CConstaterende datLelystad
Koppel je AI →
Document · PDF

25.239 Verordening Jeugdhulp Lelystad 2025- gemandateerd

Raadsvergadering 1 juli 2025, gemeente LelystadBij agendapunt: 25.239 Verordening Jeugdhulp Lelystad 202510.198 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Verordening Jeugdhulp Lelystad 2025 De raad van de gemeente Lelystad; gelezen het voorstel van het college van burgemeesters en wethouders van 3 juni 2025; gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.11 en 8.1.1., derde lid, van de Jeugdwet; gezien het advies van de Cliëntenraad sociaal domein van 26 mei 2025; overwegende dat: - de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd; - het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt, ook als er sprake is van een jeugdige met een psychisch probleem of stoornis, een psychosociaal probleem, een gedragsprobleem of een beperking; - Door de raad regels gesteld moeten worden over: a. de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemene voorzieningen; b. de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; c. wat wordt verstaan onder 'eigen mogelijkheden' en 'probleemoplossend vermogen' en wanneer die in de weg staan aan de toekenning van jeugdhulp; d. de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen; e. de wijze waarop de hoogte van een pgb wordt vastgesteld; f.

de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb, alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet; g. de borging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan; h. onder welke voorwaarden degene aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot diens sociale netwerk; i. de wijze waarop ingezetenen, waaronder in elk geval de jeugdigen of hun ouder(s), worden betrokken bij de uitvoering van de Jeugdwet; besluit vast te stellen de Verordening Jeugdhulp Lelystad 2025. HOOFDSTUK 1. BEGRIPPEN. Artikel 1. Begripsbepalingen. 1. De begripsbepalingen zoals vastgelegd in artikel 1.1 van de Jeugdwet en artikel 1.1 Besluit Jeugdwet, zijn onverkort van toepassing op deze verordening. 2. Aanvullend op het eerste lid wordt in deze verordening en de daarop berustende bepalingen verstaan onder: - algemene voorziening:

vrij toegankelijke voorziening als bedoeld in artikel 2, eerste lid van deze verordening, waarvoor geen beschikking van het college vereist is;

- andere voorziening

voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;

- budgetbeheerder:

wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde van de budgethouder; Pagina 1 van 23

- budgethouder:

de persoon die een pgb ontvangt op grond van de Jeugdwet;

- budgetplan:

door jeugdige en/of diens ouders opgesteld plan waarin is opgenomen hoe het persoonsgebonden budget wordt besteed;

- cliëntondersteuning:

onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen;

- college:

college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad;

- familiegroepsplan:

hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren;

- GIZ-methodiek:

Gezamenlijk Inschatten van Zorgbehoeften: een erkende methodiek waarmee snel de sterke kanten en ontwikkel- en zorgbehoeften van een kind of gezin in kaart kan worden gebracht;

- hulpvraag:

behoefte van jeugdige en/of ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet;

- individuele voorziening:

een op de jeugdige of zijn ouders toegesneden jeugdhulpvoorziening die door het college in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt verstrekt;

- ouder:

gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder

- professionele standaard:

beroepscodes en richtlijnen die gelden voor de jeugdzorg ;

- pgb:

persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige, dat de jeugdige in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken;

- voorliggende voorziening

een voorziening die voorgaat op een individuele voorziening vanuit de Jeugdwet.

- zorg in natura:

De ondersteuning of jeugdhulp die aan personen wordt geleverd door jeugdhulpaanbieders die door de gemeente gecontracteerd zijn

Pagina 2 van 23

HOOFDSTUK 2. VORMEN VAN JEUGDHULP Artikel 2. Algemene voorzieningen 1. Bij elke jeugdhulpvraag moet eerst worden beoordeeld of een algemene voorziening beschikbaar, passend en toereikend is. Als dit zo is, komen jeugdigen en zijn ouder(s) niet in aanmerking voor een individuele voorziening. 2. De volgende vormen van algemene voorzieningen zijn beschikbaar: a. (lichte) opvoed- en opgroeiondersteuning b. trainingen voor ouders en/of jeugdigen c. informatie en advies (gericht op cliënt) d. onderzoek e. consultatie en advies f. jeugd professionals bij de huisarts Artikel 3. Individuele voorziening 1. De individuele voorzieningen die door het college in ieder geval beschikbaar zijn gesteld staan beschreven in bijlage 1 bij deze verordening, met daarbij de maximale duur, frequentie en nadere kenmerken van deze voorzieningen. HOOFDSTUK 3. TOEGANG TOT JEUGDHULPVOORZIENINGEN Artikel 4 Toegang tot jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1. Het college zorgt, overeenkomstig artikel 2.6, eerst lid, aanhef en onder e, van de Jeugdwet, voor de toegankelijkheid van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, nadat de jeugdhulpaanbieder heeft beoordeeld welke vorm van jeugdhulp naar aard, duur en omvang nodig is. 2.

In het geval van een verwijzing zoals bedoeld in het eerste lid, is het college niet verplicht jeugdhulp te vergoeden als deze wordt geleverd door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente geen contract- of subsidierelatie heeft. Hiervan kan uitsluitend worden afgeweken als het college daarmee schriftelijk heeft ingestemd voorafgaand aan de start van de verlening van jeugdhulp, op grond van bijzondere feiten of omstandigheden. 3. De jeugdhulpaanbieder houdt zich bij het beoordelen van de hulpvraag na een verwijzing aan de regels in deze verordening, in het bijzonder aan artikel 8 "Onderzoek", in het bijzonder lid 8 en artikel 13 "Criteria voor toekenning van een individuele voorziening", vierde en vijfde lid, en de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. 4. Om te kunnen beoordelen of de jeugdhulp die de jeugdhulpaanbieder wil inzetten voldoet aan de verordening en de afspraken als bedoeld in het derde lid, is de jeugdhulpaanbieder verplicht om aan het college gegevens te verstrekken van de jeugdige of zijn ouder(s) die noodzakelijk zijn voor deze beoordeling. De gecontracteerde jeugdhulpaanbieder verstrekt in ieder geval de volgende gegevens: a. de productcategorie en de productcode van de voorziening; b. de eenheid en het volume van de voorziening; c. de frequentie en de duur van de voorziening; d.

de reden van de inzet van de voorziening; e. de verwijsbrief die niet ouder is dan negen maanden (exclusief de inhoudelijke medische gegevens). 5. Het college legt de verstrekking van de individuele voorziening, dan wel de afwijzing daarvan, vast in een beschikking.

