CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

C01. Onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving d.d. 20.12.2024_geanonimiseerd

Raadsvergadering 11 maart 2025, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Buitenplanse Omgevingsplan Activiteit (BOPA) aanvraag voor het oprichten van een tijdelijke opvanglocatie in het pand Stationsplein 8 te Voorburg11.318 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Opvanglocatie Holiday Inn Voorburg Onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving

Centraal Orgaan opvang asielzoekers 20 december 2024

Project Opdrachtgever

Opvanglocatie Holiday Inn Voorburg Centraal Orgaan opvang asielzoekers

Referentie

Onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Definitief 20 december 2024 144336/24-019.059

Projectcode

144336

Document Status Datum

Adres

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer Daalsesingel 51c Postbus 24087 3502 MB Utrecht www.witteveenbos.com KvK 38020751

Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING

6

1.1

Aanleiding

6

1.2

Projectlocatie

6

1.2.1 1.2.2

Ligging projectlocatie Begrenzing projectlocatie

6 7

Van bestemmingsplan naar omgevingsplan

8

1.3.1

8

1.3

Toetsing vigerend omgevingsplan gemeente Leidschendam-Voorburg

1.4

Buitenplanse omgevingsplanactiviteit

9

1.5

Leeswijzer

10

2

BESCHRIJVING VOORNEMEN

11

2.1

Huidige situatie

11

2.2

Toekomstige situatie

12

3

BELEIDSKADER

13

3.1

Rijksbeleid

13

3.1.1 3.1.2

13 13

3.2

3.3

3.4

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Instructieregels Rijk

Provinciaal beleid

16

3.2.1 3.2.2

16 16

Omgevingsvisie Zuid-Holland Omgevingsverordening provincie Zuid-Holland

Waterbeleid

17

3.3.1

17

Waterschapsverordening Waterschap Delfland

Gemeentelijk beleid

17

3.4.1

17

Omgevingsvisie Leidschendam-Voorburg

4

MILIEU EN OMGEVINGSASPECTEN

19

4.1

Milieueffectrapportage

19

4.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

20

4.3

Verkeer en parkeren

20

4.3.1

20

Resultaten

4.3.2 4.4

Natuur 4.4.1 4.4.2

4.5

4.6

4.8

4.9

4.10

4.11

4.12

4.13

5

21 Toetsingskader Resultaten

21 24 25

4.5.1 4.5.2 4.5.3

25 26 27

Toetsingskader Resultaten Conclusie

Geluid

27 Toetsingskader Resultaten Conclusie

27 28 28

Bodemkwaliteit

29

4.7.1 4.7.2 4.7.3

29 29 29

Toetsingskader Resultaten Conclusie

Luchtkwaliteit

29

4.8.1 4.8.2 4.8.3

29 30 31

Toetsingskader Resultaten Conclusie

Activiteiten en milieuzonering

32

4.9.1 4.9.2 4.9.3

Toetsingskader Resultaten Conclusie

32 32 32

Archeologie en cultuurhistorie

32

4.10.1 4.10.2

Resultaten Conclusie

33 33

Weging van het waterbelang

33

4.11.1 4.11.2 4.11.3

33 33 33

Toetsingskader Resultaten Conclusie

Sociale veiligheid

33

4.12.1 4.12.2

34 34

Resultaten Conclusie

Geur 4.13.1 4.13.2 4.13.3

4.14

21

Omgevingsveiligheid

4.6.1 4.6.2 4.6.3 4.7

Conclusie

34 Toetsingskader Resultaat Conclusie

34 34 34

Duurzaamheid en gezondheid

35

4.14.1 4.14.2 4.14.3

35 35 35

Toetsingskader Resultaten Conclusie

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID EN PARTICIPATIE

36

5.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid en participatieproces

36

6

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID EN HANDHAVING

37

6.1

Financiering

37

6.2

Beheer en onderhoud

37

6.3

Handhaving

37

Laatste pagina

37

Bijlage(n) -

Aantal pagina's

1 INLEIDING 1.1

Aanleiding

Eén van de opvanglocaties van het COA betreft het Holiday Inn hotel aan het Stationsplein 8 te Voorburg. Het COA wil zes verdiepingen van dit hotel huren en hier vanaf 1 oktober 2024 circa 200 personen opvangen voor een periode van twee jaar (de drie overige verdiepingen zullen dienst blijven doen als hotel). Het gebruik van het Holiday Inn hotel als tijdelijke opvanglocatie past niet binnen het (tijdelijke deel van het) omgevingsplan van de gemeente Leidschendam-Voorburg. De tijdelijke opvanglocatie is in strijd met de regels van de enkelbestemming ‘Horeca’ van het vigerende omgevingsplan ‘Herstelbesluit bestemmingsplan Stedelijk’ d.d. 17 januari 2023. In overleg met de gemeente is bepaald dat, om de tijdelijke ontwikkeling mogelijk te maken, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (hierna: BOPA) conform artikel 5.1, eerste lid, onder a Omgevingswet wordt aangevraagd. Voor de BOPA gelden de beoordelingsregels van afdeling 8.1 Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl). Op grond van deze regels kan het bevoegde gezag een omgevingsvergunning voor een BOPA slechts verlenen: - met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, tweede lid Bkl); - als daarbij voldaan wordt aan de beoordelingsregels uit artikel 8.0b (niet provinciaal of nationaal belang).

Dit rapport bevat de onderbouwing dat met het voornemen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en dat wordt voldaan aan de beoordelingsregels uit het Bkl.

1.2

Projectlocatie

1.2.1

Ligging projectlocatie

De projectlocatie bevindt zich aan het Stationsplein 8 te Voorburg. Direct naast de projectlocatie bevindt zich een tuincentrum; ten noorden loopt de A12 en een spoorlijn en ten zuiden en westen bevindt zich een park. Op afbeelding 1.1 is de globale ligging van de projectlocatie weergegeven.

6 | 37

Witteveen+Bos | 144336/24-019.059 | Definitief

Afbeelding 1.1 Globale ligging Holiday Inn hotel

1.2.2

Begrenzing projectlocatie

Deze onderbouwing ten aanzien van de effecten op de fysieke leefomgeving heeft betrekking op het rood gemarkeerde vlak op afbeelding 1.2. De rode markering geeft aan waar afgeweken wordt van het omgevingsplan ten behoeve van de tijdelijke opvang van het COA. De opvang zal enkel plaatsvinden in bestaande bebouwing. Wel zal op de parkeerplaats buiten aan de zijgevel van het gebouw een receptie-/ beveiligingsunit worden geplaatst.

7 | 37

Witteveen+Bos | 144336/24-019.059 | Definitief

Afbeelding 1.2 Begrenzing projectlocatie

1.3

Van bestemmingsplan naar omgevingsplan

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 zijn de bestemmingsplannen van gemeenten van rechtswege onderdeel geworden van het (tijdelijke deel van het) omgevingsplan (artikel 4.6 lid 1 Invoeringswet Omgevingswet). Het overgangsrecht van de Omgevingswet regelt de overgang van onder andere de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) naar de Omgevingswet (Ow). Onder de Omgevingswet spreken we niet meer van bestemmingen, maar van functies en activiteiten.

