CConstaterende datLelystad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 19 Passende beoordeling

Raadsvergadering 30 juni 2026, gemeente LelystadBij agendapunt: 26.309 Vaststelling wijziging Omgevingsplan gemeente Lelystad: Zuiderhage, fase 128.646 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Gebiedsontwikkeling woonwijk Zuiderhage (fase 1) Passende beoordeling

Rijksvastgoedbedrijf 20 februari 2026

Project Opdrachtgever

Document Status Datum Referentie

Projectcode Projectleider Projectdirecteur

Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door

Gebiedsontwikkeling woonwijk Zuiderhage (fase 1) Rijksvastgoedbedrijf

Passende beoordeling Definitief 20 februari 2026 149565/26-002.663 149565 J. Poot BSc Drs. L.G. Turlings

A.J. Leeuwerik MSc, J. Poot BSc E. Pinto MSc J. Poot BSc

Paraaf

Adres

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 Postbus 233 7400 AE Deventer +31 (0)570 69 79 11 www.witteveenbos.com KvK 38020751

Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos, noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Tekst- en datamining van (delen van) dit document, evenals enige verwerking of reproductie ervan door middel van kunstmatige intelligentie technologieën is uitdrukkelijk niet toegestaan, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Dit document (of delen ervan) mag niet worden verveelvoudigd en/of anderszins worden gebruikt op enigerlei wijze voor het trainen van kunstmatige intelligentie technologieën, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING

5

1.1

Aanleiding en doel

5

1.2

Leeswijzer

6

2

PROJECTGEBIED EN VOORGENOMEN ACTIVITEITEN

7

2.1

Projectgebied en omgeving

7

2.2

Voorgenomen activiteiten

9

2.2.1 2.2.2

9 9

Aanlegfase Gebruiksfase

3

TOETSINGSKADER OMGEVINGSWET

10

4

EFFECTAFBAKENING- EN BEREIK

12

4.1

Natura 2000-gebieden

12

4.2

Relevante effecttypen

13

4.2.1 4.2.2 4.2.3 4.2.4 4.2.5

13 13 13 14 15

4.3

Oppervlakteverlies en versnippering Verzuring en vermesting Verstoring door geluid, licht, trilling, optische verstoring en betreding Verdroging Conclusie relevante effecttypen

Relevante instandhoudingsdoelstellingen

15

4.3.1 4.3.2 4.3.3 4.3.4 4.3.5

15 15 16 16 17

Habitattypen Habitatrichtlijnsoorten Broedvogels Niet-broedvogels Conclusie relevante instandhoudingsdoelstellingen

5

EFFECTBEPALING- EN BEOORDELING

18

5.1

Broedvogels

18

5.2

Niet-broedvogels

20

5.3

Blauwe kiekendief

21

5.3.1

21

Oppervlakteverlies en versnippering

5.3.2

Verstoring door geluid, licht, trilling, mechanische werking en optische verstoring

23

5.4

Cumulatie

28

5.5

Conclusie

29

6

MITIGATIE

31

6.1

Tijdelijke verstoring

31

6.2

Ruimtebeslag en permanente verstoring

31

6.3

Meekoppelkansen

37

7

CONCLUSIE

39

8

REFERENTIES

41

Laatste pagina

42

Bijlage(n)

Aantal pagina's

I

Uitgangspuntennotitie stikstofdepositie gebiedsontwikkeling Zuiderhage (Haskoning)

120

II

Effectafbakening (niet-)broedvogelsoorten

6

III

Instandhoudingsdoelstellingen relevante (niet-)broedvogelsoorten

4

IV

Natura 2000 Compensatie -en Mitigatieplan Blauwe kiekendief (Haskoning)

29

1 INLEIDING 1.1

Aanleiding en doel

Rijksvastgoedbedrijf en de gemeente Lelystad werken samen aan de ontwikkeling van Lelystad met een nieuw stadsdeel, woonwijk Zuiderhage. De toekomstige woonwijk betreft de bouw van 9.000 tot 16.000 woningen en wordt gerealiseerd ter plaatse van agrarisch gebied ten zuiden van Lelystad. De ontwikkeling van de woonwijk vindt plaats in verschillende fasen. Fase 1 betreft de bouw van 2.400 woningen die in 2031 in gebruik genomen zullen worden. Fase 2 en 3 volgen hierna en betreffen de realisatie en ingebruikname van de overige woningen. Voorliggend rapport is uitsluitend gericht op fase 1 van woonwijk Zuiderhage. Afbeelding 1.1 toont de locatie van fase 1 van het project.

Afbeelding 1.1 Projectgebied Zuiderhage (fase 1)

De ontwikkeling en ingebruikname van fase 1 zorgen voor effecten die mogelijk gevolgen hebben voor Natura 2000-gebieden in de omgeving. In voorliggende passende beoordeling is beoordeeld of kan worden uitgesloten dat de werkzaamheden voor de realisatie en het gebruik van fase 1 significante gevolgen hebben voor instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden.

5 | 42

Witteveen+Bos | 149565/26-002.663 | Definitief

1.2

Leeswijzer

Hoofdstuk 2 beschrijft de voorgenomen activiteiten, gebiedskenmerken en een globale planning van de werkzaamheden. In hoofdstuk 3 wordt het relevante toetsingskader beschreven. Hoofdstuk 4 bevat de effectafbakening en -bereik als gevolg van de voorgenomen activiteiten. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens voor de relevante effecttypen beoordeeld of er sprake is van significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden, waarbij ook cumulatie is opgenomen. Hoofdstuk 6 bevat de noodzakelijke mitigerende maatregelen. Hoofdstuk 7 beschrijft de conclusie van voorliggende passende beoordeling en hoofdstuk 8 bevat ten slotte de referenties.

6 | 42

Witteveen+Bos | 149565/26-002.663 | Definitief

2 PROJECTGEBIED EN VOORGENOMEN ACTIVITEITEN 2.1

Projectgebied en omgeving

Het projectgebied betreft fase 1 van de toekomstige woonwijk Zuiderhage dat ten zuiden van het centrum van Lelystad ligt, in de provincie Flevoland. Fase 1 bestaat uit twee deelgebieden: het oostelijk deelgebied ligt tussen de watergang de Torenvalktocht en de Torenvalkweg; het westelijke deelgebied ligt tussen industriegebied Noordersluis en woonwijk Warande (afbeelding 2.1). Huidige situatie Ter plaatse van het oostelijke deelgebied liggen landbouwgronden die voornamelijk bestaan uit akkers. Ook bevindt zich hier de spoorlijn Almere-Lelystad en staan er enkele bomensingels. Ten noorden en westen van dit deelgebied liggen woonwijken, en in het oosten en zuiden meer agrarische graslanden gevolgd door waterweg de Lage Vaart en bosgebied het Hollandse Hout. Ter plaatse van het westelijke deelgebied bevinden zich ook landbouwgronden voornamelijk bestaande uit grasland. Ook staan hier enkele bomensingels en struwelen. Ten noorden en westen van het deelgebied liggen de watergangen het Havendiep en de Lage Dwarsvaart, gevolgd door een industrieterrein. Ten oosten wordt het deelgebied begrensd door autoweg de Westerdreef en woonwijk Warande. Ten zuiden van het gebied liggen meer agrarische gronden (afbeelding 2.1).

Ten noordwesten van het projectgebied ligt op circa 1,5 km afstand Natura 2000-gebied Markermeer & IJmeer, op circa 2,0 km ten zuidwesten ligt Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen en op circa 4,5 km ten noorden van het projectgebied ligt Natura 2000-gebied IJsselmeer (afbeelding 2.2).

7 | 42

Witteveen+Bos | 149565/26-002.663 | Definitief

Afbeelding 2.1 Projectgebied Zuiderhage fase 1

Afbeelding 2.2 Projectgebied en nabijgelegen Natura 2000-gebieden

8 | 42

Witteveen+Bos | 149565/26-002.663 | Definitief

2.2

Voorgenomen activiteiten

Hierna worden de voorgenomen activiteiten voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase beschreven.