Pagina 3 van 23

Artikel 5 Uniform hulpaanbod rechtbank bij scheidingen of directe doorverwijzing ter zitting 1. Het uniforme hulpaanbod is een samenwerking tussen de rechtbanken en gemeentes, waarbij passende hulp wordt aangeboden aan ouders en kinderen in met name (echt)scheidingen en omgangszaken. 2. De rechtbank kan alleen in scheidingszaken verwijzen naar jeugdhulpverlening, te weten ouderschapsbemiddeling en omgangsbegeleiding. Artikel 6 Toegang tot jeugdhulp via justitieel kader 1. Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp die de rechter of de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van de jeugdreclassering. 2. Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen over de vorm en inhoud van het besluit tot inzet van jeugdhulp bij de gecontracteerde jeugdhulpaanbieder en hoe het college daarvan op de hoogte gesteld wordt. 3. Voor toegekende voorzieningen via het justitieel kader verstrekt het college een toewijzingsbericht voor de in te zetten voorziening. 4.

Het college kan nadere regels stellen over de toeleiding tot jeugdhulp via een gecertificeerde instelling. Artikel 7 Toegang tot jeugdhulp via de gemeente 1. Jeugdigen en/of ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot de aanbieders van algemene voorzieningen. 2. Jeugdigen en/of ouders dienen hun hulpvraag voor een individuele voorziening schriftelijk in bij het college op een daartoe door het college beschikbaar gesteld aanvraagformulier. Dit wordt aangemerkt als een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. 3. Het college bevestigt schriftelijk de ontvangst van de aanvraag. 4. Indien bij de aanvragen benodigde bijlagen ontbreken, zoals een (behandel)plan of evaluatie, stelt het college de indiener van de aanvraag in de gelegenheid om de aanvraag aan te vullen. In dat geval wordt de beslistermijn opgeschort. 5. Het college neemt het besluit op een aanvraag binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. 6. Het college legt het besluit op een aanvraag voor een individuele voorziening vast in een beschikking. 7. In spoedeisende gevallen, ter beoordeling van het college, treft het college zo spoedig mogelijk een passende individuele voorziening. Het college legt de beslissing omtrent de inzet van de individuele voorziening in dat geval zo snel mogelijk, doch in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vast in een beschikking. HOOFDSTUK 4.

BEHANDELING VAN EEN AANVRAAG OM EEN INDIVIDUELE VOORZIENING; ONDERZOEK EN BESLUITVORMING VIA DE GEMEENTE Artikel 8 Onderzoek 1. Wanneer bij het college een aanvraag wordt ingediend als bedoeld in artikel 7, tweede lid, voert het college in samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger(s), zo spoedig mogelijk, een onderzoek uit. 2. Het college wijst de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger(s) op de mogelijkheid gebruik te maken van een vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 2.5, van de Jeugdwet en van gratis cliëntondersteuning als bedoeld in artikel 2.2.4, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

Pagina 4 van 23

3. Voordat het onderzoek van start gaat, kunnen de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger(s) het college een familiegroepsplan verstrekken. Het college brengt hen van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hen in de gelegenheid het plan te overhandigen. 4. Het onderzoek en de beoordeling van de aanvraag vindt plaats met de GIZ-methodiek in combinatie met het schema Ontwikkelaspecten en Omgevingsinteractie-schema van het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid. Daarnaast past het college de richtlijnen jeugdhulp van het Nederlands Jeugdinstituut (NJI) toe in het onderzoek en de beoordeling van de best passende hulp. 5. Het college verzamelt alle voor het onderzoek van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn situatie en maakt een afspraak voor een gesprek met de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger(s). 6. De jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger(s) verschaffen aan het college alle overige gegevens en bescheiden die naar oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen.

Binnen de kader van wet- en regelgeving verschaffen de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger(s) aan het college alle overige gegevens en bescheiden die gemotiveerd naar oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. 7. Het college kan, met toestemming van de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger(s), informatie inwinnen bij andere instanties, zoals de huisarts en de onderwijsinstelling. 8. Het college onderzoekt in samenspraak met de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger(s): a. wat de hulpvraag is; b. of de gemeente verantwoordelijk is (woonplaatsbeginsel, artikel 1.1. Jeugdwet); c. of de Jeugdwet van toepassing is; d. of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen en/of psychische problemen en stoornissen; e. welke hulp naar aard en omvang nodig is om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; f. of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden; g.

voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening, overige voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning en hulp. 9. Als de jeugdige of zijn ouders een familiegroepsplan hebben opgesteld, betrekt het college dat bij het onderzoek. 10. Het college informeert de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger(s) over de gang van zaken bij het onderzoek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure. 11. Bij het onderzoek wordt aan de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger(s) medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor de verstrekking van een pgb en welke gevolgen die keuze heeft. Artikel 9. Niet meewerken ouder(s) 1. De jeugdige en zijn ouder(s) is (zijn) verplicht om, binnen de eigen mogelijkheden, mee te werken aan onderzoek gericht op besluitvorming over en de doelmatige inzet van jeugdhulp. 2. Als de jeugdige of zijn ouder(s) naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerkt (meewerken), kan de omvang van de benodigde jeugdhulp niet worden vastgesteld of is de jeugdhulp niet effectief en kan door het college worden besloten geen individuele voorziening Pagina 5 van 23

toe te kennen, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende individuele voorziening in te trekken. Artikel 10. Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming 1. Het onderzoek als bedoeld in artikel 8, eerste lid, wordt uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde professional, als bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit Jeugdwet. 2. De in het eerste lid genoemde professional beschikt over deskundigheid met betrekking tot: a. opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, b. opvoedingssituaties waardoor jeugdigen mogelijk in hun ontwikkeling worden bedreigd, c. taal- en leerproblemen, d. somatische aandoeningen, e. lichamelijke of verstandelijke beperkingen, en f. kindermishandeling en huiselijk geweld. 3. Als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag specifieke deskundigheid vereist, kan het college ook gebruikmaken van andere deskundigen, zoals orthopedagogen, kinder- of GZpsychologen, medisch geregistreerde deskundigen of erkende jeugdzorgspecialisten. 4.

Het college treft voorzieningen waarmee is gewaarborgd dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming via de gemeente op zorgvuldige wijze plaatsvindt, in het bijzonder door te voorkomen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp biedt of mogelijk gaat bieden, ook het advies geeft over het al dan niet toekennen van jeugdhulp of het daarop betrekking hebbende besluit neemt. Artikel 11. Identificatie 1. Bij het onderzoek stelt het college de identiteit van de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger(s) vast aan de hand van een door hen ter inzage verstrekt document als bedoeld in artikel 1, van de Wet op de identificatieplicht. 2. Ten aanzien van personen zonder de Nederlandse nationaliteit merkt het college als geldig identiteitsbewijs aan: a. een vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER; b. een verblijfskaart Ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen); c. een buitenlands paspoort; of d. een vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers). Artikel 12. Onderzoeksrapport 1. Na het onderzoek verstrekt het college aan de jeugdige en/of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger(s) schriftelijke verslaglegging in de vorm van een onderzoeksrapport. 2.

Het college vergewist zich ervan dat de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger het onderzoeksrapport hebben begrepen. 3. Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger(s) worden aan het onderzoeksrapport toegevoegd. Artikel 13. Criteria voor toekenning van een individuele voorziening 1. Een jeugdige of ouder komt in aanmerking voor een door het college verleende individuele voorziening: a. na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts, of; b. na onderzoek door het college indien het college van oordeel is dat de jeugdige of ouder jeugdhulp nodig heeft: i. in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, ii. psychische problemen, of iii. iii. stoornissen Pagina 6 van 23

en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn en gebruikmaking van een andere of algemene voorziening deze noodzaak niet kan verminderen of wegnemen. 2. Gelet op de definitie van jeugdhulp uit artikel 1.1, van de Jeugdwet wordt geen individuele voorziening verstrekt voor hulp of ondersteuning aan een jeugdige die niet noodzakelijk is op grond van een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking, maar die voortkomt uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van de jeugdige van een bepaalde leeftijd. Bij de beoordeling hiervan houdt het college rekening met de volgende factoren: a. de leeftijd van de jeugdige; b. de mate van zorg bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft c. de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige d. de mate van planbaarheid van de hulp e. de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige. 3. Als de oorzaak van de hulpvraag is gelegen in problematiek bij de ouder, bijvoorbeeld vanwege lichamelijke handicap of psychosociale problematiek, valt dit niet onder jeugdhulp. 4. Een andere of algemene voorziening kan de noodzaak verminderen of wegnemen als deze: i. daadwerkelijk beschikbaar is; en ii.

passend en toereikend is voor de hulpvraag. 5. Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate, tijdig beschikbare voorziening. 6. De individuele voorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 8 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de jeugdige in staat wordt gesteld om: i. gezond en veilig op te groeien; ii. te groeien naar zelfstandigheid, en iii. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met leeftijd en ontwikkelingsniveau. 7. Een individuele voorziening voor jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan de in het zesde lid genoemde doelen en of de jeugdhulpaanbieder gebruik maakt van evidence based en practice based methodieken. 8. Er is sprake van een bewezen effectieve voorziening als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventies is opgenomen in: i. de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut; ii. de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden; iii. de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg). 9.

Een voorziening ter ontlasting van ouders kan alleen worden getroffen ten aanzien van de jeugdige: i. die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt; ii. die aangewezen is op permanent toezicht, en; iii. die begeleiding of persoonlijke verzorging ontvangt, of verpleging ontvangt. Artikel 14. Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen. 1. Een individuele voorziening wordt niet verstrekt als naar het oordeel van het college uit het onderzoek blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) toereikend zijn om binnen de eigen mogelijkheden, zo nodig met inzet van het sociale netwerk of met ondersteuning van andere (hulpverlenende) instellingen, de hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s). Pagina 7 van 23

2. 3. 4.

5.

6.

7.

8.

Tot het sociale netwerk behoren personen binnen de kring van familie, vrienden, kennissen en bekenden die van betekenis zijn voor- en bijdragen aan het welzijn en welbevinden van de jeugdige of zijn ouder(s). Tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen behoort in elk geval het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering als die is afgesloten. Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, bedoeld in het eerste lid, neemt het college, gelet op het bepaalde in de artikelen 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen, ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen, allereerst bij de ouder(s) zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd dient te worden. Voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen wordt geacht aanwezig te zijn, in de volgende situaties: a. De hulpvraag behoort tot de opvoedingsopgaven en/of normale uitdagingen zoals omschreven door het Nederlands Jeugdinstituut in de uitgave ‘Opgroeien en opvoeden’ en waarvan het overzicht is opgenomen in bijlage 2 van deze verordening; b.

