Bestemmingsplan Datacenter Lelystad 20201116 - ontwerp (OUD)
Tekst van het document
Typering Bebouwing (conform bestemmingsplan) bedrijfsgebouw (hoogte max. 40 meter, met afwijking +10%), tanks en silo’s (hoogte max. 35 meter, met afwijking +10%), bouwwerken geen gebouwen (erfafscheidingen, palen en masten, reclamemast, overig). Situering Hoofdstuk 3
24
Alle gebouwen moeten haaks op, of evenwijdig aan de straat staan en aansluiten op de toe te passen rooilijn.
Hoofdvorm De hoofdvorm van bedrijfsgebouwen is eenvoudig en ingetogen. Daken zijn bij voorkeur plat afgedekt. Andere dakvormen zijn mogelijk. Zadeldaken zijn niet toegestaan. Het bedrijfsgebouw dient een eenheid te zijn. Deze kan echter wel geleed zijn in voor- en achtergebouw, maar kantoor en hal vormen één geheel. Gevelaanzicht De bebouwing is representatief langs IJsselmeerdijk, de hoofdontsluiting en alle overige openbare en openbaar toegankelijke infrastructuur. Gevels zijn expliciet ontworpen. Indien mogelijk gevelopeningen naar de openbare ruimte. In het gevelaanzicht en/of met het materiaalgebruik is een subtiel reliëf of structuur aanwezig. Materiaalkeuze, kleurgebruik en detaillering Bedrijfsgebouwen worden uitgevoerd in een nader te bepalen materiaal in één of meer gedekte natuurtinten. De kleurstelling wordt bepaald aan de hand van ‘kleurenspectrum I Flevokust’. Het kleurenspectrum is uitgangspunt, een afwijkende kleur wordt beoordeeld in de geest van het kleurenspectrum. De detaillering is zorgvuldig en ondersteund de architectuur. Erfafscheidingen grenzend aan openbaar gebied uitvoeren in kleur RAL 7021 (zwartgrijs). Kleine windinstallaties op/aan of bij het gebouw worden qua kleurstelling afgestemd op de bebouwing.
Doorwerking plangebied De belangrijkste ruimtelijke dragers van de Flevokust zorgen bieden duidelijke richtlijnen voor de ontwikkeling van dit gebied. Zoals gezegd is de “Flevokust straks zichtbaar, maar zal zich met respect voegen in het landschap”. Dit wordt nagestreefd door gebruik te maken van (al bestaande) herkenbare ruimtelijke elementen zoals de Maximalcentrale en de toekomstige kranen in de containerterminal. Anderzijds worden bestaande landschappelijke elementen zoals de houtribbos, visvijverbos en de oorspronkelijke structuur van de oude viskwekerij gebruikt als basis voor het groene raamwerk wat zorgt voor een besloten binnendijkse karakter. Het nieuw te realiseren datacenter maakt gebruikt van de oorspronkelijke verkavelingsstructuur van de oude viskwekerij en vormt de noordelijke kop van het terrein. De zichtbaarheid vanaf de A6 zal minimaal zijn door het bestaande groene raamwerk (zie figuur 3.2). Zichtbare elementen zullen door de beoogde eenvoudige en ingetogen karakter niet uit het oog springen maar zorgen voor een zachte overgang. Het typerende open landschap ten oosten van de Flevokust is vanaf de A6 erg goed zichtbaar. Vanaf de IJsselmeerdijk is dit door de aanwezigheid van het groene raamwerk al in mindere maten.
Om dit te versterken en de orthogonale opzet van de voormalige viskwekerij leesbaar te houden worden ‘vizieren’ gecreëerd naar het achterliggende landschap. Ter hoogte van het nieuw te realiseren datacenter is de IJsselmeerdijk niet op maar achter de dijk gelegen. Hierdoor zijn er geen doorzichten naar het achterliggend landschap maar enkel windmolens zichtbaar. Het nieuw te realiseren datacenter maakt gebruik van de oorspronkelijke structuur van de oude viskwekerij en vormt de Hoofdstuk 3
25
noordelijke kop van het terrein. Door het groene raamwerk tussen het terrein en de A6 zal de zichtbaarheid minimaal zijn. In combinatie met een eenvoudig en ingetogen karakter zal het zich met respect voegen in het landschap. Het nieuw te realiseren datacenter zal tevens voldoen aan de welstandscriteria uit het beeldregieplan Flevokust.
Figuur 3.2: Zichtbaarheid datacenter vanaf A6 (linksboven) en IJsselmeer (rechtsboven). Zichtlocaties zijn in de onderste afbeelding weergegeven.
Hoofdstuk 3
26
4.
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN Iedere ruimtelijke ontwikkeling moet voldoen aan het beginsel van een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent dat er in de beoogde situatie sprake is van goede omgevingscondities, waarbij er geen sprake is van overlast en hinder in relatie tot omliggende functies. Anderzijds dient er sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu. In dit hoofdstuk wordt het planvoornemen getoetst aan de relevante milieuaspecten (bodem, water, milieuzonering en externe veiligheid) en op andere sectorale regelgeving (bijvoorbeeld archeologie, cultuurhistorie en ecologie).
4.1 Milieueffectrapportage Op grond van de Wet milieubeheer is het voor projecten die mogelijk grote gevolgen kunnen hebben voor het milieu verplicht om een procedure voor de milieueffectrapportage (m.e.r.-procedure) te doorlopen. De m.e.r.-procedure is bedoeld om ten aanzien van bepaalde plannen en besluiten de milieubelangen expliciet mee te wegen bij besluitvorming. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen "m.e.r.-plichtige activiteiten" waarvoor een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld en "m.e.r.- beoordelingsplichtige activiteiten" waarbij in de vorm van een m.e.r.-beoordeling moet worden afgewogen of significante negatieve gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Indien deze niet kunnen worden uitgesloten dan dient alsnog een MER opgesteld te worden. Doorwerking plangebied De beoogde ontwikkeling valt in het Besluit m.e.r. onder één van de categorieën waarvoor afgewogen dient te worden of er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plicht. De beoogde ontwikkeling valt in het kader van in het Besluit milieueffectrapportage niet direct onder één van de genoemde categorieën, echter aangesloten zou kunnen worden bij de D-lijst onder D.11.3 "De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein".
