4-AV-Contextanalyse najaar 2021
Tekst van het document
2.7.2. Biomassa Bijdrage aan energievoorziening De bijdrage van biomassa aan de duurzame energievoorziening in Nederland is in 2020 aanzienlijk toegenomen (fig. 20). Deze toename is met name veroorzaakt door een forse toename van de inzet van biomassa door bij- en meestook in energiecentrales. AEC’s leveren al jaren een vrijwel stabiele bijdrage aan de duurzame energieproductie in Nederland met het verbranden van de biomassafractie van het restafval. Het percentage van de energieproductie dat door AEC’s als duurzaam mag worden aangemerkt, wordt op grond van samenstellingsgegevens jaarlijks door de Rijksoverheid vastgesteld en bedroeg in 2020 52%. Dit percentage vertoond een licht dalende tendens (fig. 21) mede door een toename van de gescheiden inzameling van gft.
28
Figuur 20. Ontwikkeling inzet biomassa t.b.v. energieopwekking per activiteit/type installatie.
Figuur 21. Ontwikkeling percentage duurzame opwek AEC’s . Duurzaamheid biomassa. Mede n.a.v. discussies over de duurzaamheid van de inzet van biomassa voor energieopwekking, heeft de SER in 2020 een advies over biomassa opgesteld. Daarin adviseert de SER de overheid om het verbruik biomassa voor warmte met lage temperaturen (verwarming van gebouwen) af te bouwen. Het kabinet heeft in het duurzaamheidskader biogrondstoffen de ambitie uitgesproken om, zo snel als dat mogelijk is, de afgifte van nieuwe subsidies van houtige biogrondstoffen voor lage temperatuur warmte te stoppen. Het rapport van het Planbureau voor de Leefomgeving over het pad is echter controversieel verklaard dus het huidige kabinet mag geen keuze maken. Een adequaat afbouwpad voor subsidies is belangrijk en daarom wil het kabinet zo veel mogelijk ruimte laten aan een nieuw kabinet om met een pad te komen. Alles afwegende heeft het kabinet besloten dat in 29
afwachting van het afbouwpad voor subsidies op de laagwaardige toepassing van houtige biomassa er in eerste instantie geen SDE++-subsidie naar de inzet van houtige biomassa voor de productie van warmte voor met name de gebouwde omgeving en de glastuinbouw meer zal gaan. Deze ontwikkelingen hebben geen gevolgen voor al afgegeven subsidies. Aanscherpen emissie-eisen Tot aan 2013 was het stoken van biomassa in een stookinstallatie vergunningplichtig. Daarna alleen nog voor biomassa installaties groter dan 15 MW, vanwege de milieuaspecten (bijv. opslag van biomassa en externe veiligheid) bij dit formaat installaties. Momenteel geldt er voor installaties kleiner dan 15 MW een meldplicht bij het ‘oprichten van de inrichting’. Na inspraak op het Kabinetsvoornemen om ook voor kleinschalige biomassa installaties weer een vergunningplicht in te voeren, komt de Staatssecretaris tot de conclusie dat het omgevingsplan meer mogelijkheden biedt voor effectieve ruimtelijke sturing door gemeenten dan de omgevingsvergunning mba. Wel is de Staatssecretaris van plan om de emissie eisen aan voor biomassacentrales (0,5-50MWth) die ongeacht de locatie zullen gelden, aan te scherpen.
2.7.3 Zon-PV In 2020 werd 3,5 GW aan zonnestroomvermogen bijgeplaatst. Het totaal geïnstalleerd vermogen aan zonnepanelen in 2020 in Nederland is daarmee gegroeid tot ca. 10,7 GW. Op grond van de huidige ontwikkelingen wordt verwacht dat de bijdrage van zon-PV aan de doelstellingen voor 2030 uit het klimaatakkoord, 22 tot 26 gigawatt opwek, al voor 2025 bereikt zal worden. Gemeenten kunnen vanaf volgend jaar gebouweigenaren verplichten zonnepanelen op hun daken (bij zowel oude als nieuwe gebouwen) te leggen om zo de energietransitie een impuls te geven. Dat kan door een wijziging van de Omgevingswet. Op deze wijze krijgen gemeenten meer mogelijkheden om de energietransitie een impuls te geven. Afgedankte zonnepanelen Zonnepanelen die twintig jaar geleden werden geïnstalleerd, belanden nu in de afvalfase. Afgelopen jaar werden zo’n 12.000 panelen (124 ton) uit gebruik genomen, op het totaal van negen miljoen geïnstalleerde zonnepanelen dat Nederland inmiddels telt. Zonne-energie Recycling Nederland (ZRN) zamelt oude zonnepanelen in voor recycling, via de net opgerichte stichting Open. Producenten van zonnepanelen zijn verplicht om oude installaties, feitelijk elektronisch afval, zelf gescheiden in te zamelen.
Omdat vrijwel alle zonnepanelen uit Chinese fabrieken komen, rust die verantwoordelijkheid in de praktijk op de bedrijven die panelen importeren en verkopen aan Nederlandse huishoudens. Zij moeten zich als betalend lid aansluiten bij de stichting Open, die vervolgens de zonnepanelen naar een recyclingfabriek brengt. Die fabrieken staan op dit moment nog buiten Nederland omdat het vanwege de (nu nog) beperkte omvang commercieel nog niet interessant is om een recyclingfabriek in Nederland te bouwen. Tot 96 procent van de grondstoffen wordt al uit oude panelen teruggewonnen, m.n. glas en elektronische onderdelen. De schaarse mineralen en kritieke metalen, die nodig zijn voor de efficiënte energieproductie van een zonnepaneel, laten zich nog niet terugwinnen. Technische universiteiten en zonnebedrijven, in Europa en Azië, ontwikkelen technieken waarmee dat in de toekomst mogelijk moet worden. Veel zonnepanelen worden vervagen terwijl ze nog jarenlang zonnestroom kunnen opwekken. Tegelijk zijn er veel particulieren en instanties voor wie nieuwe zonnepanelen te duur zijn. De Stichting ZonNext ’s streeft er naar om via een online platform de levensduur van panelen te verlengen zodat ze tot de laatste Wattpiek worden benut. Tweedehands zonnesystemen kunnen via dit platform zowel tegen een gereduceerde prijs als kosteloos worden aangeboden.
Elk gebruikt zonnepaneel op ZonNext is op professionele wijze ingezameld, TÜV-gecertificeerd gekeurd en wordt 30
door gekwalificeerde installateurs geïnstalleerd. ZonNext werkt onder andere samen met HVC, gemeente Amsterdam en Stichting Schooldakrevolutie. Ook andere gemeenten, woningcorporaties, scholen en organisaties kunnen hun circulaire ambities waarmaken door eerder gebruikte zonnepanelen via Stichting ZonNext in te zetten. HVC en ZonNext. HVC spant zich in voor circulariteit van zon en wind. Daarom draagt HVC ZonNext een warm hart toe. Wij brengen dit initiatief onder de aandacht bij onze projecten. Een van onze aandeelhouders, de gemeente Velsen, heeft inmiddels besloten om een pilot met tweedehands zonnepanelen uit te voeren. Ook verkent HVC de mogelijkheden om tweedehands zonnepanelen toe te passen op de afvalbrengstations van HVC. Daar waar wij daartoe geschikte panelen hebben, kunnen we de stichting voorzien van deze panelen.
2.7.4 Wind op land Windparken op land moeten voortaan aan Europese normen voldoen, vindt de Raad van State. Nu zijn de eisen, bijvoorbeeld over het geluid, de veiligheid of de slagschaduw nog van nationale origine. De Raad van State constateert dat de normen voor windturbines niet zijn onderworpen aan een (verplichte) milieubeoordeling waardoor de uitspraak m.n. een ‘procedureel besluit’. Inhoudelijk laat de Raad van State zich niet uit over de normen. De uitspraak zal leiden tot vertraging bij de realisatie van nieuwe windparken. De noodzakelijke milieubeoordeling kan door de Rijksoverheid worden uitgevoerd maar de lagere overheden kunnen zelf ook normen gaan opstellen. Maar dan moet wel goed worden gemotiveerd waarom die eigen normen in dat geval mogen gelden.
