CConstaterende datLelystad
Koppel je AI →
Document · PDF

25.148 BL 25.132 INFO Uitvoeringsprogramma Samen voor de Jeugd Lelystad 2025-2028

Commissie Maatschappij 6 mei 2025, gemeente LelystadBij agendapunt: 25.148 AV GL Uitwerking maatregelen Koersdocument in Uitvoeringsplan - knoppenplan15.590 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Actie 3: Met het onderwijs bouwen we aan een toegankelijke en inclusieve huisvesting. We zetten ons ervoor in dat gebouwen flexibel zijn ingericht zodat ze voor zoveel mogelijk jongeren toegankelijk zijn en dat ze ruimte bieden aan jeugdigen met verschillende ondersteuningsbehoeften.

27

Specialistische jeugdhulp 8. Stoppen met hetgeen niet werkt interventies in gevaar brengen. Een inwoner zei: “Inzet van een professional kan juist zorgen voor verergering van de problemen. De professional denkt het vaak beter te weten.” En een jeugdige: “Er zijn weinig mensen die je begrijpen, ze hebben het uit een boekje geleerd en staan ver van je af.”

Dit hebben we afgesproken (de knop) Als we jeugdhulp inzetten, dan verwachten we dat dat effectief is en dat de hulp tijdelijk is. Onder de noemer van jeugdhulp worden in het land allerlei interventies ingezet met diverse vormen van behandelingen, therapieën, coaching en dergelijke. De jeugdhulp wordt met de beste bedoelingen ingezet, maar de focus is niet altijd gericht op tijdelijkheid en op het behalen van resultaten. Van de meeste interventies is (nog) niet bekend of zij effectief zijn.

Ook in de Hervormingsagenda zijn afspraken gemaakt om kwaliteit van de jeugdzorg te verbeteren en kennis over kwaliteit en effectiviteit in de praktijk beter toe te passen, rekening houdend met de context, de leefwereld van een gezin en wijk, gemeente of regio. Daartoe is de landelijke netwerkorganisatie Kwaliteit en Blijvend Leren (KBL) van en voor professionals opgezet. In die netwerkorganisatie werken inhoudsdeskundigen vanuit het perspectief van jongeren en ouders, professionals, organisaties, gemeenten, kennis, onderzoek en innovatie met elkaar samen aan het duurzaam verhogen van de kwaliteit van de jeugdhulp. Uitgangspunt daarbij is een cultuur waarbij leren en verbeteren door professionals en beleidsmakers vanzelfsprekend is. Het vertrekpunt is de hulpvraag van het kind, de jongere of de opvoeders.

We introduceren onder andere een werkwijze waarbij we ‘koude’ data (berichtenverkeer) combineren met het verhaal van cliënten en professionals. Hiermee zijn al (enkele) ervaringen in het land. Zo kunnen we beter inzichtelijk maken wat wel en niet werkt in concrete situaties en daar patronen in ontdekken. Daar leren we van. ‘Baat het niet, dan schaadt het wel…’

Jeugdhulp die we inzetten is effectief en tijdelijk. Als iets niet werkt, dan stoppen we ermee. Het is essentieel om niet alleen te focussen op interventies, maar ook op de implementatie en uitvoering ervan in de jeugdzorg. Een slechte uitvoering kan de effectiviteit van

Ook de professionals in Lelystad vinden samenwerken in netwerkverband belangrijk. Samenwerking moet ten dienste staan van gezinnen. Bij het netwerk horen bijvoorbeeld ook ervaringsdeskundigen en inwoners.

28

Doelen en acties 1 (2025-2028) Het vertrekpunt is de hulpvraag van het kind, de jongere of de opvoeders. Zij zijn de beoordelaars van de effectiviteit van ingezette ondersteuning. Professionals (aanbieders en verwijzers) zijn toegerust om gesprekken met ouders en kind/jongere hierover te voeren en alle professionals kijken kritisch naar eigen en elkaars handelen wat betreft de effectiviteit van ingezette ondersteuning. Actie 1: We ontwikkelen een methode voor het combineren van koude data (berichtenverkeer) en verhalen van cliënten en professionals. In het kader van leren van anderen halen we ervaringen van andere gemeenten die al bezig zijn met het inzichtelijk maken van wat wel en niet werkt volgens deze methodiek. Mede op basis hiervan ontwikkelen we een aanpak die kan werken in Lelystad. Cijfers over aantallen, kosten en dergelijke verbinden we zo met de ervaring van inwoners. Dat geeft een dieper inzicht waarmee we de kwaliteit van hulp kunnen verbeteren en stoppen met wat niet werkt. Actie 2a: We voeren gesprekken met aanbieders en verwijzers over dit onderwerp, hoe ze dit implementeren en waar de gemeente indien nodig kan faciliteren. We gaan gesprekken aan met aanbieders en verwijzers en maken afspraken over de werkwijze. Daaraan voorafgaand bereiden we voor wat de mogelijkheden zijn volgens de contracten en wat onze data-inzichten zijn.

Wat zien we uit de data, is dit logisch? We monitoren langdurig jeugdhulpgebruik, vooral als we daarin patronen zien op aanbiederniveau, en bespreken dit met aanbieders. Deze gesprekken voeren we ook op basis van de opgehaalde ervaringen elders. Waarbij we ook checken op goede implementatie in het kader van effectiviteit. Actie 2b: We starten met het ophalen van de verhalen van cliënten. Het beeld dat uit de koude data en verhalen naar voren komt, duiden we gezamenlijk (gemeente, verwijzers en aanbieders) zodat we er lering uit kunnen trekken over wat wel wat en niet werkt. Dat kan ook door te leren van casuïstiek, te reflecteren met jongere en ouders. Ook het vaker toetsen van de hulpvraag van jongere/gezin gedurende een traject jeugdhulp draagt hierbij aan. Actie 3: We kijken hoe we de KBL uit de Hervormingsagenda kunnen gebruiken om invulling te geven aan deze knop en hoe we dat kunnen verbinden aan het netwerk in Lelystad. Het KBL is in 2024 aan de slag gegaan met het ontwikkelen en invoeren van kwaliteitskaders jeugdhulp, leren in de praktijk en het opstellen van een gezamenlijke implementatie en onderzoeksagenda. Deze Leeragenda wordt leidend voor de activiteiten die vanaf 2025 worden ondernomen binnen KBL. We werken uit hoe we het landelijke denken over kwaliteit kunnen verbinden met netwerk dat we lokaal stimuleren en faciliteren (zie bijv. de eerste drie knoppen).