1.3.1

Toetsing vigerend omgevingsplan gemeente Leidschendam-Voorburg

De beoogde tijdelijke opvanglocatie ligt binnen het Omgevingsplan van de gemeente LeidschendamVoorburg. In het tijdelijke deel van het Omgevingsplan is het bestemmingsplan ‘Herstelbesluit bestemmingsplan Stedelijk’ (d.d. 17 januari 2023) opgenomen waaraan getoetst dient te worden. Het gehele ruimtebeslag van de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie valt binnen dit bestemmingsplan. Op de projectlocatie gelden de volgende (voormalige) bestemmingen en functieaanduidingen: - enkelbestemming ‘Horeca’ (artikel 17 Bestemmingsregels); - dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie - 3’ (artikel 39 Bestemmingsregels); - functieaanduiding ‘horeca tot en met categorie 2’; - functieaanduiding ‘parkeergarage’; - maatvoering ‘Maximum bouwhoogte (m): 3,5; - maatvoering ‘Maximum bouwhoogte (m): 26; - maatvoering ‘Maximum bouwhoogte (m): 30. Afbeelding 1.3 geeft een uitsnede van de verbeelding van het vigerende tijdelijke Omgevingsplan weer. De projectlocatie is geel gearceerd.

8 | 37

Witteveen+Bos | 144336/24-019.059 | Definitief

Afbeelding 1.3 Uitsnede omgevingsplan ‘Herstelbesluit bestemmingsplan Stedelijk’ d.d. 17 januari 2023 (projectlocatie geel gearceerd)

Het gebruik van de locatie als tijdelijke opvang is strijdig met de geldende enkelbestemming ‘Horeca’. Het omgevingsplan biedt geen binnenplanse wijzigings- of afwijkingsmogelijkheden om de opvang planologisch mogelijk te maken. Om het gebruik van de locatie als tijdelijke opvanglocatie planologisch mogelijk te maken is een omgevingsvergunning voor een BOPA benodigd. Uit artikel 39.1 van het vigerende tijdelijke Omgevingsplan van de gemeente Leidschendam-Voorburg volgt dat de voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), bestemd zijn voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende en te verwachten archeologische waarden. De tijdelijke opvanglocatie is niet in strijd met de regels van deze dubbelbestemming.

1.4

Buitenplanse omgevingsplanactiviteit

De tijdelijke opvanglocatie kan planologisch mogelijk worden gemaakt middels een omgevingsvergunning voor een BOPA. Een BOPA is een activiteit die niet voldoet aan of in strijd is met het (tijdelijke) omgevingsplan. Het Bevoegd Gezag mag de vergunning voor een BOPA alleen verlenen als de activiteit voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a lid 1 Bkl). De initiatiefnemer moet aantoonbaar maken c.q. onderbouwen dat wordt voldaan aan de instructieregels uit het Bkl, de provinciale en waterschapsverordening en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor een BOPA-aanvraag geldt in principe de reguliere procedure met een beslistermijn van 8 weken met een mogelijkheid van verlenging met 6 weken. Daarna is bezwaar en beroep mogelijk. De procedurebepalingen staan in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

9 | 37

Witteveen+Bos | 144336/24-019.059 | Definitief

1.5

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 van dit rapport wordt een nadere beschrijving van de projectlocatie gegeven. Zowel de huidige situatie als de toekomstige situatie worden geschetst. Hoofdstuk 3 omvat een toetsing van de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie aan relevante ruimtelijke beleidskaders van Rijk, provincie, waterschap en gemeente. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 voor alle relevante milieu- en omgevingsaspecten beschouwd wat de effecten zijn van de tijdelijke opvanglocatie. In hoofdstuk 5 worden de maatschappelijke uitvoerbaarheid en het participatieproces toegelicht en in hoofdstuk 6 volgen de financiële uitvoerbaarheid, beheer en onderhoud en handhaving.

10 | 37

Witteveen+Bos | 144336/24-019.059 | Definitief

2 BESCHRIJVING VOORNEMEN In dit hoofdstuk wordt het voornemen beschreven. Allereerst wordt ingegaan op de huidige situatie en vervolgens wordt ingegaan op de toekomstige situatie (de tijdelijke opvanglocatie voor asielzoekers).

2.1

Huidige situatie

De locatie waar de tijdelijke opvanglocatie is voorzien, ligt aan het Stationsplein 8 te Voorburg en betreft een hotel. Op het terrein zijn geen andere functies aanwezig. Op afbeelding 2.1 is een luchtfoto van de projectlocatie weergegeven.

Afbeelding 2.1 Luchtfoto pand en terrein bestaand hotel (projectlocatie rood gearceerd)

In tabel 2.1 en op afbeelding 2.2 is de kadastrale situatie weergegeven.

Tabel 2.1 Overzicht kadastraal perceel Kadastrale gemeente

Gemeentecode

Sectie

Voorburg

VBG01

F

11 | 37

Witteveen+Bos | 144336/24-019.059 | Definitief

Nummer

Perceeloppervlakte (m2)

Perceelomtrek

8241

1.367

149

Afbeelding 2.2 Overzicht kadastrale situatie (projectlocatie rood gearceerd)

2.2

Toekomstige situatie

De bovenste zes verdiepingen van het hotel worden gebruikt voor de tijdelijke opvang van 200 personen voor een periode van 2 jaar. Begane grond en verdieping 1 tot en met 3 De begane grond van het hotel en de eerste tot en met de derde verdieping blijven in gebruik als hotel. Verdieping 4 Op de vierde verdieping wordt een aantal COA kantoren gerealiseerd. Daarnaast worden op deze verdieping een infobalie, drie spreekkamers, een uitgiftebalie, een activiteiten-/lesruimte, een ruimte voor vluchtelingenwerk en een ruimte voor GZA (GezondheidsZorg Asielzoekers) gecreëerd. Verdieping 5 tot en met 8 Op de vijfde tot en met de achtste verdieping worden per verdieping dertien kamers met elk vier bedden gerealiseerd waardoor het totaal zal uitkomen op 208 bedden (combinatie technische en bestuurlijke activiteit). Daarnaast worden op iedere verdieping zes vierpits kookplaten geïnstalleerd en wordt op iedere verdieping een was- en droogruimte met daarin minimaal drie wasmachines en drie drogers gerealiseerd. Wijzigingen zullen alleen inpandig plaatsvinden om een aantal slaapkamers geschikt te maken als keuken of was- en droogruimte. Verdieping 9 Op de negende verdieping wordt een aantal COA kantoren gerealiseerd. Beveiligingsunit Op de parkeerplaats buiten aan de zijgevel van het gebouw wordt een receptie-/ beveiligingsunit geplaatst.

12 | 37

Witteveen+Bos | 144336/24-019.059 | Definitief

3 BELEIDSKADER In dit hoofdstuk worden voor de voorgenomen te ontwikkelen tijdelijke opvanglocatie relevant ruimtelijk beleid van het Rijk, de provincie Zuid-Holland, het Hoogheemraadschap van Delfland en de gemeente Leidschendam-Voorburg beschreven. Aangegeven wordt wat de relatie is tussen het project en het beleid. Daarnaast wordt getoetst of het project in overeenstemming is met het geldende beleid.

