Bijlage 15 Quickscan Natuur ZuiderC - Fase 2 te Lelystad
Tekst van het document
Quickscan Natuur ZuiderC – Fase 2 te Lelystad Oriënterend onderzoek natuur in het kader van de Omgevingswet
Colofon
Status:
Definitief
Project:
2024-0945
Datum:
18 september 2024
Samensteller:
ing. J. van Hoorn & ing. M. van Rijnen
Collegiale toets:
ing. D.F. Knoops & ir. T.W.D. Schrader
Opdrachtgever:
Gemeente Lelystad
Contactpersoon:
M. Brinkbäumer
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud Samenvatting
4
1 Inleiding
6
1.1
Planlocatie
2 Methode
7
11
2.1
Uitvoering onderzoek
11
2.2
Houdbaarheid en toepassing
11
3 Beoordeling
12
3.1
Soortenbescherming
12
3.2
Specifieke zorgplicht Soorten
23
3.3
Gebiedsbescherming
25
3.4
Houtopstanden
27
4 Conclusie en vervolg
28
4.1
Conclusie
28
4.2
Effecten
28
4.3
Vervolgstappen en maatregelen
29
Samenvatting Aan de Larserdreef e.o. te Lelystad zijn meerdere agrarische percelen met houtwallen en bosschages gesitueerd. Ook is er aan de noordzijde van de planlocatie een campusgebied met verplaatsbare woningen gelegen. De initiatiefnemer is voornemens om nieuwbouwwoningen, watergangen en nieuw groen te realiseren op de bestaande agrarische percelen op de planlocatie, waarbij enkele houtwallen en bosschages gekapt zullen worden. Deze ontwikkeling betreft fase 2 van het project ZuiderC. Echter zijn de exacte uitwerkingen (zoals positionering, oppervlakte etc.) van de bebouwing of groene en blauwe structuren nog niet definitief, óf zullen bepaalde werkzaamheden pas over enkele jaren (of zelfs tientallen jaren) gestart en uitgevoerd worden. Derhalve is er in deze rapportage een beoordeling gemaakt op basis van het ‘worst-case scenario’. Het verdient derhalve de aanbeveling om de uitkomst van deze rapportage mee te nemen in het ontwerpproces voor de definitieve plannen. De beoogde ruimtelijke ingreep is getoetst aan het onderdeel Natuur onder de Omgevingswet. De vervolgonderzoeken zullen uitwijzen of er wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het kader van de Omgevingswet onderdeel natuur. In onderstaande tabellen wordt weergegeven welke functies en effecten zijn beoordeeld, en welke vervolgstappen en maatregelen worden geadviseerd.
In de kolom bescherming wordt weergeven of de soort beschermd is onder de Habitatrichtlijn (HR), Vogelrichtlijn (VR) of andere soorten (AS) (Bijlage 2). Soortgroep
Bescherming
Planten Grondgebonden zoogdieren Bever Boommarter Kleine marterachtigen Otter
Mogelijke functie
Deelgebied
Vervolgstap (H4.3)
Nee Aanvullend onderzoek + Habitat geschiktheidsonderzoek
HR AS AS HR
Verblijfplaats/ essentieel leefgebied
1, 2, 4 en 5 1, 4 en 5 1 t/m 6 en 9 1, 2, 4 en 5
Vleermuizen
HR
Verblijfplaats/ Essentiële vliegroute/essentieel foerageergebied
1, 4, 5 en 9
Amfibieën Rugstreeppad
HR
Voortplantingswater/ leefgebied
2 t/m 6, 8 en 9
Aanvullend onderzoek
Reptielen Ringslang
AS
Leefgebied
1 t/m 5 en 9
Aanvullend onderzoek
Vissen
Nee
Insecten en andere ongewervelden Vogels (cat. 1 t/m 4) Roofvogels en uilen Vogels (Algemeen en cat. 5) Ooievaar
Bomeninspectie + Vleermuisonderzoek
Nee
VR
Nestlocatie/foerageer gebied
2 t/m 6, 8 en 9
Leefgebied
2 t/m 6, 8 en 9
Boominspectie + aanvullend onderzoek Aanvullend onderzoek
4
Vleermuissoort
Zomer
Kraam
Paar
Massawinter
Vliegroute
Foerageergebied
Gewone dwergvleermuis
Ja
Nee
Ja
Nee
Ja
Ja
Ruige dwergvleermuis
Ja
Nee
Ja
Nee
Ja
Ja
Gewone grootoorvleermuis
Ja
Nee
Ja
Nee
Ja
Ja
Watervleermuis
Ja
Ja
Ja
Nee
Ja
Ja
Rosse vleermuis
Ja
Ja
Ja
Nee
Ja
Ja
Meervleermuis
Nee
Nee
Nee
Nee
Ja
Ja
Vleermuizen algemeen
Potentie
Onderbouwing
Massawinter verblijfplaats (gewone dwergvleermuis) Essentiele vliegroute
Nee Ja
Geen hoge bebouwing met donkere wegkruipplekken en bufferend vermogen Aantasting van lijnvormige structuren
Essentieel foerageergebied
Ja
Aantasting van bosschages en begroeiing
Gebiedsbescherming
Afstand
Mogelijke effecten
Vervolgstap (H4.3)
Natura 2000
1,8 km
Stikstof Essentieel foerageergebied blauwe kiekendief
Stikstofonderzoek, Voortoets
Natuurnetwerk Nederland
0m
Ja
Natuurnetwerk Nederland toetsing, Nee- tenzij toets
Houtopstanden
Onderdeel
Uitzondering
Vervolgstap (H4.3)
Aanwezig Aanwezig
n.v.t. n.v.t.
Meld- en herplantplicht Meld- en herplantplicht
Zorgplicht
Effecten
Vervolgstap (H4.4)
Algemene zorgplicht
Ja
Specifieke zorgplicht soorten
Ja
Specifieke zorgplicht Natura 2000-gebieden Specifieke zorgplicht houtopstanden
Ja Ja
Algemene maatregelen Beplantings- en ontwerpplan; haas, bontbekplevier, kievit en veldleeuwerik Voortoets Meld- en herplantplicht
Eenheid van >1000 m Bomenrij van >20 bomen 2
5
1 Inleiding Aan de Larserdreef e.o. te Lelystad zijn meerdere agrarische percelen met houtwallen en bosschages gesitueerd. Ook is er aan de noordzijde van de planlocatie een campusgebied met verplaatsbare woningen gelegen. De initiatiefnemer is voornemens om nieuwbouwwoningen, watergangen en nieuw groen te realiseren op de bestaande agrarische percelen op de planlocatie, waarbij enkele houtwallen en bosschages gekapt zullen worden. Het vigerende plan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd. Deze ontwikkeling betreft fase 2 van het project ZuiderC. Deelgebieden 1-4 (Fase 1) zijn reeds beoordeeld in een separate rapportage (Honingh, 2023). De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Gemeente Lelystad begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden.
Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is in het kader van natuurwetgeving en/of provinciaal beleid. Onderzoeksdoelen • Voldoet de wijziging van het omgevingsplan aan de eis dat voldaan moet worden aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Omgevingswet art. 4.2)? • Welke beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van beschermde houtopstanden? • Dienen er vervolgstappen in het kader van natuurwetgeving en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?