2.2.1

Aanlegfase

Uitgangspunten Deze beoordeling is gebaseerd op de volgende uitgangspunten: - de werkzaamheden worden uitgevoerd van 2026 tot en met 2030 en vinden het gehele jaar door plaats; - er wordt dagelijks gewerkt volgens reguliere bouwtijden tussen 07.00 - 19.00 uur; - de woonwijk Zuiderhage fase 1 wordt direct na realisatie in gebruik genomen. De werkzaamheden in de aanlegfase betreffen het bouwrijp maken van de locatie. Dit betreft het kappen van sommige bomenlanen en opgaande begroeiing binnen het projectgebied. Mogelijk wordt de bovenste grondlaag afgegraven of gedeeltelijk opgehoogd en worden sloten binnen het projectgebied gedempt. Voor het plaatsen van de funderingen vinden naar verwachting heiwerkzaamheden plaats. Vervolgens wordt bebouwing gerealiseerd en worden toegangswegen geasfalteerd. Voor de geplande ontwikkelingen wordt gebruik gemaakt van materieel zoals vrachtwagens, dumpers, graafmachines, bulldozers, hijskranen, stoomwalsen, elektrische zagen en bouwlampen. Een deel van het materieel is elektrisch aangedreven.

2.2.2

Gebruiksfase

De gebruiksfase van het project betreft de ingebruikname van de woonwijk. Dit betekent een toename in menselijke activiteiten zoals recreatie en verkeersbewegingen ter plaatse van het projectgebied. Daarnaast wordt er gebruik gemaakt van (straat)verlichting. De verkeersaantrekkende werking als gevolg van de ingebruikname van woonwijk Zuiderhage (inclusief fase 1) en de mogelijke gevolgen hiervan op natuur zijn reeds behandeld in de passende beoordeling van project Rondweg Lelystad-Zuid. Van dit project is het projectbesluit definitief vastgesteld op 20 januari 2026. Voor de gevolgen van een toename aan verkeer als gevolg van Zuiderhage, de nabijgelegen Rondweg Lelystad-Zuid en de omgeving hiervan wordt verwezen naar de betreffende passende beoordeling (Witteveen+Bos 2025). In voorliggend rapport zijn de gevolgen van Rondweg Lelystad-Zuid in cumulatie met het huidige project in de cumulatietoets beoordeeld.

9 | 42

Witteveen+Bos | 149565/26-002.663 | Definitief

3 TOETSINGSKADER OMGEVINGSWET Onder de Omgevingswet (Ow) maakt natuur onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Hierdoor valt natuur(bescherming) onder de reikwijdte van de Ow. De Ow bevat instrumenten om natuurgebieden te beschermen. Deze instrumenten zien toe op Natura 2000-gebieden, NNN-gebieden en aangewezen bijzondere natuurgebieden, landschappen en parken. Door het aanwijzen van Natura 2000-gebieden worden plant- en diersoorten beschermd die in Europa bedreigd zijn met als doel het behoud van biodiversiteit. In juridische zin komt Natura 2000 voort uit twee Europese richtlijnen: de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn. Elk Natura 2000-gebied wordt vastgesteld door middel van een aanwijzingsbesluit. In dit besluit is, behalve (onder andere) de begrenzing van het gebied, opgenomen voor welke habitattypen en soorten het gebied is aangewezen en welke doelen hiervoor gelden, zogenoemde instandhoudingsdoelstellingen. Instandhoudingsdoelstellingen betreffen zowel habitattypen als habitat- en vogelsoorten. Omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit Op grond van artikel 5.1 lid 1 sub e Ow is een omgevingsvergunning vereist voor een ‘Natura 2000-activiteit’.

Een Natura 2000-actitiviteit wordt gedefinieerd als een ‘activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.’ Ook het begrip ‘project’ is gedefinieerd in de Ow, namelijk als: - het bouwen van bouwwerken of de totstandbrenging van installaties of werken; en - andere activiteiten die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigingen, inclusief activiteiten voor de winning van delfstoffen. Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied, maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen effect hebben op het Natura 2000-gebied. Als gevolg van de formulering van de Natura 2000-activiteit zijn activiteiten die geen significante gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied niet vergunningplichtig. Ook benoemt hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) enkele gevallen die een vrijstelling van de vergunningplicht kunnen inhouden (bijvoorbeeld in een omgevingsverordening, ministeriële regeling of programma). Beoordelingskader Om te bepalen of sprake is van significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied, kan een voortoets worden uitgevoerd.

In een voortoets wordt bepaald of significante gevolgen op natuurwaarden in het betreffende gebied op voorhand kunnen worden uitgesloten. Indien significante gevolgen kunnen worden uitgesloten in een voortoets, is geen sprake van een vergunningplicht en kan het voornemen doorgang vinden. Indien significante gevolgen niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, dient een passende beoordeling te worden uitgevoerd. Op grond van artikel 8.74b lid 1 Bkl wordt de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit alleen verleend als uit de passende beoordeling (als bedoeld in artikel 16.53c lid 1 Ow) de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Hierbij dient ook een cumulatietoets te worden uitgevoerd.

10 | 42

Witteveen+Bos | 149565/26-002.663 | Definitief

In tegenstelling tot de voortoets, mogen in de passende beoordeling ook mitigerende maatregelen (zoals intern en extern salderen) worden meegenomen. Als de vereiste zekerheid dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten niet is verkregen, kan op grond van artikel 8.74b lid 2 Bkl een omgevingsvergunning enkel worden verleend, als: a. er geen alternatieve oplossingen zijn; b. het project nodig is om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en c. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. Zorgplicht Naast de vergunningplicht kent de Ow ook een specifieke zorgplicht voor de Natura 2000-activiteit. Degene die een activiteit verricht die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor natuurbescherming, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c.

als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Wat deze zorgplicht in ieder geval inhoudt is nader uitgewerkt in artikel 11.6 lid 2 Bal. Zo moeten bijvoorbeeld alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om verslechterende of significant verstorende gevolgen voor het betrokken gebied te voorkomen en moet tijdens en moet na het verrichten van de activiteit worden nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben. Stikstofemissiereductie Bij het verrichten van bouw- en/of sloopwerkzaamheden dient een initiatiefnemer adequate maatregelen te treffen om de emissie van stikstofverbindingen naar de lucht te beperken, zo volgt uit artikel 7.19a lid 1 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Door deze bepaling dwingt de wetgever initiatiefnemers om de emissie van stikstof zoveel mogelijk te voorkomen, ook als significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden zijn uit te sluiten.

Het betreft activiteiten voor de bouw van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een melding als bedoeld in artikel 2.18 lid 1 Bbl nodig is en op het slopen van een bouwwerk waarvoor een melding als bedoeld in artikel 7.10 lid 1 Bbl is vereist omdat de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m3 bedraagt.1 Bij 'adequaat' gaat het om maatregelen die doeltreffend, doelmatig en proportioneel zijn. De verplichting geldt voor de bouwfase op de bouwplaats en niet voor vervoersbewegingen van en naar de bouwplaats of voor de gebruiksfase.2 Het bevoegd gezag kan met een maatwerkvoorschrift een nadere invulling geven aan de regel over het nemen van stikstofbeperkende maatregelen.3

1

Artikel 7.19a lid 2 Besluit bouwwerken leefomgeving.

2

Stb. 2021, 287, p. 69.

3

Artikel 7.5 lid 4 Besluit bouwwerken leefomgeving.

11 | 42

Witteveen+Bos | 149565/26-002.663 | Definitief

4 EFFECTAFBAKENING- EN BEREIK 4.1

Natura 2000-gebieden

Het projectgebied ligt nabij verschillende Natura 2000-gebieden. Ten noordwesten van het projectgebied ligt op circa 1,5 km afstand Natura 2000-gebied Markermeer & IJmeer, op circa 2 km ten zuidwesten ligt Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen en op circa 4,5 km ten noorden van het projectgebied ligt Natura 2000-gebied IJsselmeer (afbeelding 4.1). Binnen een straal van 25 km van het projectgebied liggen verder nog Natura 2000-gebieden Ketelmeer & Vossemeer, Lepelaarsplassen, Veluwerandmeren, Arkemheen, Eemmeer & Gooimeer Zuidoever, Rijntakken en Veluwe. Effecten als gevolg van de geplande ontwikkelingen zijn mogelijk relevant voor gebieden binnen enkele kilometers afstand van het projectgebied. Voor de verder weg gelegen gebieden is uitsluitend de depositie van stikstof mogelijk relevant.