De volgende drempelwaarde is hierbij in het Besluit mer opgenomen: − In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer. Het totale terrein van het geplande datacentrum kent een oppervlakte van circa 10 hectare. Hiermee is geen sprake van een overschrijding van de drempelwaarde. Derhalve is geen directe noodzaak voor het opstellen van een MER. In het Besluit m.e.r. wordt de procedure voor de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling opgenomen. Voor elke aanvraag waarbij een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling aan de orde is moet allereerst door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld. Vervolgens dient het bevoegde gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden. In het geval er geconcludeerd wordt dat er geen MER benodigd is, zijn er geen verdere procedurele verplichtingen. Bij het opstellen van de m.e.r.-beoordelingsnotitie wordt aandacht besteed aan alle criteria die zijn opgenomen in Bijlage III bij de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten'. Drie hoofdcriteria staan hierbij centraal: de kenmerken van het project; de plaats van het project; de kenmerken van de potentiële effecten.
Hoofdstuk 4
27
Voor onderhavig project is daarom een vormvrije m.e.r.-beoordeling/ aanmeldnotitie opgesteld. Hiervoor wordt verwezen naar de bijlagen. In deze aanmeldingsnotitie zijn de mogelijke effecten van de beoogde planontwikkeling nader inzichtelijk gemaakt. In de aanmeldnotitie wordt geconcludeerd dat aangezien de impact op de beschouwde omgevingsaspecten beperkt van aard is en er geen nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn het opstellen van een milieueffectrapportage (MER) niet nodig is voor de beoogde planontwikkeling.
4.2 Bodemkwaliteit In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. Doorwerking plangebied Om de bodemkwaliteit van het plangebied inzichtelijk te maken is door Mol Ingenieursbureau een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (projectnummer: A5472, datum: 13 mei 2020). Conclusie van het rapport is: Circulaire Bodemsanering 2013 De bovengrond is niet verontreinigd met de onderzochte parameters; De ondergrond is zeer plaatselijk licht verontreinigd met kobalt; Het grondwater is sterk tot en met licht verontreinigd met barium en plaatselijk licht verontreinigd met nikkel en zink. De hypothese onverdacht wordt verworpen.
De verontreinigingen in het grondwater worden toegeschreven aan van nature verhoogde achtergrondconcentraties. Omdat de grond plaatselijk slechts licht verontreinigd is met kobalt, wordt verwacht dat vanuit overheidswege geen nader onderzoek zal worden verlangd. Opgemerkt wordt dat indien bijvoorbeeld bij herinrichtingswerkzaamheden grond vrijkomt die niet ter plaatse kan worden hergebruikt er restricties gelden ten aanzien van het hergebruik. Tijdelijk Handelingskader PFAS De bovengrond wordt aangeduid als klasse achtergrondwaarde op basis van PFAS; De ondergrond wordt aangeduid als klasse achtergrondwawarde op basis van PFAS. Benadrukt wordt dat het onderzoek naar PFAS een indicatief karakter heeft. Het bevoegd gezag dient hierover een definitieve uitspraak te doen.
Hoofdstuk 4
28
Conclusie Kortom, in het verkennend bodemonderzoek wordt aangetoond, dat de chemische milieuhygiënische kwaliteit van de bodem voldoende is vastgesteld en dat de aangetoonde verontreinigingen geen vervolgonderzoek behoeven. Het aspect bodem vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde bestemmingsplanherziening.
4.3 Water Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de watertoets wettelijk verplicht door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle van belang zijn de waterhuishoudkundige aspecten (naast veiligheid en wateroverlast ook bijvoorbeeld waterkwaliteit en verdroging). De watertoets is een belangrijk procesinstrument om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in de ruimtelijke ordening. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan. De watertoetsprocedure kan op drie manieren gevolgd worden: de procedure geen waterbelang, de korte procedure en de normale procedure. Welke procedure gevolgd moet worden hangt af van de implicaties van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. De procedure geen waterbelang en de korte procedure zijn bedoeld voor ruimtelijke plannen met beperkte gevolgen voor de waterhuishouding. Bij deze twee procedures kan de watertoets volledig digitaal doorlopen worden. De normale procedure is gericht op ruimtelijke plannen met relatief vergaande consequenties voor de waterhuishouding. In dit geval is actieve betrokkenheid van Waterschap Zuiderzeeland nodig.
Deze uitgangspuntennotitie dient als goede basis voor het overleg. De relevante randvoorwaarden voor het plan zijn gerangschikt onder zeven streefbeelden ingedeeld op basis van de drie waterthema's: 'Veiligheid, Voldoende Water en Schoon Water'. Rijksbeleid Het Nationaal Waterplan is de rijksnota voor het nationale waterbeleid en wordt op basis van de Waterwet eens per 6 jaar opgesteld. In het Nationaal Waterplan, opgesteld in december 2015, zijn de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050, opgenomen. Het Nationaal Waterplan streeft naar het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Waterschap Zuiderzeeland Het plangebied valt binnen het beheergebied van het Waterschap Zuiderzeeland. Het algemeen bestuur van Zuiderzeeland heeft op 27 oktober 2015 het Waterbeheerplan 2016 – 2021 vastgesteld. Het WBP bevat langetermijndoelen (zichtjaar 2050), doelen voor de planperiode (2016-2021) en maatregelen die het waterschap (samen met gebiedspartners) uitvoert.
Deze hebben betrekking op de kerntaken van het waterschap: waterveiligheid, schoon water, voldoende water, en het aanvullende thema ‘water en ruimte’. Het Waterschap Zuiderzeeland streeft daarbij ook naar het innovatief omgaan met verduurzaming.
Hoofdstuk 4
29
Elk waterschap hanteert naast de Waterwet haar eigen regionale regels. Deze regels zijn opgenomen in de Keur. In de Keur staat wat wel en niet is toegestaan in het water en eromheen. Hier zijn regels opgenomen over het gebruik en onderhoud van het watersysteem. Op basis van de Keur kan worden bepaald of voor een bepaalde activiteit een watervergunning aangevraagd dan wel een watermelding ingediend moet worden. Doorwerking plangebied Er is door onderzoeksbureau Peutz een notitie opgesteld waarin de beoogde ontwikkeling getoetst wordt aan de relevante beleidskaders betreffende het aspect water. In voorliggende bestemmingsplantoelichting wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies uit deze notitie, voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Thema veiligheid Streefbeeld ‘Veiligheid - primaire waterkeringen op orde’ Het buitenwater is een reële bedreiging voor de veiligheid in Flevoland. Waterkeringen beschermen Flevoland tegen deze bedreiging. Het waterschap wil de veiligheid ook in de toekomst blijven waarborgen. Door te werken aan veilige, robuuste en duurzame waterkeringen anticipeert het waterschap op sociale ruimtelijke, economische en klimatologische ontwikkelingen. Doorwerking plangebied thema veiligheid De voorgenomen ontwikkeling ‘raakt’ de Buitenbeschermingszone aan de binnenkant van de primaire waterkering de IJsselmeerdijk.
