Bijlage 19 Passende beoordeling
Tekst van het document
Derhalve wordt een verstoringsafstand van 100 m aangehouden voor de beoordeling van permanente verstoringseffecten door de gebruiksfase van de woonwijk. Conclusie effectbepaling Tabel 5.2 laat de maximale verstoringscontour zien voor de blauwe kiekendief in de aanlegfase en gebruiksfase, gebaseerd op de maatgevende effecttypen.
25 | 42
Witteveen+Bos | 149565/26-002.663 | Definitief
Tabel 5.2 Bepaalde maximale verstoringscontour voor de blauwe kiekendief in de aanleg- en gebruiksfase
maximale verstoringscontour (in m)
Aanlegfase
Gebruiksfase
1.000
100
Effectbeoordeling Aanlegfase Verstoringen van de geplande werkzaamheden reiken vanaf woonwijk Zuiderhage tot in foerageergebied van de blauwe kiekendief en zorgen hier voor een afname van de kwaliteit. Gezien blauwe kiekendieven afhankelijk zijn van foerageergebied binnen een straal van circa vijf (tot in sommige gevallen acht) km rondom Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen, leidt een afname van kwaliteit van foerageergebied mogelijk tot significante gevolgen voor de blauwe kiekendief. De werkzaamheden in de aanlegfase vinden het gehele jaar door plaats en stoppen zodra de woonwijk gerealiseerd is. Deze verstoringen zijn daarom tijdelijk van aard maar zorgen wel voor langdurige verstoring die enkele jaren duurt. Verstoring door licht kan ontstaan als werkzaamheden plaatsvinden in de schemer of in het donker waarbij werklampen en koplampen van machines en autoverkeer worden gebruikt. Dit licht kan dan zorgen voor verstoring van de blauwe kiekendief als deze trekt naar foerageergebieden. Dit heeft vervolgens mogelijk invloed op foerageermogelijkheden van de blauwe kiekendief. Van verstoring door licht is alleen sprake in de herfst- en wintermaanden, wanneer de werkzaamheden tussen 07:00 en 19:00 in schemer- of nachturen plaatsvinden. In deze periode is er voor de blauwe kiekendief voldoende alternatief foerageergebied om tijdelijk naar uit te wijken tijdens de aanlegfase.
Tijdens het broedseizoen van de blauwe kiekendief (april tot en met augustus), wanneer de soort mogelijk erg afhankelijk is van foerageergebieden, vinden werkzaamheden niet plaats tijdens schemer- of nachturen en is hier geen sprake van verstoring door licht. Hierdoor zorgt verstoring door licht in de aanlegfase niet voor significante gevolgen voor de blauwe kiekendief. Werkzaamheden in de aanlegfase van woonwijk Zuiderhage zorgen voor een verstoring op circa 333 ha van blauwe kiekendief foerageergebied (afbeelding 5.4). In de huidige situatie is momenteel al sprake van verstoring door geluid door de nabijgelegen spoorlijn Almere - Lelystad, de A6 en de Larserdreef. Dit beperkt de mate van verstoring door geluid van het project tijdens de aanlegfase, omdat dit geluid gedeeltelijk overstemd wordt door het huidige achtergrondgeluid. De werkzaamheden kunnen echter nog steeds zorgen voor geluidsverstoring of de huidige mate van geluidsverstoring versterken. Daarnaast kan er sprake zijn van optische verstoring of verstoring door trilling waardoor de kwaliteit van het foerageergebied afneemt.
26 | 42
Witteveen+Bos | 149565/26-002.663 | Definitief
Afbeelding 5.4 Tijdelijke verstoring op foerageergebied in de aanlegfase (1000 m verstoringscontour)
De realisatie van woonwijk Zuiderhage zorgt dus voor tijdelijke verstoring in een groot deel van het foerageergebied van de blauwe kiekendief. Deze verstoring heeft mogelijk een tijdelijke afname van de kwaliteit van het foerageergebied tot gevolg, waardoor deze minder goed of geheel niet meer kan functioneren als geschikt foerageergebied. Andere agrarische gebieden in de omgeving van Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen dienen ook als foerageergebied voor de blauwe kiekendief, maar bij tijdelijke ongeschiktheid van het foerageergebied is onbekend of deze andere gebieden volstaan om de foerageerbenodigdheden voor de blauwe kiekendief op te vangen. Gezien gebrek aan geschikt foerageergebied een knelpunt is voor deze soort, kan een tijdelijke afname hiervan tijdens een kritieke periode (de broedperiode) leiden tot significante gevolgen voor de blauwe kiekendief en de instandhoudingsdoelstellingen van deze soort in het Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen. Om deze reden is het nemen van mitigerende maatregelen noodzakelijk. Dit wordt verder besproken in hoofdstuk 6. Gebruiksfase Verstoring in de gebruiksfase ontstaat door menselijke activiteiten zoals recreatie en verkeersbewegingen door de ingebruikname van de woonwijk. In de huidige situatie is al sprake van verstoring door geluid door de nabijgelegen spoorlijn Almere - Lelystad, de A6 en de Larserdreef.
Desondanks kan de ingebruikname van de woonwijk zorgen voor geluidsverstoring of de huidige mate van geluidsverstoring versterken. Daarnaast kan er sprake zijn van optische verstoring of verstoring door licht waardoor de kwaliteit van het foerageergebied afneemt. De verstoring door de ingebruikname van woonwijk Zuiderhage op basis van de verstoringscontour van 100 m beslaat circa 27 ha aan foerageergebied (afbeelding 5.5). Dit leidt tot een afname van foerageermogelijkheden voor de blauwe kiekendief.
27 | 42
Witteveen+Bos | 149565/26-002.663 | Definitief
Afbeelding 5.5 Permanente verstoring op foerageergebied in de gebruiksfase (100 m verstoringscontour)
Verstoring door geluid in de gebruiksfase is permanent van aard en leidt daarom tot een permanente aantasting van foerageergebieden. Het is onbekend of andere foerageergebieden rondom Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen de foerageerbehoeften van de blauwe kiekendief kunnen vervullen bij verlies van foerageergebied ter plaatse van de toekomstige woonwijk. Gezien gebrek aan geschikt foerageergebied een knelpunt is voor de soort, kan niet worden uitgesloten dat een permanente aantasting van foerageermogelijkheid ter plaatse van de toekomstige woonwijk leidt tot negatieve effecten voor de blauwe kiekendief. Significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen zijn daarom niet uitgesloten. Voor het verlies of aantasting van geschikt blauwe kiekendief foerageergebied is mitigatie noodzakelijk. Hier wordt verder op ingegaan in hoofdstuk 6.
5.4
Cumulatie
Naast dat het aanleggen en het gebruik van de woonwijk mogelijk op zichzelf gevolgen heeft voor de omgeving van het projectgebied, is het mogelijk dat effecten van andere projecten of activiteiten in de omgeving in combinatie met het project leiden tot cumulatieve effecten. Via cumulatieve effecten kunnen dan mogelijk alsnog significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van de blauwe kiekendief van Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen ontstaan. In deze paragraaf worden cumulatieve effecten beschreven en beoordeeld. In een cumulatietoets worden vergunde, nog niet gerealiseerde projecten meegenomen. Projecten die nog niet zijn vergund kunnen dus buiten beschouwing blijven, evenals reeds gerealiseerde initiatieven. Daarbij dient het uitsluitend te gaan om die ontwikkelingen die voldoende concreet zijn en waarover reeds een besluit is genomen. Vanzelfsprekend verandert de lijst met relevante projecten in de loop van de tijd voortdurend, aangezien steeds nieuwe projecten worden toegevoegd en uitgevoerde projecten worden afgevoerd. In onderhavige passende beoordeling is rekening gehouden met projecten tot de datumnotering van dit rapport.
