CConstaterende datLelystad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2d - toelichting

Raadsvergadering 16 december 2025, gemeente LelystadBij agendapunt: 25.413 Wijziging Bestemmingsplan 'Uitbreiding Flevokust Haven Zuid' n.a.v. tussenuitspraak Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State25.002 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

In artikel 7.5 van de provinciale omgevingsverordening (zie ook paragraaf 3.2.3) is bepaald dat wanneer een ruimtelijk plan binnen of nabij een aangewezen Natuurnerkwerk Nederland plaatsvindt het voornemen strekt mede tot bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van dat gebied.

Het NNN ten oosten van het plangebied valt onder deelgebied ‘Stadsbossen Lelystad’. Dit betreft het Visvijverbos. Het Visvijverbos (ca. 125 ha) is een multifunctioneel vochtig productiebos en bestaat vooral uit omgevormd populierenbos met gemengd loofhout met daartussen enkele percelen naaldhout. Het gebied is o.a. leefgebied voor bos- en struweelvogels. De boommarter wordt ook regelmatig waargenomen, en de bever maakt gebruik van de Noordertocht ten oosten van de A6. De A6 loopt dwars door het

(vastgesteld)

blz. 68

Visvijverbos. Hierdoor is er sprake van barrièrewerking en geluidshinder. De A6 is voor kleine fauna passeerbaar via een droge passage. Door het gebied lopen wandel- en fietspaden, maar er wordt relatief weinig gerecreëerd.

De wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN gebied aangrenzen van het onderzoeksgebied zijn: Gezamenlijk vormen de bossen leefgebied voor bossoorten; Geschikt leefgebied voor soorten van open water; Zavelhoudende bodem met bijbehorende kenmerkende vegetatie. Specifiek voor het visvijverbos is de lokale kenmerk en waarde: Stapsteen langs de noord- en oostrand van Lelystad via de Noordertocht en de Oostervaart. De beoogde ontwikkelingen binnen Flevokust Haven kunnen op meerdere manieren een effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Effecten op enkele wezenlijke kenmerken en waarden kunnen echter op voorhand al uitgesloten worden, als gevolg van de beoogde ontwikkeling en de afstand tot het NNN. Omdat er geen sprake is van een ontwikkeling binnen het NNN, is er geen sprake van een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden ‘Zavelhoudende bodem met bijbehorende vegetatie’ en ‘Stapsteen langs de noord- en oostrand Lelystad’. Er is enkel mogelijk een verstorend effect op de aanwezige diersoorten en de functie van het NNN als leefgebied van diersoorten. Deze mogelijke effecten worden hieronder nader beschouwd.

Leefgebied voor bossoorten Door de realisatiewerkzaamheden en het gebruik van het bedrijventerrein zal er een toename van verstoring zijn in het leefgebied van bossoorten. Deze verstoring zal door de geringe afstand tot het NNN in de vorm van verstoring door geluid, trillingen en optische verstoring zijn. Op basis van data van de afgelopen 5 jaar uit NDFF blijkt dat er verschillende vogel-, insect-, en overige zoogdiersoorten aanwezig zijn in het bos. Hoewel er in de huidige situatie al een weg gelegen is tussen het plangebied en het bos, zal deze in de beoogde situatie mogelijk veel drukker worden.

Tijdens de aanlegfase zal er door de werkzaamheden tijdelijke een sterke toename zijn van verstoring door geluid en menselijke aanwezigheid, maar ook in de gebruiksfase zal door de functie als bedrijventerrein en het gebruik van de Karperweg de verstoring toenemen. Hoewel deze verstoring door de dichtheid van het bos snel niet meer waarneembaar zal zijn, is het mogelijk dat de randzones tijdelijk én permanent verstoord zullen zijn. Hierdoor neemt het functionele oppervlak van het leefgebied mogelijk af. Omdat ook de A6 voor verstoring zorgt, is het mogelijk dat hierdoor het leefgebied van het westelijk deel van het visvijverbos dat in gebruik is door verschillende bossoorten té klein wordt. Verstoring door geluid van de Karperweg zal het meest ver reiken. Er is daarom sprake van significante aantasting van het gebied als leefgebied voor bossoorten.

(vastgesteld)

blz. 69

Leefgebied soorten van open water Het open water dat binnen het NNN gelegen is, ligt op enkele tientallen meters van de bosrand. Hierdoor zal een deel van verstoring door geluid en menselijke aanwezigheid al niet meer waarneembaar zijn. Daarnaast bevindt het merendeel van soorten van open water zicht ónder het wateroppervlak, waar geluid verminderd in doordringt, en optische verstoring niet waarneembaar is. Er is daarom geen sprake van significante aantasting van het gebied als leefgebied voor soorten van open water.

Conclusies Er is sprake van significante aantasting van de wezenlijke kenmerken omdat het leefgebied voor bossoorten verloren gaat of minder geschikt wordt. Dit verlies moet (inclusief kwaliteitslag) gecompenseerd worden.

Bij de inrichting van Flevokust-Haven wordt dit gedaan door de verbinding tussen het Visvijverbos en het bosgebied tussen de N307 en het IJsselmeer te versterken (allebei onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) bijlage 1). Het creëren van 19 hectare bosgebied, waarbij tweederde van de oppervlakte als een echt bos wordt ingericht, draagt hier aan bij (zie ook figuur 4.9). De zuidelijke toegangsroute tot Flevokust Haven vormt een potentiële barrière in de voorgestelde ecologische verbinding. Om te voorkomen dat diersoorten in hun mitigeren belemmerd worden zal een faunapassage gecreëerd worden.

(vastgesteld)

blz. 70

Afbeelding 4.9: Verbinding NNN gebieden als onderdeel van ontwikkeling Flevokust Haven

Stikstofdepositieberekening De geplande ontwikkeling zou kunnen leiden tot een toename in stikstofdepositie. Om dit te kunnen uitsluiten dienen de mogelijke effecten onderzocht te worden.

Situatie onderzoeksgebied Er zijn stikstofberekeningen uitgevoerd voor zowel de aanlegfase (bijlage 15) als de gebruiksfase (bijlage 16). Voor de aanlegfase geldt dat de depositie op gevoelige Natura 2000 gebieden 0 is. De aanlegfase leidt dus niet tot significant negatieve effecten. Voor de gebruiksfase geldt dat de maximale stikstofdepositiebijdrage 0.07 mol N/ha/jaar op de Veluwe is en 0.02 mol N/ha/jaar op de Rijntakken. Op basis van deze resultaten is een significant negatief effect op de Natura 2000-gebieden niet uit te sluiten. Daarom is een Passende Beoordeling (bijlage 17) opgesteld. Uit deze beoordeling blijkt dat door het toepassen van extern salderen, oftewel het uitkopen van emissiebronnen elders, effecten worden weggenomen. Hiermee is het planvoornemen uitvoerbaar. Voorwaarde

(vastgesteld)

blz. 71

hierbij is wel dat e.e.a. procedureel en vergunning technisch geregeld is ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan.