Dit is relevant in verband met (mogelijke) toekomstige dijkversterking van de IJsselmeerdijk en de dijkkruisingen ten behoeve van de gewenste aanleg van kabels en leidingen. Voor het realiseren van bebouwing bestaan mogelijk risico's ten aanzien van de stabiliteit van de primaire waterkering, als gevolg van onder andere het heien van de funderingen. Hierbij speelt een vermindering van de draagkracht van de grond en daarmee instabiliteit van de waterkering. Ook kan zetting worden veroorzaakt met verdichting van de grond als gevolg. Andere effecten hebben betrekking tot perforatie van water scheidende lagen en ontstaan of verergeren van kwel, en het ontstaan van zand meevoerende wellen achter de waterkering. Ten tijde van realisatie van de beoogde ontwikkelingen dienen deze effecten middels trillingsonderzoek en aanvullende berekeningen te worden beoordeeld en aan het Waterschap Zuiderzeeland te worden overlegd. Voor de realisatie van de beoogde ontwikkeling is mogelijk trillingsonderzoek en onderzoek naar opbarstrisico's gewenst in het kader van eventuele effecten op water, bodem, en waterwerken. Hierbij dient met het waterschap in overleg te worden getreden voor afstemming, voorafgaand en tijdens werkzaamheden.
Naar verwachting zullen er ten gevolge van trillingen tijdens de bouwwerkzaamheden, gezien de ruime afstand tot de IJsselmeerdijk, geen schadelijke effecten aan de dijk optreden. In het kader van de haalbaarheid van het bestemmingsplan vormen deze aspecten geen belemmering. Thema Voldoende water Streefbeeld wateroverlast Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebeid, is in 2015 op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen.
Hoofdstuk 4
30
Streefbeeld ‘goed functionerend watersysteem’ Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het (maatschappelijk) gewenste grond- en oppervlaktewaterwaterregime (GGOR) mogelijk. Waterschap Zuiderzeeland streeft er naar dat de feitelijke situatie van het watersysteem overeenkomt met de legger. Op die manier kan het waterschap weloverwogen anticiperen op en reageren in extreme situaties. Streefbeeld ‘anticiperen op watertekort’ Het waterschap wil een robuust watersysteem dat voorbereid is op de effecten van toekomstige klimaatveranderingen. Tot nu toe ligt de nadruk bij klimaatveranderingen met name op meer extreme neerslag en stijging van de zeespiegel. Ook extreem droge periodes zullen echter vaker voor komen. Het robuuste watersysteem dat het waterschap nastreeft moet hier ook op anticiperen. Doorwerking plangebied thema Voldoende water De beoogde ontwikkeling dient waterberging te realiseren (circa 5.059 m2 aan oppervlaktewater) om de toename aan verhard oppervlakte binnen het plangebied te compenseren. Ook dienen bij de beoogde ontwikkeling middelen te worden toegepast ter tijdelijke retentie om de afwatering op de wateroppervlaktes vertraagd te laten verlopen. Compensatie dient uitgevoerd te worden alvorens de aanleg van het datacenter en/of verharding.
Nadere uitwerking van de compensatievoorziening dient in een later stadium te volgen. De compensatie dient in overleg met het Waterschap Zuiderzeeland te worden uitgevoerd. Het aanleggen van het verharde oppervlak bij de beoogde ontwikkeling behoeft een vergunning van het waterschap. Tevens, omdat het verboden is handelingen met invloed op waterstaatswerken (waaronder ook aanleggen/graven) uit te voeren zonder watervergunning, geldt voor de uitvoer van de compensatiewerkzaamheden ook een vergunningplicht. Dit zal naar verwachting geen belemmeringen opleveren voor de beoogde ontwikkeling. Daarmee kan vooralsnog worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling een neutraal effect heeft op de waterkwantiteit en het bergend vermogen. Thema Schoon water Streefbeeld ‘goede structuurdiversiteit’ Het waterschap streeft naar goede leef, verblijf- en voortplantingsmogelijkheden voor de aquatische flora en fauna in het beheergebied. Streefbeeld ‘goede oppervlaktewaterkwaliteit’ Het grond- en oppervlaktewater biedt leef-, verblijf-, en voortplantingsmogelijkheden voor de (aquatische) flora en fauna in het beheergebied. De chemische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor. Streefbeeld ‘goed omgaan met afvalwater’ Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het water doordat ze water verontreinigen.
Het waterschap zorgt met de behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan.
Hoofdstuk 4
31
Doorwerking plangebied thema Schoon water Met de beoogde ontwikkeling is geen sprake van bedrijfsafvalwater in de vorm van proceswater. Er is uitsluitend sprake van huishoudelijk afvalwater. Eventueel wordt een vetvanger toegepast. Het huishoudelijk afvalwater wordt aangesloten op het openbaar vuilwaterriool. De grote toename in verhard oppervlakte ter plaatse van het plangebied veroorzaakt relatief hoge debieten aan hemelwaterstromen. Bij de beoogde ontwikkeling dienen derhalve middelen te worden toegepast ter tijdelijke retentie om de afwatering op de wateroppervlaktes vertraagd te laten verlopen en dit dient voor het verontreinigde hemelwater (parkeerterrein en ontsluitingswegen) gecombineerd te worden met een zuiverende stap. Voor deze voorzieningen ten aanzien van waterzuivering (in combinatie met de compensatievoorziening) dienen de geldende richtlijnen en voorschriften uit de Keur gevolgd te worden. De inrichting en afvoer van hemelwater geschiedt zodanig dat wordt voldaan voorwaarden uit de Waterwet. Daarmee zal met de beoogde ontwikkeling geen sprake zijn van de verontreiniging van grondwater of KRW-watergangen. Opgemerkt wordt dat het exacte verloop van de afvalwaterstromen, routering en lozingspunten in dit stadium onbekend zijn en later worden vastgelegd.