Figuur 1.1
De planlocatie is gelegen aan de Larserdreef e.o. te Lelystad. 6
1.1
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Larserdreef e.o. te Lelystad (figuur 1.2). De planlocatie bestaat uit verschillende agrarische percelen met houtwallen, bosschages en een campusgebied met verplaatsbare woningen. In 2023 is door Blom Ecologie een QuickScan uitgevoerd over de deelgebieden A t/m E (Quickscan Wet natuurbescherming ZuiderC deelgebieden 1-4, Honingh, E., 2023). Derhalve worden deze deelgebieden niet meegenomen in deze rapportage. Hieronder volgt een opsomming per onderzocht deelgebied van voorliggende rapportage: 1.
Dit betreft een grote, dichte bosschage (circa 100.000 m2) welke onder andere bestaat uit hazelaar, iep, eik, grote brandnetel, houtstapels, dood hout en een natte, kleiige bodem. Aan de noordwest- en zuidwestzijde grenst de bosschage aan de Torenvalktocht en aan de Lage Dwarsvaart. De oevers zijn voornamelijk begroeid met riet en grote brandnetel. Een deel van de bosschage wordt mogelijk gekapt in de beoogde ruimtelijke ingreep. De omliggende watergangen blijven behouden.
2. Dit betreft een agrarisch perceel waar kool geteeld wordt. 3.
Dit betreft een agrarisch perceel waar snijbonen geteeld worden.
4. Dit betreft een agrarisch perceel waar uien geteeld worden. Aan de zuidwestzijde van het perceel is een houtwal gesitueerd, welke voornamelijk bestaat uit populieren. 5.
Dit betreft een agrarisch perceel waar zowel ui als mais geteeld wordt. Aan de noordoostzijde is een houtwal gesitueerd, welke voornamelijk bestaat uit populieren en kruidige soorten, zoals grote brandnetel.
6.
Dit betreft een agrarisch perceel waar mais geteeld wordt. Aan de westzijde van het perceel is het treinspoor gelegen met omliggende bosschage. De bosschage wordt niet aangetast in de beoogde ruimtelijk ingreep.
7.
Dit betreft een campusgebied met verplaatsbare woningen. Het campusgebied bestaat uit 5 woonblokken welke zijn opgetrokken uit kunststofwanden met op enkele plaatsen houten gevelbetimmering. De gebouwen zijn bekleed met bitumen daken en dakomlijstingen. Rondom de gebouwen zijn zowel verharde parkeerplaatsen als groen ingerichte delen aanwezig, welke onderhouden worden volgens een hoog kwaliteitsbeeld.
8.
Dit betreft een agrarisch perceel bestaande uit gras en klaver.
9.
Dit betreft deels een agrarisch perceel waar ui geteeld wordt en deels een halfopen bosschage, welke voornamelijk bestaat uit riet en vlieren.
In figuur 1.3 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
7
Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Larserdreef e.o. te Lelystad. Voor de eerder onderzochte gebieden zie: Honingh, 2023. De directe omgeving van de planlocatie wordt ten noorden gekenmerkt door woonwijken. Ten zuidoosten wordt de planlocatie gekenmerkt door agrarische percelen en ten zuidwesten ligt het Hollandse Hout. De planlocatie is aan de zuidelijke rand van Lelystad gelegen. Langs en rondom de planlocatie zijn enkele brede watergangen c.q. vaarten gesitueerd. Op circa 970 m afstand ten zuidoosten van de planlocatie ligt de A6. Delen van de planlocatie bevinden zich direct aan watergangen, zoals het Havendiep, de Lage Dwarsvaart en de Torenvalktocht.
Figuur 1.3 Op de planlocatie is men voornemens om de terreininrichting van de volgende gebieden (deels) te verwijderen: 1 en 2: de grote bosschage (1); 3: het agrarisch perceel met kool (2); 4: het agrarisch perceel met snijbonen (3). De cijfers tussen haakjes corresponderen met figuur 1.2.
8
Figuur 1.4 Op de planlocatie is men voornemens om de terreininrichting van de volgende gebieden te verwijderen: 1: het agrarisch perceel met ui en een bosschage (4); 2: het agrarisch perceel met ui en mais (5); 3: de bosschage aan de noordoostzijde van het agrarisch perceel (5); 4: het agrarisch perceel met mais (6). De cijfers tussen haakjes corresponderen met figuur 1.2.
Figuur 1.5 Op de planlocatie is men voornemens om de terreininrichting van de volgende gebieden te verwijderen: 1 en 2: het campusgebied met verplaatsbare woningen (7); 3: het agrarisch perceel bestaand uit gras en klaver (8); 4: de halfopen bosschage (9). De cijfers tussen haakjes corresponderen met figuur 1.2. De beoogde ruimtelijke ingreep betreft het verwijderen van de terreininrichting waaronder de verplaatsbare woningen in het campusgebied, het bouwrijp maken van de agrarische percelen, het kappen van meerdere bosschages en het mogelijk deels dempen van de Torenvalktocht ten behoeve van de realisatie van nieuwbouwwoningen, watergangen en nieuw groen.
9
De werkzaamheden zullen gefaseerd plaatsvinden. Daarnaast is Gemeente Lelystad voornemens om reeds de groene en blauwe structuren (natuur en water) te realiseren in fase 2. Ten behoeve hiervan zal bomenkap plaatsvinden. Echter zijn de exacte uitwerkingen (zoals positionering, oppervlakte etc.) van de bebouwing of groene en blauwe structuren nog niet definitief, óf zullen bepaalde werkzaamheden pas over enkele jaren (of zelfs tientallen jaren) gestart en uitgevoerd worden. Derhalve is er in deze rapportage een beoordeling gemaakt op basis van het ‘worst-case scenario’. Het verdient derhalve de aanbeveling om de uitkomst van deze rapportage mee te nemen in het ontwerpproces voor de definitieve plannen. Het vigerende plan voorziet niet in deze beoogde ruimtelijke ingreep, waardoor een planwijziging benodigd is.
Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten (chronologische volgorde kan wijzigen): • verwijderen van verplaatsbare woningen in het campusgebied (7): algemene demontage werkzaamheden; • (deels) kappen van bomen en bosschages (1, 4 en 5): kapwerkzaamheden en afvoer hout; • mogelijk deels dempen van Torenvalktocht: graaf- en dempwerkzaamheden; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Figuur 1.6 Visuele indicatie van de beoogde situatie. Exacte invulling kan nog wijzigen gezien dit een mastervisie betreft (bron: Gemeente Lelystad).
10
2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent de relevante vakgebieden met betrekking tot de Omgevingswet onderdeel natuur. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Omgevingswet en de provinciale omgevingsverordening. Zie voor het juridisch kader bijlage 2 van dit rapport.
2.1
Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 17 juli en is uitgevoerd door ing. J. van Hoorn en ing. M. van Rijnen. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren: droog, 2/8 bewolkt, 23 Celsius en windkracht 2 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna, bovenop het bekende algemene verspreidingsbeeld van beschermde soorten. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). De NDFF wordt geraadpleegd voorafgaand aan het uitvoeren van het veldbezoek en gedurende het rapporteren. Tijdens de zoekopdracht in de NDFF wordt hierbij een zoekgebied met straal van circa 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden.