2.8
Waterstof
2.8.1 Nationaal Waterstof Programma Het doel van het Nationaal Waterstof Programma is de waterstofbijdrage, zoals afgesproken in het Klimaatakkoord, aan de energietransitie en de klimaatdoelstellingen in 2030 te halen. Daarin staat het advies om de aandacht te richten op 3 sporen. Ontwikkel grootschalig voor de industrie, decentraal voor de regio en organiseer de randvoorwaarden. De grootschalige ontwikkeling is de snelle schaalvergroting van de offshore-productie (productie op zee). Dat gebeurt voor de 5 industrieclusters, het zware transport en in havens. Naast de eigen waterstofproductie is import belangrijk en de doorvoer naar onze buurlanden. De decentrale waterstofproductie wordt verbonden aan lokale opwekking van duurzame elektriciteit, de toepassing in zwaar transport, logistiek en mobiliteit en in de tijd aan de gebouwde omgeving. Op lokaal niveau helpt waterstofproductie problemen door ophoping in de elektriciteitsinfrastructuur kleiner te maken.
2.8.2 Gasunie ontwikkelt landelijke infrastructuur voor waterstof Dit voorjaar kondigde de staatssecretaris van Klimaat & Energie aan om Gasunie te vragen de landelijke infrastructuur voor het transport van waterstof te ontwikkelen. Met deze ‘waterstof backbone’ legt Gasunie een landelijk netwerk aan dat vraag naar en aanbod van waterstof binnen en tussen de industriële clusters, met opslaglocaties en met het buitenland zal verbinden. Voor 85% van dat transportnetwerk zullen huidige aardgasleidingen worden hergebruikt. Het demissionaire kabinet heeft hiervoor 750 miljoen euro gereserveerd om de risico’s voor Gasunie te beperken.
31
2.8.3 Groene waterstoffabriek Ørsted Ørsted is van plan een duurzame waterstoffabriek - een elektrolyser - van 1 GW te bouwen op het terrein van North Sea Port. Door deze electrolyser te koppelen aan een groot windmolenpark (2GW) in het Nederlandse deel van de Noordzee, wordt grootschalige levering van duurzame elektriciteit mogelijk die nodig is voor de productie van groene waterstof. Vanaf 2030 kunnen grote industriële bedrijven in het havengebied hiermee hun productieprocessen verduurzamen. De industriële bedrijven in de regio werken met de netbeheerders samen aan de ontwikkeling van een regionaal, open-access pijpleidingnetwerk van ongeveer 45 kilometer, van Vlissingen in Nederland tot Gent in België. De waterstoffabriek wordt volgens dit plan gekoppeld aan dit regionale waterstofnetwerk. De eerste fase van SeaH2Land - 500 MW aan elektrolysecapaciteit - kan worden ontwikkeld zodra de regelgeving gereed is en als het beoogde regionale waterstofnetwerk klaar is.
2.9
CO2-afvang
2.9.1. Porthos project Twee raffinaderijen en twee waterstoffabrieken in de Rotterdamse haven krijgen een miljardensubsidie om CO2 af te vangen en op te slaan onder de Noordzee. De subsidie kan afhankelijk van de toekomstige prijs voor de verhandelbare emissierechten van CO₂ oplopen tot maximaal 2,1 miljard euro. Het zogeheten Porthos-project is een initiatief van de raffinaderijen van Shell en ExxonMobil en de nabijgelegen waterstoffabrieken van Air Liquide en Air Products. Ze willen vanaf 2024 CO2 gaan afvangen en per pijpleiding gaan vervoeren naar lege gasvelden in de Noordzee. Het is het eerste grootschalige project voor CO2 -afvang en -opslag in Nederland. Als de infrastructuur voor het project voltooid is, zal er naar verwachting 2,5 miljoen ton minder CO2 uit de schoorstenen van de raffinaderijen en fabrieken komen. Dat is een vermindering van ruim een procent van de landelijke uitstoot van broeikasgassen.
2.9.2 Athos In de havens rond het Noordzeekanaal waren grote ambities rond opslag en hergebruik van CO2. Onder de naam Athos werd al jaren gezocht naar mogelijkheden om het broeikasgas weg te werken onder de Noordzee met behalve de Amsterdamse haven ook prominente partners als Gasunie, Energie Beheer Nederland en Tata Steel, de grootste uitstoter van CO2 in Nederland. Omdat Tata Steel onlangs zijn toekomstplannen bijstelde en koos voor waterstof als route om de staalproductie te verduurzamen, valt de bestaansbasis weg voor CO2 -opslag door bedrijven rond het Noordzeekanaal en is het Athos project stopgezet. HVC en CO2. CO2 is voor HVC een ‘speerpunt’. HVC rapporteert al jaren over haar (fossiele) CO2-emissie en de bespaarde emissies elders in de keten in haar jaarverslag. Onder andere met de inzet van elektrische voertuigen streeft HVC naar een reductie van de transportemissies. Met het aansluiten van bestaande warmtenetten (Heerhugowaard en Langedijk) op het HVC-warmtenet met warmte vanuit de Bec, is een besparing van miljoenen kubieke meters aardgas gerealiseerd. In de Bec is een demo-installatie gerealiseerd voor de afvang van CO2 terwijl een grootschalige CO2afvanginstallatie voor de AEC Alkmaar in voorbereiding is. HVC zet afgevangen CO2 af in de glastuinbouw en kijkt naar de mogelijkheden voor ondergrondse opslag en toepassing als grondstof voor de chemische industrie. e
32
2.10 Verduurzamen transportsector Voor het verduurzamen van de transportsector wordt op dit moment volop ingezet op elektrificatie. Het marktaandeel van volledig elektrische personenvoertuigen c.q. hybride personenvoertuigen bedroeg in augustus 2021 19,8% resp. 10,8%. In Nederland is ondertussen een uitgebreid netwerk van oplaadpunten gerealiseerd (fig. 22).
Figuur 22. Overzicht ontwikkeling en stand van zaken aantal laadpalen in Nederland. Met name voor ‘zwaar transport’ lijkt de inzet van waterstof een belangrijke rol te gaan spelen om te komen tot een CO2-vrij vervoer. Hiervoor is de realisatie van een netwerk van tankstations waar waterstof kan worden getankt, van groot belang. De actieradius van een waterstofauto is met 600 tot 700 kilometer vergelijkbaar met die van benzineauto’s. Daarom streeft Rijkswaterstaat naar uitbreiding van de huidige 9 (waarvan 7 publiek) waterstoftankstations naar vijftig in 2025. Ook buiten Nederland groeit het netwerk van deze tankstations. In Duitsland zijn er inmiddels 72. Dit aantal moet toenemen naar vierhonderd in 2023.
33
3.
Afval- en grondstoffen
3.1
Algemene ontwikkelingen Nederland
3.1.1 Circulair materialenplan Het Circulair materialenplan (CMP1) is in januari 2021 aangekondigd door toenmalig demissionair staatssecretaris Stientje van Veldhoven van IenW en zal naar verwachting rond eind 2023 het huidige derde Landelijk afvalbeheerplan (Lap3) opvolgen. De staatssecretaris heeft in de Kamerbrief van januari 2021 aangekondigd met het CMP de reikwijdte van het huidige Lap te willen uitbreiden, met meer sturing op de hogere treden van de afvalhiërarchie. Van 16 juni tot 17 juli 2021 heeft het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat via een enquête de inbreng gevraagd van bedrijven en overheden voor de ontwikkeling van dit CMP1. 131 respondenten hebben het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat via een enquête laten weten wat er goed en fout gaat met het Landelijk afvalbeheerplan, en vooral hoe het eerste Circulair Materialenplan beter kan zijn. Voor veel van de respondenten zijn twee onderwerpen in het bijzonder belangrijk: er moet meer aandacht in het CMP zijn voor de voorkant van de keten en het begrip afval moet opnieuw worden gedefinieerd. Het ministerie moet volgens respondenten meer inzetten op afvalpreventie, het beperken van grondstoffengebruik en het toenemen van producenten- en ketenverantwoordelijkheid.