4.12.3 Soortenbescherming Wat betreft de soortenbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd.

Situatie onderzoeksgebied In het onderzoeksgebied zijn verschillende ecologische quickscans uitgevoerd. In bijlage 18, 19, 20 en 21 zijn de ecologische quickscans opgenomen. Op basis van de uitgevoerde quickscans is geconcludeerd dat het plangebied en omgeving mogelijk een functie (foerageergebied, vliegroute en leefgebied) heeft voor vleermuizen en marterachtigen. Nader onderzoek moet vaststellen of de betreffende beschermde soorten, daadwerkelijk voorkomen (met bijbehorende functie(s) in het plangebied) en/of vervolgens de geplande ontwikkelingen strijdig zijn met de soortbescherming van de Wet natuurbescherming.

Door WSP is in beeld gebracht wat de mogelijke effecten zijn van de distributiecentra op de verwachte beschermde soorten (vleermuizen, bever en marterachtigen). De resultaten zijn samengevat in tabel 4.7.

Tabel 4.7 Overzicht soorten en effecten Onderzocht soort Vleermuizen: Gewone dwergvleermuis Wezel, Steenmarter Otter, Bever

Effect van het voornemen Negatieve effecten als gevolg van vernietiging van vasterust of verblijfplaatsen en vliegroute. Negatieve effecten als gevolg van vernietiging van vasterust of verblijfplaatsen Negatieve effecten als gevolg van verstoring leefgebied

Op basis van dit onderzoek is geconcludeerd dat de planontwikkeling een negatief effect kan hebben op vaste rust- en verblijfplaatsen en vliegroutes van vleermuizen en essentieel leefgebied voor wezel en bever. WSP adviseert de volgende maatregelen te treffen: Door voldoende mitigerende maatregelen te treffen en de werkwijze waar mogelijk aan te passen op de aanwezige natuurwaarden kunnen negatieve effecten op de gunstige staat van instandhouding van (kleine) marterachtigen, bever, otter en vleermuizen worden voorkomen. Ten aanzien van alle percelen is een ecologisch werkprotocol noodzakelijk. Ten aanzien van de wezel ter plaatse van perceel D (perceel bol.com) is een ontheffingsaanvraag noodzakelijk. Ten aanzien van het potentiële leefgebied van de wezel op ter plaatse van perceel E (Bestseller) is een mitigatieplan en ecologisch werkprotocol noodzakelijk.

(vastgesteld)

blz. 72

Ten aanzien van bever dient begin 2023 een extra check uitgevierd te worden ten behoeve van vaststellen van verblijfplaatsen van de bever in en rondom de Forellentocht. Andere beschermde soorten ondervinden geen negatieve effecten door het voornemen, voor deze en niet beschermde soorten geldt wel te alle tijden de zorgplicht. Er zijn mitigerende en compenserende maatregelen beschikbaar die een positief effect hebben. Daarnaast zijn in het groenversterkend plan gerichte maatregelen genomen om ecologische verbindingen te versterken, ecologische fragmentatie te voorkomen en een variatie in fauna aan te brengen.

4.12.4 Conclusie Met inachtneming van voldoende en adequate mitigerende en compenserende maatregelen mag in alle redelijkheid worden verwacht dat een eventueel benodigde ontheffing voor beschermde soorten zal worden verleend. De uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is daarom niet in het geding.

4.13

Water

4.13.1 Algemeen In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te worden gehouden met de waterbelangen. Op Rijksniveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de watertoets wettelijk verplicht door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten (naast veiligheid en wateroverlast ook bijvoorbeeld waterkwaliteit en verdroging). De watertoets is een belangrijk procesinstrument om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in de ruimtelijke ordening. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan.

Waterparagraaf In het kader van de watertoets is de normale procedure van toepassing. In de ontwerpfase is het Waterschap betrokken bij het voorstel tot inrichten van het nieuwe plangebied. De watertoetsprocedure is daarvoor gevolgd. Na het plaatsgevonden vooroverleg heeft het Waterschap een wateradvies ingebracht. Aandacht is gevraagd op de effecten van het bestemmingsplan op de waterhuishouding en in hoeverre deze de waterschapsbelangen raken. Dit wateradvies is verwerkt in onderstaande waterparagraaf en bijgevoegde watertoets.

(vastgesteld)

blz. 73

KRW De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is in 2000 ingevoerd en heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie- en kwelgebieden). Door de inrichting van watergangen af te stemmen op de ecologie kan de ecologische toestand verbeterd worden. De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte- en grondwater terug te dringen. Daarnaast zal de onttrekking van grondwater in evenwicht worden gebracht met de aanvulling van het grondwater.

Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. Een andere aanpak in het licht van verwachte ontwikkelingen inzake zeespiegelstijging, toenemende neerslag en rivierwaterafvoer en verdergaande bodemdaling is noodzakelijk. De adviezen van de commissie staan in het rapport Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes(drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: 1. vasthouden, bergen en afvoeren; 2. schoonhouden, scheiden en zuiveren. Waterwet De Waterwet is op 22 december 2009 in werking getreden. Deze Waterwet bestaat uit een achttal wetten die zijn samengevoegd tot één wet. De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering' centraal. De verantwoordelijkheden in het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd. De voornaamste veranderingen zijn de invoering van de watervergunning en een verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name het ruimtelijke domein. Op grond van o.m.

de Waterwet is voor gemeenten, naast het inzamelen en transporteren van vrijkomend stedelijk afvalwater een formele taak weggelegd voor het afvoeren van overtollig regenwater. In zoverre het inzamelen en transporteren van relatief schoon regenwater buiten de afvalwaterstroom doelmatig kan worden uitgevoerd, vindt deze gescheiden van de afvoer van het stedelijk afvalwater plaats. Het 'gebiedseigenwater' wordt op plaatsen waarvoor mogelijkheden aanwezig zijn, vastgehouden en geborgen in aanwezig stedelijk water en/of retentiestroken. Het bergen en vasthouden van regenwater op locatie mag niet leiden tot (water)overlast voor de woonomgeving. Tot slot heeft de gemeente een watertaak waterhuishoudkundige maatregelen te treffen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming(en) zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. In de Keur van het waterschap Zuiderzeeland, onderdeel uitmakend van de Waterwet, is aangegeven wat wel en niet mag bij waterkeringen en wateren (de zogenaamde waterstaatswerken). De waterschapsverordening vervangt de Keur bij inwerkingtreding van de Omgevingswet. Tenslotte zijn op basis van de Waterwet de bewoners op hun eigen terrein primair zelf

(vastgesteld)

blz. 74

verantwoordelijk voor de verwerking van hemelwater.

