige belangen worden aan de gronden die zijn gelegen in genoemde beschermingszone(s) van de primaire waterkering de juiste bestemming of gebiedsaanduiding toegekend in een ruimtelijk plan. De inperking van de bouwmogelijkheden op grond van de Keur (uitgewerkt in de Legger, het waterschapsbeleid en het waterbeheerplan) geldt ongeacht of dit in een ruimtelijk plan is opgenomen. De gemeente zal een leggerwijziging uiteindelijk verwerken in de relevante bestemmingsplannen. Dit plan is (deels) gelegen in de een buitenbeschermingszone van een de primaire waterkering. Voldoende water Wateroverlast Streefbeeld Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, is op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen. Het verharden van grond met bebouwing of bestrating leidt tot een versnelling van de afvoer van neerslag naar het watersysteem. Waar het verharde oppervlak als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling toeneemt, dienen compenserende maatregelen te worden genomen om piekafvoeren te verwerken. Afwenteling op omliggende gebieden wordt voorkomen en de bergingsruimte in het watersysteem blijft behouden.