29

9. Aanscherpen 'nee, tenzij' Dit hebben we afgesproken (de knop) Nee tenzij gaat niet over de vraag om hulp of zorg, maar om strikte toepassing van de afspraken en contracten. We interpreteren de contracten strikt. Voor situaties waarin twijfel bestaat richten we werkproces in met een combinatie contractmanagement, beleid en control. We vertalen de boodschap van ‘nee, tenzij’ in een duidelijk juridisch kader. Dit vraagt mogelijk om een aanpassing van verordening(-en) en nadere regels. De rijksoverheid past de Jeugdwet aan zodat de reikwijdte wordt beperkt. Binnen de wettelijke ruimte beperken we de reikwijdte zo veel mogelijk. We betrekken verwijzers bij het aanscherpen van het kader en het definiëren van passende hulp. We zetten er op in dat het ‘nee tenzij’ een gezamenlijk referentiekader wordt richting inwoners en zorgaanbieders van onze toegang, contractmanagement en verwijzers.

7

Voor een goede organisatie van jeugdzorg zijn duidelijke regels nodig die nageleefd worden. Wat hebben we afgesproken in de contracten? Wie heeft welke bevoegdheid en wat valt onder de reikwijdte van de jeugdhulpplicht? Voor het consequent toepassen van de contracten brengen we de verschillende processen in beeld. Zo zijn de routes voor Jeugd Lelystad, de medische verwijzers en de gecertificeerde instellingen al in kaart gebracht en vastgesteld. De andere routes volgen nog. Als onderdeel van de Hervormingsagenda Jeugd wordt de Jeugdwet herzien, zodat de jeugdhulpplicht beter past bij de meest kwetsbare gezinnen of gezinnen in de meest kwetsbare situaties. De nieuwe Jeugdwet zal bijvoorbeeld de begrippen ‘gebruikelijke zorg’ en ‘eigen kracht’ definiëren, zodat er een duidelijkere afbakening is. Door een duidelijke afbakening weten jeugdigen en hun gezinnen, verwijzers en jeugdhulpaanbieders beter wat wel en niet onder de door de gemeente gefinancierde jeugdhulp valt. Vooruitlopend op de herziene Jeugdwet hebben gemeenten nu al ruimte om de reikwijdte te beperken via de verordening jeugdhulp. Hiervoor is landelijk een Verkenning afbakening jeugdhulpplicht opgesteld7. Deze verkenning is uitgevoerd vooruitlopend op het wetsvoorstel om de reikwijdte van de jeugdhulpplicht in de Jeugdwet aan te passen.

Door het kaderen van de jeugdhulpplicht sturen we op de inzet van, en uitgaven voor, jeugdhulp.

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2024/11/05/verkenning-afbakening-jeugdhulpplicht

30

Doelen en acties 1 (2025-2028) Er is een lokaal handelingskader ingebed in de gehele organisatie waarin afspraken gemaakt zijn over perspectief en stoppen met hetgeen wat niet werkt (zie eerdere knop): - Een werkproces hoe het toepassen van de contracten/niet gecontracteerde zorg op te pakken (aandacht voor afstemming met bijv. de regio). - Geen ad hoc beslissingen. - Uitleg waarom een “Nee” en wat de alternatieven zijn bij een “Nee”. Actie 1: We stellen een lokaal handelingskader op. Voor het consequent toepassen van de contracten brengen we de verschillende processen in beeld. De routes voor Jeugd Lelystad, de medische verwijzers en de gecertificeerde instellingen zijn al in kaart gebracht en vastgesteld. De andere routes zoals crisis worden opgepakt in 2025. Daarnaast leggen beleid, contractmanagement en control het werkproces vast voor situaties waarin twijfel bestaat in de ‘Nee tenzij’ in een lokaal ambtelijk handelingskader. We betrekken hierbij het nieuwe, gezamenlijk referentiekader. Actie 2a: We communiceren met aanbieders en verwijzers. In de gesprekken met aanbieders en verwijzers leggen we uit waarom een “Nee” en wat de alternatieven zijn bij een “Nee”. We wijzen hierbij mede op het referentiekader. Actie 2b: We zorgen voor voldoende alternatieven. Niet alles hoeft opgepakt te worden vanuit jeugdhulp.

Vanuit de andere knoppen zetten we in op het ondersteunen van het gezin dat altijd in de lead is met daaromheen het (eigen) netwerk, het versterken van de kracht van de samenleving en de maatschappelijke partners. Waarbij we ook kijken met een integrale blik, misschien is andere ondersteuning beter. Bijvoorbeeld als er sprake is van armoede of schulden. Actie 3: We passen verordening/ beleidsregels/ nadere regels aan. De boodschap "Nee tenzij" vertalen we in een juridisch kader. De Verordening / beleidsregels / nadere regels jeugdhulp passen we hierop aan. We maken hierbij gebruik van de nieuwe (landelijke) Verkenning afbakening jeugdhulpplicht. Deze verkenning geeft een afwegingskader voor gemeenten om binnen de huidige Jeugdwet keuzes te maken in de reikwijdte van jeugdhulp.

31

10. Sturen op het beperken van verlengingen jeugdhulp

Jeugdhulp die we inzetten is effectief en tijdelijk. Uitgangspunt is dat de behandeling en ondersteuning ertoe leidt dat jeugdigen en het gezin zelf weer verder kunnen. In de contractafspraken hebben we een behandelduur afgesproken die voldoende wordt geacht om in de meeste situaties de doelen van de hulp te realiseren. We willen onnodige hulp en medicalisering voorkomen. Daarom zetten we in op het beperken van verlengingen. Eigenlijk is ‘verlenging’ niet het juiste woord, want juridisch gezien is het een nieuwe aanvraag. Verlengingen gaan vaak over het nogmaals inzetten van hetzelfde aanbod. We zeggen daarmee niet dat we niet aanvullend ander aanbod in willen zetten. Het sturen hierop leidt er ook toe dat professionals het gesprek (gaan) voeren met gezinnen, en met elkaar, over wanneer goed ‘goed genoeg’ is. Dit raakt ook aan het gedeeld referentiekader. Een betere inschatting en dialoog over de noodzaak van verlenging leidt tot minder verlengingen, wat ook kosten bespaart.