Afbeelding 4.1 Natura 2000-gebieden nabij het projectgebied

12 | 42

Witteveen+Bos | 149565/26-002.663 | Definitief

4.2

Relevante effecttypen

De ontwikkelingen voor het project brengen verschillende effecttypen met zich mee die mogelijk zorgen voor een aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden in de omgeving. Deze effecten treden op in de aanleg- en gebruiksfase en kunnen tijdelijk of permanent van aard zijn. Tijdelijke effecten vinden enkel plaats in de aanlegfase. Permanente effecten kunnen starten in de aanlegfase en doorlopen in de gebruiksfase (zoals oppervlakteverlies).

4.2.1

Oppervlakteverlies en versnippering

De ontwikkelingen voor project Zuiderhage vinden plaats op ten minste 1,5 km van Natura 2000-gebieden. In de aanleg- of gebruiksfase van het project vindt daarom geen oppervlakteverlies of versnippering plaats binnen een Natura 2000-gebied. Wel kan dit optreden in leefgebieden die buiten de grenzen van Natura 2000-gebieden liggen en worden gebruikt door aangewezen soorten met instandhoudingsdoelstellingen in Natura 2000-gebieden. Oppervlakteverlies of versnippering van deze leefgebieden kan daarmee alsnog gevolgen hebben voor instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Oppervlakteverlies en versnippering kunnen tijdelijk of permanent van aard zijn. Werkzaamheden zoals het gebruik van tijdelijke werkwegen of bouwdepots vinden alleen plaats tijdens de aanlegfase van het project en verdwijnen nadat de werkzaamheden zijn afgerond. Hierna kan de natuur ter plaatse herstellen, waardoor de oorspronkelijke situatie terugkeert en er slechts sprake is van tijdelijke gevolgen. In de gebruiksfase is er sprake van ruimtebeslag als gevolg van het plaatsen van woningen en wegen. Dit betreft een permanente aantasting van de situatie en zorgt mogelijk voor permanent oppervlakteverlies en versnippering van externe leefgebieden van aangewezen soorten van Natura 2000-gebieden.

Daarom worden oppervlakteverlies en versnippering in de aanleg- en gebruiksfase meegenomen in de effectbeoordeling. De gevolgen van oppervlakteverlies en versnippering stralen niet uit naar de omgeving en zijn alleen relevant ter plaatse van de ontwikkelingen.

4.2.2

Verzuring en vermesting

Stikstofdepositie ontstaat door het neerslaan van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3). Stikstofoxiden en ammoniak kunnen omgezet worden in de nutriënten ammonium (NH4) en nitraat (NO3). Deze nutriënten vormen een belangrijke voedingsbron voor planten, waarmee stikstof een essentiële rol vervult in ecosystemen. Een overdaad aan stikstof kan echter leiden tot vermesting en verzuring van de bodem. Vooral voedselarme natuur is gevoelig voor extra aanvoer van stikstof. In voedselarme systemen kan een verhoogde beschikbaarheid van stikstof leiden tot verruiging van de vegetatie en verlies van karakteristieke soorten, aangezien karakteristieke soorten vaak zijn aangepast aan een lagere stikstofbeschikbaarheid in de bodem. De extra aanvoer van stikstof kan daarnaast leiden tot verzuring, waardoor stoffen zoals calcium en kalium in oplossing komen, vervolgens uitspoelen en in verminderde mate beschikbaarheid zijn in de bodem voor planten. In zuurgevoelige natuur kan de extra aanvoer van stikstof daardoor leiden tot het verdwijnen van gevoelige soorten, waardoor de soortenrijkdom en kwaliteit van de natuur afneemt. Voor het project zijn door Haskoning berekeningen uitgevoerd voor depositie van stikstof als gevolg van de realisatie en ingebruikname van woonwijk Zuiderhage (fase 1) (bijlage I).

Uit de berekeningen blijkt dat het project niet leidt tot stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden dat boven de rekenkundige ondergrens (0,00 mol N/ha/jaar) reikt. Hiermee is uitgesloten dat het project leidt tot verzuring en/of vermesting van habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden en zijn deze effecttypen niet relevant voor verdere beoordeling.

4.2.3

Verstoring door geluid, licht, trilling, optische verstoring en betreding

Onder verstoring door geluid, licht, trilling en betreding wordt de verstoring bedoeld die door menselijk handelen wordt veroorzaakt. Optische verstoring betreft verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen of voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem (Broekmeyer e.a. 2013).

13 | 42

Witteveen+Bos | 149565/26-002.663 | Definitief

De geplande werkzaamheden in de aanlegfase leiden mogelijk tot verstoring door geluid, trilling en optische verstoring door gebruik te maken van groot materieel. Als ook in de nacht- of schemeruren wordt gewerkt, kan verstoring door licht optreden door het gebruik van kunstlicht. De werkzaamheden zorgen mogelijk ook voor verstoring door betreding van leefgebieden. De verschillende typen verstoringen als gevolg van de geplande werkzaamheden tijdens de aanlegfase hebben een tijdelijk karakter en stoppen zodra de ontwikkelingen zijn gerealiseerd. De ingebruikname van de woonwijk zorgt voor verstoring door geluid, licht en optische verstoring door toename van verkeer, gebruik van straatverlichting en recreatie ter plaatse van het projectgebied. Verstoring door geluid reikt, afhankelijk van de gevoeligheid van soorten, mogelijk tot honderden meters vanaf de bron. Uit dosis-effectrelaties volgt dat de aantallen broedparen van vogelsoorten, die broeden in gesloten vegetaties, negatief worden beïnvloed bij 42 dB(A). Voor soorten die broeden in open vegetaties ligt die drempelwaarde op 47 dB(A) (Reijnen en Foppen 1991; Reijnen e.a. 1992). Voor niet-broedvogels wordt doorgaans een drempelwaarde van 50 dB(A) gehanteerd (Heinis e.a. 2007; Cutts e.a. 2009; Sierdsema e.a. 2014).

Andere soortgroepen zoals grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, amfibieën en reptielen zijn minder gevoelig voor verstoring door geluid. Zo geldt bijvoorbeeld voor vleermuizen doorgaans een drempelwaarde van circa 60 - 80 dB(A) (R. G. Meijer e.a. 2018). Voor padden en kikkers geldt dat zij met name gevoelig zijn voor piekgeluiden van 70 - 90 dB(A) (Sun & Narins, 2005). De meeste reptielen, ongewervelden of salamanderachtigen hebben geen trommelvlies en middenoorholte of ander gehoororgaan en zijn daarom ongevoelig voor verstoring door geluid (SWECO 2016). Van de ontwikkelingen zorgen heiwerkzaamheden tijdens de aanlegfase van het project voor de grootste mate van verstoring door geluid. Verstoring door geluid tot 42 dB(A) reikt hiermee tot circa 1.500 m van de bron. Op basis van een drempelwaarde van 0,1 lux, reikt verstoring door licht door het gebruik van bouwverlichting (van 200W) op een hoogte van 8 m tot 80 m van de bron (J.J. Kerpels MSc, R. van Deelen MSc 2023). De 0,1 lux contour wordt algemeen geaccepteerd als een waarde waar beneden geen negatieve effecten optreden op planten- of diersoorten (R. Meijer 2013). In de aanlegfase zorgen de geplande werkzaamheden mogelijk voor verstoring door trilling.

