C01. Onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving d.d. 20.12.2024_geanonimiseerd
Tekst van het document
4.7.1
Toetsingskader
In het geval dat de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie bepaalt de Omgevingswet dat de grond functiegericht gesaneerd moet worden. Dit betekent dat de grond zodanig gesaneerd moet worden dat deze kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie. Nieuwe functies dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd en bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. De toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan conform artikel 5.89i van het Bkl.
4.7.2
Resultaten
De voorgenomen ontwikkeling betreft een tijdelijke ontwikkeling waarbij geen grondroerende activiteiten plaatsvinden en die qua aard van het gebruik vergelijkbaar is met het voorgaande gebruik van de locatie (verblijf van personen). Er wordt een receptie-/beveiligingsunit op het terrein geplaatst, maar hierbij vinden geen grondroerende werkzaamheden plaats.
4.7.3
Conclusie
Het aspect bodem levert geen belemmering op voor de tijdelijke opvanglocatie.
4.8
Luchtkwaliteit
4.8.1
Toetsingskader
Om de gezondheid van de mensen te beschermen staan luchtkwaliteitseisen opgenomen in de instructieregels van het Bkl. De eisen aan de kwaliteit van de buitenlucht oftewel luchtkwaliteit staan opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Voor deze regels gelden zogenoemde omgevingswaarden, waarbij stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) maatgevend zijn. Activiteiten zijn toelaatbaar indien ze voldoen aan de volgende voorwaarden: - er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijving van een omgevingswaarde; - het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; - het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit is komen te vervallen bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
29 | 37
Witteveen+Bos | 144336/24-019.059 | Definitief
Het Bkl geeft grenswaarden voor de concentraties van onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Bij ontwikkelingen dient getoetst te worden of de ontwikkeling ervoor zorgt dat omgevingswaarden worden overschreden. Deze omgevingswaarden liggen voor zowel NO 2 als PM10 op een jaargemiddelde van 40 microgram/m3. In de Omgevingswet staan aandachtsgebieden voor luchtkwaliteit opgenomen. De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 van het Bkl. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgen de grenzen voor ‘niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit’ als de toename van de concentratie maatgevende stoffen niet hoger is dan 1.2 µg/m2.
4.8.2
Resultaten
Er is sprake van een beperkte verkeersaantrekkende werking als gevolg van de tijdelijke opvanglocatie. Daarnaast is de verkeersaantrekkende werking naar verwachting ook geringer ten opzichte van het voorgaande gebruik van de locatie als hotel. De bewoners van de tijdelijke opvang zullen zich hoofdzakelijk te voet, met de fiets of het openbaar vervoer verplaatsen. Aan de hand van de te verwachten vervoersbewegingen is de NIBM-tool ingevuld (zie afbeelding 4.3). Hieruit komt naar voren dat de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Afbeelding 4.3 Resultaten NIBM-tool (geraadpleegd op 16 september 2024)
In het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is tevens gekeken naar de huidige achtergrondconcentraties in en rondom de projectlocatie, zie afbeeldingen 4.4 en 4.5. De achtergrondconcentraties voor NO2 liggen tussen de 20 en 25 microgram per m3. De achtergrondconcentraties voor PM10 liggen tussen de 18 en 20 microgram per m3. Voor NO2 en PM10 is een jaargemiddelde van 40 microgram/m3 de wettelijke grenswaarde. De achtergrondconcentraties op de projectlocatie blijven ruimschoots beneden de wettelijke grenswaarde. Op basis hiervan kan gesteld worden dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Afbeelding 4.4
30 | 37
Witteveen+Bos | 144336/24-019.059 | Definitief
Afbeelding 4.4 Luchtkwaliteit NO2 (opgehaald van Atlasleefomgeving, geraadpleegd op 16 september 2024), opvanglocatie globaal wit omcirkeld
Afbeelding 4.5 Luchtkwaliteit PM10 (opgehaald van Atlasleefomgeving, geraadpleegd op 16 september 2024), opvanglocatie globaal zwart omcirkeld
4.8.3
Conclusie
De tijdelijke ontwikkeling draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Tevens liggen de huidige achtergrondconcentraties voor NO2 en PM10 ruim onder de wettelijke grenswaarde van 40 microgram per m3 waardoor sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ten slotte wordt nadrukkelijk gewezen op de tijdelijkheid van het beoogde voornemen. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de tijdelijke opvang.
