CConstaterende datLelystad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2d - toelichting

Raadsvergadering 16 december 2025, gemeente LelystadBij agendapunt: 25.413 Wijziging Bestemmingsplan 'Uitbreiding Flevokust Haven Zuid' n.a.v. tussenuitspraak Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State25.002 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Toetsing aan de Structuurvisie Locatiebeleid Lelystad De uitbreiding van het bedrijventerrein sluit aan op de structuurvisie waarbij een deel van het terrein wordt ingericht als bedrijventerrein voor onder andere logistieke bedrijvigheid. Hierbij is van belang dat het havengeboden bedrijvigheid betreft. Deze sector is aangemerkt als een sector die kansrijk is en waarop moet worden ingespeeld.

3.4.3 Kadernota Duurzaamheid (2016) Om Lelystad ook voor toekomstige generaties leefbaar te houden is samen met de stad een Kadernota Duurzaamheid met bijbehorend Actieplan Duurzaamheid opgesteld. In de kadernota staan de kaders voor de invulling van het duurzaamheidsbeleid. In het Actieplan worden deze kaders verder uitgewerkt in concrete projecten. Het Actieplan geldt voor de jaren 2021 t/m 2024. De gemeente streeft ernaar dat Lelystad ook in de toekomst een groene, vitale gemeente is waar het aantrekkelijk wonen, werken en verblijven is. Het duurzaamheidsbeleid moet zorgen voor focus, versnelling en verankering.

(vastgesteld)

blz. 36

Het duurzaamheidsbeleid van Lelystad focust op zes speerpunten: 1. Energie; meer energiebesparing en meer duurzame energie; 2. Afval en Circulaire economie; meer scheiden, minder restafval en van afval naar grondstof; 3. Voedsel; meer consumptie van gezonde lokale producten en minder voedsel weggooien; 4. Fysieke leefomgeving; duurzame gebiedsontwikkeling, milieuvriendelijk beheer in een groene, biodiverse stad; 5. Mobiliteit: minder en schonere mobiliteit; 6. Onderwijs en Ondernemen; versterken van de (duurzame) basis in het onderwijs, samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven bij duurzame innovatie en meer maatschappelijk verantwoord ondernemen. Toetsing aan kadernota duurzaamheid Er is een visie op duurzaamheid ontwikkeld voor Flevokust Haven (bijlage 5). Daarnaast is een quickscan BREEAM gebiedsontwikkeling opgesteld (bijlage 6)om inzicht te verkrijgen in haalbare BREEAM-score en ambities voor Flevokust Haven. Binnen de BREEAM methodiek voor Gebiedsontwikkeling worden zes gehanteerd waar bewijslast voor aangedragen dient te worden: Management, Synergie, Bronnen, Ruimtelijke Ordening, Welzijn & Welvaart en Gebiedsklimaat.

Hierbij wordt de duurzaamheid getoetst met betrekking tot de geformuleerde doelstellingen en de borging hiervan, de besluitvormingsprocessen en participatie van stakeholders, materiaalgebruik en toegepaste technieken, respect voor de omgeving, het welbevinden van de gebruikers van het gebied en een gezond leefklimaat. De gemeente heeft op basis van de uitgevoerde Quickscan aangegeven zich te committeren op de BREEAM-score van 'Very Good', 3 sterren.

In onderstaande tabellen is per beleidsambitie aangegeven welke maatregelen worden genomen om invulling te geven aan de kadernota Duurzaamheid: Energie Ambities Maatregelen

Gasloos bedrijventerrein. Stimuleren elektrisch rijden. Energie neutrale gebouwen door middel van isolatiemaatregelen en zonnepanelen op daken en gevels. Bestaande zonnepark blijft behouden

Circulaire economie Ambities Duurzame ontwikkeling, maximaal bevorderen hergebruik De Ladder van Lansink is de basis voor het afvalbeleid van FKH Maatregelen Alle bedrijven hanteren doorgaans ISO 14001 als kwaliteitssysteem waarin een duurzame bedrijfsvoering is vastgelegd. Milieu en duurzaamheidsprogramma's bij bedrijven? forse reductie van verpakkingsmateriaal, hergebruik en scheiding. Afval wordt zoveel mogelijk gescheiden en indien mogelijk gerecycled tot bruikbare grondstoffen. Op gebouwniveau en bouwuitvoering: ambities duurzaamheidscertificering zoals labeling onder BREEAM-NL of LEEDS (internationale standaard).

(vastgesteld)

blz. 37

Fysieke leefomgeving Ambities De oorspronkelijke structuur van het viskwekerijcomplex is van belang geweest bij de stedenbouwkundige opzet. FKH geeft invulling aan duurzame gebiedsontwikkeling door aanvullend op het stedenbouwkundig plan een natuurversterkend plan op te stellen. Het natuurversterkend plan kent drie pijlers: biodiversiteit, water robuust en voorkomen hittestress. De ambities van het natuurversterkend plan komen niet alleen tot uiting in de openbare ruimte, maar wordt doorgetrokken op de bedrijfskavel. Maatregelen In het nieuw aan te leggen bos is ruimte geserveerd voor een waterpartij. waterrobuust Op de kavels worden wadi's gerealiseerd voor opvang overtollig water. Maatregelen De kavels worden (zo veel mogelijk) ingericht met groene daken en groene hittestress gevels; Groene lanen vol bomen zorgen voor verkoeling omgeving. Klimaat adaptatie Ambities Verminderen wateroverlast, hittestress, droogte en overstroming door: Maatregelen Aanleg beplanting voor verkoeling door schaduwwerking en verdamping Hemelwateropvang door wadi's; Versnelde hemelwaterafvoer en minder hitte-absorptie door halfverharding; Materialen toepassen die minder snel opwarmen (hoog albedo) op gevels en daken, waaronder groene gevels/daken.

BREEAM Gebiedsontwikkeling Ambities 'Very good', 3 sterren Maatregelen Het beschikbaar stellen van informatie voor zowel de beheerders als de gebruikers van het gebied om deze in staat te stellen het gebied te begrijpen en er efficiënt mee om te gaan. Opstellen en behouden van een evenwichtig Stedenbouwkundig programma. Het stimuleren van het lokaal opwekken van hernieuwbare energie Het stimuleren van het hergebruik en de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen in de openbare ruimte Het beschermen van kwetsbare terreininrichting. Stimuleren van afvalbeheer met als doel afval en de afvoer hiervan te verminderen en negatieve milieueffecten te minimaliseren. Optimaal benutten van braakliggende en ongebruikte/leegstaande bebouwde terreinen. Het efficiënt en optimaal hergebruiken van gebouwen, wegen en civieltechnische kunstwerken. Het stimuleren van een optimale ondergrondse infrastructuur in openbaar toegankelijk gebied door het flexibel en adaptief te maken voor toekomstige ingrepen. Het stimuleren van de aanwezigheid van duurzame gebouwen in het gebied. Het stimuleren van een goed thermisch buitenklimaat voor gebruikers en het voorkomen van hittestress. Het stimuleren van een zo hoog mogelijke bodemkwaliteit. Het voorkomen van lichthinder door alle verlichtingsinstallaties in het gebied.

