Bijlage 8 Akoestisch Onderzoek Zuiderhage Lelystad
Tekst van het document
en gemeentewegen afzonderlijk van elkaar. Dat is met metingen niet mogelijk, omdat bij het uitvoeren van metingen altijd het gezamenlijke geluid van alle geluidbronsoorten wordt gemeten.
• Het geluid in de toekomstige situatie en het effect van geluidbeperkende maatregelen kan nog niet worden gemeten en moet dus worden berekend.
A1.5
Toegestane waarde van het geluid en geluidbeperkende maatregelen
Het geluid bij een nieuw geluidgevoelig gebouw mag in beginsel niet hoger zijn dan de wettelijke standaardwaarde (Bkl, artikel 5.78t), zie onderstaande tabel. Tabel: Standaardwaarde en grenswaarde voor het geluid bij nieuwe geluidgevoelige gebouwen Geluidbronsoort
Standaardwaarde
Grenswaarde
Provinciale wegen Rijkswegen
50 Lden
60 Lden
Gemeentewegen Waterschapswegen
53 Lden
70 Lden
Lokale spoorwegen Hoofdspoorwegen
55 Lden
65 Lden
50 Lden
55 Lden
40 Lnight
45 Lnight
Industrieterreinen
Maatgevende jaar Bij het bepalen van het geluid in de situatie na realisatie van het plan moet worden uitgegaan van het toekomstige ‘maatgevende jaar’ (Bkl, artikel 5.78a). Welk jaar dat is, is niet wettelijk gedefinieerd. Doorgaans wordt hierbij gekozen voor het 10e jaar na planrealisatie, zodat het geluid in de eerste 10 jaar na het project niet hoger wordt dan de standaardwaarde. Onderzoek naar geluidbeperkende maatregelen Als uit het akoestisch onderzoek blijkt dat het geluid bij een nieuw geluidgevoelig gebouw hoger is dan de standaardwaarde, moeten geluidbeperkende maatregelen worden onderzocht. Het doel van het onderzoek naar geluidbeperkende maatregelen is om aan de standaardwaarde te voldoen of, als dat niet mogelijk is (zie ‘Mogelijke bezwaren tegen het treffen van geluidbeperkende maatregelen’), de overschrijding zo veel mogelijk te beperken. Daarbij geldt als voorwaarde dat de het geluid nooit hoger mag zijn dan de grenswaarde (Bkl, artikel 5.78u). Alleen als zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen kan hoger geluid dan de grenswaarde worden toegelaten (Bkl, artikel 5.78aa).
Als sprake is van vervangende nieuwbouw (een nieuw geluidgevoelig gebouw op een plek waar al een geluidgevoelig gebouw aanwezig was) mag de grenswaarde met ten hoogste 5 dB worden overschreden, zolang het totaal aantal geluidgevoelige gebouwen met meer geluid dan de grenswaarde niet wezenlijk toeneemt (Bkl, artikel 5.78v). 4 februari 2026
BJ7064-HAS-RP-001-F1.3
25
Projectgerelateerd
Het gemeentebestuur heeft een motiveringsplicht als zij besluit meer geluid dan de standaardwaarde toe te staan, waarbij het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel moet worden betrokken en de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde moet worden beoordeeld (Bkl, artikel 5.78ab en 5.78ac), zie paragraaf A1.7. Voor deze belangenafweging heeft de gemeente Lelystad beleid opgesteld, zie bijlage 3. Mogelijke bezwaren tegen het treffen van geluidbeperkende maatregelen Geluidbeperkende maatregelen hoeven niet tegen elke prijs te worden getroffen, bijvoorbeeld als de kosten ervan niet in redelijke verhouding staan tot het aantal geluidgevoelige gebouwen dat er profijt van heeft. Om dit te bepalen kan aansluiting worden gezocht bij het ‘doelmatigheidscriterium’ voor rijkswegen en hoofdspoorwegen in § 3.5.4.4 van het Bkl of kan de gemeente zelf beleid opstellen. De gemeente heeft hiervoor geen beleid opgesteld. Naast financiële bezwaren kunnen geluidbeperkende maatregelen ook stuiten op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard.
A1.6
Indirecte akoestische effecten van veranderend verkeer
Het is mogelijk dat het geluid buiten het plangebied toeneemt, doordat het plan een toename van de verkeersintensiteit veroorzaakt op nabijgelegen wegen. Dit wordt een ‘indirect akoestisch effect’ genoemd (Bkl, artikel 5.78af). Hiervoor geldt dat het geluid van die wegen op bestaande geluidgevoelige gebouwen niet met meer dan 1,5 dB mag toenemen. De toename van het geluid moet worden bepaald door de situatie in het toekomstige maatgevende jaar na realisatie van het plan (zie paragraaf A1.5) te vergelijken met de situatie in datzelfde jaar zonder het plan. Als blijkt dat het geluid met meer dan 1,5 dB toeneemt, dan kan redelijkerwijs worden aangenomen dat dat het gevolg is van het plan en moeten geluidbeperkende maatregelen worden onderzocht. Het doel van het onderzoek naar geluidbeperkende maatregelen is om de toename te voorkomen of, als dat niet mogelijk is (zie voor de bezwaren die hiervoor kunnen gelden de vorige paragraaf), de toename zo veel mogelijk te beperken. Daarbij geldt als voorwaarde dat de geluidbelasting niet hoger mag worden dan de grenswaarde van 70 dB (Bkl, artikel 5.78af). Alleen als zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen mag een hogere geluidbelasting dan deze grenswaarde worden toegelaten (Bkl, artikel 5.78af).
Het gemeentebestuur heeft een motiveringsplicht als zij besluit hogere toenames toe te staan, waarbij ook de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid moet worden beoordeeld (Bkl, artikel 5.78af), zie paragraaf A1.7. Tevens dient een besluit genomen te worden of, en zo ja welke geluidwerende maatregelen aan een geluidgevoelig gebouw worden getroffen om te kunnen voldoen aan de wettelijke grenswaarde voor het geluid in geluidgevoelige ruimten (binnenwaarde) (Bkl, artikel 3.52).
A1.7
Beoordelen gecumuleerd geluid en bepalen gezamenlijk geluid
Als het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw hoger wordt dan toegestaan en het niet mogelijk is dit met geluidbeperkende maatregelen te voorkomen, dient de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid te worden beoordeeld en moet het gezamenlijke geluid worden bepaald in verband met de benodigde geluidwering van de gevel (Bkl, artikel 5.78ac en 5.78ad). Daarvoor moet inzichtelijk worden gemaakt wat het opgetelde geluid is van alle relevante geluidbronsoorten en andere activiteiten tegelijk, waarbij in ieder geval worden betrokken (Bkl, artikel 3.38):
• Wegen, spoorwegen of industrieterreinen: voor zover het geluidgevoelige gebouw zich binnen het geluidaandachtsgebied van die geluidbronsoort bevindt.
4 februari 2026
BJ7064-HAS-RP-001-F1.3
26
Projectgerelateerd
• Luchtvaart: voor zover het geluidgevoelige gebouw zich bevindt binnen de 48 dB geluidcontour (of, als de geluidcontouren in Kosteneenheden zijn uitgedrukt, de 20 Kosteneenheden geluidcontour).
• Windturbines: voor zover het geluid door windturbines of een windpark op het geluidgevoelige gebouw hoger is dan 43 dB.
• Schietbanen en springterreinen: voor zo ver het geluid op het geluidgevoelige gebouw ten gevolge van de schietbaan of het springterrein hoger is dan 50 dB Bs,dan (de eigen beoordelingsgrootheid voor schietterreinen).
Het gecumuleerd geluid en gezamenlijk geluid wordt op verschillende manieren bepaald:
• Gecumuleerd geluid is het geluid door alle relevante geluidbronsoorten bij elkaar opgeteld, met een
correctie voor de verschillen in hinderlijkheid. Hiervoor is in de wetgeving een rekenmethode opgenomen, waarbij al het geluid eerst wordt omgerekend naar het geluid door wegen dat evenveel hinder veroorzaakt, voordat het bij elkaar wordt opgeteld (Or, artikel 3.25).
• Gezamenlijk geluid is het geluid door alle relevante geluidbronsoorten en andere activiteiten bij elkaar opgeteld, zonder correctie voor hinderlijkheid (Or, artikel 3.26).
In tegenstelling tot Lden-waarden (zie paragraaf A1.4) worden gecumuleerde geluidbelastingen (Lcum) niet afgerond op gehele waarden (Or, artikel 3.27). Aanvaarbaarheid gecumuleerd geluid Voor de toetsing van de aanvaardbaarheid van gecumuleerd geluid bestaat geen wettelijk kader. Het is aan het bevoegd gezag om de aanvaardbaarheid te beoordelen. Daarbij spelen naast geluid ook andere omstandigheden en belangen een rol, zoals belangen van gezondheid, economie, een woningbouwopgave en mobiliteit. Het bevoegd gezag beschikt hierbij over ‘bestuurlijke afwegingsruimte’ om eigen afwegingen te maken over activiteiten in de fysieke leefomgeving. Een bestuursorgaan kan ervoor kiezen om beleid op te stellen ter ondersteuning van de te maken afweging. De gemeente Eindhvoven heeft hiervoor beleid opgesteld, zie bijlage 5. Bepalen gezamenlijk geluid Als het niet mogelijk is om aan de toegestane waarde van het geluid te voldoen, moet in het omgevingsplan het gezamenlijke geluid op de geluidgevoelige gebouwen worden bepaald. Dit gezamenlijke geluid wordt vervolgens gebruikt om te bepalen of maatregelen nodig zijn om de geluidwering van de gevel te verbeteren, zodat wordt voldaan aan wettelijke binnenwaarden.
A1.8
Geluidwerende maatregelen aan de gevel
Op basis van artikel 4.102 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bedraagt de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied van een geluidgevoelig gebouw minimaal 20 dB. Als het geluid op de gevel hoger is dan de wettelijke standaardwaarde, kunnen extra geluidwerende maatregelen aan de gevel nodig zijn, om te voldoen aan de vereiste binnenwaarde van 33 dB. De benodigde gevelwering wordt bepaald op basis van het gezamenlijke geluid (zie paragraaf A1.7):
• De geluidwering van de gevel is minimaal gelijk aan het verschil tussen het gezamenlijke geluid en 33 dB (Bbl, artikel 4.103).
• De geluidwering van een niet-geluidgevoelige gevel is minimaal gelijk aan het verschil tussen het gezamenlijke geluid en 33 dB, verhoogd met 3 dB (Bbl, artikel 4.103b).
4 februari 2026
BJ7064-HAS-RP-001-F1.3
27
Projectgerelateerd
De regels voor de geluidwering van de gevel gelden niet voor woonwagens en woonschepen. Woonwagens en woonschepen hebben namelijk geen geluidgevoelige ruimten waarop de grenswaarden voor het geluid in geluidgevoelige ruimten van toepassing zijn (Bkl, artikel 3.22).
A1.9
Niet-geluidgevoelige gevel (met bouwkundige maatregelen)
Een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is een gevel waar het geluid hoger is dan de grenswaarde en waarvoor bouwkundige maatregelen worden getroffen die (Bkl, artikel 5.78y):
• Zorgen dat de gevel geen te openen delen bevat anders dan als onderdeel van een gemeenschappelijke doorgang; of
• Zorgen dat het geluid op de te openen delen van de gevel die direct grenzen aan een verblijfsgebied niet hoger is dan de grenswaarde.
Een niet-geluidgevoelige gevel is een gevel waar het geluid hoger is dan de grenswaarde en waarvoor geen bouwkundige maatregelen kunnen worden getroffen (Bkl, artikel 5.78aa). In het omgevingsplan moet worden vastgelegd als een gevel een niet-geluidgevoelige gevel of een nietgeluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is.
4 februari 2026
BJ7064-HAS-RP-001-F1.3
28
Projectgerelateerd
Bijlage 3: Gemeentelijk beleid Het gemeentebestuur heeft een motiveringsplicht als zij besluit meer geluid dan de standaardwaarde toe te staan, waarbij het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel moet worden betrokken en de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid moet worden beoordeeld. De gemeente Lelystad heeft hiervoor beleid opgesteld. De beleidsregels zijn opgenomen in ‘Geluid in Lelystad: Hogere grenswaarden en Zonebeheer’ van 23 januari 2007. Hoewel dat beleid is opgesteld ten tijde van de Wet geluidhinder, kan het naar analogie van de Omgevingswet ook nu nog worden toegepast. De voor dit plan belangrijkste regels zijn:
• Bij het toelaten van meer geluid dan de standaardwaarde, moet ten minste aan één kant van iedere woning een geluidsluwe buitenruimte zoals tuin of balkon aanwezig zijn.
• Bij het toelaten van meer geluid dan de standaardwaarde, is het wenselijk de geluidsgevoelige
binnenruimten zoals de woonkamer en slaapkamers zoveel mogelijk aan de rustige kant van de woning te realiseren.
• Bij het toelaten van meer geluid dan de standaardwaarde, worden akoestische en niet akoestische compenserende maatregelen getroffen.
In het geluidbeleid is niet gedefinieerd hoe hoog het geluid mag zijn bij een ‘geluidluwe buitenruimte’ of ‘rustige kant’. Ook zijn geen voorbeelden opgenomen van ‘akoestische en niet akoestische compenserende maatregelen’. Dat geeft enige vrijheid bij de verdere planuitwerking, maar betekent ook dat goede afstemming met de gemeente nodig is om te bepalen wanneer sprake is van een goed woonen leefklimaat.
4 februari 2026
BJ7064-HAS-RP-001-F1.3
29