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met ambities. Daarnaast beschrijft de NOVI nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Waar de opgaven vragen om een geïntegreerde benadering, komen deze samen in vier prioriteiten: 1 ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2 een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; 3 sterke en gezonde steden en regio’s; 4 een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Relatie met voorgenomen tijdelijke opvanglocatie In de NOVI wordt het zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften benoemd als nationaal belang. Het huidige woningtekort en de toename van het aantal inwoners en huishoudens vraagt om een groei van de woningvoorraad. Voorzien in opvanglocaties van het COA is onderdeel van de opgave. In de NOVI wordt het Rijk aangewezen als resultaatverantwoordelijke voor de huisvestingslocaties van het COA.

Gezien het voorafgaande draagt het voornemen bij aan het in de NOVI vervatte rijksbeleid.

3.1.2

Instructieregels Rijk

Artikel 8.0b, eerste lid onder a, van het Bkl bepaalt dat bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsvergunning de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl het beoordelingskader vormen van een BOPA. Afdeling 5.1 Bkl bevat over de volgende onderwerpen instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties: - waarborgen veiligheid; - beschermen van waterbelangen; - beschermen van gezondheid en milieu; - beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed; - behoud van ruimte voor toekomstige functies;

13 | 37

Witteveen+Bos | 144336/24-019.059 | Definitief

-

behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten; bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen.

Relatie instructieregels Besluit kwaliteit leefomgeving met tijdelijke opvanglocatie Hoe met de voor het voornemen relevante instructieregels is omgegaan wordt in deze paragraaf onderbouwd. Waarborgen veiligheid Paragraaf 5.1.2.1 van het Bkl bevat de algemene bepalingen betreft het waarborgen van de veiligheid. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.7 Bkl bevatten specifieke regels over het waarborgen van de veiligheid. In de BOPA moet rekening gehouden worden met het belang van: - de mogelijkheden om een brand, ramp of crisis te voorkomen, beperken en bestrijden; - de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; - de geneeskundige hulpverlening. De personen die worden opgevangen zijn volwassen en zowel geestelijk als lichamelijk in staat om zichzelf in veiligheid te brengen zonder tussenkomst van hulpverleners. Indien een ramp ontstaat zijn er op de locatie voldoende vluchtroutes en vluchtmogelijkheden om te vluchten. De opvanglocatie beschikt over een bedrijfshulpverleningsplan. Het doel van het bedrijfshulpverleningsplan (BHV-plan) is om een BHV-organisatie in te richten die in geval van een noodsituatie of dreigende noodsituatie tijdig en snel kan worden geactiveerd en doelmatig kan optreden om, voor zover mogelijk, de oorzaak van de noodsituatie geheel of gedeeltelijk te elimineren en de gevolgen ervan zoveel mogelijk te beperken.

De bedrijfshulpverleningsorganisatie heeft de volgende taken: 1 verlenen van eerste hulp bij ongevallen; 2 beperken en bestrijden van brand, het voorkomen en beperken van ongevallen; 3 in noodsituaties alarmeren en evacueren van alle werknemers en andere personen in het bedrijf of inrichting. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.7 Bkl bevatten specifieke regels over het waarborgen van de veiligheid voor bepaalde gevallen. Deze specifieke regels zijn niet van toepassing op het voornemen. In paragraaf 4.5 van deze rapportage wordt nader ingegaan op het thema (omgevings-)veiligheid. Beschermen van waterbelangen Paragraaf 5.1.3.1 van het Bkl bevat de algemene bepalingen betreft het beschermen van het waterbelang. In een BOPA moet rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. In paragraaf 4.11 van deze rapportage wordt nader ingegaan op het waterbelang. De paragrafen 5.1.3.2 tot en met 5.1.3.5 Bkl bevatten specifieke regels over het waarborgen van het waterbelang. Deze specifieke regels zijn niet van toepassing op het voornemen.

Beschermen van gezondheid en milieu Voor het beschermen van gezondheid en milieu zijn instructieregels opgenomen voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid, geur en bodemkwaliteit. In hoofdstuk 4 van deze rapportage wordt ingegaan op diverse onderwerpen die een raakvlak hebben met gezondheid of milieu.

14 | 37

Witteveen+Bos | 144336/24-019.059 | Definitief

Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed In paragraaf 5.1.5.4 van het Bkl is het principe van de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. Artikel 5.129g bepaalt dat voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in de BOPA rekening wordt gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling en, als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied, de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. De laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is in het Bkl gedefinieerd als ‘een ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is’. Of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving.

Mede aan de hand van jurisprudentie is duidelijk welke ontwikkelingen al dan niet worden aangemerkt als (nieuwe) stedelijke ontwikkeling. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet in onderlinge samenhang worden beoordeeld in hoeverre het voornemen voorziet in een functiewijziging in vergelijking met de vigerende planologische situatie en welk beslag op de ruimte de nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt. Er is sprake van een tijdelijke ontwikkeling met een beperkte duur en niet van een permanente ontwikkeling. Er is daarnaast geen sprake van een dusdanige functiewijziging. Het voornemen voor een opvanglocatie is vergelijkbaar met deze planologisch toegestane situatie, zijnde het bieden van een verblijf. Gelet hierop wordt het voornemen niet beschouwd als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Behoud van ruimte voor toekomstige functies In paragraaf 5.1.6 Bkl is een aantal reserveringsgebieden opgenomen, waar vanwege de voorzienbare toekomstige aanleg van werken of objecten, regels gelden over activiteiten die een dergelijke aanleg zouden kunnen bemoeilijken.

Het gaat om reserveringen voor gebieden rond autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen, gebieden voor de aanleg van buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, het aanleggebied voor de Tweede Maasvlakte voor diepzeegebonden activiteiten en de reservering van de Parallelle Kaagbaan. De locatie is niet gelegen op een aangewezen gebied voor toekomstige functies op grond van het Bkl. Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten In paragraaf 5.1.7.3 Bkl zijn bepalingen opgenomen voor de elektriciteitsvoorziening. Dit betreft bepalingen over grootschalige elektriciteitsvoorzieningen, zoals schakel- en transformatorstations voor hoogspanning (en zijn daarom niet van toepassing op het voornemen). Daarnaast is de voorgenomen ontwikkeling gelegen in een radarverstoringsgebied voor een radarstation (zone maximale bouwwerken), zie artikel 5.155 Bkl. Er is geen sprake van de oprichting van windturbines. Het voornemen betreft het in gebruik nemen van een bestaand pand. Daarnaast wordt een beveiligingsunit geplaatst. De hoogte van dit bouwwerk overschrijdt de toegestane hoogte niet.

Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen In artikel 5.162 Bkl is bepaald dat voor zover een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte, in het omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking. Dit artikel is niet van toepassing op het voornemen.

15 | 37

Witteveen+Bos | 144336/24-019.059 | Definitief

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Zuid-Holland

Het provinciaal beleid voor de fysieke leefomgeving wordt omschreven in de Omgevingsvisie Zuid-Holland (hierna: Omgevingsvisie). Op 1 mei 2024 hebben Provinciale Staten de huidige Omgevingsvisie gewijzigd. Het instrument om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening provincie Zuid-Holland (zie voor een nadere uitwerking paragraaf 3.2.2 van deze rapportage). In de Omgevingsvisie schetsen Provinciale Staten hun visie op de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van de provincie. Provinciale Staten geven aan wat de ambities en doelstellingen van provinciaal belang zijn en hoe zij Gedeputeerde Staten opdragen deze te realiseren.