(vastgesteld)

blz. 38

3.4.4 Welstandsnota 3.4.4.1 Algemeen De gemeente Lelystad heeft het beleid voor welstand in een Welstandsnota opgenomen. De drie belangrijkste doelstellingen van de welstandsnota geven nader inhoud aan de vereenvoudiging van het welstandstoezicht. De drie doelstellingen zijn: Welstandstoezicht is een instrument voor ruimtelijke kwaliteit; Welstandscriteria zijn duidelijk en vooraf bekend; Heldere omschrijving van de procedures van welstandsbeoordeling en duidelijke rol van de welstandscommissie. De vereenvoudiging heeft geleid tot de volgende welstandsniveaus: één welstandsvrij niveau, gebieden met beperkte of stedenbouwkundige welstand en gebieden met een volledige of architectonische welstand. Voor gebieden buiten de bebouwde kom geldt een welstandsvrij regime. Voor onderzoeksgebieden zoals Flevokust is echter ook sprake van toetsing van de uiterlijke verschijningsvorm van bouwwerken aan redelijke eisen van welstand. Hiervoor geldt het vastgestelde welstandsbeleid, een door de gemeenteraad vastgesteld beeldkwaliteitsplan of een beeldregieplan. Als aanvulling op de welstandsnota is voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein Flevokust Haven zijn twee beeldregieplannen opgesteld. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen is het beeldregieplan, die op de desbetreffende locatie geldt, het toetsingskader.

De welstandscommissie zal bij de aanvraag omgevingsvergunning beoordelen of het plan voldoet aan het geldende beeldregieplan ter plaatse. Hieronder worden de betreffende beeldregieplannen nader toegelicht.

3.4.4.2 Toetsing aan de beeldregieplannen De beeldregieplannen hebben betrekking op de verschijningsvorm van de gebouwen, gekoppeld aan de stedenbouwkundige hoofdopzet. Samen bepalen die in hoge mate de sfeer en de identiteit van het bedrijventerrein. Tevens vormen de erfscheidingen onderdeel van de beeldregieplannen, omdat deze medebepalend zijn voor de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. Naast de formele welstandscriteria geven beeldregieplannen ook inzicht in het ambitieniveau. De ambities die betrekking hebben op de openbare ruimte worden in een later stadium verder uitgewerkt in inrichtingsplannen. De ambities die betrekking hebben op de bebouwing kunnen worden beschouwd als richtinggevende uitgangspunten voor initiatiefnemers. Onderdeel van de beeldregieplannen zijn de stedenbouwkundig kaders. Hierin wordt het stedenbouwkundig plan toegelicht en wordt ingegaan op de wijze waarop de bebouwing, groeninrichting, waterberging en parkeren op de individuele kavels dienen te worden georganiseerd. Binnen het onderzoeksgebied zijn twee beeldregieplannen welke hieronder kort worden toegelicht.

Beeldregieplan Flevokust Haven noord Uitgangspunt voor de binnendijkse bebouwing is eigentijds, eenvoud en ingetogenheid. Te nadrukkelijke expressie van gebouwen dient te worden vermeden. De verschillende bedrijfsactiviteiten en opslag zorgen al voor een relatief druk straat- en bebouwingsbeeld. Het middel herkenbaarheid van de onderneming door een expressief gebouw, schiet hier

(vastgesteld)

blz. 39

het doel voorbij. Om ervoor te zorgen dat de bebouwing zich goed voegt in de context is in dit beeldregieplan aangegeven dat voor de bedrijfsbebouwing gewerkt dient te worden met gedekte natuurtinten. Om te verduidelijken wat hiermee wordt bedoeld is hiervoor een kleurenspectrum opgenomen dat als uitgangspunt dient. Door de gebouwen overwegend in één of meer van deze gedekte natuurtinten uit te voeren valt de bebouwing minder op, waardoor de aandacht wordt gelegd op het omliggend landschap. Daarnaast wordt extra aandacht gevraagd voor bebouwing georiënteerd op de IJsselmeerdijk en bebouwing langs de hoofdontsluiting. Op de dijk zelf wordt geen bebouwing gerealiseerd. Hiervoor zijn dan ook geen welstandscriteria opgesteld. Voor ontwikkelingen die plaatsvinden binnen de begrenzing zoals weergegeven is in afbeelding 3.4 zal de in bijlage 3 opgenomen beeldregieplan als toetsingskader gelden.

Afbeelding 3.4 Begrenzing Beeldregieplan Flevokust noord

Beeldregieplan Flevokust Haven Zuid In aanvulling op het eerste beeldregieplan is voor het onderzoeksgebied, het gebied waar nieuwe ontwikkelingen in de toekomst plaats zullen vinden, een beeldregieplan opgesteld. Dit beeldregieplan omvat het zuidelijke deel van Flevokust binnendijks en sluit aan op de plangrens van het beeldregieplan Flevokust fase 1. Aan de oost- en zuidoostzijde wordt het gebied begrenst door het water van de Snoektocht. Aan de zuiden de noordwestzijde door de Karpertocht. Deze loopt parallel aan respectievelijk

(vastgesteld)

blz. 40

Houtribweg en IJsselmeerdijk. Voor ontwikkelingen die plaatsvinden binnen de begrenzing zoals weergegeven is in afbeelding 3.5 zal de in bijlage 4 opgenomen beeldregieplan als toetsingskader gelden.

Afbeelding 3.5 Begrenzing Beeldregieplan Flevokust Zuid

3.4.5 Conclusie gemeentelijk beleid Het bestemmingsplan is in overeenstemming met het gemeentelijk beleid ter zake.

(vastgesteld)

blz. 41

Hoofdstuk 4

Milieu- en omgevingsaspecten

In hoofdstuk vier wordt gekeken naar het onderzoeksgebied waarbij rekening wordt gehouden met de eindsituatie.

4.1

Verkeer en parkeren

4.1.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de extra verkeersgeneratie die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Op basis van de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren' (publicatie 381, december 2018) van het CROW kan de verkeersgeneratie van de ontwikkeling berekend worden. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Overigens wordt opgemerkt dat bij iedere functie, in de CROW-publicatie, een maximum en minimum wordt genoemd. Dit is de bandbreedte. Veelal wordt bij nieuwe ontwikkelingen het gemiddelde gehanteerd.

Gemeentelijke parkeernormen Het parkeerbeleid en de -normen van de gemeente Lelystad zijn in 2009 vastgesteld. In het parkeerbeleid is opgenomen dat parkeren geheel op eigen terrein moet worden voorzien.

4.1.2 Situatie onderzoeksgebied Naar aanleiding van de ontwikkelingen op het terrein van Flevokust Haven is een verkeersstudie uitgevoerd naar haalbare verkeerskundige oplossingen voor de afwikkeling van het verkeer van en naar deze bedrijven. Daarnaast zijn mobiliteitsambities op het vlak van openbaar vervoer, langzaam verkeer, veiligheid en duurzame mobiliteit in beeld gebracht.