28 | 42
Witteveen+Bos | 149565/26-002.663 | Definitief
De projecten waarvoor effecten gecumuleerd worden, bestaan uit relevante plannen en projecten welke zijn voortgekomen uit een onderzoek wat Witteveen+Bos heeft uitgevoerd met gebruik van informatie van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, Omgevingsloket en Overheid.nl. Tijdens het onderzoek is één project gevonden dat relevant is voor cumulatie in de realisatie en gebruik van woonwijk Zuiderhage fase 1 in het kader van de passende beoordeling. Het gaat hierbij om het project Rondweg Lelystad-Zuid. Van dit project is het projectbesluit definitief vastgesteld op 20 januari 2026. Het project vindt plaats in de nabije omgeving van woonwijk Zuiderhage en zorgt eveneens voor ruimtebeslag en verstoring op foerageergebied van de blauwe kiekendief: - Rondweg Lelystad-Zuid: gemeente Lelystad en provincie Flevoland werken samen aan een nieuwe rondweg Lelystad-Zuid. Deze nieuwe weg, bestaande uit de Laan van Nieuw Land en een verlengde Westerdreef, komt aan de zuidkant van Lelystad en zorgt voor een betere bereikbaarheid, minder drukte op de bestaande wegen en een betere verkeersveiligheid. Volgens planning start de aanleg van de rondweg in 2027 en is de weg in 2029 klaar voor gebruik (Provincie Flevoland 2026).
De ontwikkelingen van Rondweg Lelystad-Zuid zorgen voor ruimtebeslag en verstoring van foerageergebied van de blauwe kiekendief, maar deze effecten worden voor dit project op zichzelf gemitigeerd (Witteveen+Bos 2025). Wat betreft de aanlegfase kunnen de werkzaamheden van Rondweg Lelystad-Zuid en woonwijk Zuiderhage, wanneer deze tegelijk plaatsvinden, zorgen voor een verhoogde verstoring waardoor meer foerageergebied benadeeld wordt. Hier dient rekening mee gehouden te worden. Wat betreft de gebruiksfase zal er in cumulatie met Rondweg Lelystad-Zuid geen sprake zijn van extra ruimtebeslag of verstoring door de ingebruikname van woonwijk Zuiderhage dan beschreven in hoofdstuk 5. Wat betreft de gebruiksfase zullen de conclusies voor woonwijk Zuiderhage in cumulatie met project Rondweg Lelystad-Zuid derhalve niet veranderen. Tijdens het onderzoek zijn er daarnaast plannen gevonden die relevant zijn voor de mitigatieopgave van de geplande ontwikkeling die in de passende beoordeling wordt uitgewerkt (niet voor de cumulatietoets). Ontwikkelingen rondom Lelystad Airport hebben op 23 januari 2026 nog geen vergunning. Zelf hebben de Lelystad Airport contouren geen relevante effecten op het projectgebied en de omgeving met betrekking tot cumulatie met het huidige project en wordt deze daarom niet meegenomen in de cumulatietoets.
Maar, er zijn wel relevante gebruiksregels voor de omgeving van Lelystad Airport opgesteld met betrekking tot ontwikkelingsactiviteiten. In het plan staat onder andere beschreven dat binnen de contouren van het bestemmingsplan geen ontwikkelingen of activiteiten mogen plaatsvinden die een vogelaantrekkende werking hebben. De realisatie van woonwijk Zuiderhage zelf heeft geen vogelaantrekkende werking. Wel moet er voor de realisatie en het gebruik van de woonwijk gemitigeerd worden voor blauwe kiekendief foerageergebied. Een dergelijk gebied heeft mogelijk wel vogelaantrekkende werking. Het mitigatie foerageergebied mag, conform de gebruiksregels van de Lelystad Airport, niet binnen de contouren van het bestemmingsplan worden ontwikkeld. Deze gebruiksregels zijn relevant voor het ontwikkelen van blauwe kiekendief foerageergebied voor mitigatie. Dit is in hoofdstuk 6 meegenomen.
5.5
Conclusie
Gebiedsontwikkeling woonwijk Zuiderhage (fase 1) leidt tot ruimtebeslag en verstoring van foerageergebied van de blauwe kiekendief waarvoor een instandhoudingsdoelstelling geldt in Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen. Tabel 5.4 geeft een overzicht van de afname en verstoring van foerageergebied van de blauwe kiekendief door de projectontwikkeling van woonwijk Zuiderhage fase 1.
Tabel 5.4 Omvang afname en verstoord areaal in aanleg- en gebruiksfase Effecttype
Tijdelijke aantasting (ha)
Permanente aantasting (ha)
oppervlakteverlies
113
113
verstoring
333
27
totaal
446
140
* Begint in aanlegfase (tijdelijke aantasting) en gaat over in gebruiksfase (permanente aantasting).
29 | 42
Witteveen+Bos | 149565/26-002.663 | Definitief
De projectontwikkeling leidt tot permanent oppervlakteverlies. Daarnaast zorgt de aanlegfase van het project voor verstoring van foerageergebied door geluid, trilling en optische verstoring en de gebruiksfase voor verstoring door geluid, licht en optische verstoring. Verstoringen in de aanlegfase leiden tot een tijdelijke afname van de kwaliteit van dit foerageergebied en verstoring in de gebruiksfase leidt tot een permanente afname van kwaliteit. Gezien gebrek aan geschikt foerageergebied een knelpunt is voor de blauwe kiekendief, kan niet worden uitgesloten dat het verlies of aantasting van deze gebieden leidt tot significante gevolgen voor de soort en daarmee ook voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen. Hiervoor zijn mitigerende maatregelen noodzakelijk. Dit wordt verder beschreven in hoofdstuk 6.
30 | 42
Witteveen+Bos | 149565/26-002.663 | Definitief
6 MITIGATIE 6.1
Tijdelijke verstoring
Tijdens de aanlegfase van het project is sprake van verstoring op foerageergebieden van de blauwe kiekendief. De soort heeft instandhoudingsdoelstelling in Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen en is afhankelijk van foerageergebieden binnen een straal van vijf (tot in sommige gevallen acht) km van dit gebied. Op basis van informatie van Sovon worden de instandhoudingsdoelstellingen voor de blauwe kiekendief in Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen niet gehaald en zijn trends negatief of onzeker. Daarnaast is gebrek aan foerageergebied een knelpunt voor de soort en zorgt een afname (in kwaliteit) van foerageergebied daardoor mogelijk voor significante gevolgen voor de soort en daarmee een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen. Voor de tijdelijke aantasting van foerageergebied van de blauwe kiekendief in de aanlegfase is daarom mitigatie noodzakelijk. De geplande werkzaamheden leiden tot verstoringen die er mogelijk voor zorgen dat circa 446 ha aan foerageergebied in kwaliteit afneemt of zelfs ongeschikt wordt. Tijdens de broedperiode (april t/m augustus) is de blauwe kiekendief bijzonder kwetsbaar voor het verlies van foerageermogelijkheden en is het broedsucces afhankelijk van gebieden nabij Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen (Vogelbescherming Nederland 2023).
Buiten het broedseizoen is de soort minder afhankelijk van suboptimaal foerageergebied ter plaatse van Zuiderhage en heeft de soort de mogelijkheid om tijdelijk uit te wijken naar meer optimaal foerageergebied ten zuiden/oosten van de A6 buiten de verstoringscontouren. De verstorende werkzaamheden dienen daarom uitgevoerd te worden buiten het broedseizoen tussen 1 september en 31 maart en te stoppen tussen 1 april t/m 31 augustus. Met inbegrip van deze mitigerende maatregel treden geen negatieve effecten meer op voor de blauwe kiekendief gedurende de aanlegfase.
6.2
Ruimtebeslag en permanente verstoring
Tijdens de gebruiksfase van het project is sprake van permanent oppervlakteverlies en verstoring van foerageergebied van de blauwe kiekendief. In totaal zorgt het project voor oppervlakteverlies van 113 ha en verstoringen op 27 ha aan foerageergebied. In totaal betreft dit een aantasting van 140 ha aan foerageergebied. Gezien de instandhoudingsdoelstelling voor de blauwe kiekendief in Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen niet wordt gehaald en gebrek aan foerageergebied een knelpunt is voor de soort, heeft permanent verlies of aantasting van foerageergebieden mogelijk significante gevolgen voor de soort. Hiervoor is mitigatie noodzakelijk. De opgave van mitigatie hangt af van de kwaliteit van het gebied dat verloren gaat en wat ervoor gemitigeerd wordt. Het huidige foerageergebied wordt door de huidige verstoring van de spoorlijn en de A6 in combinatie met het gebruik van de locatie voor akkerbouw en recreatie beschouwd als suboptimaal (Gradiënt Natuurontwikkeling 2018). Als hiervoor foerageergebied gemitigeerd wordt van hogere kwaliteit dan dat wat verloren gaat, hoeft uiteindelijk minder oppervlakte terug te komen dan verloren gaat. Foeragerende blauwe kiekendieven hebben daarmee namelijk genoeg aan een kleiner aantal ha om voldoende prooien te vinden.