Het begrip 'afval' zou veelal vervangen moeten worden door het begrip 'grondstof', omdat afvalstromen vaak nog gebruikt kunnen worden als secundaire grondstof, mits producten hoogwaardig gerecycled worden. Het document noemt ook nog een aantal andere onderwerpen die door respondenten belangrijk worden gevonden voor het CMP, zoals het stimuleren van de inzet van recyclaat, de link met internationale ketens en bijbehorende export en import in Europa en het minimaliseren van het gebruik van zeer zorgwekkende stoffen (ZZS).
3.1.2 Importheffing Op 29 juni 2021 is in de Tweede Kamer een aangenomen waarin de regering wordt verzocht om, als overeenstemming is bereikt over een afbouwpad, de importheffing op buitenlands restafval te heroverwegen. De regering wordt in deze motie gevraagd om in overleg met de afvalsector te komen tot een realistisch scenario voor de afbouw van Nederlandse AVI-capaciteit, passend bij de route naar een circulaire- en klimaatneutrale economie in 2050. Daarbij moet in ieder geval aandacht worden besteedt aan de effecten op de gehele afvalketen, de werkgelegenheid, de duurzame energie en warmte die AVI’s leveren en CO2 -reductie op Europees niveau. De vaste kamercommissie Infrastructuur en Waterstaat heeft naar aanleiding van de IenW-begroting voor 2022 verschillende vragen gesteld, waaronder over de importheffing en de circulaire economie. De commissie wil o.a. graag weten waarom wordt afgeweken van de door een ruime Kamermeerderheid aangenomen motie van Agnes Mulder (CDA) die de regering oproept om voor de begrotingsbehandeling de Kamer te informeren over de voortgang van de gesprekken met de sector over het heroverwegen van de importheffing op afval. Ook vraagt de commissie hoe het nog niet intrekken van de importheffing past in de Global Methane Pledge en het onderzoeksrapport van het IPCC.
Daarin staat namelijk dat de methaanuitstoot urgent gereduceerd moet worden, onder meer door het terugdringen van het storten van afval in Europa. Door de importheffing bestaat echter de kans dat landen die eerder hun afval naar Nederland verscheepten voor verbranding, dat nu weer gaan storten. Dat was bijvoorbeeld het geval in enkele Britse gemeenten. De commissie vraagt daarom ook of het kabinet bereid is de importheffing op afval per 1 januari aanstaande in te trekken. Dan zou vervolgens samen met de sector moeten worden gewerkt aan een plan voor verder CO2 reductie en capaciteitsplanning, die past in de Europese context. Staatsecretaris Van Weyenberg heeft in zijn antwoord op de Kamervragen aangegeven niet bereid te zijn om de importheffing per 1 34
januari aanstaande in te trekken. Hij geeft aan dat er eerst eerst overeenstemming moet zijn over het afbouwpad van de verbrandingscapaciteit en dan wil hij eventueel de importheffing ook gaan afbouwen.
3.2
Afvalverwerking in Europees perspectief
3.2.1 Verwerking huishoudelijk afval in Europa De gemiddelde hoeveelheid huishoudelijk afval in de EU bedraagt ca. 500 kg. pppj. Dit wordt in toenemende mate gerecycled en verwerkt in afvalverbrandingsinstallaties maar ondanks een geleidelijke daling wordt ook nog steeds ca. 25% gestort (fig. 23).
Figuur 23. Verwerking huishoudelijk afval in de EU-27
3.2.2 Methaanstrategie Europese Commissie Methaan is de op een na grootste veroorzaker van klimaatverandering, na kooldioxide (CO2), en is in Europa verantwoordelijk voor 10 procent van de totale uitstoot van broeikasgassen. Op 14 oktober 2020 heeft Commissie de EU-strategie voor het verminderen van methaanemissies gepubliceerd. Hierin is onder aangegeven dat, om de EU-doelstelling voor de vermindering van broeikasgassen met ten minste 55 procent tegen 2030 te bereiken, de methaanemissiereducties in de meest relevante sectoren energie, landbouw en afval, met minstens 35 procent moeten worden opgevoerd. Het terugdringen van de hoeveelheid stedelijk afval die wordt gestort tot 10 procent of minder van de totale hoeveelheid geproduceerd stedelijk afval (naar gewicht) is daarbij een belangrijk middel om de doelstellingen te realiseren.
3.2.3 Afvalverwerking in het Verenigd Koninkrijk Ook in het Verenigd Koninkrijk is sprake van een geleidelijke toename van het aantal AEC’s (fig. 24). Een verder uitbreiding wordt in de komende jaren voorzien. Mede door deze ontwikkeling wordt ondertussen het grootste deel van het restafval verwerkt in en AEC (fig. 25). De verwerkingscapaciteit is echter nog onvoldoende om alle restafval te verbranden. Daardoor belandt nog steeds bijna 40% van het restafval op en stortplaats. Ondanks de verwachte groei van de 35
verwerkingscapaciteit van de AEC’s , zal ook in de komende jaren het afvalaanbod in het VK nog hoger zijn de verwerkingscapaciteit (fig. 26). De export vanuit het VK vertoont een sterk dalende tendens waarbij ondertussen Zweden het belangrijkste land van bestemming is geworden (fig. 27)3.
Figuur 24. Ontwikkeling aantal AEC’s in UK
Figuur 25. Ontwikkeling verwerking huishoudelijk restafval in UK
3
https://footprintservices.co/wp-content/uploads/2021/07/1.-RDF-Export-Dashboard-JUN21.pdf
36
Figuur 26. (Verwachte) ontwikkeling verwerkingscapaciteit AEC’s in UK i.r.t. afvalaanbod
Figuur 27. Ontwikkeling export afval vanuit het VK en bestemming daarvan.
37
3.3
Ontwikkelingen inzameling
De totale hoeveelheid huishoudelijk afval (zowel de restafvalfracties als de gescheiden ingezamelde stromen) was in 2020 6,8 procent hoger dan in 2019. Met een totaal aanbod aan restafval van 3.550 kton bedroeg de gemiddelde hoeveelheid restafval per inwoner in 2020 ruim 200 kg. In 2020 werd per inwoner 29 kilogram meer afval ingezameld dan in 2019. De grootste toename zit bij het huishoudelijk restafval (fig. 28). Per inwoner is er 7 kilogram meer fijn huishoudelijk restafval ingezameld en 3 kilogram grof huishoudelijk restafval. Ook de hoeveelheid gft en puin was in 2020 hoger dan in voorgaande jaren. Deze ontwikkelingen waren waarschijnlijk grotendeels het gevolg van ‘corona’ waarbij mensen veel thuis hebben gewerkt en veel klussen binnen- en buitenshuis hebben opgepakt.
Figuur 28. Ontwikkeling hoeveelheid huishoudelijk afval voor diverse deelstromen.
3.3.1 VANG en Diftar Het Programma VANG (Van Afval Naar Grondstof) is gericht op het verminderen van de hoeveelheid restafval van huishoudens en het scheiden van zoveel mogelijk recyclebare grondstoffen. Het merendeel van de gemeenten heeft zich inmiddels gecommitteerd aan de VANG-ambities en deze in de eigen afval-/grondstoffenplannen vastgelegd. De gemiddelde hoeveelheid restafval per inwoner is tussen 2015 en 2018 met gemiddeld 70 kg/inwoner gedaald en de verwachting is dat deze verder zal dalen. Een aantal gemeenten (ruim 50) heeft de 100 kg/inwoner reeds gehaald. Met een gemiddelde van ruim 200 kg/inwoner blijkt voor vele gemeenten het halen van deze ambitie in 2020 buiten bereik te liggen. Op dit moment loopt het traject om te komen tot een opvolger van het VANGprogramma. In toenemende mate wordt door gemeentes een prijsprikkel (diftar/recycletarief) ingezet om doelstellingen op het gebied van afval- en grondstoffen te realiseren. Belangrijke redenen om een prijsprikkel in te voeren zijn o.a. het verbeteren van het scheidingsgedrag en reductie van de hoeveelheid restafval (fig. 29). 38
Figuur 29. Het belang van diverse redenen voor een gemeente om een prijsprikkel in te voeren.