4.1.2.1 Verkeersgeneratie Het uitgevoerde verkeersonderzoek en mobiliteitsonderzoek bestaat uit een brede waaier aan maatregelen op en rond het onderzoeksgebied. In bijlage 7 zijn de resultaten van de verkeersstudie opgenomen. Indien het geformuleerde advies in het verkeersonderzoek wordt overgenomen en een minimale reductie van 10% verkeersbewegingen wordt behaald door het kiezen voor modal split scenario Basic, worden de negatieve effecten van de plansituatie gemitigeerd.

De maatregelen voor basic kunnen allemaal worden uitgevoerd. Ze zijn aanvullend en sluiten elkaar niet uit. Spreiding wisseldiensten Nieuwe OV-halte N307 Besloten vervoer op eigen initiatief Hogere fietsvergoeding Optimaliseren fietsvoorzieningen

(vastgesteld)

blz. 42

De verwachte modal split basic, met standaardbezetting is hieronder weergegeven (links), evenals de piekbezetting (rechts).

De maatregelen uit het Basic-model worden overgenomen in het bestemmingsplan. Met de toekomstige bedrijven op de XXL-kavels worden/zijn afspraken gemaakt om collectief vervoer in te zetten. Daarmee is het aannemelijk dat de reductie van 10% van de totale toename aan verkeersbewegingen wordt behaald. Dit is tevens financieel gewaarborgd.

4.1.2.2 Verkeersoplossingen Op basis inventarisatie wordt een aanzienlijke verkeersgeneratie verwacht, waarvan circa 40% vrachtverkeer. Zowel binnen het gebied Flevokust Haven als in de directe omgeving dient de toekomstige verkeersafwikkeling zonder knelpunten te verlopen. Hierbij is onder meer aandacht voor de provinciale weg N307 en Rijksweg A6 (aansluiting 11) noodzakelijk.

De verkeerstudie heeft in beeld gebracht welke inrichting van wegvakken en kruispunten nodig is om tot een acceptabele verkeersafwikkeling (zonder knelpunten op maatgevende momenten) in de toekomst te komen. Dit advies met principeoplossingen ontsluiting Flevokust Haven bestaat samengevat uit de volgende punten (figuur 4.1). De verkeerstudie is begeleid door de gemeente, provincie Flevoland, Rijkswaterstaat en Waterschap Zuiderzeeland. De principe oplossingen uit deze studie zijn in samenspraak ontwikkeld.

(vastgesteld)

blz. 43

Figuur 4.1: Advies met principe oplossingen ontsluiting Flevokust Haven, bron: Antea

Deze oplossing is robuust voor een worst-case ontwikkeling van Flevokust Haven in 2040. Indien met diverse maatregelen de verkeersgeneratie gereduceerd kan worden, zijn sommige maatregelen niet of in minder ingrijpende mate nodig. De ontwikkeling van het gebied en de bijbehorende verkeersgeneratie wordt gemonitord om op basis hiervan maatregelen te treffen. In de grondexploitatie is rekening gehouden met de kosten voor aanpassing van de infrastructuur.

4.1.2.3 Parkeerbehoefte In de planregels is bepaald dat voldaan dient te worden aan het parkeerbeleid van de gemeente Lelystad. Daarmee is vastgelegd dat de bedrijven op de eigen bedrijfskavel voldoende parkeergelegenheid moeten realiseren. Hiermee is dit aspect gewaarborgd.

4.1.3 Conclusie Gelet op het vorenstaande voorziet het voorliggend bestemmingsplan in een voldoende verkeers- en parkeerstructuur. De ontsluiting is verzekerd en er zijn concrete afspraken gemaakt om de groeiende intensiteit op de kruispunten in te toekomst terug te dringen. Het bestemmingsplan kan met het oog op het aspect verkeer uitvoerbaar worden geacht.

(vastgesteld)

blz. 44

4.2

Milieuzonering

4.2.1 Algemeen Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Lelystad de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009. Dit bestemmingsplan bevat op basis van deze uitgave een Staat van bedrijfsactiviteiten, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies.

De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de dichtst daarbij gelegen situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

4.2.2 Gebiedstypen In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemenging, of in gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen), worden aangemerkt als 'gemend gebied'. Bij 'gemengde gebieden' moet gedacht worden aan: "Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.

(vastgesteld)

blz. 45

De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is.

4.2.3 Situatie onderzoeksgebied In het onderzoeksgebied worden bedrijfskavels tot en met een milieucategorie 3.2 mogelijk gemaakt. Op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' geldt bij een milieucategorie 3.2 als grootste richtafstand 100 meter ten opzichte van gevoelige objecten (zoals woningen). Binnen deze afstand zijn geen gevoelige objecten gelegen. De opslag van tot vloeistof verdichte gassen is binnen het bestemmingsplan toegestaan, mits ondergeschikt aan de bedrijfsactiviteit. Dit vanwege de opslag van diverse gasvormige consumentenproducten in een distributiecentrum. Het aspect externe veiligheid is het maatgevende aspect. Aan de bijbehorende afstandseis wordt voldaan.

In paragraaf 4.3 wordt tevens nader ingegaan op geluid, in paragraaf 4.4 op het aspect geur, in paragraaf 4.9 op stof (luchtkwaliteit) en in paragraaf 4.10 gevaar (externe veiligheid).

4.2.4 Conclusie Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat voldaan wordt aan de richtafstanden. Daarmee voorziet dit bestemmingsplan in een passend kader voor de toelating van bedrijven, die goed aansluit bij de bedrijvigheid waarvoor Flevokust Haven is bedoeld.

(vastgesteld)

blz. 46

4.3

Geluid

4.3.1 Algemeen De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen.

4.3.2 Situatie onderzoeksgebied Voor het planvoornemen is het geluid van industrie en wegverkeer in beeld gebracht. Met een geluidsmodel is berekend wat het effect ter plaatse van geluidsgevoelige objecten is (met name woningen). Per object zijn één of meerdere toetspunt gebruikt. De modellering heeft plaatsgevonden volgens de methoden van de Handleiding meten en reken industrielawaai 1999 (bedrijfsactiviteiten) en het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 (weg- en railverkeerslawaai). Hierbij wordt gebruikt gemaakt van het softwarepakket Geomilieu versie 2022.11 waarin de geluidsoverdracht volgens de genoemde rekenmethoden wordt berekend. In bijlage 8 is het akoestisch onderzoek opgenomen.

4.3.2.1 Referentiesituatie In het uitgevoerde akoestische onderzoek is voor de verschillende toetspunten de geluidsbelasting per geluidsbron en cumulatief bepaald. In de bijlage van het akoestisch onderzoek is een tabel opgenomen met de belasting per adres in de referentiesituatie. Onderstaand afbeelding 4.2 laat de berekende contour voor industrielawaai zien in de referentiesituatie. Bepalende bronnen zijn o.a. Orgaworld, het geluidgezoneerd industrieterrein Oostervaart en de containerterminal (CTU Flevokust). In de referentiesituatie wordt op verschillende adressen de voorkeursgrenswaarde (48 dB) voor wegverkeerslawaai overschreden. Echter niet de maximale ontheffingswaarde (63 dB in stedelijk gebied en 53 dB in buitenstedelijk gebied).