De visie omvat 7 vernieuwingsambities: 1 samenwerken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten; 2 bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor; 3 schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen, waar fossiele bronnen zijn vervangen door hernieuwbare bronnen; 4 een concurrerend Zuid-Holland: versterken van concurrentiekracht door in te zetten op innovatie, duurzaamheid en digitalisering; 5 versterken natuur in Zuid-Holland: zorgen voor een gezonde, uitgebalanceerde en beleefbare natuur; 6 sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit; 7 gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving. Deze vernieuwingsambities zijn concreet gemaakt in beleidsdoelen. De beleidsdoelen zijn vervolgens uitgewerkt in beleidskeuzes. Relatie met de beoogde tijdelijke opvanglocatie Het voornemen heeft geen strijdigheden met de beschreven beleidskeuzes in de omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland. Gezien de grote instroom van asielzoekers is het noodzakelijk om zo spoedig mogelijk tijdelijke opvanglocaties te realiseren.

Communicatie en het zorgvuldig betrekken van belanghebbenden bij de realisatie van de opvang is een essentieel onderdeel van de opvang. In paragraaf 5.1 van deze rapportage wordt nader ingegaan op de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de manier waarop de omgeving betrokken wordt bij het realiseren van de opvanglocatie.

3.2.2

Omgevingsverordening provincie Zuid-Holland

De belangrijkste onderwerpen uit de Omgevingsvisie Zuid-Holland zijn verankerd in de Omgevingsverordening Zuid-Holland. De omgevingsverordening vervangt alle bestaande verordeningen die betrekking op de leefomgeving hebben, zoals de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) en de Waterverordeningen. Vooruitlopend op de invoering van de Omgevingswet is de Omgevingsverordening provincie Zuid-Holland vastgesteld op 15 december 2021. De laatst gewijzigde versie is op 26 maart 2024 in werking getreden. Artikel 8.0b, eerste lid, van het Bkl bepaalt dat bij een aanvraag om een BOPA de provinciale instructieregels het beoordelingskader vormen van een BOPA. Deze instructieregels zijn opgenomen in de provinciale omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland.

16 | 37

Witteveen+Bos | 144336/24-019.059 | Definitief

Relatie met beoogde tijdelijke opvanglocatie Het voorgenomen initiatief is niet in strijd met de instructieregels uit de provinciale verordening. De projectlocatie behoort volgens de Omgevingsverordening niet tot een gebied met een bijzondere bescherming zoals grondwaterbeschermingsgebied, stiltegebied, Natuurnetwerk Nederland of andere aanduiding.

3.3

Waterbeleid

Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet zorg worden gedragen voor de waterbelangen. Door middel van een watertoets wordt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen getoetst wat de gevolgen zijn op het waterhuishouden. Onder de Omgevingswet blijft dit proces bestaan, maar dan onder de noemer ‘weging van het waterbelang’. Per waterbeheerder kan het verschillen welke elementen van belang zijn om te toetsen. De beoogde tijdelijke opvanglocatie ligt in het beheersgebied van het waterschap Delfland.

3.3.1

Waterschapsverordening Waterschap Delfland

De waterschapsverordening is de opvolger van de Keur. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn alle regels van het waterschap die het binnen haar beheersgebied stelt over de fysieke leefomgeving opgenomen in de waterschapsverordening. In de verordening wordt verder uitgeweid over de regels, voorschriften en verantwoordelijkheden per activiteit. Het waterschap Delfland onderscheidt in de verordening onderstaande onderwerpen: - Normen veiligheid polderkaden (hoofdstuk 2); - Wateractiviteiten algemeen (hoofdstuk 3); - Beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot waterstaatswerken (hoofdstuk 4); - Wateronttrekkingsactiviteiten grondwater (hoofdstuk 5); - Wateronttrekkingsactiviteiten oppervlaktewaterlichaam (hoofdstuk 6); - Lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam (hoofdstuk 7); - Aansluiten openbaar vuilwaterriool of ander riool op zuiveringtechnisch werk (hoofdstuk 8); - Lozingsactiviteiten op zuiveringtechnisch werk (hoofdstuk 9); - Verhardingsactiviteiten (hoofdstuk 11). Relatie met de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie Er zijn geen directe belemmeringen vanuit de waterschapsverordening voor de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie. Het project voorziet niet in een verandering van het watersysteem, lozings- en/of wateronttrekkingsactiviteiten waar conform de verordening een vergunning-, zorg-, of meldplicht voor geldt.

Het project voegt geen verharding toe en er vinden geen activiteiten plaats in assets van het waterschap. De voorgenomen tijdelijke ontwikkeling is niet in strijd met de waterschapverordening van het waterschap.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Omgevingsvisie Leidschendam-Voorburg

De gemeente Leidschendam-Voorburg is bezig met het opstellen van een omgevingsvisie. Dit is de langetermijnvisie voor de hele fysieke leefomgeving van de gemeente. De visie gaat in op allerlei thema’s die te maken hebben met onze leefomgeving, zoals wonen, werken, mobiliteit, vrije tijd, gezondheid, natuur en duurzaamheid.

17 | 37

Witteveen+Bos | 144336/24-019.059 | Definitief

Vooruitlopend op de vaststelling van de omgevingsvisie heeft de gemeente een koersnotitie met daarin een aantal ambities geformuleerd, gegroepeerd in vijf toekomstperspectieven: 1 een hoogwaardig verblijfsklimaat: streven naar een prettige, gezonde, kwalitatieve en veilige leefomgeving om in te verblijven; 2 goed verbonden: zorgen dat de gemeente goed bereikbaar blijft en zorgen dat binnen de gemeente de voorzieningen en woonwijken goed bereikbaar blijven, met een geleidelijke verschuiving van de focus op autoverkeer naar een duurzame mobiliteit; 3 een plek van en voor iedereen: zorgen voor voldoende en passende woningen en streven naar een inclusieve en sociale samenleving; 4 economisch vitaal, passend bij een woongemeente: bedrijvigheid en economische activiteit binnen de gemeente koesteren en nieuwe arbeidsplaatsen realiseren; 5 duurzaam toekomstbestendig: streven naar duurzaamheid, klimaatbestendigheid en zoveel mogelijk circulariteit. Relatie met de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie Onder het perspectief ‘Een plek van en voor iedereen’ worden asielzoekers uitdrukkelijk genoemd als doelgroep waarvoor de gemeente een passende woning beschikbaar wil hebben. Het realiseren van de tijdelijke opvanglocatie draagt hieraan bij.

Hoewel de gemeente in de koersnotitie onder ‘Economisch vitaal, passend bij een woongemeente’ aangeeft zich sterker en duidelijker te willen profileren op het gebied van toerisme en een aantal verdiepingen als gevolg van het realiseren van de opvang niet gebruikt kan worden als hotel, betreft het project slechts een tijdelijke verandering van de hotelfunctie voor de opvang van personen. Na afloop van het gebruik als opvanglocatie komt de voorziening weer beschikbaar als hotel. Het realiseren van de opvanglocatie staat de ambities van de gemeente op het gebied van toerisme daarmee niet in de weg.

