CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

4718 - Bijlage 6 bij TAM-Omgevingsplan Overgoo - Bodem

Commissie Omgeving 23 juni 2026, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen TAM-omgevingsplan "Overgoo"26.165 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Tussentijdse rapportage verkennend (water)bodem- en funderingsonderzoek inclusief asbest ter hoogte van OvergooVlietweg (diverse nummers) te Leidschendam Herontwikkeling Overgoo-Fleetpark 29 november 2024

Kenmerk

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

Verantwoording Titel

Tussentijdse rapportage verkennend (water)bodem- en funderingsonderzoek inclusief asbest ter hoogte van Overgoo-Vlietweg (diverse nummers) te Leidschendam

Opdrachtgever

Molsbergen Development B.V.

Projectleider

Henk Jan Speksnijder

Auteurs

Naomi Bischops en Melvin Ornek

Tweede lezers

Karin Grobben, David Kroon (kwaliteitsborger BRL2000 protocol 2018) en Carel Lefeber (kwaliteitsborger BRL2000 protocol 2003)

Uitvoering meet- en inspectiewerk

Marvin (M.) Arsasemita, Ruben (B.J.G.) Dolman, Lucas (L.J.B.) van Nijnatten, Arnold (W.M.) Tang, Kamiel (K.) Navis, Rob (R.W.) Amatpawiro en Oswald (O.) Kraaikamp (TAUW, certificaatnummer K54913)

Kenmerk

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

Aantal pagina’s

72 (exclusief bijlagen)

Datum

29 november 2024

Handtekening

Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.

Colofon TAUW bv Rhijnspoor 209 Postbus 6 2900 AA Capelle aan den IJssel T +31 10 28 86 10 0 E info.rotterdam@tauw.com

2/72

Kenmerk

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

Inhoud 1

Inleiding ..................................................................................................................................... 5

2

Vooronderzoek .......................................................................................................................... 7

3

2.1

Algemeen ........................................................................................................................... 7

2.2

Locatiegegevens ................................................................................................................ 8

2.3

Historische ontwikkeling ................................................................................................... 11

2.4

Decentraal beleid ............................................................................................................. 11

2.5

Regionale bodemopbouw en geohydrologie .................................................................... 12

2.6

Verdachte deellocaties, bodemonderzoek en verontreinigingssituatie ............................ 16

2.7

PFAS-verdachtheid van de bodem .................................................................................. 17

2.8

Asbestverdachtheid van de bodem .................................................................................. 18

2.9

Terreinverkenning ............................................................................................................ 20

2.10

Beantwoording onderzoeksvragen vooronderzoek .......................................................... 20

2.11

Vooronderzoek waterbodem ............................................................................................ 22

Onderzoeksstrategie en uitgevoerde werkzaamheden ........................................................... 23 3.1

4

Onderzoeksstrategieën landbodemonderzoek ................................................................ 23

3.1.1

Noordelijk deelgebied................................................................................................ 24

3.1.2

Midden-, zuiden- en westelijk deelgebied ................................................................. 27

3.2

Onderzoeksstrategieën waterbodemonderzoek .............................................................. 30

3.3

Uitgevoerde werkzaamheden .......................................................................................... 31

3.4

Veiligheid, kwaliteit en duurzaamheid .............................................................................. 37

Resultaten en interpretatie ...................................................................................................... 42 4.1

Zintuiglijke waarnemingen ................................................................................................ 42

4.2

Veldmetingen ................................................................................................................... 45

4.3

Toetsing analyseresultaten grond, fundering en grondwater ........................................... 46

4.3.1

Noordelijk deelgebied................................................................................................ 46

4.3.2

Midden-, zuid- en westelijk deelgebied ..................................................................... 54

4.3.3

Gedempte watergangen 1950 en 1990 (sublocatie 1.2 en 2.2) ................................ 59

4.4

Toetsing analyseresultaten waterbodem ......................................................................... 61

4.4.1 5

PFAS in waterbodem ................................................................................................ 64

Samenvatting, conclusies en aanbevelingen .......................................................................... 66

3/72

Kenmerk

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

5.1

Conclusies ........................................................................................................................ 66

