Bijlage 15 Quickscan Natuur ZuiderC - Fase 2 te Lelystad
Tekst van het document
Derhalve dient met aanvullend onderzoek inzichtelijk gemaakt te worden welke functie de akkers op de planlocatie vervullen voor de bontbekplevier, de kievit en de veldleeuwerik (H4.3). De blauwborst, fuut, grote zilverreiger, meerkoet, oeverloper, rietzanger, slobeend, smient, visdief, watersnip en wintertaling zijn allen soorten welke voorkomen in of rondom het water (Vogelbescherming, 2024). De meeste van bovengenoemde soorten broeden voornamelijk in de Oostvaardersplassen, ten zuiden van de planlocatie.
23
Gezien er weinig tot geen oppervlaktewater wordt aangetast in de beoogde ruimtelijke ingreep en er juist meer groenblauwe structuren gerealiseerd zullen worden, resulteert de beoogde ruimtelijke ingreep niet in negatieve effecten ten opzichte van de huidige staat van instandhouding van deze soorten, mits er buiten het broedseizoen wordt gewerkt. Als er in het broedseizoen wordt gewerkt dient voor aanvang van de werkzaamheden dient het deelgebied te worden vrijgegeven door een deskundig ecoloog. Indien er broedgevallen aanwezig zijn worden werkzaamheden uitgesteld tot de jongen het nest hebben verlaten. De grote lijster, koekoek, nachtegaal, spotvogel en wielewaal zijn soorten die voornamelijk voorkomen bij struwelen en bosrijke gebieden (Vogelbescherming, 2024). Dit zijn tevens soorten die grotendeels broeden in de Oostvaardersplassen. Mogelijk broeden enkele van deze soorten ook op de planlocatie, echter zal dit verwaarloosbaar zijn vergeleken met de broedpopulaties in de Oostvaardersplassen. Derhalve is het uitgesloten dat de beoogde ruimtelijke ingreep resulteert in negatieve effecten ten opzichte van de huidige staat van instandhouding van deze soorten, mits er buiten het broedseizoen wordt gewerkt. Als er in het broedseizoen wordt gewerkt dient voor aanvang van de werkzaamheden dient het deelgebied te worden vrijgegeven door een deskundig ecoloog.
Indien er broedgevallen aanwezig zijn worden werkzaamheden uitgesteld tot de jongen het nest hebben verlaten. De blauwe kiekendief wordt behandeld in H3.3. Het bruin blauwtje komt voornamelijk voor in droge, zandige, open, kruidenrijke en schrale (kalk)graslanden, zoals in duinen, op duiken en in wegbermen. Waardplanten van de soort zijn diverse soorten ooievaarsbek, (gewone) reigersbek en verschillende soorten zonneroosje (Vlinderstichting bruin blauwtje, 2024). De planlocatie bestaat voornamelijk uit intensief bewerkte akkerlanden met aan de randen bosschages, wat niet overeen komt met het voorkeurshabitat van het bruin blauwtje. Tevens zijn er tijdens het veldbezoek op en rondom de planlocatie geen waardplanten van de soort aangetroffen. Wegens het ontbreken van voorkeurshabitat en waardplanten op de planlocatie, kunnen negatieve effecten ten opzichte van de staat van instandhouding van het bruin blauwtje uitgesloten worden. Beemdkroon groeit voornamelijk op zonnige en grazige plaatsen met kalkrijke bodems, zoals op dijken en in bermen (Flora van Nederland beemdkroon, 2024). De planlocatie bestaat voornamelijk uit akkerland met bosschages, waarbij kalkrijke dijken en bermen ontbreken. Er zijn enkele waarnemingen gedaan van beemdkroon langs wegen rondom de planlocatie (NDFF 2019-2024). Echter worden deze bermen niet aangetast in de beoogde ruimtelijke ingreep.
Derhalve resulteert de ontwikkeling niet in negatieve effecten ten opzichte van de staat van instandhouding van deze soort. Bij het realiseren van ZuiderC is in het voorlopige ontwerp veel rekening gehouden met groenblauwe structuren. Gezien het ontwerp nog niet vast staat kan er wat betreft de groene inrichting van het gebied nog veel behaald worden. De beoogde ingreep en het voorlopige ontwerp wijzen erop dat er meer natuurlijk water en meer groen wordt gerealiseerd. Op dit moment bestaat de planlocatie voornamelijk uit agrarische percelen met rechte sloten. Door in het uiteindelijke ontwerp rekening te houden met de aanwezigheid van rode lijst soorten en hier het ontwerp/inrichtingsplan op aan te passen kan de ecologische waarde van de omgeving worden bevorderd ten opzichte van de huidige situatie.
24
3.3 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van respectievelijk circa 1,8 km en 2,1 km liggen de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ‘Markermeer & IJmeer’ en ‘Oostvaardersplassen’ (figuur 3.4).
Figuur 3.4 De planlocatie ligt op een afstand van respectievelijk circa 1,8 km en 2,1 km tot de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ‘Markermeer & IJmeer’ en ‘Oostvaardersplassen’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van nieuwbouwwoningen. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de aanlegfase kan er een tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. Per 2 november 2022 geldt dat de algemene bouwvrijstelling onbruikbaar is en dat activiteiten van de bouwsector onderdeel moeten zijn van de beoordeling.