18 | 37

Witteveen+Bos | 144336/24-019.059 | Definitief

4 MILIEU EN OMGEVINGSASPECTEN In het kader van gemeentelijke besluitvorming dient bij een omgevingsvergunning voor een BOPA door middel van een integrale ruimtelijke benadering rekening te worden gehouden met de consequenties van het project voor de omgeving. Het Bevoegd Gezag is namelijk verantwoordelijk voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit gebeurt in het kader van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Het beginsel van de Omgevingswet, een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, is van toepassing op alle ruimtelijke ontwikkelingen. De effecten op de leefomgeving worden in dit hoofdstuk door middel van de behandeling van de voor de ontwikkeling relevante milieu- en omgevingsaspecten in beeld gebracht en afgewogen. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de relevante milieu- en omgevingsaspecten. Daarbij wordt getoetst aan wet- en regelgeving met de volgende thematische onderverdeling: - milieueffectrapportage; - ladder voor duurzame verstedelijking; - verkeer en parkeren; - natuur; - omgevingsveiligheid; - geluid; - bodemkwaliteit; - luchtkwaliteit; - activiteiten en milieuzonering; - archeologie en cultuurhistorie; - weging van het waterbelang; - sociale veiligheid; - geur; - duurzaamheid en gezondheid.

4.1

Milieueffectrapportage

In Afdeling 16.4 van de Omgevingswet zijn regels opgenomen over de milieueffectrapportage (afgekort mer). Specifiek paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet bevat de grondslag voor de mer-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten. In bijlage V afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit zijn de projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een mer-(beoordelings)plicht opgenomen. Artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit geeft een nadere onderbouwing hiervan. Bijlage V Omgevingsbesluit geeft in de eerste kolom een omschrijving van het project. In de vierde kolom staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Of er voor het project een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van tweede kolom, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht. De tijdelijke opvanglocatie valt niet onder een van de genoemde projecten in bijlage V Omgevingsbesluit en is daarmee niet mer-(beoordelings)plichtig.

19 | 37

Witteveen+Bos | 144336/24-019.059 | Definitief

4.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

Toetsingskader De ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. Het doel van het instrument is zorgvuldig ruimtegebruik in Nederland te waarborgen. Onder de Omgevingswet kent de ladder een nieuwe wettelijke verankering in het Bkl artikel 5.129g. Artikel 5.129g Bkl is een instructieregel voor het omgevingsplan en een BOPA en stelt dat de Ladder moet worden toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Resultaten De ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing op stedelijke ontwikkelingen bestaande uit de ontwikkeling of uitbreiding een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. In artikel 5.129g van het Bkl zijn geen grenzen opgenomen van wat aangeduid kan worden als nieuwe stedelijke ontwikkeling. De voorgenomen tijdelijke opvanglocatie ziet niet op de ontwikkeling of uitbreiding van een stedelijke ontwikkeling als genoemd in artikel 5.129g van het Bkl. Enkel wordt gebruik gemaakt van bestaande bebouwing die reeds bedoeld is voor de huisvesting van personen. Er wordt slechts een tijdelijke unit bijgeplaatst. Bovendien is de ontwikkeling van een beperkte duur (twee jaar).

Conclusie Gezien het voorafgaande wordt gesteld dat de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling geen nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft. Een verdere toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking is niet aan de orde.

4.3

Verkeer en parkeren

In deze paragraaf worden de effecten van de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling op de verkeersgeneratie, afwikkeling en het parkeren besproken. Eerst komt aan bod wat het effect van de tijdelijke ontwikkeling is op de verkeersgeneratie en afwikkeling van de opvanglocatie. Daarna worden de parkeerbehoefte en -capaciteit behandeld.

4.3.1

Resultaten

Verkeersgeneratie Gemotoriseerd verkeer als gevolg van de tijdelijke opvanglocatie is in hoofdzaak afkomstig van medewerkers van COA en ondersteunende diensten en leveranciers. Verder verplaatsen de bewoners zich hoofdzakelijk te voet, per fiets of door middel van het openbaar vervoer. In tabel 4.1 is het aantal geraamde vervoerbewegingen als gevolg van het gebruik van de tijdelijke opvanglocatie weergegeven. Deze vervoersbewegingen zijn gebaseerd op gegevens van soortgelijke opvanglocaties en afgestemd met het COA. Deze inschatting is gedaan met behulp van een rekentool van Witteveen+Bos die is gebaseerd op feitelijke tellingen van de verkeersgeneratie van opvanglocaties van COA. Met deze rekentool worden de verwachte verkeersbewegingen voor nieuwe opvanglocaties of voor uitbreiding van bestaande opvanglocaties ingeschat middels een vergelijking van de opvangcapaciteit van locaties. Deze rekentool wordt geregeld herijkt wanneer nieuwe feitelijke waarnemingen zijn gedaan door het COA, zodat de inschatting van de verwachte verkeersbewegingen altijd actueel is. Uit deze herijking blijkt dat de inschattingen met de rekentool realistisch en vaak conservatief zijn, waardoor er in ieder geval geen sprake is van een onderschatting van de verwachte verkeersbewegingen.

20 | 37

Witteveen+Bos | 144336/24-019.059 | Definitief

Tabel 4.1 Verwachte vervoersbewegingen beoogde situatie (gebaseerd op de opvang van circa 200 personen) Categorie

Aantal motorvoertuigen

Aantal verkeersbewegingen (afgerond)

licht

4.981

9.962

middelzwaar

2.366

4.733

230

460

totaal per jaar

7.578

15.154

totaal per dag

21

42

zwaar

De tijdelijke ontwikkeling van het terrein zorgt voor een beperkt aantal verkeersbewegingen per dag. Bovendien is deze inschatting van verkeersbeweging naar verwachting gelijk dan wel minder de verkeersbewegingen ten behoeve de planologisch toegestane situatie/het exploiteren van een hotel. De capaciteit van de omliggende wegen is zodanig dat deze verkeersbewegingen naar verwachting zonder problemen kunnen worden afgewikkeld. Afwikkeling van het terrein De afwikkeling oftewel de ontsluiting van het terrein vindt plaats via het Stationsplein, het Westeinde en de Prinses Mariannelaan, en vervolgens via de A12. Daarmee gaat het verkeer vanuit de tijdelijke opvang bijna direct op in het heersende verkeersbeeld. Op 1 minuut loopafstand vanaf de tijdelijke opvang is station Voorburg gesitueerd waar de bewoners van de opvanglocatie gebruik van kunnen maken. Parkeren Bewoners van de opvang zullen hoofdzakelijk te voet gaan, het openbaar vervoer en de fiets gebruiken. De parkeerbehoefte van de tijdelijke opvang bestaat vooral uit het parkeren door personeel. Daarnaast kunnen er leveranciers en ondersteunende diensten van de opvanglocatie aanwezig zijn. Dit zullen naar verwachting per dag maximaal 21 auto’s zijn zoals uit de verwachte verkeersgeneratie in tabel 4.1 blijkt. Deze auto’s zullen niet allemaal tegelijk aanwezig zijn.