Op basis van heiwerkzaamheden reikt trilling uit tot circa 50 m vanaf de bron, waarna trillingen vergelijkbaar zijn aan de natuurlijke achtergrondtrilling (Bronkhorst et al. 2016). Afhankelijk van de gevoeligheid van de soort en de openheid van het landschap, reikt optische verstoring mogelijk tot honderden meters vanaf de bron. De mate waarin soorten gevoelig zijn voor optische verstoring verschilt en is onder andere afhankelijk van het type biotoop en leefwijze van de soort. Hierdoor ontstaan grote verschillen tussen het effectbereik van soorten. Voor het bepalen van de effectcontour voor optische verstoring is gebruik gemaakt van het rapport ‘Verstoring van vogels door recreatie’ (Krijgsveld en Klaassen 2022). Uitgaande van vogelsoorten met instandhoudingsdoelstellingen in nabijgelegen Natura 2000-gebieden die mogelijk gebruikmaken van (de omgeving) van het projectgebied, heeft de zeearend de hoogste gevoeligheid voor optische verstoring (tot maximaal 500 m). Tenslotte straalt verstoring door betreding niet uit naar de omgeving en is alleen van invloed ter plaatse van de bron. Daarom is de reikwijdte van dit type verstoring 0 m. Er geldt opnieuw dat er vanwege de afstand (1,5 km tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied) en reikwijdte van de effecten zoals hierboven beschreven, geen sprake is van verstoring in een Natura 2000-gebied zelf.

Verstoring kan echter wel optreden in leefgebieden buiten de grenzen van Natura 2000-gebieden van soorten met een instandhoudingsdoelstelling. Daarom worden verstoring door geluid, licht, trilling, optische verstoring en betreding in de aanleg- en/of gebruiksfase meegenomen in de effectbeoordeling.

4.2.4

Verdroging

In het algemeen kunnen activiteiten in de bodem leiden tot verdroging tot op een afstand van maximaal 800 m (Arcadis 2011). Deze effectafstand is het grootst wanneer de activiteiten reiken tot aan het

14 | 42

Witteveen+Bos | 149565/26-002.663 | Definitief

grondwater. Tijdens de aanlegfase van woonwijk Zuiderhage (fase 1) vinden graafwerkzaamheden plaats, bijvoorbeeld voor het aanleggen van funderingen, kabels en leidingen. Ook wordt mogelijk de bovenste grondlaag afgegraven of gedeeltelijk opgehoogd. Deze werkzaamheden leiden mogelijk tot verdroging op en rondom de projectlocatie. Dit gebied bestaat echter voornamelijk uit landbouwgronden, waar de grondwaterstand niet tot aan het maaiveld reikt en dieper in de bodem ligt. De graafwerkzaamheden zullen niet dermate diep zijn dat het voor een verandering van de grondwaterstand zal zorgen. Hierdoor zal de vegetatie op deze gronden geen negatieve effecten ondervinden en is er geen sprake van aantasting van het gebied. Daarom wordt verdroging als gevolg van de werkzaamheden in de aanlegfase niet meegenomen in de effectbeoordeling.

4.2.5

Conclusie relevante effecttypen

In tabel 4.1 staan de relevante effecttypen benoemd die volgen uit bovenstaande paragrafen en mogelijk significante gevolgen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. In de tabel is ook weergegeven of de effecttypen zich voordoen tijdens de aanleg- en/of gebruiksfase en wat het bereik hiervan is.

Tabel 4.1 Relevante effecttypen voor Natura 2000-gebieden in de aanleg- en/of gebruiksfase Effecttype

Aanlegfase

Gebruiksfase

Effectbereik (in m)

oppervlakteverlies

X

X

0

versnippering

X

X

0

verstoring door geluid

X

X

1.500

verstoring door licht

X

X

80

verstoring door trilling

X

50

verstoring door betreding

X

0

optische verstoring

X

X

500*

* Getal gebaseerd op de zeearend; van alle vogelsoorten in (de omgeving van) het projectgebied hoogste gevoeligheid voor optische verstoring.

4.3

Relevante instandhoudingsdoelstellingen

In deze paragraaf worden, op basis van het ontwerp van gebiedsontwikkeling woonwijk Zuiderhage (fase 1) en het effectbereik van de effecttypen, de relevante instandhoudingsdoelstellingen afgebakend.

4.3.1

Habitattypen

Binnen 1.500 m van het projectgebied liggen geen Natura 2000-gebieden. Hierdoor zijn de effecten van oppervlakteverlies, versnippering en verstoring door geluid, licht, trilling en optische verstoring binnen Natura 2000-gebieden niet relevant. Wel kunnen er effecten optreden als soorten met een instandhoudingsdoelstelling binnen een Natura 2000-gebied, leefgebied hebben buiten het Natura 2000-gebied wat binnen de verstoringscontour valt. Deze soorten komen in de volgende paragrafen aan bod.

4.3.2

Habitatrichtlijnsoorten

Natura 2000-gebieden Markermeer & IJmeer en IJsselmeer hebben instandhoudingsdoelstellingen voor verschillende habitatrichtlijnsoorten. Voor Markermeer & IJmeer zijn dit kleine modderkruiper,

15 | 42

Witteveen+Bos | 149565/26-002.663 | Definitief

rivierdonderpad en meervleermuis. Voor IJsselmeer zijn dit rivierdonderpad, meervleermuis, Noordse woelmuis en groenknolorchis. Meervleermuis legt van deze soorten de grootste afstanden af, en foerageert op maximaal 10-20 km van de verblijfplaats (Ministerie van LNV 2008b). De overige soorten hebben een veel kleinere actieradius of zijn gebonden aan hun standplaats (groenknolorchis). De aangewezen habitatrichtlijngebieden binnen het gehele Natura 2000-gebied liggen op circa 25 km (Markermeer & IJmeer) en 50 km (IJsselmeer) van het projectgebied. De actieradius van de aangewezen habitatrichtlijnsoorten is kleiner dan deze afstand, waardoor de soorten geen leefgebied kunnen hebben binnen het effectbereik van het project. Om deze reden zijn de effecten van oppervlakteverlies, versnippering en verstoring door geluid, licht, trilling en optische verstoring niet relevant voor habitatrichtlijnsoorten.

4.3.3

Broedvogels

Voor broedvogels met instandhoudingsdoelstellingen in Natura 2000-gebieden zijn de (potentiële) nestplaatsen beschermd binnen de contouren van het Natura 2000-gebied. Daarnaast zijn ook gebieden buiten de grenzen van Natura 2000-gebieden beschermd als deze deel uitmaken van het functionele leefgebied van broedvogels (zoals gebied waar de soort foerageert). Gezien de verwachte effecttypen niet reiken tot in Natura 2000-gebieden, heeft dit geen directe negatieve effecten op de leefgebieden van deze soorten binnen de grenzen van Natura 2000-gebieden. Echter reiken de verwachte effecttypen mogelijk wel tot in foerageergebieden van deze soorten buiten de grenzen van Natura 2000-gebieden. De Natura 2000-gebieden Markermeer & IJmeer, Oostvaardersplassen en IJsselmeer hebben instandhoudingsdoelstellingen voor verschillende soorten broedvogels. In bijlage II (tabel 2.1) staat voor alle broedvogels met een instandhoudingsdoelstelling weergeven of de maximale foerageerafstand van de soort groter is dan de afstand tussen het betreffende Natura 2000-gebied en de projectlocatie. Als dit zo is, is het dus mogelijk dat de soort de afstand vanaf het Natura 2000-gebied naar de projectlocatie aflegt. Voor alle soorten waarvoor dit geldt, is vervolgens aangegeven of de (omgeving van de) projectlocatie geschikt leefgebied bevat.

Als dit ook het geval is, gebruikt de soort de projectlocatie mogelijk als foerageergebied. Tabel 4.2 geeft een overzicht van de broedvogels waarvoor dit geldt.

Tabel 4.2 Soorten (broedvogels) die mogelijk gebruik maken van de projectlocatie als foerageergebied Natura 2000-gebied

Relevante broedvogels

Markermeer & IJmeer

aalscholver

Oostvaardersplassen

aalscholver, blauwe kiekendief, bruine kiekendief, grote zilverreiger, kleine zilverreiger, lepelaar

IJsselmeer

aalscholver, lepelaar, bruine kiekendief

De soorten weergegeven in tabel 4.2 gebruiken onder andere zoetwaterplassen, vaarten, agrarische gebieden en sloten om te foerageren. Binnen de effectcontouren van het project liggen (een deel van) ’t Bovenwater, het Hollandse Hout, de Lage Dwarsvaart, agrarische gebieden en enkele sloten die mogelijk dienen als foerageergebieden voor deze soorten. Deze soorten zijn daarom relevant en worden meegenomen in de effectbepaling- en beoordeling.