(vastgesteld)

blz. 47

Afbeelding 4.2 Geluidcontouren in dB(A) industrielawaai gecumuleerd voor de referentiesituatie

4.3.2.2 Effecten van het plan (nog te realiseren delen bedrijventerrein Flevokust Haven) Uit de akoestische berekeningen blijkt dat als gevolg van het plan de contouren voor het industrielawaai relatief gering zijn. Meer in detail op woningniveau neemt de geluidbelasting vanwege industrielawaai ter plaatse van de woning aan de Plavuizenweg 1 en de woning aan de Visvijverweg 57 met (afgerond) 3 dB toe. Ter plaatse van de woningen aan de Visvijverweg 58 en 64 neemt de gecumuleerde geluidbelasting vanwege industrielawaai met (afgerond) 2 dB toe. Deze toenames worden echter grotendeels gemaskeerd door de geluidbelasting vanwege het autonome wegverkeer (verkeer op de Rijksweg A6). Voor de woning aan de Visvijverweg 57 blijft echter sprake van een toename van de gecumuleerde geluidbelasting met afgerond 3 dB (niet-afgerond 2,53 dB). Op het nieuw te ontwikkelen bedrijventerrein worden bedrijven mogelijk gemaakt tot ten hoogste milieucategorie 3.2 (paragraaf 4.2). Deze milieucategorie is afgestemd op de omliggende gevoelige functies en wordt dan ook ruimtelijk aanvaardbaar geacht.

Als gevolg van wegverkeer is de maximale toename (afgerond) 4 dB. Deze grootste toename treedt op bij de woning aan de Visvijverweg 20 en wordt geheel veroorzaakt door de toename van het verkeer op de Visvijverweg. Deze geluidsbelasting is echter (inclusief de wettelijk toegestane aftrek) niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48

(vastgesteld)

blz. 48

dB. Ook bij andere woningen aan de Visvijverweg en de Klokbekerweg is sprake van een toename van geluid als gevolg van wegverkeer. Ook hiervoor geldt echter dat de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden.

De gecumuleerde geluidsbelasting is op de meeste adressen het gevolg van wegverkeer. Ook in de gecumuleerde berekening geldt dat de adressen aan de visvijverweg de hoogste toename in belasting kennen.

4.3.3 Conclusie Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat als gevolg van de ontwikkelingen binnen Flevokust Haven er vooral een geluidstoename ontstaat als gevolg van wegverkeer. Deze toename treedt met name op bij woningen langs de Visvijverweg. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt echter niet overschreden. Daarmee is het effect beperkt. Specifiek voor industrielawaai geldt dat een merkbare toename wordt verwacht op één woning. Deze toename is 3 dB. Geluidseffecten als gevolg van de ontwikkelingen binnen Flevokust Haven zijn dus niet uit te sluiten. De maximale milieucategorie van de te vestigen bedrijven is afgestemd op de omliggende gevoelige functie. De bedrijfsvestiging wordt dan ook ruimtelijk aanvaardbaar geacht.

4.4

Geur

4.4.1 Algemeen De gemeente Lelystad heeft geen specifiek geurbeleid. In het voorliggend geval wordt aangesloten op de beleidsnotitie 'Beleidsregels voor de beoordeling van Geurhinder 2008' van de provincie Flevoland. In paragraaf 3.2.4 is het toetsingskader uitgewerkt.

(vastgesteld)

blz. 49

Afbeelding 4.3 Geurcontour Orgaworld conform verleende omgevingsvergunning

4.4.2 Situatie onderzoeksgebied Binnen het onderzoeksgebied bevindt zich het bedrijf Orgaworld. Op basis van de activiteiten van het bedrijf, heeft het bedrijf een geurcontour (zie afbeelding 4.3). Op basis van de verleende omgevingsvergunning geldt voor het bedrijf voorschriften over geuremissie en geurimmissie. Voor de geurimmissie zijn de volgende twee voorschriften van belang: a. De immissie van geur ten gevolge van de inrichting mag ter plaatse van gevoelige bestemmingen, zoals de woonwijk "Jagersveld"• in Lelystad, niet meer bedragen dan 0,5 Europese odourunits per kubieke meter als 99,5 percentiel, berekend volgens het Nieuw Nationaal Model. b. De immissie van geur ten gevolge van de inrichting mag ter plaatse van minder

(vastgesteld)

blz. 50

gevoelige bestemmingen, zoals (agrarische) bedrijfswoningen en verspreid liggende woningen in het buitengebied, niet meer bedragen dan 1,5 Europese odourunits per kubieke meter als 98 percentiel, berekend volgens het Nieuw Nationaal Model. Het voorliggend plan betreft op basis van de provinciale beleidsregels niet gevoelige bestemmingen. Dit omdat op het gehele bedrijventerrein Flevokust Haven bedrijven tot en met categorie 4 en hogere zijn toegestaan. Specifiek voor het onderzoeksgebied worden bedrijven tot alleen milieucategorie 3.2 mogelijk gemaakt. De kantoren bij deze bedrijven betreffen bedrijfskantoren ondergeschikt aan de aanwezige bedrijfsactiviteiten. Er worden geen zelfstandig kantoren mogelijk gemaakt. Dit is tevens in de planregels van het bestemmingsplan geborgd in de specifieke gebruiksregels door een maximum percentage van de, inclusief maximum vierkante meters, bedrijfsvloeroppervlakte op te nemen. Het aspect geur vormt voor dit bestemmingsplan geen belemmering.

4.4.3 Conclusie Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect geur geen belemmeringen oplevert voor het planvoornemen.

4.5

Bodem

4.5.1 Algemeen In algemene zin geldt dat bij nieuwe ontwikkelingen onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. In het kader van een nieuw bestemmingsplan dient te worden aangetoond dat de bodem geschikt is (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Dit vloeit voort uit artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is.