Omdat een aantal verdiepingen geen dienst meer zal doen als hotel, is bovendien minder parkeergelegenheid voor hotelgasten benodigd. In de parkeergarage van het hotel zijn enkele tientallen parkeerplaatsen aanwezig. Dit is voldoende om te voorzien in de parkeerbehoefte van de tijdelijke opvang.

4.3.2

Conclusie

Er is sprake van een beperkte verkeersaantrekkende werking als gevolg van de tijdelijke opvanglocatie. Daarnaast is de verkeersaantrekkende werking naar verwachting ook geringer ten opzichte van het voorgaande gebruik van de locatie als hotel. Op het terrein zijn voldoende parkeerplaatsen beschikbaar, waardoor op eigen terrein voldaan kan worden aan de parkeerbehoefte van de opvanglocatie. Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de tijdelijke opvang.

4.4

Natuur

4.4.1

Toetsingskader

De Wet natuurbescherming (Wnb) is beleidsneutraal overgegaan in de Omgevingswet. Het normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Het natuurbeschermingsrecht regelt op hoofdlijnen 3 zaken: 1 bescherming van planten- en diersoorten; 2 bescherming van de in het kader van Europees natuurbeleid aangewezen Natura 2000-gebieden; 3 bescherming van bos en houtopstanden.

21 | 37

Witteveen+Bos | 144336/24-019.059 | Definitief

Soortenbescherming Ten aanzien van soortenbescherming wordt onderscheid gemaakt in drie categorieën: - vogels: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn; - habitatrichtlijnsoorten: dit zijn soorten uit bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage I en II van het Verdrag van Bern en bijlage II van het Verdrag van Bonn; - andere soorten: dit zijn soorten die genoemd zijn in bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om een aantal zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving zoals foerageergebieden of vliegroutes) van beschermde soorten uit de eerste en tweede categorie mogen niet (opzettelijk) verstoord of vernietigd worden. Daarnaast mag geen enkele beschermde soort (opzettelijk) worden gedood of verwond. Bij vogels zijn daarnaast de nesten van belang. Er zijn vijf categorieën broedvogels waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn (categorie 1-4) of waarvan de nesten beschermd zijn als er onvoldoende alternatieven zijn (categorie 5). De categorie ‘andere soorten’ betreft soorten die niet onder de Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn vallen. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren beschermd moeten worden.

De overige soorten uit deze bijlage worden om ecologische redenen beschermd. Hiermee wordt door Nederland uitvoering gegeven aan het Biodiversiteitsverdrag om de staat van instandhouding van dier- en plantsoorten te garanderen. Gebiedsbescherming Natura 2000 De minister van Klimaat en Groene Groei (KGG) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Ten aanzien van gebiedsbescherming geldt dat de Omgevingswet de bescherming van Natura 2000-gebieden regelt. Natura 2000-activiteit Activiteiten die invloed hebben op Natura 2000-gebieden worden onder de Omgevingswet Natura 2000-activiteiten genoemd. Een Natura 2000-actitiviteit wordt gedefinieerd als ‘activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.’ Natura 2000-activiteiten zijn vergunningplichtig op grond van artikel 5.1 lid 1 sub e Ow. Dit artikel vormt de Nederlandse implementatie van artikel 6 van de Habitatrichtlijn.

Het is voorts verboden om te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit (artikel 5.5 lid 2 onder f Ow). Activiteiten die geen significante gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied zijn niet vergunningplichtig. Daarnaast zijn er hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal) nog andere gevallen aangewezen die zijn vrijgesteld van de vergunningplicht. Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied, maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen effect hebben op het Natura 2000-gebied. Als deze effecten significant zijn dan is er vanwege de ‘externe werking van een Natura 2000-gebied’ ook sprake van een Natura 2000-activiteit.

22 | 37

Witteveen+Bos | 144336/24-019.059 | Definitief

Passende Beoordeling In paragraaf 8.6.1 van het Bkl is het toetsingskader voor een Natura 2000-activiteit opgenomen. Op grond van artikel 8.74b lid 1 Bkl wordt de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit alleen verleend als uit de Passende Beoordeling (als bedoeld in artikel 16.53c lid 1 Ow) de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Bij deze conclusie mag gebruik gemaakt worden van mitigerende maatregelen. Een Passende Beoordeling wordt echter enkel opgesteld wanneer significante effecten niet op voorhand uitgesloten kunnen worden. Stikstofdepositie Op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder e van de Omgevingswet is een vergunning vereist voor een project waar op voorhand significante negatieve gevolgen op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten. Specifiek voor het aspect stikstof geldt dat sinds de rechterlijke uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 1 de ecologische gevolgen van iedere berekende depositie van 0,01 mol N/ha/jaar of meer beoordeeld moet worden. Deze voorwaarde geldt voor zowel de aanlegfase als voor de gebruiksfase van een plan of activiteit.

Kader vergunningverlening stikstof Momenteel geldt het volgende kader voor de vergunningverlening in het kader van de gebiedsbescherming van Natura 2000-gebieden: - er is een vergunning vereist voor projecten die een significant gevolg kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied2. Dit is dus niet het geval indien significante gevolgen op voorhand zijn uit te sluiten; - indien niet op voorhand kan worden uitgesloten dat mogelijke significante gevolgen optreden, dient een Passende Beoordeling te worden opgesteld om in beeld te brengen of er daadwerkelijk significante gevolgen aan de orde zijn. In een Passende Beoordeling mogen ook mitigerende maatregelen (zoals externe saldering) betrokken worden. De vergunning kan worden verleend indien (eventueel met toepassing van deze mitigerende maatregelen) de voorgenomen activiteit de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten3; - als uit de Passende Beoordeling blijkt dat significante gevolgen niet kunnen worden uitgesloten, kan een vergunning enkel worden verleend indien de ADC-toets succesvol wordt doorlopen: · A: er zijn geen alternatieve oplossingen; · D: het project is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang; · C: door middel van compenserende maatregelen wordt gewaarborgd dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft4.

Besluit bouwwerken leefomgeving (stikstofemissiereductie) Bij het verrichten van bouw- en/of sloopwerkzaamheden dient een initiatiefnemer adequate maatregelen te treffen om de emissie van stikstofverbindingen naar de lucht te beperken, zo volgt uit artikel 7.19a Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). De wetgever dwingt initiatiefnemers hiertoe om de emissie van stikstof te voorkomen, ook als significante negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden zijn uit te sluiten. Het betreft activiteiten voor de bouw van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een melding als bedoeld in artikel 2.18, lid 1 Bbl nodig is en op het slopen van een bouwwerk waarvoor een melding als bedoeld in artikel 7.10, lid 1 Bbl is vereist omdat de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m 3 bedraagt. Bij 'adequaat' gaat het om maatregelen die doeltreffend, doelmatig en proportioneel zijn. De verplichting geldt voor de bouwfase op de bouwplaats en niet voor vervoersbewegingen van en naar de bouwplaats of voor de gebruiksfase. Het bevoegd gezag kan met een maatwerkvoorschrift een invulling geven van de regel over het nemen van stikstofbeperkende maatregelen (artikel 7.5, lid 4 Bbl).

1

ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL: RVS:2019:1603.

2

Artikel 5.1 Omgevingswet.

3

Artikel 16.53c lid 1 Omgevingswet; artikel 8.74b Besluit kwaliteit leefomgeving.