Voor mitigatie door middel van het realiseren van gebied met dezelfde kwaliteit als het gebied dat verloren gaat, geldt een mitigatieopgave van 100 % van het verloren areaal. De
31 | 42
Witteveen+Bos | 149565/26-002.663 | Definitief
kwaliteit van het gebied is afhankelijk van de voorwaarden die het foerageergedrag van de blauwe kiekendief bevorderen. De voorwaarden voor optimaal foerageergebied zijn: - voldoende voedselaanbod (prooidieren); - open structuur van de vegetatie; - binnen vliegafstand broedplaatsen in Oostvaardersplassen (bij voorkeur binnen vijf km); - afstand van >100 m van menselijke verstoringsbronnen; - open en verstoringsvrije vliegroute tussen broedgebied en foerageergebied (bijvoorbeeld geen autosnelweg, spoorlijn of hoogspanningsleiding). De eerste twee punten zijn te beïnvloeden door het kiezen van optimale inrichting en beheer. Een verstoringsvrije vliegroute naar foerageergebieden zal voor de soort gunstig zijn, maar in de praktijk blijkt dat dit geen absoluut vereiste is. Dit blijkt uit de ligging van belangrijke foerageergebieden van de soort die van het Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen gescheiden zijn door de A6 (Altenburg & Wymenga Ecologisch onderzoek 2006). In eerder onderzoek door Natuur Gradiënt (Gradiënt Natuurontwikkeling 2018) is een factor berekend voor een mitigatieopgave in gebied Warande om te bepalen hoeveel optimaal foerageergebied gelijk is aan suboptimaal foerageergebied (Gradiënt Natuurontwikkeling 2018). In overleg met de provincie Flevoland is bepaald dat de berekeningen van dit onderzoek gebruikt kunnen worden om de mitigatieopgave te berekenen.
Deze factor is door Natuur Gradiënt berekend door de gemiddelde hoeveelheid kiekendieven die daadwerkelijk gebruik maakt van Warande als foerageergebied (in dit geval op basis van waarnemingen tussen 2006 t/m 2014) te vergelijken met de geschiktheid van optimaal gebied. Vervolgens wordt de verdeling tussen het foerageren binnen en buiten de Oostvaardersplassen meegenomen in de berekening. Hieruit komt een omrekenfactor van 0,257. Dat wil zeggen dat mitigatie met optimaal foerageergebied 25,7 % van het oppervlakte van het te verliezen suboptimaal foerageergebied in Warande noodzakelijk is. Hierbij volstaat voor het verlies van 140 ha (door ruimtebeslag en permanente verstoring) aan suboptimaal foerageergebied een mitigatieopgave van 36 ha met optimaal foerageergebied. Invulling mitigatieopgave De definitieve oplossing voor de mitigatie van het foerageergebied is niet op korte termijn te realiseren. Onder andere vanwege het feit dat er lange termijn ontwikkelingen spelen, zoals de draagkrachtanalyse voor de blauwe kiekendief en het nieuwe beheerplan voor de Oostvaardersplassen.
Om de ontwikkeling van woonwijk Zuiderhage fase 1 toch mogelijk te kunnen maken, wordt er gewerkt via opvolgende stappen in tijdelijke en definitieve oplossingen: 1 stap 1 voorziet in een oplossing die gezamenlijk voldoende mitigatie biedt voor zowel de aanleg van de Rondweg Lelystad-Zuid als woonwijk Zuiderhage fase 1 (invulling van mitigatie voor woonwijk Zuiderhage fase 1 wordt in de volgende alinea’s beschreven); 2 in stap 2 wordt verder verkend en in beeld gebracht wat er aan de andere kant van de A6 aan mogelijkheden ligt (bijvoorbeeld vogelakkers, akkerranden en specifieke gewassen). Daarnaast wordt verder gekeken naar (tijdelijke) mogelijkheden in Zuiderhage zelf; 3 in stap 3 wordt toegewerkt naar een meer integrale, permanente oplossing die voor kiekendieven beter functioneert. Hoe dit eruit komt te zien moet nog worden onderzocht. Voor de mitigatie van het permanente oppervlakteverlies of aantasting van foerageergebied van de blauwe kiekendief is door Haskoning een mitigatieplan opgesteld voor woonwijk Zuiderhage fase 1 (Royal HaskoningDHV 2023). In het mitigatieplan is van een aantal percelen onderzocht of deze geschikt zijn om te dienen als foerageergebied op basis van de omgeving van de percelen, de bereikbaarheid vanaf Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen, en de mogelijkheid om de kwaliteit van de locaties te verhogen om te dienen als optimaal foerageergebied.
In afbeelding 6.1 staat aangegeven welke percelen in het mitigatieplan zijn onderzocht.
32 | 42
Witteveen+Bos | 149565/26-002.663 | Definitief
Afbeelding 6.1 Onderzochte percelen in het mitigatieplan (Royal HaskoningDHV, 2023)
De percelen liggen binnen een straal van vijf km van Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen en bevinden zich binnen een geschikte afstand voor blauwe kiekendieven om af te leggen vanaf hun broedgebied (Oostvaardersplassen). Van de percelen is bekend dat deze in de huidige situatie dienen als suboptimaal foerageergebied. Op deze locaties worden maatregelen getroffen om deze optimaal te maken als foerageergebied voor de blauwe kiekendief. Optimaal foerageergebied is open landschap dat niet omsloten is door bomen of opgaande landschapselementen, en is ingericht als vogelakker. Bomenrijen en bossen worden namelijk actief vermeden door blauwe kiekendieven en daarom dienen opgaande landschapselementen aan niet meer dan één zijde van een perceel te staan. Daarnaast dient het foerageergebied goed bereikbaar te zijn vanaf de broedlocatie van de blauwe kiekendief, zonder grote tussengelegen barrières zoals stedelijk gebied of bos (Royal HaskoningDHV 2023). De provincie heeft de keuze gemaakt om perceel B-338 en perceel Alternatief (zie afbeelding 6.1) te gebruiken voor de mitigatie van woonwijk Zuiderhage fase 1. Perceel B-338 wordt ook gebruikt ter mitigatie van het project Rondweg Lelystad Zuid. Het totale perceel kan worden omgevormd tot 30 ha aan optimaal foerageergebied, waarvan 22,7 ha nodig is voor het project Rondweg Lelystad Zuid (Witteveen+Bos 2025).
De resterende 7,3 ha kan worden ingezet voor de mitigatieopgave van woonwijk Zuiderhage fase 1. Perceel Alternatief bestaat uit twee delen (A en B). Alternatief A en Alternatief B hebben beide een oppervlakte van 27 ha. Gezien zowel Alternatief A als B deels verstoring ondervindt van nabij gelegen wegen en menselijke activiteiten (zoals de Torenvalkweg en de Apolloweg), kan niet de gehele oppervlakte van het perceel benut worden om de kwaliteit tot optimaal foerageergebied te ontwikkelen. Verstoring vanaf de Torenvalkweg en Apolloweg wordt voornamelijk veroorzaakt door optische verstoring. Voor de optische verstoring is in het mitigatieplan een verstoringscontour van 100 m aangehouden waarbinnen het perceel niet benut kan worden als optimaal foerageergebied. Hierdoor kan 4,4 ha van Alternatief A en 7,5 ha van Alternatief B niet als optimaal foerageergebied voor de blauwe kiekendief dienen. Wat overblijft, is
33 | 42
Witteveen+Bos | 149565/26-002.663 | Definitief
circa 42,3 ha dat beschikbaar is in perceel Alternatief om van suboptimaal naar optimaal foerageergebied te veranderen (afbeelding 6.2).
Afbeelding 6.2 Geschikt gebied voor realiseren van optimaal foerageergebied
Tezamen met het geschikte oppervlakte van perceel B-338 leidt dit tot een totaal oppervlakte van 49,6 ha dat kan worden omgevormd tot optimaal foerageergebied en kan worden ingezet voor de mitigatie van woonwijk Zuiderhage fase 1 (zie tabel 6.1). Dit totale oppervlakte is voldoende om aan de mitigatieopgave van 36 ha van woonwijk Zuiderhage fase 1 te voldoen. Hiermee kan ervoor worden gezorgd dat de foerageermogelijkheden van de blauwe kiekendief niet worden verminderd door middel van ruimtebeslag en verstoring door woonwijk Zuiderhage fase 1. Perceel B-338 en Alternatief A grenzen ook direct aan een ingerichte vogelakker ten zuiden van Alternatief A. Het gebruik van deze percelen zorgt dan ook voor een groter en robuuster foerageergebied voor de blauwe kiekendief.