Dit hebben we afgesproken (de knop) Een van de onderdelen met betrekking tot Nee, tenzij zijn de verlengingen. In onze visie is jeugdhulp, wanneer nodig, in principe tijdelijk. Jeugdhulp die wordt ingezet moet aan alle professionele standaarden voldoen en moet effectief zijn. Daarom hebben we in de contracten opgenomen hoelang de zorg, bijvoorbeeld een behandeling, mag duren. Als het een aanbieder niet lukt om de zorg af te ronden, vraagt hij een verlenging aan. We willen onnodige hulp en medicalisering voorkomen. We monitoren per aanbieder en per product hoe vaak zorg langer duurt dan afgesproken. We gebruiken deze data in gesprekken met aanbieders om aanbieders inzicht te geven en beter zicht te krijgen op het waarom en wanneer van verlengingen. Uitgangspunt is dat we afspraken maken met elkaar en daarop sturen.

32

Doelen en acties 1 (2025-2028) Het aantal verlengingen is verminderd met 40% procent Actie 1a: We monitoren per aanbieder en per product hoe vaak zorg langer duurt dan afgesproken. We vergroten ons inzicht in aantal, en duur en reden van verlenging en we gaan verlengingen structureel monitoren. Dit inzicht op basis van data is ook een basis voor de gesprekken met aanbieders. De gesprekken vullen ons inzicht aan. Actie 1b: We gaan aan de voorkant verlengingen scherper toetsen. We controleren niet alleen aan de achterkant op verlengingen, op hoe vaak het voorkomt. Maar we gaan ook aan de voorkant (bij een aanvraag) scherper toetsen. Hierbij is aandacht voor het ‘Nee, tenzij’ principe. Actie 2: We bespreken verlengingen in de contractgesprekken met aanbieders en maken met hen afspraken. Op basis van de data hebben we per aanbieder en per product inzicht in verlengingen. We richten de kwartaalgesprekken met de aanbieders zodanig in dat we onder andere de verlengingen en de oorzaken bespreken en we maken afspraken met hen over hoe we verlengingen kunnen verminderen. De afspraken zijn toetsbaar met onze data. Actie 3a: We zorgen voor alternatieven. In sommige gevallen is er na een traject jeugdhulp nog wel ondersteuning nodig. Er moeten voldoende alternatieven (niet zijnde jeugdhulp) zijn om in te zetten zoals in eigen netwerk (knop 3) of in de pedagogische basis (knoppen 5 t/m 7).

Hier maken we met onze partners afspraken over. Actie 3b: We maken afspraken met aanbieders over vermindering van verlenging (in aantal en in duur) in de nieuwe inkoop In de nieuwe inkoop maken we realistische en toetsbare afspraken met aanbieders over o.a. de doelen en behandelduur van hulp en verlengingen.

33

11. Inzetten op lichte jeugdhulp In Lelystad wordt nauwelijks gebruik gemaakt van basis ggz (BGGZ). Tegelijkertijd zijn er bij specialistische ggz (SGGZ) veel wachtlijsten. Door gesprekken te voeren met verwijzers en aanbieders onderzoeken we wat belemmeringen zijn om naar BGGZ te verwijzen of naar BGGZ af te schalen. Ook gaan we met elkaar in gesprek om uit te zoeken wat de mogelijkheden zijn om meer gebruik te maken van BGGZ of andere vormen van lichte hulp. Daarbij gebruiken we de goede voorbeelden van andere gemeenten. We realiseren nieuwe vormen van hulp als die effectief en efficiënt zijn. Met een nieuwe inkoop maken we hier goede afspraken over met aanbieders.

Dit hebben we afgesproken (de knop) We hebben meerdere vormen van jeugdhulp, van preventieve maatregelen tot lichte jeugdhulp tot zware jeugdhulp. Lokaal hebben we de lichte jeugdhulp ingekocht. We nemen aan dat voor een deel van de kinderen basis ggz (jeugdhulp) kan volstaan waar nu verwezen wordt naar de specialistische jeugdhulp. Er wordt echter nauwelijks gebruik gemaakt van de basis ggz. We weten nog onvoldoende wat daarin meespeelt en dat wordt in gesprek met aanbieders en verwijzers onderzocht.

Inwoners die we gesproken hebben denken dat sneller hulp bieden, betere ondersteuning van ouders, meer persoonlijke begeleiding en betere samenwerking en communicatie tussen instanties kunnen helpen om de hulpbehoefte te verminderen. Ook professionals denken dat onder meer door samen te werken en beter aan te sluiten op het gezin lichte hulp kan volstaan of eerder naar lichte hulp kan worden afgeschaald. In de bijeenkomsten werd verder genoemd dat veel jongeren baat hebben bij de inzet van ervaringsdeskundigen.

34

Doelen en acties 1 (2025-2028) We hebben uitgewerkt hoe we een verschuiving van SGGZ naar lichte hulp kunnen realiseren en we hebben dit vertaald in een pilot en nieuwe inkoop. De gewenste verschuiving naar lichte hulp is zichtbaar in de data: een vermindering van SGGZ ten opzichte van 2023. Actie 1a: We analyseren data over verwijzingen naar SGGZ en BGGZ Eerst moet er inzicht zijn in hoe de verwijzingen nu verdeeld zijn tussen BGGZ en SGGZ. We vergroten ons inzicht in waar en wanneer BGGZ het meest effectief is. Ook kijken we naar de invloed van de JPH. Actie 1b: We diepen de kennis uit van verwijzers en aanbieders naar SGGZ en lichte hulp / BGGZ We voeren gesprekken met verwijzers om inzicht te krijgen waarom ze naar SGGZ verwijzen en niet naar BGGZ of andere lichte hulp verwijzen. Welke belemmeringen ervaren de verwijzers? Ook gaan we met aanbieders in gesprek waarom er weinig wordt afgeschaald van SGGZ naar lichte hulp zoals de BGGZ. Actie 2: We werken mogelijkheden uit om meer gebruik te maken van lichte hulp zoals de BGGZ, zowel bij de instroom als bij het afschalen. Mogelijkheden zijn bijvoorbeeld BGGZ verplicht stellen als eerste stap, lichte hulp zoals BGGZ of wachtverzachter als overbruggingszorg bij wachtlijsten SGGZ, in de combinatie met algemene voorzieningen of door te investeren in groepsgerichte zaken.

Ook benutten we goede voorbeelden van elders als inspiratie zoals BGGZ als vrij toegankelijke voorziening in Dronten, de inzet van ervaringsdeskundigen en samenwerking tussen jeugdhulp en jongerenwerk. Samen met aanbieders, onderwijs, inwoners en verwijzers werken we dit uit. Actie 3a: We voeren een pilot uit met alternatieven voor SGGZ Van de opgehaalde mogelijkheden om te verschuiven van SGGZ naar lichte hulp voeren we degene met meeste potentie uit in een pilot. Als de pilot succesvol blijkt, onder meer op basis van data, voeren we deze structureel in. Actie 3b: We vertalen dit in een nieuwe inkoop van SGGZ, BGGZ en eventuele alternatieven. De inzichten die we hebben opgedaan vertalen we naar een nieuwe inkoop waarmee we voor meerdere jaren de basis leggen voor de verschuiving naar lichte hulp. We hebben dan de contractuele afspraken waarop we gaan sturen zodat we samen met de aanbieders het doel realiseren.