31 | 37
Witteveen+Bos | 144336/24-019.059 | Definitief
4.9
Activiteiten en milieuzonering
Het doel van milieuzonering is een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Milieuzonering betekent het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies (zoals wonen en recreëren) anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. De onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.
4.9.1
Toetsingskader
De voormalige VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering (2009) wordt niet meer door de VNG Geactualiseerd. Milieuzonering Nieuwe Stijl 2019 biedt een nieuwe aanpak van hoe bedrijfsmatige activiteiten worden gezoneerd. In de publicatie is een lijst opgenomen die inzichtelijk maakt welke milieuaspecten van belang zijn en in welke milieucategorie een bedrijf/activiteit ingedeeld kan worden. Het instrument heeft een integrale benadering. Per bedrijf/activiteit is in beeld gebracht welke richtafstand aan de orde is voor de aspecten geluid, geur, stof en externe veiligheid. De milieucategorie wordt bepaald op de maatgevende (grootste) afstand.
4.9.2
Resultaten
Een opvang van het COA wordt niet genoemd in de VNG-publicatie. De toekomstige tijdelijke vorm van gebruik is echter vergelijkbaar met de functie wonen. Deze functie kent geen zonering op grond van de VNG-publicatie. Planologisch toegestaan In de directe omgeving zijn in het vigerende tijdelijke omgevingsplan geen bedrijfsbestemmingen opgenomen. Feitelijke situatie In de feitelijke situatie zijn geen bedrijven gesitueerd nabij het hotel.
4.9.3
Conclusie
Het thema activiteiten en milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling.
4.10
Archeologie en cultuurhistorie
Voorafgaand aan het verlenen van een omgevingsvergunning voor een BOPA dient inzicht te zijn verkregen in bekende en te verwachten archeologische en cultuurhistorische waarden op de projectlocatie en in de omgeving, en wat de aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden zijn en of deze een bedreiging vormen voor het bodemarchief. Indien dit het geval is, wordt geadviseerd op welke wijze hiermee in het project rekening dient te worden gehouden. In de Omgevingswet staan de regels ter bescherming van de archeologische en cultuurhistorie waarden genoemd in artikel 5.130 van het Bkl.
32 | 37
Witteveen+Bos | 144336/24-019.059 | Definitief
4.10.1 Resultaten Voor de realisatie van de opvanglocatie vinden geen grondroerende werkzaamheden plaats. Daarnaast zijn er geen nabijgelegen monumentale of cultuurhistorisch waardevolle objecten aanwezig. Ten aanzien van archeologie en cultuurhistorie bestaan geen belemmeringen voor de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie.
4.10.2 Conclusie Ten aanzien van archeologie en cultuurhistorie bestaan geen belemmeringen voor de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie omdat er geen werkzaamheden plaatsvinden in de bodem en er geen monumentale of cultuurhistorisch waardevolle objecten in de omgeving aanwezig zijn.
4.11
Weging van het waterbelang
4.11.1 Toetsingskader Het watersysteem en de ruimtelijke inrichting van een gebied zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Een goede afstemming tussen water en ruimtelijke ordening is daarom essentieel. Om dit te waarborgen is wet- en regelgeving opgesteld. De watertoets vormt het instrument om wet- en regelgeving op het gebied van waterbelangen te borgen in ruimtelijke plannen en projecten. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' de term watertoets. De weging van het waterbelang geldt ook voor het afwijken van een omgevingsplan met een BOPA.
4.11.2 Resultaten Er vinden geen uitpandige wijzigingen plaats aan de huidige bebouwing en er wordt geen verhard oppervlak aan de locatie toegevoegd. Daarnaast worden er geen wijzigingen aangebracht aan aanwezige watergangen en worden geen nieuwe watergangen gegraven. De opvang is bovendien tijdelijk van aard. Er is daarom met de voorgenomen tijdelijke opvang geen sprake van wijzigingen die impact hebben op de waterhuishouding.