5.2

Aanbevelingen ................................................................................................................. 69

Bijlage 1

Regionale ligging onderzoekslocatie

Bijlage 2

Kaarten onderzoekslocatie

Bijlage 3

Bevindingen vooronderzoek

Bijlage 4

Waterbodem onderzoek

Bijlage 5

Kaart situering monsterpunten

Bijlage 6

Veiligheid, kwaliteit en duurzaamheid

Bijlage 7

Boorprofielen

Bijlage 8

Toetsingskader

Bijlage 9

Getoetste omgerekende analyseresultaten

Bijlage 10

Analysecertificaten

Bijlage 11

Formulieren veldwerk asbest

Bijlage 12

Berekening asbestgehalten

Bijlage 13

Foto’s onderzoekslocatie en veldwerk

Bijlage 14

Visualisatie verontreinigingssituatie

4/72

Kenmerk

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

1 Inleiding In opdracht van Molsbergen Development B.V. heeft TAUW de volgende onderzoeken uitgevoerd ter hoogte van Overgoo-Vlietweg in Leidschendam:  Vooronderzoek landbodem volgens NEN 57251  Verkennend landbodemonderzoek volgens NEN 57402   

Vooronderzoek waterbodem volgens NEN 57173 Verkennend waterbodemonderzoek volgens NEN 57204 Verkennend onderzoek naar asbest in de bodem volgens NEN 57075

Verkennend onderzoek asbest in de afgedekte funderingslaag volgens NEN 58976

Onderhavige rapportage betreft een tussentijdse rapportage van de resultaten van het onderzoek tot heden. Het (water)bodem- en funderingsonderzoek inclusief asbest dient in een later stadium nog aangevuld te worden. De aanbevelingen hiervoor zijn opgenomen in hoofdstuk 5. De aanleiding voor de uitvoering van het bodemonderzoek inclusief asbest is:  De voorgenomen bouw op een bodemgevoelige locatie  De voorgenomen aanvraag tot wijziging van het omgevingsplan   

De voorgenomen graafwerkzaamheden met een graafvolume van meer dan 25 m3 De afvoer van vrijkomende grond naar een erkend verwerker (grondbank of grondreiniger) De voorgenomen aankoop van de locatie

Het doel van het verkennend landbodemonderzoek is:  Bepalen of de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik en het verzamelen van gegevens 

 

die nodig zijn voor de wijziging van het omgevingsplan Bepalen of de voorgenomen graafwerkzaamheden worden uitgevoerd in grond met een kwaliteit boven of onder de interventiewaarde en vaststellen welke milieubelastende activiteiten uit het Bal of regels uit het omgevingsplan van toepassing zijn Bepalen van de indicatieve bodemkwaliteitsklasse van de af te voeren grond Het bepalen van de bij de graafwerkzaamheden te hanteren veiligheidsklassen conform CROW-400 publicatie

1

NEN 5725: Bodem - Strategie bij het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, oktober 2023 NEN 5740: 2023 nl: Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, oktober 2023 3 NEN 5717:2023 Bodem - Waterbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, oktober 2023 4 NEN 5720:2023 Bodem - Waterbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch onderzoek, oktober 2023 5 NEN 5707+C2:2017: Bodem - Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond, december 2017 6 NEN 5897+C2:2017: Monsterneming van asbest in onbewerkt bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat, december 2017 2

5/72

Kenmerk

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

Het doel van het verkennend (landbodem-/verhardings)onderzoek naar asbest is:  

Bepalen of de verdenking van verontreiniging van de bodem en puinverharding met asbest terecht is Het bepalen van het indicatieve gehalte aan asbest en de noodzaak voor het uitvoeren van

een nader bodemonderzoek asbest Bepalen of (mogelijk) sprake is van een asbestweg zoals bedoeld in het Besluit Asbestwegen

De aanleiding voor het waterbodemonderzoek is:  De voorgenomen baggerwerkzaamheden  De voorgenomen demping van het oppervlaktewater 

De voorgenomen verdieping/ontgraving van de waterbodem

Het doel van het waterbodemonderzoek is:  