4.5.2 Situatie onderzoekgebied De milieuhygiënische kwaliteit van grond en grondwater binnen het onderzoeksgebied is getoetst aan de streef- en interventiewaarden uit de Wet bodembescherming. Daarnaast zijn de analyses van de grond ook indicatief getoetst aan de normen uit het Besluit bodemkwaliteit. De bodemkwaliteit is als volgt samengevat: De bovengrond en ondergrond ter plaatse van alle voormalige kwekerijbassins is overwegend beoordeeld als beneden achtergrondwaarden. Uitzondering hierop vormen enkele plaatselijke spots met sterk verontreinigd materiaal (zie bijlage 1 van Bijlagen bodemparagraaf); Het kernmateriaal in de kades is overwegend beoordeeld als beneden achtergrondwaarden. Deze grond is indicatief altijd toepasbaar. Uitzondering hierop vormen enkele kades waarin de achtergrondwaarden zijn overschreden voor de

(vastgesteld)

blz. 51

parameters barium, zink, kwik, lood, PCB's en asbest. Dit materiaal is indicatief getoetst als klasse industrie. Ten aanzien van asbest wordt in de kades de hergebruikswaarde niet overschreden (zie bijlage 3 van Bijlagen bodemparagraaf); in het grondwater zijn plaatselijk overschrijdingen van de streefwaarden aangetoond voor metalen (barium, zink en nikken), aromaten (benzeen, tolueen, xylenen en naftaleen) en chloorkoolwaterstoffen (VOCl's). Plaatselijk zijn de interventiewaarden overschreden voor de parameters nikkel en kobalt (zie bijlage 2 van Bijlagen bodemparagraaf). In bijlage 1 van Bijlagen bodemparagraaf zijn de contouren opgenomen met sterk verontreinigde grond. Deze wordt gesaneerd. In bijlage 2 van Bijlagen bodemparagraaf zijn de contouren waarbinnen sterk verontreinigd grondwater met nikkel, kobalt en barium is aangetoond. Deze maken geen deel uit van het saneringsplan, aangezien hier geen grondverzet is voorzien. De verhoogde concentraties met barium in het grondwater van de generieke streefwaarden in het grondwater komen veel voor in Flevoland (net als in de rest van Nederland). Deze worden beschouwd als diffuse antropogene (door menselijk handelen veroorzaakt), dan wel natuurlijke achtergrondwaarden als gevolg van de ontstaansgeschiedenis van dit deel van het land. Zij geven geen aanleiding tot nader onderzoek.

Indien grondverzet gaat plaatsvinden, waarbij sterk verontreinigde grondwater verstoord raakt, dient dit te worden gemeld bij het bevoegd gezag Wbb en worden (indien noodzakelijk) beheersmaatregelen getroffen.

In bijlage 3 van Bijlagen bodemparagraaf is voor de bovengrond aangegeven welke bodemkwaliteitsklassen vrijkomen in het kader van het nog op te stellen grondstromenplan. Hieruit blijkt dat alle bovengrond ter plaatse van de voormalige bassins altijd toepasbaar is. Plaatselijk is in de kades klasse wonen en industrie aangetroffen. In één enkel monster is niet toepasbare grond (>klasse industrie) aangetoond.

Tabel 4.1 globale bodemk waliteit

(vastgesteld)

blz. 52

Waterbodemkwaliteit watergangen Waterbodem maakt sinds 2008 geen deel meer uit van de Wet bodembescherming, maar valt onder de Waterwet. De milieuhygiënische kwaliteit hiervan wordt beoordeeld aan de normen uit het Besluit bodemkwaliteit. Op grond van deze beoordeling zijn de toetsingsresultaten als volgt samengevat: De waterbodem is niet asbestverdacht en derhalve niet geanalyseerd op asbest; Op basis van toepassingsspoor "tœpassen op landbodem" blijkt dat in de in de Karpertocht ten noorden van Karperweg vrijkomend slib vrij toepasbaar is. Ten zuiden van de Karperweg is het slib in de Karpertocht (noord) en Snoektocht (zuid) overwegend klasse wonen of klasse industrie; Op basis van het toepassingsspoor "verspreiden over aangrenzende percelen" blijkt dat alle specie verspreidbaar (In de watergang direct ten noorden van de Karperweg is het slib op basis van één mengmonster (SM301) als niet toepasbaar beoordeeld. Na uitsplitsing van het mengmonster blijkt op basis van de afzonderlijke deelmonsters dat ook deze specie verspreidbaar is) is; Plaatselijk is ook de onderliggende (vaste) waterbodem is onderzocht. In deze gevallen is de kwaliteit hiervan gelijk aan de bovenliggende sliblaag; In de onderzoeken is geanalyseerd op PFAS. Uit de toetsingsresultaten blijkt dat het slib voldoet aan klasse achtergrondwaarde op grond van het Tijdelijk Handelingskader.

In bijlage 4 van Bijlagen bodemparagraaf is een overzichtstekening opgenomen van de milieuhygiënische kwaliteit van het slib.

Indicatieve kwaliteit overige bouwstoffen In de achtergrond documenten is onderzoek gedaan naar overige bouwstoffen om hiervan de hergebruiksmogelijkheden indicatief vast te stellen op grond van de normen uit het Besluit bodemkwaliteit. De resultaten hiervan zijn als volgt: Alle aangetroffen bouwstoffen, waaronder asfalt, (beton)granulaat en puin, zijn indicatief toepasbaar conform het Besluit bodemkwaliteit. Uitzondering hierop zijn enkele locaties waar de geanalyseerde bouwstof is beoordeeld als niet toepasbaar. In bijlage 5 van Bijlagen bodemparagraaf is een overzichtstekening opgenomen van de locaties met geanalyseerde toepasbare en niet toepasbare bouwstof.

4.5.3 Conclusie Uit de beschikbare gegevens blijkt dat behoudens een aantal sterk verontreinigde spots grondverontreiniging, de bodemkwaliteit voldoet aan het beoogde gebruik, zijn industrie. De aangetroffen sterk verontreinigde spots in de grond worden verwijderd conform het opgestelde saneringsplan van 2022. Het bestemmingsplan kan met het oog op het aspect bodem uitvoerbaar worden geacht.

(vastgesteld)

blz. 53

4.6

Conventionele explosieven

4.6.1 Algemeen Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten, mijnen en andere munitieartikelen uit de Tweede Wereldoorlog (1940-1945). Waterschap Zuiderzeeland, provincie Flevoland en de gemeente Lelystad hebben in kaart gebracht waar in de provincie Flevoland explosieven uit de Tweede Wereldoorlog kunnen zijn achtergebleven. Het vooronderzoek is op 28 oktober 2021 afgerond. Het resultaat van het onderzoek is een zogenaamde ‘Bodembelastingkaart’. Op deze kaart is te zien waar een verhoogd risico bestaat om niet ontplofte oorlogsresten aan te treffen. Voor aandachtsgebieden en verdachte gebieden is aangegeven wat te doen bij werkzaamheden in het betreffende gebied. In afbeelding 4.4 is een uitsnede van de Bodembelastingskaart opgenomen met daarin het rood het onderzoeksgebied weergegeven.

Afbeelding 4.4 Verdachte gebieden op de Bodembelastingsk aart (bron: Waterschap Zuiderzeeland)

(vastgesteld)

blz. 54

4.6.2 Situatie onderzoeksgebied Op basis van de bodembelastingskaart en de in bijlage 10 opgenomen memo blijkt dat in het onderzoeksgebied geen verdacht gebied is voor niet gesprongen explosieven. Geadviseerd wordt om het proces van explosievenopsporing voor wat betreft het onderzoeksgebied te beëindigen en de geplande werkzaamheden regulier (dus zonder verdere opsporing) uit te (laten) voeren.

