CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

4718 - Bijlage 6 bij TAM-Omgevingsplan Overgoo - Bodem

Commissie Omgeving 23 juni 2026, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen TAM-omgevingsplan "Overgoo"26.165 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

4.4

Toetsing analyseresultaten waterbodem

Ter plaatse van het niet lijnvormig oppervlaktewater (punten 300 t/m 305) bestaat de vaste waterbodem uit zand. De sliblaag in dit vak is tussen de 7 en 26 cm dik. De vaste waterbodem in vak 1 bestaat over het algemeen uit zand, enkel bij slibsteek 315 is een kleilaag aangetroffen en bij slibsteek 318 en 319 een veenlaag. De sliblaag in dit vak is tussen de 9 en 70 cm dik. In vak 2 is de waterbodem heterogeen aangetroffen, bestaande uit klei en zand. De sliblaag in dit vak is tussen de 5 en 50 cm dik De vaste waterbodem van vak 3 (punten 3301 t/m 3307, 3311 en 3312) bestaat uit zand. Bij punten 3308, 3309 en 3310 van vak 3 is een kleilaag aangetroffen. In dit vak is geen sliblaag aanwezig. De vaste waterbodem bij vak 4 bestaat uit klei. De sliblaag in dit vak is tussen de 4 en 29 cm dik. Er zijn geen verdachte bijmengingen aangetroffen in zowel de sliblaag als de vaste waterbodem. De situering van de monsterpunten is opgenomen in bijlage 5e. De boorprofielen zijn weergegeven in bijlage 7b. In tabel 4.13 is een samenvatting van de relevante resultaten opgenomen. Het toetsingskader is opgenomen in bijlage 8. In bijlage 9 is de toetsing van de onderzoeksresultaten opgenomen. De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage 10d.

61/72

Kenmerk

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

Tabel 4.13Samenvatting toetsingssresultaten waterbodem Toetsingsresultaten BoToVa Monstercode

Samenstelling

T.101

T.103a

T.105

en structuur

mengmonster

(op/in bodem)

(in oppervlaktewater)

(verspreiden)

310 t/m319

Sterk verontreinigd

Sterk verontreinigd

Niet

(PAK)

(PAK)

verspreidbaar >

310 t/m 314, 316,

Sterk verontreinigd

Sterk verontreinigd

Niet

317, 327 t/m 329

(PCB)

(PCB)

verspreidbaar >

Vak 1 SLIBvak1

interventiewaarde VWBvak1

interventiewaarde Vak 2 SLIBvak2

320 t/m 329

Industrie

Licht verontreinigd

Verspreidbaar

VWBvak2kl

315, 320, 321, 323

Landbouw/Natuur

Altijd toepasbaar

Verspreidbaar

VWBvak3

322, 324, 325, 326

Landbouw/Natuur

Altijd toepasbaar

Verspreidbaar

Niet lijnvormig oppervlaktewater DL2MMSL

300 t/m 305

Wonen

Licht verontreinigd

Verspreidbaar

DL2MMZ

300 t/m 305

Landbouw/Natuur

Altijd toepasbaar

Verspreidbaar

3301 t/m 3307 en

Landbouw/Natuur

Altijd toepasbaar

Verspreidbaar

Landbouw/Natuur

Altijd toepasbaar

Verspreidbaar

Vak 3 VWBvakMiddenKL

3311 t/m 3313 VWBvakMiddenZ

3308 t/m 3310

Vak 4 SLIBvakZuid

333 t/m 342

Industrie

Licht verontreinigd

Verspreidbaar

VWBvakZuid

333 t/m 342

Wonen

Licht verontreinigd

Verspreidbaar

T.101

Beoordeling kwaliteitsklassen van grond en baggerspecie bij toepassing op of in de landbodem

T.103a

Beoordeling kwaliteitsklassen van baggerspecie toepassing in een oppervlaktewaterlichaam

T.105

Beoordeling geschiktheid van baggerspecie bij verspreiden op de landbodem

VWB = vaste waterbodem

Ter plaatse van vak 1 is een sterke verontreiniging met PAK in de sliblaag en met PCB in de vaste waterbodem aangetoond. Door de sterke verontreiniging is zowel de sliblaag als de vaste waterbodem niet toepasbaar in oppervlaktewaterlichamen en landbodem. Door het uitvoeren van aanvullend en afperkend onderzoek moet de omvang van deze verontreiniging worden vastgesteld. Op basis van de gemeten slibdikte bij de uitgevoerde slibsteken en de breedte en lengte van het onderzoeksvak wordt ingeschat dat in vak 1 circa 1.150 m3 baggerspecie aanwezig is. Voor een nadere hoeveelheidsbepaling wordt aanbevolen om dwarsprofielen in te meten conform de Richtlijn Baggervolumebepalingen SIKB 2501 (versie dd. 26 maart 2020).

62/72

Kenmerk

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

De sliblagen en vaste waterbodem uit de overige vakken zijn maximaal licht verontreinigd en verspreidbaar op de landbodem. Van de vaste waterbodem zijn in vak 2 (VWBvak2kl, VWBvak3) en vak 3 (VWBvakmiddenZ) niet het vereiste aantal deelmonsters in het betreffenhet mengmonster opgenomen. Bij eventuele ontgravingswerkzaamheden ten behoeve van afvoer en/of toepassing elders kunnen deze resultaten niet als geldig bewijsmiddel Besluit Bodemkwaliteit worden gebruikt.

63/72

Kenmerk

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

4.4.1 PFAS in waterbodem In het handelingskader PFAS (december 2021) zijn de toepassingsnormen opgenomen. De toepassingsnormen voor het toepassen van grond en baggerspecie op de landbodem boven grondwaterniveau zijn in bijlage 8 opgenomen. Voor andere toepassingen wordt verwezen naar de rapportage van het RIVM (2019) ‘Risicogrenzen voor PFOS, PFOA en GenX voor toepassen van grond en bagger’. De PFAS-stoffen maken geen deel uit van de toets normen uit de Rbk. Dit betekent dat de toetsingsregels uit de Rbk niet van toepassing zijn voor PFAS. Tabel 4.14 bevat het resultaat van de toetsing van PFAS aan de normen uit het tijdelijk handelingskader PFAS van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Tabel 4.14 Resultaten PFAS in baggerspecie (µg/kg), gecorrigeerd voor organisch stof, getoetst aan de normwaarden voor toepassing op landbodem volgens het handelingskader PFAS (versie december 2023) Meng-

Deelmonster

monster/vak

Traject

Toepassingsmogelijkheden/beperkingen ten aanzien

m -wp*

van PFAS Waterbodem (1/2/3/4)

Landbodem (A/B/C/D)*

Vak 1 SLIBvak1

310-319

0,32-1,85

Niet toepasbaar

D

VWBvak1

310-314, 316,

0,21-2,15

Beperking

B1

0,13-0,85

Beperking

C

300-305

0,21-0,55

Beperking

C

3301-3307 en

0,33-0,91

Geen beperkingen

A

3308-3310

0,25-0,91

Geen beperkingen

A

SLIBvakZuid

333-342

0,1-0,62

Beperking

C

VWBvakZuid

333-342

0,17-1,12

Geen beperkingen

A

317, 327-329 Vak 2 SLIBvak2

320-329

Niet lijnvormig oppervlaktewater DL2MMSL Vak 3 VWBvakMiddenKL

3311-3313 VWBvakMiddenZ Vak 4

*

m-wp is meter beneden waterspiegel

A

Geen beperking als gevolg van PFAS

B

Beperking voor toepassing in grondwaterbeschermingsgebieden.

C

Beperking voor toepassing in grondwaterbeschermingsgebieden en op ontvangende landbodem met klasse landbouw/natuur

D

Niet toepasbaar

64/72

Kenmerk

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

Het slib uit vak 1 is op basis van PFAS niet toepasbaar. Voor vaste waterbodem uit vak 1 geldt een beperking voor toepassing in grondwaterbeschermingsgebieden. Voor het slib uit vak 2, het niet lijnvormig oppervlaktewater en vak 4 geldt op basis van PFAS een beperking voor toepassing in grondwaterbeschermingsgebieden en op ontvangende landbodem met klasse landbouw/natuur. Mogelijk is de verontreiniging met PFAS in bovengenoemde vakken te relateren aan de verdachte bronlocatie (autobedrijf met spuitactiviteiten) grenzend aan de watergangen. Voor de vaste waterbodem in vak 3 en 4 gelden geen beperkingen als gevolg van PFAS.

65/72

Kenmerk

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

5 Samenvatting, conclusies en aanbevelingen 5.1

Conclusies

Samenvatting verontreinigingssituatie bodemonderzoek Uit het bodemonderzoek inclusief vooronderzoek blijkt het volgende: Vooronderzoek Op basis van de resultaten van het vooronderzoek blijkt dat de locatie gelegen is in een poldergebied en vanaf eind 18e/begin 20e eeuw in gebruik is geweest als agrarisch gebied (weiland met sloten). Vanaf de tweede helft van de 20e eeuw is het noordelijk deel van de locatie ontwikkeld tot bedrijventerrein met infrastructuur en hebben diverse activiteiten plaatsgevonden in dit gebied (onder andere voormalig meubelfabriek, laboratorium, verfspuitinrichting, drukkerij, opslag smeerolie, ondergrondse brandstoftanks, bouw en sloop van bebouwing). Eind jaren ‘80/begin jaren ’90 is het zuidelijk deel van de locatie deels ontwikkeld tot bedrijventerrein, bebouwing is hier enkel gebruikt als kantoorpand. Het centraal oostelijk gelegen deel van de locatie is tijdelijk in gebruik geweest als volkstuincomplex (1970-2015), waar mogelijk PFAS houdend slootwater gesproeid. In de periode van 1999-2022 zijn enkele bodemonderzoeken uitgevoerd in verband met destijds voorgenomen (herinrichtings)werkzaamheden of eigendomsoverdracht op het noordelijk deel van de onderzoekslocatie.

Hier uit blijkt dat de bodem niet sterk maar plaatselijk wel matig verontreinigd en asbesthoudend is en antropogene bijmengingen met voornamelijk puin en baksteen aanwezig zijn in de bodem. In de omgeving van het noordelijk deel van de onderzoekslocatie zijn enkele sterke verontreinigingen met asbest in bodem aangetoond. Ter plaatse van het zuidelijke deel van de onderzoekslocatie zijn, met uitzondering van het voormalige volkstuincomplex waar maximaal lichte verontreinigingen zijn aangetoond, geen bodemonderzoeken uitgevoerd. Onderzoeksstrategieën en hypotheses Op basis van de resultaten van het vooronderzoek zijn diverse deellocaties gedefinieerd met ieder een te hanteren onderzoeksstrategie. Gezien de resultaten van het vooronderzoek was de verwachting dat de bodem ter plaatse van het noordelijk deel van de onderzoekslocatie mogelijk (plaatselijk) heterogeen verdeeld sterk verontreinigd was (met onder andere asbest), daarom is hier de onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie gehanteerd. Voor het meest noordelijke deel van de onderzoekslocatie is geadviseerd een nader onderzoek naar asbest in bodem uit te voeren op basis van de resultaten van het vooronderzoek, om de omvang van een aangetoonde sterke verontreiniging met asbest grond grenzen aan de noordelijke zijde van de onderzoekslocatie in kaart te brengen richting de huidige onderzoekslocatie.

In deze fase van het bodemonderzoek is dit onderzoek nog niet uitgevoerd.

66/72

Kenmerk

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

Voor het midden/zuidelijk deel van de onderzoekslocatie was de verwachting dat de bodemkwaliteit hier overeenkomt met de verwachting op basis van de bodemkwaliteitskaart (klasse Achtergrondwaarde), maar de bodem langs de bebouwing mogelijk asbesthoudend is vanwege de bouwperiode. Ter plaatse van het zuidelijk deel van de onderzoekslocatie is daarom de onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie gehanteerd, met plaatselijk (rond de bebouwing Overgoo 11-15) de strategie verdacht enkel voor onderzoek naar asbest in grond. De laatste genoemde strategie is echter in deze fase nog niet volledig uitgevoerd. Daarnaast is in deze fase van het bodemonderzoek nog geen onderzoek uitgevoerd ter plaatse van een waargenomen benzineafscheider naast de bebouwing, dit wordt in een latere fase uitgevoerd. Enkele slootdempingen zijn daarnaast ook onderzocht op basis van de strategie verdacht voor asbest, aangezien onbekend is met welk materiaal de sloten zijn gedempt. De zintuigelijk verdachte lagen zijn hiervoor onderzocht op asbest in grond en op het standaard analysepakket. Resultaten bodem- en funderingsonderzoek De verwachtingen op basis van het vooronderzoek zijn grotendeels bevestigd op basis van de onderzoeksresultaten. Een visualisatie van de verontreinigingssituatie is opgenomen in bijlage 14.

Aan de westelijke zijde van het noordelijk deel van de onderzoekslocatie zijn diffuus verspreid en heterogeen voorkomend over het gebied verontreinigingen >(0,5*)I-waarde met PAK en zware metalen aangetoond in de ondergrond, vermoedelijk te relateren aan de ophoging / antropogene bijmengingen in de bodem (met name baksteen en puin) en een plaatselijk weergenomen teergeur. In het midden van dit gebied is plaatselijk ook een sterke verontreiniging met koper aangetoond in de bovengrond, vermoedelijk eveneens te relateren aan antropogene bijmengingen. De op basis van dit onderzoek geschatte omvang van deze verontreinigingscontouren is weergegeven in bijlage 14. Opgemerkt wordt dat op basis van de resultaten van dit onderzoek nog geen inschatting gegeven kan worden van de omvang van sterke verontreiniging. Asbest is enkel verhoogd aangetoond in de bovengrond langs de gevel van Overgoo 15 ter plaatse van boorpunten 128 en 403 waar asbestplaatmateriaal is waargenomen. Ter plaatse van boorpunt 403 is de bodem verontreinigd ruim boven de interventiewaarde met asbest, vermoedelijk is dit te relateren aan de bebouwing. De verwachte funderingslaag onder de weg en parkeerstroken op het middendeel van het tracé zijn bevestigd, het betreft menggranulaat en de omvang hiervan is omvangrijker dan op basis van het vooronderzoek verwacht werd.

Deze laag is echter niet asbesthoudend en voldoet (indicatief) aan de eis voor toepassing van niet vormgegeven bouwstof. Ter plaatse van boorpunt 103 eveneens een funderingslaag met bitumen en asfaltbrokken aangetroffen, deze is (indicatief) niet toepasbaar als vormgegeven bouwstof. In het grondwater zijn geen stoffen aangetoond in concentraties >(0,5*)signaleringsparameters. Op het zuidelijk deel van de onderzoekslocatie zijn in de grond geen stoffen aangetoond in gehalten >0,5*I, hiermee voldoet de bodemkwaliteit hier aan de verwachtingen op basis van de bodemkwaliteitskaart. Aangezien er wel verontreinigingen >Landbouw/Natuur zijn aangetoond, dient de hypothese op basis van het vooronderzoek (onverdacht) formeel verworpen te worden.

67/72

Kenmerk

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

De bovengrond ter plaatse van de volkstuin is PFAS houdend, waardoor er indicatief beperkingen zijn voor het hergebruik, echter niet boven de INEV waarde. Aan de oostzijde van bebouwing Overgoo 13-15 en ter plaatse van de parkeerplaats zuidwestelijk van deze bebouwing is een puinfunderingslaag waargenomen, welke niet was voorzien in het vooronderzoek. Deze lagen zijn (indicatief) onderzocht en niet verontreinigd met asbest >50 mg/kg d.s., maar is wel asbesthoudend (4,4 mg/kg d.s. max). De laag voldoet indicatief aan de toepassingseisen voor niet vormgegeven bouwstof. Langs de gevel van Overgoo 13-15 is asbestplaatmateriaal aangetroffen, op basis hiervan is een asbestgehalte boven de norm voor nader onderzoek (>50 mg/kg d.s.) aangetoond (64 mg/kg d.s.). Het asbest is hier vermoedelijk te relateren aan de bebouwing. Het grondwater is in dit gebied niet verontreinigd >(0,5*)signaleringsparameters. Ter plaatse van de slootdempingen is geen verdacht demping of ophoogmateriaal waargenomen. De plaatselijk aangetoonde sterke verontreinigingen met asbest in de bovengrond (boorpunt 403) en PAK en zware metalen in de ondergrond (boringen 400 t/m 402) worden niet specifiek gerelateerd aan de slootdempingen, maar de antropogene bijmengingen in de ondergrond (PAK en zware metalen) en asbesthoudend materiaal afkomstig van de bebouwing (asbest).

Resultaten waterbodemonderzoek Zowel de sliblaag als de vaste waterbodem in vak 1 is sterk verontreinigd met PCB en PAK. Door de sterke verontreiniging (> Interventiewaarde voor waterbodems) is zowel de sliblaag als de vaste waterbodem niet toepasbaar in een oppervlaktewaterlichamen en landbodem. Het is onduidelijk waar de sterke verontreiniging aan gerelateerd is. Tevens is de sliblaag wegens het PFAS gehalte ook niet toepasbaar en geldt voor de vaste waterbodem uit vak 1 een beperking voor toepassing in grondwaterbeschermingsgebieden. Voor de sliblaag in vak 2, niet lijnvormig oppervlaktewater en vak 4 geldt ook een beperking in relatie tot PFAS. Deze verontreiniging met PFAS is mogelijk te relateren aan de voormalige bedrijfsactiviteiten (autobedrijf met spuitactiviteiten) grenzend aan de watergang.

68/72

Kenmerk

5.2

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

Aanbevelingen

Afvoer en toepassing van grond/fundering Indien voor de werkzaamheden grond toegepast wordt, dient op basis van de bodemkwaliteitskaart en het huidig gebruik dit minimaal te voldoen aan de kwaliteitsklasse Industrie voor het noordelijk deel en aan klasse Achtergrondwaarde voor het zuidelijk deel van de onderzoekslocatie, op basis van de bodemkwaliteitskaart. Omdat de toekomstige bestemming in het gebied voornamelijk wonen (met tuin) wordt zal de maximaal toelaatbare kwaliteit van de grond strenger worden op het noordelijk deelgebied dan nu het geval is. Aanbevolen wordt om dit voorafgaand aan de ontwikkelingen af te stemmen met de gemeente Leidschendam-Voorburg. Voor eventueel af te voeren grond dient rekening gehouden te worden met de aangetoonde kwaliteitsklassen op basis van de resultaten van dit onderzoek. Opgemerkt wordt dat de Nota Bodembeheer van de gemeentes Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar (Marmos Bodemmanagement, P10-20, d.d. 10 oktober 2013) verouderd is. Indien de gemeente een nieuwe Nota Bodembeheer opstelt, kunnen hier aanvullende regels in worden opgenomen. Aanbevolen wordt om gedurende de ontwikkelingen bij de gemeente te toetsen of reeds een nieuw document is opgesteld. Mogelijk kunnen hierin aanvullende regels worden opgesteld.

Bouwwerkzaamheden Ter plaatse van de aangetoonde sterke verontreinigingen met asbest, zware metalen en/of PAK in dit onderzoek, is een indicatie op een overschrijding van de maximale toelaatbare kwaliteit voor bouwen (gemiddeld gehalte voor parameter>I-waarde over volume van 25 m3 grond). Om vast te stellen of dit daadwerkelijk het geval is, dient hier een nader onderzoek conform NTA5755 uitgevoerd te worden om de contouren van de verontreiniging nader vast te stellen en bepalen of de maximale toelaatbare kwaliteit werkelijk wordt overschreden. Voor de aangetoonde sterke verontreinigingen geldt dat er sprake is van een potentiële toevalvondst, aangezien de I-waarde wordt overschreden en deze verontreinigingen niet eerder beschikt/bekend zijn. Om vast te stellen of dit aan de orde is, dient eerst een nader onderzoek uitgevoerd te worden en vervolgens een risicobeoordeling gedaan voor de sterke verontreinigingen. Indien hier uit blijkt dat sprake is van humane risico’s, dient de verontreiniging op initiatief van de eigenaar te worden gesaneerd. Vervolgmeldingen en procedures Indien uit het nader bodemonderzoek blijkt dat de maximale toelaatbare bodemkwaliteit voor bouwen van een bodemgevoel gebouw op een bodemgevoelige locatie wordt overschreden, dient voor de bouwwerkzaamheden de Milieu Belastende Activiteit (MBA) saneren te worden gehanteerd.

Daarbij kan de verontreiniging middels een duurzaam aaneengesloten afdeklaag (de bebouwing) worden afgedekt ter isolatie van de verontreiniging.

69/72

Kenmerk

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

Indien graafwerkzaamheden worden uitgevoerd in sterk verontreinigde grond (>I-waarde), dient de MBA graven>I te worden gehanteerd. Uitgangspunt is daarbij dat de omvang van de graafwerkzaamheden groter is dan 25 m3. Voor beide MBA’s geldt dat er een melding gedaan moet worden in Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) en de werkzaamheden vanaf 4 weken na indiening opgestart mogen worden, of 1 week voor de MBA graven>I indien enkel sprake is van tijdelijke uitname. De werkzaamheden dienen in een dergelijk geval ook uitgevoerd te worden door een BRL7000 gecertificeerd aannemer en onder toezicht van een BRL6000 gecertificeerd milieukundig begeleider. Indien geen sprake is van ontgraving van sterk verontreinigde grond maar de grond wel afgevoerd wordt, geldt een informatie van minimaal 1 week voorafgaand aan de start van de werkzaamheden. Aanvullend bodemonderzoek (naar asbest) Zoals bovenstaand beschreven dient een onderzoek conform NTA5755 uitgevoerd om vast te stellen of sprake is van een overschrijding van de maximale toelaatbare kwaliteit voor bouwen. Zoals beschreven in paragraaf 3.1.1 en 3.1.2 zijn niet alle geadviseerde onderzoeksstrategieën (volledig) uitgevoerd. Daarnaast volgen er aanbevelingen voor het uitvoeren van nader onderzoek op basis van de verkregen resultaten van onderhavig onderzoek.

Voor deze deellocaties dienen de onderzoeken in de vervolgfase aangevuld/uitgevoerd te worden:  Sublocatie 1.1 (bedrijventerrein): -

Uitvoering onderzoek PFAS in grond en grondwater ter hoogte van PFAS verdachte bronnen Ter hoogte van boorpunt 103: Grondlaag direct onder asfaltfunderingslaag bemonsteren en analyseren standaard analysepakket Ter plaatse van geschatte I-waarde contouren (westelijk zijde en boorpunt 103): nader onderzoek conform NTA5755 uitvoeren om omvang sterke verontreinigingen PAK en

zware metalen nader te bepalen Nader onderzoek asbest in grond uitvoeren ter plaatse van boorpunt 404 Sublocatie 1.3 (Asbestverontreiniging Vlietweg): Volledig uitvoeren nader onderzoek asbest in

grond methode 2 onderzoeksvariant 1. Bij aantreffen zintuigelijk verdachte bodemlagen eveneens analyses standaardanalysepakket grond Sublocatie 1.4 (Funderingslaag rijbaan): Gaten/boringen bijplaatsen zodat voldaan wordt aan NEN5897 strategie afgedekte funderingslaag. Aangezien in de reeds geanalyseerde monsters geen asbest is aangetoond, kan eventueel in overleg met de gemeente bepaald worden of het noodzakelijk is om deze gaten bij te plaatsen en analyses uit te voeren

Sublocatie 2.1 (Onverdacht gebied): Onderzoek naar asbest in grond conform strategie VEDHE uit NEN5707 ter plaatse van de (metselpuinhoudende) bovengrond ter plaatse van boring 18

70/72

Kenmerk

Sublocatie 2.3 (Bebouwing Overgoo 11-15): -

-

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

Gaten/boringen bijplaatsen zodat wordt voldaan aan strategie VED-HE uit NEN5707 direct rondom de bebouwing (binnen een straal van circa 5 m. van de gevel). Hierbuiten zijn op basis van de geplaatste boringen geen asbestverdachte (puin)bijmengingen waargenomen, het wordt daarom niet noodzakelijk geacht de bodem hier op asbest in grond te onderzoeken Ter hoogte van boorpunt 11 dient (na afronding van het verkennend onderzoek naar asbest in grond) een nader onderzoek naar asbest in grond te worden uitgevoerd Gaten/boringen bijplaatsen om de omvang van de puinfunderingslaag aan de oostelijke zijde van de bebouwing te bepalen en zodat voldaan wordt aan NEN5897 strategie

afgedekte funderingslaag. De funderingslaag dient tevens bemonsterd te worden ter analyse op samenstellingspakket en uitloging Sublocatie 2.4 (funderingslaag parkeerplaats): Gaten/boringen bijplaatsen om de omvang van de puinfunderingslaag te bepalen en zodat voldaan wordt aan NEN5897 strategie afgedekte funderingslaag. De funderingslaag dient tevens bemonsterd te worden ter analyse op samenstellingspakket en uitloging. Ter plaatse van de overige 2 noordelijke parkeerplaatsen

blijkt dat er geen asbestverdachte (puin)bijmengingen aanwezig zijn. Hiervoor wordt het daarom niet noodzakelijk om onderzoek naar asbest in grond of fundering uit te voeren Sublocatie 2.5: Nog volledig onderzoeken conform strategie VEP

Indien het bodemonderzoek hier mee aangevuld is, dient dit ter beoordeling gelegd te worden bij de gemeente voor het aanvragen van de wijziging van het Omgevingsplan. Beoordeling verontreinigingssituatie Wadi in onverdacht gebied De verontreinigingssituatie met PFAS ter plaatse van de wadi op het noordwestelijk deel van het terrein is zover bekend nog niet beoordeeld door het bevoegd gezag. Beoordeeld diende te worden of hier sprake is van een zorgplichtverontreiniging onder de Wet Bodembescherming (Wbb: ontstaan tussen 1987 en 2024) als gevolg van de afvoer van het regenwater. Geadviseerd wordt om door het bevoegd gezag dit alsnog te bepalen, zodat een eventuele sanering van dit geval uitgevoerd kan worden in combinatie met de ontwikkeling van het gebied. Aanvullend waterbodemonderzoek Uit de resultaten van het waterbodemonderzoek is gebleken dat zowel de sliblaag als de vaste waterbodem in vak 1 sterk verontreinigd zijn. Het is niet duidelijk of de gehele watergang verontreinigd is of dat dit om een spot verontreiniging gaat. Op basis hiervan is een aanvullend onderzoek in de waterbodem voor zowel kwaliteit en kwantiteit aanbevolen. Met het aanvullend onderzoek kan de omvang van de verontreiniging in kaart gebracht worden. Hiermee kan een inschatting gemaakt worden van een volume dat afgevoerd wordt naar een erkend verwerker.

In verband met de afwijking op NEN 5720 in de vaste waterbodem voor vak 2 (te weinig monsters in één mengmonster), wordt aangeraden om aanvullend onderzoek uit te voeren om een representatief beeld te krijgen van de kwaliteit van de vaste waterbodem in dit vak.

71/72

Kenmerk

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

Opgemerkt wordt dat de Nota Bodembeheer van de gemeentes Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar (Marmos Bodemmanagement, P10-20, d.d. 10 oktober 2013) verouderd is. Indien de gemeente een nieuwe Nota Bodembeheer opstelt, kunnen hier aanvullende regels in worden opgenomen. Aanbevolen wordt om gedurende de ontwikkelingen bij de gemeente te toetsen of reeds een nieuw document is opgesteld. Mogelijk kunnen hierin aanvullende regels worden opgesteld. Veiligheidsklasse CROW400 graafwerkzaamheden Op basis van de resultaten van dit bodemonderzoek is de geadviseerde voorlopige veiligheidsklasse overwegend geen klasse/basishygiëne. Uitzondering hier op betreffen eventueel uit te voeren graafwerkzaamheden ter plaatse van:  Boorpunt 403: Zwart niet vluchtig op basis van asbest in de bovengrond. Opgemerkt wordt dat hier nog een nader onderzoek uitgevoerd moet worden voordat de definitieve te adviseren 

voorlopige veiligheidsklasse bepaald kan worden Boorpunt 11: Oranje niet vluchtig op asbest van asbest. Opgemerkt wordt dat hier nog een nader onderzoek uitgevoerd moet worden voordat de definitieve te adviseren voorlopige

veiligheidsklasse bepaald kan worden Boorpunten 400 t/m 402: Oranje vluchtig op basis van minerale olie in de ondergrond (0,5-2,0 m -mv)

72/72

Kenmerk

Bijlage 1

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

Regionale ligging onderzoekslocatie

Kenmerk

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

Kenmerk

Bijlage 2

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

Kaarten onderzoekslocatie

Kenmerk

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

Bijlage 2a: Overzicht onderzoekslocatie

2a

Noordelijk deel onderzoekslocatie: Noordelijk van brede watergang (polderkade/overige waterkering)

Zuid- en middendeel onderzoekslocatie: zuidelijk van brede watergang (polderkade)

Kenmerk

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

Bijlage 2b: Beoogde ontwikkeling

Kenmerk

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

Bijlage 2c: Beoogde ontwikkeling (transparant) over huidige situatie

2C

Kenmerk

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

Bijlage 2d: Overzicht werkzaamheden waterlichamen

Locatie 2: 240 m2

Locatie 1: Totale lengte aaneengesloten (verbonden via duikers) huidige watergang: 1330 m.

Bestaande watergang huidig

Kenmerk

Bijlage 3

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

Bevindingen vooronderzoek

Kenmerk

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

Bijlage 3a: Overzicht historische ontwikkeling

1939

1922

1983

1986

1990

1986

1990

1986

1990

1984

1985

1984

globale ligging voormalige sloot gedempt ca 2008 (Bron: Topotijdreis) 19xx

bouwjaar huidige bebouwing (bron: BAG-viewer) globale ligging voormalige bebouwing circa 1960-1990 (bron: Topotijdreis) globale ligging voormalige sloten gedempt circa 1950 (bron: Topotijdreis) globale ligging voormalige sloten gedempt circa 1990 (bron: Topotijdreis)

Locatiegrens

Bijlage 3a

2015:

2004:

1993:

1985:

1975:

1956:

1950:

1900:

1870:

1830:

Kenmerk

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

Bijlage 3b: Uitwerking relevante bodemonderzoeken

Locatienr en ligging met rode lijn t.o.v. (deel van) huidige onderzoekslocatie grens met blauwe lijn 1:

Samenvatting relevante rapporten Rapport: Antea Group, vooronderzoek te realiseren glasvezelnetwerk Leidschendam-Voorburg, 0488453.100, d.d. 29 februari 2024 Aanleiding: Aanleggen glasvezelnetwerk en hiervoor benodigde graafwerkzaamheden Onderzoeksstrategie: NEN5725, aanleiding G (tijdelijk uitnemen van grond en inschatten arbeidshygiëne risico’s Samenvatting: graafwerkzaamheden kunnen grotendeels zonder meldingen, bodemonderzoek of verhoogde veiligheidsklasse uitgevoerd worden (aangegeven met groene lijn afbeelding hiernaast. Hier zijn plaatselijk uitzonderingen op, aangegeven met blauw en zwarte lijn in afbeelding hiernaast: sectie 201 en 101. Hiervan ligt enkel sectie 101 binnen de huidige onderzoekslocatie grens

Sectie 101: Ter hoogte van Vlietweg 15 te Leidschendam is een sterke verontreiniging (overschrijding interventiewaarde) met asbest in de ondergrond aangetoond (0,5-1,0 m-mv). Dit is aangetoond direct noordelijk van de geplande werkzaamheden op het trottoir, onbekend is daarom of dit geval met asbest ook aanwezig is binnen de onderzoekslocatie. In het onderzoek werd geadviseerd de aanleg van de glasvezel ter hoogte van de sterke asbestverontreiniging uit te voeren onder veiligheidsklasse zwart niet vluchtig en een melding MBA graven>I.

Sectie 201: Ter hoogte van de Nieuwstraat 02-20 is voorheen een gasfabriek aanwezig geweest. Wegens deze activiteit is in het verleden sprake geweest van een geval van ernstige bodemverontreiniging (volgens de Wbb). Het geval is in 1998 – 2000 gesaneerd, waarbij restverontreiniging in het grondwater zijn achtergebleven. De restverontreiniging wordt periodiek gemonitord. Aangezien de werkzaamheden voor de aanleg van glasvezel plaatsvinden in een leeflaag die aangebracht is bij de sanering, is een melding in het kader van Overgangsrecht geadviseerd

Conclusie/advies huidige onderzoek: Nader onderzoek asbest in bodem t.h.v. sectie 101. Zie ook advies/conclusie locatie 2.

2:

Rapport: TAUW, verkennend bodemonderzoek en nader onderzoek naar asbest in de bodem– Leidschenveensepad in Leidschendam, R001-1288453WJO-V01-nnc-NL, d.d. 2 november 2022 Aanleiding: Aanleggen waterleiding en hiervoor benodigde graafwerkzaamheden Verdachte bronnen/activiteiten: Bouw- en sloop bebouwing in asbestverdachte periode t.h.v. Vlietweg 15, autoreparatiebdrijf t.h.v. Vlietweg 8, timmerfabriek t.h.v. Vlietweg 3. Onderzoeksstrategie: NEN5740: VED-HE-L. NEN5707: VED-HE, nader onderzoek asbest in bodem methode 2 Analysepakket: Grond: standaard analysepakket, asbest (fractie 0,5-20 mm en <0,5 mm), chroom, VOCl, BETXN en vluchtige olie. Grondwater: standaardanalysepakket en chroom Zintuigelijke bijzonderheden: bijmengingen met baksteen en puin aangetroffen in zowel de boven- als ondergrond over de gehele onderzoekslocatie Grond: Licht verontreinigd (overschrijdingen achtergrondwaarde / AW) met zware metalen, minerale olie, PAK en/of PCB. Aan de oostelijke zijde van de onderzoekslocatie is de grond aanvullend onderzocht op vluchtige parameters, deze zijn niet boven de rapportagegrens aangetoond. Asbest: sterke verontreiniging (200 mg/kg d.s.) met asbest in de ondergrond in monster MO1 (boringen 1, 2 en 3: 0,5-1,3 m-mv). Het asbest is aangetoond in de fractie 0,5-8 mm, is hechtgebonden en bestaat uit zowel serpentijnals amfibool asbest.

Er zijn geen respirabele vezels (asbest <0,5 mm) aangetoond in dit monster Naar aanleiding van de resultaten voor verkennend onderzoek naar asbest in bodem, is een nader onderzoek naar asbest in bodem uitgevoerd conform methode 2 op het overige deel van het gepland ontgraving tracé, hierbuiten is de omvang van de sterke verontreiniging (horizontaal en verticaal) niet afgeperkt. Hieruit is gebleken dat op het overige deel van het tracé geen asbest boven de rapportagegrens aanwezig is. Grondwater: De grondwaterstand varieerde tussen 0,56 m-mv (peilbuis 6) en 1,02 m-mv (peilbuis 4). Enkel in peilbuis 4 zijn lichte verontreinigingen (overschrijdingen streefwaarde/SW) aangetoond met barium en naftaleen.

(Monsternemingspunten-/advies)kaart beschreven onderzoek ten opzicht van huidige onderzoekslocatie grens met roze lijn

Locatienr en ligging met rode lijn t.o.v. (deel van) huidige onderzoekslocatie grens met blauwe lijn

Samenvatting relevante rapporten

(Monsternemingspunten-/advies)kaart beschreven onderzoek ten opzicht van huidige onderzoekslocatie grens met roze lijn

Conclusie/advies huidige onderzoek: Sterke asbestverontreiniging is in west- en zuidelijke richting niet afgeperkt binnen huidige onderzoekslocatie. Nader onderzoek asbest in bodem tussen bebouwing Vlietweg 15 en reeds aangetoonde sterke verontreiniging asbest in bodem in ondergrond dient uitgevoerd te worden.

Rapport: TAUW, BUS evaluatie Vlietweg 15 in Leidschendam, 06-03-2023. Samenvatting: De werkzaamheden aan de waterleiding zijn uitgevoerd in december 2022 onder een BUS melding tijdelijk uitplaatsen. Daarbij is naast de (op basis van het bodemonderzoek bekende) asbestverontreiniging bij de Vlietweg 15 ook ter hoogte van de Vlietweg 8A onverwachts circa 5 m3 asbesthoudende grond aangetroffen, zie afbeelding rechts voor vindplaats. Dit is afgevoerd naar een erkend verwerker en aangevuld met schoon zand. Vanwege de afstand van de aangetroffen verontreiniging tot de onderzoekslocatie (circa 20 m. westelijk hiervan) en tussengelegen watergang wordt niet verwacht deze asbestverontreiniging ook aanwezig is binnen de onderzoekslocatie. Ter plaatse van de reeds bekende asbestverontreiniging in de ondergrond (zie uitgewerkt bovenstaand rapport) is de grond teruggeplaatst. Uitgangspunt voor onderhavig onderzoek is daarom dat deze verontreiniging nog aanwezig is.

3:

Rapport: Consulmij, verkennend bodemonderzoek Vlietweg-Overgoo te Leidschendam, J.99.0572.MB/V01,

Opgemerkt wordt dat de monsternemingspuntenkaart van het beschreven onderzoek niet volledig is.

oktober 1999 Aanleiding: Destijds voorgenomen eigendomsoverdracht Verdachte bronnen/activiteiten: Niet bekend/niet beschreven. Op bodemloket is echter wel aangegeven dat binnen dit onderzoeksgebied sprake is van een verfspuitinrichting (metaal), laboratorium en research- en wetenschappelijke instellingen sinds 1980. Uit verkregen informatie van de gemeente is gebleken dat ter plaatse van Vlietweg 16-17 en Overgoo 2 zich van 1950 tot circa 1959 een ‘Rymenamfabriek’ (drukkerij/binderij) bevond en van 1959-1982 een researchlaboratorium. Het adres van destijds was Vlietweg 100. Naast het laboratorium bevond zich in de kelder een opslag van fotochemicaliën en opslag van smeerolievaten. De tank van 3.000 en 20.0000 l zijn gesaneerd. Locaties verdachte bronnen zijn onbekend Onderzoeksstrategie: NEN5740, strategie onverdacht Analysepakket: Standaard analysepakket van destijds Zintuigelijke bijzonderheden: Ter plaatse van boringen 1, 2, 5 en 6 zijn bijmengingen met puin aangetroffen in de ondergrond (vanaf circa 1 m-mv), ter plaatse van boringen 11 t/m 15 en 18 zijn deze bijmengingen aangetroffen in de bovengrond. Grond: Zware metalen, PAK en minerale olie>Aw Grondwater: Zware metalen >Sw. Grondwaterstand vanaf 1,2 m-mv Conclusie/advies huidige onderzoek: Locatie voldoende onderzocht, er worden hier maximaal lichte verontreinigingen verwacht in de bodem.

In dit onderzoek heeft geen onderzoek naar asbest plaatsgevonden. Aangezien de bebouwing uit de asbestverdachte periode stamt en op locatie bijmengingen met puin zijn aangetroffen in de bodem, wordt geadviseerd de bodem ter plaatse van dit gebied te onderzoeken op asbest conform NEN5707, strategie VED-HE. Vanwege de (mogelijk) aanwezigheid van (voormalige) verdachte bronnen/activiteiten, wordt geadviseerd de bodem aanvullend te onderzoek conform strategie VED-HE-NL van de NEN5740.

4:

Rapport: Verhoeven Milieutechniek, diverse bodemonderzoeken Vlietweg 14-15 te Leidschendam, B14.5752, 24

Betreft inclusief monsternemingspunten eerder uitgevoerde bodemonderzoeken TAUW (2005) en Adverbo

juni 2014

(2008) en ligging verdachte bronnen binnen onderzoeksgebied

Aanleiding: Destijds voorgenomen transactie en voorgenomen nieuwbouw

Locatienr en ligging met rode lijn t.o.v. (deel van) huidige onderzoekslocatie grens met blauwe lijn

Samenvatting relevante rapporten Verdachte bronnen/activiteiten: Vlietweg 14-15 1955-1982: Meubelfabriek met autoherstelwerkplaats, verspuiterij, smederij, galvaniseerinrichting, lijmerij, 20.000 l. HBO-tank, 5.000 l. benzinetank met pomp. Voormalige benzinepompstation met 3 ondergrondse brandstoftanks van ieder ca 12.000. Alle ondergrondse tanks rond 1985 verwijderd. Zie afbeelding hiernaast voor ligging activiteiten Vlietweg 8 (achterzijde): Garagebedrijf met spuitactiviteiten vanaf circa 1960. Tank voor afgewerkte olie aan zuidzijde werkplaats is in 1986 verwijderd. Ligging van deze activiteiten niet aangegeven in afbeelding hiernaast, bevindt zich oostelijk van huidige onderzoekslocatiegrens en is hiervan gescheiden middels watergang. Onderzoeksstrategieën: NEN5740: strategie VED-HE. NEN5707 en NEN5897: indicatief onderzocht. NTA5755 Analysepakket: Standaard analysepakket grond en grondwater. Grond plaatselijk (boringen 19 en 101 /m 106) aangevuld met aromaten(BETXN) Zintuigelijke bijzonderheden: Ter plaatsen van boringen 1 en 10 t/m 16 is tot circa 0,5 m-mv sprake van een volledige puinlaag. Ter plaatse van boring 1 zijn in de ondergrond bijmengingen met puin en kooldeeltjes aangetroffen. Ter plaatse van peilbuis 103 zijn in de laag 0,5-1,0 m-mv bijmengingen met puin en asbest aangetroffen. Boringen 105 (0,1-1,0 m-mv) en 106 (1,0-1,5 m-mv) zijn puinhoudend.

Grond: Zware metalen, PAK en minerale olie>Aw. Plaatselijk (Pb19) aromaten>Aw. Boring 18 bovengrond: matig verontreiniging (>tussenwaarde) met nikkel. Eerder aangetoonde sterke verontreiniging met minerale olie ter plaatse van boring 6 0,8-1,2 m-mv uit onderzoek TAUW 2005 is geactualiseerd, maximaal licht verontreinigd. Asbest: Ter plaatse van boring PB103 is in de zwak puinhoudende ondergrond (0,5-1,0 m-mv) asbesthoudend plaatmateriaal aangetroffen. Hier is sprake van een berekende asbestconcentratie van 52,9 mg/kg d.s. In het onderzoek is gesteld dat mogelijk sprake is van een ernstige asbestverontreiniging ter plaatse van het overige terrein. De puinfundering laag is onderzocht op asbest in boring B14 (0,2-0,5 m-mv), asbest is hier niet boven de rapportagegrens aangetoond. Grondwater: Pb 19: Ba, naftaleen, tetrachlooretheen>Sw. Grondwaterstand tussen 0,6-1,0 m-mv Conclusie/advies huidige onderzoek: Locatie en invloed verdachte bronnen binnen onderzoeksgebied voldoende onderzocht, er worden hier maximaal lichte verontreinigingen verwacht in de bodem. Na uitvoering van dit onderzoek is het gebied zover bekend niet verder ontwikkeld. Hoewel in de bodem asbest is aangetoond, is dit niet volgens de onderzoeksstrategie asbest in bodem/fundering conform NEN5897/NEN5707 gedaan.

Op locatie zijn bijmengingen met puin in de grond, is asbest aangetoond en heeft bouw en sloop in de asbestverdachte periode plaatsgevonden. Op basis hiervan wordt geadviseerd de bodem ter plaatse van dit gebied te onderzoeken op strategie asbest conform NEN5707 met strategie VED-HE. Gezien het feit dat ook matige verontreinigingen zijn aangetoond in de grond, wordt aanvullend geadviseerd om dit gebied te onderzoeken conform NEN 5740 met strategie VED-HE-NL.

5:

Rapport: Adverbo, milieukundig grondwateronderzoek Vlietweg te Leidschendam, 041076/1-MW, d.d. 9 juli 2004 Aanleiding: Destijds voorgenomen vervanging van riolering en vermoedelijke voormalige aanwezigheid tankstation Vlietweg 8 en 15 Verdachte bronnen/activiteiten: Vlietweg 8 en 15: Voormalig tankstation (vermoedelijk) Onderzoeksstrategieën: Niet genoemd, indicatief ter hoogte van ieder mogelijk aanwezige tankstation een boring met peilbuis geplaatst Analysepakket: Lozingspakket en arseen. Pb1: aanvullend geanalyseerd op minerale olie, aromaten en naftaleen Zintuigelijke bijzonderheden: Bijmengingen met puin in ondergrond. Pb1 (buiten onderzoek locatie): 1,1-1,8 mmv: licht en 1,8-2,0 m-mv matige slibgeur. Pb2 1,0-1,8 m-mv: lichte rioolgeur Grond: Niet onderzocht Grondwater: As, minerale olie>SW. Grondwaterstand vanaf 1,1 m-mv Conclusie/advies huidige onderzoek: Grondwaterkwaliteit voldoende onderzocht, er worden maximaal lichte verontreinigingen verwacht. De grond is puinhoudend en niet onderzocht op asbest. Echter is dit wel onderzocht ter plaatse van dit gebied in uitwerking locatie nr. 1

(Monsternemingspunten-/advies)kaart beschreven onderzoek ten opzicht van huidige onderzoekslocatie grens met roze lijn

Locatienr en ligging met rode lijn t.o.v. (deel van) huidige onderzoekslocatie grens met blauwe lijn

Samenvatting relevante rapporten

6:

Rapport: BK Ingenieurs, Briefrapportage nazorg en grondwatermonitoring 2018, Nieuwstraat 2-22 te Leidschendam Aanleiding: Ter hoogte van de Nieuwstraat 2-22 te Leidschendam (circa 50 m. oostelijk van de huidige onderzoekslocatie) is een voormalig gasfabriek aanwezig geweest (1885-1965. Als gevolg hiervan is een (mobiel) geval van ernstige verontreiniging met PAK, cyanide en plaatselijk zware metalen, vluchtige aromaten en minerale olie in grond en grondwater ontstaan. In de periode 1998 tot 2000 is het geval deels gesaneerd, echter zijn daarbij restverontreiniging achtergebleven. De verontreinigingen zijn geïsoleerd door verharding. Op dit gedeelte van het perceel zijn gebruiksbeperkingen van toepassing (vastgelegd in beschikking provincie Zuid-Holland op 30 maart 2001 met kenmerk KWM/2001/3148), dit gedeelte is in de figuur hiernaast weergegeven met groene omlijning. Tot 2018 vond periodiek een monitoring van de grondwaterkwaliteit plaats, met als doel om te controleren of de aanwezig restverontreinigingen in grond en grondwater op het terrein van de voormalige gasfabriek zich niet verspreid buiten de terreingrenen en diepere ondergrond. Resultaten: In de meest recent beschikbare monitoring van 2018 zijn maximaal lichte verontreinigingen in de grond en het grondwater in de peilbuizen die meest nabij de huidige onderzoekslocatie zijn bemonsterd.

Er is daarmee geen indicatie op een verspreiding richting de huidige onderzoekslocatie. Eventuele verontreinigingen afkomstig van de gasfabriek zijn daarnaast ook voldoende onderzocht in het onderzoek van TAUW uit 2022 in opdracht van Dunea (zie locatie 2). Conclusie/advies huidige onderzoek: Kwaliteit voldoende bekend, er wordt geen invloed verwacht binnen de huidige onderzoekslocatie als gevolg van de voormalige gasfabriek.

7:

Rapport: Van der Helm Milieubeheer, milieukundig waterbodemonderzoek nabij de Oude Bleijk te Leidschendam, 20191057, 01-10-2019 Aanleiding: Voorgenomen baggerwerkzaamheden Onderzoeksstrategieën: NEN5720: strategie LN. Enkel het slib is onderzocht en niet de vaste waterbodem Analysepakket: PFOS, PFOA, GenX, standaardpakket Zintuigelijke bijzonderheden: Slibdikte circa 0,23 m. Vaste bodem: Klei/zand

(Monsternemingspunten-/advies)kaart beschreven onderzoek ten opzicht van huidige onderzoekslocatie grens met roze lijn

Locatienr en ligging met rode lijn t.o.v. (deel van) huidige onderzoekslocatie grens met blauwe lijn

Samenvatting relevante rapporten Resultaat: De baggerspecie is verspreidbaar op het aangrenzend perceel. De baggerspecie is verder toepasbaar of of in de landbodem als klasse ‘industrie’ en toepasbaar op of in oppervlaktewater als klasse B. Het gehalte PFOA bedrag 0,13 ug/kg d.s. en PFOS 3,9 ug/kg d.s. Het monstervak is hiermee niet toepasbaar op basis van PFOS. Op basis van dit gehalte is veiligheidsklasse rood niet vluchtig van toepassing. Conclusie/advies huidige onderzoek: Kwaliteit baggerspecie voldoende bekend, vaste bodem niet. Onbekend is of baggerwerkzaamheden inmiddels zijn uitgevoerd. Advies onderzoek van deze watergang blijft gehandhaafd.

Rapport: Adverbo, verificatie onderzoek baggerspecie watergang nabij Oude Bleijk te Leidschendam, 190270WH, d.d. 4 november 2019 Aanleiding: Voorgenomen baggerwerkzaamheden en resultaten PFAS onderzoek v/d Helm, zie hierboven Onderzoeksstrategieën: NEN5720: OLN. Enkel het slib is onderzocht en niet de vaste waterbodem. De watergang is in twee delen opgedeeld voor dit onderzoek Analysepakket: PFOS, PFOA Zintuigelijke bijzonderheden: Slibdikte circa 0,23 m. Vaste bodem: Klei/zand Resultaat: PFOS is niet boven INEV waarde aangetoond Conclusie/advies huidige onderzoek: Slib is verspreidbaar op aangrenzend perceel

8:

Rapport: Adverbo, verkennend bodemonderzoek en asbest grondonderzoek, 15.10.0338.0284, d.d. 23 juli 2015 Aanleiding: Destijds voorgenomen herinrichting Verdachte bronnen/activiteiten: Voormalig volkstuin vanaf jaren ’70 tot circa 2015. Onderzoeksstrategieën: NEN5740: VED-HE. NEN5707: strategie niet benoemd. Er is intensief onderzocht op asbest in bodem gezien de vele sleuven die gegraven zijn (zie afbeelding hiernaast). Analysepakket: Standaard analysepakket, OCB’s en asbest. Grondwater niet onderzocht. Zintuigelijke bijzonderheden: Plaatselijk (boringen 44, 44a en 44b) is de grond tot 1,2 m-mv zwak tot matig puinhoudend. Grond: De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met zware metalen, minerale olie, PFA, PCB en OCB’s. De ondergrond is plaatselijk licht verontreinigd met zware metalen, minerale olie en PAK.

(Monsternemingspunten-/advies)kaart beschreven onderzoek ten opzicht van huidige onderzoekslocatie grens met roze lijn

Locatienr en ligging met rode lijn t.o.v. (deel van) huidige onderzoekslocatie grens met blauwe lijn

Samenvatting relevante rapporten Asbest: In de grond is geen asbest boven de rapportagegrens aangetoond. Nabij sleuf 5 is wel een asbestverdacht plaatmateriaal waargenomen op het maaiveld, dat na analyse voor 10-15% uit chrysotiel bestaat. Dit plaatje is verwijderd. In de bodem is geen asbest plaatmateriaal waargenomen Conclusie/advies huidige onderzoek: Grondkwaliteit voldoende bekend/onderzocht, er worden maximaal lichte verontreinigingen verwacht, grond is niet asbesthoudend.