4.11.3 Conclusie De voorgenomen tijdelijke ontwikkeling heeft geen effect op de waterhuishouding aangezien het enkel een tijdelijke ontwikkeling betreft met gebruikmaking van de huidige bebouwing voor de huisvesting van bewoners en de plaatsing van een tijdelijke tent van beperkte omvang. Het aspect water vormt hiermee geen belemmering voor de voorgenomen tijdelijke opvang.
4.12
Sociale veiligheid
Naast een aantrekkelijke en aanpasbare fysieke leefomgeving moet een leefomgeving ook (sociaal) veilig in het gebruik zijn. Het gaat erom dat mensen zich veilig voelen en dat zoveel mogelijk daadwerkelijk zijn. Factoren die kunnen bijdragen aan (het gevoel van) veiligheid zijn onder andere: - informeel toezicht op de openbare ruimte; - persoonlijke controle over de ('eigen') omgeving; - het imago van het (totale) gebied.
33 | 37
Witteveen+Bos | 144336/24-019.059 | Definitief
4.12.1 Resultaten Maatregelen die het COA neemt voor beheer in en rond de opvang zijn onder andere 24/7 beveiliging en toegangsbeheer op de locatie, zeven dagen per week aanwezigheid van COA-medewerkers op de locatie, huisregels hanteren en toezien op naleving, eventuele signalen over spanningen tussen bewoners oppakken, dagbesteding verzorgen, informeren over gedragsregels in Nederland, wanneer nodig opschalen naar of assistentie vragen aan politie, deelname aan structureel omwonendenoverleg en structureel veiligheidsoverleg met gemeente, politie en indien nodig andere betrokkenen, 24/7 bereikbaarheid voor omwonenden. Samen met gemeente en politie is het COA verantwoordelijk voor de leefbaarheid buiten de opvanglocatie. De gemeente is daarbij verantwoordelijk voor het monitoren van de effecten van de opvang in de omgeving en zo nodig in overleg met het COA en de politie (aanvullende) maatregelen te treffen. De politie is verantwoordelijk voor het handhaven van de openbare orde, onder gezag van de burgemeester en de opsporing bij eventueel gepleegde strafbare feiten onder gezag van het Openbaar Ministerie.
4.12.2 Conclusie Het COA treft een pakket aan maatregelen om de sociale veiligheid in de omgeving van de planlocatie te Waarborgen. Hierover vindt afstemming met de gemeente plaats. Door het nemen van deze maatregelen vormt het aspect sociale veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling.
4.13
Geur
4.13.1 Toetsingskader Regels over geur zijn onderverdeeld in de verschillende Algemene maatregelen van bestuur van de Omgevingswet. Het verschilt per activiteit waar de regels zijn opgenomen. Indien er geen aanpassingen hebben plaatsgevonden in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, gelden de regels uit hoofdstuk 22 van het omgevingsplan, die met de Bruidsschat onderdeel zijn geworden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Het Rijk stelt voor een aantal activiteiten specifieke regels aan geurbelasting. De regels voor milieubelastende activiteiten staan opgenomen in hoofdstuk 3 van het Bal. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. Het is aan het bevoegd gezag om te beoordelen of de geurhinder aanvaardbaar is gelet op het Bkl en het omgevingsplan.
4.13.2 Resultaat Een tijdelijke opvanglocatie van het COA is niet opgenomen als een milieubelastende activiteit ten aanzien van geur. Desalniettemin moet zorg worden gedragen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de het omgevingsplan zijn geen geurcontouren opgenomen. De locatie is in gebruik geweest als hotel en het aspect geur was geen belemmering voor de realisatie van dit hotel. Het gebruik van de locatie als tijdelijke opvanglocatie door COA is een vergelijkbare functie (nachtverblijf van personen) en daarmee is geen sprake van een relevante wijziging.