4.3.4

Niet-broedvogels

Ook voor niet-broedvogels met instandhoudingsdoelstellingen in Natura 2000-gebieden geldt dat gebieden buiten de grenzen van Natura 2000-gebieden beschermd zijn als deze deel uitmaken van het functionele leefgebied van de niet-broedvogels. De verwachte effecttypen reiken niet tot in Natura 2000-gebieden zelf, maar mogelijk wel tot in leefgebied van deze soorten buiten de grenzen van Natura 2000-gebieden.

16 | 42

Witteveen+Bos | 149565/26-002.663 | Definitief

De Natura 2000-gebieden Markermeer & IJmeer, Oostvaardersplassen en IJsselmeer hebben instandhoudingsdoelstellingen voor verschillende soorten niet-broedvogels. In bijlage II (tabel 2.2) staat voor alle niet-broedvogels met een instandhoudingsdoelstelling weergeven of de maximale foerageerafstand van de soort groter is dan de afstand tussen het betreffende Natura 2000-gebied en de projectlocatie. Als dit zo is, is het dus mogelijk dat de soort de afstand vanaf het Natura 2000-gebied naar de projectlocatie aflegt. Voor alle soorten waarvoor dit geldt, is vervolgens aangegeven of de (omgeving van de) projectlocatie geschikt leefgebied bevat. Als dit ook het geval is, gebruikt de soort de projectlocatie mogelijk als rust- en/of foerageergebied. Tabel 4.3 geeft een overzicht van de niet-broedvogels waarvoor dit geldt.

Tabel 4.3 Soorten (niet-broedvogels) die mogelijk gebruik maken van de projectlocatie als foerageergebied Natura 2000-gebied

Relevante niet-broedvogels

Markermeer & IJmeer

aalscholver, brandgans, brilduiker, krakeend, kuifeend, lepelaar, smient, tafeleend, toppereend, zwarte stern

Oostvaardersplassen

brandgans, grauwe gans, grote zilverreiger, kolgans, krakeend, kuifeend, lepelaar, smient, tafeleend, wilde zwaan

IJsselmeer

aalscholver, brandgans, brilduiker, goudplevier, grauwe gans, kleine rietgans, kleine zwaan, kolgans, krakeend, kuifeend, lepelaar, smient, tafeleend, toppereend, wilde eend, wulp

De soorten weergegeven in tabel 4.3 maken gebruik van zoetwaterplassen, sloten en/of agrarische gebieden als rust- en/of foerageergebied. Deze soorten zijn daarom relevant en worden meegenomen in de effectbepaling- en beoordeling.

4.3.5

Conclusie relevante instandhoudingsdoelstellingen

In tabel 4.4 staan de relevante instandhoudingsdoelstellingen die volgen uit bovenstaande paragrafen en mogelijk significante gevolgen ondervinden door de realisatie en ingebruikname van woonwijk Zuiderhage (fase 1). Zoals in voorgaande paragrafen besproken, zijn habitattypen en habitatrichtlijnsoorten niet relevant voor verdere beoordeling.

Tabel 4.4 Relevante instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden in de aanleg- en/of gebruiksfase Effecttype

Aanlegfase

Gebruiksfase

broedvogels

X

X

niet-broedvogels

X

X

17 | 42

Witteveen+Bos | 149565/26-002.663 | Definitief

5 EFFECTBEPALING- EN BEOORDELING 5.1

Broedvogels

Voor de effectbepaling- en beoordeling is een aantal broedvogels relevant (zie 4.3.3). Voor Natura 2000-gebied Markermeer & IJmeer is dit aalscholver, voor Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen zijn dit aalscholver, blauwe kiekendief, bruine kiekendief, grote zilverreiger, kleine zilverreiger en lepelaar, en voor Natura 2000-gebied IJsselmeer zijn dit aalscholver, lepelaar en bruine kiekendief. Bijlage III (tabel 3.1) geeft aan wat de instandhoudingsdoelstellingen zijn voor de betreffende soorten en het vijfjarige gemiddelde van voorkomen (2020-2024) (Sovon 2025). Voor Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen worden de instandhoudingsdoelstellingen van bruine kiekendief en grote zilverreiger ruimschoots (>10 %) gehaald. Voor Natura 2000-gebied IJsselmeer worden de instandhoudingsdoelstellingen van lepelaar ruimschoots (>10 %) gehaald. Daar komt bij dat er rondom de projectlocatie voldoende vergelijkbare landbouwgronden in de buurt zijn waar de vogels naar zouden kunnen uitwijken. Voor deze soorten zal aantasting of verstoring van externe leefgebieden daarom niet zorgen voor significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen voor de soort. De instandhoudingsdoelstellingen van een aantal soorten worden momenteel echter niet gehaald: aalscholver, blauwe kiekendief, kleine zilverreiger, lepelaar (Oostvaardersplassen) en bruine kiekendief (IJsselmeer).

Van deze soorten is onderzocht of ze daadwerkelijk voorkomen in de omgeving van het projectgebied. Waarnemingen van de aalscholver, kleine zilverreiger en lepelaar (periode 2021 t/m 2025) zijn voornamelijk geconcentreerd in en rondom vijvers of sloten zoals zoetwatermeer ’t Bovenwater en vijvers in de woonwijk Warande (NDFF 2026). Verstoringen op deze locaties vinden enkel plaats in de aanlegfase en zijn daarom tijdelijk van aard. In de gebruiksfase vindt er geen verstoring plaats op deze locaties. Voor de aanlegfase geldt dat er in de omgeving voldoende foerageergebied van gelijke waarde is voor deze soorten om naar uit te wijken. Op basis van deze informatie zijn negatieve effecten voor de soorten aalscholver, kleine zilverreiger en lepelaar in de aanlegfase en gebruiksfase op externe foerageergebieden uitgesloten. Waarnemingen van de bruine kiekendief liggen voornamelijk geconcentreerd langs de Knardijk. Er zijn echter ook enkele waarnemingen in de buurt van de projectlocatie: rondom de Buizerdweg en Torenvalkweg (NDFF 2026). Desondanks zal de projectlocatie geen essentieel foerageergebied vormen voor bruine kiekendieven afkomstig uit Natura 2000-gebied IJsselmeer. De kortste afstand tussen Natura 2000-gebied IJsselmeer en de projectlocatie betreft 4,5 km, maar de afstand tot de waarnemingen rond de Torenvalkweg betreft 6,0 km.

De bruine kiekendief heeft een maximale foerageerafstand van 5 km in het broedseizoen (Van der Vliet en Heijligers 2011) en zal hier dus niet komen. De Buizerdweg ligt rond 5,0 km vanaf het Natura 2000-gebied, maar de stad Lelystad ligt tussen het IJsselmeer en de projectlocatie in en vormt daarmee een obstakel. Hierdoor is het voor de bruine kiekendief aantrekkelijker om te foerageren in vergelijkbare gebieden rondom het Natura 2000-gebied. Op basis van deze informatie zijn negatieve effecten voor de bruine kiekendief in de aanlegfase en gebruiksfase op externe foerageergebieden uitgesloten. Wat betreft de blauwe kiekendief (Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen) worden op dit moment de instandhoudingsdoelstellingen van de soort niet gehaald (zie bijlage III). Binnen Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen is een instandhoudingsdoelstelling voor de uitbreiding van kwaliteit en omvang van

18 | 42

Witteveen+Bos | 149565/26-002.663 | Definitief

leefgebied voor een populatie van tenminste vier blauwe kiekendief paren. Op basis van informatie van Sovon zijn er sinds 2013 geen tellingen meer gedaan van broedende blauwe kiekendieven in de Oostvaardersplassen (Sovon 2025). Sinds 1991 is de populatietrend sterk negatief (> 5 % per jaar) (Sovon 2025). Ook de broedvogeltrend van de blauwe kiekendief in Nederland is sinds 1994 sterk negatief. Sovon geeft hiervoor de volgende verklaring: ‘De afname wordt waarschijnlijk veroorzaakt door toegenomen sterfte onder jonge vogels na het broedseizoen. Voedselproblemen, zowel in natuurgebieden als boerenland, spelen een hoofdrol. Afname is troef in grote delen van West-Europa, waaronder ook de Duitse Waddeneilanden’. Een knelpunt voor de blauwe kiekendief in Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen is het ontbreken van geschikt foerageergebied met voldoende prooien nabij broedplaatsen in het Natura 2000-gebied (Provincie Flevoland 2024). Gezien de slechte staat van instandhouding van de blauwe kiekendief, zijn door de provincie geschikte gebieden om te foerageren aangewezen als beschermde foerageergebieden. In een eerder onderzoek (Altenburg & Wymenga Ecologisch onderzoek, 2006) is foerageergebied nabij Oostvaardersplassen vastgesteld (afbeelding 5.1).