4.6.3 Conclusie Gelet op het bovenstaande ligt het onderzoeksgebied buiten een gebied waar indicaties zijn van eventuele oorlogsresten. Gesteld wordt dat het aspect conventionele explosieven geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

4.7

Archeologie

4.7.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

4.7.2 Situatie onderzoeksgebied Door Greenhouse is een archeologisch advies gemaakt over de archeologische situatie in het onderzoeksgebied. Het advies is opgenomen in bijlage 11. Zij constateren dat op basis van het gemeentelijke archeologiebeleid (2008) geen archeologisch onderzoek vereist is binnen de delen van het onderzoeksgebied waar een lage archeologische verwachting geldt. Dit is het grootste gedeelte van het onderhavig onderzoeksgebied op een klein noordelijk deel (reeds bestemd voor ) na waar een hoge verwachting geldt volgens de gemeentelijke archeologische Maatregelenkaart.

Het gedeelte met een hoge archeologische verwachting is reeds door Vestigia (2008) onderzocht en daarop door de gemeente vrijgesteld. Het gehele onderhavige plangebied is daartoe vrijgesteld van voorafgaand archeologisch onderzoek. Overigens geldt er wel te allen tijde een wettelijke meldingsplicht indien tijdens graafwerkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen. Ook in vooraf vrijgegeven gronden.

4.7.3 Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

(vastgesteld)

blz. 55

4.8

Cultuurhistorie

4.8.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.

In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.

4.8.2 Situatie onderzoeksgebied Op de provinciale cultuurhistorische waardenkaart worden de landschappelijke en cultuurhistorische 'kernkwaliteiten' en 'basiskwaliteiten' aangegeven. Tot de kernkwaliteiten worden elementen en patronen gerekend die bepalend zijn voor het karakter van Flevoland en waarmee de essentie van het polderconcept wordt gewaarborgd. Tot de kernkwaliteiten worden gerekend: de dijken, vaarten, interne ontsluitingsstructuur, flankerende beplanting (laanbeplanting) bosranden, oude elementen en landschapskunstwerken. Daar waar langs de provinciale wegen laanbeplanting aanwezig is, die is aangewezen als kernkwaliteit, is het provinciale beleid gericht op behoud en versterking. Tot de basiskwaliteiten behoren onder andere de openheid van het landschap, de verkavelingsstructuur, gemalen, hoge bruggen, erfbeplanting.

In afbeelding 4.5 is een uitsnede van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart opgenomen. Binnen het onderzoeksgebied bevinden zicht geen provinciale cultuurhistorische elementen.

(vastgesteld)

blz. 56

Afbeelding 4.5 Uitsnede provinciale Cultuurhistorische waardenkaart (bron: provincie Flevoland)

Viskwekerijwoningen De oudste gebouwen in het onderzoeksgebied zijn de twee viskwekerwoningen uit 1963 aan de Karperweg. De woningen zijn cultuurhistorisch van belang als de eerste woningen van Lelystad, die gekoppeld waren aan de aangrenzende viskwekerij. Architectuurhistorisch zijn de woningen van belang vanwege hun modernistische bouwstijl en bijzondere typologie van de woningen. De viskwekerwoning Karperweg 8 is inmiddels helemaal opgeknapt en weer in gebruik als kantoor. In de 2e viskwekerwoning aan de Karperweg 10 brak op 9 mei 2015 brand uit en bevindt zich in slechte staat.

Met de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de zuidoostelijke XXL-kavel zullen geen wijzigingen of veranderingen plaatsvinden aan de dienstwoning Karperweg 10, waarmee geen afbreuk wordt gedaan aan de mogelijke erfgoedstatus van deze dienstwoning. Onderzocht wordt wat een toekomstbestendige en exploitabele functie kan zijn voor het pand.

(vastgesteld)

blz. 57

4.8.3 Conclusie De aanwezige cultuurhistorische waarden worden voldoende beschermd middels dit bestemmingsplan. Derhalve kan het bestemmingsplan uitvoerbaar worden geacht voor wat betreft het aspect cultuurhistorie.

4.9

Luchtkwaliteit

4.9.1 Algemeen Op 15 november 2007 is de zogeheten 'Wet luchtkwaliteit' in werking getreden. Met de 'Wet luchtkwaliteit' wordt de wijziging van de 'Wet milieubeheer' op het gebied van luchtkwaliteitseisen bedoeld. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het 'Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)'. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor een ruimtelijke ontwikkeling wanneer: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Grenswaarden In de Wet milieubeheer zijn grenswaarden opgenomen ten aanzien van een aantal luchtverontreinigende stoffen.

In de ruimtelijke ordening zijn met name de stoffen fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) van belang. De grenswaarden van deze stoffen zijn in de onderstaande tabel 4.2 weergegeven.

Tabel 4.2 Grenswaarden Wet milieubeheer Stof stikstofdioxide (NO2)

fijnstof (PM10)

fijnstof (PM2,5)

Toetsing van jaargemiddelde concentratie uurgemiddelde concentratie max. 18 keer per jaar jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie max. 35 keer per jaar jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m³ 200 µg/m³ 40 µg/m³ 50 µg/m³

25 µg/m³

Besluit 'Niet in betekende mate' Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'Niet in

(vastgesteld)

blz. 58

betekenende mate (NIBM)' bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. In de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip 'niet in betekenende mate bijdragen' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10.

4.9.2 Situatie onderzoeksgebied Om de effecten van het plan ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit in beeld te brengen is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd. In bijlage 12is het gehele onderzoek opgenomen. In het luchtkwaliteitsonderzoek zijn de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5) uitgerekend op maatgevende beoordelingspunten in en rond het onderzoeksgebied. Hieronder zijn de belangrijkste rekenresultaten weergegeven.

Rekenresultaten NO2 Tabel 4.3 geeft de hoogste berekende concentratie op de relevante beoordelingspunten. Deze zijn gelegen op een aantal woningen en langs de rand van de weg. De totale concentratie is de som van de bijdrage van 'Flevokust' en de achtergrondconcentratie. In Bijlage 12 Luchtkwaliteitsonderzoek opgenomen bijlage 3 worden de rekenresultaten als uitvoer van Geomilieu weergegeven op alle toetspunten.

Tabel 4.3 Hoogste concentraties NO2

Deze punten liggen allemaal op de A6 waar deze kruist met de N302. De rest van de beoordelingspunten welke dichter bij/naast woningen zijn gelegen geven allemaal een lagere concentratie aan.

Resultaten fijn stof (PM10) Tabel 4.4 geeft de hoogst berekende concentratie op de relevante beoordelingspunten. De totale concentratie is de som van de bijdrage van 'Flevokust' en de achtergrondconcentratie. In Bijlage 12 Luchtkwaliteitsonderzoek opgenomen bijlage 3 worden de rekenresultaten als uitvoer van Geomilieu weergegeven op alle toetspunten.

Tabel 4.4 Hoogste concentraties PM10

(vastgesteld)

blz. 59

De punten in tabel 4.3 liggen langs de Houtribweg, overige berekende concentraties zijn allemaal lager.