4

Artikel 10.24 Besluit kwaliteit leefomgeving.

23 | 37

Witteveen+Bos | 144336/24-019.059 | Definitief

Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) zorgt voor een aaneengesloten netwerk van natuurgebieden en natuurontwikkelingsgebieden die met elkaar verbonden worden door ecologische verbindingszones. De bescherming van het NNN is geregeld via de provinciale omgevingsverordeningen. Houtopstanden Het vellen van houtopstanden is niet zomaar toegestaan in de Omgevingswet. Dit geldt ook voor het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben.

4.4.2

Resultaten

Soortenbescherming De voorgenomen tijdelijke opvang behelst het in gebruik nemen van het bestaande hotel en het plaatsen van een receptie-/ beveiligingsunit in de nabijheid van het gebouw. Behalve het plaatsen van de receptie-/beveiligingsunit worden er geen aanpassingen aan het buitenterrein verricht. Verder was de locatie reeds in gebruik voor de exploitatie van een hotel waarmee reeds sprake was van menselijke activiteit op het terrein (zoals verkeersbewegingen). Het in gebruik nemen van de locatie als opvanglocatie door COA brengt hierin geen verandering. Mogelijk aanwezige soorten worden met de tijdelijke ontwikkeling niet verstoord, gedood of verwond. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Meijendel en Berkheide, ligt op ongeveer 5,5 km van de opvanglocatie. Gezien de afstand tot de projectlocatie en de aard van de tijdelijke ontwikkeling is er geen sprake van areaalverlies of beschadiging of aantasting van dit Natura 2000-gebied. Stikstofdepositie Er vinden bij het realiseren van de opvanglocatie geen werkzaamheden buiten het pand plaats. Aangezien het betreft een bestaand hotel en er geen uitstoot van stikstof plaatsvindt die kan leiden tot stikstofdepositie, is uitgesloten dat er sprake is van significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden.

Voor het gebruik van het pand als opvanglocatie is dan ook geen vergunningsplicht vereist in het kader van de bescherming van Natura 2000 onder de Omgevingswet. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het dichtstbijzijnde NNN-gebied bevindt zich op 100 m van de projectlocatie. Gezien de aard van de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling is er geen sprake van aantasting van dit NNN gebied. Houtopstanden De tijdelijke ontwikkeling betreft gebruikmaking van bestaande bebouwing voor huisvesting en plaatsing van een unit voor ondersteunende functies in de nabijheid van het gebouw. Er worden geen aanpassingen aan de bestaande bebouwing of het buitenterrein worden voorzien. Er worden geen bomen of houtopstanden gekapt.

24 | 37

Witteveen+Bos | 144336/24-019.059 | Definitief

Conclusie De voorgenomen tijdelijke opvang betreft het in gebruik nemen van een bestaand pand en het plaatsen van een receptie-/ beveiligingsunit in de nabijheid van het gebouw. Er worden geen bomen gekapt waarmee de gevolgen op soortenbescherming en houtopstanden op voorhand worden uitgesloten. Er vindt geen wezenlijke verandering plaats van het type activiteiten dan bedoeld en toegestaan bij het omgevingsplan, waarbinnen al jarenlang een hotel gevestigd is en er daarmee al lange tijd sprake is van menselijke activiteit op de locatie. Eventuele significant negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden zijn op voorhand uitgesloten. Ook heeft het voornemen geen invloed op gebieden die zijn aangemerkt als Natuurnetwerk Nederland. Ten aanzien van het thema natuur zijn er geen belemmeringen voor de tijdelijke opvanglocatie.

4.5

Omgevingsveiligheid

Het transport, de opslag en productie van gevaarlijke stoffen brengen risico’s met zich mee door de mogelijkheid dat bij een ongeval gevaarlijke lading vrij kan komen. De discipline omgevingsveiligheid houdt zich bezig met het beheersen van de hieraan verbonden risico’s voor mensen die zich in de nabijheid van gevaarlijke stoffen bevinden. Daarnaast horen bij omgevingsveiligheid de risico’s volgend uit het in werking hebben van windturbines en luchthavens. Het Nederlandse omgevingsveiligheidsbeleid is gericht op de bescherming van individuen die zich bevinden in beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten en locaties en zeer kwetsbare gebouwen. Dit worden ook wel de risico-ontvangers genoemd. In het kader van het vaststellen van nieuwe ruimtelijke plannen zoals een omgevingsplan of afwijking van een omgevingsplan moet worden getoetst of het realiseren van het project een onacceptabel omgevingsveiligheidsrisico oplevert. Hiertoe wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het groepsrisico wordt onder de Omgevingswet vaak ingevuld door aandachtsgebieden. In deze paragraaf wordt eerst het toetsingskader beschreven met de daarbij behorende definities van het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en aandachtsgebieden. Daarna komen de risicobronnen die zich in het gebied bevinden aan de orde en wordt getoetst aan de geldende wet- en regelgeving.

4.5.1

Toetsingskader

Het doel van het omgevingsveiligheidsbeleid is tweeledig: - de bescherming van personen middels borgen van voldoende afstand tussen (beperkt) kwetsbare objecten & locaties en risicobronnen; - het mogelijk maken om te werken met gevaarlijke stoffen. De gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen: - stationaire bronnen, zoals een fabriek of een lpg-vulpunt; - mobiele bronnen, zoals transport van gevaarlijke stoffen over wegen en door leidingen. Voor transport is de 'Wet vervoer gevaarlijke stoffen' van belang. Regeling Basisnet blijft geldend, ook onder de Omgevingswet. Hieruit volgt ook dat de Handleiding Risicoberekeningen Bevt (hierna: HART) geldend blijft. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon, die zich gedurende een jaar onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (1 op 1.000.000) bedraagt. Binnen deze contour mogen in ieder geval geen zeer kwetsbare objecten, of kwetsbare objecten en locaties (onder andere scholen, gebouwen waar zich veel mensen bevinden en gebouwen waar zich minder zelfredzame personen kunnen bevinden) aanwezig zijn of voorzien worden.

25 | 37

Witteveen+Bos | 144336/24-019.059 | Definitief

Er wordt anders omgegaan met het groepsrisico onder de Omgevingswet dan voorheen. Aandachtsgebieden maken zichtbaar waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Dit dient als een beginpunt om na te denken over veiligheid en maatregelen. Binnen een (explosie-, brand- en gifwolk) aandachtsgebied kan een gemeente voorschriftgebieden aanwijzen, welke worden opgenomen in het omgevingsplan. In de voorschriftgebieden gelden aanvullende bouweisen voor nieuwbouw volgens artikel 4.90 tot en met 4.96 van het Bbl. Het groepsrisico (GR) blijft echter nog wel parallel in gebruik. Het GR is de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico.

4.5.2

Resultaten

De voorgenomen tijdelijke ontwikkeling leidt niet tot de realisatie van een nieuwe risicobron. Daarom leidt de opvang vanuit het aspect omgevingsveiligheid niet tot een eventueel knelpunt voor omliggende (beperkt) kwetsbare objecten. Op de uitsnede van de signaleringskaart op afbeelding 4.1 zijn diverse risicobronnen in de buurt van de tijdelijk opvanglocatie te onderscheiden.