Voor het lozen van bedrijfsafvalwater (huishoudelijk) in oppervlaktewater/gemeentelijke riolering geldt een vergunningplicht. Voor het lozen van huishoudelijk afvalwater afkomstig van het nieuwe datacentrum in wel/niet kwetsbaar water, geldt een meldplicht. Voor het lozen van afstromend hemelwater niet afkomstig van een bodembeschermende voorziening (dak, terreinverharding) in wadi/oppervlaktewater/gemeentelijke riolering geldt een meldplicht. Conclusie Ten aanzien van water zijn er naar verwachting geen belemmeringen aanwezig voor de ontwikkeling van het bouwplan.
4.4 Bedrijven en milieuzonering Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met milieuzoneringen om zodoende de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (editie 2009). Voor een scala aan milieubelastende activiteiten zijn richtafstanden aangegeven in de VNG-publicatie. In de lijsten (Staat van Bedrijfsactiviteiten) wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid. De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven.
Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Voorts wordt onderscheid gemaakt in twee verschillende Hoofdstuk 4
32
gebiedstypen: rustige woonwijk c.q. rustig buitengebied enerzijds en gemengd gebied anderzijds. De richtafstanden gaan uit van eerstgenoemd gebiedstype. Indien er sprake is van ‘gemengd gebied’ mag echter één afstandsstap worden teruggeschakeld. Doorwerking projectgebied Onderzoeksbureau Peutz heeft een notitie opgesteld waarin het aspect bedrijven & milieuzonering wordt onderzocht. Hierin wordt ingegaan op de aspecten geur, stof, geluid, gevaar en licht. In voorliggende bestemmingsplantoelichting wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies uit deze notitie, voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. In de notitie wordt geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling wat betreft het aspect bedrijven en milieuzonering inpasbaar in de omgeving. In de planuitwerking is extra aandacht om lichtuitstraling naar de natuur en hemel te beperken, wenselijk. De beoogde ontwikkeling is op passende afstand gelegen ten opzichte van omliggende (gevoelige) functies, waarmee daar een goed woon- en leefklimaat wordt behouden. Door de oprichting van het datacenter ontstaat geen strijdigheid ten aanzien van een goede ruimtelijke ordening.
4.5 Akoestiek De grondslag voor de bescherming van geluidgevoelige bestemmingen is verankerd in de Wet geluidhinder (Wgh). De Wgh beschermt de volgende geluidgevoelige bestemmingen: woningen; andere geluidgevoelige gebouwen; geluidgevoelige terreinen. Onder een woning wordt verstaan: gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan op grond van de geldende planologische status (bestemmingsplan, beheersverordening, of omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplan of beheersverordening). Onder andere geluidgevoelige gebouwen zijn aangewezen: onderwijsgebouwen; ziekenhuizen en verpleeghuizen; verzorgingstehuizen; psychiatrische inrichtingen; kinderdagverblijven. Doorwerking plangebied In onderhavig geval wordt een datacenter gerealiseerd. Een datacenter is overeenkomstig het gestelde in de Wgh niet geluidgevoelig. Een onderzoek naar de geluidbelasting ter plaatse van het datacenter ten gevolge van omliggende geluidbronnen (wegen, spoorwegen en bedrijven) is dan ook niet noodzakelijk. In het kader van de omgekeerde werking produceert een datacenter wel geluid naar de omgeving. Onderzoeksbureau heeft hiervoor dan ook een akoestisch onderzoek uitgevoerd. In voorliggende bestemmingsplantoelichting wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies uit dit onderzoek, voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen.
Hoofdstuk 4
33
Grenswaarden en wettelijke aspecten Het plangebied betreft conform de aanduiding op het huidige bestemmingsplan geen geluidgezoneerd industrieterrein krachtens de Wet geluidhinder. De gemeente Lelystad heeft echter op 18 november 2014 de 'Beleidsregel doorwerking zonebeheersplan Flevokust' vastgesteld. Met deze beleidsregel heeft de gemeente voorgenomen om bij vergunningverlening voor inrichtingen op het gebied 'Flevokust' eisen te stellen aan de maximale geluidemissie van de bedrijvigheid aldaar en is daarmee als het ware sprake van een geluidgezoneerd industrieterrein. Onderdeel van de beleidsregel betreft het Inpassingsplan Flevokust geluidzone 'Partiële herziening flevokust-geluidzone te Lelystad' opgesteld door Rho Adviseurs voor Leefruimte, welke is vastgesteld op 17 december 2014. Hiermee is het terrein formeel een geluidgezoneerd industrieterrein geworden. In voornoemd document is voor het binnendijkse deel van de Flevokust rekening gehouden met een invulling conform milieucategorie 5.3 en een geluidemissie van 70, 65 en 60.5 dB(A) per m2 voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Deze geluidniveaus zullen in dit onderzoek tevens als toetswaarden worden gehanteerd. Voor de onderhavige planlocatie leidt dit tot een toelaatbare geluidemissie (geluidvermogen, LWR) van 120, 115, 110.5 dB(A).
Geluidsbronnen Voor een datacentrum betreft de meest bepalende geluidbron het koelen van het datacentrum. In dit stadium is de gewenste toegepaste koeltechniek nog niet bekend. In het onderzoek dat is uitgevoerd door onderzoeksbureau Peutz (zie bijlagen) is derhalve het maximaal toegestane geluidvermogen voor koeling bepaald en is de akoestische haalbaarheid van diverse koeltechnieken daarbij beschouwd. De in dit onderzoek beschouwde koelmethodes betreffen het toepassen van koelmachines, adiabatische (natte) koeltorens en het gebruik van koelwater inclusief treatment plant (waterbehandeling). Conclusie onderzoek Uit het onderzoek blijkt dat middels 'extra low noise' (koel)installaties eventueel inclusief aanvullende geluidreducerende maatregelen, het geplande datacentrum binnen het plangebied akoestisch inpasbaar kan zijn. In het onderzoek zijn drie typen koeltechniek akoestisch beoordeeld. In een later stadium zal de keuze van toe te passen koeltechniek met bijbehorende installaties integraal vanuit het aspect milieu, energie-efficiëntie en planinvulling dienen te worden bepaald. Voorts blijkt dat de incidentele bedrijfssituatie bij inzet van noodstroomaggregaten slechts beperkt hogere geluidniveaus teweegbrengt ter plaatse van de omliggende woningen. Hiermee zal geen sprake zijn van een verslechtering van het akoestisch woon- en leefklimaat ter plaatse.