De meest recente datum van raadpleging in de NDFF is d.d. 27 augustus 2024. In het kader van de Omgevingswet is door BIJ12 de Beschermde Soorten Indicator (BeSI) ontwikkeld. De indicator geeft per locatie de te verwachten soorten en effecten op verblijfplaatsen en leefgebied. Tot dusver blijken de resultaten van de BeSI ontoereikend, er wordt geen volledig beeld van de te verwachten soorten en effecten verkregen. Blom Ecologie volgt de ontwikkeling van de BeSI nauwgezet en zal de indicator toepassen indien de BeSI toereikend is. Momenteel biedt de NDFF het meest complete inzicht in de verspreiding van soorten. Ten behoeve van voorliggende quickscan is de BeSI niet geraadpleegd.
2.2 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Een quickscan Natuur heeft een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.
11
3 Beoordeling 3.1
Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen bekend van kartuizer anjer (NDFF 20192024). De kartuizer anjer groeit voornamelijk op zonnige en droge plaatsen op matige voedselarme, kalkhoudende grond, zoals op zand, mergel en stenige plaatsen (wilde-planten kartuizer anjer, 2024). De dichtstbijzijnde waarneming van kartuizer anjer is gedaan op circa 1,8 km afstand ten noordwesten van deelgebied 9 (NDFF 2019-2024). Deelgebied 1 betreft een bosschage, waarbij het ontbreekt aan geschikt biotoop in de vorm van open, zonnige plaatsen met een zand, mergel, of steenachtige bodem. Wegens de hoge mate aan beschaduwing en het ontbreken van geschikt substraat, zoals zand, mergel of steen, kan het voorkomen van kartuizer anjer hier uitgesloten worden.
Deelgebied 2 t/m 6 betreffen agrarische percelen waar gewassen zoals snijbonen, ui en mais geteeld worden. Deze percelen worden jaarlijks bewerkt en bevatten een hoge voedselrijkdom. Door de hoge mate aan verstoring en de hoge voedselrijkdom kan geschikt biotoop voor de kartuizer anjer hier uitgesloten worden. Deelgebied 7 bestaat uit een campusgebied met verplaatsbare woningen en sterk onderhouden groenstructuren. Wegens het sterke onderhoudsbeeld van de groenstructuren kan het voorkomen van de soort hier uitgesloten worden. Deelgebied 8 betreft een gemaaid en ingezaaid grasland met gras en klaver en is op circa 4,2 km afstand ten oosten gelegen van de dichtstbijzijnde waarneming van kartuizer anjer (NDFF 2019-2024). Aangezien de dispersieafstand van kartuizer anjer 10 tot 100 m is en het perceel sterk bewerkt wordt, kan de aanwezigheid van kartuizer anjer hier uitgesloten worden (Wamelink et al., 2011). Deelgebied 9 bestaat uit een half open bosschage en een agrarisch perceel. Op en rondom dit deelgebied is veel grote brandnetel aangetroffen, wat duidt op een hoog stikstofgehalte in de bodem. Daarnaast wordt het agrarisch perceel sterk bewerkt en ontbreken er zonnige, open plaatsen in de bosschage. Wegens voornoemde redenen kan het voorkomen van de soort hier uitgesloten worden. Voor de gehele planlocatie geldt dat het gaat om ingezaaide of niet wild exemplaren.
Soorten zijn alleen beschermd in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Verdere vervolgstappen ten aanzien van de kartuizer anjer zijn niet aan de orde. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: akkermelkdistel, bijvoet, gewone brunel, gewone smeerwortel, grote berenklauw, grote brandnetel, groot hoefblad, harig wilgenroosje, lisdodde, madeliefje, paardenbloem, paarse dovennetel, reukloze kamille, ridderzuring, riet, smalle weegbree en scherpe boterbloem. Enkel het campusgebied (deelgebied 8) is grotendeels verhard. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie.
12
Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, boommarter, bosmuis, bruine rat, bunzing, dwergmuis, edelhert, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, otter, ree, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos, wezel en wild zwijn (NDFF 2019-2024). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, boommarter, bunzing, edelhert, hermelijn, otter, steenmarter, wezel en wild zwijn. De bever komt voor in het overgangsgebied tussen water en land, bij rivieren, kanalen, beken en meren. Hierbij is de aanwezigheid van goed toegankelijke bomen en struiken langs de oevers een vereiste. Deze bomen en struiken worden omgeknaagd om zo de jonge takken en bladeren te kunnen bereiken, welke dienen als voedsel. Ook worden takken gebruikt voor het bouwen van een burcht (BIJ12 kennisdocument bever, 2017).
In de zomer maanden eet een bever kruiden, bloemen, grassen en (onder)waterplanten, welke op de planlocatie en in de directe omgeving ruimschoots aanwezig zijn. De otter komt voornamelijk voor in weinig verstoorde, (schone) watergangen met voldoende voedsel en vegetatie. De otter verplaatst zich via het water en is daardoor afhankelijk van een netwerk aan watergangen. De soort verblijft overdag vaak in oevers met dichte vegetatie, struwelen, bosschages en oude holen van zoogdieren (Zoogdiervereniging otter, 2024). Op en rondom de planlocatie zijn meerdere waarnemingen van bevers, beverburchten en otters bekend (NDFF 2019-2024). Deelgebieden 7 en 8 betreffen ofwel agrarische percelen zonder aangrenzend oppervlaktewater en met een open karakter ofwel sterk verstoorde gebieden. Gezien het open karakter van de deelgebieden, het ontbreken van aangrenzend oppervlaktewater en de mate van verstoring kunnen essentiële functies voor de bever en de otter hier uitgesloten worden. In deelgebied 1 is het voorkomen van de bever en de otter bekend (NDFF 2019-2024). Tevens is er op circa 30 m afstand ten zuidwesten van de bosschage een beverburcht waargenomen. De bosschage is direct gelegen aan de Lage Dwarsvaart. De vaart bevat natuurlijke, met vegetatie begroeide oevers waardoor de bosschage vrij toegankelijk is.
Wegens het grote aantal waarnemingen in de directe omgeving van de bosschage en waargenomen vraatsporen in de bosschage, samen met het voorkomen van geschikt biotoop voor de bever en de otter, kan niet worden uitgesloten dat deze bosschage een essentiële functie vervult als leefgebied van de bever en/of otter. Derhalve dient de functie van de bosschage voor beide soorten aangetoond te worden middels aanvullend onderzoek (H4.3). Tevens wordt de Torenvalktocht, ten noordwesten van de bosschage, mogelijk deels gedempt. Deze watergang functioneert mogelijk als migratieroute tussen de Lage Dwarsvaart en het oppervlaktewater verder noordelijk. Aangezien er geen andere watergangen aanwezig zijn welke zouden kunnen dienen als alternatieve migratieroute, dient de functie van de Torenvalktocht met aanvullend onderzoek aangetoond te worden (H4.3). Deelgebieden 2, 4 en 5 zijn zuidoostelijk gelegen van de Torenvalktocht, waar meerdere waarnemingen van de bever en de otter bekend zijn (NDFF 2019-2024). Deze deelgebieden betreffen allen agrarische percelen met een open karakter. Echter is er tussen deelgebied 3 en 4 en ten noordoosten van deelgebied 5 een bosschage gelegen, welke grenst aan de Torenvalktocht. Deze bosschages worden (aannemelijk) gekapt in de beoogde ruimtelijke ingreep.