Het bepalen van de kwaliteit van de te ontgraven waterbodem en de te baggeren baggerspecie Het bepalen welke veiligheidsklassen (CROW 400) van toepassing zijn tijdens de graaf- en baggerwerkzaamheden

6/72

Kenmerk

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

2 Vooronderzoek 2.1

Algemeen

Vooronderzoek landbodem Gezien de aanleiding van het onderzoek is gekozen om de onderzoeksvragen te beantwoorden behorend bij aanleiding A (uitvoeren bodemonderzoek) uit NEN 5725. In paragraaf 2.10 zijn de onderzoeksvragen en antwoorden hierop beschreven. Voor het inventariseren van de verdachte deellocaties (voormalige of huidige bedrijfsactiviteiten, dempingen, tanks, incidenten et cetera) zijn de volgende informatiebronnen geraadpleegd:   

Kadaster BAG-gegevens Bodemloket

  

Luchtfoto’s van Cyclomedia Streetsmart (2008-2023) Straatfoto’s van Cyclomedia Streetsmart (2008-2023) Door de opdrachtgever aangeleverde informatie

  

Fysieke terreinverkenning Historische topografische kaarten van Topotijdreis 1865-heden Waterbeheerder (legger Hoogheemraadschap Delfland)

  

Omgevingsplan van gemeente (gemeente Leidschendam-Voorburg) Bodeminformatie beschikbaar bij de gemeente Leidschendam-Voorburg Bodeminformatie beschikbaar bij Omgevingsdienst Haaglanden (BIO-viewer)

  

DINO loket Nota Bodembeheer gemeente Leidschendam Voorburg inclusief PFAS Nota archeologie herijking 2013 gemeente Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en

 

Wassenaar Beschikbare bodeminformatie bij TAUW VEO bommenkaart

AHN-viewer (hoogtekaart van Nederland)

Vooronderzoek waterbodem Het doel van het vooronderzoek is een uitspraak te doen over de verwachte milieuhygiënische kwaliteit van de waterbodem, de daaruit vrijkomende baggerspecie en eventueel overige relevante gegevens zoals de aanwezigheid van kwetsbare objecten en obstakels op de locatie en in de directe omgeving. Voor het inventariseren van de beschikbare gegevens is naast de bovenstaande genoemde informatiebronnen voor het landbodemonderzoek de volgende informatiebron geraadpleegd:  Waterbeheerder (legger Hoogheemraadschap Delfland) De verzamelde informatie is opgenomen in bijlage 4, in een tabel gebaseerd op de controlelijst uit bijlage A van protocol NEN 5717.

7/72

Kenmerk

2.2

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

Locatiegegevens

Het businesspark Fleetpark is gelegen in het zuiden van Leidschendam, aan het kanaal de Leidsche Vliet. Het plangebied wordt op dit moment gebruikt als bedrijventerrein (kantoorpanden, zorginstellingen), infrastructuur (parkeerplaats, autowegen, fiets- en voetpad) en recreatiegebied. Plaatselijk is sprake van braakliggend gebied. In bijlage 2a is de contour van de onderzoekslocatie en het te ontwikkelen gebied weergegeven, de oppervlakte hiervan betreft circa 7,2 hectare. De locatie is ontsloten door infrastructuur, met aan de westelijke zijde de Noordelijke Verbindingsweg, de Vlietweg, het waterlichaam Leidsche Vliet aan de noordelijke zijde en de Rijksweg A4 aan de zuidelijke zijde. Oostelijk van de locatie bevindt zich een woonwijk. Het gebied wordt aan de noordkant beschermd tegen hoogwater uit de Vliet door middel van een regionale waterkering langs de Vlietweg. Er loopt een brede watergang dwars over de onderzoekslocatie, met hier achter een polderkade (overige waterkering) welke het lager gelegen zuidelijk gebied van de onderzoekslocatie beschermt tegen hoogwater. De opdrachtgever is voornemens om de locatie te herontwikkelen tot woon-, werk- en recreatiegebied. Hiervoor wordt onder andere de huidige bebouwing gesloopt, (met uitzondering van de bebouwing Overgoo 11-15 op het zuidelijk deel van de onderzoekslocatie).