De verkeersaantrekkende werking van de inrichting heeft, vanwege de grote afstand tot de omliggende woningen, geen invloed op het akoestisch woon- en leefklimaat. Geconcludeerd wordt dat, met een zorgvuldig afwegingsproces ten aanzien van de keuze van koeltechniek en toe te passen installaties en maatregelen, vanuit akoestisch oogpunt geen belemmeringen bestaan voor het vaststellen van het bestemmingsplan en realiseren van het geplande datacentrum.
Hoofdstuk 4
34
4.6 Verkeer en parkeren In het kader van een goede ruimtelijke ordening dienen stedelijke ontwikkelingen niet te leiden tot verkeerskundige knelpunten; de extra verkeersintensiteit die wordt gegenereerd dient afgewikkeld te kunnen worden over het bestaande wegennet/de lokale verkeersstructuur. Ook dient er in voldoende parkeergelegenheid te worden voorzien. Het beleid van de gemeente Lelystad is vastgelegd in het Parkeerbeleidsplan Lelystad (2009). De doelstelling van dit plan is het vaststellen van integraal parkeerbeleid als afgeleide van de ambities van Lelystad op het gebied van ruimte, economie en bereikbaarheid. In het parkeerbeleid worden verschillende gebiedstypen (woongebieden, werkgebieden, winkelgebieden, het Stadshart, en de Toeristische knooppunten) binnen de gemeente onderscheiden waarop de beleidsuitgangspunten zijn toegespitst en de bijhorende parkeernormen zijn vastgelegd. Doorwerking plangebied Om na te gaan dat het plan voldoet aan het parkeerbeleidsplan van de gemeente Lelystad en er sprake is van een goede ruimtelijke ordening heeft onderzoeksbureau Peutz een notitie ‘verkeer en parkeren’ opgesteld. In voorliggende bestemmingsplantoelichting wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies uit deze notitie, voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen.
Voor het hier beschouwde aspect 'Parkeren' geldt dat de toekomstige parkeervraag ten gevolge van de geprojecteerde functies zal moeten worden opgevangen. Het voorzien van deze parkeergelegenheid op eigen terrein is een aandachtspunt, om de wegen op het bedrijventerrein vrij te houden en de doorstroming voldoende te kunnen garanderen. In voorliggende notitie is op basis van een inschatting van het beoogde programma een eerste berekening gemaakt van de parkeereis, conform gemeentelijke parkeernormen. Deze heeft een onrealistisch hoge uitkomst. Tevens is een alternatieve berekening gemaakt met een meer realistische uitkomst. Wanneer meer bekend is over het beoogde programma kan de parkeervraag opnieuw worden berekend. Ook wordt opgemerkt dat het gemeentelijk beleid een afwijkingsmogelijkheid heeft. Derhalve vraagt dit aspect bij de verdere planuitwerking om aandacht. Wel zal er in ieder geval rekening mee gehouden moeten worden dat de volledige parkeervraag opgelost moet worden op eigen terrein, conform het gemeentelijk beleid. Met de beoogde ontwikkeling is sprake van een effect op de lokale verkeerskundige situatie. Inpassing van het plan geschiedt via de te realiseren toegangsweg van het bedrijventerrein Flevokust aansluitend op het bestaande verkeersnetwerk.
Gezien de ligging en aard van het plan leidt de beoogde ontwikkeling naar verwachting niet tot verkeerskundige knelpunten. Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan en ontwikkeling van het datacentrum.
4.7 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Hoofdstuk 4
35
het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.
Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2μg/m3). Doorwerking plangebied Om na te gaan dat het plan voldoet aan het luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer heeft onderzoeksbureau Peutz een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd. In voorliggende bestemmingsplantoelichting wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies uit deze notitie, voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat de optredende concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ten gevolge van het datacentrum te Lelystad ten hoogste respectievelijk 14,68 μg/m3, 15,90 μg/m3 en 9,07 μg/m3 bedragen. De toename van de concentraties ten gevolge van het datacentrum op de beoordelingsposities zijn respectievelijk 0,09 μg/m3 0,0 μg/m3 en 0,0 μg/m3 voor NO2 en PM10 en PM2,5.
Hiermee heeft het beoogde datacentrum een verwaarloosbare bijdrage. In de berekening is aangenomen dat een noodstroomaggregaten minder dan 500 uur per jaar in bedrijf is én dat er een urenregistratiesysteem is. Hierdoor, is het niet noodzakelijk voor de stookinstallatie om aan de emissie-eisen te voldoen. De concentraties van NO2 en voor PM10 (inclusief PM2,5) voldoen aan de wettelijke grenswaarden 40 μg/m3. Tevens voldoet de concentratie PM2,5 aan de grenswaarde van 25 μg/m3, want de maximale concentratie voor PM2,5 (inclusief PM10) is 9,07 μg/m3. Tevens voldoen het aantal overschrijdingen per jaar van het uur- en daggemiddelde concentratie aan de wettelijke grenswaarden. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan en ontwikkeling van het datacentrum.
4.8 Stikstofdepositie In het kader van de Wet natuurbescherming dient beoordeeld te worden of een ontwikkeling de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in Natura 2000-gebieden kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Overbelasting door stikstofdepositie vormt voor een groot aantal Natura 2000-gebieden een groot probleem voor de natuur.
Hoofdstuk 4
36
Doorwerking plangebied Door de beoogde ontwikkeling ontstaat een verandering ten opzichte van de emissie van stikstofhoudende verbindingen binnen het plangebied en daarmee ook van de stikstofdepositie in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. In dat kader is er door Peutz een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd (zie bijlagen). In dit onderzoek zijn de stikstofemissie en de stikstofdepositie ten gevolge van de beoogde ontwikkeling nader beschouwd. Zowel de aanleg- en bouwfase als de gebruiksfase zijn vergeleken met de referentiesituatie. Uit de rapportage volgt dat noch de aanlegfase noch de gebruiksfase van de beoogde ontwikkeling leidt tot een stikstofdepositie ter plaatse van voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden hoger dan 0,00 mol N/ha/jaar. Hiermee vormt stikstofdepositie in het kader van de Wet natuurbescherming geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. De provincie Flevoland had op de eerste versie van het stikstofdepositieonderzoek enkele vragen en opmerkingen. Tijdens een digitale afspraak in augustus 2020 tussen provincie en initiatiefnemer zijn afspraken gemaakt over diverse aspecten die in de rapportage gewijzigd moesten worden. Deze aanpassingen zijn in de rapportage verwerkt.