Gezien de geringe afstand (1,8 km en 2,1 km) tussen het plangebied en de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ‘Markermeer & IJmeer’ en ‘Oostvaardersplassen’ en de omvang van de beoogde ruimtelijke ingreep, wordt geadviseerd om een stikstofonderzoek met de AERIUS Calculator uit te voeren. De bruine en blauwe kiekendief zijn aangewezen als doelsoorten van het Natura 2000-gebied ‘Oostvaardersplassen’. De instandhoudingsdoelstellingen voor de bruine kiekendief is vastgesteld op 40 broedparen en wordt momenteel ruim gehaald. Tijdens de meest recente Sovon telling in 2023 zijn er 49 broedparen van de bruine kiekendief vastgesteld (Sovon bruine kiekendief, 2024). Momenteel zijn er geen broedparen van de blauwe kiekendief bekend, terwijl de instandhoudingsdoelstelling voor dit Natura 2000-gebied op 4 broedparen is vastgesteld.
25
Aangezien de provincie Flevoland aan de lat staat om de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied te behalen, mogen er geen plannen of projecten worden goedgekeurd die het behalen van deze doelstellingen (verder) in gevaar brengen. Hierdoor mag er geen leef- en/of foerageergebied van blauwe kiekendief aangetast worden. Daarnaast is de blauwe kiekendief in het verleden meermaals onder het vergrootglas gehouden door natuurorganisaties, de Raad van State en media. In eerste instantie bleek er onterecht een vergunning te zijn verleend voor de ontwikkeling van bestemmingsplan Warande, 1e deelgebied fase 1, gezien deze ontwikkeling resulteerde in negatieve effecten ten opzichte van de instandhoudingsdoelstellingen voor de blauwe kiekendief in het Natura 2000-gebied ‘Oostvaardersplassen’ (Vogelbescherming, 2019). Uiteindelijk is er door de Raad van State besloten dat er vanaf 2020 12,93 ha ingericht moest worden als optimaal kiekendievenfoerageergebied, zodat de ontwikkeling niet zou resulteren in negatieve effecten ten opzichte van de instandhoudingsdoelstellingen (Provincie Flevoland vergunning kenmerk ‘2297845’, 4 december 2019). De agrarische percelen op de planlocatie kunnen als essentieel foerageergebied dienen.
Derhalve moet als eerste stap een ecologische voortoets worden uitgevoerd om de effecten van de beoogde ruimtelijke ingreep op de instandhoudingsdoelstellingen van de blauwe kiekendief in de Oostvaardersplassen aan te tonen (zie H4.3). Naast de blauwe en bruine kiekendief zijn er nog meer doelsoorten aangewezen van het Natura 2000gebied ‘Oostvaardersplassen’. Echter geldt dat het leefgebied van deze soorten bijna volledig binnen het Natura 2000-gebied aanwezig is en er op de planlocatie, buiten het Natura 2000-gebied, geen essentiële onderdelen van de leefomgeving aanwezig zijn. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt deel uit van een beschermd gebied betreffende het Natuurnetwerk Nederland (deelgebied 1). Aangezien de bosschage hier mogelijk (deels) gekapt wordt ten behoeve van de realisatie van nieuwbouwwoningen, is er sprake van een bestemmingsplanwijziging waarbij de activiteiten niet volledig passen binnen de geldende bestemming. Derhalve is toetsing aan het provinciaal beleid benodigd (H4.3).
Figuur 3.5 Deelgebied 1 van de planlocatie ligt in het Natuurnetwerk Nederland (bron: kaartportaalflevoland.hub.arcgis.com).
26
3.4 Houtopstanden Houtopstanden In de beoogde ingreep zijn kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Hierbij gaat het om de bosschage in deelgebied 1, 4 en 5. De bosschages in deelgebied 4 en 5 zijn gelegen binnen de bebouwde kom en vallen derhalve onder één van de uitzonderen (Bal art. 11.111 lid 2), waardoor een meld- en herplantplicht op dezelfde grond bij bevoegd gezag of verplichting om nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken niet noodzakelijk is. De kapwerkzaamheden in deelgebied 1 vallen echter niet onder één van de uitzonderingen. Derhalve hebben de kapwerkzaamheden hier nadelige gevolgen voor de oogmerken voor regels voor deze activiteit en is een meld- en herplantplicht op dezelfde grond bij bevoegd gezag of verplichting om nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken noodzakelijk. Algemene Plaatselijke Verordening Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid.
Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
27
4 Conclusie en vervolg 4.1
Conclusie De uit te voeren vervolgstappen omtrent gebiedsbescherming (ecologische voortoets t.a.v. de blauwe kiekendief) en soortbescherming (aanvullende soortonderzoeken) zullen bepalen of er bij de realisatie van nieuwbouwwoningen aan de Larserdreef e.o. te Lelystad wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het kader van de Omgevingswet onderdeel natuur.