35

Verminderen van jeugdhulp met verblijf 12. Beperken jeugdhulp met verblijf Dit hebben we afgesproken (de knop) Het verkorten van de duur van jeugdzorg met verblijf is ook een actiepunt in het regionaal beheersplan. Hiervoor is het wel van belang dat er ook gekeken wordt naar de thuissituatie van de jeugdigen. De uitdagingen van een jeugdige staan vaak niet los van de thuissituatie, zoals de al eerdere genoemde onderliggende factoren van de ouder(s). Ook hiervoor is het van belang dat we inzetten op voorgaande knoppen zoals het ontwikkelen en versterken van de communities, de inzet van de maatschappelijke organisaties en het gesprek hierover voeren met jeugdigen, ouders en verwijzers.

Het afschalen van jeugdzorg met verblijf verloopt nu nog moeizaam. De acties die we ondernemen om het voorveld te versterken zullen ook invloed hebben op de behoefte aan jeugdhulp met verblijf. De urgentie is hoog, aangezien verblijf niet altijd de meest passende oplossing is; dit geldt slechts voor een kleine groep. Voor de jeugdigen die niet in verblijf passen gaan we inzetten op alternatieven.

36

Doelen en acties 1 (2025-2028)

2

3

Het aantal jongeren in langdurig verblijf is verminderd met minstens 30% t.o.v. 2023. Minstens 50% van de jeugdigen in zorg wordt doorgeleid naar gezinsgerichte zorgvormen of ambulante ondersteuning binnen zes maanden. Preventieve, gezinsgerichte en ambulante zorgopties zijn uitgebreid.

Minstens 70% van de jongeren stroomt binnen zes maanden uit naar een passende thuissituatie of een alternatieve, lichte woonvorm. Het aantal verblijfsplekken is afgebouwd met minstens 50% ten opzichte van 2028, en verblijven worden uitsluitend toegewezen op basis van strikte criteria voor noodzakelijkheid. Minstens 75% van de jeugdigen in jeugdzorg verblijft in gezinsgerichte of ambulante zorgoplossingen, waarbij het verblijf uitsluitend wordt ingezet als laatste middel.

Actie 1a: We maken en werken volgens een procedure die uitgaat van thuis opgroeien met ondersteuning In deze procedure is vastgelegd wanneer (in gevallen van onveiligheid, die niet ambulant opgelost kunnen worden) verblijf geïndiceerd is en voor welke termijn, en worden meetbare uitstroomcriteria vastgesteld. Door kwartaalcontroles zorgen we dat het protocol wordt gevolgd en evalueren we of er verbeteringen nodig zijn.

Actie 1: We evalueren preventieve programma’s en ontwikkelen deze door We introduceren jaarlijkse evaluaties van de preventieve trajecten, waarbij input van cliënten, zorgverleners en scholen wordt meegenomen om knelpunten aan te pakken. We optimaliseren hiermee preventieve programma’s die thuis wonen stimuleren en escalatie voorkomen, zoals intensieve gezinsbegeleiding en opvoedingsondersteuning.

Actie 1b: We stellen kaders en kwaliteitsnormen voor verblijfsduur We werken uit wat het meest effectief is. Bijvoorbeeld in plaats van een harde maximumtermijn vast te stellen, inzetten op een tijdgebonden behandelplan dat zich richt op de inhoudelijke voortgang van de jongere. Primaire focus is terug naar huis. Het is belangrijk dat de verblijfsduur

37

afgestemd is op de daadwerkelijke behoefte en voortgang van de behandeling. Hier past een feedbacksysteem waarin jeugdigen en ouders hun ervaringen met het verblijf kunnen delen en de een werkwijze waarbij de voortgang wordt bewaakt en de aanbieder zich aanpast. Actie 2: We formuleren interventies die werken We doen kwantitatief en kwalitatief onderzoek naar de meest zorgintensieve gezinnen van Lelystad. Op basis van hun zorgpad en hun behoeften formuleren we interventies die werken en momenten wanneer die interventies nodig zijn; we destilleren ‘wat werkt.’

Actie 2: We bieden alternatieve ondersteuning voor de top 10% meest zorgintensieve gezinnen, we luisteren hierbij naar wat de gezinnen aangeven nodig te hebben We sluiten aan op wat deze gezinnen het meeste helpt en hoe zij de regie over hun leven kunnen voeren. Bijvoorbeeld door alternatieve vormen van praktische, intensieve hulp binnen gezinnen te bieden, gericht op directe huishoudelijke en dagelijkse ondersteuning. Hiervoor starten we een pilot waarbij huishoudelijke en praktische ondersteuning wordt aangeboden aan deze gezinnen om ze te helpen zonder volledige afhankelijkheid van jeugdhulp.

Actie 3: We monitoren maandelijkse aflopende indicaties en zetten hier een werkproces op We zetten een proces op voor maandelijkse monitoring van indicaties van verblijf die binnen een aantal maanden aflopen. We vragen aanbieders naar uitstroomperspectief en we betrekken verwijzers voor een inhoudelijke toetsing. Alleen al door regelmatig navraag te doen kan dit effect hebben op de tijdige uitstroom.

Actie 3: We ontwikkelen woonprogramma’s voor jongeren met een ondersteuningsbehoefte

38

Actie 2: We stellen de visie en kwaliteitsnormen periodiek bij We voeren een structurele evaluatie uit om vast te stellen of de gestelde doelen en normen in lijn zijn met de huidige behoeften en maatschappelijke ontwikkelingen. Daarvoor betrekken we o.a. ervaringsdeskundigen, zorgprofessionals en beleidsmakers in jaarlijkse visiebijeenkomsten en verwerken we hun feedback in de plannen voor de komende periode. We werken hierbij vanuit het vertrekpunt van de jeugdigen en ouders,

13. Eerder beginnen met het voorbereiden op zelfstandig leven. De voorbereidingen op zelfstandigheid is de eerste focus, maar duren soms te lang. Er bestaat vaak terughoudendheid in de zorg in het loslaten en begeleiden van jongeren naar zelfredzaamheid. De praktische veranderingen die het 18e levensjaar met zich meebrengt worden soms door zowel de jeugdige, verwijzer als zorgverlener onderschat. Dit wordt verder gecompliceerd doordat de wetgeving en voorzieningen voor jeugdigen van jonger dan 18 jaar anders zijn dan de wetgeving en voorzieningen voor jeugdigen van 18 jaar en ouder. Dat vraagt van de jeugdigen en begeleiders veel regelinzicht en -kracht. Hier ligt ook een verantwoordelijkheid van de aanbieder om hier een rol in te spelen. Er is een duidelijke behoefte aan een eerder en consistenter traject, zodat jongeren beter voorbereid zijn op hun 18e levensjaar.