4.9 Archeologie De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2021 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode tot inwerkingtreding van de Omgevingswet een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. Provinciaal archeologiebeleid Voordat de Zuiderzee ontstond is het grondgebied van de provincie Flevoland ook al bewoond geweest. Duizenden jaren geleden hebben deze eerste bewoners sporen achtergelaten, die bewaard zijn gebleven in de bodem van Flevoland. Deze archeologische waarden zijn uniek.
Het Europees verdrag op het gebied van de bescherming van het archeologisch erfgoed verplicht de deelstaten om archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem te behouden. Dit is geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving. Indien behoud in de bodem niet mogelijk is moeten belangrijke archeologische waarden door middel van opgravingen en onderzoek veilig worden gesteld. Het provinciaal beleid sluit aan bij het Europese verdrag en legt de nadruk op het vergroten van het Hoofdstuk 4
37
maatschappelijk rendement van de archeologische monumentenzorg. Deze verplichting geldt voor heel Flevoland. In het provinciaal archeologiebeleid is onderscheid gemaakt in Provinciaal Archeologische en Aardkundige Kerngebieden (PArK'en), archeologische aandachtsgebieden en top 10-locaties. Deze gebieden en locaties acht de provincie van provinciaal belang. De PArK'en en top-10- locaties zijn door de provincie uitgewerkt, de uitwerking van de archeologische aandachtsgebieden is een gemeentelijke verantwoordelijkheid. Archeologische aandachtsgebieden zijn gebieden met een relatief hoge dichtheid aan goed geconserveerde archeologische waarden. Zij omvatten delen van de prehistorische stroomgebieden van de Vecht, IJssel en Eem, waarin onder andere nederzettingen van de Swifterbantcultuur liggen. Deze aandachtsgebieden bevinden zich onder andere in het noordelijke en zuidelijke deel van gemeente Lelystad. De vermoedelijke archeologische waarden in het noordelijke gebied zijn dusdanig groot dat dit gebied, dat grenst aan het PArK Rivierduingebied Swifterbant, in gemeentelijk beleid als te onderzoeken gebied is aangewezen. Naast PArK'en, aandachtsgebieden en top-10-locaties zijn door de provincie ook aardkundig waardevolle gebieden aangewezen. In de aardkundig waardevolle gebieden bevinden zich naast oude menselijke sporen ook sporen van vroegere landschappen.
Elementen als oude geulsystemen en rivierduinen, zeldzame veenresten en zeer oude bodems vormen onderdelen van deze zeer oude, fossiele landschappen. Uit deze aardkundige elementen is de ontstaansgeschiedenis van Flevoland af te lezen. De provincie heeft een eerste inventarisatie en waardering van de aanwezige aardkundige waarden uitgevoerd. Dit heeft geresulteerd in de globale begrenzing van aardkundig waardevolle gebieden. Binnen de gemeentegrenzen van Lelystad bevinden zich onder andere de aardkundig waardevolle gebieden “Rivierduinen en stroomgeulen Swifterbant 1 en 2”. Doorwerking plangebied In 2007 is door Vestigia b.v. een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd voor de Flevokust, waar het plangebied deel van uitmaakt (zie bijlagen). Uit dit onderzoek blijkt dat er in het binnendijkse deel van het plangebied sprake is van drie archeologische verwachtingen: 1) Archeologische waarden die zich op eventuele oeverwallen en in aangrenzende kreekgeulafzettingen kunnen bevinden en die uit de middenfase van de Swifterbantcultuur dateren, namelijk van circa 4600 tot 4200 v.Chr. Deze archeologische verwachting geldt alleen voor het meest noordoostelijke puntje van het plangebied (blauw omkaderd in figuur 4.1). 2) Archeologische waarden die zich in de top van het pleistoceen dekzand kunnen bevinden en die van voor het Neolithicum dateren.
Deze archeologische verwachting geldt voor het hele binnendijkse deel van het plangebied. 3) Scheepswrakken die zich in de ondiepere holocene afzettingen kunnen bevinden, namelijk in de Almere-afzettingen.
Hoofdstuk 4
38
Figuur 4.1: Indicatieve kaart van Archeologische Waarden (plangebied blauw omkaderd).
Het plangebied maakt onderdeel van zone 1. Voor deze zone heeft Vestigia geadviseerd verdere planontwikkelingen te voorkomen door geen bouwactiviteiten te ondernemen. Indien er toch in deze zone gebouwd moet worden, heeft Vestigia geadviseerd nader verkennend en karterend archeologisch booronderzoek uit te voeren, met als doel om vast te stellen of er in deze zone ook daadwerkelijk sprake is van archeologische waarden. Naar aanleiding van de conclusie uit het archeologisch vooronderzoek is er door Vestigia in 2008 voor het plangebied een nader verkennend en karterend archeologisch booronderzoek uitgevoerd (zie bijlagen). Uit het verkennend en karterend booronderzoek blijkt dat in het uiterste noordoosten van het plangebied Flevokust in de ondergrond sprake is van een oeverwal. Deze oeverwal bestaat uit Oude Zeeklei Afzettingen. De top van de oeverwal ligt op 1,10 onder maaiveld (5.80 m -NAP). Naar het zuidwesten toe duiken de Oude Zeeklei Afzettingen weg tot 2.80 m onder maaiveld (7.50 m -NAP). De oeverwal is opgebouwd uit ongerijpte en matig gerijpte klei. De matig gerijpte klei kenmerkt zich door een korrelige structuur, maar is zeker niet stug (men kan hier eenvoudig een vinger indrukken). Alle boringen die in het kader van het verkennend en karterend booronderzoek zijn gezet, zijn tot een diepte van tenminste 9 meter -NAP gezet.