Daarnaast worden nieuwe flats en kantoorpanden gebouwd, wadi’s en infrastructuur aangelegd en sloten verlegd, verbreed en/of gedempt (zie bijlage 2d). Een overzicht van de voorgenomen ontwikkeling is opgenomen in bijlage 2b. In bijlage 2c is de beoogde ontwikkeling transparant geprojecteerd over de huidige situatie. Opgemerkt wordt dat momenteel de exacte details van de voorgenomen herontwikkelingen niet geheel duidelijk zijn (grondwerkzaamheden, ontgravingslocaties, ontgravingsdieptes, ophogingen en dergelijke). In onderhavige rapportage wordt rekening gehouden met een verwachte ontgravingsdiepte van circa 1 m -mv. Op het zuidelijk deel zal mogelijk minder diep of niet ontgraven (enkel opgehoogd) worden, aangezien dit gebied lager gelegen is (zie ook paragraaf 2.5). De regionale ligging van de onderzoekslocatie is weergegeven in bijlage 1.

8/72

Kenmerk

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

Tabel 2.1 Algemene gegevens onderzoekslocatie

Adres

Ter hoogte van Overgoo te Leidschendam

Kadastrale gegevens (www.kadaster.nl)

Stomwijk, sectie H, nummers: 

2490

2517

2519 t/m 2530

2539

2542

2590

2604

2624

2625

2627

2641

2890

3517 t/m 3520

4692

4698

4790 t/m 4792

4794

4795

4797

4818

’s-Gravenhage, sectie BD, nummer:

Publiekrechtelijke beperking

4436

6855

Stompwijk, sectie H, nr 4818: Kennisgeving, vordering, bevel of beschikking Wet Bodembescherming1

RD-coördinaten (X/Y)

86.920 / 454.735

Bevoegd gezag grond

Gemeente Leidschendam-Voorburg

Bevoegd gezag grondwatersaneringen

Gemeente Leidschendam-Voorburg

2

Oppervlakte (m )

Circa 72.000

Verhardingssituatie (m2)

Circa 18.500 (klinkers en tegels en gebouwen)

2

Bebouwing (m )

Circa 12.500

Voormalig gebruik

Agrarisch / weilanden met sloten (voor 1970)

Huidig gebruik

Parkeerplaats, bedrijfsbebouwing, infrastructuur, water en groen

Toekomstig gebruik

Wonen, kantoren, groen/recreatie

Gebruik conform risicobeoordelingssystematiek

Noordelijk deel: Ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie

9/72

Kenmerk

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

Midden-, west- en zuidelijk: Natuur Bodemfunctieklasse1

Noordelijk deel: Industrie Zuid- en westelijk deel: Wonen

Bodemkwaliteitszone2

Noordelijk deel: Zone 1 Midden-, west- en zuidelijk: Zone 3

Zone ontgravingsklasse (0-2 m -mv) 2

Noordelijk deel: Klasse Industrie Midden-, west- en zuidelijk: Achtergrondwaarde

Zone toepassingseis (0-2 m -mv) 2

Noordelijk deel: Klasse Industrie Midden-, west- en zuidelijk: Achtergrondwaarde

Bodemkwaliteitskaart inclusief PFAS?

3

Bodemkwaliteitszone PFAS 3

Ja, middels generiek beleid Zone PFAS Stedelijk gebied Bovengrond: Wonen/industrie Ondergrond: Achtergrondwaarde

Toepassingsnorm PFAS (0-2 m - mv)

3

PFOA 7,0 ug/kg d.s./overige individuele PFAS 3,0 ug/kg d.s.

Lokaal saneringsbeleid PFAS?

3

Nee

Lokale beleidsregel toepassingsbeleid PFAS 3

Nee

Is binnen de onderzoekslocatie een overgangsrechtsituatie

Nee

aanwezig? Archeologie*

Noordelijk deel: Hoge Archeologische verwachting Midden- en zuidelijk deel: Lage archeologische verwachting5

Invasieve exoten4

Niet waargenomen

Ontplofbare oorlogsresten*

Direct noordoostelijk (ter hoogte van Vlietweg 812) is mogelijk verschoten klein kaliber munitie tot een diepte van 0,5 m aanwezig6. Binnen plangebied en nabij geen OO bekend.