4.13.3 Conclusie De locatie is reeds in gebruik geweest als hotel. Het aspect geur was hiervoor geen belemmering. De beoogde tijdelijke opvang is een vergelijkbare functie (tevens nachtverblijf). Daarnaast is de tijdelijke opvang zelf geen milieubelastende activiteit in het kader van geur. Ten aanzien van geur bestaat geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
34 | 37
Witteveen+Bos | 144336/24-019.059 | Definitief
4.14
Duurzaamheid en gezondheid
4.14.1 Toetsingskader Toetsing aan de aspecten duurzaamheid en gezondheid is bij een BOPA-aanvraag sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid. Er is geen algemeen toetsingskader. Per gemeente moet ten eerste vastgesteld worden of getoetst dient te worden en ten tweede hoe dit dient te gebeuren.
4.14.2 Resultaten In het huidige omgevingsplan ‘Herstelbesluit bestemmingsplan Stedelijk’ (d.d. 17 januari 2023) van de gemeente Leidschendam-Voorburg zijn nog geen artikelen toegevoegd die direct betrekking hebben op het thema duurzaamheid en gezondheid. Desondanks zijn in dit rapport alle relevante milieuaspecten bekeken die een impact kunnen hebben op het aspect duurzaamheid en gezondheid. De resultaten hiervan zijn in het onderhavige hoofdstuk te vinden en daaruit blijkt dat er uit de desbetreffende relevante milieuaspecten geen belemmering naar voren komt. Voor het thema gezondheid bestaan tevens geen belemmeringen ten aanzien van de beoogde ontwikkeling en komt het realiseren van een gezonde fysieke leefomgeving niet in het geding.
4.14.3 Conclusie Voor de thema’s duurzaamheid en gezondheid bestaan geen belemmeringen ten aanzien van de beoogde tijdelijke ontwikkeling.
35 | 37
Witteveen+Bos | 144336/24-019.059 | Definitief
5 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID EN PARTICIPATIE In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de maatschappelijke uitvoerbaarheid en het participatieproces.
5.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid en participatieproces
Een project dient maatschappelijk uitvoerbaar te zijn. Bij het aanvragen van een BOPA dient de initiatiefnemer aan te geven of er aan participatie is gedaan, in welke vorm, en wat de resultaten hiervan zijn. Dit betekent in essentie niet dat participatie (altijd) een verplichting is, maar wel dient het bovenstaande te worden omschreven. Voor de locatie zijn verschillende informatieavonden georganiseerd. De informatie hierover wordt als separate bijlage bij het de aanvraag voor de omgevingsvergunning aangegeven.
36 | 37
Witteveen+Bos | 144336/24-019.059 | Definitief
6 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID EN HANDHAVING 6.1
Financiering
Het COA is verantwoordelijk voor de financiering van de uitvoering tijdens de exploitatieduur. De projectlocatie (gedeelte van het hotel) wordt gehuurd door het COA. Het COA voert een maatschappelijke taak uit in opdracht van het Rijk en wordt ook als zodanig gefinancierd voor het realiseren van de noodopvang.
6.2
Beheer en onderhoud
Het COA verzorgt in samenwerking met de eigenaar van het hotel het beheer en onderhoud van de bebouwing en het terrein gedurende het gebruik ten behoeve van de tijdelijke opvang. Na het vertrek van het COA kan de locatie weer gebruikt worden conform de geldende enkelbestemming uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Leidschendam-Voorburg. Het tijdelijk gebruik van de locatie door het COA leidt niet tot onomkeerbare gevolgen die het toekomstig gebruik conform de geldende enkelbestemming in het tijdelijke deel van het omgevingsplan verhinderen. De receptie-/ beveiligingsunit kan eenvoudig weer worden verwijderd.
6.3
Handhaving
De omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van de omgevingsvergunning ligt bij de gemeente. Het handhavingsbeleid van de gemeente Leidschendam-Voorburg vormt de basis van de handhaving binnen de gemeentelijke grenzen. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de bescherming van mens en omgeving te waarborgen tegen ongewenste activiteiten en overlast. In het kader van handhaving zal afstemming met gemeente en politie plaatsvinden.
37 | 37
Witteveen+Bos | 144336/24-019.059 | Definitief
www.witteveenbos.com