Nationaal Waterplan Het Nationaal Water Programma 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. In het Nationaal Water Programma 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Dit staat in één programma waarmee de Rijksoverheid anticipeert op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water.

Watervisie Zuiderzeeland “Met water werken aan de leefomgeving” De Watervisie is begin juli 2021 vastgesteld. De Watervisie legt de verbinding tussen maatschappelijke ontwikkelingen en wateropgaven. In deze Watervisie kiest het waterschap voor een integrale benadering met een tijdshorizon van enkele jaren tot enkele decennia, afhankelijk van de opgave. De Watervisie geeft het waterbeleid voor de lange termijn aan voor de kerntaken: Waterveiligheid Voldoende en gezond water Schoon en gezuiverd water Tegelijk vormt de Watervisie de basis voor het Waterbeheerprogramma.

Waterbeheerplan 2022-2027 Waterschap Zuiderzeeland Het waterbeheerprogramma is vastgesteld op 5 juli 2022. Het Waterbeheerprogramma bestaat uit vier hoofdthema's: Omgeving, Waterveiligheid, Voldoende en gezond water en Schoon, gezuiverd water. Per thema wordt beschreven welke maatregelen nodig zijn. In het waterbeheerprogramma zijn de doelen uit de Watervisie vastgelegd die het Waterschap wil bereiken in de planperiode 2022-2027.

4.13.2 Beschrijving van het watersysteem Blauw Raamwerk Flevokust is rondom begrensd door de tien meter brede Karper- en Forellentocht (langs Houtribweg en IJsselmeerdijk) en de Baarstocht (langs Rijksweg A6 en Karperweg). De overige waterpartijen bestaan uit smalle afwateringssloten (kavelsloten). De gemeente is verantwoordelijk voor de watercompensatie ten behoeve van de toename van verharding in de openbare ruimte en demping van de bestaande kavelsloten (in de openbare ruimte en de bedrijfskavel). De toename van verharding in relatie tot de watercompensatie eigen terrein dient door de initiatiefnemers te worden opgelost op eigen terrein.

(vastgesteld)

blz. 75

Figuur 4.10 bestaande legger watergangen binnen het plangebied

Figuur 4.11 totale ontwikkeling Flevokust Haven met groen/blauwe structuren

Bosgebied

(vastgesteld)

blz. 76

Door te variëren in de beschikbaarheid van water en maaiveldhoogtes zullen van de lagere naar de hogere gronden wilgenbossen, elzenbroekbossen, essen-iepenbossen en eiken-haagbeukenbossen ontstaan. In dit nieuwe bos wordt eveneens een deel van de wateropgave middels een nieuwe meanderende watergang gerealiseerd. Door de bochten, de meanders, wordt het water afgeremd en wordt het water zo lang mogelijke vastgehouden in het gebied. Zo zal er minder sprake zijn van droogte in de warme zomerperiodes.

Figuur 4.12 Nieuw aan te leggen bosgebied

Middenbermen Daar waar mogelijk worden de middenbermen voorzien van wadi's. In de wadi's wordt het water zoveel mogelijk lokaal opgevangen, geborgen en geïnfiltreerd. Bij grotere buien wordt het opgevangen water in de wadi's vertraagd afgevoerd naar de watergangen.

4.13.3 Waterveiligheid Primaire waterkering op orde Streefbeeld Het buitenwater is een reële bedreiging voor de veiligheid in Flevoland. Waterkeringen beschermen Flevoland tegen deze bedreiging. Het Waterschap wil de veiligheid ook in de toekomst blijven waarborgen. Door te werken aan veilige, robuuste en duurzame waterkeringen anticipeert het waterschap op sociale, ruimtelijke, economische en klimatologische ontwikkelingen.

Uitgangspunten en randvoorwaarden Het plangebied is gelegen nabij de primaire waterkering. Om de veiligheid met primaire keringen te waarborgen wordt bij ruimtelijke planvorming rekening gehouden met waterhuishoudkundige eisen voor de korte en lange termijn. Dit conform het besluit algemene regels ruimtelijke ordening en de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

(vastgesteld)

blz. 77

(ministerie I&M, 2012).

Ten behoeve van de veiligheid, beheerbaarheid en de benodigde ruimte voor toekomstige ontwikkelingen geldt een beperking voor handelingen op of in de nabijheid van de waterkering. Daarvoor zijn een kering en zijn omgeving in zones opgedeeld. Dit betreffen de kern, binnen-, tussen- en buitenbeschermingszones van de waterkeringen. In sommige gevallen worden gebouwen, windmolens, kabels en leidingen en beplanting toch toegestaan. Voor nader bepaalde handelingen wordt dan ontheffing verleend op het verbod met een watervergunning. Per zone zijn hier voorwaarden voor geformuleerd. De belangrijkste voorwaarde is dat het waterkeringbelang en het beheer en onderhoud niet in het geding komen. Meer informatie over de in beginsel toegestane activiteiten en voorwaarden staat in de Keur. De waterschapsverordening vervangt de Keur bij inwerkingtreding van de Omgevingswet.

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is aangegeven dat een beschermingszone ook in bestemmingsplannen dient te worden verankerd. Om voldoende rekening te houden met de waterstaatkundige belangen worden aan de gronden die zijn gelegen in genoemde beschermingszone(s) van de primaire waterkering de juiste bestemming of gebiedsaanduiding toegekend in een ruimtelijk plan. De inperking van de bouwmogelijkheden op grond van de Keur (uitgewerkt in de Legger, het waterschapsbeleid en het waterbeheerplan) geldt ongeacht of dit in een ruimtelijk plan is opgenomen. De gemeente zal een leggerwijziging uiteindelijk verwerken in de relevante bestemmingsplannen.

Binnen het plangebied ligt een deel van de buitenbeschermingszone van de IJsselmeerdijk. Daar waar de beschermingszone binnen de plangrens valt is deze opgenomen in de verbeelding en in de regels zijn voorwaarden opgenomen waarmee de bescherming van de waterkering wordt geborgd en eventuele ontwikkelingen binnen die zone vooraf door het Waterschap schriftelijk worden goedgekeurd. Het voornemen is om een tweede ontsluiting te realiseren nabij de IJsselmeerdijk. Deze tweede ontsluiting is opgenomen op de verbeelding. De voorgenomen ontwikkeling blijft buiten de buitenbeschermingszone van de waterkering.