Afbeelding 4.1 Risicobronnenkaart (opgehaald van Atlasleefomgeving, geraadpleegd op 16 september 2024), projectlocatie globaal rood omcirkeld

Het gebouw van de opvanglocatie ligt binnen een brandaandachtsgebied. Omdat het gebouw waar de opvanglocatie gerealiseerd zal worden echter al wordt ingezet voor functies verwant aan de tijdelijke opvang (in het hotel mogen immers reeds personen overnachten en verblijven), is dit gegeven niet relevant. Het plaatsgebonden risico heeft daarmee geen effect op de voorgenomen ontwikkeling.

26 | 37

Witteveen+Bos | 144336/24-019.059 | Definitief

Door een gedeelte van het hotel te gebruiken als opvanglocatie van het COA, vindt er geen verandering in de personendichtheid plaats. De opvanglocatie voegt geen extra personen toe ten opzichte van de planologisch toegestane situatie. Daarmee vindt er ook geen verandering plaats in het kader van het aanwezige groepsrisico. Het groepsrisico blijft hetzelfde als voor de planologische toegestane functie, zijnde een hotel, waar tevens personen dag en nacht mogen verblijven. Het groepsrisico blijft onveranderd ten opzichte van het reeds vergunde hotel. Daarmee heeft het groepsrisico geen effect op de voorgenomen opvanglocatie. Daarnaast wordt benadrukt dat het om een tijdelijk voornemen gaat.

4.5.3

Conclusie

Beschouwd is in hoeverre de risico’s omtrent omgevingsveiligheid leiden tot een belemmering voor het voorgenomen initiatief. Hieruit is gebleken dat zowel het plaatsgebonden risico als het groepsrisico geen belemmering vormen voor de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling.

4.6

Geluid

Bij het aspect geluid gaat het om het ruimtelijk mogelijk maken van een geluidsbronsoort (zoals wijzigingen aan een weg, spoorweg of industrie) enerzijds en functies die een zekere mate van rust nodig hebben anderzijds. Ruimtelijke plannen en projecten moeten voldoen aan de wet- en regelgeving die is opgenomen in de Omgevingswet, via het gemeentelijke Omgevingsplan, het Bkl en onderliggende besluiten en regelingen.

4.6.1

Toetsingskader

Voor het afwijken van het omgevingsplan dient het aspect geluid te worden beoordeeld. Bij het aspect geluid gaat het om het ruimtelijk mogelijk maken van een geluidsbron (zoals wijzigingen aan een weg, spoorweg of industrie) enerzijds en bestemmingen die een zekere mate van rust nodig hebben (zoals woningen, scholen en ziekenhuizen) anderzijds. Omgevingsplannen moeten voldoen aan de wet- en regelgeving die is opgenomen in de Omgevingswet. In artikel 3.21 van het Bkl is opgenomen dat gebouwen met een woonfunctie worden gedefinieerd als geluidgevoelige gebouwen. Hieronder vallen alle gebouwen voor woongebruik, zoals woningen en verzorgingshuizen. De aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen sluit aan bij de gebruiksfuncties van een ander Omgevingswetinstrument: het Bbl. Hierdoor zijn gebouwen die worden ingezet voor het opvangen van personen geen gebouwen met een woonfunctie, maar met een logiesfunctie. De wet wijst gebouwen met deze functies niet aan als geluidgevoelig gebouw. De instructieregels uit het Bkl hebben uitsluitend betrekking op geluidgevoelige gebouwen. Andere gebouwen en locaties reguleert het Bkl niet. Het Rijk laat de bescherming van overige gebouwen en locaties over aan decentrale overheden. Dit is in lijn met het subsidiariteitsbeginsel (decentraal) en het proportionaliteitsbeginsel (artikel 2.3 Omgevingswet).

Voor elk gebouw of locatie waarin met een zekere regelmaat en gedurende langere tijd personen kunnen verblijven, is geluid in principe een onderdeel van de afweging. Vaak zal de geluidkwaliteit door de beleidsmatige ordening van functies/activiteiten in de fysieke leefomgeving acceptabel zijn of is de noodzakelijke mate van bescherming tegen geluid van functies gering. Het betreft hier geen geluidgevoelige functie. Dit betekent dat geen toetsing hoeft plaats te vinden aan de instructieregels uit het Bkl. Wel moet beoordeeld worden of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

27 | 37

Witteveen+Bos | 144336/24-019.059 | Definitief

4.6.2

Resultaten

De indicatieve geluidsbelasting op de projectlocatie is weergegeven op afbeelding 4.2. Het gaat hierbij om het gemiddelde geluidsniveau per jaar van wegverkeer, treinverkeer, vliegtuigen, industrie en windturbines. Uit deze geluidsbelastingkaart blijkt dat op het grootste deel van de opvanglocatie sprake is van een indicatieve cumulatieve geluidbelasting van maximaal 60 dB. De 60 dB overschrijdt de standaardwaarde van 50 Lden (artikel 3.34 Bkl), maar blijft onder de grenswaarde van 65 Lden (artikel 3.35 Bkl). De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een tijdelijke ontwikkeling zonder voor het aspect geluid relevante wijziging van bestaande bebouwing. De huidige bebouwing blijft bestaan zoals deze is. De receptie-/ beveiligingsunit die geplaatst wordt, wordt niet gebruikt voor huisvesting van personen, maar wordt ingezet voor overige functies verwant aan de tijdelijke opvang. In het hotel mogen reeds personen overnachten en verblijven. Gezien de tijdelijkheid, urgentie en de huidige vergelijkbare planologisch toegestane functie (niet geluidsgevoelig en reeds geschikt voor verblijf van personen) op de locatie, kan het woon- en leefklimaat als aanvaardbaar worden beschouwd.

Afbeelding 4.2 Indicatieve geluidsbelastingkaart (opgehaald van Atlasleefomgeving, geraadpleegd op 16 september 2024), opvanglocatie rood gearceerd

4.6.3

Conclusie

Met het realiseren van de tijdelijke opvanglocatie vinden geen wijzigingen plaats die van invloed zijn op het woon- en leefklimaat. Gezien de urgentie van de situatie, de tijdelijkheid van het initiatief en de vergelijkbare huidige functie (niet geluidsgevoelig en reeds geschikt voor verblijf van personen) op het terrein kan het woon- en leefklimaat als aanvaardbaar worden beschouwd. Daarmee vormt het thema geluid geen belemmering voor de tijdelijke opvanglocatie.

28 | 37

Witteveen+Bos | 144336/24-019.059 | Definitief

4.7

Bodemkwaliteit

Op grond van de instructieregel uit artikel 5.89i Bkl moeten de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van bodemgevoelig gebouwen op een bodemgevoelig locatie voor de in bijlage XIIIa aangewezen stoffen die de gezondheid bedreigen worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan. Deze waarden kunnen per gebied of gebruiksfunctie verschillen. Op grond van het Bkl dient in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid op de projectlocatie. Met andere woorden: is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt voor de beoogde bestemming(en)/functie(s)? Is er bodemverontreiniging die de functiedoelen kan frustreren, levert dit gezondheidsrisico’s, ecologische risico’s of verspreidingsrisico’s op en kan er tijdig iets aan gedaan worden? Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet, zoals graafwerkzaamheden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=e383ccab-20d1-44ed-9747-3c6632f21f44