Dit hebben we afgesproken (de knop) Een klein deel van de jeugdigen ontvangt deze jeugdhulp met verblijf ook nog na de 18e verjaardag. Dit heet verlengde jeugdhulp. De Jeugdwet heeft in principe betrekking op jeugdigen tot 18 jaar. Onder voorwaarden kan jeugdhulp nog doorlopen na de 18e verjaardag, uiterlijk tot de jongere 21 jaar wordt. Het doel is om jeugdigen zo snel mogelijk een perspectief te bieden op een leven zonder professionele jeugdhulp. Dat betekent dat op tijd samen moet worden nagedacht over het perspectief van de jeugdigen als hij of zij 18 jaar wordt. Waar het kan, moet dit perspectief zo vroeg mogelijk formeel gemaakt worden.

De ouders zijn de verantwoordelijke en zijn een rolmodel voor het voorbereiden van hun kinderen op zelfstandigheid en de acties richten we dan ook niet alleen op zorginstellingen, maar deze moeten doorleefd worden in de hele maatschappij. Dat blijkt ook wel uit onze gesprekken met inwoners en professionals. Hoewel het met de meeste jeugdigen en ouders goed gaat, hebben wij ook wel zorgen. Bijvoorbeeld prestatiedruk die jongeren ervaren of onzekerheid en zorgen die zij hebben over het toekomstperspectief van jongeren. Professionals herkennen dit soort (maatschappelijke) vragen. De invloed van social media, een gebrek aan netwerk en een gebrek aan daginvulling worden door hen genoemd.

39

Doelen en acties 1 (2025-2028)

2

Regionaal en lokaal is er inzicht ontwikkeld in het voorkomen van verlengde Jeugdwetaanvragen en kennis vergaard over de overgang naar zelfstandigheid vanuit de jeugdzorg.

Verlengde Jeugdwetaanvragen zijn afgenomen ten opzichte van 2023.

Actie 1: We zetten ons in voor regionale afspraken over tijdig perspectief voor jeugdigen. We stellen als voorwaarde dat jeugdigen in jeugdhulp tijdig voor hun 18e jaar een perspectief hebben na de jeugdhulp. Zorgaanbieders moeten daar tijdig mee aan de slag gaan; bij voorkeur worden de perspectiefgesprekken gevoerd wanneer de jongere 16,5 jaar is. Wanneer een jongere instroomt na de leeftijd van 16,5 jaar wordt het perspectiefgesprek gevoerd bij instroom. Middels kwartaalgesprekken wordt op het naleven van deze afspraken gecontroleerd.

Actie 1: We onderzoeken de mogelijkheid om, in samenwerking met Wmo, uitstroommogelijkheden te laten creëren. Met als uitgangspunt ‘naar huis/zelfstandigheid, tenzij’. We onderzoeken de mogelijkheden om als gemeente te sturen op het organiseren van enkele woningen of woonunits met ambulante zorg voor jeugdigen die uit verblijf komen. Hiervoor gaan we samenwerken met woningcorporaties en zorgaanbieders vanuit ieders verantwoordelijkheid om een plan op te stellen voor het plaatsen van deze units in de buurt van gezinnen en gemeenschappen, met toegankelijke ambulante begeleiding.

Actie 2: We ontwikkelen een gerichte aanpak om verlengde Jeugdwetaanvragen terug te dringen We voeren een gedetailleerde analyse uit van alle verlengde Jeugdwetaanvragen om te onderzoeken wanneer deze mogelijk oneigenlijk worden toegepast. Op basis van deze analyse ontwikkelen we een gerichte aanpak om het oneigenlijke gebruik van de verlengde Jeugdwet te verminderen. Hierbij passen we twee benaderingen toe: een algemene aanpak die preventief werkt voor alle jongeren en een specifieke, aangepaste aanpak gericht op de verlengde Jeugdwetaanvragen in Lelystad.

40

14. Sturen op minder inzet zware verblijfszorg We willen minder inzet van zware verblijfszorg. De behandeling moet zo effectief en efficiënt mogelijk zijn en gericht zijn op de emancipatie van de jongere. Met onze partners in de regio, aanbieders en verwijzers geven we de woonvorm en uitstroom meer focus, zodat jongeren zo snel mogelijk doorstromen naar een passende en minder intensieve vorm van zorg of zelfstandigheid.

Dit hebben we afgesproken (de knop) We willen niet alleen minder jongeren in jeugdhulp met verblijf en de duur verkorten, maar ook dat ze niet op zwaardere ‘producten/ zorg’ zitten dan nodig is. Wat dit laatste betreft bestaat landelijk de indruk dat er meer jongeren in ‘behandeld wonen’ zitten dan nodig is. In Lelystad zien we in 2023 ook een toename in behandeld wonen. Een deel van de jongeren zou ook met ‘begeleid wonen’ goed geholpen zijn. Begeleid wonen is goedkoper dan behandeld wonen. Ook regionaal is dit een belangrijke beheersmaatregel.

We sturen op de ombouw naar meer kleinschalige woonvormen die helpen voorkomen dat cliënten in zwaardere vormen van verblijf terechtkomen,

41

Doelen en acties 1 (2025-2028)

2

3

Een eerste meetbare verandering in de verhouding van woonvormen, waarin de afbouw naar ‘lichtere’ vormen zichtbaar is (minimaal 20% in lichtere woonvormen en een daling van 10% in de zwaardere woonvormen t.o.v. 2023) .

Minstens 60% van de verblijfsplaatsen in de jeugdzorg bestaat uit lichtere woonvormen, ondersteund door flexibele en minder intensieve verblijfsmogelijkheden. Alternatieve woonvormen zijn volledig geïntegreerd en bieden maatwerk voor jongeren, waarbij minstens 75% van de zorgtrajecten voldoet aan deze nieuwe normen voor flexibiliteit en lichte ondersteuning. Actie 1: We ontwikkelen monitoring op zwaardere woonvormen door We ontwikkelen een digitaal monitoringsysteem (dashboard) waarmee gemeenten en zorgaanbieders de woonvormverdeling op elk moment kunnen inzien. Met dit verbeterde inzicht kunnen we sneller en directer sturen op de afstroom naar lichtere woonvormen.