Aangezien de bosschages toegankelijk zijn via de Torenvalktocht en voldoende beschutting bieden als geschikte locatie voor een burcht of rust- of verblijfplaats, dient met aanvullend onderzoek aangetoond te worden of deze bosschages een essentiële functie vervullen voor het leefgebied van de bever en/of otter (H4.3).
13
De boommarter komt voor in bossen en boomrijke gebieden. De boommarter maakt voor zijn rust- of voortplantingsplaats gebruik van oude eekhoorn- of roofvogelnesten, (boom)holtes of bestaande holen van zoogdieren (Zoogdiervereniging boommarter, 2024). Op en rondom de planlocatie zijn meerdere waarnemingen bekend van de boommarter (NDFF 2019-2024). Deelgebieden 3, 6, 7 en 8 betreffen agrarische percelen met een open karakter zonder de aanwezigheid van bomen of bosrijk gebied. Aangezien hier onvoldoende beschutting aanwezig is en er geen geschikte rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn, kunnen essentiële onderdelen van het leefgebied van de boommarter hier uitgesloten worden. Deelgebieden 1, 4 en 5 bevatten allen (dichte) bosschages of bomenrijen en zijn op korte afstand gelegen van bekende waarnemingen van de boommarter. Daarnaast is er een boommarter waargenomen in de te kappen bosschage aan de noordoostzijde van deelgebied 5. Vanwege de omvang van de bosschages kan de aanwezigheid van (boom)holtes, zoogdierholen of oude roofvogelnesten niet met zekerheid uitgesloten worden. Gezien het grote aantal waarnemingen op en in de directe omgeving van bovengenoemde deelgebieden, is het aannemelijk dat de bosschages een essentiële functie vervullen voor de boommarter, zoals een essentiële migratieroute of als rust- of verblijfplaats.
Derhalve dient met aanvullend onderzoek aangetoond te worden of en wat voor functie de bosschages vervullen voor de boommarter (H4.3). Het edelhert komt voornamelijk voor in weinig verstoorde bosgebieden welke grenzen aan grasgebieden en water (Zoogdiervereniging edelhert, 2024). De meeste waarnemingen van het edelhert zijn gedaan ten zuiden van de planlocatie in de Oostvaardersplassen (NDFF 2019-2024). De Oostvaardersplassen is een omheind natuurgebied. De planlocatie bestaat voornamelijk uit agrarische percelen met smalle bosschages. De agrarische percelen worden actief gebruikt en de meeste bosschages zijn van een te kleine omvang om te kunnen dienen als essentieel leefgebied van het edelhert. De bosschage in deelgebied 1 heeft echter wel een groter oppervlak. Hoewel dit een weinig verstoord bosgebied is, ontbreekt het hier aan aangrenzend grasland. Gezien de mate van verstoring, het ontbreken van geschikt biotoop en de populatie zich bevindt in een omheind gebied vormt de planlocatie voor deze soort geen geschikt leefgebied. De bunzing, hermelijn, wezel en steenmarter behoren tot de marterachtigen. Deze soorten komen voornamelijk voor in (kleinschalig) cultuurlandschap, waarbij de aanwezigheid van beschutting, zoals houtwallen, greppels en heggen, een vereiste is. De steenmarter wordt ook vaak waargenomen in of nabij dorpen en steden.
Vaak worden oude zoogdierholen, holle bomen, boomwortels, hout- en stenenstapels of stro- en hooibalen als verblijfplaats gebruikt. Daarnaast gebruikt de steenmarter vaak bebouwing als rust- of verblijfplaats. Marterachtigen verplaatsen zich onder andere via slootkanten, bosschages, ruigtestroken en houtwallen (BIJ12 kennisdocument kleine marterachtigen, 2024; Zoogdiervereniging, 2024). De bunzing, hermelijn, wezel en steenmarter zijn allen rondom de planlocatie waargenomen (NDFF 2019-2024). Deelgebieden 2, 3, 7 en 8 betreffen agrarische percelen of bebouwd terrein met een open karakter zonder de aanwezigheid van bomen of bosrijk gebied. Ook zijn hier geen geschikte rust- of verblijfplaatsen aanwezig zijn, zoals boomholtes, oude zoogdierholen of takkenstapels. Echter kunnen de slootkanten en de randen van de percelen wel gebruikt worden als migratieroute tussen de verschillende gebieden. Om aantasting van essentiële migratieroutes te voorkomen dienen de slootkanten behouden te blijven in de beoogde ruimtelijke ingreep. Indien er met de beoogde ontwikkeling wel werkzaamheden plaats vinden aan de kades en/of slootkanten dient aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd naar de functie hiervan voor bunzing, hermelijn, wezel en steenmarter. Deelgebieden 1, 4, 5, 6 en 9 bevatten allen bosschages met (dichte) vegetatie, dood hout en takkenhopen.
Hoewel de bunzing, hermelijn, wezel en steenmarter niet op de planlocatie zijn waargenomen, kan niet worden uitgesloten dat er vaste rust- of verblijfplaatsen aanwezig zijn in één of meerdere bosschages van bovengenoemde deelgebieden. Daarnaast kunnen de perceelranden gebruikt worden als foerageergebied of als verbindende structuur tussen foerageergebied en rust- of verblijfplaats.
14
Ten aanzien van de bescherming van de bunzing, hermelijn en wezel stelt de provincie Flevoland zich pragmatisch op en biedt de mogelijkheid voor mitigatie in plaats van aanvullende onderzoeken (Provincie Flevoland, 2021). Er wordt dan aangenomen dat er verblijfplaatsen aanwezig zijn binnen de planlocatie. Er kan alleen voor deze benadering gekozen worden als er door kwaliteitsimpuls toch voldoende leefgebied overblijft of elders voldoende leefgebied wordt teruggebracht. De ontwikkeling van de deelgebieden gaat gepaard met grootschalige (waterrijke) natuurontwikkeling. Deze natuurontwikkeling zal voorzien in de noodzakelijke compensatie van het groen. Er dient ten aanzien van de kleine marterachtigen een habitat geschiktheidsonderzoek plaats te vinden om in te schatten hoe groot de populatie kleine marterachtigen binnen de planlocatie is (H4.3). Op basis van deze gegevens wordt een omgevingsvergunning aangevraagd. Het wild zwijn komt voornamelijk voor in natte eiken- en beukenbossen met voldoende natte plaatsen voor het nemen van een modderbad. Het wild zwijn is enkel waargenomen in een omheind stadspark ten noordoosten van de planlocatie (NDFF 2019-2024). Aangezien er geen andere waarnemingen van het wild zwijn bekend zijn en er in Flevoland een nulstandbeleid geldt voor het wild zwijn, kan het voorkomen van de soort op de planlocatie uitgesloten worden.
Ten aanzien van het wild zwijn treden er geen negatieve effecten op in de beoogde ruimtelijke ingreep. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis en watervleermuis (NDFF 2019-2024). Onder de Habitatrichtlijn zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen beschermd (Bal art. 11.46). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H4.3). Wegens de omvang van de planlocatie en de dichte vegetatie op veel plaatsen, zijn niet alle bomen gecontroleerd op boomholtes, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats. Om dit in kaart te brengen dient een bomeninspectie plaats te vinden in de winterperiode, wanneer het blad van de bomen is en vegetatie minimaal aanwezig is (zie H4.3).