Het foerageergebied van de blauwe kiekendief reikt tot een straal van circa vijf (tot in sommige gevallen acht) km rond het nest en bestaat uit duingebieden, kwelders en extensief beheerde graslanden van het agrarische cultuurland. Hier jaagt de vogel op jonge konijnen, muizen, zangvogels en jonge weidevogels (Ministerie van LNV, 2008).

Afbeelding 5.1 Woonwijk Zuiderhage (fase 1) en geschikt foerageergebied van de blauwe kiekendief (Altenburg & Wymenga Ecologisch onderzoek 2006)

Naast het voorgaand onderzoek is er met behulp van informatie over waarnemingen van de blauwe kiekendief onderzocht of het projectgebied in de huidige situatie mogelijk nog dient als foerageergebied voor de blauwe kiekendief. Het projectgebied ligt niet binnen telvakken van Sovon waar methodische tellingen zijn gedaan en verder is er geen informatie van Sovon beschikbaar over waarnemingen van de blauwe kiekendief. Daarom is informatie van losse waarnemingen van de NDFF gebruikt om te onderzoeken of de blauwe kiekendief voorkomt in het projectgebied. Uit informatie van de NDFF blijkt dat er 52 losse waarnemingen zijn van (onder andere foeragerende) blauwe kiekendieven binnen het projectgebied en de directe omgeving in de laatste vijf jaar (januari 2020 tot en met december 2025) (NDFF 2026). Het

19 | 42

Witteveen+Bos | 149565/26-002.663 | Definitief

projectgebied en de omgeving fungeert in de huidige situatie dus daadwerkelijk als foerageergebied voor de blauwe kiekendief. De realisatie en het gebruik van woonwijk Zuiderhage leidt daarom mogelijk tot een aantasting van foerageergebieden van de blauwe kiekendief. De aanleg- en/of gebruiksfase zorgen mogelijk voor oppervlakteverlies, versnippering, verstoring door geluid, licht, trilling en optische verstoring. De effecttypen oppervlakteverlies en versnippering leiden tot een fysieke afname van foerageergebied. De effecttypen verstoring door geluid, licht, trilling en optische verstoring leiden mogelijk tot verstoring van de blauwe kiekendief zelf, wat kan leiden tot het verlaten van het gebied, of verstoring van hun prooidieren waardoor de functionaliteit (kwaliteit) van foerageergebied afneemt. In paragraaf 5.3 wordt nader beoordeeld of deze specifieke effecttypen leiden tot significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van blauwe kiekendief in Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen.

5.2

Niet-broedvogels

Voor de effectbepaling- en beoordeling is een aantal niet-broedvogels relevant (zie 4.3.4). Voor Natura 2000-gebied Markermeer & IJmeer zijn dit aalscholver, brandgans, brilduiker, krakeend, kuifeend, lepelaar, smient, tafeleend, toppereend en zwarte stern. Voor Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen zijn dit brandgans, grauwe gans, grote zilverreiger, kolgans, krakeend, kuifeend, lepelaar, smient, tafeleend en wilde zwaan. Voor Natura 2000-gebied IJsselmeer zijn dit aalscholver, brandgans, brilduiker, goudplevier, grauwe gans, kleine rietgans, kleine zwaan, kolgans, krakeend, kuifeend, lepelaar, smient, tafeleend, toppereend, wilde eend en wulp. Bijlage III (tabel 3.2) geeft aan wat de instandhoudingsdoelstellingen zijn voor de betreffende soorten en het vijfjarige gemiddelde van voorkomen (2019/20-2023/24) (Sovon 2025). Binnen Natura 2000-gebied Markermeer & IJmeer worden de instandhoudingsdoelstellingen voor brandgans, krakeend, lepelaar, tafeleend en toppereend ruimschoots (> 10 %) gehaald. Binnen Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen worden de instandhoudingsdoelstellingen voor brandgans, grote zilverreiger, kolgans, krakeend en smient ruimschoots (> 10 %) gehaald. Binnen Natura 2000-gebied IJsselmeer worden de instandhoudingsdoelstellingen voor goudplevier, grauwe gans, krakeend, lepelaar en tafeleend ruimschoots (> 10 %) gehaald.

Daar komt bij dat er rondom de projectlocatie voldoende foerageergebied van gelijke waarde in de buurt is waar de vogels naar zouden kunnen uitwijken. Voor deze soorten zal aantasting of verstoring van externe leefgebieden niet zorgen voor significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen voor de soort. De instandhoudingsdoelstellingen van een aantal soorten worden momenteel echter niet gehaald. Van deze soorten is onderzocht of ze daadwerkelijk voorkomen in de omgeving van het projectgebied. Hieruit blijkt dat kleine rietgans niet wordt waargenomen op of in de buurt van de projectlocatie. Waarnemingen van de aalscholver, brilduiker, kuifeend, smient, lepelaar, tafeleend, toppereend en wulp (periode 2021 t/m 2025) zijn voornamelijk geconcentreerd in en rondom vijvers of sloten zoals zoetwatermeer ’t Bovenwater en vijvers in de woonwijk Warande (NDFF 2026). Verstoringen op deze locaties vinden enkel plaats in de aanlegfase en zijn daarom tijdelijk van aard. In de gebruiksfase vindt er geen verstoring plaats op deze locaties. Voor de aanlegfase geldt dat er in de omgeving voldoende foerageergebied van gelijke waarde is voor deze soorten om tijdelijk naar uit te wijken.

Op basis van deze informatie zijn negatieve effecten voor de soorten kleine rietgans, aalscholver, brilduiker, kuifeend, smient, lepelaar, tafeleend, toppereend en wulp in de aanlegfase en gebruiksfase op externe foerageergebieden uitgesloten. Voor deze soorten zal aantasting of verstoring van externe leefgebieden niet zorgen voor significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen voor de soort. De soorten goudplevier (een enkele waarneming) en kleine zwaan (één waarneming) worden waargenomen op de agrarische gronden ten oosten van de Torenvalkweg. Dit is niet de locatie waar de woonwijk wordt gebouwd, dus van effecten in de gebruiksfase is geen sprake. Werkzaamheden in de aanlegfase zouden deze gronden wel kunnen verstoren. Opnieuw geldt voor de aanlegfase dat er in de omgeving voldoende foerageergebied van gelijke waarde is voor deze soorten om tijdelijk naar uit te wijken. Op basis van deze

20 | 42

Witteveen+Bos | 149565/26-002.663 | Definitief

informatie zijn negatieve effecten voor de soorten goudplevier en kleine zwaan in de aanlegfase en gebruiksfase op externe foerageergebieden uitgesloten. Voor deze soorten zal aantasting of verstoring van externe leefgebieden niet zorgen voor significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen voor de soort. Soorten die wel worden waargenomen op de agrarische gebieden van en rondom de projectlocatie, onder andere langs de Torenvalkweg, zijn grauwe gans, kolgans, wilde zwaan (een enkele waarneming), brandgans, en wilde eend. Aangezien voor deze soorten in sommige van de relevante Natura 2000-gebieden de instandhoudingsdoelstellingen worden gehaald, zijn voor grauwe gans en wilde zwaan soorten afkomstig uit Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen relevant. Voor kolgans, brandgans en wilde eend zijn soorten afkomstig uit Natura 2000-gebied IJsselmeer relevant. Voor grauwe gans en wilde zwaan geldt dat er in de omgeving veel vergelijkbare agrarische gronden beschikbaar zijn. Uit waarnemingen blijkt dat deze soorten ook inderdaad gebruik maken van vergelijkbare agrarische gebieden rondom Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen (NDFF 2026). Voor wilde zwaan geldt bovendien dat de soort zich voornamelijk concentreert in de Oostvaardersplassen zelf en in Natuurpark Lelystad.