Tabel 6.1 Overzicht oppervlaktes (ha) aangewezen voor mitigatieopgave Perceel
Totale oppervlakte (ha)
Oppervlakte geschikt voor optimaal foerageergebied (ha)
B-338
47
7,3*
Alternatief (A)
27
22,8
Alternatief (B)
27
19,5
Totaal
101
49,6
* 30 waarvan 22,7 nodig voor mitigatieopgave project Rondweg Lelystad Zuid.
34 | 42
Witteveen+Bos | 149565/26-002.663 | Definitief
Rijksvastgoedbedrijf is eigenaar van perceel B-338 en perceel Alternatief en gaat akkoord met het gebruik van de percelen in het mitigatieplan. In 2025 is tevens begonnen aan de inrichting van (een deel van) deze gebieden tot optimaal foerageergebied voor de blauwe kiekendief. Deze werkzaamheden zullen worden gecontinueerd. Inrichting en beheermaatregelen optimaal foerageergebied In het mitigatieplan wordt ook behandeld hoe de percelen voor mitigatie ingericht en beheerd moeten worden. Hierna volgt een beschrijving van de inrichting en beheermaatregelen uit het mitigatieplan. Uit onderzoek komt naar voren dat de inrichting van foerageergebieden voor blauwe kiekendieven een open, gelaagd karakter moeten hebben waar muizen en andere prooidieren goed kunnen gedijen. Akkerranden hebben een positief effect op de aantallen muizen in aangrenzende percelen (bijvoorbeeld graanakkers met en zonder akkerranden). Er lijkt dus sprake te zijn van een soort ‘uitstralingseffect’, oftewel maatregelen zoals akkerranden en braak liggen zouden een positief effect kunnen hebben op de aantallen prooidieren in een gebied in het algemeen, inclusief plekken waar deze muizen goed vangbaar zijn. Hiervoor wordt voor mitigatie het realiseren van vogelakkers voorgesteld (afbeelding 6.3).
Vooral voor muizeneters zoals de blauwe kiekendief zijn de vogelakkers in het winterhalfjaar van groot belang als betrouwbare voedselbron (Royal HaskoningDHV, 2023). Voor een goed functionerend vogelakker dient deze te voldoen aan de volgende kenmerken: - meerjarigheid; - veel oppervlakte met vegetatie-overgangen; - hoge voedingswaarde van luzerne/klaver voor muizen; - structuur van zowel luzerne als braakstroken geschikt voor veldleeuwerik en muizen; - volveldse perceelmaatregel met oogst; - pionier-karakter, aansluitend bij pionier-karakter van veldmuis.
Afbeelding 6.3 Voorbeeld van perceel Alternatief ingericht als vogelakker (Royal HaskoningDHV, 2023)
35 | 42
Witteveen+Bos | 149565/26-002.663 | Definitief
Daarnaast kunnen omstandigheden voor muizen aanzienlijk verbeterd worden door het zaaien van (winter)granen en deze niet te oogsten en/of de aanleg van braakstroken te realiseren. Hierbij kan als uitgangspunt een strokenmozaïek gerealiseerd worden waarin zo veel mogelijk variatie in vegetatiehoogte aanwezig is (Royal HaskoningDHV, 2023). De vogelakkers worden ingericht door middel van stroken bestaande uit luzerne, kruiden (een- en meerjarig) en tarwe voor een goede aansluiting en daarmee vergroting van het foerageer biotoop en variatie in structuur (afbeelding 6.3). Door luzerne af te wisselen met kruidenrijkgrasland wordt de beschikbaarheid van prooidieren vergroot voor roofvogels en neemt biodiversiteit toe. Door gebruik te maken van luzerne wordt ook het risico weggenomen dat het perceel leeg staat bij een mislukte tarweoogst. De tussenliggende braakstroken zijn afwisselend ingericht met één- en meerjarige kruiden en graanstroken. De éénjarige stroken zijn bloemrijk en trekken daarmee veel insecten aan en de meerjarige stroken zorgen voor een plek waar insecten kunnen overwinteren. De graanstroken voorzien de aanwezige knaagdieren van voedsel gedurende de winter. Wintergraan dient tenminste een jaar voor de start van de aanlegfase ingezaaid te zijn zodat deze voldoende ontwikkeld is voor de aanvang van de werkzaamheden.
Daarna dient jaarlijks (oktober – eind januari) ingezaaid te worden in de strook met éénjarige kruiden, zodat deze in het broedseizoen van de blauwe kiekendief geschikt zijn als foerageergebied. Door het wintergraan in te zaaien in het najaar is in de maanden juni-juli van het volgende jaar voldoende voedsel (tarwekorrels) voor muizen aanwezig en bevordert dit de muizendichtheid (Royal HaskoningDHV 2023). Voor het creëren van variatie in vegetatiehoogte, dienen luzerne en kruidenrijk grasland periodiek te worden geoogst. Deze variatie is van invloed op de beschikbaarheid en vangbaarheid van prooidieren voor de blauwe kiekendief. Het uitgangspunt is dat de foerageergebieden niet worden gemaaid in de periode van april tot eind augustus, zodat het optimaal kan functioneren tijdens de broedperiode van de blauwe kiekendief. Eind augustus kan een snede luzerne gemaaid en afgevoerd worden tezamen met de helft van de meerjarige kruidenstroken. In het eerste jaar na inzaaien, wordt gedurende het hele broedseizoen niet gemaaid zodat de vegetatie dan de tijd heeft om goed aan te slaan. Indien monitoring uitwijst dat de luzerne door gunstige omstandigheden (nat en relatief warm weer) goed aanslaat, dan kan een maaibeurt medio eind juli toegestaan zijn. De éénjarige kruidenstroken en het graan worden niet geoogst, omdat ze dienen als voedselbron voor prooidieren.
Het volgende jaar kunnen de stroken met meerjarige gewassen voor de helft tot een derde worden gemaaid. Afhankelijk van de hergroei van de meerjarige stroken kan in de eerste helft van oktober besloten worden om nogmaals te oogsten, zodat de zomen kort (8-15 cm) en sterker de winter ingaan. De eenjarige kruidenstroken en het graan worden niet geoogst. Het graan vormt namelijk een belangrijke wintervoedselbron voor de prooidieren. Bij het verleggen of vernieuwen van de natuurbraakstroken in de vogelakkers is het van belang dat dit stapsgewijs wordt uitgevoerd om te voorkomen dat de gevestigde aantallen muizen ineenstorten. Door een stapsgewijze uitvoering blijft altijd een basispopulatie aan muizen aanwezig. Het wordt aanbevolen de omzomingsblokken na 3 of 4 jaar om te wisselen, hierdoor wordt voorkomen dat de bodem schraal wordt, al ligt dit niet in lijn der verwachting met de gronden in Flevoland. Met het bovenstaande beheer wordt geen uitputting van de bodem verwacht. Ter aanvulling kan naar behoefte ruige stalmest worden gebruikt om met name delen met luzerne te bemesten (Royal HaskoningDHV 2023). Het bewerken van de natuurbraakstroken in de nazomer gaat ten koste van het muizenaanbod in de daaropvolgende winter.