3.3.2 Bron- vs. nascheiding Regio Gooi en Vechtstreek. De Grondstoffen en Afvalstoffendienst (GAD) van de regio Gooi en Vechtstreek blijft pmd via bronscheiding inzamelen. GAD heeft voor dit scenario gekozen op basis van de huidige financiële inzichten. Ter onderbouwing van de keuze heeft bureau KplusV vorig jaar een analyse uitgevoerd en heeft Royal HaskoningDHV afgelopen zomer voor een ‘second opinion’ gezorgd. De conclusie van beide studies is dat stoppen met het gescheiden inzamelen van pmd en overgaan op nascheiden leidt tot aanzienlijke extra kosten in de periode tot juli 2026 nl tussen 4,8 miljoen euro en 7,2 miljoen euro. Wel onderzoekt de GAD de mogelijkheden voor nascheiding via een martkverkenning voor de periode na afloop van het huidige verwerkingscontract met Evi in Coevorden. Circulus-Berkel. Ook onderzoeksbureau IPR Normag komt in een studie in opdracht van Circulus-Berkel tot de conclusie dat nascheiden van PMD t.o.v. de huidige bronscheiding geen milieuwinst oplevert en wel tot hogere kosten leidt4. Bij de berekening van de milieuwinst is rekening gehouden met afkeur door vervuiling bij bronscheiding en het rendement van nascheiding terwijl bij het wijzigen van de vergoeding bij bron- en nascheiden is meegenomen.
3.3.3 Statiegeld Sinds 1 juli j.l. is er 15 cent statiegeld ingevoerd op kleine plastic flesje water of frisdrank. Het kabinet besloot dit vorig jaar, nadat het bedrijfsleven er niet in was geslaagd om met eigen maatregelen het aandeel plastic flesjes in het zwerfafval drastisch te verminderen. Doel van het statiegeldsysteem is minimaal 90% van de kunststof flessen in te nemen en daarmee het aandeel van kunststof flessen in het zwerfafval te laten afnemen. Het statiegeldsysteem wordt in 2024 geëvalueerd. Op zaterdag 18 september was het World Cleanup Day 2021. Op 1574 verschillende locaties in Nederland zijn ruim 40.000 vrijwilligers op pad gegaan zwerfafval op te ruimen. De impact van het op
4
https://www.circulus-berkel.nl/upload/file/bericht%20bij%20PMD-verkenning-versie-allegemeentenwebsiteversie.pdf
39
ingevoerde statiegeld op plastic flesjes was duidelijk zichtbaar: het aandeel flesjes in het gevonden zwerfafval is met 37% afgenomen. Niet alle verkooppunten zijn verplicht om de statiegeldflesjes weer in te nemen. Dit heeft tot kamervragen geleid waarin de het systeem als "bijzonder onvolledig en onsuccesvol" wordt bestempeld. De Staatssecretaris geeft in haar beantwoording aan tevreden te zijn met de huidige stand van zaken en dat de door het ministerie ontvangen signalen geven geen aanleiding om te concluderen dat het statiegeldsysteem niet goed loopt. Per 31 december 2022 wordt ook 15 cent statiegeld op blikjes ingevoerd omdat ook hier het aantal blikjes in het milieu niet afneemt maar toeneemt. Nederland sluit zich met statiegeld op blik aan bij onder andere Duitsland, Finland, Noorwegen en Denemarken. Veruit de meeste plastic flesjes en blikjes (zo’n 80%) worden verkocht in supermarkten. Een onderzoek van de brancheorganisatie van de supermarkten CBL en koepel van de levensmiddelenindustrie FNLI naar een landelijk dekkend “innamesysteem voor blikjes buiten de supermarkt” wordt daarom door een groot aantal milieuorganisaties beschouwd als een ontwikkeling waarbij supermarkten ‘hun verantwoordelijkheid ontlopen’. Vanaf 2029 moet in de EU 90 procent van de plastic drankflesjes gescheiden ingezameld worden.
De Europese brancheverenigingen Natural Mineral Waters Europe (NMWE) en Unesda Soft Drinks Europe hebben samen met Zero Waste Europe een statement uitgebracht waarin ze de EU oproepen om de rol van statiegeld in de transitie naar de circulaire economie te erkennen, en minimumeisen voor statiegeld op te nemen in de herziening van de EU-Richtlijn verpakkingen en verpakkingsafval. Dit statement is opvallend omdat onder andere Coca-Cola, Danone, Pepsico en Red Bull lid zijn van deze organisaties en deze partijen in het verleden zich vaak tegenstander van statiegeldsystemen hebben getond.
3.4
Marktontwikkelingen (secundaire) grondstoffen
Niet alleen de energiemarkt maar ook de grondstoffenmarkt laat na een sterke dip in het ‘coronajaar’ 2020, een forse stijging van de prijzen van veel grondstoffen zien. Dit leidt tot (soms forse) kostenstijgingen van producten waar deze grondstofen in zitten verwerkt. Deze prijsontwikkeling is gunstig voor de afzet van secundaire grondstoffen omdat deze bij hogere kosten voor primaire grondstoffen een betere concurrentiepositie krijgen. In onderstaande grafieken (fig. 30) zijn prijsontwikkelingen voor een drietal voor HVC en haar aandeelhouders relevante grondstofstromen weergegeven nl. PP (polypropyleen, één van de kunststofsoorten), oud papier en ferro-metalen. Voor deze drie stromen is naast de ‘dip’ in het corona-jaar (of voor oud papier zelfs al daarvoor) de sterke stijging in afgelopen jaar te zien. Impact marktontwikkelingen (secundaire) grondstoffen voor HVC. De verkoop van secundaire grondstoffen is één van de inkomstenbronnen voor HVC. De gunstige prijsontwikkeling voor veel van deze secundaire grondstoffen hebben dan ook een positief effect op het financieel resultaat van HVC. Ook DVO-gemeenten waar de (positieve en negatieve) prijsontwikkeling wordt doorberekend, profiteren mee van deze ontwikkeling.
40
Figuur 30. Prijsontwikkeling van de grondstoffen PP (polypropyleen), oud papier en ferro schroot.
41
3.5
Ontwikkelingen deelstromen
3.5.1 Textiel De textielsector is een van de meest vervuilende sectoren. Ieder jaar worden honderd miljard nieuwe kledingstukken gemaakt en meer dan de helft daarvan wordt al binnen een jaar na productie weggegooid. Minder dan 1 procent van al het textiel wordt gerecycled voor het maken van nieuwe kleding. Mede door dit soort fast fashion is de kledingindustrie na de olie-industrie de meest vervuilende sector. De productie van kleding en schoenen zorgen samen voor zo’n 8 procent van de uitstoot van wereldwijde broeikasgassen. Om dit te veranderen wil de Nederlandse overheid in 2023 een Uitgebreide Producentenverantwoordelijkheid (UPV) invoeren voor fabrikanten. Daarmee worden kledingbedrijven verantwoordelijk voor wat er na het gebruik met hun eigen producten gebeurt. Op dit moment zijn gemeenten nog verantwoordelijk voor de inzameling en kosten van het afgedankte textiel van hun inwoners, maar de maatregel moet de branche een financiële prikkel geven om kleding te produceren van hoge kwaliteit die zich goed leent voor recycling. In Nederland wordt slechts 45 procent van het afgedankte textiel gescheiden ingezameld via kledingbakken of kringloopwinkels. Zo’n 55 procent komt in het restafval terecht en wordt verbrand.