Op basis hiervan vormt het projectgebied en de omliggende landbouwgronden geen essentieel extern foerageergebied voor grauwe gans en wilde zwaan met instandhoudingsdoelstellingen in Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen. Om deze redenen zal aantasting of verstoring van externe leefgebieden niet zorgen voor significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen voor deze soorten. Voor kolgans, brandgans en wilde eend geldt dat tussen Natura 2000-gebied IJsselmeer en het projectgebied het stedelijk gebied van Lelystad ligt. Tevens liggen ten noorden van Lelystad, op kortere afstand van het Natura 2000-gebied, voldoende vergelijkbare landbouwgronden die voor niet-broedvogels meer geschikt zijn. Deze locaties worden ook gebruikt (NDFF 2026). Op basis hiervan vormt het projectgebied en de omliggende landbouwgronden geen essentieel extern foerageergebied voor met instandhoudingsdoelstellingen in Natura 2000-gebied IJsselmeer. Om deze redenen zal aantasting of verstoring van externe leefgebieden niet zorgen voor significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen voor deze soorten.

Op basis van de informatie uit deze paragraaf kunnen significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van niet-broedvogels van Natura 2000-gebieden Markermeer & IJmeer, Oostvaardersplassen en IJsselmeer als gevolg van de realisatie en ingebruikname van woonwijk Zuiderhage (fase 1) worden uitgesloten.

5.3

Blauwe kiekendief

In deze paragraaf wordt voor de relevante effecttypen, zoals bepaald in paragraaf 4.2, beoordeeld of deze in de aanleg- en/of gebruiksfase leiden tot een tijdelijke of permanente aantasting van foerageergebied van de blauwe kiekendief.

5.3.1

Oppervlakteverlies en versnippering

Effectbepaling Tijdens de aanlegfase en gebruiksfase is sprake van ruimtebeslag door woonwijk Zuiderhage op agrarisch gebied dat dient (en is aangewezen) als foerageergebied voor de blauwe kiekendief. Dit zorgt voor oppervlakteverlies en mogelijk versnippering. Het ruimtebeslag van woonwijk Zuiderhage (fase 1) begint in de aanlegfase en gaat over tot in de gebruiksfase en zorgt dus voor permanente afname van foerageergebied. Dit leidt tot een oppervlakteverlies van circa 113 ha aan geschikt suboptimaal foerageergebied van de blauwe kiekendief (afbeelding 5.2).

21 | 42

Witteveen+Bos | 149565/26-002.663 | Definitief

Tijdens de aanlegfase vinden alle werkzaamheden plaats binnen het permanente ruimtebeslag van de woonwijk. Daardoor is er geen sprake is van tijdelijk oppervlakteverlies/versnippering van blauwe kiekendief foerageergebied. Tevens ligt de toekomstige woonwijk aan de rand van het foerageergebied en mogelijk op een vliegroute tussen foerageergebied en broedgebied in Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen. Hierdoor ontstaat wellicht versnippering van deze gebieden, waardoor de blauwe kiekendief zich minder goed kan verplaatsen tussen het foerageergebied en het broedgebied in het Natura 2000-gebied. Het broedsucces van de blauwe kiekendief is afhankelijk van foerageergebieden in een straal van circa vijf (tot in sommige gevallen acht) km rondom Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen tijdens de broedperiode. Aantasting van deze gebieden kan gevolgen hebben voor het broedsucces van de soort en daarmee op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen.

Afbeelding 5.2 Ruimtebeslag gebruiksfase op foerageergebied door Zuiderhage Fase 1

Effectbeoordeling Het foerageergebied waar permanent oppervlakteverlies plaatsvindt, is in eerder onderzoek (Gradiënt Natuurontwikkeling, 2018) beschreven als een gebied van suboptimale kwaliteit. Ten zuidoosten van de A6 liggen binnen een straal van acht km van Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen agrarische gronden die momenteel ook dienen als foerageergebied (Altenburg & Wymenga Ecologisch onderzoek, 2006). Bij verlies van (suboptimaal) foerageergebied ter plaatse van de toekomstige woonwijk Zuiderhage is onbekend of dit gebied volstaat om het verlies aan foerageermogelijkheden op te vangen. Aangezien gebrek aan geschikt foerageergebied een knelpunt is voor de soort, kan niet worden uitgesloten dat een verlies van foerageermogelijkheid ter plaatse van de toekomstige woonwijk Zuiderhage (fase 1) leidt tot negatieve effecten voor de blauwe kiekendief en daarmee tot significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen. Voor het verlies of aantasting van geschikt blauwe kiekendief foerageergebied is mitigatie noodzakelijk. Hier wordt verder op ingegaan in hoofdstuk 6.

22 | 42

Witteveen+Bos | 149565/26-002.663 | Definitief

De locatie van de toekomstige woonwijk bevindt zich aan de rand van het foerageergebied van de blauwe kiekendief, tegen het zuiden van de stad Lelystad aan (afbeelding 5.3). Het overgebleven foerageergebied na realisatie van de woonwijk blijft met elkaar verbonden en deze locaties blijven bereikbaar voor de blauwe kiekendief. De woonwijk zorgt hierbij niet voor een extra barrière dat verhindert dat de soort bij het foerageergebied kan komen, aangezien het niet op een vliegroute ligt (afbeelding 5.3). Daarnaast zal de woonwijk er niet voor zorgen dat de soort zich niet langer binnen het foerageergebied kan verplaatsen. Wellicht dat de soort om of over de woonwijk heen zal vliegen, maar het overgebleven foerageergebied is vanaf de huidige vliegroute te bereiken. Daarom leidt versnippering op foerageergebied in de aanlegfase en gebruiksfase niet tot significante gevolgen voor de blauwe kiekendief.

Afbeelding 5.3

Vliegroute blauwe kiekendief tussen Oostvaardersplassen en foerageergebied (bron: Altenburg & Wymenga Ecologisch onderzoek 2010)

5.3.2

Verstoring door geluid, licht, trilling, mechanische werking en optische verstoring

Effectbepaling Aanlegfase Tijdens de aanlegfase van het project veroorzaken de geplande werkzaamheden verstoring door geluid, licht, trilling en optische verstoring dat uitstraalt naar de omgeving van het projectgebied. Activiteiten zoals het af- en aanrijden van vrachtverkeer, graafwerkzaamheden, heiwerkzaamheden, overige bouwwerkzaamheden, gebruik van (groot) materieel en aanwezigheid van mensen leiden tot deze verstoringen. Werkzaamheden in de aanlegfase van het project vinden het gehele jaar door plaats. De dagelijkse werkzaamheden vinden plaats tijdens reguliere werktijden tussen 07.00-19.00 uur en, afhankelijk van het seizoen, vinden deze plaats in de schemer of in het donker. Voor werkzaamheden in het donker wordt gebruik gemaakt van bouwlampen en koplampen van machines en autoverkeer die mogelijk licht uitstralen naar de omgeving van het projectgebied.