(vastgesteld)

blz. 78

Figuur 4.13: Uitsnede uit de legger van Waterschap Zuiderzeeland, beschermingszones

Versterking IJsselmeerdijk (HWBP) In het kader van het Landelijke Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP), waarmee de waterschappen en het Rijk Nederland waterveilig maken, is waterschap Zuiderzeeland gestart met het project versterking van de IJsselmeerdijk. De realisatie van de versterkingswerkzaamheden is beoogd in de periode 2025 - 2028. De dijkversterking is noodzakelijk vanwege nieuwe waterveiligheidsnormen doordat zich meer mensen en economische waarde achter de dijk bevinden en daarnaast de klimaatverandering die zorgt voor hogere waterstanden en zwaardere stormen.

Gedurende de planuitwerkingsfase wordt het benodigde ruimtebeslag nader bepaald, de verwachting is dat de bestaande beschermingszones binnendijks niet zullen wijzigen nabij Flevokust. Als toch wijzigingen van de beschermingszones nodig zijn zal dit later gerealiseerd worden dan de beoogde ontwikkeling op het Flevokust bedrijventerrein. Daarom mag geconcludeerd worden dat de versterking geen directe invloed heeft op de voorgenomen ontwikkeling van het bedrijventerrein Flevokust. Indirecte invloeden zoals tijdelijke stremming van de weg op de IJsselmeerdijk zijn niet uit te sluiten.

4.13.4 Voldoende water Streefbeeld In het streefbeeld is het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, op orde. Het beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen. De waterhuishouding in het plangebied verandert in de toekomstige situatie. Door de realisatie van infrastructuur en bebouwing neemt het totaal aan verhard oppervlak toe.

(vastgesteld)

blz. 79

Compensatie waterberging Het Waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. Afwenteling op omliggende gebieden wordt voorkomen en de bergingsruimte in het watersysteem blijft behouden. De planontwikkeling is gelegen in een watersysteem dat op basis van de toetsing in 2012 voldoet aan de normering voor wateroverlast. Een dergelijk systeem kan het water verwerken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.

Bij (een toename van) verhard oppervlak wordt het regenwater snel(ler) afgevoerd, waardoor de werking van het ontvangende oppervlaktewatersysteem negatief kan worden beïnvloed met snellere en hogere afvoer en peilstijgingen. Om een goed functionerend watersysteem te garanderen en te behouden bij nieuwe ontwikkelingen is er een compensatieplicht voor de toename van het verhard oppervlak.

De minimale hoeveelheid open water is bepaald aan de hand van de uitgangspunten van het Waterschap Zuiderzeeland en aan de hand van de “Keur 2017”. Hierin staat vermeld dat er compensatie verplicht is indien er in stedelijk gebied een toename van meer dan 750 m2 aan verhard oppervlak is. De Beleidsregel 'Compensatie toename verharding en versnelde afvoer' van ZZL geeft aan op welke wijze een toename aan verharding of versnelde afvoer moet worden gecompenseerd.

Binnen bovengenoemde beleidsregel wordt de bergingsnorm (percentage van verharding wat aan open water moet worden gerealiseerd) gekoppeld aan de maximaal toelaatbare peilstijging (m). De maximaal toelaatbare peilstijging wordt gedefinieerd binnen de beleidsregel door het verschil tussen het laagst gemeten maaiveld en het streefpeil binnen het plangebied. Het plangebied is gelegen in een peilgebied waarbij 5,0% van de netto toename aan verharding als open water moet worden gecompenseerd. De verharding die binnen het plan wordt aangebracht wordt weergegeven in tabel 4.8. Hierin is een onderscheid gemaakt tussen verharding in de openbare ruimte (wegen, voet- en fietspaden) en verharding op de kavel van bedrijfskavel. Op basis van onderstaande gegevens wordt binnen het plan voldoende berging/ oppervlakte water gerealiseerd om te voldoen aan de eis van het Waterschap Zuiderzeeland. Dit wordt in het waterhuishoudkundig plan verder uitgewerkt in samenspraak met het Waterschap Zuiderzeeland, echter is er voldoende ruimte in het plan aanwezig om te kunnen voldoen aan de watercompensatie van Waterschap Zuiderzeeland.

Openbare verharding Rijbaan / parkeren Fietspad Voetpad (aan beide zijden van de weg) Half verharding

Verhard oppervlak (m 2) 108.940 77.980 16.100 11.630 3.230

Bedrijfskavel*

219.463

Toename verhard oppervlak

(vastgesteld)

blz. 80

Gebouw 115.200 Terrein verharding 104.263 Half verharding 0 Totaal verhard oppervlak 437.343 * De opgave voor de toename van het verhard oppervlak op de bedrijfskavel wordt op eigen terrein opgelost door het betreffende bedrijf.

Tabel 4.8: Inschatting toename verhard oppervlak binnen plangebied

Goed functionerend watersysteem In het streefbeeld zorgt het watersysteem in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en voldoet aan de gewenste grond- en oppervlaktewaterregime (GGOR). Het Waterschap streeft ernaar dat de feitelijke situatie van het watersysteem overeenkomt met de legger, waardoor zij weloverwogen kan anticiperen op en reageren in extreme situaties. Randvoorwaarden: Het Waterschap streeft naar een robuust en klimaatbestendig watersysteem met grote peilvakken. Versnippering van het watersysteem is een ongewenste situatie. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan op bestaande peilvakken en de inrichting wordt afgestemd op de functie van het water. In nieuwe watersystemen wordt gestreefd naar aaneengesloten waterelementen met een minimum aantal duikers en/of andere kunstwerken en zonder doodlopende einden. Het watersysteem wordt dusdanig ingericht dat het goed controleerbaar en beheersbaar is. Met het ontwerp van het nieuwe watersysteem is met het bovenstaande rekening gehouden.

4.13.5 Schoon water Goed omgaan met afvalwater Streefbeeld Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater doordat ze water verontreinigen. Het Waterschap zorgt met de regulering of behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan. Verontreiniging van het oppervlaktewater door afvalwater (huishoudelijk afvalwater, vervuild hemelwater en bedrijfsafvalwater) wordt voorkomen. In het plan of de directe omgeving is in de bestaande situatie geen openbaar rioolsysteem aanwezig. Dit dient voor de ontwikkeling aangelegd te worden. Voor het plan wordt een 100% gescheiden stelsel aangebracht. Dit kan zowel een vrij verval riool als drukriool, of combinatie zijn. Onder vuilwater wordt gezien mogelijk proceswater van bedrijven en huishoudelijk (grijs/zwart) afvalwater, zowel bestaand als nieuw. Vanaf het plangebied wordt door middel van een drukriool/ persleiding het vuilwater afgevoerd naar de afvalwaterzuiveringsinstallatie (AWZI) in Lelystad. Dit kan dan wel rechtstreeks op de AWZI, dan wel inprikken op de bestaande persleiding.