Van het ingezamelde textiel wordt een deel opnieuw als kleding ingezet terwijl de rest eindigt als poetslap, isolatiemateriaal, matrasvulling of een andere laagwaardige toepassing. Alle landen in de Europese Unie zijn vanaf 2025 verplicht om textiel in te zamelen. Daardoor komt er in één keer veel aanbod. Dit kan leiden tot een enorme prijsdruk op minder goed ingezameld textiel dat niemand wil hebben voor verdere verwerking - als de verwerkingscapaciteit daarvoor niet wordt opgeschaald. Nederland, België en nog negen EU-lidstaten, vragen de Europese Commissie om ambitieuze plannen voor een duurzame textielketen. De Europese Commissie zou betere producteisen op moeten stellen voor textiel, waaronder een verplicht percentage aan herbruikbaar materiaal in kleding - zodat kleding beter recyclebaar wordt. Ook moeten zorgwekkende stoffen, zoals Pfas in regenkleding worden uitgefaseerd. Tevens moet de Commissie onderzoeken wat gedaan kan worden om fast fashion tegen te gaan door b.v. het stimuleren van een langere gebruiksduur van kleding en het tegengaan van het vernietigen van onverkochte kleding. In de Europese textielstrategie zou de afvalhiërarchie centraal moeten staan, met veel aandacht voor preventie en hergebruik.
3.5.2 Papier en karton Uit onderzoek in opdracht van stichting Papierrecycling Nederland (PRN) blijkt dat de hoeveelheid vervuiling in gescheiden ingezameld papier en karton geleidelijk toeneemt. In het onderzoek 20192020 blijkt dat het gemiddelde percentage productvreemde vervuiling 2,52 procent bedraagt (fig. 31). De vervuiling bestaat uit materialen die niet geschikt zijn voor de productie van nieuw papier en karton en papier en karton dat niet schoon en/of droog is. Het gaat hierbij onder meer om kunststoffen, etensresten en drankenkartons, maar ook om geplastificeerd papier en pizzadozen
42
Figuur 31. Percentage en aard van de vervuiling in gescheiden ingezameld papier en karton. Om de hoeveelheid vervuiling in ingezamelde papier en karton te verkleinen, heeft PRN heeft haar scheidingswijzer geactualiseerd. De Scheidingswijzer Papier en Karton gaat de burger helpen bij de keuze wat wel en niet bij het oudpapier mag (fig. 32). De hoofdboodschap is: papier en karton moeten schoon en droog zijn en vrij van veel plastic.
Figuur 32. Geactualiseerde scheidingswijzer Papier en Karton
3.5.3 Luiers Ondanks allerlei plannen, zijn er tot op heden in Europa slechts twee installaties operationeel waar luiers als monostroom worden verwerkt t.b.v. recycling nl. eentje in Italië en eentje in Nederland. In de luierverwerkingsinstallatie van ARN in Weurt wordt het afval onder hogedruk en hoge temperatuur verwerkt (fig. 33). Hierdoor worden ziektekiemen gedood en worden ook restanten van medicijnen afgebroken die mogelijk in het materiaal zitten. Uit de verwerkte baby- en incontinentieluiers worden biogas, compost en herbruikbare plastics geproduceerd. Vanaf begin 2022 gaat ARN jaarlijks 15 kton luiers verwerken.
43
De kosten voor het apart verwerken van luiers bestaan uit inzamelkosten, transportkosten en verwerkingskosten. Over de gehele keten is er momenteel sprake van meerkosten ten opzicht van de verwerkingsroute via het restafval.
Figuur 33. Verwerkingsproces voor luiers bij ARN HVC en luiers. Luiers vormen 5 – 7% van restafval en zijn daarmee een belangrijke stroom waar naar gekeken wordt om de hoeveelheid restafval verder te reduceren. Er lijkt in Nederland plek te zijn voor ca. 5 installaties á 20 kton. Op dit moment is er over de gehele keten (inzameling en verwerking) nog sprake van meerkosten t.o.v. de route ‘luiers bij restafval’. Oók is het daadwerkelijke recyclingpercentage bij de enige operationele installatie in Nederland vrij beperkt. HVC volgt al lange tijd de ontwikkelingen op dit terrein. Recent heeft HVC een proef uitgevoerd met het recyclen van ‘luiers uit nascheiding’. Momenteel doet HVC een verkenning naar de mogelijkheden voor een eigen luierrecycling dan wel naar het aanhaken bij andere initiatiefnemers.
3.5.4 Matrassen De staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat is van plan de afvalbeheerbijdrage voor matrassen algemeen verbindend te verklaren. Het ontwerpbesluit daarvoor is op 10 september j.l. in de Staatscourant gepubliceerd. De algemeen verbindend verklaring (AVV) moet gelden voor de periode van 1 november 2021 tot en met 31 oktober 2025. Het tarief voor de afvalbeheerbijdrage zal aanvankelijk naar schatting 2,50 euro per matras bedragen, exclusief btw. Producenten die jaarlijks minder dan 200 matrassen op de markt brengen worden vrijgesteld van de afvalbeheerbijdrage. Met de bijdrage wordt een deel van de kosten voor het afvalbeheer van de matrassen betaald. Zo kunnen consumenten matrassen gratis inleveren bij gemeentelijke milieustraten en retailers voor recycling. In 2020 werd met toenmalig staatssecretaris Van Veldhoven afgesproken dat producenten en importeurs verantwoordelijk zouden worden voor de kosten van de recycling. De vergoeding aan gemeenten en retailers zal gedurende de looptijd van de overeenkomst oplopen van 25 procent tot 100 procent van de kosten. Het streven is om in 2028 minstens 75 procent van het aantal op de 44
markt gebrachte matrassen in te zamelen voor recycling. Van die ingezamelde matrassen moet in 2021 minstens 85 procent worden gerecycled, oplopend tot 90 procent in 2024. De afvalbeheerbijdrage is in de Overeenkomst Matrassen afgesproken tussen producenten en importeurs van matrassen, waaronder Ikea, Beter Bed, Auping, Swiss Sense en Stichting Matrasrecycling Nederland (MRN). Samen brengen zij een belangrijke meerderheid van de consumentenmatrassen op de Nederlandse markt. Met de opening van een vierde installatie in Nederland (en een eerste in België), komt de verwerkingscapaciteit van RetourMatras uit op meer dan 1,5 miljoen matrassen per jaar. Momenteel verwerkt het bedrijf naar eigen zeggen 90 procent van de onderdelen van oude matrassen tot nieuwe grondstoffen voor onder andere isolatiemateriaal. Met behulp van een nieuwe technologie wil RetourMatras jaarlijks het schuim van meer dan 200.000 afgedankte matrassen omzetten in polyol, een belangrijke bouwsteen voor nieuw schuim.
3.6
Marktontwikkelingen inzameling
De trend van de afgelopen jaren van een geleidelijke verschuiving van de inzameling van huishoudelijk afval van private bedrijven naar publieke bedrijven zet zich nog steeds door (fig. 34). Bij de publieke bedrijven neemt het aandeel overheidsbedrijven en gemeenschappelijke regelingen geleidelijk toe ten koste van de inzameling door gemeentelijke diensten.
Figuur 34. Ontwikkeling marktverdeling inzameling huishoudelijk afval. Een gemeente die overgaat van een private inzamelaar (Renewi) naar een publiek bedrijf (Saver) is de gemeente Rucphen. Deze gemeente treedt toe als aandeelhouder en laat haar huishoudelijk afval ophalen door inzamelaar Saver. Saver verzorgt onder meer de afvalinzameling voor de gemeenten Halderberge, Roosendaal, Bergen op Zoom en Woensdrecht. De gemeente verwacht hierdoor dat de kosten ook na 2022 beheersbaar blijven en verwacht tevens een extra stimulans op het gebied van duurzaamheid (o.a. door communicatie en het creëren van bewustwording over afvalscheiding en duurzaamheid).