23 | 42

Witteveen+Bos | 149565/26-002.663 | Definitief

Voor verstoring door geluid en trillingen in de aanlegfase zorgen heiwerkzaamheden voor de grootste effectcontouren. Voor het plaatsen van de funderingen vinden naar verwachting heiwerkzaamheden plaats in het projectgebied. Trilling van hei-activiteiten reikt uit tot circa 50 m vanaf de bron, waarna trillingen vergelijkbaar zijn aan de natuurlijke achtergrondtrilling (Bronkhorst e.a. 2016). Voor het effectbereik van verstoring door geluid is uitgegaan van een conservatieve ondergrens van 50 dB(A). Dit is gebaseerd op onderzoek waarin 50 dB(A) de laagste waarde was waarbij door niet broedende vogels alert gedrag werd vertoond (Sierdsema, Foppen en Van kleunen 2014; Heinis et al. 2007). Het effectbereik van verstoring door geluid tot 50dB(A) bij heiwerkzaamheden reikt gemiddeld tot circa 1.000 m (Commissie voor de milieueffectrapportage 2011). Verstoring door licht ontstaat in de aanlegfase door werkzaamheden die plaatsvinden in de schemer of het donker. Hiervoor worden machines en bouwlampen gebruikt. De blauwe kiekendief is een soort die jaagt tijdens daglicht uren waar deze vertrouwt op zicht om zijn prooi te vinden, en jaagt daarom niet tijdens de schemer of in het donker. Het is wel mogelijk dat de soort, afhankelijk van het seizoen, in de schemer of in het donker naar foerageergebied trekt.

Gezien verstoring door licht alleen plaatsvindt in de schemer en in het donker, heeft dit geen invloed op foerageergedrag van de blauwe kiekendief maar zorgt dit mogelijk wel voor verstoring tijdens het vliegen naar foerageergebied. Daarom is verstoring door licht relevant voor verdere beoordeling. Met betrekking tot optische verstoring vertoont de blauwe kiekendief een gemiddelde gevoeligheid voor verstoring (verstoring bij 100 - 300 m afstand) (Ministerie van LNV, 2008). In voorgaand onderzoek door Natuur Gradiënt is, gebaseerd op eerder onderzoek en in overleg met de provincie Flevoland, uitgegaan van een verstoringsafstand van 100 m voor de blauwe kiekendief. Gezien dit onderzoek vergelijkbare werkzaamheden (ontwikkeling van woonwijk Warande) in hetzelfde gebied betreft, is een verstoringsafstand van 100 m bij optische verstoring ook een geschikte maatstaaf voor de aanleg van woonwijk Zuiderhage. Omdat de effecttypen tijdens de aanlegfase gelijktijdig optreden en de verstoring door geluid bij heiwerkzaamheden verder reikt dan andere verstoringsbronnen, is de beoordeling ten aanzien van geluidsverstoring meer omvattend dan andere effecttypen. Om deze reden wordt verstoring door geluid bij heiwerkzaamheden aangehouden voor de beoordeling van tijdelijke verstoringseffecten van de geplande werkzaamheden.

Gebruiksfase De ingebruikname van woonwijk Zuiderhage zorgt voor verstoring door geluid, licht en optische verstoring door toename van verkeer, gebruik van straatverlichting en recreatie ter plaatse van het projectgebied. Hierdoor is sprake van een permanente verstoring door geluid, licht en optische verstoring door het gebruik van de woonwijk dat uitstraalt naar blauwe kiekendief foerageergebied. Verstoring door geluid ontstaat in de gebruiksfase door verkeer dat zich van en naar de woonwijk verplaatst en recreatie ter plaatse van het projectgebied. Zoals eerder beschreven is voor het effectbereik van verstoring door geluid op de blauwe kiekendief uitgegaan van een conservatieve ondergrens van 50 dB(A). Een rustige woonwijk wordt in het algemeen geassocieerd met een geluidsoverlast van 50 dB(A) (Atlas Leefomgeving 2026). Een ander rapport noemt een verstoringsafstand van 87 m voor een gebouw/kantoor voor 42 dB(A) (Arcadis 2011). Aangezien we hier uitgaan van een conservatieve ondergrens van 50 dB(A), zal de verstoringscontour dus vermoedelijk kleiner zijn dan dat. Om de verstoringsafstand voor geluid in de gebruiksfase te bepalen, is gebruik gemaakt van informatie van de Atlas Leefomgeving (RIVM 2022). Hiervoor zijn nabijgelegen woonwijken in Lelystad Zuid die vergelijkbaar zijn met woonwijk Zuiderhage beschouwd.

Binnen deze woonwijken wordt de grootste mate van verstoring door geluid veroorzaakt door persoons- en vrachtverkeersbewegingen. Voor het bepalen van een verstoringscontour van een gemiddelde woonwijk is daarom gebruik gemaakt van de meest geluidsverstorende wegen hierbinnen. Van deze wegen zijn de afstanden gemeten van het midden van de weg tot de 50 dB(A) grens zoals aangegeven op de kaart in Atlas Leefomgeving. Er zijn in totaal zes metingen gedaan in verschillende nabijgelegen woonwijken in Lelystad Zuid die vergelijkbaar zijn met toekomstige woonwijk Zuiderhage. Tabel 5.1 laat de resultaten van deze metingen van de verschillende woonwijk zien.

24 | 42

Witteveen+Bos | 149565/26-002.663 | Definitief

Tabel 5.1 Verstoringsafstand (50 dB(A)) grootste wegen in woonwijken Lelystad Zuid Meetpunt

Locatie

Afstand (m)

1

Warande (meting 1)

48,4

2

Warande (meting 2)

46,5

3

Landstrekenwijk

40,4

4

Schoener

23,1

5

Botter

33,4

6

Tjalk

35,3

Gemiddeld

37,9

Op basis van de resultaten van de metingen wordt verwacht dat de verstoringsafstand door geluid in de gebruiksfase van woonwijk Zuiderhage maximaal circa 50 m reikt. Zekerheidshalve wordt voor dit rapport voor geluid in de gebruiksfase een verstoringsafstand aangehouden van 100 m. Op deze manier wordt de zekerheid verkregen dat de gebruikte methode geen onderschatting weergeeft en wordt er rekening gehouden met alle mogelijke geluidsverstoring, bijvoorbeeld ook wanneer er net buiten de woonwijk gerecreëerd wordt. Verstoring door licht ontstaat in de gebruiksfase door verlichting van woningen, straatverlichting en verkeer dat zich van en naar de woonwijk verplaatst. Gezien de blauwe kiekendief foerageert tijdens daglichturen en verstoring door licht alleen plaatsvindt in de schemer en in het donker, heeft dit geen invloed op foerageergedrag van de blauwe kiekendief. Mogelijk zorgt licht wel voor verstoring als de blauwe kiekendief tijdens de schemer of in het donker trekt naar foerageergebieden. Deze verstoring heeft dan mogelijk negatieve effecten op foerageergedrag tijdens het broedseizoen, wanneer de soort afhankelijk is van de beschikbaarheid en bereikbaarheid van foerageergebieden. Hierdoor kan verstoring door licht in de gebruiksfase leiden tot significante gevolgen voor blauwe kiekendieven in Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen. In een eerder onderzoek (J.J.

Kerpels MSc, 2023) is berekend hoe ver licht (op basis van het gebruik van bouwlampen) reikt tot een intensiteit van 0,1 lux (de algemeen geaccepteerde waarde waar beneden geen significante gevolgen optreden op planten- of diersoorten) (R. Meijer 2013). Uit het onderzoek blijkt dat deze verlichting kan uitstralen tot circa 80 m van de bron. Bouwlampen hebben een hogere lichtintensiteit dan licht van verkeer, woningen en straatverlichting, waardoor dit als worstcasescenario kan dienen voor het beoordelen van verstoring door licht van de woonwijk. Optische verstoring ontstaat in de gebruiksfase door verkeer dat zich van en naar de woonwijk verplaatst en recreatie ter plaatse van het projectgebied. Met betrekking tot optische verstoring is in voorgaand onderzoek voor de ontwikkeling van woonwijk Warande (Gradiënt Natuurontwikkeling 2018), in overleg met de provincie Flevoland, uitgegaan van een verstoringsafstand van 100 m voor de blauwe kiekendief. Gezien dit onderzoek vergelijkbare activiteiten in hetzelfde gebied betreft, is een verstoringsafstand van 100 m bij optische verstoring ook een geschikte maatstaaf voor het huidige project. De effecttypen tijdens de gebruiksfase treden gelijktijdig op. Hierbij reikt verstoring door geluid en optische verstoring verder (100 m) dan verstoring door licht (80 m).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lelystad&id=bcd74c66-5702-4a4c-8b7a-0cf6debefbd3