De hulpvraag een periode van minder dan zes maanden bedraagt, met uitzondering van behandeling; Onverlet het bepaalde in leden 5a en 5b, kan uit het onderzoek blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) tekortschiet, omdat sprake is van: a. vastgestelde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden; b. een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; of c. overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven. Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen houdt het college in ieder geval rekening met de volgende factoren: a. de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige; b. de mate van planbaarheid van de hulp; c. de manier van omgaan van ouders met de problemen van de jeugdige; d. vaardigheden van de ouders om zelf hulp te bieden (bijvoorbeeld een verpleegachtergrond); e. of er sprake is van problematiek bij de ouders, zoals relationele problemen of schulden; f. welke verplichtingen de ouders hebben, bijvoorbeeld voor werk en zwaarwegende sociale verplichtingen; g. het belang van ouders om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen; h. de woonsituatie; i.

de samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden (bijvoorbeeld of er sprake is van een wettelijke stiefouder of niet); j. de beschikbaarheid van een sociaal netwerk en de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk om de jeugdige of zijn ouders te ondersteunen; Bij de beoordeling van het zesde lid, onder c, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouder(s) hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de ouder(s) maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Hierbij houdt het college ook rekening met: a. de behoefte en mogelijkheden van de jeugdige; b. de duur van de inzet, waarbij als uitgangspunt geldt dat kortdurende inzet van niet langer dan [(3)] maanden in een jaar niet tot overbelasting leidt; c. de planbaarheid van de hulp; Pagina 8 van 23

d. de benodigde ondersteuningsintensiteit; e. de samenstelling van het gezin en de woonsituatie; f. de noodzaak van de ouder(s) om in een inkomen te voorzien; en g. financiële situatie van de ouder(s). Bij uitval van één van de ouders wordt van de andere ouder verwacht dat die de noodzakelijke hulp en zorg overneemt. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Artikel 15. Vervoer 1. Uitgangspunt is dat ouder(s) zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder. Hierbij wordt twee keer per week brengen en halen in ieder geval beschouwd als behorend tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s). 2. Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt aan de jeugdige ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt. 3. Een vervoersvoorziening wordt alleen aan de jeugdige toegekend als naar het oordeel van het college is aangetoond dat er een noodzaak bestaat tot inzet van deze voorziening. Bij grotere mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van ouders kan meer keren brengen en halen worden gevergd, dan wordt er geen vervoersvoorziening toegekend. 4.

Het college beoordeelt, overeenkomstig artikel Artikel 14 "Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen", in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) onvoldoende zijn om de eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer op zich te nemen. 5. Als naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend op een indicatie waarvoor wel vervoer geïndiceerd moet worden. Artikel 16. Dyslexie 1. De zorg voor kinderen tot 13 jaar met ernstige dyslexie (ED), dyslexiezorg, valt onder de Jeugdwet. 2. Voor dyslexiezorg geldt dat deze alleen toegankelijk is voor de jeugdige nadat de ED-specialist van het Samenwerkingsverband Passend Onderwijs Lelystad Dronten op basis van het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling [versie] van oordeel is dat diagnostiek dan wel de behandeling van Ernstige Dyslexie noodzakelijk is. Artikel 17. Kinderopvang en buitenschoolse opvang 1. Reguliere kinderopvang en reguliere buitenschoolse opvang zijn geen vormen van jeugdhulp. 2.

In uitzonderlijke situaties, als een kind extra begeleiding of specialistische begeleiding nodig heeft vanwege opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen, die niet door medewerkers van de opvang kan worden geboden en niet van ouder(s) kan worden verwacht, kan vanuit de Jeugdwet in begeleiding op de kinderopvang en buitenschoolse opvang worden ingezet. 3. Bij een situatie als bedoeld in het tweede lid wordt de duur van de begeleiding bepaald op basis van de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige. Artikel 18 Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt vastgelegd: a. welke individuele voorziening verstrekt wordt; b. de omvang van de voorziening; c. wie de jeugdhulp gaat bieden en met welke methodiek er gewerkt wordt; d. of de zorg in natura of als pgb wordt verstrekt; e. de duur van de voorziening f. de kosten van de voorziening. Pagina 9 van 23

2.

3. 4. 5.

Bij het verstrekken van een individuele voorziening in de vorm van een pgb vermeldt de beschikking naast de in lid 1 genoemde zaken bovendien: a. de hoogte van het pgb en hoe deze is bepaald; b. voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend; c. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; d. welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; e. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb; f. de duur van het pgb. De start van de individuele voorziening mag nooit gelegen zijn voor de datum van de aanvraag. Bij het besluit wordt informatie verstrekt over de rechten en de plichten van de jeugdige en zijn ouders. De jeugdige of zijn ouders moeten zich binnen drie maanden na de besluitdatum (datum beschikking) hebben gemeld bij een jeugdhulpaanbieder.

HOOFDSTUK 5. AANVULLENDE REGELS VOOR EEN INDIVIDUELE JEUGDHULPVOORZIENING IN DE VORM VAN EEN PGB Artikel 19. Toekenning of weigering voorziening in de vorm van een pgb 1. Als een jeugdige of zijn ouder(s) in aanmerking komen voor een individuele voorziening, maar de jeugdhulp zelf wensen in te kopen door middel van een pgb, dienen de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger daartoe een budgetplan in volgens een door het college ter beschikking gesteld format. In het budgetplan is opgenomen: a. de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente volgens de jeugdige of zijn ouder(s) niet passend is en een pgb gewenst is; b. welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouder(s) willen inkopen met een pgb, wat het beoogde resultaat is en wanneer en hoe wordt geëvalueerd; c. de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt; d. op welke wijze de kwaliteit van de in te kopen jeugdhulp is gewaarborgd, overeenkomstig artikel 24 "Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb"; e. de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief; waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb de jeugdige of zijn ouders in staat stelt tijdig kwalitatief goede jeugdhulp van derden te betrekken; f.