Een goed functionerend, preventief systeem. Zwaardere vormen van verblijf zijn met minimaal 40% afgenomen door de inzet van lichtere, zelfredzaamheid bevorderende woonvormen. Minstens 80% van de jongeren die uitstromen uit de jeugdzorg geeft aan voldoende zelfredzaam te zijn voor een zelfstandig leven, zoals blijkt uit evaluaties en zelfredzaamheidstesten.

Actie 2: We verbeteren de domeinoverstijgende, integrale samenwerking en informatiedeling We gebruiken een periodieke, multidisciplinaire overlegstructuur op om complexe cases en mogelijke afbouw naar lichtere woonvormen door te nemen. In het kader van “stoppen met wat niet werkt” en “gezin centraal” maken we de stem van

Actie 2: We evalueren en stellen procedures bij om het preventieve karakter verder te versterken We voeren jaarlijks een beleidsmatige review uit en focussen hierbij op de inzet en doorontwikkeling van lichtere verblijfsvormen. We passen protocollen aan op basis van trends en

Actie 1a: We analyseren en maken oorzaken inzichtelijk van verwijzingen naar behandeld wonen en gesloten jeugdzorg We analyseren de oorzaken op verschillende manieren. We gebruiken onze eigen data om patronen in verlengingen te identificeren. Daarnaast vragen we de regio om rapportages en denken we aan bijeenkomsten met aanbieders om casuïstiek te bespreken met specifieke aandacht voor knelpunten in uitstroom en mogelijkheden voor lichtere woonvormen. Daarnaast is het essentieel dat verwijzer en aanbieder bij de start van elk traject (of kort daarna) een duidelijk beeld hebben van het uiteindelijke uitstroomdoel en wat daarvoor nodig is.

42

het gezin sterker in dit proces. Dit kan door gezinsleden actief te betrekken bij het opstellen en evalueren van zorgplannen en bij besluitvorming over doorstroommogelijkheden of aanpassingen in het zorgtraject. Dit versterkt de regierol van het gezin en zorgt voor zorg die beter aansluit op hun werkelijke behoeften.

Actie 3: We sturen op het introduceren van alternatieve verblijfsmogelijkheden en flexibele woonvormen We stimuleren aanbieders in het ontwikkelen van kleinschalige, laagdrempelige woonvormen en tussenoplossingen die gericht zijn op zelfredzaamheid en minder intensieve zorg. Deze helpen voorkomen dat cliënten in zwaardere vormen van verblijf terechtkomen. Hiervoor gaan we samenwerken met preventieve zorgorganisaties.

43

feedback van cliënten en zorgaanbieders, zodat er een grotere vraag naar preventieve of ambulante begeleiding kan worden opgevangen.

Monitoring en informatievoorziening aan de raad Het uitvoeringsprogramma geven we uitwerking aan de knoppen in het koersdocument en beogen we de maatschappelijke verandering teweeg te brengen die de raad in de ‘Vertrekpunten voor 2028’ heeft geformuleerd. Die vormen het kader voor waar we naartoe willen met jeugdhulp.

Informatievoorziening aan de raad We zullen de raad informeren door middel van de indicatoren bij de vertrekpunten voor 2028 en door middel van het genoemde stoplichtmodel. De specifieke monitoring en informatievoorziening is aanvullend op de reguliere informatievoorziening in het kader van de planning en controlcyclus (P&C cyclus). Met het oog op de door de raad gewenste integraliteit streven we ernaar bij de aanvullende informatievoorziening zoveel mogelijk aan te sluiten op de reguliere P&C cyclus en daarmee op de vaste momenten van rapportage van het college aan de raad. Met de P&C cyclus geven we invulling aan de volgende punten uit het raadsbesluit: 1. Inzicht in de wijze van budgettering 2. Overzicht van de uitnutting van de budgetten en tijdige informatie bij budgetoverschrijding

Tussentijds willen we kunnen volgen of we op koers liggen voor het bereiken van deze vertrekpunten en of we eventueel moeten bijsturen. De raad heeft daarom bij de behandeling van het koersdocument twee punten in het besluit opgenomen die betrekking hebben op monitoring en informatievoorziening aan de raad. Daarnaast heeft de raad motie M 24.327 aangenomen waarin hij het college oproept de raad halfjaarlijks te informeren over de voortgang van de aanpak met de behaalde resultaten voor gezinnen en jeugdige. Daarom gaan we in dit hoofdstuk in op de inrichting van de monitoring. We kunnen verschillende niveaus van monitoring onderscheiden. Op het hoogste niveau hebben we de vetrekpunten. Dat is het niveau waar we ons hierop richten. De vertrekpunten zijn vertaald in knoppen en ook op dat niveau is een vorm van monitoring mogelijk. Op dat niveau kunnen we met een stoplichtmodel de voortgang van de acties volgen en hierover rapporteren. Tenslotte hebben we het niveau van de uitvoering, denk bijvoorbeeld aan contractmanagers die facturatiedata gebruiken voor de gesprekken met aanbieders.

Monitoring van voortgang en maatschappelijke verandering Om de voortgang en resultaten met betrekking tot de vertrekpunten te volgen, maken we gebruik van zowel kwantitatieve als kwalitatieve informatie. Kwantitatieve gegevens, zoals cijfers over het gebruik van jeugdhulp, bieden belangrijke inzichten, mits de ruwe data van voldoende kwaliteit is, de definities helder zijn en consistent worden toegepast in de tijd. Dit vraagt om duidelijke afspraken over dataverzameling, zodat we betrouwbare cijfers hebben om trends te analyseren.

44

Echter, cijfers alleen vertellen niet het hele verhaal. Ons uiteindelijke doel is een maatschappelijke verandering, en dit overstijgt wat puur in getallen te vangen is. Deze verandering bevindt zich in de overlap tussen meetbare gegevens en de beleving van onze inwoners, gezinnen en partners (de overlap in de cirkels):

wat we kunnen tellen

Dialoog met de stad: Voortzetten van gesprekken binnen de maatschappelijke agenda om te begrijpen hoe inwoners de jeugdzorg en sociale samenhang ervaren.