* Geen verplicht onderdeel vanuit NEN 5725 1

In afwijking op de NEN5725 zijn de eigendomsgegevens niet opgevraagd, vanwege de vele perceeleigenaren in

het gebied. De beperking geldt voor een deel van het perceel, niet overlappend met het deel van het perceel dat binnen de huidige onderzoekslocatie valt. Zie ook uitwerking rapport 6 bijlage 3b. 2

Bron: Nota bodembeheer gemeentes Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar, Marmos

Bodemmanagement, P10-20, d.d. 10 oktober 2013. Opgemerkt wordt dat de Nota Bodembeheer >10 jaar oud is en formeel verouderd. Er is zover bekend geen recentere Nota bodembeheer. 3

Bron: Bodemkwaliteitskaart PFAS gemeente Leidschendam-Voorburg, Marmos Bodemmanagement, P20-04, d.d.

23 september 2021 4

Bron: Cyclomedia, TAUW Project Locations Tool, en www.waarnemingen.nl, terreinverkenning

5

Nota archeologie herijking 2013 gemeente Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar

6

Gemeente Leidschendam-Voorburg en www.explosievenopsporing.nl/veo-boommenkaart/ en www.ikme.nl

10/72

Kenmerk

2.3

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

Historische ontwikkeling

De onderzoekslocatie is gelegen in een voormalig poldergebied met agrarische bestemming (weilanden met sloten). Op basis van de historische kaarten was de volledige onderzoekslocatie tot circa 1850 gelegen in een waterlichaam (Tedingerbroek). Vanaf dit jaar is het noordelijk deel van de huidige onderzoekslocatie gelegen in agrarisch gebied en is ook stratenstructuur van de Vlietweg (regionale waterkering noordelijk van de onderzoekslocatie) te zien. Het zuidelijk deel van de onderzoekslocatie is vanaf circa 1870 gelegen in de polder (polder Tedingerbroek). De eerste bebouwing nabij de onderzoekslocatie is vanaf circa 1870 te zien, enkele meters oostelijk van het noodoostelijk deel van de onderzoekslocatie. Rond 1960 zijn op het noordelijke deel enkele ontwikkelingen bebouwingen te zien waarvoor rond 1950 grootschalig sloten zijn. De milieuhygiënische kwaliteit en het soort materiaal van deze ophoging is onbekend. Vanwege de grootschaligheid van de ophogingen wordt verwacht dat de watergangen zijn gedempt met gebiedseigen grond. In dezelfde periode (rond 1960) is westelijk van de onderzoekslocatie de Provincialeweg N14 aangelegd en ten zuiden de Rijksweg A4. Rond 1975 zijn enkele bebouwingen bijgeplaatst op het noordelijk deel van de onderzoekslocatie. In de jaren ’70 en ’80 is de woonwijk westelijk van de onderzoekslocatie gebouwd.

Rond 1990 zijn een aantal van de bebouwingen op het noordelijk deel van de onderzoekslocatie gesloopt, waarna is begonnen met de bouw van de huidige panden. De bebouwing op het zuidelijk deel van de onderzoekslocatie (Overgoo 11-15) is rond 1980 gebouwd. Begin jaren ’90 zijn enkele sloten op het zuidelijk deel van de onderzoekslocatie gedempt. Rond 2007 is de Noordelijke Verbindingsweg en Leidscheveensepad (fietspad) aangelegd, gelegen op het westelijk deel binnen de onderzoekslocatie. In deze periode is ook een deel van de brede watergang gedempt op het westelijk deel van de onderzoekslocatie. Vanwege de dempingsperiode wordt verwacht dat hierbij gecertificeerd schone grond is aangebracht, hier zijn echter geen gegevens van bekend. Sindsdien zijn verder geen relevante ontwikkelingen te zien op historische kaarten. In bijlage 3a is de onderzoekslocatie geprojecteerd op diverse historische kaarten en is een visualisatie met overzicht van de meest relevante historische ontwikkelingen opgenomen.