Hemelwater afkomstig van verharde oppervlakken kan verontreinigd zijn en daarmee effect hebben op de waterkwaliteit. Dit betekent dat de volgende maatregelen en ontwerp oplossingen nodig zijn om te voldoen aan de eisen van het Waterkader van het

(vastgesteld)

blz. 81

Waterschap Zuiderzeeland: Parkeerplaatsen met meer dan 50 parkeerplaatsen dienen gezuiverd te worden; Rijbanen met meer dan 1000 voertuigbewegingen dienen gezuiverd te worden; Dakoppervlak mogen rechtstreeks afvoeren naar het oppervlaktewater; Laadkuilen dienen af te voeren via een OBAS; OBAS voorzieningen worden ontworpen op de daartoe geldende wet- en regelgeving. Goede oppervlaktewaterkwaliteit en structuurdiversiteit Streefbeeld Bij de inrichting van het nieuw aan te leggen watersysteem wordt gestreefd naar het behouden van een ecologisch gezond watersysteem. Het grond- en oppervlaktewater biedt leef-, verblijf- en voortplantingsmogelijkheden voor de aquatische flora en fauna in het beheergebied. Oevers worden bij voorkeur duurzaam en indien passend bij de functie natuurvriendelijk ingericht. Bij de dimensionering van het watersysteem wordt rekening gehouden met de te verwachten waterkwaliteit. De chemische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor. In het ontwerp van het watersysteem wordt uitgegaan van de trits "schoon houden, scheiden, zuiveren".

Water afkomstig van de wegen en parkeerterreinen wordt eerst opgevangen in de wadi's waar het infiltreert of, bij hevige buien, vertraagd afgevoerd wordt naar de watergangen. De bovenste laag van de bodem functioneert als filterlaag. In de filterlaag wordt vervuiling vastgelegd die meekomt met het regenwater. Daarnaast wordt het gebruik van uitlogende bouwmaterialen vermeden. In het bosgebied houden de bossen en bosschages het water langer vast en bieden schaduw aan de meanderende waterloop, zodat het water minder snel opwarmt en de waterkwaliteit toeneemt. De inrichting van de meanderende waterloop in relatie tot het bosgebied wordt nader afgestemd met de ecoloog van het waterschap.

4.13.6 Klimaatbestendig In het stedenbouwkundig plan is integraal een natuurversterkend- en klimaatplan opgenomen. Daarin zijn drie pijlers benoemd: biodiversiteit, water robuust en voorkomen hittestress. De ambities van het integrale stedenbouwkundige plan komen niet alleen tot uiting in de openbare ruimte, maar wordt doorgetrokken op de bedrijfskavel.

De groene lanen met bomen en wadi's zorgen voor verkoeling van de omgeving. De omvang van het bosgebied en de wijze waarop deze ingericht wordt maakt dat het bosgebied een positieve invloed heeft op klimaat en biodiversiteit. De bossen zorgen voor verkoeling door schaduwwerking en verdamping en bieden ruimte voor het opvangen van water. Deze hele groen- blauwe structuur met daarin het systeem van wadi's, waterlopen en het bosgebied wordt zo ontworpen dat het water zoveel mogelijk lokaal wordt opgevangen en geïnfiltreerd. Het surplus wordt vertraagd afgevoerd. Het bosgebied fungeert daarin als belangrijke buffer waar het water (tijdelijk) in opgevangen kan worden. In extreme scenario's kan het bosgebied zelfs tijdelijk meer water opvangen dan waarmee gerekend is.

(vastgesteld)

blz. 82

Deze ambities zijn doorgetrokken in het beeldregieplan. Het beeldregieplan daagt ontwikkelende partijen uit om bij de realisatie van de bedrijfsbebouwing en kavelinrichting voldoende aandacht te besteden aan de ambities ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke inpassing en duurzaamheid (natuurinclusief en klimaatadaptief).

4.13.7 Conclusie Binnen het plangebied ligt gedeeltelijk de buitenbeschermingszone van de primaire waterkering. Om de veiligheid met primaire keringen te waarborgen wordt bij ruimtelijke planvorming rekening gehouden met waterhuishoudkundige eisen voor de korte en lange termijn. Hier wordt met voorliggend bestemmingsplan aan voldaan. In voorliggend bestemmingsplan is de beschermingszone opgenomen op de verbeelding en de regels.

Om te kunnen voldoen aan de eisen van Waterschap Zuiderzeeland en voldoende waterberging te kunnen realiseren is bepaald hoeveel waterberging er nodig is. Deze berekening is gebaseerd op het stedenbouwkundig ontwerp en toont aan dat er voldoende mogelijkheden zijn om binnen de ontwikkeling deze wateropgave te realiseren. Door middel van het nog op te stellen waterhuishoudkundig plan zal aangetoond worden dat het plan voldoet aan eisen van Waterschap Zuiderzeeland. De voorgenomen afmetingen en profielen zijn dermate beperkt dat een ontgrondingsvergunning niet nodig is. Er wordt een gescheiden rioolstelsel aangelegd. Het hemelwater wordt voornamelijk via wadi's afgevoerd richting het oppervlaktewater, waarmee verontreiniging van het oppervlaktewater voorkomen wordt.

Als de maatregelen/voorstellen gevolgd worden is er conform het Waterkader van het Waterschap Zuiderzeeland sprake van schoon (gezuiverd) oppervlaktewater. Hiermee wordt voldaan aan de uitgangspunten van het Waterschap. De verdere uitwerking van het watersysteem wordt in het waterhuishoudkundig plan vastgesteld in overleg met het Waterschap Zuiderzeeland. Voor de start van de uitvoering wordt een watervergunning aangevraagd, waarin het waterhuishoudkundig plan wordt getoetst.

4.14

M.e.r.-beoordeling

4.14.1 Algemeen De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: 1. Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. 2. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen); 3. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de

(vastgesteld)

blz. 83

onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is er na een bestemmingsplan geen m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit meer nodig, dan is er sprake van een bestemmingsplan in kolom 4 (besluit).