Binnen dit traject zijn geen cultuurlagen aangetroffen. In de boringen zijn ook geen andersoortige archeologische indicatoren aangetroffen, zoals vuurstenen artefacten, aardewerk of houtskool. Op basis van de onderzoeksresultaten adviseert Vestigia b.v. derhalve geen nader archeologisch onderzoek en ziet geen bezwaar tegen de voortgang van de bouwplannen. Hoofdstuk 4
39
Conclusie Archeologie vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het datacenter.
4.10 Natuurwaarden De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden.
Hoofdstuk 4
40
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijsteling kan worden verleend door het bevoegd gezag.
Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Doorwerking plangebied Er is door Bureau Waardenburg een quickscan flora en fauna uitgevoerd (d.d. 26 maart 2020) voor onderhavig plangebied. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen bij deze toelichting. Hieronder worden de belangrijkste conclusies beschreven. Soortenbescherming Vanuit de Wet natuurbescherming (Wnb) bestaan voor uitvoering van de voorgenomen ingreep geen beperkingen. Overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb als gevolg van de ontwikkeling van het datacenter is niet te verwachten. Een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt op 0,2 km afstand van Natura 2000-gebied IJsselmeer. Op ruimere afstand liggen het Markermeer & IJmeer (4 km), Oostvaardersplassen (12 km), Ketelmeer & Vossemeer (9 km), Lepelaarplassen (26 km), Veluwerandmeren (20 km) en de Veluwe (26 km). Effecten van de voorgenomen ingreep op Natura 2000-gebieden en hun instandhoudingsdoelstellingen zijn op voorhand met zekerheid uitgesloten.
Het aspect stikstofdepositie is onderzocht in een separaat onderzoek (zie paragraaf 4.8). Beleid voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN) De planlocatie ligt buiten het NNN. Het dichtstbijzijnde gebied dat onderdeel is van NNN ligt op circa 5 km afstand. Er zijn geen ruimtelijke ontwikkelingen binnen het NNN en de voorziene ontwikkeling heeft geen invloed op de kwaliteit van het NNN. Een “Nee, tenzij”-toets is daarom niet nodig.
Hoofdstuk 4
41
De provincie verwacht van gemeenten wel dat zij zorgen voor een goede ruimtelijke ordening en voorkomen dat naast elkaar gelegen bestemmingen elkaar teveel hinderen. Op grond van het feit dat de voorgenomen ingreep geen uitstralende effecten heeft buiten het plangebied, is beoordeeld dat de ingreep geen effecten kan hebben op natuurdoelen van het NNN. De ontwikkeling van het datacenter leidt niet tot hinder van omliggende functies (agrarisch, natuur) omdat als gevolg van de ingebruikname geen licht-, trilling- of geluidsoverlast ontstaat of sprake is van aantasting van landschapskenmerken.
4.11 Externe veiligheid Externe veiligheid betreft het risico (dat aan activiteiten verbonden is) voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (onder andere van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. Risicobronnen kunnen onderscheiden worden in risicovolle inrichtingen (onder andere LPG-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen (via wegen, spoorwegen, vaarwegen) en buisleidingen (onder andere aardgas en brandbare vloeistoffen). De wet- en regelgeving ten aanzien van externe veiligheid zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Structuurvisie buisleidingen, het Basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Om voldoende ruimte te scheppen tussen risicobronnen en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid (meer personen toevoegen aan een gebied) kunnen om onderzoek vragen. In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).
Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Doorwerking projectgebied Met de beoogde ontwikkeling is, zoals gedefinieerd in de wetgeving op het gebied van externe veiligheid, sprake van (beperkt) kwetsbare objecten. In de directe omgeving van de ontwikkellocatie is sprake van transport van gevaarlijke stoffen, te weten via een tweetal aardgasbuisleidingen en per autosnelweg. Aangezien de beoogde ontwikkeling zich binnen de inventarisatieafstanden van deze bronnen bevindt moet, conform het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), inzicht worden gegeven in de externe veiligheidsrisico’s. Er is daarom door onderzoeksbureau Peutz een kwantitatieve risicoanalyse uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in
Hoofdstuk 4
42
de bijlagen bij deze toelichting. Hieronder worden de belangrijkste conclusies beschreven. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een datacentrum op thans agrarisch gebied. Het betreffend plangebied ligt op korte afstand van enkele vanuit externe veiligheid relevante risicobronnen, te weten het vervoer van gevaarlijke stoffen over de rijksweg A6 en hoge druk aardgasbuisleidingen. Aangezien het gebouw conform wetgeving op het gebied van externe veiligheid als beperkt kwetsbaar object wordt beschouwd en het vigerende bestemmingsplan niet in deze functie voorziet dient voor deze risicobronnen het externe veiligheidsrisico uitgedrukt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico, op kwantitatieve wijze inzichtelijk te worden gemaakt. Een eventuele verandering van het groepsrisico dient verantwoord te worden. Op basis van het uitgevoerde onderzoek wordt geconcludeerd, dat er geen belemmeringen zijn met betrekking tot het plaatsgebonden risico contour. Voor de snelweg en de buisleiding A570 is geen 106-contour vastgesteld. Voor de buisleiding A655 is wel een PR 10- 6-contour vastgesteld maar het plangebied ligt ruimschoots buiten deze contour. Uit de groepsrisico berekeningen wordt geconcludeerd dat er geen overschrijding is van de oriëntatiewaarde, noch dat sprake is van een significante toename ten gevolge van de beoogde ontwikkeling.
Vanwege de ligging van de beoogde ontwikkeling in het invloedsgebied van voornoemde risicobronnen en het feit dat de risicobronnen de oriëntatiewaarde noch een significante toename overschreden dient het groepsrisico beperkt verantwoord te worden. In het onderzoeksrapport is een verantwoording opgenomen. Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van het aspect externe veiligheid geen belemmering betreft van vaststelling van het bestemmingsplan en realisatie van het datacentrum. Ten aanzien van de brandveiligheid van/binnen de gebouwen geldt dat er naast het Bouwbesluit geen aanvullende wettelijke verplichtingen van toepassing zijn voor datacenters. Gezien de aard van de beoogde functie met de aanwezigheid van veel apparatuur, zal er aandacht worden besteed aan de brandveiligheid en de zelfredzaamheid in het ontwerp van het gebouw.
4.12 Kabels en leidingen Ter plaatse van het plangebied lopen geen planologisch relevante kabels of leidingen. Eventuele risicovolle buisleidingen in de omgeving zijn reeds behandeld in de voorgaande paragraaf. Het aspect ‘kabels en leidingen’ zorgt dan ook niet voor belemmeringen.