45
3.7
Ontwikkelingen per bedrijf
3.7.1 AEB Verkoop AEB De gemeente Amsterdam is in april j.l. gestart met de verkoop van haar aandelenbelang van 100 procent in afval- en energiebedrijf AEB. Geïnteresseerde partijen kunnen nu hun belangstelling kenbaar maken. De verkoop verloopt via een competitief verkoopproces (‘controlled auction process’). Het verkoopproces is gestart met een zogenoemde pre-kwalificatiefase waarin partijen die interesse hebben zich konden melden. In deze fase werd informatie opgevraagd bij en over de geïnteresseerde partijen, zodat alleen partijen die voldeden aan bepaalde basisvereisten toegelaten werden tot het verkoopproces. Het ging daarbij onder meer om eisen aan de financiële draagkracht en aan de integriteit. Het verkoopproces bestaat vervolgens uit meerdere biedingsfases. De verkoop is op dit moment (oktober 2021) nog niet afgerond. De gemeente verkoopt 100 procent van de aandelen in AEB. De dochtervennootschappen van AEB maken onderdeel uit van de transactie. Het gaat om AEB Bio-energiecentrale B.V., dat de nieuwe biomassa-energiecentrale exploiteert, en AEB Exploitatie B.V. (het afvalenergie bedrijf). AEB heeft ook een belang van 40 procent in Recycling Service Centrum B.V., dat sociaal werk en recycling combineert. AEB’s voormalige belang van 50 procent in Westpoort Warmte (het westelijke warmtenet) is op 1 maart 2021 overgenomen door de gemeente.
Nascheidingsinstallatie AEB Zeven gemeenten (Haarlem, Heemstede, Bloemendaal, Diemen, Aalsmeer, Amstelveen en Zandvoort) hebben in 2019 een schadeclaim ingediend bij AEB. De scheidingsinstallatie (SI) van AEB werd in 2017 in gebruik genomen, maar in 2019 bleek dat de beloofde scheidingspercentages niet behaald worden. Na de eerste opstartproblemen bleek de nascheidingsinstallatie in 2019 niet aan de (hoge) verwachtingen te voldoen. Het beoogde recyclepercentage was 22,95 procent, maar dat bleef in maart 2020 steken op gemiddeld 5,7 procent. Doordat er minder afval nagescheiden wordt dan gedacht, halen de gemeenten hun scheidingsdoelstellingen niet. Maar ze betalen wel voor de nascheiding, namelijk sinds eind 2017 een opslag van 4 euro per ton. De gemeenten hebben ondertussen ingestemd met het voorstel van AEB om de toeslag met terugwerkende kracht (vanaf 1 januari 2018) te verlagen naar 3,60 euro per ton. Daarnaast zou in het contract worden opgenomen dat als het recyclepercentage na 2021 lager zou zijn dan 6,0 procent van het inputgewicht, de gemeenten over dat jaar een korting ontvangen van 0,60 euro per ton en Na diverse technische aanpassingen functioneert de nascheidingsinstallatie nu ‘naar behoren’ en wordt een scheidingsrendement van 12 procent gerealiseerd.
Uit een martktconsultatie bleek dat er geen afzetmogelijkheden zijn voor via de scheidingsinstallatie afgescheiden papier. Omdat het aangevoerde afval voor ca. 12 tot 15 procent uit papier bestaat, levert het niet afscheiden van deze stroom een forse bijdrage aan het niet realiseren van het oorspronkelijk geprognotiseerde scheidingsrendement. Scheidingsinstallatie HVC. In de scheidingsinstallatie van HVC (Sortiva) wordt huishoudelijk restafval afkomstig uit ‘sterk verstedelijkte’ gebieden waar bronscheiding lastig realiseerbaar, gescheiden voordat dit naar de AEC wordt afgevoerd. Het scheidingsrendement van deze installatie zit gemiddeld op 15% en na aanpassing van de installatie dit najaar wordt verwacht dat dit rendement nog verder toe zal nemen.
46
3.7.2 Attero De Noord-Brabantse gemeenten hoeven Attero toch geen miljoenen te betalen voor het leveren van te weinig afval. In een arbitrageproces werd in oktober 2019 bepaald dat de gemeenten ruim 15 miljoen euro moesten betalen aan Attero omdat ze in de periode 2015 tot en met januari 2017 minder restafval aan Attero leverden dan was afgesproken. Het Gerechtshof heeft dat arbitraal vonnis echter vernietigd en geoordeeld dat de uitkomst van een eerdere arbitrageprocedure bindend is. De uitspraak in dat eerdere arbitrageprocedure (over de periode 2011-2014) was dat de gemeenten geen vergoeding hoefden te betalen, omdat Attero feitelijk geen schade heeft geleden.
3.7.3 AVR AVR ageert al langere tijd tegen inbestedingen die in de ogen van het bedrijf onrechtmatig zijn. Afgelopen jaar betrof dit o.a. inbestedingen door aandeelhouders bij HVC en Twence terwijl in het (recente) verleden ook aanbestedingen bij Omrin werden betwist. Rechtszaken die het bedrijf in dit kader in het verleden heeft aangespannen, zijn echter allemaal door AVR verloren.
3.7.4 EEW De provincie Groningen moet opnieuw beslissen over de onder de Wet natuurbescherming (natuurvergunning) aan EEW verleende vergunning, die in november 2019 door de provincie was verleend. Bij de vergunningverlening voor de derde verbrandingslijn van EEW heeft de provincie Groningen ten onrechte geen volledig onderzoek gedaan. Een deel van het afval wordt aangevoerd per schip, maar de extra stikstofdepositie die het transport over zee tot gevolg heeft op omringende Natura2000-gebieden is ten onrechte niet betrokken in het onderzoek. De Raad van State liet in de uitspraak weten dat EEW Energy from Waste Delfzijl de derde verbrandingslijn voorlopig niet in gebruik mag nemen. Daarnaast gaf de Raad van State aan – in tegenstelling tot het oordeel van de rechtbank Noord-Nederland – dat de natuurvergunning uit 2007 van EEW overeind blijft met de daarbij vergunde emissies, waaronder de totale hoeveelheid stikstof.
3.7.5 Omrin Omrin verhoogd breidt de capaciteit van haar scheidingsinstallatie met 20 procent naar 300 kton per jaar door de installatie van een zgn. Dano-trommel. Hiermee worden luiers en grotere organische fracties uit het restafval gesorteerd. Het doel is om hiermee in 2024 een scheidingspercentage van ruim 53 procent (t.o.v. 37 procent in 2019) te realiseren. Een deel van deze afgescheiden stromen belandt na bewerking alsnog in de verbrandingsinstallatie. Omrin laat de gft van haar nieuwe aandeelhouders Groningen, Westerkwartier en de voormalige gemeente Bedum vanaf volgend jaar door Attero verwerken. De gemeenten leveren nu samen bijna 17 kton gft per jaar. Omrin verwacht dat dit toeneemt naar 18 kton per 1 januari 2023. De opdracht gaat in per 1 januari 2022, in eerste instantie voor twee jaar. Daarna kan Omrin nog drie keer met een jaar verlengen. Omrin overweegt mede i.v.m. het toetreden van deze Groningse gemeenten zelf een gft-vergistingsinstallatie te realiseren.
3.7.6 PreZero PreZero heeft de afval- en recyclingactiviteiten van Suez in Nederland (alsmede Duitsland, Luxemburg en Polen) overgenomen. In Nederland gaat het hierbij om de afvalinzameling bij ca.1 miljoen mensen en ruim 67.000 commerciële en industriële klanten waarbij in totaal 1,45 Mton afval wordt verwerkt, o.a. in de AEC in Roosendaal. Bij deze overname zijn 2.110 mensen betrokken, werkzaam op 37 vestigingen. PreZero gaat onder de naam GreenBlocks palletklossen produceren uit afvalhout. Hiermee kan het bedrijf jaarlijks ruim 40.000 ton afvalhout, van de naar schatting twee miljoen ton die in Nederland 47
jaarlijks vrijkomt, verwerken. PreZero zamelt het afvalhout in, dat wordt gesorteerd en gebroken tot houtsnippers. GreenBlocks verkleint dit tot droge en schone vezels en perst deze tot palletklossen.