Resultaten fijn stof (PM 2,5) Tabel 4.5 geeft de hoogst berekende concentratie op de relevante beoordelingspunten. De totale concentratie is de som van de bijdrage van 'Flevokust' en de achtergrondconcentratie. In Bijlage 12 Luchtkwaliteitsonderzoek opgenomen bijlage 3 worden de rekenresultaten als uitvoer van Geomilieu weergegeven op alle toetspunten.

Tabel 4.5 Hoogste concentraties PM2,5

De punten in tabel 4.4 liggen langs de Houtribweg, overige berekende concentraties zijn allemaal lager.

De bovenstaande rekenresultaten laten zien dat de totale concentraties (bijdrage van Bedrijventerrein 'Flevokust' plus achtergrondconcentratie) voldoen aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit. Ook wordt het aantal overschrijdingen van de uur- en daggemiddelde concentratie voor respectievelijk NO2 en PM10 niet overschreden.

4.9.3 Conclusie De bijdrage van bedrijventerrein 'Flevokust' leidt voor NO2 niet tot overschrijdingen van de grenswaarden voor de jaargemiddelde en uurgemiddelde concentraties, Ook voor PM10 wordt de maximaal toegestane jaargemiddelde concentratie van 40 µg/m3 en de daggemiddelde grenswaarde niet overschreden. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 blijft tevens ruim onder de grenswaarde van 25 µg/m3. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling inpasbaar is vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit op basis van artikel 5.16 lid 1a van de Wet luchtkwaliteit.

(vastgesteld)

blz. 60

4.10

Externe veiligheid

4.10.1 Algemeen Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgesteld in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit plasbrandaandachtsgebied).

(veiligheidszone

en

Het vervoeren van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld via het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

4.10.2 Situatie onderzoeksgebied In de onderstaande afbeelding 4.6 van de risicokaart zijn de verschillende risico's weergegeven. De rode onderbroken lijn is de hogedrukaardgasleiding, de rode doorgetrokken lijn is de route gevaarlijke stoffen, de zwarte cirkel is een veiligheidscontour voor de Maximacentrale, de oranje lijn is de veiligheidszone langs de A6 en de gele lijn is de spoorlijn Weesp – Zwolle.

(vastgesteld)

blz. 61

Afbeelding 4.6 Uitsnede risicokaart (Bron: gemeente Lelystad) Opgemerkt wordt dat het bedrijf 3D metal Forming nog ontbreekt op de risicokaart.

Inventarisatie risicobronnen De dichtstbijzijnde spoor van het basisnet is spoorroute 40 (Weesp – Zwolle) met trajectnummer Y en ligt ten zuiden op circa 150 meter afstand gelegen van het onderzoeksgebied. De dichtstbijzijnde vaarroute die onder het basisnet valt ligt op circa 2.300 m ten noord westen van het onderzoeksgebied, dit betreft de Corridor Amsterdam - Noord-Nederland. Op circa 730 m ten oosten van het plangebied is de dichtstbijzijnde basisnetroute over de weg de gelegen, dit betreft de Rijksweg A6. De gemeente heeft de Houtribweg (N307) tussen de A6 en de Houtribsluizen aangewezen als een route waarover transport van gevaarlijke stoffen plaats kan vinden.

(vastgesteld)

blz. 62

Op circa 70 meter afstand tot de geplande bebouwing, ten noordwesten langs het onderzoeksgebied, is een buisleiding van de Gasunie Transport Services gelegen waardoor aardgas wordt vervoerd. Ten zuiden van het plangebied ligt McCain Foods Holland BV. De inrichting beschikt over een ammoniakkoelinstallatie met een inhoud van 8.000 kg (NH3) en heeft een PR 10-6 contour van 25 m. Het bedrijf 3D Metal Forming aan de Karperweg 8 heeft een veiligheidszone (zone-B). De veiligheidszone betreft maximaal 256 meter in zuidoostelijke richting en 56 meter in noordwestelijke richting.

De invloed van de risicobronnen op het onderzoeksgebied is nader uitgewerkt en opgenomen in bijlage 13.

Uit het onderzoek blijkt dat het plangebied binnen het invloedsgebied van de dichtstbijzijnde spoorroute 40 (Weesp – Zwolle) is gelegen. Het onderzoeksgebied betreft een distributiecentrum waarvan verwacht wordt dat deze als een beperkt kwetsbaar object wordt aangemerkt. Gezien distributiecentra een groot oppervlak hebben waar weinig personeel per vierkante meter aanwezig zal zijn gedurende dag en nachtperiode, kan tevens verwacht worden dat het onderzoeksgebied een geringe impact zal hebben op het groepsrisico van de verschillende hierboven genoemde externe veiligheidsbronnen in het algeheel.

Het bedrijf 3D Metal Forming aan de Karperweg 8 heeft een veiligheidszone (zone-B en C). Geconcludeerd wordt dat de inrichting van de Zone B een risico kan vormen in het kader van externe veiligheid. Er mogen binnen deze zone geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten worden gerealiseerd. De B zone ligt voor een klein gedeelte over het plangebied van het bestemmingsplan. Hiervoor is in de regels van het bestemmingsplan een beschermende regeling opgenomen. Voor zone C gelden bouwbeperkingen vanuit de circulaire 'opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik' van 26-07-2006. De beperkingen komen voort uit het milieuspoor en hoeven daarom niet opgenomen te worden in het bestemmingsplan. Volledigheidshalve is er wel een beperkende regeling voor bouwen in de regels van het bestemmingsplan opgenomen. Uit het kwalitatieve onderzoek voor het distributiecentrum op perceel D volgt dat de plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar buiten de inrichtingsgrens van het betreffende perceel is gelegen. De 10-6 plaatsgebonden risicocontour is niet gelegen over (beperkt) kwetsbare objecten. Hiermee wordt voldaan aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico conform het Bevi. Het berekende groepsrisico ligt onder de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. Het berekende groepsrisico bedraagt ten hoogste 0,003% van de oriëntatiewaarde bij N = 5 slachtoffers.

Aldus wordt (ruimschoots) voldaan aan de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico conform het Bevi.

De Gemeente Lelystad heeft aangegeven dat de Omgevingsdienst Flevoland, Gooi en Vechtstreek moet beoordelen of de contouren van het bedrijf McCain B.V. de meest actuele waarden zijn gelet op de nieuwbouw van McCain en de vervanging van de ammoniakinstallatie. Dit blijkt zo te zijn. De afstanden op de EV signaleringskaart zijn gecontroleerd en blijken te kloppen. De overige omliggende risicobronnen zijn niet relevant in het kader van externe veiligheid.