Hoofdstuk 4
43
5.
JURIDISCHE OPZET Dit hoofdstuk bevat een toelichting op de in dit bestemmingsplan opgenomen bestemming en aanduidingen. Voor de bestemming zijn de vaste onderdelen beschreven. Eerst het doel van de bestemming, zodat duidelijk wordt waarom de bestemming op bepaalde gronden is gelegd. Daarnaast wordt de juridische regeling voor gebruik en bouwen toegelicht, waarbij wordt ingegaan op de (on)mogelijkheden daarin. Hierin komen ook de flexibiliteitsbepalingen (bijvoorbeeld afwijkingen) en specifieke regelingen (bijvoorbeeld aanduidingen) per bestemming aan bod. De regeling van dit bestemmingsplan voldoet aan de meest recente wetgeving en dus ook aan de Standaard voor Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. Als onderbouwing volgen de belangrijkste uitgangspunten voor de bestemming. De uitgangspunten zijn in eerste instantie gebaseerd op de huidige situatie, de gewenste situatie en het geldend en beleid dat van belang is voor het plangebied. Deze worden daarom ook per bestemming beschreven. Indien nodig zijn bij de uitgangspunten per bestemming ook de randvoorwaarden vanuit de omgevingsaspecten beschreven.
5.1 Bestemming Bedrijf - Dataopslag De hoofdfunctie van het bestemmingsplan is gericht op de realisatie van een datacenter (dataopslag). Dit is mogelijk gemaakt in de bestemming "Bedrijf - Dataopslag". Zoals aangegeven wordt aangesloten bij de opzet en systematiek van het huidige bestemmingsplan. 5.1.1 Doel van de bestemming De bestemming heeft tot doel een datacenter voor de opslag van data mogelijk te maken. Daarbij horende voorzieningen worden ook mogelijk gemaakt. 5.1.2 Toelichting op de bestemming Functionele mogelijkheden Bedrijventerrein Binnen de bestemming zijn andere bij het bedrijf horende functies toegestaan. Daarbij gaat het om wegen, spoorwegen voor de interne ontsluiting, straten en paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water, tuinen, erven en terreinen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder bouw- en reclameborden en nutsvoorzieningen. Deze functies zijn toegestaan om een goede bedrijfsvoering voor de nieuw te vestigen bedrijven te kunnen garanderen. In de regels zijn de parkeernormen gekoppeld aan de te realiseren bedrijfsoppervlakten, zodat voldoende parkeren op eigen erf gerealiseerd wordt. De functies bedrijfswoning, verkooppunt van motorbrandstoffen (verkoop aan particulieren) en detailhandel zijn binnen de bestemming volledig uitgesloten.
Kantoren zijn alleen toegestaan wanneer de bedrijfsoppervlakte niet meer is dan 30% van de totale bedrijfsoppervlakte per bedrijf, tot een maximum van 1.500 m2. Deze beperkingen hebben te maken met de vereisten vanuit de wetgeving rond externe veiligheid en het vastgestelde gemeentelijke beleid. Ruimtelijke en/of bouwmogelijkheden De regels maken de bouw van gebouwen mogelijk voor de uitoefening van de mogelijk gemaakte bedrijven. Daarbij moet rekening worden gehouden met de maximale afmetingen die in de regeling Hoofdstuk 5
44
zijn opgenomen. Deze zijn afgestemd op de stedenbouwkundige eisen voor Flevokust. De verbeelding kent een bouwvlak, dat voor maximaal 75% mag worden bebouwd. Hierdoor is de plaatsing van de bebouwing op het bedrijventerrein relatief vrij, mits wordt voldaan aan de regels met betrekking tot de aan te houden afstand(en) tot de weg en perceelsgrenzen, en mits voldaan wordt aan de parkeernormen. Dit past binnen de globale en flexibele systematiek van de gemeente Lelystad. Naast gebouwen zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan binnen de bestemming. Het gaat om erf- en terreinafscheidingen, palen en masten, damwanden en daarmee vergelijkbare constructies. In de regels zijn voor deze bouwwerken maximale bouwhoogten opgenomen. Deze bouwhoogten zijn gerelateerd aan de (on)mogelijkheden vanuit het Besluit omgevingsrecht en de gewenste hoogten voor de beste functionaliteit van het bouwwerk. Algemeen geldt dat alle bouwwerken alleen gebouwd mogen worden wanneer voldaan wordt aan de parkeernormen die zijn opgenomen bij de regels. Het parkeren moet op het bedrijfsperceel plaatsvinden. Hiermee wordt parkeeroverlast op de doorgaande routes van het toekomstige Flevokust voorkomen.
5.2 Uitgangspunten bestemming In deze paragraaf staan de uitgangspunten voor de juridische regeling van de bestemming, zoals deze is opgenomen in de ruimtelijke verbeelding en de planregels. Algemeen De bestemmingsplansystematiek 'globaal en flexibel' is het uitgangspunt voor de systematiek van deze bestemming. Deze is bovendien afgestemd op de voor de gemeente gebruikelijke plansystematiek. Gewenste situatie Een datacenter voor de opslag van data. Ook zijn de bij het bedrijf horende wegen-, groen- en waterstructuur mogelijk gemaakt, waarbij de hoofdwatergang direct naast de hoofdontsluitingsweg ligt (buiten het plangebied). Omgevingsaspecten Water wordt in de bestemming mogelijk gemaakt om de watercompensatie en -afvoer te kunnen realiseren. Ondergronds bouwen, dieper dan 1,50 meter onder maaiveld, is niet toegestaan in verband met aardkundige waarden. Dieper bouwen is alleen toegestaan, nadat op basis van onderzoek aangetoond is dat de aardkundige waarden niet onevenredig geschaad worden. Algemene aanduidingsregels De algemene aanduidingsregels geven regels over specifiek aangeduide gebieden in het plangebied. Bij deze laatste hoort de aanduiding vrijwaringszone - dijk. De regels hierbij zorgen ervoor dat het aangeduide gebied rond de primaire waterkering vrij blijft voor een mogelijke dijkverbreding en/of verzwaring.
Hiervoor zijn in het beleid van het waterschap beschermingszones opgenomen.
Hoofdstuk 5
45
6.
UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. Kostenverhaal Op grond van afdeling 6.4. van de Wro geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro.