CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

872 Bijlage 1 - Beleidsplan inburgering 2022-2025, Leidschendam-Voorburg

Raadsvergadering 6 april 2021, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel: Vaststellen beleidsplan inburgering 2022-2025 (872).12.624 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Hierbij kan gedacht worden aan: 

Activiteiten op het gebied van re-integratie (voor inwoners met een relatief korte afstand tot de arbeidsmarkt van maximaal 2 jaar en voor inwoners die bijv. gebaat zijn bij beschut werk), zoals de sollicitatietraining en het Netwerkcafé. Deze onderdelen kunnen ook aan de MAP worden verbonden. Daarnaast kunnen re-integratieactiviteiten worden ingezet, zoals een leerwerktraject, een stage, re-integratietrajecten zoals empowerment, en begeleid een consulent Werk de inburgeraar gedurende het proces om een (reguliere) arbeidsplaats te vinden.

Activiteiten op het gebied van participatie (voor inwoners met een langere afstand tot de arbeidsmarkt van meer dan 2 jaar), zoals vrijwilligerswerk of een taalstage.

Door inzet van ondersteunende instrumenten zoals CompetenSYS, een diagnose-instrument, met daarin een module speciaal ontworpen voor statushouders. Aan de hand van een vragenlijst geven statushouders antwoord op vragen over onder meer inburgering, hun netwerk in Nederland, persoonlijke ambities en doelen, ondernomen activiteiten, leefgebieden, mogelijkheden voor taalstages en vrijwilligerswerk. De vragenlijst kan worden afgenomen in de meest voorkomende talen zoals Engels, Arabisch en Tigrinya, en ondersteunt consulenten bij de brede intake en de begeleiding naar werk. Deze module van CompetenSYS wordt al in 2021 ingezet, waarna bezien wordt welk vervolg hieraan gegeven kan worden.

Nummer 872 Pagina 25/36

In het implementatie- en uitvoeringsplan wordt de dienstverlening op het gebied van Werk en Inkomen verder uitgewerkt. Bestaande dienstverlening, zoals de begeleiding van statushouders naar werk of studie, wordt voortgezet en waar nodig aangevuld. Doelgroepen die buiten de wet vallen Alleen inburgeraars die na ingang van de Wet inburgering inburgeringsplichtig worden, vallen ook daadwerkelijk onder deze nieuwe wet. Ook AOW-gerechtigden vallen niet onder de wet; hieronder wordt beschreven welke dienstverlening de gemeente deze groepen biedt. De ‘en ondertussen’-groep Eerder in het beleidsplan is de ‘en ondertussen’-groep’ al benoemd. De gemeente wil deze groep de kans bieden om ook gebruik te kunnen maken van het nieuwe aanbod aan taallessen. Dit omdat de gemeente stuurt op strenge inkoopeisen en daarmee weet dat de inburgeraar op deze manier kwalitatief goed aanbod krijgt. Omdat deze groep zelf verantwoordelijk is voor de financiën zijn zij echter vrij om zelf keuzes te maken waar zij hun inburgeringsaanbod inkopen. Volgend op het uitstel van de wet naar 1 januari 2022, wordt door het Ministerie van SZW bezien welke mogelijkheden er zijn om deze doelgroep alsnog te kunnen ondersteunen 28. AOW-gerechtigden AOW’ers zijn niet inburgeringsplichtig en vallen daarmee buiten de wet. De gemeente vindt het belangrijk dat er aandacht is voor deze groep.

De gemeente verwacht dan ook van maatschappelijke partners dat zij deze groep betrekken bij hun activiteiten en vrijwillige inzet stimuleren. Wet maatschappelijk ondersteuning (Wmo) Gemeenten zijn onder de Wet inburgering niet verantwoordelijk voor de nazorg van de inburgeraars. De gemeente ziet echter wel het belang om de meest kwetsbare inburgeraars ook na hun inburgering te ondersteunen. De Wmo kan, indien nodig, helpen de juiste zorg te bieden aan inwoners. Het kan ook zo zijn dat de inburgeraar aanvullende zorg nodig heeft tijdens of na het inburgeringstraject. Denk bijvoorbeeld aan traumabehandeling, of medische of psychische problematiek. In dat geval dient deze eerst te worden opgepakt alvorens het inburgeringstraject doorgang vindt. Deze ondersteuning zal ook veelal vanuit de Wmo of reguliere zorgverlening (zorgverzekering) geboden worden. Plan van Aanpak Financiële Zelfredzaamheid, schuldhulpverlening en Minimabeleid Vanuit de Wet inburgering moet verplicht in worden gezet op ontzorging; daarnaast wil de gemeente inzetten op het vergroten van de financiële zelfredzaamheid. Het Plan van Aanpak Financiële Zelfredzaamheid bevat daartoe diverse ondersteunende aandachtspunten die ook voor deze doelgroep kunnen worden ingezet, zoals scholing 28

Kamerbrief “Volop koersen op inwerkingtreding wet Inburgering per 1 januari 2022”, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 17 december 2020

Nummer 872 Pagina 26/36

en talentontwikkeling. Vanuit het Minimabeleid is naast ondersteuning ook ingezet op het voorkomen van de armoedeval (een daling in het inkomen wanneer iemand vanuit de bijstand aan het werk gaat). Beide aanpakken hebben, gecombineerd met het vergroten van de financiële zelfredzaamheid, een preventieve werking. Daarmee wordt zo veel mogelijk voorkomen dat inburgeraars te maken krijgen met financiële problemen en een beroep moeten doen op schuldhulpverlening. Wet taaleis Bijstandsgerechtigden moeten de Nederlandse taal aantoonbaar beheersen door aan een aantal voorwaarden te voldoen, zoals het hebben gevolgd van Nederlands onderwijs. Voldoen zij hier niet aan, dan moeten zij zich inspannen om dit alsnog te doen, bijvoorbeeld door het volgen van taalonderwijs. Doen zij dit niet, dan kan in uiterste gevallen de bijstandsuitkering worden stopgezet. Deze wet is in principe ook van toepassing op inburgeringsplichtigen (indien zij een bijstandsuitkering krijgen). Echter, wanneer zij een inburgeringstraject volgen, voldoen zij aan de inspanningsverplichting. Wanneer inburgeraars na het verlopen van hun traject niet doorstromen naar werk kan de taaltoets ingezet worden om hun taalniveau opnieuw te bepalen en blijvend in te zetten op de taalontwikkeling. Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB) De WEB is erop gericht basisvaardigheden van volwassenen te bevorderen.

Daarbij wordt ook aandacht besteed aan taalonderwijs. Dit bijvoorbeeld in het kader van de Participatiewet en de Wet taaleis. Het gaat daarbij nadrukkelijk niet om de inburgering; dit is een afzonderlijk traject. De budgetten die met beide wetten gepaard gaan, zijn ook strikt gescheiden. De WEB-middelen worden opgesplitst in formeel en informeel aanbod. Voor het informele deel geldt voor de gemeente dat zij deze aan lokale partners beschikbaar stellen. Zij zoeken onderling de verbinding met elkaar en dragen gezamenlijk zorg voor een verbetering van de taalvaardigheid. Wet kinderopvang Voordat inburgeraars aan het inburgeringstraject beginnen, moet aan alle randvoorwaarden zijn voldaan. Waar nodig moet dus ook kinderopvang worden ingezet om inburgeraars volwaardig mee te laten doen aan de trajecten. Daarnaast lopen kinderen van inburgeraars een verhoogde kans op een taalachterstand. Hoewel de realisatie van kinderopvang niet onder de Wet inburgering valt, dient hier wel een noodzakelijke verbinding te worden gelegd. Daarbij moet ook aandacht zijn voor de inzet van vroeg-voorschoolse educatie (VVE). Inburgeraars worden bij aankomst in contact gebracht met de Jeugdgezondheidszorg voor een intake voor een VVEindicatie. Kinderopvang draagt bij aan de deelname van ouders, met name moeders, aan het inburgeringstraject.

Echter, ondanks de mogelijkheid op VVE kiezen moeders er toch vaak voor om thuis te blijven en voor de kinderen te zorgen. Uit ervaring is gebleken dat er een aanzienlijke hogere opkomst is wanneer de aanbieder naast taal ook oppas op locatie organiseert. Dit voldoet echter niet aan de kwaliteitseisen van de VVE. Tegelijkertijd wil het niet zeggen dat de kinderen thuis meer geprikkeld worden dan op

Nummer 872 Pagina 27/36

de opvang van de aanbieder. De gemeente stimuleert ouders van kinderen met een (risico op) leerachterstand om hun kinderen naar de VVE te brengen.

Samenwerking partners De inburgering vormt een keten, met daarin de nodige ketenpartners. Onmisbaar hierbij zijn de maatschappelijke partners, welke de inburgeraar ondersteunen bij niet alleen participatie maar ook bij het wegwijs worden en integreren in de Nederlandse maatschappij en lokale samenleving. In zowel de samenwerking tussen gemeente en maatschappelijke partners als tussen maatschappelijke partners onderling wordt dan ook gestreefd naar integraliteit, verbinding en synergie. De gemeente gaat deze zoveel als mogelijk faciliteren door partijen te verbinden en regie te nemen in het aanjagen en opzetten van duurzame netwerkstructuren waarbij vanuit een breed perspectief partners, gemeente en mogelijke betrokken partijen worden meegenomen.

Subsidietafels Er zijn verschillende subsidietafels, waar partijen elk voor een eigen thema ideeën uitwerken met als resultaat een gezamenlijk uitvoeringsplan per thema waarvoor subsidie kan worden aangevraagd door de deelnemers aan die tafel. Voor inburgering ligt het merendeel van de subsidies op de tafel FIT (Financieel zelfredzame inwoners, Integratie statushouders en Digi- en taalvaardige inwoners). Hier wordt al veel samengewerkt rondom inburgering. Tegelijkertijd gaat inburgering over meer dan alleen (digi)- taalvaardigheden en financiële zelfredzaamheid. Alle tafels hebben in meer of mindere mate te maken met inburgering. Zo wordt er op de tafel Zelfredzame inwoners samengewerkt om mensen met een lange afstand tot de arbeidsmarkt toe te leiden naar hun hoogst haalbare participatie. Inburgeraars uit de Z-route kunnen meegenomen worden in deze aanpak29. De tafel Sociale cohesie kan bijdragen in het meer betrekken van inburgeraars bij buurtparticipatie en ontmoeting. Maar ook de tafel Opgroeien en opvoeden, Basisvaardigheden en talentontwikkeling krijgt te maken met inburgeraars. Er wordt dan ook verder onderzocht wat er nodig is om inburgering een plek te geven op de verschillende tafels en hoe de subsidietafel systematiek de bredere netwerkstructuren kan versterken.

29

De hoge taakstelling brengt een risico met zich mee. Omdat de capaciteit tot ongeveer 100 klanten gaat. Er is ruimte voor ongeveer 25 inburgeraars uit de Z-route.

Nummer 872 Pagina 28/36

Hoofdstuk 5: Naleving en handhaving Gelet op de diverse aanleidingen die hebben geleid tot een complete stelselherziening op het gebied van inburgering, is voor de gemeente ook een belangrijke rol weggelegd op het gebied van handhaving. Niet alleen wat betreft het voorkomen van misbruik (door bijvoorbeeld kwaliteitseisen te stellen bij de inkoop en hierop te sturen middels contractmanagement), maar ook wat betreft het motiveren en gemotiveerd houden van inburgeraars om het voor hen hoogst haalbare resultaat te behalen. Hiertoe wordt enerzijds een beroep gedaan op gesprekstechnieken c.q. de gespreksvoering door de consulent, maar anderzijds ook op de handhavende rol van de consulent. Handhaven blijft echter maatwerk, waarbij heldere communicatie en tijdig signaleren centraal staan. Ook het daadwerkelijk sanctioneren is maatwerk en afhankelijk van de aard en omvang van de schending van de afspraken, de situatie van de inburgeraar en de consequenties voor het verdere traject. De kunst is om de inburgeraar te prikkelen om het traject weer op te pakken, zonder daarbij te hard te sanctioneren en de inburgeraar te demotiveren. De gemeente legt de hoogte van de boetes vast in een verordening dan wel nadere regels, welke gedurende de implementatie verder worden uitgewerkt. De verordening wordt separaat aan de gemeenteraad voorgelegd.

Een eerste richtlijn met betrekking tot de hoogte van de boetes is opgenomen in de Wet inburgering alsook de eerste versie van de lagere regelgeving30. De boetes zijn daarbij vooralsnog trapsgewijs opgebouwd. Een eerste overtreding weegt aanzienlijk minder zwaar dan bijvoorbeeld een derde. Naast de gemeente heeft ook DUO een handhavende rol in het nieuwe inburgeringsstelsel. Waar de gemeente toeziet op de handhaving van het PIP, handhaaft DUO op het binnen drie jaar behalen van de inburgeringsplicht, de MAP en het PVT. Het uitgangspunt bij de rolverdeling tussen DUO en gemeenten, is dat beide partijen gegevens uitwisselen om zo een inburgeraar niet dusdanig vaak beboet wordt dat hij of zij in financiële problemen raakt. Daartoe zijn ook de nodige artikelen opgenomen in de nieuwe Wet inburgering zodat dit vanwege privacyregels ook mogelijk is. Ook kan de gemeente op grond van de Participatiewet handhaven. Het kan dan ook voorkomen dat een inburgeraar met één gedraging beide wetten overtreedt en dus ook twee keer gesanctioneerd kan worden. Om dit te vermijden, wordt in de wet opgenomen dat wanneer een gemeente handhaaft op grond van de Participatiewet, handhaving op grond van de Wet inburgering niet mogelijk is31.

30

Op het moment van schrijven is alleen de versie die ter consultatie is aangeboden, beschikbaar. Er volgt nog een nieuwe, aangepaste versie 31 Wet inburgering 20.., artikel 27

Nummer 872 Pagina 29/36

Hoofdstuk 6: Beheersmaatregelen Monitoring De Wet inburgering is een nieuwe wet, die nieuwe taken en verantwoordelijkheden met zich meebrengt voor de gemeente. Monitoring en evaluatie zijn daarom erg belangrijk, zodat de gemeente kan leren wat wel en niet werkt en tijdig kan worden bijgesteld. Om de effectiviteit van het inburgeringsbeleid te kunnen meten, worden in ieder geval de volgende zaken periodiek gemonitord: 

Instroom van inburgeringsplichtigen. Omdat de instroom onvoorspelbaar is, wordt dit tevens gebruikt om een beeld te vormen van de doelgroep en waar nodig de uitvoering op bij te stellen.

(Tussentijds) behaalde resultaten, waaronder de uitstroom per route, na hoeveel maanden deze uitstroom plaatsvindt, en de slagingspercentages voor het inburgeringsexamen, de leerroute en de diverse modules.

De kostenontwikkeling.

Klanttevredenheid met betrekking tot de onderdelen die geen meetbaar resultaat hebben, zoals maatschappelijke begeleiding, de MAP en het PVT.

Voor zover onderdelen niet zelf worden uitgevoerd, wordt middels contractmanagement gestuurd op de bij de inkoop of subsidie opgenomen kwaliteitseisen en –criteria. Daarbij worden niet alleen contract- of subsidiegesprekken gevoerd, maar wordt opdrachtnemers ook gevraagd managementrapportages aan te leveren.

Behaalde resultaten op het gebied van participatie en re-integratie (met daarbij aandacht voor de samenhang met de voor- en najaarsmonitor van het Reintegratie- en Participatiebeleid 2019-2022).

De monitoring wordt verder uitgewerkt in het implementatie- en uitvoeringsplan, omdat dan ook de afspraken met opdrachtnemers gemaakt zijn en er meer zicht zijn op de diverse mogelijkheden.

Evaluatie Hoewel tussentijds de voortgang wordt gemonitord en waar nodig de uitvoering wordt bijgesteld, wordt niet eerder dan 2 jaar na ingangsdatum van de Wet inburgering een evaluatie van het beleidsplan alsook de implementatie opgesteld. Er is voor een langere periode gekozen omdat de verwachting is dat nagenoeg alle inburgeraars die onder het nieuwe stelsel vallen op een eerder moment nog volop met hun traject aan de slag zijn en er dus nog geen resultaten zijn. Indien nodig kan op basis van signalen vanuit de monitoring maar ook vanuit de uitvoering de evaluatie naar voren worden gehaald. Het bovenstaande neemt echter niet weg dat er tussentijds aandacht is voor leren en bijstellen. De Wet inburgering is een nieuwe taak voor de gemeente, waarbij ook tussentijds bezien moet worden wat wel en niet werkt. Als er knelpunten ontstaan op beleids- of uitvoeringsniveau wordt hier op bijgesteld.

Nummer 872 Pagina 30/36

Na de eerste periode van 2 jaar wordt het beleid na 2 jaar nogmaals geëvalueerd. Deze evaluatie vormt ook input voor de verdere beleidsontwikkeling na 2024.

Financiën Binnen het nieuwe inburgeringsstelsel wordt onderscheid gemaakt tussen een aantal verschillende budgetten, te weten de uitvoeringskosten en de kosten voor de inburgeringsvoorzieningen. De uitvoeringskosten worden verstrekt via een integratieuitkering. De benodigde middelen voor de kosten van inburgeringsvoorzieningen worden verstrekt via een specifieke uitkering van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De hoogte van het laatstgenoemde bedrag, alsook van een ander budget dat gemeenten tegemoet mogen zien ten behoeve van de noodzakelijke ICTaanpassingen, moet nog bekend worden gemaakt. Uitvoeringskosten Onder uitvoeringskosten worden de brede intake en het opstellen van het PIP, de voortgangsgesprekken, handhaving, ontzorging (inclusief het vergroten van de financiële zelfredzaamheid), inkoop en de vormgeving van het beleid en ondersteunende processen verstaan. Het budget voor de uitvoeringskosten (2022 en verder), zoals opgenomen in de decembercirculaire 2020, is als volgt: Gemeente

Bedrag 2022

Bedrag 2023 en verder

Leidschendam-Voorburg

€ 281.027

€ 309.164

Voorschoten

€ 81.525

€ 89.688

Wassenaar

€ 88.199

€ 97.029

Totaal

€ 450.751

€ 495.881

Inburgeringsvoorzieningen De hoogte van het budget dat de gemeente tegemoet mag zien ten behoeve van de inburgeringsvoorzieningen, moet nog bekend worden gemaakt. Wel is eerder een kostenonderzoek uitgevoerd door het onderzoeksbureau AEF. Gemeenten hebben binnen dit budget ruimte om bedragen budgetneutraal te verhogen of verlagen. Zo kan bijvoorbeeld het bedrag voor het PVT verlaagd worden ten behoeve van de MAP, of vice versa. Hiertoe is echter weinig ruimte. Devices Binnen iedere leerroute wordt een bedrag beschikbaar gesteld aan de opdrachtnemer om de inburgeraar een device aan te bieden op basis van een bruikleenovereenkomst. Zo is het ook mogelijk om, bijvoorbeeld als gevolg van de coronamaatregelen, op afstand onderwijs te volgen.

Nummer 872 Pagina 31/36

Reiskosten Het budget voor de inburgeringsvoorzieningen biedt geen ruimte om aanvullende kosten te dekken, zoals reiskosten. De gemeente heeft op basis van de nieuwe inburgeringswet ook geen taak op dit gebied. De gemeente ziet reiskosten als de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeraar zolang er geen beperking is vastgesteld. Door activiteiten op een goed bereikbare locatie te organiseren, wil de gemeente de reiskosten wel zoveel mogelijk beperken. Voor wat betreft de inzet van reintegratietrajecten kunnen de reiskosten wel worden vergoed. Prestatiebekostiging In de Wet inburgering is ruimte ingebouwd om, in een later stadium, een zogeheten prestatiebekostiging door te voeren. Wanneer te weinig inburgeraars hun traject succesvol afronden, kan een gemeente gekort worden op het budget dat zij ontvangt ten behoeve van de uitvoering van het inburgeringsstelsel. Daarmee wordt het van belang om bij de inkoop en in de uitvoering continu aandacht te hebben voor kwaliteit en monitoring. Naar verwachting wordt de prestatiebekostiging per 2026 ingevoerd. Budgetten Op dit moment is nog deels onduidelijk welk budget de gemeente tegemoet mag zien voor de uitvoering van het nieuwe inburgeringsstelsel, specifiek de inburgeringsvoorzieningen.

Hoewel het in de lijn der verwachting ligt dat gemeenten voldoende budget ontvangen, gelet op het kostenonderzoek van AEF, blijft dit toch een onzekerheid. Door bij de inkoop goede afspraken te maken over niet alleen kwaliteit maar ook prijs, kan deze onzekerheid ten dele worden afgevangen.

Risico’s Het nieuwe inburgeringsstelsel brengt een aantal risico’s met zich mee, welke hieronder besproken worden. Daarbij wordt ook bezien of en zo ja welke beheersmaatregelen getroffen kunnen worden. Onvoorspelbaarheid instroom Als voornaamste risico geldt dat de instroom van inburgeraars in de gemeente bijzonder sterk onderhevig is aan exogene ontwikkelingen. De gemeente heeft hier zelf geen invloed op. De taakstelling met betrekking tot te huisvesten statushouders wordt door het Rijk opgelegd. In dit geval gaat het echter om aantallen; ook de samenstelling van de instroom is onvoorspelbaar. Waar de landelijke verwachting is dat 65% van de inburgeraars (lokale verwachting 55%) instroomt in de B1-route, kan dit percentage in werkelijkheid afwijken. Hetzelfde geldt voor de overige leerroutes. Lokaal is het mogelijk om op een verhoogde instroom te anticiperen; asielmigranten moeten eerst hun vergunningprocedure doorlopen alvorens zij aan een gemeente gekoppeld worden. Daarmee ontstaat tijd voor een gemeente om bijvoorbeeld afspraken te maken met opdrachtnemers om de verhoogde instroom op te vangen. Het is echter niet mogelijk om op de samenstelling van de instroom te anticiperen, daar eerst uit de brede intake moet blijken voor welke leerroute de inburgeraar in aanmerking komt.

Nummer 872 Pagina 32/36

Financiën Hoewel het in de lijn der verwachting ligt dat gemeenten voldoende budget ontvangen, gelet op het kostenonderzoek van AEF, blijft dit toch een onzekerheid. Door bij de inkoop goede afspraken te maken over niet alleen kwaliteit maar ook prijs, kan deze onzekerheid ten dele worden afgevangen. Een aanvullend financieel risico wordt gevormd door de onvoorspelbaarheid van de instroom. In principe geldt dat de financiering in pas loopt met het aantal gehuisveste statushouders (waarvoor de gemeente verplicht een traject moet aanbieden c.q. een leerroute moet inkopen). Het betreft echter een open einde-regeling. Daarbij geldt dat de asielinstroom echter sterk onderhevig is aan exogene ontwikkelingen. Hoe de financiering verloopt wanneer er bijvoorbeeld een sterke toename van deze instroom is, is onduidelijk. Volgens Divosa geldt dat bij een plotselinge verhoging van de asielinstroom die zo groot is dat niet redelijkerwijs verwacht mag worden dat gemeenten deze voorfinancieren, SZW na overleg met de VNG kan overgaan tot het verlenen van extra voorschotten. De gemeente blijft wettelijk verantwoordelijk voor het verzorgen van een traject voor de inburgeraar.

Resultaat De kwaliteit van het inburgeringsstelsel en de ingekochte trajecten wordt gewaarborgd door het bij de inkoop stellen van duidelijke kwaliteitseisen en –criteria, en het maken van goede werkafspraken met samenwerkingspartners. Ook door het nemen van een duidelijke regierol richting de inburgeraar en deze te motiveren (en indien nodig, te sanctioneren), kan de gemeente bijdragen aan de kwaliteit van het stelsel en de wens om de inburgeraar het hoogst haalbare resultaat te bereiken. Dit laatste is echter ook afhankelijk van de inburgeraar zelf; de invloed van de gemeente blijft beperkt.

Privacy De Wet inburgering en de bijbehorende lagere regelgeving32 bevatten een aantal artikelen c.q. grondslagen waarmee gegevensverwerking- en uitwisseling mogelijk gemaakt wordt. Dit is echter beperkt tot de taken die de gemeente vanuit de Wet inburgering krijgt, en voorziet niet in het delen van gegevens binnen een bredere context in het sociaal domein. In de memorie van toelichting 33 staat hierover het volgende opgenomen: “om maatwerk te kunnen toepassen, is het tevens van belang dat gemeenten in staat worden gesteld een integrale aanpak te hanteren waarbij inburgering zoveel mogelijk wordt verbonden met de overige relevante beleidsterreinen binnen het sociale domein (zie paragraaf 1.3.4). Om de knelpunten rondom gegevensuitwisseling en privacy in het sociaal domein weg te nemen, heeft de Minister van BZK aangekondigd tot een aanpassing van wetgeving te komen. Gelet op de taken die gemeenten in het nieuwe inburgeringsstelsel krijgen, zal inburgering ook onderdeel gaan uitmaken van deze wetgeving.”

32

Waarbij moet worden opgemerkt dat deze nog niet definitief is en dus nog kan wijzigen naar aanleiding van de internetconsultatie die in september 2020 heeft plaatsgevonden 33 Memorie van toelichting behorend bij de Wet inburgering 20.., juni 2020

Nummer 872 Pagina 33/36

Er zijn vijf kritieke momenten waarbij gegevensuitwisseling in het kader van inburgering een belangrijk rol speelt: 1. De warme overdracht met het COA, waarbij de gemeente gegevens overgedragen krijgt van het COA 2. De brede intake, waarbij de gemeente informatie verkrijgt van de inburgeraar en waarbij bepaald moet worden hoe hiermee moet worden omgegaan (welke gegevens worden met welk doeleinde geregistreerd) 3. De uitvoering van het traject, waarbij de gemeente instrumenten inzet vanuit diverse domeinen/wetten binnen de eigen organisatie. De consulent moet regie voeren, maar vanuit de diverse domeinen zijn consulenten beperkt in het delen van gegevens over cliënten 4. De uitvoering van het traject, waarbij de gemeente nauw samenwerkt met ketenpartners, maatschappelijke partners en aanbieders en er bijvoorbeeld gegevens uitgewisseld worden in het kader van doorverwijzing, handhaving en monitoring 5. De nazorg, waarbij de gemeente vanuit de Wet inburgering geen wettelijke verplichting meer heeft jegens de inburgeraar maar wel proactief ondersteuning wil bieden indien dit nodig is De gemeente onderzoekt, binnen de mogelijkheden van relevante wetgeving (niet beperkt tot de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) maar ook andere wetten als de Participatiewet), welke gegevens er nodig zijn om de Wet inburgering goed uit te voeren en maatwerk te leveren.

Dit zonder inbreuk te doen op de privacybelangen van de inburgeraar. Hierover worden zowel interne afspraken als afspraken met ketenpartners gemaakt, welke zorgvuldig worden vastgelegd.

Communicatie Voor wat betreft (cultuur)sensitieve communicatie richting de doelgroep moeten er vooraf een aantal incidentele acties worden uitgevoerd, die daarna enig onderhoud vragen. Gedacht kan worden aan het aanpassen van de gemeentelijke website, het schriftelijk beschikbaar stellen van informatie over de verschillende trajecten en onderdelen (bijvoorbeeld in een folder) en het opstellen van brieven. In het implementatie- en uitvoeringsplan (zie hieronder) wordt dit verder uitgewerkt.

Implementatie Volgend op het beleidsplan wordt een intern implementatie- en uitvoeringsplan opgesteld. Hierin wordt aandacht besteed aan de volgende onderdelen: 

Gedetailleerde inrichting van het inburgeringsstelsel inclusief de noodzakelijke ICT-aanpassingen.

Een verdere uitwerking van de monitoring

Een overzicht van de taken en verantwoordelijkheden van de diverse samenwerkingspartners c.q. opdrachtnemers, alsook die van verschillende disciplines binnen de gemeente.

Communicatiemiddelen (zie het onderdeel ‘communicatie’ hierboven).

Nummer 872 Pagina 34/36

Meenemen van betrokken afdelingen en organisaties in de voorbereiding en ontwikkeling van het implementatieproces

Nummer 872 Pagina 35/36

Bijlage 1: cijfers Landelijke cijfers De instroom van nieuwkomers is aan een groot aantal exogene ontwikkelingen onderhevig. Daarom kan niet met zekerheid gesteld worden of de instroom in komende jaren toe- of af zal nemen. Er zijn dan ook geen volledig betrouwbare prognoses beschikbaar. Wel kan gekeken worden naar afgelopen jaren, om zo te bezien welke instroom mogelijk verwacht kan worden bij bepaalde gebeurtenissen. De afgelopen jaren heeft de instroom zich als volgt ontwikkeld:

Landelijke instroom statushouders en nareizigers 14000 12000

Aantal

10000 8000 6000 4000 2000

2014 2014 2014 2014 2015 2015 2015 2015 2016 2016 2016 2016 2017 2017 2017 2017 2018 2018 2018 2018 2019 2019 2019 2019 2020 2020 2020

0

Instroom per maand Eerste asielverzoeken

Nareizigers Bron: CBS

In bovenstaande grafiek is goed te zien hoe de instroom kan fluctueren. Zo is niet alleen een piek in de instroom in 2015 te zien, maar ook een daling in de eerste helft van 2020. Deze daling is een direct gevolg van de coronacrisis. Inmiddels stijgen de aantallen weer. De VNG gaat vooralsnog uit van een populatie van 18.100 personen die in 2021 moeten inburgeren34.

Lokale cijfers Gemeenten krijgen ieder jaar een taakstelling opgelegd wanneer het gaat om te huisvesten statushouders (inclusief nareizigers). Deze taakstelling fluctueert naar gelang exogene ontwikkelingen hier aanleiding toe geven (bij een hogere instroom geldt in de periode erna een hogere taakstelling). De taakstelling is echter de enige indicatie van de instroom waarover een gemeente beschikt. Ter illustratie is hieronder de taakstelling van de afgelopen jaren weergegeven: 34

Infographic bij https://vng.nl/nieuws/onafhankelijk-onderzoek-meer-geld-nodig-voor-inburgering, november 2019, VNG

Nummer 872 Pagina 36/36

Taakstelling per gemeente

2018

2019

2020

2021

Leidschendam-Voorburg

104

52

52

118 Bron: Rijksoverheid

Niet alle gehuisveste statushouders (inclusief nareizigers) zijn echter inburgeringsplichtig. Een deel ervan is bijvoorbeeld minderjarig. Afgaande op de analyse van de instroom door het CBS, is de inschatting dat circa 2/3 van de statushouders die onder de taakstelling vallen, inburgeringsplichtig is. Dit leidt tot de volgende aantallen: Gecorrigeerde taakstelling per gemeente

2018

2019

2020

2021

Leidschendam-Voorburg

70

35

35

79

Bovenstaande cijfers zijn ter indicatie opgenomen. Afgaande op de inschatting van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid 35 alsook een eerder door de gemeente uitgevoerde marktconsultatie, is het de inschatting dat 55% van de statushouders in aanmerking komt voor de B1-route, 20% voor de onderwijsroute en 25% voor de Z-route. Naast statushouders vestigen zich ook gezins- en overige migranten in de gemeente. De afgelopen jaren betrof het de volgende aantallen: Aantal gezins- en overige migranten per gemeente Leidschendam-Voorburg

Gemiddeld per jaar 50

Betreft het gemiddelde van 2018 en 2019 / Bron: DUO

35

Het ministerie verwacht dat 65% van de statushouders in aanmerking komt voor de B1-route, 20% voor de onderwijsroute en 15% voor de Z-route.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=bc9fb80a-760a-44c3-8d32-c8413cf703ad