4.14.2 Verantwoording m.e.r.-beoordeling De voorgenomen activiteit binnen het plangebied (aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein) is opgenomen in onderdeel D, categorie 11.3 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en de totale oppervlakte komt boven de drempelwaarde van 75 ha uit. Daarnaast is sprake van categorie D11.2, een stedelijk ontwikkelingsproject, hiervoor geldt als drempelwaarde een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2. Er is geen sprake van een zogenaamd kaderstellend plan. Alle bedrijven en overige functies worden rechtstreeks mogelijk gemaakt, er zijn geen delen in het plan waar nog een uitwerkingsverplichting op rust of een wijzigingsbevoegdheid voor opgenomen is in het bestemmingsplan. Ook zijn er geen m.e.r. (beoordelings)plichtige bedrijven/ activiteiten mogelijk ter plaatse van het plangebied. De nieuwe bestemmingsplannen zijn dus aan te merken als een besluit als bedoeld in kolom 4 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en niet als een plan als bedoeld in kolom 3. Daarom is het voor de voorgenomen activiteit alleen noodzakelijk een m.e.r.-beoordeling uit te voeren.

Voor Flevokust Haven is een Passende Beoordeling opgesteld. Als een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) betekent dat in beginsel dat er ook een planMER moet worden opgesteld. Voor plannen voor kleine gebieden is een uitzondering (artikel 3, lid 1, aanhef en onder a Besluit m.e.r.). Hiervoor is het noodzakelijk dat aan drie cumulatieve voorwaarden is voldaan: 1. Voor dat plan is een bestuursorgaan van de gemeente het bevoegd gezag; 2. De omvang van het (bestemmingsplan)gebied is klein in verhouding tot het totale grondgebied van de gemeente (wat ‘klein’ is, is niet nader gedefinieerd, maar A-G Kokott van het Europese Hof van Justitie heeft een grens van 5% genoemd en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij uitspraak van 21 december 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3910, r.o. 33.2) geoordeeld dat er bij een plangebied dat ongeveer 1% van het grondgebied van de betrokken gemeente betreft, sprake is van een ‘klein gebied’); 3. Het bevoegd gezag heeft beoordeeld dat de vaststelling van het bestemmingsplan geen aanzienlijke milieueffecten heeft. In deze bestemmingsplanwijziging is de gemeenteraad het bevoegd gezag, het plangebied is kleiner dan 0,2 % procent van het gemeentelijk grondgebied en uit deze m.e.r.-beoordeling volgt dat er geen andere reden is om een MER op te stellen.

(vastgesteld)

blz. 84

In m.e.r. beoordelingen moet in principe uitgegaan worden van de maximale planologische mogelijkheden. Daarbinnen mag worden uitgegaan van een “representatieve invulling”. Binnen het onderzoeksgebied wordt uitgegaan van de maximale planologisch mogelijkheden. Dit is bedrijfscategorie 3.2. Binnen deze categorie vormen distributiebedrijven/centra een representatieve invulling. In de m.e.r. beoordeling wordt daarom uitgegaan van de vergevorderde plannen van de bedrijven die zich ter plaatse gaan vestigen. In het gebied ten noorden van plangebied (overige deel Flevokust Haven) wordt eveneens uitgegaan van een representatieve invulling eveneens op basis van de plannen van de bedrijven zoals die nu zijn vastgesteld of in vergevorderd stadium zijn (sommige zijn al in aanbouw en vergunningen zijn in verschillende gevallen al verleend). Binnen het plangebied is daarnaast een gebied aangewezen waar boscompensatie plaats dient te vinden. Het gaat hierbij om 16,4 hectare aan boscompensatie. In dit nieuwe bos wordt eveneens een groot deel van de wateropgave middels een nieuwe watergang gerealiseerd. Het bosgebied zal gevarieerd worden ingericht met een grote diversiteit aan habitats/plantengemeenschappen.

Op basis van de m.e.r.-beoordeling wordt geconcludeerd dat vanwege de voorgenomen ontwikkelingen binnen de bestemmingsplannen Flevokust Haven Zuid en Zuid west, in samenhang met de overige relevante ontwikkelingen binnen het nog te realiseren deel van het bedrijventerrein Flevokust Haven, geen belangrijke negatieve effecten te verwachten zijn. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is toegevoegd in bijlage 22. 4.14.3 Conclusie Gelet op het vorenstaande en de opgestelde vormvrije m.e.r.-beoordeling, welke is opgenomen als bijlage 22, blijkt dat, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Hierbij geldt wel het uitgangspunt dat de mogelijke effecten van stikstofdepositie conform de daarvoor geldende verplichting gesaldeerd worden. Ook effecten op soorten moeten, conform de geldende verplichtingen, gemitigeerd en gecompenseerd worden. Daarnaast geldt dat voor het onderdeel verkeer dat uitvoering gegeven moet worden aan verschillende verkeerskundige maatregelen om verkeerseffecten te voorkomen. Door het college van burgemeester en wethouders zal op basis van de m.e.r.-beoordeling vastgesteld worden dat er geen milieueffectenrapportage nodig is.

(vastgesteld)

blz. 85

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische regeling

Algemeen

Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen conform de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld conform deze standaarden. Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.

5.2

Toelichting op de bestemmingen

In het plangebied komen de volgende bestemmingen voor:

Bestemming Bedrijventerrein De gronden met de bestemming 'Bedrijventerrein' zijn bestemd voor het mogelijk maken van een bedrijventerrein waar havengebonden bedrijven of daarmee naar aard en invloed gelijk te stellen bedrijven zich kunnen vestigen. Daarnaast is het mogelijk om onder andere verkeers- en parkeervoorzieningen alsmede groenvoorzieningen en waterlopen/-partijen te realiseren. Belangrijke aspecten uit de bestemming zijn de volgende.

In de bouwregels is geregeld hoe diep, hoe hoog, over welke oppervlakte mag worden gebouwd en welke afstanden moeten worden aangehouden tot perceelsgrenzen. Erf- en terreinafscheidingen mogen worden gebouwd tot een hoogte van 2,50 meter. Binnenplans kan hiervan worden afgeweken tot een hoogte van 3 meter, mits kan worden aangetoond dat dit noodzakelijk is vanuit de bedrijfsvoering (bijvoorbeeld veiligheidseisen) en er geen gevaarlijke situaties ontstaan vanuit verkeersveiligheidsoogpunt.

Van enkele bouwregels kan worden afgeweken via een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. Een van de afwijkingen die mogelijk is, is het vergroten van de maximale bouwhoogte tot 40 meter mits wordt voldaan aan de stedenbouwkundige uitgangspunten.