2.4

Decentraal beleid

Uit raadpleging van het Omgevingsplan van de gemeente en de Omgevingsverordening van de provincie blijkt dat geen afwijkende decentrale regels van toepassing zijn voor de geplande werkzaamheden. De bruidsschatregels zijn opgenomen in het Omgevingsplan en niet aangevuld. Opgemerkt wordt dat de Nota Bodembeheer van de gemeentes Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar (Marmos Bodemmanagement, P10-20, d.d. 10 oktober 2013) verouderd is. Indien de gemeente een nieuwe Nota Bodembeheer opstelt, kunnen hier aanvullende regels in worden opgenomen.

11/72

Kenmerk

2.5

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

Regionale bodemopbouw en geohydrologie

In tabel 2.2 zijn de regionale bodemopbouw en geohydrologische gegevens ter plaatse van de onderzoekslocatie weergegeven. Lokale omstandigheden zoals waterlopen, drainagesystemen, (lekke) rioleringen en dergelijke kunnen de regionale stromingsrichting van het freatische grondwater beïnvloeden. Tabel 2.2 Regionale bodemopbouw en geohydrologische gegevens Onderdeel

Bevinding

Informatiebron

Regionale bodemopbouw

Bebouwd gebied

Bodemkaart van Nederland, WUR¹

Maaiveld hoogte

-3,60 m NAP

AHN2

Stijghoogte freatische grondwater

2.42 m -NAP

NAGROM³

Verwachte regionale grondwaterstromingsrichting van het

Oost Zuid Oost

NAGROM³

In een grondwaterbeschermingsgebied?

Nee

INSPIRE View⁴

Onttrekkingen binnen de onderzoekslocatie?

Ja

wkotool.nl⁵

Kwel / infiltratie (tussen deklaag en watervoerende laag)

Infiltratie (1-2 mm/dag)

Klimaateffectatlas⁶

eerste watervoerend pakket

¹ https://www.wur.nl/nl/show/Bodemkaart-1-50-000.htm ² Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3) ³ NAGROM, Nationaal GROndwater Model ⁴ INSPIRE view service voor AreaManagement van de gezamenlijke provincies ⁵ Betreft onttrekkingen die zowel vergunningsplichtig als meldingsplichtig zijn ⁶ Klimaateffectatlas stichting CAS, kwel en infiltratie huidig

Bij de gemeente Leidschendam-Voorburg is onderstaande overzichtskaart beschikbaar voor de verschillende laagpakketten:

12/72

Kenmerk

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

Figuur 2.1 Overzicht verschillende laagpaketten ter plaatse van onderzoekslocatie ingetekend met lichtgroene lijn. Bron: Gemeente Leidschendam-Voorburg

Op basis van bestaand grondonderzoek uit DINOloket middels 6 sonderingen, is een globaal beeld van de grondopbouw gekregen. Grofweg bestaat de grondopbouw uit een kleipakket van 2 m. met een dun laagje veen van minder dan een meter dik, gevolg door een zandpakket vancirca4 m. Hieronder bevindt zicht een dik kleipakket van 6 à 7 m met daaronder zand. De grondopbouw verschilt per locatie hoogte van het maaiveld. Onderstaand zijn de sonderingen en bodemopbouw weergegeven:

13/72

Kenmerk

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

Figuur 2.2 Overzicht sonderingen en bodemopbouw, gegenereerd met de TAUW GeoApp. Bron: DinoLoket

De hoogte van het maaiveld varieert sterk in het gebied, onderstaande afbeelding geeft een impressie van de hoogte van het maaiveld ten opzichte van het NAP:

14/72

Kenmerk

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

Figuur 2.3 Impressie hoogteligging maaiveld binnen onderzoekslocatie ten opzichte van NAP (bron: AHN-viewer)

Ter plaatse van de binnenkant van de polderkering ligt het maaiveld op circa NAP -3,97 m. Dit bevindt zich aanzienlijk lager dan het peil ten noorden van de polderkade, dit is vastgesteld op circa NAP -2,00 m. Aan de westkant van de onderzoekslocatie varieert het vastgestelde polderpeil tussen -1,45 en -1,75 m NAP, dit wordt gereguleerd door verschillende greppels en duikers. Ter hoogte van Overgoo 11-15 en naastgelegen parkeerplaats varieert de maaiveldhoogte van -4,75 m / -4,85 m NAP. Op het meest zuidelijke onontwikkeld deel van de onderzoekslocatie varieert de hoogte sterk tussen plaatselijk -3,4 (meest zuidelijke deel) en -4,7 m. NAP (midden- en westelijk op het meest zuidelijk gebied).