Hierdoor moet de oppervlakte aan bewerkte braakstrook zo klein mogelijk gehouden worden en waar het kan alleen toegepast worden op delen waar veel onkruid aanwezig is. Minimaal 50 % van de natuurbraakstroken dient onbewerkt te blijven, waardoor opnieuw ingezaaide braakstroken snel worden gekoloniseerd. Daarnaast draagt het opnieuw inzaaien in de braakstroken bij aan de instandhouding van de wintervoedselfunctie van vogelakkers. De voorkeur gaat uit naar afzonderlijke maaibeurten van Luzerne en het gemaaide mengsel. Hiervoor wordt gekozen om de schadelijke effecten van maaien op de veldmuizenpopulatie te beperken. De gangbare maaibreedtes variëren van 1,25 m tot 2,25 m en de blokbreedtes van de voorgestelde braakstroken zijn 10 m. De omzoming is afwisselend ingedeeld om te zorgen voor extra variatie in het terrein en zijn ongeveer 20 m breed. De voorgestelde maaihoogte is 10 cm (Royal HaskoningDHV 2023). Het mitigatiegebied dient gereed en functioneel te zijn voordat het huidige foerageergebied aangetast wordt. Werkzaamheden voor woonwijk Zuiderhage fase 1 starten op zijn vroegst in 2026, waarbij aantasting
36 | 42
Witteveen+Bos | 149565/26-002.663 | Definitief
van het foerageergebied zal plaatsvinden. Vóór de start van de aanlegfase dient het gehele mitigatieperceel functioneel te zijn. Monitoring zal moeten bepalen of het perceel functioneert als foerageergebied voor de blauwe kiekendief. Voor de mitigatie dient ook rekening gehouden te worden met Lelystad Airport. Gezien dit project een bestemmingsplan betreft en op 20 januari 2026 nog geen vergunning heeft, is er geen sprake van cumulatieve effecten met de geplande ontwikkelingen van woonwijk Zuiderhage fase 1. Wel zijn er relevante gebruiksregels voor de omgeving van Lelystad Airport opgesteld met betrekking tot ontwikkelingsactiviteiten. In het plan staat onder andere beschreven dat binnen de contouren van het bestemmingsplan geen ontwikkelingen of activiteiten mogen plaatsvinden die een vogelaantrekkende werking hebben. Bij de mitigatieopgave voor foerageergebied is daarom van belang dat dit niet conflicteert met deze gebruiksregels. Mitigatiegebieden moeten worden aangelegd buiten de contouren van het bestemmingsplan van Lelystad Airport. De mitigatiegebieden die zijn aangewezen voor Zuiderhage fase 1 liggen buiten deze contouren en voldoen dus aan deze voorwaarde. Tenslotte worden er door de provincie, naast de noodzakelijke mitigatie, aanvullende maatregelen genomen door het verbeteren van de foerageersituatie ter plaatse van de Knardijk.
Deze loopt van de A6 tot aan de Oostvaardersdijk met brede stroken grasland aan weerszijde van de weg. De hoeveelheid opgaande structuur varieert langs het traject, waarbij open delen afgewisseld worden met riet en bomen of struweel. Verbetering van de situatie op de Knardijk vindt plaats door middel van aangepast maaibeheer, waardoor er maximaal 32 ha aan suboptimaal foerageergebied kan worden gerealiseerd. Dit aangepast maaibeheer zorgt niet alleen voor meer foerageermogelijkheden nabij Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen, maar zorgt ook voor een meer aantrekkelijke verbindingszone naar optimale foerageergebieden. Naar verwachting zal de blauwe kiekendief vanuit westelijke richting (Oostvaardersplassen) aanvliegen om te foerageren op de Knardijk. Voornamelijk de westelijke delen van de Knardijk, ter hoogte van de Hoekplas en de Keersluisplas zijn daarom het meest geschikt als foerageergebied. Het is van belang dat deze zijde open blijft met relatief weinig opgaande begroeiing. Om de Knardijk te optimaliseren als foerageergebied voor de blauwe kiekendief is door de provincie Flevoland, in overeenstemming met Waterschap Zuiderzeeland, een gefaseerd maaischema voor de dijk opgesteld. De oostelijke zijde van de Knardijk wordt gemaaid en afgevoerd in mei en september om riet ter plaatse in toom te houden (afbeelding 6.4).
De westelijke taludzijde wordt gemaaid na half juni en in september. Daarnaast worden de beheerstroken per jaar eenmalig gemaaid en afgevoerd na half juli. Uitzondering hierop is het beheer van grote berenklauw, waarbij vaker gemaaid mag worden. Er wordt in het maaibeheer aanbevolen dat stroken gemaaid worden met de dijkrichting mee (Royal HaskoningDHV 2023).
Afbeelding 6.4 Schematische weergave van het voorgestelde maaibeheer aan de oostzijde van de Knardijk (Royal HaskoningDHV 2023)
6.3
Meekoppelkansen
Voor het verbeteren van foerageergebied voor de blauwe kiekendief zijn er meekoppelkansen. Gezien er een bepaalde mate van verstoring door de A6, de Torenvalkweg en Apolloweg plaats vindt op percelen B-338 en
37 | 42
Witteveen+Bos | 149565/26-002.663 | Definitief
Alternatief, zorgt dit ervoor dat een deel van het perceel niet kan dienen als optimaal foerageergebied. Desondanks kan dit deel van het perceel wel in kwaliteit verbeterd worden om foerageermogelijkheden ter plaatse te verhogen. Als het gehele perceel ingericht wordt als vogelakker, inclusief het verstoorde gedeelte, zorgt dit voor een verbetering van de kwaliteit van het gebied als foerageergebied van de blauwe kiekendief. Door het gehele perceel in te richten als vogelakker wordt ook bovenwettelijk gemitigeerd voor een mogelijk gebrek aan natuurkwaliteit in de eerste jaren van de aanlegfase van het project. Op deze manier zal permanente verstoring in de gebruiksfase plaatsvindt, zal de natuurkwaliteit van het mitigatieperceel optimaal zijn en functioneren. Tevens kan er op het perceel gebruik gemaakt worden van muizenruiters (afbeelding 6.5). Muizenruiters worden opgebouwd met (wilgen)takken en gevuld met takken, stro, granen, snoeisel en/of maaisel. Hiermee wordt voor muizen een aantrekkelijk plek aangeboden waar deze kunnen foerageren en zich kunnen verbergen en zorgt dit voor verbeterde foerageermogelijkheid voor de blauwe kiekendief (Royal HaskoningDHV 2023).
Afbeelding 6.5 Voorbeeld van een muizenruiter (Royal HaskoningDHV, 2023)
38 | 42
Witteveen+Bos | 149565/26-002.663 | Definitief
7 CONCLUSIE In deze passende beoordeling is onderzocht wat de effecten zijn van de realisatie en het gebruik van de toekomstige woonwijk Zuiderhage (fase 1) op Natura 2000-gebieden. Voor elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden beoordeeld of kan worden uitgesloten dat werkzaamheden of ontwikkelingen zorgen voor een aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden. Er is gebleken dat er geen effecten optreden binnen de grenzen van Natura 2000-gebieden door de realisatie en ingebruikname van woonwijk Zuiderhage (fase 1). Er is wel sprake van externe werking op foerageergebieden van de blauwe kiekendief: een soort met een instandhoudingsdoelstelling in Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen. Op basis van informatie van Sovon wordt de instandhoudingsdoelstelling voor deze soort niet gehaald en zijn trends negatief of onzeker. De woonwijk heeft ruimtebeslag op dit foerageergebied en zorgt daarmee voor permanent oppervlakteverlies. In de aanlegfase van het project zorgen de werkzaamheden voor tijdelijke verstoring door geluid, trillingen en optische verstoring die vanaf het projectgebied uitstralen naar dit foerageergebied. De gebruiksfase van de woonwijk zorgt daarnaast voor permanente verstoringen door geluid, licht en optische verstoring.
Van deze verstoringen kan niet worden uitgesloten dat ze leiden tot een afname van de kwaliteit van het foerageergebied van de blauwe kiekendief. Gezien gebrek aan foerageergebied een knelpunt is voor deze soort, leidt de realisatie en het gebruik van de toekomstige woonwijk daarom mogelijk tot significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen. Voor het verlies en aantasting van foerageergebied van blauwe kiekendief is mitigatie noodzakelijk. Voor verstoringen in de aanlegfase, die tijdelijk van aard zijn, moet gewerkt worden buiten het broedseizoen van de blauwe kiekendief (april t/m augustus). De soort is tijdens deze periode kwetsbaar en is voor broedsucces afhankelijk van foerageergebieden nabij het broedgebied in Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen. Werkzaamheden in de aanlegfase dienen daarom plaats te vinden buiten de broedperiode, wanneer de soort hier minder afhankelijk van is en de mogelijkheid heeft om tijdelijk uit te wijken naar andere gebieden. Hierdoor zorgen de werkzaamheden niet voor significante gevolgen voor de blauwe kiekendief en is er geen sprake van significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen in de aanlegfase.