Bestemming Bos De gebieden waar bos c.q. bebossing voorkomt, zijn als zodanig bestemd. Naast de bosbouw zijn de gronden bestemd voor de instandhouding van de natuur- en

(vastgesteld)

blz. 86

landschapswaarden. Met het oog hierop is een aanlegvergunningstelsel opgenomen, waarmee voorkomen kan worden dat er ongewenste ingrepen worden verricht, zoals het verwijderen van bomen en planten. Daarnaast is extensieve openluchtrecreatie toegestaan, waarbij moet worden gedacht aan fiets- en wandelpaden. Er zijn geen gebouwen bij recht toegestaan.

Bestemming Groen De bestemming 'Groen' heeft betrekking op de structurele groenelementen in het plangebied. Het gaat hier derhalve om groen dat in de ruimtelijke hoofdopzet een structurele rol vervult. Bouwen van gebouwen is binnen deze bestemming niet toegestaan met uitzondering van nutsvoorzieningen of andere openbare voorzieningen. Met een aanliggend bedrijf zijn afspraken gemaakt over het realiseren van een interne ontsluitingsweg ter hoogte van een groenbestemming. Dit is mogelijk gemaakt door het opnemen van de aanduiding 'weg' binnen de groenbestemming. Voor het overige zijn er geen wegen binnen de groenbestemming toegestaan, met uitzondering van calamiteitenroutes.

Bestemming Verkeer De ontsluitingsroutes in en rond het plangebied hebben de bestemming 'Verkeer' gekregen. De bestemming maakt het mogelijk de openbare ruimte in te richten voor de afwikkeling van het verkeer en (open) groen. Binnen de bestemming zijn gebouwen niet toegestaan. Wel kunnen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals bruggen, informatieen reclameobjecten, palen en masten en overige bouwwerken worden gerealiseerd.

Bestemming Water De bestemming 'Water' is gelegd op open water wat ruimtelijk en/of functioneel van belang is. De bestemming is bedoeld voor waterlopen en -partijen, oevers, bermen en beplanting en voet- en rijwielpaden. Gebouwen zijn binnen de bestemming niet toegestaan. Wel kunnen bouwwerken, geen gebouwen zijn, zoals bruggen, palen en masten en overige bouwwerken worden gebouwd.

Dubbelbestemming Leiding - Leidingstrook De bestemming 'Leiding - Leidingstrook' is gelegd op de bestaande en te handhaven leidingstrook langs de dijk, waarin verschillende leidingen liggen.

Dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering De waterkerende functie is in het bestemmingsplan geregeld door middel van de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. Deze bestemming omvat de kernzone van de primaire waterkering.

In de regels is bepaald dat in eerste instantie alleen ten behoeve van de waterkering gebouwd mag worden. Bouwen ten behoeve van de andere bestemmingen is pas

(vastgesteld)

blz. 87

mogelijk nadat burgemeester en wethouders een vergunning hebben verleend. In de regels is bepaald dat de gemeente daarbij het advies inwint van het waterschap. Op deze manier kan van geval tot geval worden bekeken of het bouwwerk geen gevaar oplevert voor de waterkering. Daarnaast is een vergunning van het waterschap nodig.

5.3

Algemene regels

Naast de bestemmingsregels kent het bestemmingsplan ook algemene regels, die voor alle gronden van toepassing zijn.

Anti-dubbeltelregel Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.

Algemene bouwregels Op grond van de in artikel 11.1 opgenomen algemene bouwregels is het verboden om nieuwe motorbrandstofverkooppunten (tankstations) op te richten en bestaande motorbrandstofverkooppunt te veranderen en/of uit te breiden met tankvoorzieningen, waaronder mede begrepen elektrische snellaadvoorzieningen.

Een uitzondering op de algemene bouwregels van artikel 11.1 is gemaakt voor het oprichten van nieuwe motorbrandstofverkooppunten, indien deze voldoen aan de beleidsuitgangspunten en locaties als aangegeven in de 'Kadernota Tankstations Lelystad 2020', zoals deze is vastgesteld op 16 juni 2020, dan wel, in het geval deze wordt gewijzigd of vervangen door een andere beleidsregel, aan deze gewijzigde, respectievelijk vervangende beleidsregel. Aan deze afwijkingsbevoegdheid zijn enkele ruimtelijke criteria toegevoegd.

Algemene gebruiksregels In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Dit brengt met zich mee dat de bestemmingsomschrijving van de te onderscheiden bestemming helder en duidelijk moet zijn.

Algemene aanduidingsregels De algemene aanduidingsregels geven regels over specifiek aangeduide gebieden in het plangebied.

Algemene afwijkingsregels

(vastgesteld)

blz. 88

In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.

Overige regels In dit artikel zijn de regels ten aanzien van parkeren opgenomen.

5.4

Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

(vastgesteld)

blz. 89

Hoofdstuk 6

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan doorloopt een uitgebreide procedure. Tijdens deze procedure zijn er verschillende momenten waarop burgers en belanghebbenden hun mening op het plan kenbaar kunnen maken. Hieronder volgt een nadere toelichting.

Voorbereidingsfase In het kader van het maken van het plan is gesproken met de belanghebbende over het voornemen. De resultaten van de overleggen zijn meegenomen in het voorliggende bestemmingsplan.

Het ontwerpbestemmingsplan is in het kader van vooroverleg verzonden aan de overlegpartners en is besproken in de omgevingstafel. De resultaten van het vooroverleg is verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan.

Ontwerpfase Het ontwerpbestemmingsplan doorloopt de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen formele bestemmingsplanprocedure. Dit betekent dat het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage wordt gelegd. Een ieder krijgt de gelegenheid voor het indienen van zienswijzen.

Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 8 juni tot en met 19 juli 2023 voor zienswijzen ter inzage gelegen. In deze periode zijn drie zienswijzen ingediend.

Vaststellingsfase Op basis van de ingediende zienswijzen en op basis van een ambtshalve aanpassing heeft de gemeenteraad besloten het bestemmingsplan gewijzigd vast te stellen. Het vaststellingsbesluit is opgenomen in bijlage 23 van deze toelichting. De nota van zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen is in bijlage 24 opgenomen.

De wijzigingen hebben betrekking op: a. de B- en de C-contour behorende bij de bestaande opslagmagazijnen van een naastgelegen bedrijf zijn middels een 'aanduiding' opgenomen op de plankaart; b. Aanpassing regels B en C-contour: Aan artikel 13 zijn de leden 3 en 4 toegevoegd en de overige leden van artikel 13 zijn vernummerd. Artikel 13.3 Veiligheidszone - bevi 13.3.1 Aanduidingsomschrijving Ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - bevi' gelden de volgende regels:

13.3.2 Bouwregels

(vastgesteld)

blz. 90

In afwijking van het bepaalde bij de daar voorkomende bestemming(en) mogen ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - bevi' geen kwetsbare objecten worden gebouwd.