Bij de kwalitatieve informatie hoort ook rapportage over de voortgang van de acties. Dat zullen we doen door middel van een stoplichtmodel. De komende jaren werken we aan het versterken van deze gecombineerde aanpak, zodat we niet alleen zicht hebben op de cijfers, maar ook op de impact en verhalen die ertoe doen. Dit vormt een solide basis voor evaluatie en bijsturing.

wat ertoe doet

Daarom combineren we cijfers met kwalitatieve inzichten. Dit doen we door:  De stem van ouders en jeugdigen: Regelmatige evaluaties en cliëntervaringsonderzoeken die inzicht geven in de mate waarin gezinnen regie ervaren en ondersteund worden in hun eigen kracht. Denk bijvoorbeeld ook aan ideeën als het verzamelen van verhalen van kinderen, voorbeelden van hoe hun leven eruit ziet.  Inbreng van professionals en partners: Periodieke feedback en gezamenlijke reflectie vanuit betrokken organisaties, zoals zorgaanbieders, wijkteams en scholen.

45

Indicatoren bij de Vertrekpunten 2028

2. Gemiddelde kosten per jeugdige in jeugdhulp Nulwaarde 2023 (jaar) = € 17.300 Nulwaarde 2024 (jaar) = € 20.200 (nog niet gecorrigeerd voor indexering en tariefeffecten)

Onderstaand hebben we indicatoren geconcretiseerd, waar mogelijk ook al met nulwaardes. Een aantal indicatoren moet nog ontwikkeld worden.

Overkoepelende indicatoren

Vertrekpunt: In 2028 hebben minder jeugdigen jeugdhulp nodig 1. Ouders en jeugdigen met lichte problematiek pakken dit vaker zelf op, met hulp van anderen in hun netwerk of met gebruikmaking van algemene voorzieningen.

1. Minder jeugdigen ontvangen jeugdhulp

Definitie = Aantal jeugdigen met een actieve toewijzing (obv aanvang/einde zorg datum toewijzing of als die er niet waren start-/einddatum toewijzing), t/m 17 jaar (t.o.v. startdatum van hun toewijzing), dat niét Jeugdhulp met

Percentage jeugdigen 0-18 jaar in jeugdhulp zonder verblijf als percentage van het totaal aantal jeugdigen 0-18 jaar Nulwaarde 20238 = 12,7% Nulwaarde 2024 = 11,9%

Te ontwikkelen indicatoren: o Aantal kinderen dat door algemene voorzieningen (bijv. MDF en JPH’ers) is geholpen. o Kwalitatieve informatie van algemene voorzieningen. Bijvoorbeeld “We merken dat kinderen en gezinnen zelf meer kunnen oplossen”. Methode ontwikkelen om deze informatie bijv. 1x per jaar op te halen.

Verblijf was (dus niet voorziening groepen 43 en 44 of product ‘Maatwerk verblijf’). Gedeeld door aantal kinderen t/m 17 op 31 dec 2023 (bron = lelystadinzicht.nl demografie)

8

46

2. Minder jeugdigen stromen in in (lichte) vormen van jeugdzorg zonder verblijf. 

In- en uitstroom in jeugdhulp zonder verblijf9 Nulwaardes 2023 en 2024 – Aantal toewijzingen in-/uitstroom per maand1011

Nog te ontwikkelen indicator (m.n. definitie): Herhaalde instroom De trends in jeugdhulp zonder verblijf analyseren wij nog een slag dieper door te kijken naar in- en uitstroom per product en per verwijzer. Zien wij bijvoorbeeld een afname in verwijzingen door huisartsen (mogelijk door de inzet van JPH’ers) of zien we een trend in specialistische ggz? Conclusies die deze diepere analyse opleveren zullen wij jaarlijks delen met de raad in de voortgangsrapportage.

We nemen hier het aantal toewijzingen en niet het aantal jeugdigen. Een jeugdige kan meerdere toewijzingen gelijktijdig hebben. De toewijzingen zijn bepalend voor de kosten. 10 Alle niet-Jeugdhulp met Verblijf toewijzingen die in een bepaalde maand startten (instroom) of eindigden (uitstroom), o.b.v. aanvang/einde zorg datum of als die niet beschikbaar waren start-/einddatum toewijzing. Ook is met opeenvolgende toewijzingen rekening gehouden, omdat die mogelijk

verlengingen zijn: toewijzingen van dezelfde cliënt en hetzelfde product waar maar 1 dag tussen zit, die worden als één doorlopende toewijzing geteld. 11 In januari is een hoge instroom te zien en in december een hoge uitstroom. Komt vooral doordat in december veel toewijzingen aflopen door het nieuwe jaar, en dan in januari een nieuwe toewijzing komt als het kind nog steeds zorg nodig heeft. Andere oorzaak is dat veel aanbestedingen beginnen vanaf 1 januari, en er dus veel toewijzingen uit het oude product stromen en in het nieuwe product stromen.

9

47

- 5,3 miljoen ongeveer is overig (kosten voor de toegang, Veilig Thuis, regie en administratie)

Percentage cliënten met alleen jeugdhulp zonder verblijf in het totaal aantal cliënten met jeugdhulp Nulwaarde 2023 = 95,3%12 Nulwaarde 2024 = 95,2%

Nulwaarde 2024 (jaar): nog te bepalen 

3. De hulp die wordt ingezet is tijdelijk en effectief.

Nog te ontwikkelen indicatoren (m.n. definitie): o Uitstroom zonder vervolghulp o Afschaling naar lichtere zorgvorm o Opschaling naar zwaardere zorgvorm o Gemiddelde zorgduur per zorgvorm

Nog te ontwikkelen kwalitatieve indicatoren m.b.t. effectiviteit: oordeel jeugdigen, ouders en professionals. Dit is onderdeel van de nieuwe opzet van het doorlopend cliëntervaringsonderzoek.

Nog te ontwikkelen indicatoren: o Uitgaven geïndiceerde jeugdhulpvoorzieningen per betrekkingsperiode (maand/jaar) per zorgvorm gedeeld door het aantal jeugdigen in die betrekkingsperiode in die zorgvorm. Uitgaven gecorrigeerd voor tariefstijging. o Gemiddelde uitgaven geïndiceerde jeugdhulpvoorzieningen per afgerond zorgtraject per kind in jeugdhulp zonder verblijf (geel want moet per zorgsoort uitgezocht worden)

4. De gemiddelde kosten per kind per jaar in jeugdhulp zonder

verblijf dalen. De totale uitgaven voor jeugdhulp zonder verblijf zijn lager dan in 2024 (exclusief indexering en tariefeffecten). Nulwaarde 2023 (jaar): - 41,7 miljoen13 in totaal - 13,9 miljoen ongeveer voor Jeugdhulp met Verblijf - 22,6 miljoen ongeveer voor Jeugdhulp zonder Verblijf

Definitie = Aantal jeugdigen met een actieve toewijzing (obv aanvang/einde zorg datum toewijzing of als die er niet waren start-/einddatum toewijzing) dat niét Jeugdhulp met Verblijf was (dus niet voorzieninggroepen 43 en 44 of

product ‘Maatwerk verblijf’), gedeeld door totaal aantal jeugdigen met een actieve toewijzing. 13 Combinatie van kosten uit regiobegrotingen, direct uit het financieel systeem en uit de data (synoniem voor ‘uit het berichtenverkeer‘)

12

48

Vertrekpunt: In 2028 groeien meer jeugdigen thuis, of zo thuis mogelijk op 1. Het aandeel jeugdigen dat jeugdhulp met verblijf krijgt daalt, als stap in de ambitie naar 0 uithuisplaatsingen.