Voor de gebruiksfase van het project is sprake van permanent oppervlakteverlies en aantasting van circa 140 ha van blauwe kiekendief foerageergebied door de ontwikkelingen van woonwijk Zuiderhage (fase 1). Hiervoor moet nieuw foerageergebied gerealiseerd worden. Op basis van voorgaand onderzoek en in overleg met de provincie Flevoland is voor verlies van het (suboptimale) foerageergebied door woonwijk Zuiderhage (fase 1) een berekening voor de mitigatieopgave gemaakt. Voor het verlies en aantasting van 140 ha aan suboptimaal foerageergebied is het noodzakelijk om tenminste 36 ha aan optimaal foerageergebied te realiseren. Deze moet plaatsvinden binnen een straal van vijf tot acht km van het broedgebied (Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen) en moet van zodanige kwaliteit zijn dat deze kan voorzien in het foerageergedrag van de blauwe kiekendief. Voor de mitigatie van permanent oppervlakteverlies of aantasting van foerageergebied van de blauwe kiekendief wordt er gebruik gemaakt van perceel Alternatief en een deel van perceel B-338 ter plaatse van (in de huidige situatie) suboptimaal foerageergebied. Van perceel B-338 wordt het deel gebruikt dat over blijft na de mitigatieopgave van project Rondweg Lelystad Zuid. De percelen Alternatief en B-338 worden aangepast tot ‘vogelakker’ waardoor deze in totaal 49,6 ha aan functioneel optimaal foerageergebied voor
39 | 42
Witteveen+Bos | 149565/26-002.663 | Definitief
de blauwe kiekendief kunnen voorzien voor de mitigatieopgave van woonwijk Zuiderhage (fase 1). Deze inrichting vindt plaats vóór de vernietiging gedurende de aanlegfase optreedt, en vóór de verstoring die als gevolg van de gebruiksfase optreedt. Hiermee wordt voldaan aan foerageerbehoeften van de blauwe kiekendief en de mitigatienoodzaak voor de aantasting van het huidige foerageergebied. Met inachtneming van deze maatregelen zorgt het voornemen niet voor een afname van foerageermogelijkheden van de blauwe kiekendief en zijn significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstelling van deze soort uitgesloten. Daarmee is voor het voornemen de zekerheid verkregen dat het project niet leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden.
40 | 42
Witteveen+Bos | 149565/26-002.663 | Definitief
8 REFERENTIES 1
Altenburg & Wymenga Ecologisch onderzoek. 2006. ‘Foerageermogelijkheden voor kiekendieven en herbivore watervogels rond de Oostvaardersplassen en Lepelaarplassen’. februari 22. 2 Altenburg & Wymenga Ecologisch onderzoek. 2010. ‘Foerageergelegenheid voor kiekendieven tussen de Hollandse Hout en de A6’. 3 Arcadis. 2011. Onderbouwing effectafstanden bestaande handelingen Natura 2000 gebieden in Overijssel. september 21, 41. 4 Atlas Leefomgeving. 2026. ‘Geluid in je omgeving Kennis’. Atlas Leefomgeving - Verken en ontdek je leefomgeving, januari 7. https://www.atlasleefomgeving.nl/thema/geluid-in-jeomgeving/kennis#:~:text=50%20dB%20klinkt%20als%20een,met%20zo'n%2090%20dB. 5 Broekmeyer, M. E. A., M. E. Sanders, F. G. W. A. Ottburg, I. Woltjer, en S. M. Hennekes. 2013. Effectenindicator soorten. No. 2487. Alterra, Wageningen. https://edepot.wur.nl/289558. 6 Bronkhorst, A. J., E. Kroon, E. Slis, C. van Everdinck, en J. Pruiksma. 2016. Verhouding tussen trilling in de bodem en in een vliegtuigbom. https://www.explosievenopsporing.nl/site/media/upload/files/29089_tno2016-r10011-verhouding-tussen-trilling-in-de-bodem-en-in-een-vliegtuigbomdef_pdf_20201012160915.pdf. 7 Commissie voor de milieueffectrapportage. 2011. ‘Windpark Bouwdokken Neeltje Jans te Veere Toetsingsadvies over het milieueffectrapport’. maart 30. 8 Cutts, N., A. Phelps, en D. Burdon. 2009.
Construction and waterfowl: defining sensitivity, response, impacts and guidance. 9 Gradiënt Natuurontwikkeling. 2018. ‘Passende beoordeling Warande - Toetsing aan de Wet Natuurbescherming Lelystad’. juli 2. 10 Heinis, F. E., C. T. M. Vertegaal, C. R. J. Goderie, en P. C. van Veen. 2007. Habitattoets, Passende Beoordeling en uitwerking ADC-criteria ten behoeve van de vervolgbesluiten voor Maasvlakte 2. https://www.commissiemer.nl/docs/mer/p14/p1450/1450-153pb.pdf. 11 Kerpels en van Deelen. 2023. ‘Effectafstand bouwverlichting’. maart 29. 12 Krijgsveld, en Klaassen. 2022. Verstoring van vogels door recreatie (deel 2 soortbesprekingen). 13 Meijer, R. 2013. ‘Licht verstoort natuur. Strooiverlichting in natuurgebieden’. 14 Meijer, R. G., J. P. Dwarshuis, en K. R. Piening. 2018. ‘Wat horen vleermuizen van door mensen geproduceerde geluiden?’ Lutra 61 (2): 297-320. 15 Ministerie van LNV. 2008a. ‘Blauwe kiekendief (Circus cyaneus) A082’. september 1. https://www.natura2000.nl/sites/default/files/profielen/Profielen_Vogels_Actueel/Profiel_vogel_A082.pdf. 16 Ministerie van LNV. 2008b. ‘Meervleermuis (Myotis dasycneme) H1318’. https://www.natura2000.nl/sites/default/files/profielen/Profielen_HRSoorten_Actueel/Profiel_soort_H1318 .pdf. 17 Ministerie van LNV. 2009. ‘Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen’.
https://www.natura2000.nl/sites/default/files/documenten/gebieden/078/n2k078_db_vnw_oostvaardersp lassen.pdf. 18 NDFF. 2026. ‘Nationale Databank Flora en Fauna’. Nationale Databank Flora en Fauna Uitvoerportaal. https://ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal. 19 Provincie Flevoland. 2024. ‘Natura 2000-beheerplan Oostvaardersplassen (2024-2029)’. https://www.flevoland.nl/getmedia/6e82b99f-0355-4ff7-92d5-e57501dc7944/2e-beheerplan-Natura2000-Oostvaardersplassen-Juli-2024_DV.pdf.
41 | 42
Witteveen+Bos | 149565/26-002.663 | Definitief
20 Provincie Flevoland. 2026. ‘Rondweg Lelystad-Zuid’. januari 23. https://www.flevoland.nl/Content/Pages/wat-doen-we/Flevowegen-vlot-en-veilig-doorFlevoland/Projecten/Rondweg-Lelystad-Zuid. 21 Reijnen, M. J. S. M., en R. P. B. Foppen. 1991. ‘Effect van wegen met autoverkeer op de dichtheid van broedvogels’. https://puc.overheid.nl/rijkswaterstaat/doc/PUC_27430_31/. 22 Reijnen, M. J. S. M., G. Veenbaas, en R. P. B. Foppen. 1992. Het voorspellen van het effect van snelverkeer op broedvogelpopulaties. 23 RIVM. 2022. Kaarten - Atlas Leefomgeving. https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten?config=3ef897de127f-471a-959b-93b7597de188&activateOnStart=layercollection&gm-x=150000&gm-y=460000&gmz=3&gm-b=1544180834512,true,1;1553244467280,true,0.8. 24 Royal HaskoningDHV. 2023. ‘Natura 2000 Compensatie -en Mitigatieplan Blauwe kiekendief ZuiderC en Rondweg ontwikkeling bij de Warande te Lelystad’. november 9. 25 Sierdsema, H., R. Foppen, en A. van kleunen. 2014. ‘Inschatting verstorende invloed werkparken ADT op vogels | Sovon.nl’. https://www.sovon.nl/nl/publicaties/inschatting-verstorende-invloed-werkparken-adtop-vogels. 26 Sovon. 2025. ‘Sovon - Gebiedsinformatie - Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijngebieden)’. Gebiedsinformatie. https://stats.sovon.nl/stats/gebieden. 27 SWECO. 2016. ‘Analyse gevoeligheid HRL Bijlage II soorten voor verkeersgeluid’. 28 Van der Vliet, R., en W.