Figuur 2.4 Impressie hoogteligging maaiveld binnen onderzoekslocatie ten opzichte van NAP

15/72

Kenmerk

2.6

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

Verdachte deellocaties, bodemonderzoek en verontreinigingssituatie

De relevante bodemonderzoeken ter plaatse en nabij de onderzoekslocatie, verdachte puntbronnen en verontreinigingssituatie zijn beschreven in bijlage 3b. Binnen en nabij de huidige onderzoekslocatie zijn 13 gebieden waar bodemonderzoeken zijn uitgevoerd en samengevat in bijlage 3. De bodemonderzoeken zijn uitgevoerd op/nabij het noord- en middendeel van de onderzoekslocatie. De invloed van eventueel aanwezige bodembedreigende activiteiten en puntbronnen op de bodemkwaliteit is hiermee binnen de onderzochte gebieden overwegend in voldoende mate bekend. Hier zijn enkele uitzonderingen op, deze zijn beschreven bij onderstaande locatienummers in bijlage 3b: 

Locatie 2: Sterke verontreiniging met asbest in ondergrond nabij Vlietweg 2, op het trottoir

grenzend aan de noordelijk zijde van de onderzoekslocatie. Niet afgeperkt in zuid- en westelijke richting binnen huidige onderzoekslocatie Locatie 3: Enkele (voormalige) bodembedreigende activiteiten aanwezig geweest, waaronder opslag van fotochemicaliën, drukkerij, opslag smeerolievaten, laboratorium en research- en wetenschappelijke instelling. Ligging van deze activiteiten en invloed op de bodemkwaliteit zover bekend niet onderzocht. In 1999 is een bodemonderzoek uitgevoerd op dit terrein, waarbij enkel lichte verontreinigingen zijn aangetoond. De genoemde verdachte puntbronnen waren in dit onderzoek echter niet bekend en het onderzoek is sterk verouderd en hierdoor niet meer bruikbaar. In dit onderzoek zijn bijmengingen met puin aangetroffen, echter is niet

onderzocht op asbest Locatie 4: Bijmengingen met puin aangetroffen in de bodem en plaatselijk een puinlaag, de bodem en puinlaag is indicatief (niet conform NEN5707 / NEN5897) onderzocht op asbest, waarbij plaatselijk 53 mg/kg d.s. asbest is aangetoond in de bovengrond. De locatie is hiermee onvoldoende onderzocht op asbest. Verder zijn enkele (voormalige) verdachte puntbronnen bekend binnen de onderzochte locatie, de invloed hiervan op de bodemkwaliteit is voldoende onderzocht, daarbij zijn lichte tot plaatselijk maximaal matige (nikkel) verontreinigingen aangetoond in de bodem. Na uitvoering van het bodemonderzoek in 2014 is de locatie zover bekend niet verder ontwikkeld

Locatie 13: Net buiten de onderzoekslocatie is op het achterterrein van Vlietweg 8a in 2006 een olieverontreiniging geconstateerd. Onbekend is wat de bron van de verontreiniging is, zover bekend is hier geen verder onderzoek naar uitgevoerd. De exacte ligging, omvang en mate van verontreiniging is daarom onbekend. Richting de huidige onderzoekslocatie is de verontreiniging niet afgeperkt