4.2 Effecten De beoogde ruimtelijke ingreep leidt tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te kappen bomen en/of de percelen op de planlocatie relevante functies hebben voor bever, boommarter, otter, vleermuizen, rugstreeppad, torenvalk, roofvogels en uilen. Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen kan bevoegd gezag onder voorwaarden een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Gezien er voor vele soorten en/of soortgroepen aanvullend onderzoek moet plaatsvinden, en de complexiteit van eventuele compenserende maatregelen kan niet op voorhand aangenomen worden dat een eventueel benodigde omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen kan worden.
Pas na de (aanvullende) onderzoeken kan uitspraak gedaan worden of er wel of niet voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een stikstofonderzoek door middel van de AERIUS Calculator uitgevoerd te worden. Ook dient er een ecologische voortoets te worden uitgevoerd ten aanzien van Natura 2000-gebied de Oostvaardersplassen. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Ten aanzien van deelgebied 2 en het werken in het Natuurnetwerk Nederland dient vooraf een ‘Nee, tenzij-‘ toets te worden uitgevoerd. Ook is er sprake van een bestemmingsplanwijziging.
28
4.3
Vervolgstappen en maatregelen Vervolgstappen Bomenkap of aantasting van bosschages in deelgebieden 1, 4, 5 en 9: • Wanneer er bomenkap plaatsvindt in deelgebieden 1, 4, 5 en/of 9, dient er op voorhand een bomeninspectie plaats te vinden in de winterperiode, wanneer er geen blad aan de bomen aanwezig is. Hierbij dienen grote nesten c.q. horsten in kaart gebracht te worden en moet vast gesteld worden of en waar boomholtes of andere potentiële (vleermuis)verblijfplaatsen aanwezig zijn. Na het in kaart brengen van nesten, horsten en boomholtes dient op basis van de resultaten aanvullend onderzoek plaats te vinden naar de desbetreffende potentieel aanwezige nest-, rustof verblijfplaatsen. • Wanneer bomenkap plaatsvindt in deelgebieden 1, 4 en 5 en/of de Torenvalktocht (deels) gedempt wordt, dienen de bosschages onderzocht te worden op burchten van de bever en vaste rust- en verblijfplaatsen van de otter. Tevens dient onderzocht te worden of de Torenvalktocht als essentiële migratieroute functioneert. • Wanneer de bosschages in deelgebieden 1, 4 of 5 worden aangetast dient aanvullend onderzoek plaats te vinden naar vaste rust- en verblijfplaatsen en/of essentieel leefgebied van de boommarter. Het onderzoek dient gedurende 8 weken plaats te vinden in de (actieve) periode van marterachtigen, namelijk van juni t/m half november.
• Wanneer de lijnvormige bosschages in deelgebieden 4 en 5 gekapt worden en/of de Torenvalktocht (deels) gedempt wordt, dient aanvullend onderzoek naar mogelijke vliegroutes van vleermuizen uitgevoerd te worden om vast te stellen of het kappen van de bosschages en/of het deels dempen van de Torenvalktocht resulteert in het wegnemen van essentiële vliegroutes. Dit kan worden uitgevoerd door middel van twee veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september. • Wanneer bomenkap plaatsvindt in deelgebied 1 is toetsing aan het provinciaal beleid benodigd en is meld- en herplantplicht bij bevoegd gezag of verplichting om nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken noodzakelijk. Deze bosschage maakt deel uit van het Natuurnetwerk Nederland en is een beschermde houtopstand. Aantasting van (agrarische) percelen in deelgebieden 2, 3, 4, 5, 6, 8 en 9: • Wanneer deelgebieden 2, 3, 4, 5, 6, 8 en/of 9 aangetast worden, dient aanvullend onderzoek naar rugstreeppad plaats te vinden. Dit kan worden gedaan middels een veldonderzoek van meerdere veldbezoeken in de actieve periode (15 april t/m 1 augustus), conform soorteninventarisatieprotocol (NGB 2023). Voorafgaand aan het aanvullend onderzoek dient opnieuw een potentie inschatting gemaakt te worden op basis van op dat moment beschikbare geschikte voortplantingsplaatsen.
• Wanneer deelgebied 1 en/of 9, of de oevers, bosschages en andere beschuttingselementen in deelgebieden 2 t/m 5 aangetast worden, dient aanvullend onderzoek naar de ringslang uitgevoerd te worden. Dit kan middels meerdere veldbezoeken in zowel de zomer- als winterperiode, conform het soorteninventarisatieprotocol (NGB 2023). • Wanneer deelgebieden 2, 3, 4, 5, 6, 8 en/of 9 aangetast worden, dient aanvullend onderzoek naar essentieel leef- en foerageergebied van uilen en roofvogelsoorten uitgevoerd te worden. Hierbij wordt ook ooievaar, bontbekplevier, kievit, veldleeuwerik en haas meegenomen. Dit kan middels minimaal vier veldbezoeken verspreid over de periode maart-(half) augustus. Omdat het gebruik per jaargetijde kan verschillen verdient het echter de aanbeveling om jaarrond meerdere veldbezoeken uit te voeren. Voor uilen en haas dient het onderzoek ’s nachts uitgevoerd te worden m.b.v. een warmtebeeldcamera. • Natura 2000-gebied de Oostvaardersplassen heeft de blauwe kiekendief als een van de doelsoort. De doelstelling van 4 broedparen wordt momenteel niet behaald. Door de beoogde ingreep gaat er mogelijk essentieel foerageergebied verloren voor de blauwe kiekendief.