Heijligers. 2011. Maximale foerageerafstanden op een rij gezet voor 97 beschermde vogelsoorten. 29 Vogelbescherming Nederland. 2023. ‘Blauwe Kiekendief - Hen Harrier, Circus cyaneus - Sperwerachtigen (Accipitridae)’. augustus 24. https://www.vogelbescherming.nl/ontdek-vogels/kennis-overvogels/vogelgids/vogel/blauwekiekendief#:~:text=Broedt%20op%20de%20grond%2C%20in,begint%20na%20het%20eerste%20ei. 30 Witteveen+Bos. 2025. Passende beoordeling - Rondweg Lelystad-Zuid. https://stateninformatie.flevoland.nl/Vergaderingen/CONCEPT-Statencommissie-Economie-Mobiliteiten-Samenleving/2025/03-september/15:30/Voortgang-Rondweg-Lelystad-Zuid-ontwerp-projectbesluiten-project-MER-1/DOCUVITP-3401637-v1-23150-31-Passende-beoordeling-Rondweg-LelystadZuid.PDF.
42 | 42
Witteveen+Bos | 149565/26-002.663 | Definitief
Bijlage(n)
I BIJLAGE: UITGANGSPUNTENNOTITIE STIKSTOFDEPOSITIE GEBIEDSONTWIKKELING ZUIDERHAGE (HASKONING)
Witteveen+Bos | 149565/26-002.663 | Bijlage I | Definitief
Notitie
Haskoning Nederland B.V. Mobility & Infrastructure
Aan: Van: Datum: Kopie: Ons kenmerk: Classificatie: Gecontroleerd door
Gemeente Lelystad GL, Haskoning 24 oktober 2025 RZ, SG, Haskoning BJ7064-HAS-NT-002-F1.0 Vertrouwelijk JV, Haskoning
Onderwerp:
Uitgangspuntennotitie stikstofdepositie gebiedsontwikkeling Zuiderhage
Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. Haskoning Nederland B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever.
1
Inleiding
Gemeente Lelystad en het Rijksvastgoedbedrijf werken samen aan de uitbreiding van Lelystad met een nieuw stadsdeel, Zuiderhage. Het Rijksvastgoedbedrijf, de provincie Flevoland en de gemeente Lelystad willen met de ontwikkeling van Zuiderhage een bijdrage leveren aan maatschappelijke opgaven, zoals de woningbouw, de klimaatopgave, de energietransitie en een circulaire economie. De eerste fase bestaat uit Buurtschap 6, 7 en 10a en bevat ongeveer 2.500 woningen. De bouwwerkzaamheden zullen in 2026 beginnen en ongeveer zes jaar duren, tot en met 2031. Tijdens de realisatie worden brandstof aangedreven mobiele werktuigen ingezet. Deze veroorzaken uitstoot van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3). De ingebruikname van de ontwikkeling zal in fasen plaatsvinden. In 2030 zal een deel van het gebied (Fase 1) met ongeveer 2.500 woningen in gebruik worden genomen. De verkeerssituatie in en rondom het ontwikkelingsgebied wijzigt als gevolg van de verkeersaantrekkende werking van de gerealiseerde woningen, waardoor meer verkeersuitstoot van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) zal plaatsvinden. Deze extra stikstofuitstoot van het wegverkeer kan leiden tot een toename van de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden. De woningen worden niet aangesloten op het gasnet. Hierdoor worden er geen NOx emissies afkomstig van gasstook verwacht tijdens de gebruiksfase.
Voor de gebruiksfase wordt alleen de stikstofdepositie van Fase 1 voor de jaren 2032 en 2040 berekend. De extra stikstofdepositie binnen de omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van de toename van verkeer (gebruiksfase) en de bouw (aanlegfase) is berekend om te beoordelen of er mogelijk sprake is van een vergunningsplicht in het kader van de Omgevingswet. In dit rapport zijn de uitgangspunten en uitkomsten van de stikstofdepositieberekeningen in AERIUS als gevolg van het gebruik (gebruiksfase 2032 en 2040) en de bouw (aanlegfase van 2026 tot en met 2031) beschreven.
2
Wettelijk kader stikstofdepositie en Natura 2000
Op basis van artikel 5.1 lid 1 onder e van de Omgevingswet (Ow) is het niet toegestaan om zonder een omgevingsvergunning een zogenaamde ‘Natura 2000-activiteit’ te verrichten. Een Natura 2000-activiteit is volgens de Omgevingswet het realiseren van een project dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Met onderstaande beslisboom is bepaald of er sprake is van vergunningplicht op het gebied van stikstofdepositie en Natura 2000, en zo ja of er aan de gestelde vereisten uit de Omgevingswet wordt voldaan.
24 oktober 2025
BJ7064-HAS-NT-002-F1.0
1/26
Figuur 1. Beslisboom vergunningplicht en vergunbaarheid stikstofdepositie voor projecten
2.1
Regels voor het te hanteren rekenmodel
Bij het berekenen van stikstofdepositie is het gebruik van de meest actuele versie van AERIUS Calculator wettelijk voorgeschreven (artikel 4.15 van de Omgevingsregeling). Met het gebruik hiervan is gewaarborgd dat in het onderzoek wordt uitgegaan van de meeste actuele inzichten en gegevens.
2.2
Regels voor beperking stikstofuitstoot bij bouw- en sloopwerkzaamheden
In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) staan in art. 7.19a regels voor het beperken van de stikstofuitstoot bij het verrichten van bepaalde bouw- en sloopwerkzaamheden. Dit zijn regels vanuit het oogpunt van duurzaamheid. Het is geen op zichzelf staand criterium bij de toetsing of een project wel of niet voldoet aan de vereisten voor Natura 2000 in de Omgevingswet. Als bekend is of die regels van toepassing zijn, dan ligt het niettemin wel voor de hand om het als uitgangspunt mee te nemen in het berekenen van de stikstofdepositie voor de projecttoets. Het in deze notitie beschreven project bevat bouwwerkzaamheden zoals benoemd in het tweede lid van artikel 7.19a uit het Bbl. Het project heeft in dit kader een verplichting tot het nemen van maatregelen om de stikstofuitstoot te
24 oktober 2025
BJ7064-HAS-NT-002-F1.0
2/26
beperken. Dat is daarom als uitgangspunt in de berekening van de stikstofdepositie meegenomen, zoals beschreven in paragraaf 3.1.1. Daarnaast is het voornemen van de gemeente om extra 1 elektrisch materieel in te zetten eveneens meegenomen in de analyse in paragraaf 3.1.1.
3
Uitgangspunten
De locatie van de gebiedsontwikkeling Zuiderhage ligt in de gemeente Lelystad, provincie Flevoland. In figuur 2 is de ligging van het gebied met de omliggende Natura 2000-gebieden weergegeven. Hoewel het ontwikkelingsgebied groter is, worden voor deze berekening alleen de buurtschappen van fase 1 2 meegenomen. Het dichtstbijzijnde gevoelige Natura 2000-gebied is de Veluwe op ongeveer 22 kilometer.
Figuur 2. Overzicht van plangebied en Natura 2000-gebieden.
3.1
Aanlegfase
Volgens de huidige planning zullen de bouwwerkzaamheden in 2026 beginnen en ongeveer zes jaar duren, tot en met 2031. Tijdens deze werkzaamheden wordt er verschillend brandstof aangedreven materieel ingezet. Op basis van de uit te voeren werkzaamheden is een inschatting gemaakt van het in te zetten materieel en de verkeersbewegingen van en naar het gebied 3. De inschatting is gemaakt per jaar vanaf 2026 tot en met 2031. Hiermee zijn zes emissiemodellen opgesteld. Naast de jaarlijkse verdeling van emissies worden de werkzaamheden ook opgesplitst per buurtschap. Elk jaar worden 1
Het betreft mobiele werktuigen die reeds beschikbaar zijn op de markt, evenals voertuigen die op dit moment al als elektrisch kunnen worden opgenomen in de berekening. 2 In fase 1 worden de buurtschappen 6, 7 en 10a ontwikkeld. 3 Bron: “20250528_Zuiderhage_Stikstofcalculatie_v0.2.xlsx”, ontvangen d.d. 28 mei 2025 van Haskoning Regional Development & Infrastructure.
24 oktober 2025
BJ7064-HAS-NT-002-F1.0
3/26
verschillende buurtschappen ontwikkeld. Hierbij is vastgesteld welk aandeel van het werk aan elk buurtschap wordt toegekend. De emissies zijn daarbij proportioneel verdeeld over de betreffende buurtschappen. Een overzicht van de planning is gepresenteerd in tabel 2 bijlage 1.