13.3.3 Afwijken van de bouwregels Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 13.3.2 en toestaan dat kwetsbare objecten worden gebouwd, mits: a. de toepasselijke grenswaarden voor het risico en risicoafstanden ten aanzien van kwetsbare objecten in acht wordt genomen; b. het groepsrisico wordt afgewogen.

13.3.4 Niet toegestaan gebruik Gronden en opstallen ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - bevi' mogen niet worden gebruikt als kwetsbaar object.

13.3.5 Afwijken van de gebruiksregels Er kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 13.3.4 en toestaan dat gronden en bouwwerken worden gebruikt als kwetsbaar object, mits: a. de toepasselijke grenswaarden voor het risico en risicoafstanden ten aanzien van kwetsbare objecten in acht worden genomen; b. het groepsrisico wordt afgewogen. Artikel 13.4 aandachtszone - gebouwen Ter plaatse van de aanduiding 'aandachtszone - gebouwen' mogen uitsluitend gebouwen en overkappingen worden opgericht die voldoen aan de eisen opgenomen in bijlage IV van de Circulaire 'opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik' van 26-07-2006.

c. de ontsluitingsweg ten behoeve van het aanliggende bedrijf is middels de aanduiding 'weg' opgenomen op de plankaart d. Aan artikel 5 lid 1 is een sub c en d toegevoegd: Artikel 5.1 lid c: een clamiteitenroute; Artikel 5.1 lid d: ter plaatse van de aanduiding 'weg' tevens een weg ten behoeve van het aangrenzende bedrijf; De indieners van de zienswijzen worden op de hoogte gesteld van het raadsbesluit. Tegen de vaststelling van het bestemmingsplan is beroep mogelijk bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna te noemen Afdeling).

Herstelbesluit Tegen het vaststellingsbesluit is beroep ingesteld. Naar aanleiding van het beroep is de gemeenteraad door de Afdeling in haar tussenuitspraak opgedragen om het besluit te

(vastgesteld)

blz. 91

herstellen (bestuurlijke lus, bijlage 25). De uitspraak ziet op de volgende onderdelen: 1. de betrokken partijen zijn naar het oordeel van de Afdeling bereid om in samenspraak alsnog maatregelen te nemen om de risico’s die de EVR in het kader van externe veiligheid met zich mee brengt te mitigeren. Dat kunnen feitelijke maatregelen zijn zoals, een barricade en/of een juridische maatregelen zoals het opnemen van een veiligheidszone voor de EVR. Deze maatregelen zouden dan in het plan moeten worden vastgelegd. 2. artikel 13.4 van de planregels is onzorgvuldig vastgesteld. Ad 1 mitigeren risico's Er is overeenstemming bereikt met 3D Metal Forming B.V. over de voorgenomen uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten. De bijbehorende veiligheidsanalyse is opgenomen in bijlage 26 van deze toelichting. De explosievenvoorbereidingsruimte (EVR) wordt uiterlijk medio 2026 verplaatst naar een nieuwe locatie binnen de bestaande veiligheidscontouren van de opslagbunker. Pyrotechnische experts van ArianeGroup hebben de interne en externe veiligheid beoordeeld met simulaties. De conclusie is dat de nieuwe locatie van de EVR geen negatieve invloed heeft op het externe veiligheidsrisico contouren die al zijn vastgelegd in het bestemmingsplan en de ontwikkeling van andere kavels in Lelystad. Aanvullende fysieke maatregelen zijn hierdoor niet benodigd.

Door 3D Metal Forming B.V. is een aanvraag omgevingsvergunning ingediend voor de uitbreiding. De veiligheidsrisicoanalyse, zoals opgenomen in bijlage 26, is onderdeel van de aanvraag. De omgevingsvergunning is op 14 oktober 2025 verleend. Met het verlenen van deze vergunning is vastgesteld dat het treffen van aanvullende fysieke maatregelen niet noodzakelijk is. Het op 17 oktober 2023 vastgestelde bestemmingsplan hoeft op dit onderdeel niet te worden aangepast aan de uitspraak van de Afdeling.

Ad 2 aanpassen artikel 13.4 Artikel 13.4 is, conform de de tussenuitspraak van de Raad van State aangepast naar: Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - gebouwen' mogen uitsluitend gebouwen en overkappingen worden opgericht die voldoen aan de eisen voor gebouwen en overkappingen in de C-zone, zoals opgenomen in bijlage IV van de Circulaire 'opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik' van 19 juli 2006.

De gemeenteraad hoeft voor het herstelbesluit geen toepassing te geven aan afdeling 3.4 van de Awb, waardoor het plan zonder ter inzagelegging op [datum] gewijzigd is.

(vastgesteld)

blz. 92

(vastgesteld)

blz. 93

Hoofdstuk 7

Economische uitvoerbaarheid

Bij een bestemmingsplan moet aangetoond worden of het plan economisch uitvoerbaar is. Het instrument van de grondexploitatieregeling in de Wro en het aantonen van de financiële haalbaarheid kunnen de economische uitvoerbaarheid weergeven en worden daarom in dit hoofdstuk beschreven.

7.1

Grondexploitatie

Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd.

De gronden in het onderzoeksgebied zijn in eigendom van de gemeente. De gemeente zorgt voor het bouwrijp maken en de uitgifte van de bouwkavels. Met deze ontwikkelingen zijn aanpassingen aan de provinciale weg, N307 en de opritten richting de Rijksweg, A6 benodigd. Hiervoor heeft overleg paatsgevonden met de betrokken partijen. Zij staan positief tegenover deze ontwikkeling.

De gemeente heeft een grondexploitatie opgeteld met alle kosten en opbrengsten die zijn gemoeid met deze gebiedsontwikkeling. De kosten worden volledig gedekt door de opbrengen. Hiermee is de financiële haalbaarheid geborgd. Het opstellen van een exploitatieplan is hierdoor niet noodzakelijk en zal hiervan worden afgezien.

7.2

Financiële haalbaarheid

Het initiatief betreft de uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein. Binnen het plangebied wordt alleen het bos en de openbare ruimte die benodigd is gerealiseerd. De bouwkavels worden tegen marktconforme prijzen aangeboden. In paragraaf 3.1.3 is aangetoond dat hier behoefte aan is. Voor de uitgifte wordt gerekend met een verkoopprijs welke passend is bij de markt voor Lelystad en vergelijkbaar is met ontwikkelingen in omliggende gemeenten.

(vastgesteld)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lelystad&id=37c8741a-9626-4660-b947-62659a7d5c50