29
Er dient een ecologische voortoets te worden uitgevoerd om de effecten van de beoogde ruimtelijke ingreep op instandhoudingsdoelstellingen van de blauwe kiekendief in de Oostvaardersplassen aan te tonen. Overige vervolgstappen: • Wanneer structuurrijke onderdelen in deelgebieden 1, 2, 3, 4, 5, 6 en/of 9 worden aangetast dient aanvullend onderzoek naar (kleine) marterachtigen uitgevoerd te worden (bunzing, hermelijn, wezel en steenmarter). Ook kan er op voorhand een ontheffing aangevraagd worden, onder andere op basis van het oppervlakte aan leefgebied wat verloren gaat (Flevoland, 2024). • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Dit kan door een stikstofonderzoek uit te voeren middels de AERIUS Calculator. Algemene zorgplicht • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen.
Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Mogelijke overwinteringslocaties van algemene amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april. • De beoogde dempwerkzaamheden leiden niet tot aantasting van functioneel leefgebied van beschermde vissoorten. Tijdens de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de Algemene zorgplicht. De dempwerkzaamheden dienen in één werkrichting worden uitgevoerd om aanwezige vissen voldoende uitwijkmogelijkheden te bieden. • De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli).
Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. Als deze afwezig zijn wordt de locatie vrijgegeven en kunnen de werkzaamheden opgestart worden. Specifieke zorgplicht • Wanneer de aanwezigheid van rugstreeppad met aanvullend onderzoek niet wordt aangetoond, dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Het ontoegankelijk maken dient bij voorkeur voor de migratie- en voortplantingsperiode plaats te vinden.
30
Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. Wanneer de aanwezigheid van rugstreeppadden niet wordt aangetoond met aanvullend onderzoek, dient het terrein voorafgaand en tijdens de bouwwerkzaamheden ongeschikt gemaakt te worden om zo spontane kolonisatie van de soort te voorkomen. Dit aangezien er bij voorbelasting van het terrein aannemelijk vergraafbaar zand zal worden gebruikt waarbij de kans op spontane kolonisatie zeer groot is omdat de aanwezigheid reeds bekend is in de directe omgeving. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. Zie voor meer instructies bijlage 4. • In de ontwerpfase wordt rekening gehouden met de resultaten van het voorliggende rapport. Gezien er momenteel enkel een mastervisie is wordt geadviseerd een inrichtings- en ontwerpplan op te stellen in samenwerking met een deskundig ecoloog, waarbij rekening wordt gehouden met (beschermde) in het wild levende planten en dieren. In de voorlopige ontwerpfase is al veel rekening gehouden met water en groen. Het oppervlakte aan water en groen wordt in de nieuwe situatie groter.
Door een goed doordacht beplantingsplan kan de biodiversiteit op de planlocatie en in de directe omgeving worden bevorderd. Hiermee kan mogelijk ook het uit te voeren aanvullende onderzoek worden beperkt wanneer bepaalde werkzaamheden niet, op een andere wijze, of locatie worden uitgevoerd.
31
Bronvermelding Honingh, E., 2023. Quickscan Wet natuurbescherming ZuiderC deelgebieden 1-4. Provincie Flevoland, 2019. Wet natuurbescherming: vergunning voor de ontwikkeling van bestemmingsplan Warande, 1e deelgebied fase 1 in Lelystad. Opgehaald van flevoland.nl. Provincie Flevoland, 2021. Toelichting beleid kleine marterachtigen. Opgehaald van flevoland.nl Reinhold J. & Borsch P., 2022, De bever, water- en meervleermuis nabij de nieuwe wijk De Nooten Lelystad, Landschapsbeheer Flevoland, Lelystad. Vogelbescherming, 2019. Bouw woonwijk bij Lelystad illegaal. Opgehaald van Vogelbescherming.nl.
Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017-2024) Kennisdocument Bever (Castor fiber) (2017) Kennisdocument Buizerd (Buteo buteo) (2017) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) (2024) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) (2023) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) (2023) Kennisdocument Kamsalamander (Triturus cristatus) (2017) Kennisdocument Kleine marterachtigen (Bunzing – Hermelijn - Wezel) (2024) Kennisdocument Rugstreeppad (Epidalea calamita) (2017) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) (2017) Geraadpleegde websites atlas.bij12.nl bij12.nl kaartportaal-flevoland.hub.arcgis.com nationaalgeoregister.nl ndff.nl ravon.nl sovon.nl verspreidingsatlas.nl vleermuisprotocol.nl vlinderstichting.nl Vogelbescherming.nl wilde-planten.nl Zoogdiervereniging.nl Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5
Fotografische impressie Potentiekaarten Juridisch kader Vervolgstappen soortenbescherming Ecologie rugstreeppad
32
Bijlage 1
Fotografische impressie
Figuur 1
Deelgebied 2, gezien vanaf de zuidoost hoek van het deelgebied.