9:

Rapport: Arnicon, omvangbepalen bodemonderzoek, plan van aanpak en saneringsevaluatie Overgoo te Leidschendam, P08-093-S, april 2008 Aanleiding: Als gevolg van een beschadigde dieseltank van een vrachtwagen heeft in 2008 een lekkage plaatsgevonden, waardoor de bodem verontreinigd is geraakt met minerale olie. Het betreft een zorgplichtverontreiniging onder de Wbb (ontstaan 1987-2024) en dient op basis van redelijkheid en bilijkheid te worden verwijderd Verontreinigingssituatie: De zandlaag binnen het verontreinigd oppervlak (zie ontgravingscontour in onderstaande tekening) bevat tot een diepte van 0,5 m-mv licht tot sterk verhoogde gehaltes minerale olie over een geschat oppervlak van circa 150 m3. Het totaal volume verontreinigde bodem wordt hiermee geschat op circa 75 m3. Saneringswerkzaamheden en resultaat: De verontreinigde bodemlaag is ontgraven en afgevoerd naar een erkend verwerker. De putten en wanden zijn uitgekeurd ter controle van de achterblijvende verontreiniging. Hieruit is gebleken dat enkel ter plaatse van monster CB1 (0,5-0,7 m-mv) lichte verontreinigingen met minerale olie zijn achtergebleven, in de overige put- en wandmonsters zijn geen verontreinigingen met minerale olie boven de rapportagegrens aangetoond. Deze lichte verontreiniging is niet verder gesaneerd. Grondwater is niet aangetroffen in onderzoek 2008 en daarom niet gesaneerd.

Na uitkeuring en afvoer van de verontreinigde grond is het ontgravingsgat aangevuld met circa 30 m3 schoon zand. Conclusie/advies huidige onderzoek: Grond voldoende gesaneerd op minerale olie. Opgemerkt wordt dat er niet geanalyseerd is op aromaten. Gezien het feit dat sanering ruim 15 jaar geleden heeft plaatsgevonden en reeds is ontgraven en aromaten van nature afbreken, worden geen verontreinigingen meer verwacht in de bodem met deze parameters. Wel wordt veiligheidshalve geadviseerd een boring met peilbuis te plaatsen ter hoogte van het gesaneerd gebied, om uit te sluiten dat het grondwater hier niet mee verontreinigd is. Rapport: PJ Milieu, verkennend bodemonderzoek Noordelijke Verbindingsweg te Leidschendam, 19034501A, d.d.

10:

22 mei 2019

(Monsternemingspunten-/advies)kaart beschreven onderzoek ten opzicht van huidige onderzoekslocatie grens met roze lijn

Locatienr en ligging met rode lijn t.o.v. (deel van) huidige onderzoekslocatie grens met blauwe lijn

Samenvatting relevante rapporten Aanleiding: In verband met afvoer van regenwater afkomstig van onder andere de Noordelijke Verbindingsweg op de wadi (bufferings- en infiltratievoorziening) af te voeren. Hierdoor is mogelijk de bodemkwaliteit ter plaatse van de wadi verslechterd. Verdachte bronnen/activiteiten: Regenwaterafvoer Onderzoeksstrategieën: NEN5740: VED-HE-NL. Analysepakket: Standaard analysepakket en PFOA Zintuigelijke bijzonderheden: Ter plaatse van boringen 4 t/m 7 en 101 t/m 103 zijn bijmengingen met baksteen aangetroffen in de bovengrond, ter plaatse van boringen 3, 4 en 6 zijn deze bijmengingen aangetroffen in de ondergrond. Grond: In de bovengrond zijn lichte verontreinigingen aan zware metalen (kwik, lood, zink), PCB en PAK aangetoond. De lichte verontreinigingen zijn zowel in de toplaag in de wadi alsmede in de laag daaronder aangetoond. In de diepere ondergrond onder de wadi en in de bovengrond buiten de wadi zijn geen verontreinigingen aangetoond. Ook zijn in de grond en het grondwater verhoogde gehalten (grond) / concentraties (grondwater) aan PFOA/PFOS aangetoond, in de rapportage werd gesteld dat deze beschouwd kon worden als achtergrondbelasting.

Geconcludeerd werd dat door de activiteit om regenwater afkomstig van onder andere de Noordelijke Verbindingsweg op te vangen in de wadi, de kwaliteit van de grond negatief is beïnvloed aangezien de bodemkwaliteit slechter is dan de bodem rondom de wadi. Hiermee is formeel mogelijk sprake van een zorgplichtverontreiniging onder we Wet Bodembescherming (ontstaan tussen 1987 en 2024). Geadviseerd werd om circa iedere 5 jaar het onderzoek te herhalen om de bodemkwaliteit van de wadi te bewaken. Zover bekend is nog geen vervolgonderzoek uitgevoerd. Grondwater: Geen verontreinigingen >Sw. Grondwaterstand: 1,67 m-mv Conclusie/advies huidige onderzoek: Bodemkwaliteit voldoende bekend, er worden maximaal lichte verontreinigingen verwacht

11:

Rapport: Buro S/L, historisch, verkennend en nader bodemonderzoek Vlietweg 3 te Leidschendam, 2020054/RAP01 / 2022001/RAP1, d.d. 30 november 2020 en 14 april 2022 Aanleiding: Destijds voorgenomen nieuwbouwontwikkeling Verdachte bronnen/activiteiten: Op het terrein bevindt zich sinds circa 1950 een timmerfabriek (machinale houtbewerking), waar opslag van verf, slijperij, verfspuitwerkzaamheden en een dompelbad voor houtverduurzaming aanwezig is geweest. Onderzoeksstrategieën: NEN5740: VED-HE-NL. NEN5707: VED-HE en nader onderzoek vaststellen ernst en omvang. NTA5755 Analysepakket: Standaard analysepakket. Grond: aangevuld met asbest en PFAS. Zintuigelijke bijzonderheden: De bodem is baksteen- puinhoudend in zowel boven- als ondergrond. Aan westelijke zijde van bebouwing is grond asbesthoudend in de bovengrond (sleuven 2 en 3 en boring 6) Grond: Ter plaatse van boring 10 (zand met matige slak-, puin- en baksteenhoudend zand) zijn in de bovengrond (0,0-0,5 m-mv) sterke verontreinigingen met zware metalen (koper, lood, nikkel en zink) en PAK aangetoond. Ter plaatse van boring 6 (sterk puinhoudend zand met brokken baksteen) zijn sterke verontreinigingen met lood en PCB aangetoond in de toplaag (0,0-0,25 m-mv). Verder zijn er geen verontreinigingen met asbest in de bodem aangetoond en is de grond maximaal licht verontreinigd met zware metalen, PCB, PAK en minerale olie.

In MMPFAS2 (bovengrond boringen 4, 7, 8 en 11: klei 0,0-0,5 m-mv) zijn verontreinigingen met PFOS >landbouw/natuur aangetoond. In de zandige toplaag zijn geen gehaltes met PFOS boven de toetswaarde voor klasse Landbouw/natuur aangetoond. Voor de aangetoonde sterke verontreinigingen in dit onderzoek werd een aanvullend bodemonderzoek geadviseerd om de omvang van de sterke verontreiniging te bepalen.

Het nader bodemonderzoek is door BuroS/L uitgevoerd op 14 april 2022 (kenmerk: 2022001/RAP1). Ter plaatse van boringen 101 (0,0-0,5 m-mv) en 103 (0,0-0,4 m-mv) zijn sterke verontreinigingen met zware metalen (koper, lood en zink) en PAK (enkel boring 103) aangetoond. Verder zijn er ook matige verontreinigingen met PAK, lood,

(Monsternemingspunten-/advies)kaart beschreven onderzoek ten opzicht van huidige onderzoekslocatie grens met roze lijn

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=5c6d84e0-38ea-4671-a926-70f1794bfecc