indien van toepassing, welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouder(s) willen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk; en g. de motivatie aan de hand van de punten benoemd in artikel 20 [Pgb-vaardigheid] waaruit blijkt dat de budgethouder of budgetbeheerder in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. 2. Het college verstrekt een pgb indien: a. de jeugdige en zijn ouders zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een gecontracteerde jeugdhulpaanbieder, niet passend achten; b. uit de beoordeling van de pgb-vaardigheid met inachtneming van artikel 24 blijkt dat de budgethouder of, indien van toepassing, de budgetbeheerder in staat is uitvoering te geven aan de eisen die het beheer van een pgb met zich meebrengt; en c. naar het oordeel van het college met inachtneming van artikel 24 [Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb] is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger met het pgb willen inzetten, van goede kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het budgetplan opgenomen beoogde resultaat;

Pagina 10 van 23

3. Het college verstrekt geen pgb als er twijfels zijn over de integriteit van de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp, wat zich in ieder geval voordoet indien de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp in de vier jaar voorafgaande aan de aanvraag: a. fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, heeft gepleegd; b. betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de hulp in gevaar brengen; c. veroordeeld is wegens het plegen van strafbare feiten tot een gevangenisstraf; of d. op basis van een Bibob-toets door het college is geweigerd als zorgaanbieder. 4. Het college weigert een pgb als een wettelijke weigeringsgrond als bedoeld in artikel 8.1.1, vierde lid, van de Jeugdwet van toepassing is. Artikel 20. Pgb-vaardigheid 1. Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen dient de beoogd budgethouder, al dan niet met hulp vanuit het sociaal netwerk of, indien van toepassing, een budgetbeheerder, in ieder geval: a. een duidelijk beeld te hebben van de hulpvraag; b. op de hoogte te zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze zelf (online) weten te vinden; c. in staat te zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden; d. voldoende vaardig te zijn om in de Nederlandse taal te communiceren met de gemeente, de SVB en de zorgverleners; e.

in staat te zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen; f. in staat te zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan het college; g. in staat te zijn om te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is; h. in staat te zijn de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte; i. in staat te zijn om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; en j. voldoende kennis te hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden. 2. Een budgethouder of een budgetbeheerder wordt in beginsel niet in staat geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden: a. het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die ook de jeugdhulp levert aan de budgethouder[, tenzij [hiervoor door het college toestemming is verleend OF de persoon eerste of tweedegraads bloed- of aanverwant is van de jeugdige]]; b. er is sprake van één of meer van de volgende omstandigheden: i. schuldenproblematiek; ii. ernstige verslavingsproblematiek; iii. aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; iv.

een aanmerkelijke verstandelijke beperking; v. een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; vi. een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis; vii. het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift; of viii. het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag. Artikel 21. Hoogte pgb Pagina 11 van 23

1. De hoogte van het pgb voor formele jeugdhulp als bedoeld in artikel 23 [Onderscheid formele en informele hulp] bedraagt 100% van het laagste adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde jeugdhulp in natura. 2. De hoogte van het pgb voor informele jeugdhulp als bedoeld in artikel 23 [Onderscheid formele en informele hulp] bedraagt [(minimaal 100)]% van het wettelijke minimumloon. 3. De tarieven voor het pgb worden jaarlijks geïndexeerd, waarbij: a. de indexering wordt berekend uit de som van het geprognostiseerde percentage voor het komende jaar (t + 1) en het verschil tussen het in het voorgaande jaar (t – 1) geprognostiseerde percentage voor het lopende jaar (t) en het definitieve percentage voor het lopende jaar (t). De percentages zijn verschillend voor loonkosten en materiële kosten; en b. het college het pgb-tarief verhoogt of verlaagt voor 90% op basis van het geprognostiseerde en definitieve indexcijfer Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA) voor personele kosten van het CPB, gepubliceerd door de NZA en voor 10% op basis van het geprognostiseerde en definitieve prijsindexcijfer particuliere consumptie (PPC) voor materiële kosten van het CPB gepubliceerd door de NZA. 4.

Het tarief is lager als op basis van het door de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger ingediende budget-plan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht. 5. Het tarief voor jeugdhulp dat op onverplichte basis wordt verleend door een hulpverlener uit het sociaal netwerk wordt door het college vastgesteld overeenkomstig artikel 8ab, eerste lid, van de Regeling Jeugdwet. 6. Met inachtneming van voorgaande bepalingen stelt het college de pgb-tarieven vast in nadere regels. 7. Het college maakt minimaal eenmaal per jaar de tarieven bekend. Artikel 22. Uitgesloten van pgb De volgende kosten zijn uitgesloten van vergoeding vanuit een pgb: a. kosten voor bemiddeling; b. kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers; c. kosten voor het voeren van een pgb-administratie; d. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; e. kosten die worden gemaakt voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door het college; f. [kosten voor vervoer als de jeugdige op grond van artikel 11 naar het oordeel van het college niet in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening;] g. [kosten voor hulp die direct ingezet moet worden (crisishulp);] h. kosten voor een aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag. Artikel 23.