Figuur 2
Eén van de takkenhopen in deelgebied 1, welke gebruikt kunnen worden als verblijfplaats door verschillende soortgroepen.
33
Figuur 3
De bosschage in deelgebied 5, welke mogelijk gekapt wordt in de beoogde ruimtelijke ingreep.
Figuur 4
Eén van de kleine afwateringssloten in deelgebied 5, welke mogelijk gedempt wordt in de beoogde ruimtelijke ingreep.
34
Bijlage 2 Potentiekaarten In deze bijlage worden van de planlocatie de potentieel essentiële onderdelen per soort of soortgroep weergegeven in overzichtskaarten. Wanneer meer detail benodigd is om de potentieel essentiële onderdelen duidelijk weer te geven zijn er tevens detailkaarten toegevoegd. Kleine marterachtigen
Figuur 1
Overzichtskaart van potentieel essentiële onderdelen van het leefgebied van kleine marterachtigen (steenmarter, wezel, hermelijn en bunzing).
35
Figuur 2
Detailkaart van potentiële onderdelen van het leefgebied van kleine marterachtigen, voor deelgebied 1 t/m 3.
Figuur 3
Detailkaart van potentiële onderdelen van het leefgebied van kleine marterachtigen, voor deelgebied 4 t/m 6. 36
Bever en otter
Figuur 4
Overzichtskaart van potentieel essentiële onderdelen van het leefgebied van bever en otter.
Figuur 5
Detailkaart van potentieel essentiële onderdelen van het leefgebied van bever en otter.
37
Boommarter
Figuur 6
Overzichtskaart van potentieel essentiële onderdelen van de boommarter.
Vleermuizen
Figuur 7
Overzichtskaart van potentieel verblijfplaatsen van vleermuizen.
essentiële
vliegroutes,
foerageergebieden
en/of
38
Rugstreeppad
Figuur 8
Overzichtskaart van potentieel essentiële onderdelen voor rugstreeppad.
Ringslang
Figuur 9
Overzichtskaart van potentieel essentiële onderdelen voor ringslang.
39
Figuur 10
Detailkaart van potentieel essentiële onderdelen voor ringslang.
Uilen, roofvogels, akkervogels en haas
Figuur 11
Overzichtskaart van potentieel essentiële onderdelen voor uilen, roofvogels, akkervogels (ooievaar, bontbekplevier, kievit, veldleeuwerik) en haas. 40
Bijlage 3 Juridische kaders Zorgplicht De zorgplicht is in de omgevingswet opgedeeld in de algemene zorgplicht (afd. 1.3 Ow) en de specifieke zorgplicht waarbij de specifieke zorgplicht verder opgedeeld kan worden in de Specifieke zorgplicht Natura 2000 (art. 11.6 Bal), Specifieke zorgplicht houtopstanden (art. 11.116 Bal) en Specifieke zorgplicht soorten (art 11.27 Bal). De Specifieke zorgplicht Natura 2000 en Specifieke zorgplicht houtopstanden worden bij de betreffende hoofdstukken beschreven. Algemene zorgplicht Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Ow afdeling 1.3). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. Specifieke zorgplicht soorten De Specifieke zorgplicht soorten heeft betrekking op het beschermen van specifieke planten- en diersoorten en is gericht op het behoud van biodiversiteit. Degene die een activiteit verricht is verplicht: 1. Alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen. 2. Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. 3.
Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Hiervoor moet er voorafgaand aan de te verrichten activiteit, worden nagegaan of er op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van de locatie aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van: -
-
“van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in de bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4 tweede lid van die richtlijn. van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlage II, IV en V bij de habitatrichtlijn; dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vierde lid, onder a, onder 4°, van de wet; en voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats;”
De aanwezigheid van de bovenstaande soorten wordt met behulp rapporten, naslagwerken en de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) bepaald. In de NDFF wordt een zoekgebied met straal van circa 100 m aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Bij de aanwezigheid van een of meerdere soorten worden de mogelijk negatieve gevolgen van de beoogde realisatie beoordeeld. Hierbij wordt beoordeeld op de soorten en hun nest, voortplantingsplaats, rustplaats, eieren en standplaats. Mocht er aanwijzing zijn op nadelige gevolgen voor de soorten dan zijn er passende preventieve maatregelen benodigd om de nadelige gevolgen te voorkomen en dienen deze gemonitord te worden. Mochten er toch nadelige gevolgen optreden, dient de activiteit gestaakt te worden of passende herstelmaatregelen getroffen worden als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is.
41
Flora- en fauna activiteit De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Bal art. 11.37), Habitatrichtlijnsoorten (Bal art. 11.46) en Andere soorten (Bal art. 11.54). Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna activiteit te verrichten (Ow art. 5.1 lid 2). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Opzettelijk verstoren als bedoeld onder de Habitatrichtlijn wordt gedefinieerd als: “elke opzettelijke verstoring die van invloed kan zijn op de overlevingskansen, het voortplantingssucces of het voortplantingsvermogen van een beschermde soort, of die leidt tot een verkleining van het leefgebied of tot verplaatsing of verdringing van de soort”. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt de plicht tot een vergunning flora- en fauna activiteit conform de bepalingen in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (art. 8.74 lid j, lid k en lid l). Vogelrichtlijn (Bal art. 11.37) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder
omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; b. het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c. het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d. het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a. 2. Het verbod geldt niet, als: a. het verrichten van die activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de artikelen 9, eerste en tweede lid, en 13 van de vogelrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1) een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2) een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 3) Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort. Habitatrichtlijn (Bal art. 11.46) 1.
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder
omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en e. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied. 2. Het verbod geldt niet als: a. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan artikel 16, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1) een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 42
2) een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 3) Onder de soorten, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden niet begrepen de soorten,
bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. Andere soorten (Bal art. 11.54) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder
omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a; en c. het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B. 2. Het verbod geldt niet als: a. het gaat om het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis, of om het beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden; b. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of c.
de activiteit deel uitmaakt van: 1) een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2) een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. Gedragscode Verschillende partijen hebben de mogelijkheid om gebruik te maken van een gedragscode. De gedragscode Stadswerk geldt voor soortenbescherming. Deze gedragscode kan ingezet worden voor zowel bestendig beheer & onderhoud als voor ruimtelijke ontwikkelingen. Voor het gebruik van de gedragscode is het noodzakelijk om inzichtelijk te hebben of beschermde soorten aan- of afwezig zijn en wat de gebiedsfuncties van het leefgebied zijn. Indien de beoogde activiteiten en gevolgen voor beschermde soorten binnen de reikwijdte van de gedragscode vallen, kan de gedragscode van toepassing worden verklaard op de activiteit en hoeft voor de activiteit niet een losse omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit te worden verkregen. Natuurlijk verspreidingsgebied Individuen, populaties en groeiplaatsen die zich buiten het natuurlijk verspreidingsgebied bevinden, vallen buiten het beschermingsregime van soortenbescherming.
Het natuurlijk verspreidingsgebied wordt gedefinieerd als het gebied welke een soort op eigen kracht heeft bezet of waarin deze is geherintroduceerd binnen het verspreidingsgebied waar de soort van nature voorkwam. Het beschermingsregime geldt dus niet voor ingezaaide planten of dieren welke zijn losgelaten, ontsnapt of vanuit elders zijn meegelift. Om te bepalen of een plant of dier voorkomt binnen zijn natuurlijke verspreidingsgebied wordt gebruik gemaakt van de Verspreidingsatlas en naslagwerken. Wel geldt onverminderd de Algemene zorgplicht. Vogelrichtlijn – Provincie Flevoland Onder de Vogelrichtlijn zijn alle in gebruik zijnde nesten en broedgevallen van vogels beschermd. Het is verboden om van alle vogelsoorten nesten te beschadigen of te vernielen. Daarnaast gelden onder provinciale aanwijzingen categorieën waarin de nesten en rustplaatsen van specifieke vogelsoorten jaarrond bescherming genieten, dus ook in de periode dat deze niet in gebruik zijn. Rustplaatsen zijn conform de Richtsnoeren van de Europese Commissie gedefinieerd als zijnde essentiële zones voor het bestaan van een dier of groep van dieren wanneer ze niet-actief zijn. In de provincie Flevoland zijn naast nesten van vogels in categorie 1 t/m 4, nesten van soorten binnen categorie 5a in beginsel ook jaarrond beschermd. 43
Indien middels een ecologische beoordeling blijkt dat aantasting niet van invloed is op de lokale Staat van Instandhouding van de soort, bijvoorbeeld omdat er voldoende geschikte uitwijkmogelijkheden zijn. Nesten van vogels in de provincie Flevoland welke vallen binnen categorie 5b zijn in beginsel niet jaarrond beschermd, tenzij door aantasting de lokale staat van instandhouding van de soort in het geding komt, bijvoorbeeld omdat er geen of onvoldoende geschikte uitwijkmogelijkheden zijn.
Tabel 4.1
Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd. Vogelsoorten onder categorie 5a: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd, tenzij aantasting niet van invloed is op staat van instandhouding. Vogelsoorten onder categorie 5b: nesten en rustplaatsen niet jaarrond beschermd, tenzij door aantasting staat van instandhouding in het geding komt.
Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4 Boerenzwaluw Bosuil Gierzwaluw
Grote gele kwikstaart Huismus Kerkuil
Ransuil Roek Slechtvalk
Steenuil Torenvalk
Rode wouw Sperwer Wespendief
Zeearend Zwarte wouw
Kleine bonte specht Middelste bonte specht Oeverzwaluw
Spreeuw Tapuit Zwarte specht
Vogelsoorten onder categorie 5a Boomvalk Buizerd Havik
Oehoe Ooievaar Raaf
Vogelsoorten onder categorie 5b Blauwe reiger Draaihals Groene Specht
Grote bonte specht Huiszwaluw IJsvogel
Provinciale vrijstelling Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Bal art. 11.54 kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten (Bkl 8.74l). Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Ow afdeling 1.3). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van de Provincie Flevoland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.2
Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Flevoland.
Vrijgestelde soorten Aardmuis
Gewone bosspitsmuis
Ondergrondse woelmuis
Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker
Huisspitsmuis
Tweekleurige bosspitsmuis
Dwergmuis
Kleine watersalamander
Veldmuis
Dwergspitsmuis
Konijn
Vos
Egel
Meerkikker
Woelrat
44
Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij alle mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Bij de afwezigheid van significant negatieve effecten maar mogelijke kans op verslechtering moeten voor de Specifieke zorgplicht Natura 2000-gebieden (art. 11.6 Bal) stappen voor de algemene bescherming ondernomen worden. De beoordeling van de Specifieke zorgplicht Natura 2000-gebieden zal derhalve in de voortoets beschreven worden. Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Natuurnetwerk Nederland Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe.
Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de wezenlijke kenmerken en waarden, kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang, situaties waarbij er sprake is van het ontstaan van een meerwaarde en situaties waarbij er sprake is van een beperkte uitbreiding van bestaande ruimtelijke ontwikkelingen. Bij aantasting van het Natuurnetwerk Nederland geldt een compensatieplicht.
Houtopstanden Houtopstanden betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Bij het vellen van houtopstanden en het herbeplanten van grond geld de Specifieke zorgplicht houtopstanden (art. 11.116 Bal) als de activiteit nadelige gevolgen heeft voor de oogmerken voor regels voor deze activiteiten (art. 11.112 Bal). Waarbij de oogmerken doelstellingen zijn voor regels over het vellen en herbeplanten. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Bal art. 11.111 lid 2): a. houtopstanden binnen de in het omgevingsplan aangewezen bebouwingscontour houtkap, bedoeld in artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving; Besluit activiteiten leefomgeving – geconsolideerde Staatsbladversie b. houtopstanden op erven of in tuinen; c. bomen en struiken die specifiek voor het oogsten van fruit, noten of vruchten worden geteeld; d. houtopstanden die windschermen om boomgaarden vormen; e.
naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, als deze niet ouder zijn dan 20 jaar; f. kweekgoed; g. uit populieren of wilgen bestaande: 1) wegbeplantingen; 2) beplantingen langs waterwegen; en 3) eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; h. het dunnen van een houtopstand voor de bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand; i. uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, als zij: 45
1) ten minste eens per 10 jaar worden geoogst; 2) bestaan uit minstens 10.000 stoven per ha per beplantingseenheid, die bestaat uit aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan 2 m; en 3) zijn aangelegd na 1 januari 2013; en j. houtopstanden die een kleinere oppervlakte grond beslaan dan 10 a, of bestaan uit een rijbeplanting die 20 of minder bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen.
46
Bijlage 4 Vervolgstappen soortenbescherming Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek soortenbescherming te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.
47
Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De voorwaarden zijn onderstaand weergeven (conform Bkl art. 8.74j). Een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a) er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b) zij is nodig: 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora of fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 6. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; c) de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een omgevingsvergunning floraen fauna-activiteit kan worden aangevraagd.
De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De voorwaarden zijn onderstaand weergeven (conform Bkl art. 8.74k). Een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a) er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b) zij is nodig: 1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of 5.
om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de omgevingsvergunning vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, respectievelijk een beperkt bij de omgevingsvergunning vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; c) er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
48
Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven en zijn aanvullend op de belangen die voor Habitatrichtlijnsoorten kunnen worden aangevoerd (conform Bkl art. 3.74l). 1. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het
daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; 2. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen,
industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; 3. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; 4. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; 5. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; 6. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; 7. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of 8. in het algemeen belang.
49
Bijlage 5 Rugstreeppad Herkenning De rugstreeppad (Epidalea calamita) is een middelgrote pad met een lengte van circa 4,5 - 7 cm. De pad heeft vrij korte poten en heeft op de rug een karakteristieke lichtgele lengtestreep. Verder is de rug grijsbruin met groenige vlekken en heeft de buik een lichtgrijze kleur met grijszwarte vlekken. De ogen zijn geelgroen en hebben een horizontale pupil. Mannetjes zijn in de paartijd te onderscheiden van vrouwtjes door een paars/blauwe verkleuring van de keel. Gedurende het voortplantingsseizoen is tijdens de kooractiviteiten een typische en harde roep te horen die over een afstand van 1 - 3 km is waar te nemen (Creemers & Van Delft, 2009). De larven van rugstreeppad zijn maximaal 2,5 cm lang en zwart van kleur. Oudere larven hebben een lichte keelvlek en soms een streep over de rug (figuur 1, Diepenbeek & Creemers, 2006).
Figuur 1
Impressies van de verschillende levensstadia van rugstreeppad. Bron: bovenste foto’s RAVON, onderste foto’s: Blom Ecologie.
50
Gedrag De rugstreeppad is een typische pioniersoort die opportunistisch profiteert van tijdelijke gunstige omstandigheden. Veranderingen in weersomstandigheden als vocht en temperatuur vormen in sterke mate een sein voor migratie, voortplanting en dergelijke. Onderstaande periodes zijn dan ook indicatief. Bij het koloniseren van nieuwe gebieden kunnen jonge rugstreeppadden afstanden tot wel 5 km afleggen (BIJ12 Kennisdocument Rugstreeppad, 2017). De overwintering vindt plaats van oktober/november tot en met maart. De eerste dieren kunnen vanaf begin maart de overwinteringslocatie verlaten om vervolgens al dan niet direct door te trekken naar de voortplantingslocaties. De voortplanting vindt plaats in de periode april - september met een hoogtepunt rond half april - mei. Het vaststellen van aan- of afwezigheid van rugstreeppadden kan middels drie gerichte (avond)veldbezoeken in de periode 15 april – juli (BIJ12 Kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Habitat en verblijfplaatsen De geprefereerde habitat van de rugstreeppad bestaat uit een dynamische omgeving met vergraafbaar zand of fijne grond. De verblijfplaatsen van de soort kunnen worden onderverdeeld in voortplantings-, zomer- en overwinteringshabitat. De voortplantingshabitat is aquatisch en na de voortplanting zijn rugstreeppadden hoofdzakelijk op het land te vinden.
Het functionele leefgebied bestaat ook uit het gebied tussen deze habitats (migratieroutes). De eitjes worden afgezet in veelal tijdelijke, ondiepe en wateren zonder vegetatie, waar weinig tot geen sprake is van concurrentie of predatie. Voorbeelden hiervan zijn greppels, rijsporen, regenplassen en geschoonde sloten. De zomer en- en winterlocaties bevinden zich op het land in hoogwatervrije terreinen. Voor de overwintering gebruikt de rugstreeppad bestaande (muizen)holletjes, graaft deze zich in de bodem of kruipt de rugstreeppad onder materialen als: stenen, boomstammen, banden en houtstapels. Voorwaarde voor de winterhabitat is dat deze locatie vorstvrij dient te zijn. Populatieomvang Rugstreeppadden verspreiden zich in diverse richtingen waardoor de minimale populatieomvang en bijbehorend oppervlakte voor de gunstige staat van instandhouding locatiespecifiek is. Als vuistregel wordt gehanteerd dat een gezonde populatie uit minimaal 100 - 200 dieren bestaat en dat deze in verbinding staat met andere populaties (BIJ12 Kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Voorkomen kolonisatie Doordat de rugstreeppad een typische pioniersoort is en een dynamische omgeving met vergraafbare grond prefereert, kan snel spontane kolonisatie van de soort in een braakliggend gebied of bouwterrein ontstaan. Om kolonisatie van rugstreeppad te voorkomen wordt geadviseerd maatregelen te treffen.
Deze maatregelen bestaan uit het ongeschikt dan wel ontoegankelijk houden van het plangebied. Indien er sprake is van het ontstaan van mogelijk geschikt voortplantingswater dient het ontoegankelijk maken van een perceel voor de migratie en voortplantingsperiode (april-september) uitgevoerd worden. Het ongeschikt houden van het plangebied voor rugstreeppadden houdt in dat zo min mogelijk vergraafbaar zand gebruikt of opgeslagen wordt binnen het bouwterrein. Bij het bouwrijp maken van het perceel dient het zand direct geëgaliseerd te worden. De aanleg van een zanddepot moet voorkomen worden. In de voorjaars- en zomerperiode zorgen dat er geen kleine poelen ontstaan waar rugstreeppadden eieren kunnen leggen. Diepe rijsporen van machines kunnen al voldoende diep zijn als voortplantingswater voor rugstreeppadden (figuur 2).
51
Figuur 2
Bij hevige regenval kunnen ondiepe plassen gevuld worden met water. Deze tijdelijke poelen zijn uitermate geschikt voor de rugstreeppad, waarin eisnoeren afgezet kunnen worden. Het ontstaan van deze geulen dient te allen tijde voorkomen te worden (bron: Blom Ecologie).
In de najaar- en winterperiode moet gezorgd worden dat er geen overwintering van rugstreeppadden kan optreden. Voldoende vergraafbaar zand (zanddepot) kan gebruikt worden voor overwintering. Ook stenenstapels, houtstapels of andere vorstvrije structuren (onder een bouwkeet bijvoorbeeld) kunnen gebruikt worden voor overwintering. Dergelijke structuren dienen weggehaald te worden buiten de overwinteringsperiode (september-april) van de soort. Het ontoegankelijk houden van het plangebied voor rugstreeppadden houdt in dat voorzieningen worden geplaatst waardoor rugstreeppadden het plangebied niet kunnen bereiken. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond (figuur 3). De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen.
Figuur 3
Een incorrect geplaatst amfibiescherm (links). Een correct geplaatst amfibiescherm (rechts). Deze dienen minimaal 10 cm ingegraven te zijn (bron foto’s: Blom Ecologie).
52
Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288
blomecologie.nl 53