(vastgesteld)

blz. 63

Opgemerkt wordt dat in artikel 3.4 lid c in de planregels van het voorliggend bestemmingsplan is bepaald dat het gebruik van gronden en bouwwerken zodanig dat de risicocontour 10-6 (plaatsgebonden risico) van het bedrijf buiten het bouwperceel van het betreffende bedrijf valt niet is toegestaan. Hiermee is geborgd dat invloed van het bedrijf op een bouwperceel niet van invloed is op een ander bouwperceel. Bij overschrijding van de perceelsgrens kan middels een binnenplanse afwijking worden afgeweken van deze grens. Hierbij is als voorwaarde gesteld dat altijd moet worden voldaan aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

De opslag van tot vloeistof verdichte gassen is toegestaan binnen het bestemmingsplan, mits ondergeschikt aan de bedrijfsactiviteit. Dit gezien de opslag van diverse gasvormige consumentenproducten in een distributiecentrum.

4.10.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid is voldoende geborgd in dit bestemmingsplan.

4.11

Kabels, leidingen en zoneringen

4.11.1 Algemeen Behoudens de aardgastransportleiding en de hoogspanningsverbinding die is beschreven in de paragraaf 4.10, lopen door het ontwikkelingsgebied geen planologisch relevante kabels of leidingen die de vaststelling in het de weg staan. De ligging van de aardgastransportleiding is vastgelegd op de planverbeelding van het bestemmingsplan.

4.12

Ecologie

4.12.1 Algemeen Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.

Voor de ontwikkeling Flevokust Haven is een groenversterkend plan opgesteld (bijlage 1 en 2). In dit plan is op hoofdlijnen invulling gegeven aan de groenstructuren op het bedrijventerrein. De ambitie van het plan is om klimaat en biodiversiteitskansen op te nemen en bijvoorbeeld geen strak gemaaide gazons en monoculturen toe te staan. Onderdeel van het plan is bovendien een aanvullend bosgebied dat de schakel vormt tussen de bestaande natuurgebieden. Dit plan is meegenomen in de ecologische beoordeling.

(vastgesteld)

blz. 64

4.12.2 Gebiedsbescherming TAUW heeft een voortoets uitgevoerd naar de consequenties van de Wet Natuurbescherming voor de realisatie en ingebruikname van het bedrijventerrein Flevokust (bijlage 14). De ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze niet in strijd is met de bepalingen als opgenomen in de Wet natuurbescherming of als de benodigde vergunningen en/of ontheffingen redelijkerwijs kunnen worden verleend. De onderdelen gebiedenbescherming van de Wet natuurbescherming en het Barro zijn van belang om te toetsen. In de voortoets zijn de effecten op beschermde Natura 2000-gebieden en het NNN beschouwd.

Uit de voortoets blijkt dat het Natura 2000-gebied IJsselmeer naast het nieuwe bedrijventerrein is gelegen. Dit gebied is aangewezen als Habitatrichtlijngebied en Vogelrichtlijngebied. De beoogde activiteit kan op verschillende manieren effect hebben op dit Natura 2000-gebied. Dit zijn zogenoemde ‘storingsfactoren’. Alle relevante storingsfactoren zijn beschouwd. Een aantal effecten zijn op voorhand uitgesloten gezien de activiteiten niet in het Natura 2000-gebied plaatsvinden. De aanleg- en gebruiksfase in relatie tot stikstofdepositie dient separate berekend te worden en indien nodig ecologisch beoordeeld. Voor alle habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten geldt dat effecten (m.u.v. van effecten door stikstofdepositie) zijn uitgesloten

Uit de voortoets blijkt verder dat significante aantasting van enkele van de wezenlijke kenmerken en waarden van het nabijgelegen NNN niet zijn uitgesloten. Met het realiseren van 19 hectare bos- en groenontwikkeling waarmee meer samenhang wordt verkregen tussen verschillende NNN gebieden, is echter de verwachting dat per saldo een neutraal effect of een verbetering optreedt voor het NNN. Oftewel het areaal dat ongeschikt wordt door verstoring valt weg door de areaal -en kwaliteitstoename van het te realiseren groengebied.

De effecten op het Natura 2000 gebied, het NNN en stikstofdepositie wordt hierna nader onderzocht.

Natura 2000-gebied Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd.

(vastgesteld)

blz. 65

Afbeelding 4.7 Ligging van het onderzoeksgebied ten opzichte van Natura 2000-gebied (Paars)

Situatie onderzoeksgebied In afbeelding 4.7 wordt de ligging van het onderzoeksgebied weergegeven ten opzichte van Natura 2000-gebieden. De afstand van het onderzoeksgebied tot het Natura 2000-gebied 'IJsselmeer' bedraagt circa 75 meter.

Overige Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand, minimaal drie kilometer van het plangebied af. Dit maakt dat storingsfactoren met een grotere reikwijdte (groter dan drie kilometer) in deze gebieden effect kunnen hebben. Van de diverse storingsfactoren zijn dat alleen de emissies naar de lucht.

Het deel van het IJsselmeer en de nabije omgeving waarop de voorgenomen ontwikkeling mogelijk effect heeft is uitsluitend aangewezen Vogelrichtlijngebied. Het deel van het Natura 2000-gebied wat ook als Habitatrichtlijngebied is aangewezen is gelegen op circa 50 kilometer afstand van het plangebied.

(vastgesteld)

blz. 66

Voor de aanleg van het bedrijventerrein is zowel als gevolg van de aanleg als in de gebruiksfase sprake van mogelijke effecten op Natura 2000-gebied IJsselmeer. In tabel 4.6 zijn de relevante storingsfactoren weergegeven en is aangegeven of deze relevant zijn in de aanlegfase, gebruiksfase of beide.

Tabel 4.6: Relevante storingsfactoren als gevolg van de beoogde ontwikkeling in de aanleg- en gebruiksfase

Bovenstaande storingsfactoren zijn nader getoetst op de instandhoudingsdoelen voor broedvogels en niet broedvogels. Wat betreft broedvogels wordt gesteld dat er geen geschikte nestplaatsen nabij het onderzoeksgebied, en ook zand- en modderbanken of geschikte oeverzones ontbreken. Tenslotte heeft eerder onderzoek aangetoond dat verlies van geschikt binnendijks foerageergebied door landgebruik niet leidt tot significante effecten. Verder is er geen sprake van aantasting van de voedselbeschikbaarheid. Effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van broedvogels zijn daarom op voorhand uitgesloten. Wat betreft niet broedvogels wordt gesteld dat het onderzoeksgebied en omgeving voor de niet-broedvogelsoorten met een instandhoudingsdoel in Natura 2000-gebied IJsselmeer geen essentieel foerageer- of rustgebied is en daarom effecten op deze soorten zijn uitgesloten.

Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.

(vastgesteld)

blz. 67

Afbeelding 4.8 Flevokust Haven met de relevante NNN-gebieden (groen)

Situatie onderzoeksgebied Het plangebied ligt niet in, maar direct naast het NNN (zie afbeelding 4.8). Ten oosten van het plangebied op circa 50 meter is het dichtstbijzijnde deel van het NNN gelegen. Ten westen van het plangebied is ook het IJsselmeer gelegen, wat onder het Natuurnetwerk Nederland – Grotere Wateren valt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lelystad&id=37c8741a-9626-4660-b947-62659a7d5c50