3.1.1
Mobiele werktuigen
De NOx- en NH3-emissies van de mobiele werktuigen zijn berekend op basis van de door TNO ontwikkelde Umethode 4. De U-methode is ontwikkeld om de emissies van mobiele werktuigen te berekenen, in een situatie waarbij alleen de uren inzet, het motorvermogen en het bouwjaar van de mobiele werktuigen bekend zijn 5. Het toepassingsbereik van de U-methode wordt nader toegelicht in de Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 6. De NOx- en NH3-emissies van de mobiele werktuigen wordt in de U-methode berekend op basis van het vermogen (kW), de inzet (uur/jaar) en emissiefactoren volgens de onderstaande formule: Emissie [kg] = Emissiefactor [g/(uur * kW)] * Maximaal motorvermogen [kW] * Inzet [uren] * 10-3 De mobiele werktuigen met een dieselmotor zijn onderverdeeld in categorieën (X, A, B, C en D) op basis van het vermogen en de Stage-klasse (emissienorm voor mobiele werktuigen). De vijf categorieën hebben verschillende emissiefactoren die zijn vastgesteld door TNO. Volgend uit de emissiereductieverplichting uit het Bbl, is in dit onderzoek als uitgangspunt gehanteerd dat de mobiele werktuigen voldoen aan de emissie-eisen uit de routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen (SEB) 7. Gekozen is voor basisniveau periode 2, 3 en 4, welke van toepassing zijn voor de jaren 2026 t/m 2031 en als representatief worden gehouden voor de bouwperiode 8.
Dit is daarom als uitgangspunt meegenomen in de berekening van de stikstofdepositie. Daarnaast heeft de gemeente aangegeven bereid te zijn om tijdens de werkzaamheden extra inzet van elektrische voertuigen of mobielewerktuigen te realiseren. Dit is eveneens meegenomen in de berekeningen en het emissiemodel. In bijlage 1 (tabel 3 tot en met tabel 8 is een overzicht gegeven van de NOx en NH3 emissies van de mobiele werktuigen, per jaar, tijdens de aanlegfase.
3.1.2
Bouwlogistiek
Het aantal ritten licht- en vrachtverkeer van en naar het gebied is overgenomen uit de aangeleverde informatie3. In bijlage 1 (tabel 9 tot en met tabel 14 is een overzicht gegeven van het aantal ritten verkeer. Voor het vrachtverkeer zijn elektrische vrachtauto’s meegenomen. Ook de personeelsbus is als elektrisch voertuig meegenomen in de berekeningen.
3.1.3
Laden en lossen vrachtverkeer
Voor de emissiebepaling van stationair draaien voor trekkers is uitgegaan van 15 minuten per aankomst en voor betonmixers is uitgegaan van 30 minuten per aankomst. De emissieberekeningen zijn uitgevoerd volgens de methode beschreven in de “Instructie gegevensinvoer AERIUS”6. Hierbij zijn de emissiefactoren voor vrachtauto’s >
4
TNO, 30 juni 2023, U-methode, NOx en NH3 van mobiele werktuigen op basis van draaiuren alleen, Rapportnummer: R11233, Programmanummer: 060.56975 5 Dit betreft een andere methode dan de AUB-methode waarmee de emissies van mobiele werktuigen in de AERIUS Calculator worden berekend. Voor de AUB-methode zijn gegevens van het AdBlue verbruik en brandstofverbruik nodig. 6 BIJ12, oktober 2025, Instructie Gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2025, versie 1. 7 Routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen, opgesteld door rijksoverheid in samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, marktpartijen en kennisinstellingen. Zie Routekaart SEB | Schoon en Emissieloos Bouwen 8 Vanaf 1 januari 2028 al het kleine materieel (< 56 kW) elektrisch en al het grotere materieel (> 56 kW) Stage IV met roetfilter.
24 oktober 2025
BJ7064-HAS-NT-002-F1.0
4/26
20 ton GVW gebruikt voor zowel de vrachtauto’s als de betonmixers. In bijlage 1 (tabel 16 tot en met tabel 21) is een overzicht gegeven van de emissies.
3.1.4
Koude starts
Uit publicaties van TNO blijkt dat er naast de emissies van het rijdend wegverkeer ook significante emissies als gevolg van de koude start plaatsvinden. Voor het bepalen van de koude start van wegverkeer zijn een aantal uitgangspunten opgesteld 9: • •
•
De koude start duurt, respectievelijk enkele seconden tot een minuut voor benzine-, LPG- en dieselvoertuigen (zowel licht-, middel- als zwaar wegverkeer). Binnen de periode van enkele seconden tot minuut komen de voertuigen niet of nauwelijks van hun startlocatie. De koude start zal hoofdzakelijk plaatsvinden rondom de startlocaties van de voertuigen en niet op de wegen met doorgaand verkeer. Na ongeveer 2 uur stilstand (zonder draaiende motor) is de motor weer koud.
Het zware vrachtverkeer dat ingezet wordt zal voornamelijk stationair draaien (paragraaf 3.1.3) of korter dan 2 uur op de locatie aanwezig zijn. Voor het zware vrachtverkeer worden daarom geen koude starts berekend. Voor het lichte verkeer wel. De personeelsbusjes worden volledig elektrisch ingezet, waardoor er geen sprake is van koude starts. Alleen bij de individuele personenauto’s zijn koude starts in de berekeningen meegenomen. In tabel 15 is een overzicht van het aantal koude starts weergegeven.
3.2
Gebruiksfase
Voor de beschouwde situaties van fase 1 zijn voor de zichtjaren 2032 en 2040 verkeersgegevens overgenomen vanuit het aangeleverde verkeersmodel 10. Deze cijfers betreffen de prognoses voor de autonome ontwikkeling, dat is de bestaande situatie in het gebied, samen met de gevolgen van de autonome (vastgestelde) ontwikkelingen in en rondom de ontwikkelingslocatie. Fase 1 van de aanleg wordt afgerond in 2031. Daarom is er voor de gebruiksfase een berekening uitgevoerd voor het jaar direct na oplevering, namelijk 2032. Daarnaast is ook een berekening voorzien voor tien jaar na realisatie. Hoewel dit eigenlijk 2042 zou moeten zijn, is de rekengrens in AERIUS vastgesteld op 2040. Daarom is dit zichtjaar gebruikt voor de berekening. Omdat de emissiefactoren voor verkeer in 2040 hoger zijn dan in 2042, is dit een worstcasescenario. De geleverde verkeerscijfers betreffen weekdaggemiddelde etmaalintensiteiten, onderverdeeld naar licht verkeer, middelzwaar verkeer en zwaar vrachtverkeer. De totale weekdaggemiddelde intensiteiten zijn opgenomen in AERIUS voor zowel de autonome situatie (situatie zonder ontwikkeling) als voor de beoogde situatie (fase 1 in 2032 en 2040).
3.2.1
Afbakening onderzoeksgebied
De stikstofdepositie wordt berekend binnen het gebied waar effecten als gevolg van de ontwikkeling kunnen worden verwacht. Naast de wijzigingen aan de wegen binnen het gebied, ontstaan er op de bestaande wegen in de omgeving van het gebied ook wijzigingen in de verkeersomvang, de zogenaamde netwerkeffecten. Deze netwerkeffecten worden meegenomen bij de bepaling van het onderzoeksgebied. Het onderzoeksgebied omvat de volgende wegvakken: 1. Wegvakken binnen het ontwikkelingsgebied; 2. Wegvakken waarop de jaargemiddelde etmaalintensiteiten tenminste 250 motorvoertuigen per etmaal per rijrichting toe- of afnemen én een toe- dan wel afname van meer dan 3% ten opzichte van de referentiesituatie. 9
Bron: Bij12-publicatie, Handreiking koude start, februari 2025, (Handreiking_koude_start _februari_2025.pdf) Bron: “250624 - Shapefiles Zuiderhage.zip” van Antea, ontvangen d.d. 03-07-2025.
10
24 oktober 2025
BJ7064-HAS-NT-002-F1.0
5/26
3.
Tussenliggende wegen om een sluitend netwerk te verkrijgen.
Buiten de geselecteerde wegen is het verkeer verondersteld te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Een overzicht van de geselecteerde wegvakken in beide fasen zijn weergegeven in figuur 3 en figuur 4.
Figuur 3. Afgebakende verkeersnetwerk Fase 1 voor zichtjaar 2032.
24 oktober 2025