In- en uitstroom Nulwaardes 2023 / 2024:15

Te ontwikkelen indicator: verhouding tussen jeugdigen in geïnstitutionaliseerd verblijf versus gezinsgericht

Percentage jeugdigen 0-18 jaar in jeugdhulp met verblijf als percentage van het totaal aantal jeugdigen 0-18 jaar Nulwaarde 202314 = 1,7% Nulwaarde 2024 = 1,8%

Definitie: Aantal jeugdigen met een actieve toewijzing jeugdzorg (obv aanvang/einde zorg datum toewijzing of als die er niet waren start/einddatum toewijzing), t/m 17 jaar (t.o.v. startdatum van hun toewijzing), dat wél Jeugdhulp met Verblijf was (dus voorzieninggroepen 43 en 44 of product ‘Maatwerk verblijf’). Gedeeld door aantal kinderen t/m 17 op 31 dec 2023 (bron = lelystadinzicht.nl demografie)

Alle Jeugdhulp met Verblijf toewijzingen (=voorzieninggroep 43 en 44 en product Maatwerk verblijf met productcode 90002) die in een bepaalde maand startten (instroom) of eindigden (uitstroom), obv aanvang/einde zorg datum of als die niet beschikbaar waren start-/einddatum toewijzing. Ook is met opeenvolgende toewijzingen rekening gehouden, omdat die mogelijk verlengingen zijn: toewijzingen van dezelfde cliënt en hetzelfde product waar maar 1 dag tussen zit, die worden als één doorlopende toewijzing geteld.

14

15

49

2. Jeugdigen die jeugdhulp hebben met verblijf, zijn hier gemiddeld minder lang.

Vertrekpunt: Voor 2028 een verdere afname van het aantal jeugdigen in verblijf. De gemiddelde kosten per kind per jaar in jeugdhulp met verblijf dalen. De totale uitgaven voor jeugdhulp met verblijf zijn lager dan in 2024 (exclusief indexering en tariefeffecten).

Te ontwikkelen indicator: o Gemiddelde duur van een cliënt in jeugdhulp met verblijf, exclusief pleegzorg o Aantal keer dat jeugdhulp met verblijf toch wordt verlengd ondanks contractafspraken

3. Voor 2026 nemen wij de regionale doelstellingen uit de inkoop per 2025 over:  Afname van het aantal kinderen in verblijf in 2026 t.o.v. 2023 van 15%  Verkorten doorlooptijd behandeld wonen 2026 t.o.v. 2023 van 25%  Verschuiving van behandeld wonen naar gezinsgericht (‘zo licht mogelijk’) Deze punten worden gemonitord door middel van het regionaal dashboard dat in ontwikkeling is.

Uitgaven per betrekkingsperiode (maand/jaar) jeugdhulp met verblijf. Uitgaven gecorrigeerd voor tariefstijging. Nulwaarde 2023 (jaar) = 13,9 miljoen ongeveer16 Nulwaarde 2024 (jaar) = nog te bepalen

Uitgaven per jeugdige in jeugdhulp met verblijf. Nulwaarde 2023 (jaar) = 39.400 euro Nulwaarde 2024 (jaar) = 50.600 euro (nog niet gecorrigeerd voor tariefeffecten en indexering) - Voor Pleegzorg = 15.200 euro - Voor niet -Pleegzorg = 80.600 euro

Door het combineren van deze indicatoren en inzichten ontstaat een breed en diepgaand beeld van de voortgang en impact van het uitvoeringsprogramma. Dit stelt ons in staat om continu te leren, verbeteren en daadwerkelijk maatschappelijke verandering te realiseren.

Zelfde als indicator 4a van vertrekpunt ‘In 2028 hebben minder jeugdigen jeugdhulp nodig’ 16

50

Rijksoverheid. (2025). Groeipijn: Advies Deskundigencommissie Hervormingsagenda Jeugd. Geraadpleegd van: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2025/ 01/30/advies-deskundigencommissie-hervormingsagendajeugd

Bijlage: Bronvermelding Synhaeve, M. et al. (2023). Rapport Berenschot: Druk op de Keten. Geraadpleegd op: rapport-druk-op-de-ketenberenschot.pdf Deskundigencommissie Hervormingsagenda Jeugd. (2025). Groeipijn: advies hervormingscommissie. Geraadpleegd van: Groeipijn - advies Deskundigencommissie Hervormingsagenda Jeugd | Rapport | Rijksoverheid.nl

Rodriguez Rivas-Stellaard, Sharon Debby. (2023). Boemerangbeleid. Amsterdam: Vrije Universiteit.

McKnight, J., & Block, P. (2010). The abundant community: Awakening the power of families and neighborhoods. BerrettKoehler Publishers.

Siegers, A. (2023). Van gedoe naar gedragen. Uitgever: dat is helder.

Siegers, A. (2016). De nieuw route. Uitgever: dat is helder.

Wienen, B. (2023). Van individueel naar inclusief onderwijs. Dordrecht: Instondo.

Nederlands Jeugdinstituut. (2023). Wet- en regelgeving bij preventief jeugdbeleid. Geraadpleegd van: Wet- en regelgeving bij preventief jeugdbeleid | Nederlands Jeugdinstituut

Wienen, B. (2025). Laat/d de pedagogische basis met rust!. Dordrecht: Instondo.

Nederlands Jeugdinstituut. (2023). Werkt preventie?. Geraadpleegd van: Werkt preventie? | Nederlands Jeugdinstituut

Winter, de, M. (2024). Medemenselijk opvoeden. Amsterdam: SWP.

Nederlands Jeugdinstituut. (2022). Opgroeien in Nederland: wie zijn daarbij betrokken?. Geraadpleegd van: Opgroeien in Nederland: wie zijn daarbij betrokken? | Nederlands Jeugdinstituut. 51

52

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lelystad&id=23d1605e-0f85-4af9-9f4c-074d67595bae