Onderscheid formele en informele hulp 1. Van formele hulp is sprake als de jeugdhulp verleend wordt door onderstaande personen: a. personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister, conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007, en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of b. personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007 en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken. 2. Formele hulp wordt geleverd door personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg of artikel 5.2.1, van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp. Pagina 12 van 23

3. Als de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de eerste- of tweede graad van de budgethouder, is altijd sprake van informele hulp omdat zij onderdeel uitmaken van het sociale netwerk. 4. Als de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in het eerste lid, onder a of b, en er niet voldaan is aan het tweede lid, is er sprake van informele hulp. Artikel 24. Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb 1. Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van de jeugdhulp aan de volgende eisen: a. beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) die niet ouder is dan drie maanden bij aanvang van de zorgovereenkomst en gedurende de hulpverlening niet ouder dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van diens functie[. Ouder(s) zijn uitgesloten van deze eis]; b. beschikt over de juiste vaardigheden en deskundigheid om verantwoorde hulp te bieden; c. houdt een deugdelijke administratie bij met een registratie van de geleverde hulp; d. is voldoende vaardig om in de Nederlandse taal te communiceren; e. werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd; f. voert de hulp uit in overeenstemming met de beschikking van het college; g. stemt de hulp af op de persoonlijke situatie van de jeugdige of zijn ouder(s); h.

stemt de hulp af op andere voorzieningen, algemene voorzieningen en individuele voorzieningen waar de jeugdige of zijn ouder(s) gebruik van maken; i. respecteert de privacy van de jeugdige of zijn ouder(s) en gaat vertrouwelijk om met informatie over de persoonlijke situatie; j. neemt bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling in het huishouden van de jeugdige of zijn ouder(s) voor advies of het doen van een melding contact op met Veilig Thuis; k. meldt calamiteiten en geweldsincidenten bij de verlening van jeugdhulp aan het college; l. werkt mee aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door het college of daartoe aangewezen derden op inhoudelijke kwaliteit en op rechtmatigheid; en m. is of raakt door verlening van de jeugdhulp naar het oordeel van het college niet overbelast. 2. Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van formele jeugdhulp aan de volgende aanvullende eisen: a. hetgeen is bepaald in artikel 23 [Onderscheid formele en informele hulp] eerste en tweede lid; b. handelt in overeenstemming met de professionele standaard; c. werkt op basis van een hulpverleningsplan; d. werkt met een systeem voor kwaliteitsbewaking; e. hanteert de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp; en f.

stelt een vertrouwenspersoon in staat zijn taak uit te voeren. 3. Er wordt geen pgb voor informele jeugdhulp verstrekt als, conform het afwegingskader voor een verantwoorde werktoedeling op basis van het Kwaliteitskader Jeugd, formele jeugdhulp noodzakelijk is. Artikel 25. Verantwoording PGB 1. De persoon die een pgb ontvangt, geeft de middelen uit in overeenstemming met het budgetplan. Hij bewaart gedurende een periode van vijf jaar de originele aankoopbewijzen, overeenkomsten en betaalbewijzen van alle tot het bestedingsdoel van het pgb behorende goederen of diensten. 2. Deze gegevens worden op verzoek van het college aangeleverd door de persoon aan wie het pgb is toegekend, binnen een termijn van 20 werkdagen nadat het college hierom heeft gevraagd. Pagina 13 van 23

3. 4. 5. 6.

Het pgb mag worden aangewend voor een mantelzorgvergoeding en lidmaatschap van een belangenvereniging voor mensen met een pgb. Het pgb mag niet worden aangewend voor de betaling van tussenpersonen, belangenbehartigers, bemiddelingskosten, coördinatietaken, cadeaus, feestdagenuitkeringen, begeleidingskosten of administratiekosten. De budgethouder hoeft van het persoonsgebonden budget 1,5% per jaar niet te verantwoorden, met een minimum van€ 250,- en een maximum van€ 1250,- per jaar. Wanneer de budgetperiode minder is dan een jaar, wordt het verantwoordingsvrije bedrag berekend naar rato. Wanneer geen passende voorziening in natura beschikbaar is, én niet door de gemeente alsnog gecontracteerd kan worden, én de jeugdige en/of zijn ouder(s) niet in staat is op verantwoorde wijze uitvoering te geven aan het pgb, dan zal het college een coördinator (zorg in natura) aanwijzen of (al dan niet tijdelijk) toestaan dat een pgb-bureau voor ondersteuning wordt ingeschakeld. Er vindt daarbij in ieder geval functiescheiding plaats tussen de coördinatortaken en het bieden van daadwerkelijke hulp.

HOOFDSTUK 6. HERZIENING, INTREKKING, TERUGVORDERING EN BESTRIJDING MISBRUIK Artikel 26. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking, terugvordering en opschorting. 1. Mede overeenkomstig artikel 8.1.2 van de Jeugdwet doen een jeugdige of zijn ouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening al dan niet in de vorm van een pgb. 2. Het college onderzoekt periodiek of er aanleiding is een beslissing aangaande een verstrekking van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb te heroverwegen en kan hierover nadere regels stellen. 3. Een individuele voorziening al dan niet in de vorm van een pgb wordt beëindigd wanneer de jeugdige of zijn ouders hebben aangegeven geen gebruik meer te maken of te willen maken van de verstrekte individuele voorziening. 4. Een pgb wordt uiterlijk beëindigd op de eerste dag van de maand volgend op de maand dat de jeugdige is overleden dan wel niet langer staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente Lelystad. 5. Onverminderd artikel 8.1.4 van de Jeugdwet kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a.

de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger(s) onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de jeugdige en zijn ouders niet langer op de individuele voorziening of op het pgb zijn aangewezen; c. de individuele voorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; d. de jeugdige en/of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het pgb; e. er sprake is van (dreigende) overbelasting in de zin van artikel 14, zesde lid, sub c, bij ouders aan wie een individuele voorziening in de vorm van een pgb is toegekend; f. de jeugdige en zijn ouders de individuele voorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd; g. de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger met het pgb jeugdhulp betrekken van een jeugdhulp-aanbieder tegen wie bezwaren zijn ontstaan, als bedoeld in artikel 19, 3de lid; of h. de jeugdige langer dan […] weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet.

Pagina 14 van 23

6.

Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 7. Als het college een beslissing heeft herzien of ingetrokken op grond van het vijfde lid onder a, dan kan het college de geldschade vorderen van de te veel of ten onrechte genoten individuele voorziening in natura of het te veel of ten onrechte genoten pgb. 8. Als het college een beslissing op grond van het vijfde lid, onder a, heeft ingetrokken, kan het college bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk het ten onrechte genoten pgb invorderen. 9. Het college kan, bij een gegrond vermoeden van een omstandigheid als bedoeld in het vijfde lid, onder a, d, e of f, de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting van de verplichting tot het doen van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken. Artikel 27. Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s 1. Het college wijst toezichthouders aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van de rechtmatige uitvoering van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk en ondoelmatig gebruik van de Jeugdwet. 2.

Het college onderzoekt met inachtneming van de paragrafen 6a en 6b van de Regeling Jeugdwet de rechtmatigheid en doelmatigheid van individuele pgb voorzieningen. 3. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van pgb’s met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan. Artikel 28. Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik 1. Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties. 2. Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over het monitoren van de gemiddelde trajectduur tijdens de looptijd van een contract. HOOFDSTUK 7. AFSTEMMING MET ANDERE VOORZIENINGEN Artikel 29. Voorliggende voorziening 1. Het college verstrekt geen voorziening voor jeugdhulp als er: a. met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of de Zorgverzekeringswet; b.

naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; of c. gegronde redenen zijn voor het college om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en de jeugdige of zijn wettelijke vertegenwoordiger weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe. 2. Als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de betreffende problematiek en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond van een recht op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van de Jeugdwet kan worden verkregen, is het college gehouden deze voorziening op grond van de Jeugdwet te treffen. Pagina 15 van 23

3. 4.

De jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger die een aanvraag voor jeugdhulp doen, worden verwezen naar de instantie waar een aanvraag voor een voorziening op basis van de voornoemde wetten kan worden behandeld. Bij een verwijzing als bedoeld in het vorige lid naar Wet langdurige zorg wordt cliëntondersteuning ingeschakeld.

Pagina 16 van 23

Artikel 30. Afbakening aanspraken op Jeugdwet en Wet Langdurige Zorg (WLZ) 1. Ondersteuning valt niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet als een jeugdige vanwege een somatische aandoening of beperking of een verstandelijke, lichamelijke of zintuigelijke handicap een blijvende behoefte heeft aan zorg én als de jeugdige blijvend 24 uur per dag zorg in de nabijheid of permanent toezicht nodig heeft: a. ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel voor de jeugdige, of b. omdat de jeugdige zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen om ernstig nadeel voor zichzelf te voorkomen door fysieke problemen of door zware regieproblemen. 2. Ondersteuning die gezien voorgaande in ieder geval niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet valt, betreft: a. logeeropvang voor jeugdigen met een indicatiebesluit Wet langdurige zorg; b. verblijf in een instelling; c. vervoer naar en van een locatie voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg; d. behandeling van psychische stoornissen, mits deze een integraal onderdeel uitmaken van de behandeling die vanuit de Wet langdurige zorg geboden wordt. e.

Als jeugdige of zijn ouder(s) weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een besluit op basis van de Wet langdurige zorg terwijl er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige recht heeft op zorg op grond van de Wet langdurige zorg, bijvoorbeeld bij de noodzaak tot meer dan 4 dagdelen dagbesteding, dan weigert het college een individuele voorziening op grond van de Jeugdwet. f. Als een jeugdige met een besluit op basis van de Wet langdurige zorg een aanvraag indient voor behandeling voor een psychische stoornis, verleent het college een individuele voorziening jeugdhulp, mits de behandeling integraal onderdeel uitmaakt van de geboden behandeling vanuit de Wet langdurige zorg. Artikel 31. Afbakening aanspraken op Jeugdwet en Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015 (Wmo 2015) Als naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek van de jeugdige of de ouder een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, dan verleent het college geen voorziening op grond van de Jeugdwet, tenzij sprake is van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Het betreft in ieder geval: a. voorzieningen in de vorm van hulpmiddelen, woningaanpassingen en een gebarentolk; b.

een noodzakelijke vervoersvoorziening om te kunnen reizen naar verschillende locaties, zoals sportvereniging en recreatieplekken; c. een maatwerkvoorziening voor opvang, indien de jeugdige met de ouder meekomt als een ouder de thuissituatie moet verlaten, vanwege bijvoorbeeld huiselijk geweld, mishandeling of een huisuitzetting. Artikel 32. Afbakening aanspraken op Jeugdwet en Wet Passend Onderwijs 1. Ondersteuning gericht op het doorlopen van het onderwijsprogramma dat primair gericht is op het leerproces, het behalen van onderwijsdoelen of om de jeugdige verder te helpen in de onderwijsontwikkeling, valt niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet; 2. Als een jeugdige recht heeft op ondersteuning vanuit de Wet passend onderwijs is deze wet voorliggend op de Jeugdwet en hoeft het college geen voorziening te treffen op grond van de Jeugdwet; 3. Als een jeugdige voor het behalen van onderwijsdoelen begeleiding of persoonlijke verzorging nodig heeft op school in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen of psychische problemen en stoornissen, valt die ondersteuning onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet. Daarbij zijn algemene voorzieningen voorliggend op individuele voorzieningen; Pagina 17 van 23

4.

5.

Als op basis van wettelijke bepalingen onduidelijk is of de hulpvraag valt onder de Wet passend onderwijs of onder de Jeugdwet, dan rust op het college een inspanningsverplichting om in samenwerking met het onderwijs met behulp van het ondersteuningsplan of het onderwijsperspectiefplan tot een passende oplossing te komen voor de hulpvraag. Indien jeugdhulp wordt ingezet in situaties als bedoel in het vierde of het vijfde lid, wordt die inzet afgestemd met eventueel in te zetten ondersteuning vanuit de Wet passend onderwijs. De gezamenlijke inzet is gericht op het versterken van ontwikkelkansen door deelname aan het onderwijs.