3.7.7 Renewi Renewi is als één van de 3 initiatiefnemers betrokken bij de realisatie van een bio-LNG installatie in Amsterdam Westpoort. Bio-LNG is een optie om (o.a.) zwaar wegtransport te verduurzamen. In dit project haalt Renewi in heel Nederland organisch afval op, zoals producten van supermarkten die over de datum zijn. Vervolgens verwerkt de recycler het afval en zet het in de eigen vergisters om in biogas. De nieuwe bio-LNG-installatie van Nordsol werkt het biogas op tot bio-LNG. Shell levert deze bio-LNG aan haar klanten op haar LNG-tankstations in Nederland. Daarnaast wordt tijdens de productie van bio-LNG CO2 uit het biogas verwijderd en vloeibaar gemaakt voor hergebruik in kassen. Renewi is voornemens om (in ieder geval gedeeltelijk) zelf op bio-LNG te gaan rijden bij de inzameling van deze afvalstoffen.
3.7.8 Twence Een grote brand legde in mei 2019 vrijwel de gehele composterings- en vergistingsinstallatie van Twence in Hengelo in de as. Snel daarna begon de afvalverwerker met de herbouw waarbij werd gekeken naar de nieuwste technieken en was er ook veel aandacht voor brandveiligheid. In de heropende installatie wordt gft-afval van huishoudens, supermarktproducten die over de datum zijn en groenafval van gemeenten verwerkt tot duurzame energie en compost. Er wordt zo’n 119.000 ton afval per jaar in verwerkt. De installatie voorziet hiermee 4.200 huishoudens van elektriciteit, met daarnaast nog warmte voor 800 huishoudens in Enschede. Daarnaast blijft er ca. 38.000 ton bruikbare compost over. Voor de afzet daarvan werkt Twence mee aan het project Mineral Valley Twente, waarbij bodemkwaliteit en bodemverbetering in heel Twente vooropstaat. Meningsverschillen over de koers van Twence en het tarievenbeleid zijn al geruime tijd onderwerp van discussie tussen aan de ene kant gemeenten als Almelo, Oldenzaal, Rijssen-Holten en Twenterand en aan de andere kant de meerderheid van aandeelhouders als Enschede en Hengelo. Almelo kondigde vóór de zomervakantie zelfs aan naar de rechter te stappen om een vertrek uit Twence af te dwingen. Commissaris van de Koning Andries Heidema in Overijssel wordt door de Twentse gemeenten en Berkelland gevraagd te bemiddelen in de situatie.
48
4.
Waterschappen en Zuiveringsslib
4.1
Energie en CO2
4.1.1 Reductie broeikasgassen STOWA en de waterschappen doen op rwzi's intensief onderzoek naar de uitstoot van broeikasgassen, zoals lachgas en methaan. Ook wordt er gekeken hoe de uitstoot van deze broeikasgassen op de zuiveringen kan worden verminderd. STOWA laat onder meer onderzoeken of via een betere processturing van rwzi's de emissies van N2O, beter bekend als lachgas, naar de atmosfeer kan worden teruggebracht. Deze mogelijkheden worden vastgelegd in een compendium met praktische richtlijnen voor rwzi-operators.
4.1.2 Groen-gasproductie rwzi’s GasTerra, Gasunie, STOWA en enkele waterschappen hebben onderzoek laten doen naar biologische methanisering, waarbij waterstof en koolstofdioxide worden omgezet in methaangas. Op deze wijze kunnen syngas (uit slibvergassing) en biogas (uit slibvergisting) worden omgezet in groen gas, een duurzame vervanger van aardgas. Bij het superkritisch vergassen van zuiveringsslib ontstaat syngas (synthetisch gas). In het syngas is onvoldoende waterstof aanwezig is om alle koolstofdioxide in het syngas om te zetten. Het productievolume van groen gas kan substantieel worden verhoogd door van buitenaf waterstof toe te voeren. Onder de huidige marktcondities is deze extra toevoeging echter meestal niet rendabel m.n. vanwege de prijs van de benodigde waterstof. De technologie van biologisch methaniseren kan ook worden toegepast in combinatie met bestaande biogasinstallaties. Hierdoor kan de groengasproductie op gewone rwzi’s met standaard slibverwerking op basis van vergisting met ca. 50 procent toenemen. Deze ontwikkelingen passen binnen de ambitie van de waterschappen om de productie van groen gas in de komende jaren verder op te voeren.
4.1.3 Hoogheemraadschap Delfland gaat groene CO₂ leveren aan tuinders Het Hoogheemraadschap van Delfland gaat groene CO₂ leveren aan de glastuinbouw. Deze CO₂ komt vrij bij het opwerken van het in de vergistingstanks ontstane biogas in de Haagse afvalwaterzuiveringsinstallatie Houtrust en wordt vervolgens vloeibaar gemaakt. Op jaarbasis zal het waterschap ruim 2.000 ton groene CO₂ leveren aan kassen in het Westland, die daarmee energie kunnen besparen door over te stappen naar aardwarmte als warmtebron i.p.v. WKK’s of gasgestookte ketels. Hierbij leidt een ton extern geleverde CO₂ er effectief toe leidt dat tuinders circa 0,95 ton minder uitstoten via WKK’s en gasketels.
4.1.4 Aquathermie in praktijk Aquathermie kan in de toekomst in een aanzienlijk deel van de Nederlandse warmtevraag voorzien en levert daarmee een serieuze bijdrage aan het realiseren van de transitie naar aardgasvrije wijken. In Nederland zijn in de afgelopen jaren drie typen van aquathermie succesvol toegepast door thermische energie te oogsten uit oppervlaktewater (TEO), afvalwater (TEA) en drinkwater (TED) en als duurzame bron ingezet om gebouwen te verwarmen én te koelen. Vanuit onderzoeksprogramma WarmingUP, waar STOWA aan deelneemt, zijn de algemene en technische eigenschappen van aquathermiesystemen in kaart gebracht. Het onderzoek laat zien hoe gerealiseerde aquathermiesystemen eruitzien, hoe ze worden ingezet, waar ze worden toegepast, en wat de belangrijkste aandachtspunten zijn. De kennis en ervaringen van de bestaande systemen zijn door de onderzoekers in een representatief aantal overzichtelijke factsheets bij elkaar gebracht. 49
Daarnaast zijn er kostenkentallen gegeven voor de verschillende systeemcomponenten van aquathermiesystemen en is er een verwachting gegeven voor de ontwikkeling van deze kostenkentallen in geval van opschaling van de techniek. Ook zijn er beslisbomen gemaakt die gemeenten, regio’s, waterbeheerders, projectontwikkelaars, corporaties en bewoners inzicht geven in de stappen die gemaakt moeten worden om tot een definitief ontwerp van een aquathermiesysteem te komen.
4.2
Grondstoffen
4.2.1 Terugwinnen fosfaat uit zuiveringsslib Door fosfaat, een belangrijke grondstof voor kunstmest, terug te winnen uit het slib van zuiveringsinstallaties voor rioolwater is het Nederlandse fosfaatverbruik flink terug te dringen. Fosfaat wordt nu nog gewonnen in fosfaatmijnen, voornamelijk buiten Europa. Maar as uit zuiveringsslib bevat bijna net zoveel fosfaat als de fosfaaterts uit de mijnen. Door het fosfaat uit de as opnieuw te gebruiken, is een flinke verduurzamingsslag te maken. HVC en SNB zijn als de proeven succesvol zijn, voornemens om een fabriek daarvoor te realiseren waar alle verbrandingsas van HVC en SNB, samen zo'n 60.000 ton per jaar, kan worden verwerkt tot circa 12 miljoen kilo fosforzuur. Naast fosforzuur kan de fabriek ook nog gips en bepaalde ijzer- en aluminiumzouten produceren voor hergebruik. Daarbij wordt gebruik gemaakt van een chemische techniek die is ontwikkeld door het Duitse Remondis Aqua.
4.2.2 Biobased plastics De productie van bioplastics uit afvalwater gebeurt door middel van bacteriën in zuiveringsslib van afvalwaterzuiveringsinstallaties. Deze bacteriën zijn in staat om organische stoffen in het afvalwater om te zetten in het bioplastic PHBV. Dit PHBV wordt door de bacteriën vervolgens opgeslagen in hun cel. Om het PHBV geschikt te maken voor toepassing moet het eerst uit de cellen worden gehaald. Dit gebeurt door middel van extractie. Het is PHA2USE en Interreg NWE project WoW gelukt om op grotere schaal PHBV te extraheren. Dit maakt de weg vrij voor grootschalige bioplastic productie uit afvalwater. Deze extractie vormt de aanloop naar de productie van grotere hoeveelheden in het PHA2USE project. De installatie die hiervoor nodig is, is in aanbouw bij HVC locatie Dordrecht (fig. 35) en zal begin 2022 in bedrijf worden genomen.
Figuur 35. Bioplastics fabriek in aanbouw op locatie HVC Dordrecht. 50
4.3
Verwijderen medicijnresten
4.3.1 Algemeen Een groot deel van de medicijnen die mensen innemen, komt via ontlasting en urine in het rioolwater terecht. Rioolwaterzuiveringen zijn niet in staat zijn om deze stoffen helemaal weg te halen. Medicijnresten in het water tasten de biodiversiteit aan en kunnen zelfs het gedrag van (o.a.) vissen veranderen. Met de mogelijk aanscherping van de kwaliteitseisen voor oppervlaktewater (via de Kaderrichtlijn Water) kan in de toekomst het verwijderen van medicijnresten noodzakelijk worden. Daarom werken waterschappen, samen met de zorgsector en drinkwaterbedrijven sinds 2016 samen in de landelijke ketenaanpak ‘Medicijnresten uit water’ om de medicijnresten in ons water te verminderen.
4.3.2 Rijnland Rijnland is op 30 september 2021 officieel gestart met het zuiveren van medicijnresten uit afvalwater met behulp van poederkool op AWZI Leiden Noord (afvalwaterzuiveringsinstallatie). Rijnland past hiervoor de PACAS-techniek toe waarbij PACAS staat voor Powdered Activated Carbon in Activated Sludge.
4.3.3 Waterschap Rijn en IJssel Het waterschap Rijn en IJssel heeft in samenwerking met ander partijen een pilotproef op locatie (Streekziekenhuis Koningin Beatrix uit Winterswijk) uitgevoerd. Binnen de pilot is het effect van de inzet van een geïntegreerde Ozon- en UV-behandeling onderzocht. De inzet van deze techniek bleek te resulteren in een verwijderingsefficiëntie voor de totale som van geneesmiddelen van 87%. Specifieke medicijnresten zoals antibiotica en röntgencontrastvloeistoffen lieten respectievelijk een afbraakpercentage zien van 90% en 88%.
4.3.4 Garmerwolde Bij de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) in het Groningse Garmerwolde komt een testfabriek die medicijnresten uit afvalwater haalt. Nu komen medicijnresten vanaf de zuiveringsinstallatie nog via het Eemskanaal in de Waddenzee terecht. In totaal wordt er 3,5 miljoen euro geïnvesteerd in het pilotproject met de naam Regain dat drie jaar zal duren. Regain wil de medicijnen met bacteriologische processen uit het rioolwater halen. Als de test slaagt, zal een volledig nieuwe fabriek gebouwd worden in Garmerwolde. Het Waddenfonds subsidieert 1,2 miljoen euro. Daarnaast zullen er eveneens duurzame technologieën worden ingezet om het gezuiverde afvalwater verder geschikt te maken als proceswater voor het bedrijfsleven.
4.3.5 Duurzame alternatieven voor poederkool Onlangs werd een laboratoriumonderzoek afgerond naar duurzame alternatieven voor actiefkool, dat wordt ingezet voor het verwijderen van medicijnresten en andere microverontreinigingen uit rwzi-afvalwater. Het ministerie van IenW, STOWA en de Nederlandse waterschappen startten enkele jaren geleden het Innovatieprogramma Microverontreinigingen uit Afvalwater (IPMV) om de ontwikkeling van veelbelovende verwijderingstechnieken te versnellen. Doel is dat de waterschappen binnen vijf tot zeven jaar meer beproefde technieken tot hun beschikking hebben voor de verwijdering van microverontreinigingen. Dit onderzoek naar duurzame alternatieven voor het gebruik van poederactiefkool (PAK) afkomstig van steenkool/bruinkool, maakte onderdeel uit van dit programma. Op dit moment worden medicijnresten onder meer verwijderd via binding aan poederactiefkool (PACAS-techniek). Maar het reguliere poederactiefkool dat wordt gebruikt, is niet erg duurzaam, omdat het kool van fossiele herkomst is en niet geregenereerd kan worden. In het laboratorium is 51
het verwijderingsrendement op microverontreinigingen van verschillende duurzame PAK’s vergeleken met de referentie PAK. Ook zijn de duurzaamheid en kosten van duurzame PAK’s inzichtelijk gemaakt en zijn beschikbare organische reststromen voor de productie van duurzame PAK’s geïdentificeerd. Op basis van het onderzoek concluderen de onderzoekers dat de onderzochte alternatieven gelijkwaardig, en in sommige gevallen zelfs beter presteren dan poederactiefkool uit steenkool/bruinkool. Daarmee kan medicijnrestenverwijdering met poederkool (PACAS) verder worden verduurzaamd.
4.4
Ontwikkelingen per bedrijf
4.4.1 GMB GMB per november 2022 tien jaar lang het zuiveringsslib van het waterschap Vallei en Veluwe verwerken bij haar bestaande verwerkingslocatie in Zutphen. GMB gebruikt het principe van biologisch drogen, waarbij door middel van compostering het slib wordt gedroogd tot biogranulaat en ammoniumsulfaat. Voor de langere termijn, over 10 tot maximaal 15 jaar, gaan GMB en het waterschap samen met Royal HaskoningDHV een meer circulaire manier van slibverwerking ontwikkelen. Met marktpartijen wordt onderzocht op welke manier er uit het slib zoveel mogelijk waardevolle grondstoffen gehaald kunnen worden, zodat er zo min mogelijk afval overblijft. In een gezamenlijk ontwikkeltraject worden hiervoor verschillende methoden onderzocht. De meest geschikte methode wordt getest in een pilot. Wanneer deze pilot succesvol is, wordt de ontwikkelde techniek dè nieuwe methode voor slibverwerking. De samenwerking tussen de drie partijen wordt dan met nog eens met 10 jaar verlengd.
4.4.2 SNB Voor het eerst na jaren van stijgingen en een bijbehorende krapte op de markt, heeft SNB in 2020 minder zuiveringsslib verwerkt. In totaal kreeg SNB in 2020 ruim 449 kton zuiveringsslib aangeleverd. In 2019 was dat nog bijna 453 kton. 417 kton (93%) verwerkte SNB zelf (2019: 434,7 kton), de rest werd door externe partners verwerkt. De verwerkingsinstallatie van SNB had dit jaar een beschikbaarheid van 91,7 procent van het maximaal aantal bedrijfsuren waarbij het doel 94 procent was. Het resultaat over 2020 bedraagt 1,02 miljoen euro negatief tegenover een positief resultaat van 628.000 euro in 2019. Het negatieve resultaat is vooral veroorzaakt door hogere lasten (kosten voor uitbesteed werk en overige bedrijfskosten).
4.4.3 AEB Door het stilleggen van meerdere verbrandingslijnen, kon AEB in 2019 niet voldoen aan haar contractuele verplichtingen voor het verwerken van zuiveringsslib. Het waterschap Amstel, Gooi & Vechtstreek (AGV) zag zich daarom genoodzaakt om het slib tijdelijk op te slaan, o.a. 18 kton in Terneuzen. AEB kon in 2020 weer alle ovens gebruiken en heeft ook het laatste opgeslagen zuiveringsslib uit Terneuzen verwerkt.
52