Dit moet in ieder geval gebeuren bij de bosschages in deelgebieden 1, 4, 5 en 9, mits hier bomenkap plaats gaat vinden. Alvorens de bomeninspectie wordt uitgevoerd, is het van belang dat duidelijk is welke bomen er precies gekapt worden en welke bomen er behouden blijven. De verplaatsbare woningen in deelgebied 7 zijn nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. Het campusgebied bestaat uit 3 verplaatsbare woonblokken, welke zijn opgetrokken uit metalen- en kunststofwanden zonder open luchtspouw (figuur 3.1). Op enkele plaatsen is houten gevelbetimmering aangebracht. De woonblokken zijn bekleed met een plat bitumen dak met daklijst. Er zijn geen invliegopeningen of donkere wegkruipplekken aangetroffen in de bebouwing. Wegens het ontbreken van een luchtspouw, toegankelijke dakruimte en ander wegkruipplekken, is het voor vleermuizen onmogelijk om in de bebouwing een geschikte verblijfplaats te vinden.
Het is uit te sluiten dat de bebouwing op de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis.
15
Figuur 3.1 De woonblokken in deelgebied 8 zijn opgetrokken uit verschillende materialen en bevatten geen luchtspouw of open dakruimte. Derhalve zijn vleermuisverblijfplaatsen hier uitgesloten. Er van uit gaande dat er tijdens de bomeninspectie boomholtes, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen gevonden kunnen worden welke kunnen dienen als verblijfplaats, samen met bekende verspreidingsgegevens, is er potentie voor verblijfplaatsen van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en watervleermuis (tabel 3.1). Om aan- of afwezigheid van vleermuizen vast te stellen dient aanvullend onderzoek plaats te vinden middels veldbezoeken in de periode april-september (zie H4.3). Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de bebouwing gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. De planlocatie bestaat voor een groot deel uit agrarisch gebied, met langs de randen vaarten en sloten welke gebruikt kunnen worden als foerageergebied. Daarnaast kunnen de bosschages ook als foerageergebied dienen. Hoewel er in de omgeving van de planlocatie veel alternatieve foerageergebieden zijn, neemt de beoogde ruimtelijke ingreep een groot oppervlakte aan geschikt foerageergebied weg.
Omdat in de beoogde ontwikkelingen ook veel waterrijke natuur wordt gerealiseerd is het aannemelijk dat de functie van het gebied in de toekomst essentiëler wordt. Om het gebied op een optimale manier voor vleermuizen in te richten dienen enkele maatregelen gevolgd te worden (zie H4.3). Ook kunnen de bosschages, vaarten en sloten dienen als migratieroute tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Voornamelijk de Torenvalktocht, ten noordoosten van deelgebieden 1 t/m 5, kan dienen als essentiële vliegroute tussen de bebouwing verder noordelijk en het bosgebied zuidelijk van de planlocatie. In 2022 heeft landschapsbeheer Flevoland onderzoek gedaan naar de functie van deze watergang voor vleermuizen (Reinhold & Borsch, 2022). Zij concludeerden dat de Torenvalktocht geen essentiële functie voor vleermuizen vervult. Echter is dit onderzoek twee jaar oud en kan dit in de tussentijd veranderd c.q. verouderd zijn. Mogelijk wordt een deel van de Torenvalktocht gedempt in de beoogde ruimtelijke ingreep. Tevens kunnen de bosschages in deelgebied 4 en 5 functioneren als essentiële vliegroute, aangezien dit de enige rechtlijnige structuren zijn welke gebruikt kunnen worden om de agrarische percelen over te steken.
Gezien de aanwezigheid van de lijnvormige landschapselementen en de mogelijke aanwezigheid van essentiële vliegroutes kan het plangebied eveneens deel uitmaken van essentieel foerageergebied. Hoewel er in de beoogde ruimtelijke ingreep veel watergangen aangelegd zullen worden welke tevens als vliegroute kunnen dienen, zullen eventueel ontstane vliegroutes minder efficiënt zijn, aangezien de afstand van de routes vergroot wordt.
16
Om de functie van de Torenvalktocht en de bosschages aan te tonen dient hier aanvullend onderzoek naar essentiële vliegroutes uitgevoerd te worden (H4.3). Tabel 3.1
Samenvatting van de beoordeling van verblijfplaatsen, essentiële vliegroute en foerageergebied voor verschillende vleermuissoorten.
Vleermuissoort
Potentie
Onderbouwing
Gewone dwergvleermuis
Ja
Mogelijk geschikte openingen in bomen
Ruige dwergvleermuis
Ja
Mogelijk geschikte openingen in bomen
Laatvlieger
Nee
Geen toegankelijke bebouwing
Gewone grootoorvleermuis
Ja
Mogelijk geschikte openingen in bomen
Meervleermuis
Nee
Geen toegankelijke bebouwing
Watervleermuis
Ja
Mogelijk geschikte openingen in bomen
Rosse vleermuis
Ja
Mogelijk geschikte openingen in bomen
Tweekleurige vleermuis
Nee
Geen toegankelijke bebouwing
Vleermuizen algemeen
Potentie
Onderbouwing
Massawinterverblijfplaats (gewone dwergvleermuis) Essentiele vliegroute
Nee
Geen toegankelijke bebouwing
Ja
Aantasting van lijnvormige structuren
Essentieel foerageergebied
Ja
Aantasting van bosschages en begroeiing
Tabel 3.2
Samenvatting van de potentie voor vleermuissoorten op de planlocatie.
Vleermuissoort
Zomer
Kraam
Paar
Massawinter
Vliegroute
Foerageergebied
Gewone dwergvleermuis
Ja
Nee
Ja
Nee
Ja
Ja
Ruige dwergvleermuis
Ja
Nee
Ja
Nee
Ja
Ja
Gewone grootoorvleermuis
Ja
Nee
Ja
Nee
Ja
Ja
Watervleermuis
Ja
Ja
Ja
Nee
Ja
Ja
Rosse vleermuis
Ja
Ja
Ja
Nee
Ja
Ja
Meervleermuis
Nee
Nee
Nee
Nee
Ja
Ja
Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en rugstreeppad (NDFF 2019-2024). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Alpenwatersalamander en rugstreeppad. Amfibieën leven zowel in een aquatische als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De Alpenwatersalamander is weinig kritisch ten aanzien van het voortplantingswater. Allerlei soorten oppervlaktewater worden hier voor gebruikt, met uitzondering van stromende of visrijke wateren. Overwintering vindt meestal plaats op het land onder stronken, houtstapels en in kleine holen. Hierbij is het belangrijk dat het voortplantingswater op korte afstand van de overwinteringslocatie gelegen is (RAVON Alpenwatersalamander, 2024). De planlocatie ligt buiten het natuurlijke verspreidingsgebied van de Alpenwatersalamander. Er is één waarneming bekend van de Alpenwatersalamander midden in een woonwijk, op circa 1,2 km afstand ten noordoosten van deelgebied 8 (NDFF 2019-2024).
Tussen de locatie van deze waarneming en de planlocatie zijn geen poeltjes of andere oppervlaktewateren gelegen, welke gebruikt kunnen worden voor de dispersie.
17
Aangezien de planlocatie buiten het natuurlijke verspreidingsgebied ligt en dus buiten het beschermingsregime valt, er slechts één waarneming van de Alpenwatersalamander in de omgeving bekend is en er geen oppervlaktewater tussen de waarnemingslocatie en de planlocatie aanwezig is, kan het voorkomen van de soort op de planlocatie worden uitgesloten. Ten aanzien van de Alpenwatersalamander treden er geen negatieve effecten op in de beoogde ruimtelijke ingreep. De rugstreeppad is een pioniersoort welke vooral voorkomt op ruig, onbeschaduwd terrein met weinig tot geen vegetatie, zoals braakliggende bouwterreinen, zandafgravingen en duingebieden. De aanwezigheid van vergraafbaar zand is een vereiste voor de soort (BIJ12 kennisdocument rugstreeppad, 2017). Op en rondom de planlocatie zijn meerdere waarnemingen bekend van de rugstreeppad. Zo zijn er waarnemingen van de rugstreeppad bekend in deelgebied 5, in het eerder onderzochte deelgebied A en op zeer korte afstand van deelgebieden 2, 3 en 4. Tijdens het veldbezoek zijn op meerdere plaatsen rijsporen aangetroffen welke water bevatten en derhalve kunnen dienen als voortplantingswater (figuur 3.2). Daarnaast zijn er op en rond de planlocatie ook geschikte zomer- en winterverblijfplaatsen aanwezig in de vorm van vergraafbaar zand en muizenholletjes.
Gezien de waarnemingen van de rugstreeppad op en op zeer korte afstand van de planlocatie, de aanwezigheid van geschikt voortplantingswater én de aanwezigheid van geschikte zomer- en winterverblijfplaatsen, dient met aanvullend onderzoek aangetoond worden welke deelgebieden een relevante functie hebben voor de rugstreeppad (H4.3). Voornamelijk deelgebieden 2 t/m 6 en deelgebied 8 en 9 hebben potentie voor de rugstreeppad. Wanneer de aanwezigheid van rugstreeppadden niet wordt aangetoond met aanvullend onderzoek, dient het terrein voorafgaand en tijdens de bouwwerkzaamheden ongeschikt gemaakt te worden om zo spontane kolonisatie van de soort te voorkomen (H4.3). Dit aangezien er bij voorbelasting van het terrein aannemelijk vergraafbaar zand zal worden gebruikt waarbij de kans op spontane kolonisatie zeer groot is omdat de aanwezigheid reeds bekend is in de directe omgeving. Tijdens het veldbezoek zijn zeer veel jonge groene en bruine kikkers waargenomen in de bosschage van deelgebied 1. Het verspreidingsgebied van de beschermde poelkikker ligt niet binnen de provincie Flevoland. Hoewel dit om algemene soorten gaat zonder beschermde status, dient tijdens werkzaamheden rekening gehouden te worden met de Algemene Zorgplicht (H4.3).
Figuur 3.2 Water bevattende rijsporen in deelgebied 6, welke geschikt zijn als voortplantingswater voor de rugstreeppad.
18
Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de ringslang (NDFF 2019-2024). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De ringslang is voornamelijk aanwezig in waterrijke plaatsen met voldoende beschutting en weinig verstoring. Als winterverblijfplaatsen worden voornamelijk holen, compost- en bladhopen, houtstapels en oude bomenstammen gebruikt terwijl broeihopen voornamelijk dienst doen als voortplantingsplaatsen (RAVON ringslang, 2024). Rondom de planlocatie zijn veel waarnemingen bekend van de ringslang. Ten zuiden van deelgebied 9, op circa 370 m afstand, is meermaals voortplanting aangetroffen van de ringslang (NDFF 2019-2024). Deelgebied 9 bestaat uit bomenrijk gebied met open plekken, begroeide oevers en een humusrijke onderlaag. Derhalve is het aannemelijk dat deelgebied 9 gebruikt wordt als leefgebied van de ringslang. Wanneer deelgebied 9 aangetast wordt, dient de aan- of afwezigheid van essentieel leefgebied van de ringslang met aanvullend onderzoek aangetoond te worden (H4.3). Deelgebieden 6, 7 en 8 kennen allen een hoge mate aan verstoring en/of voorzien niet in genoeg beschuttingselementen. Derhalve kan de aanwezigheid van de ringslang hier uitgesloten worden.
Deelgebied 1 en de oevers van deelgebieden 2 t/m 5 kunnen dienen als leefgebied van de ringslang. Deze deelgebieden zijn direct gelegen langs de Torenvalktocht en voorzien in beschuttingselementen, zoals natuurlijke oevers en bosschages. Daarnaast bevatten de bosschages overwinteringsstructuren, zoals holen, houtstapels en oude boomstammen. Wanneer de beschuttingselementen en/of de oevers aangetast worden, dient de functie hiervan voor de ringslang met aanvullend onderzoek aangetoond te worden (H4.3). Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 20192024). Mogelijk leiden de beoogde werkzaamheden (tijdelijk) tot verstoringen (geluid/trillingen) in de Lage Dwarsvaart en in de Torenvalktocht, echter zijn er in de watergangen voldoende uitwijkmogelijkheden voorhanden buiten de verstoringszone. Mogelijk wordt een deel van Torenvalktocht gedempt. Derhalve dienen er bij de mogelijk beoogde dempingswerkzaamheden enkele maatregelen getroffen te worden, zie H4.3. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: grote vos, grote weerschijnvlinder en teunisbloempijlstaart (NDFF 2019-2024).
De grote vos en grote weerschijnvlinder zijn beide gebonden aan bomen en bosrijk gebied. Waardplanten van de grote vos zijn iep, zoete kers en sommige wilgensoorten. Het leefgebied van de grote weerschijnvlinder bestaat uit oudere en vochtige bossen, waarbij voornamelijk boswilg en grauwe wilg dienen als waardplanten (Vlinderstichting grote vos en grote weerschijnvlinder, 2024). In deelgebied 1 zijn een aantal wilgen aanwezig, waarvan een deel mogelijk gekapt wordt in de beoogde ruimtelijke ingreep. Echter is er in de directe omgeving hiervan zeer veel bosgebied aanwezig met geschikte waardplanten. Gezien de grote hoeveelheid alternatieve waardplanten en het grote oppervlakte aan alternatief leefgebied, worden er geen negatieve effecten verwacht ten aanzien van de grote vos en de grote weerschijnvlinder. In de overige deelgebieden zijn geen waardplanten aangetroffen van beide soorten. Derhalve kunnen negatieve effecten ten aanzien van beide soorten in deze deelgebieden uitgesloten worden. De teunisbloempijlstaart is een pioniersoort welke voornamelijk voor komt op braakliggende en ruderale terreinen, zoals open plekken in vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen.
19
De ei-afzet vindt plaats op de teunisbloem, maar ook op (harig) wilgenroosje, basterdwederik en grote kattenstaart (Vlinderstichting teunisbloempijlstaart, 2024). Tijdens het veldbezoek zijn geen waardplanten van de teunisbloempijlstaart aangetroffen op de planlocatie. In de directe omgeving langs de wateren ten zuidoosten van de planlocatie zijn wel veel harige wilgenroosjes aanwezig. Deze waardplanten worden in de beoogde ingreep niet aangetast. Gezien het ontbreken van waardplanten op de planlocatie zijn negatieve effecten ten aanzien van de teunisbloempijlstaart uitgesloten. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: boerenzwaluw, buizerd, blauwe reiger, huismus, torenvalk, visdief, witte kwikstaart en zwarte kraai.
Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van buizerd, boomvalk en havik bekend (NDFF 2019-2024). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 5a) Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing. Voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem al dan niet bewust biedt. Deze voedselbron moet continu aanwezig zijn. De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied. Op plekken waar menselijke bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen zijn meer huismussen dan op plekken waar geen groen aanwezig is (BIJ12 Kennisdocument Huismus, 2023). De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 Kennisdocument Gierzwaluw, 2023). Doordat de soort niet direct vanuit zijn nest kan opstijgen, moet hij zich naar beneden kunnen laten vallen. Het nest dient hierdoor een vrije aanvliegroute van minimaal 1 meter breed, en minimaal 3 meter onder de nestopening te bevatten.
Hierbij dienen zo min mogelijk belemmerende elementen, zoals bomen, aanwezig te zijn. Voedselvluchten kunnen op vele kilometers (tot wel 1000 km) van het nest plaatsvinden, waardoor het foerageergebied niet nader te definiëren is. Enkel deelgebied 7 bevat bebouwing, bestaande uit 3 verplaatsbare woonblokken. Deze woonblokken zijn opgetrokken uit kunststof- en metalenwanden zonder luchtspouw en bekleed met een plat bitumen dak. De bebouwing bevat geen open dakruimte of andere wegkruipplekken welke geschikt zijn als nestlocatie voor de huismus en gierzwaluw. De huismus wordt in de directe omgeving veel waargenomen in het bebouwde gedeelte van Lelystad. In deelgebied 7 en binnen de planlocatie zijn geen waarnemingen van de huismus bekend. Aangezien huismussen foerageren op korte afstand van hun verblijfplaats en er op de planlocatie geen nestlocaties aanwezig zijn, kan essentieel foerageergebied op de planlocatie uitgesloten worden. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus en gierzwaluw is derhalve geen sprake. De bebouwing in deelgebied 7 is niet toegankelijk voor uilen. Op de planlocatie zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen. Echter is de kans aannemelijk dat nesten en horsten onopgemerkt zijn gebleven tijdens het veldbezoek, aangezien de bosschages een aanzienlijk oppervlakte hebben en alle bomen in blad staan.
Omdat er meerdere waarnemingen bekend zijn van nestlocaties van buizerd, boomvalk en havik op en rondom de planlocatie, dient er in de winterperiode een bomeninspectie plaats te vinden naar de aanwezigheid van nesten (H4.3). Dit hoeft enkel te gebeuren wanneer bomenkap plaats vindt in deelgebieden 1, 4, 5 en 9.
20
In de beoogde ruimtelijke ingreep gaat veel agrarisch gebied verloren (circa 1,7 km2), wat kan dienen als foerageergebied voor verschillende uilen en roofvogelsoorten. De buizerd en torenvalk worden vaak op de planlocatie waargenomen (NDFF 2019-2024). Ter hoogte van de Buizerdweg worden vaak uilen waargenomen, waaronder de kerkuil en ransuil. Op de planlocatie zijn ook enkele waarnemingen bekend van de havik, sperwer, wespendief en zeearend. Vooral in combinatie met nestlocaties, kunnen de agrarische percelen dienen als essentieel foerageergebied. Om de functie van de agrarische percelen in kaart te brengen, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden (H4.3). Op circa 100 m afstand van de planlocatie zijn meerdere waarnemingen bekend van de grote gele kwikstaart (NDFF 2019-2024). De grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of onder bruggen of stuwen. Voor deze soort zijn op de planlocatie geen geschikte nestlocaties of functioneel leefgebied aanwezig. In de herfst- en winterperiode komen veel grote gele kwikstaarten naar Nederland om te overwinteren. Vaak duiken zij op in atypische habitats zoals platte daken in stedelijk gebied, rioolwaterzuiveringen of nabij veevoerkuilen.
Alle waarnemingen van de soort zijn gedaan in de herfst- en winterperiode en gezien de planlocatie geen geschikt broedhabitat betreft mag aangenomen worden dat de waargenomen grote gele kwikstaarten overwinterende individuen betreffen, welke op den duur op eigen beweging weer wegtrekken. Daarnaast valt de planlocatie buiten het natuurlijke verspreidingsgebied (broedgebied) van de soort. Het ontstaan van negatieve effecten op de soort is derhalve uitgesloten. De ooievaar leeft vaak in de nabijheid van de mens. Ze nestelen vaak op menselijke bouwwerken zoals daken, schoorstenen, hoogspanningsmasten of speciaal geplaatste nestpalen. Het leefgebied bestaat met name uit agrarisch gebied (weilanden en hooilanden), oeverzones en uiterwaarden. Op circa 10 m afstand ten oosten van deelgebied 8 is een nest van de ooievaar bekend (NDFF 2019-2024). Tevens zijn er binnen circa 500 m afstand van deelgebied 8 ruim 100 waarnemingen gedaan van ooievaarsnesten (NDFF 2019-2024). Uiteraard zullen dit veelal dezelfde nestlocaties betreffen. In de beoogde ingreep worden geen werkzaamheden uitgevoerd op locatie waar de nesten aanwezig zijn. De nesten blijven dus ten alle tijden behouden. Of de plangebieden essentieel foerageergebied betreffen zal blijken uit het aanvullende onderzoek naar foerageergebied van roofvogels. De ooievaar kan hierbij ook worden meegenomen als te onderzoeken soort (H4.3).
De boerenzwaluw is een typische boerenlandvogel. De soort foerageert boven weilanden, waterlichamen en landschapselementen, vaak in de nabijheid van vee omdat deze veel insecten aantrekken. Het nestelen gebeurt in (oude) veestallen, schuren, overkappingen en dergelijke bebouwing. Hier bouwt de boerenzwaluw zelf een halfopen nestkom van modder die hij in de directe omgeving vindt. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten van de boerenzwaluw aangetroffen. Tijdens het veldbezoek zijn er wel enkel boerenzwaluwen foeragerend waargenomen rondom de agrarische percelen. Hoewel er in de beoogde ruimtelijke ingreep veel agrarisch gebied verloren gaat, blijft er in de directe omgeving zeer veel oppervlakte water en ander geschikt foerageergebied behouden. Ook zal er in de toekomstige situatie voldoende aanbod van foerageergebied aanwezig zijn. Derhalve is er geen sprake van essentieel foerageergebied van de boerenzwaluw. De roek is een kolonievogel die vaak in grote groepen broedt nabij graslanden, in vrijstaande, hoge groepen bomen langs snelwegen, treinsporen of kanalen (Vogelbescherming, 2024). Binnen een straal van 2 km van de planlocatie zijn geen waarnemingen bekend van de roek (NDFF 2019-2024). Daarnaast valt Flevoland niet binnen het bekende verspreidingsgebied van de roek. Derhalve zijn negatieve effecten ten aanzien van de roek uitgesloten. Vogels - Algemene broedvogels en cat.
5b De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Het is aannemelijk dat soorten zoals de grote bonte specht en de groene specht broeden in de bosschages op en rondom de planlocatie. Mogelijk worden er in de beoogde ruimtelijke ingreep nestlocaties weggenomen.
21
Echter zijn er in de directe omgeving zeer veel vergelijkbaar bosschages en bosrijke gebieden gelegen, welke als alternatieve nestlocaties kunnen dienen. Daarnaast hebben zowel de grote bonte specht als de groene specht een gunstige staat van instandhouding en nemen beide soorten in aantallen toe (Sovon, 2024). Soorten zoals de ijsvogel en oeverzwaluw maken gebruik van steile, zandige oevers of taluds als nestlocatie (Vogelbescherming, 2024). Rondom de planlocatie zijn enkele waarnemingen bekend van nestlocaties van beide soorten (NDFF 2019-2024). Mogelijk kunnen de oevers van de Torenvalktocht (beperkt) gebruikt worden als nestlocatie voor beide soorten. Echter worden de oevers en de watergang minimaal aangetast, waardoor er voldoende alternatieve nestlocaties beschikbaar blijven. Tevens hebben beide soorten een gunstige staat van instandhouding (Sovon, 2024). De blauwe reiger broedt vaak in kolonies in bomen (Vogelbescherming, 2024). Op de planlocatie zijn geen waarnemingen bekend van nestlocaties (NDFF 2019-2024). De aantallentrend van de blauwe reiger laat over de laatste jaren een stijgende lijn zien (Sovon, 2024). Gezien de grote hoeveelheid bosschages en bosgebied wat behouden blijft, zijn er voldoende alternatieve nestlocaties voor de blauwe reiger beschikbaar.
Wegens de huidige gunstige staat van instandhouding van bovengenoemde soorten, de grote hoeveelheid aan alternatieve nestlocaties in de directe omgeving en de stijgende aantallentrends, resulteert de beoogde ruimtelijke ingreep niet in negatieve effecten ten opzichte van de staat van instandhouding van deze soorten. De spreeuw is een graslandvogel welke broedt in boomholtes, nestkasten en in gaten en kieren van gebouwen (Vogelbescherming, 2024). De huidige staat van instandhouding van de spreeuw is zeer ongunstig (Sovon, 2024). Rondom de planlocatie zijn meerdere waarnemingen bekend van nestlocaties van de spreeuw, welke voornamelijk in bebouwing zijn aangetroffen (NDFF 2019-2024). Mogelijk broeden er ook spreeuwen in de bosschages op de planlocatie. Echter zijn er tijdens het veldbezoek geen spreeuwen waargenomen op de planlocatie. Hoewel er mogelijk enkele spreeuwen broeden in de bomen op de planlocatie, kan vanwege het ontbreken van waarnemingen van nestlocaties en zichtwaarnemingen tijdens het veldbezoek aangenomen worden dat de planlocatie geen essentieel onderdeel van het leefgebied van een grote spreeuwenpopulatie vervult. Derhalve resulteert de beoogde ruimtelijke ingreep niet in negatieve effecten ten opzichte van de staat van instandhouding van de spreeuw. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd.
Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de kap- en sloopwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige. Exoten Er geldt een Europees verbod op bezit, handel, kweek, transport en import van schadelijke exotische planten en dieren onder de Unielijst. Rondom de planlocatie is gedurende het veldbezoek reuzen berenklauw waargenomen. Tevens zijn er rondom de planlocatie waarnemingen bekend van de muskusrat en smalle waterpest (NDFF 2019-2024).
22
3.2 Specifieke zorgplicht Soorten Binnen een straal van 100 m zijn waarnemingen bekend van de volgende Vrl art. 4.2 en bijlage 1-soorten, Rode Lijst-soorten, Hrl bijlage II, IV en V soorten en nationaal beschermde soorten: haas, konijn, wezel, blauwborst, blauwe kiekendief, boerenzwaluw, bontbekplevier, boomvalk, fuut, gele kwikstaart, goudplevier, graspieper, grote lijster, grote zilverreiger, huismus, huiszwaluw, keep, kerkuil, kievit, kneu, koekoek, kramsvogel, meerkoet, nachtegaal, oeverloper, ooievaar, ransuil, rietzanger, ringmus, slobeend, smient, spotvogel, torenvalk, veldleeuwerik, visdief, watersnip, wielewaal, wintertaling, ringslang, rugstreeppad, bruin blauwtje, grote vos, beemdkroon (NDFF 2019-2024). Voor de volgende soorten geldt dat deze nog niet in de soortenbescherming (H3.1) beoordeeld zijn: haas, konijn, blauwborst, blauwe kiekendief, bontbekplevier, fuut, goudplevier, graspieper, grote lijster, grote zilverreiger, keep, kievit, kneu, koekoek, kramsvogel, meerkoet, nachtegaal, oeverloper, rietzanger, ringmus, slobeend, smient, spotvogel, veldleeuwerik, visdief, watersnip, wielewaal, wintertaling, bruin blauwtje en beemdkroon. Voor alle activiteiten die uitgevoerd worden en mogelijk negatieve gevolgen kunnen hebben, moeten deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt worden.
Het leefgebied van de haas bestaat uit gras- en akkerlanden, open bos, heide en kwelders. Hazen eten voornamelijk grassen, kruiden en akkerbouwproducten zoals graan, maïs en klaver (Zoogdiervereniging, 2024). Aangezien de planlocatie voor een groot deel uit akkerland en bosschages bestaat en er meerdere waarnemingen van hazen bekend zijn op de planlocatie (NDFF 2019-2024), is het aannemelijk dat de planlocatie gebruikt wordt als leefgebied. Gezien de omvang van ontwikkeling kan niet worden uitgesloten dat de beoogde ruimtelijke ingreep resulteert in negatieve effecten ten opzichte van de staat van instandhouding van hazen. Derhalve dienen deze effecten inzichtelijk gemaakt te worden met aanvullend onderzoek (H4.3). Het konijn komt voornamelijk voor in halfopen landschappen zoals perken, tuinen, duinen en bosranden waar zandige bodems aanwezig zijn. Ze eten eiwitrijke en lichtverteerbare plantendelen, zoals scheuten en wortels van grassen en kruiden (Zoogdiervereniging, 2024). De planlocatie bestaat voornamelijk uit open akkerland, met aan de randen bosschages. Hoewel er enkele waarnemingen van het konijn bekend zijn op de planlocatie (NDFF 2019-2024), kan essentieel leefgebied van het konijn uitgesloten worden. Er zijn tijdens het veldbezoek geen holen of sporen, zoals keutels, aangetroffen op of rondom de planlocatie.
Daarnaast ontbreekt geschikt biotoop in de vorm van halfopen landschappen met voldoende gras- en kruidachtige velden. De beoogde ruimtelijke ingreep resulteert niet in negatieve effecten ten opzichte van de staat van instandhouding van het konijn. De bontbekplevier, goudplevier, graspieper, keep, kievit, kneu, kramsvogel en veldleeuwerik zijn vogels die voornamelijk voorkomen op en rondom akkerlanden. De meeste van deze soorten zijn enkel in de winter in Nederland te vinden op akkerlanden, vanwege het hogere voedselaanbod. De kievit en veldleeuwerik maken het hele jaar door gebruik van akkerlanden en broeden hier tevens ook (Vogelbescherming, 2024). Daarnaast broedt de bontbekplevier in Flevoland, in tegenstelling tot andere provincies, ook op de kale akkers (Vogelbescherming, 2024). Voor alle drie de soorten geldt dat de huidige staat van instandhouding zeer ongunstig is. Daarnaast nemen alle drie de soorten in aantallen af als broedvogel in Flevoland. Gezien het grote oppervlakte aan potentieel broedgebied van de bontbekplevier, kievit en veldleeuwerik wat mogelijk verdwijnt, kan niet worden uitgesloten dat de beoogde ruimtelijke ingreep resulteert in negatieve effecten ten opzichte van de huidige staat van instandhouding van deze soorten.