Artikel 33. Afbakening aanspraken op Jeugdwet en Zorgverzekeringswet (ZVW): 1. Indien de jeugdige medisch noodzakelijke zorg nodig heeft, dan valt dit niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet en is er in dat kader geen recht op een individuele voorziening op basis van de Jeugdwet. Voorbeelden van zorg op basis van de Zorgverzekeringswet zijn: a. hulpmiddelenzorg; b. ziekenvervoer; c. zintuiglijke gehandicaptenzorg. 2. Als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problematiek van de jeugdige en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond van een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van de Jeugdwet kan worden verkregen, verleent het college een individuele voorziening. 3. Persoonlijke verzorging voor jeugdigen die nodig is in verband met een behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop, valt niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet. Persoonlijke verzorging die gericht is op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij algemene dagelijkse levensverrichtingen valt wel onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet. Het college verleent alleen laatstgenoemde individuele voorziening, mits jeugdige daarvoor gezien zijn jeugdhulpvraag in aanmerking komt. 4.

Jeugdhulp met verblijf valt niet onder de Jeugdwet als het een medisch noodzakelijk verblijf betreft vanwege geneeskundige zorg of als het gaat om tijdelijk, kortdurend geneeskundig verblijf buiten de thuissituatie. Jeugdhulp met verblijf valt wel onder de jeugdhulplicht van de Jeugdwet als het een verblijf van de jeugdige buiten de thuissituatie betreft, niet zijnde een ziekenhuisverblijf. Het college verleent alleen laatstgenoemde individuele voorziening, mits jeugdige daarvoor gezien zijn jeugdhulpvraag in aanmerking komt. Artikel 34. Afstemming met voorziening werk en inkomen 1. Inzake de afstemming tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en op basis van wet- en regelgeving inzake werk en inkomen, zie het college erop toe: a. dat Jeugd Lelystad jeugdhulpaanbieders en de gecertificeerde instellingen financiële belemmeringen voor het slagen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering vroegtijdig kunnen signaleren; b. dat jeugdigen en hun ouder(s) waar nodig de juiste ondersteuning vanuit de gemeentelijke voorzieningen krijgen - zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen, re-integratievoorzieningen en armoedevoorzieningen - om de financiële belemmeringen weg te nemen; c.

dat voorzieningen beschikbaar zijn op het terrein van arbeidsparticipatie van jonggehandicapten en draagt zorg voor voldoende mogelijkheden van loonkostensubsidies en beschut werk voor deze doelgroep op het moment dat zij 18 jaar worden. Artikel 35. Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning 1. Het college stemt de jeugdhulp waaraan een jeugdige of een ouder behoefte heeft, ten minste af op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen op grond van: a. de Leerplichtwet; Pagina 18 van 23

2.

3.

4. 5.

6.

b. de Participatiewet; c. de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening; d. de Wet Inburgering 2021; e. de Wet kinderopvang; f. de Wet langdurige zorg; g. de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; h. de Wet passend onderwijs; i. de Wet publieke gezondheid; j. de Wet tijdelijk huisverbod; k. de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg; en l. de Zorgverzekeringswet, zodat deze zoveel mogelijk op elkaar aansluiten en ondersteunt de jeugdige en zijn ouder(s) actief bij het verkrijgen van toegang tot de andere voorziening(en) of bij behoud van de continuïteit van de zorg op grond van de benodigde zorg. De afgestemde jeugdhulp wordt zodanig ingezet dat dit leidt tot: a. het opheffen van een situatie die voor een jeugdige of een ouder of diens omgeving levensbedreigend is, of met grote waarschijnlijkheid leidt tot ernstige gezondheidsschade; b. stabilisatie van een crisissituatie, anders dan bedoeld onder a; c. een voldoende mate van duurzame zelfredzaamheid van een jeugdige of een ouder, voor zover dat binnen het vermogen ligt. Het college weegt bij de afstemming van de jeugdhulp de volgende aspecten mee: a. de behoefte aan hulp en ondersteuning van een jeugdige of een ouder; b.

de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van een jeugdige of een ouder zoals bedoeld in artikel 14 [Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen] en de mogelijkheden van het sociale netwerk; c. welke volgorde van inzet van hulp en ondersteuning naar verwachting het meeste effect sorteert en in hoeverre hulp en ondersteuning gelijktijdig kan of moet worden ingezet; d. welke hulp en ondersteuning leidt tot de minste maatschappelijke kosten op lange termijn. Als een jeugdige of een ouder of wettelijk vertegenwoordiger weigert mee te werken aan afstemming als bedoeld in het eerste lid, kan het college het onderzoek beëindigen en een individuele voorziening weigeren. Als een jeugdige van 16 jaar of ouder die hulp op grond van de Jeugdwet ontvangt naar alle waarschijnlijkheid na het achttiende levensjaar hulp of ondersteuning nodig heeft vanuit een wettelijke kader als bedoeld in het eerste lid, is het college gehouden om: a. voor het achttiende levensjaar zodanige hulp en ondersteuning te bieden dat de benodigde hulp en ondersteuning vanaf het achttiende jaar zo beperkt mogelijk kan zijn; en b. de continuïteit van hulp en ondersteuning te waarborgen voor zover dat nodig is.

Ter uitvoering van het vijfde lid, onderzoekt het college tijdig welke andere voorziening nodig is, vanaf de achttiende verjaardag en op welke wijze en vanuit welke andere voorzieningen (Wet maatschappelijke ondersteuning, Wet langdurige zorg, of de Zorgverzekeringswet) deze ondersteuning vanaf het achttiende levensjaar wordt ingezet.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lelystad&id=082a88b0-9611-4ae7-bfdb-3dbd2eb2db23