16/72

Kenmerk

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

Daarnaast zijn op de onderzoekslocatie enkele verdachte bronnen niet eerder onderzocht en daarom niet beschreven in bijlage 3b:  Gedempte watergangen rond 1950 (noordelijk deel) en 1990 (zuidelijk deel). Zie ook paragraaf 2.3). Ter hoogte van Overgoo 13-15: Benzine afscheider (zie paragraaf 2.9) Verder zijn de volgende verdachte puntbronnen (mogelijk) aanwezig geweest nabij de onderzoekslocatie (enkele meters oostelijk van het noordelijk deel). De invloed hiervan op de milieuhygiënische bodemkwaliteit is niet bekend/onderzocht: 

Vlietweg 8: Mogelijk voormalig taxibedrijf, autoreparatiebedrijf en transportbedrijf

Achterzijde Vlietweg 8: Garagebedrijf met spuitactiviteiten en voormalige tank voor afgewerkte olie Vlietweg 10: Mogelijk voormalig burgerlijk- en utiliteitsbouwbedrijf

Een overzicht van de verdachte puntbronnen en relevante aangetoonde bodemverontreinigingen zijn op de kaart weergegeven in bijlage 3c.

2.7

PFAS-verdachtheid van de bodem

Op/nabij de onderzoekslocatie zijn enkele terreindelen aanwezig die de bodem verdacht maken voor PFAS verbindingen als gevolg van puntbronnen7, 8. De kans op aanwezigheid van PFAS in de bodem als gevolg van aanwezigheid van puntbronnen wordt beperkt geacht. Onderstaande bronnen zijn bekend op het noordelijk deel van het terrein. Het is mogelijk dat voor deze activiteiten PFAS is gebruikt, hier zijn echter geen concrete aanwijzingen voor. Om dit uit te sluiten, wordt aanbevolen enkele grond- en grondwatermonsters ter hoogte van deze activiteiten te analyseren op PFAS:  Vlietweg 8: Garagebedrijf met spuitactiviteiten  Vlietweg 8a: Autobedrijf met spuitactiviteiten 

Voormalig meubelfabriek ter hoogte van huidig adres Vlietweg 15

Bovenstaand genoemde PFAS verdachte activiteiten zijn tevens weergegeven in bijlage 3c. De bovengrond en diepere geroerde bodemlagen zijn op basis van de kamerbrief van 8 juli 2019 bij het Tijdelijk Handelingskader PFAS in heel Nederland verdacht op het diffuus voorkomen van PFAS9 als gevolg van atmosferische depositie. Daarom wordt geconcludeerd dat de bodem diffuus verdacht is voor PFAS met uitzondering van GenX.

7

Op basis van tabel 1 handelingskader PFAS, handelingskader PFAS, Expertisecentrum PFAS, 25 juni 2018 En op basis van Glüge, J., Scheringer, M., Cousins, I. T., DeWitt, J. C., Goldenman, G., Herzke, D., Wang, Z. (2020). An overview of the uses OF per- and POLYFLUOROALKYL Substances (pfas). Environmental Science: Processes & Impacts, 22(12), 2345-2373. doi:10.1039/d0em00291g (Glüge, 2020) 9 Kamerbrief bij Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie, Ministerie van Verkeer en Waterstaat, 8 juli 2019 8

17/72

Kenmerk

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

Door de gemeente Leidschendam-Voorburg is een Nota bodembeheer specifiek voor PFOS opgesteld. Hieruit blijkt dat de maximale meetwaarde voor PFOS in de bovengrond (0,0-0,5 m mv) tussen 0,4-0,8 ug/kg d.s. betreft en voor PFOA <0,4 ug/kg d.s. Voor PFOA en de ondergrond zijn geen gehaltes bekend in de grond op basis van de bodemkwaliteitskaart. Uit het uitgewerkt onderzoek (locatie 8, bijlage 3b) blijkt dat plaatselijk een volkstuincomplex aanwezig is geweest en het maaiveld hier onverhard is. Uit het bodemonderzoek (locatie 7, bijlage 3b) blijkt dat in de waterbodem naast het voormalig volkstuincomplex (vak 1) initieel een verhoogd PFAS gehalte is aangetoond. Bij een verificatie onderzoek is echter geen PFAS gehalte meer aangetoond in de waterbodem. Een verklaring van dit verschil in onderzoeksresultaten kon niet worden gegeven. Doordat water uit deze watergang mogelijk is gebruikt om de volkstuinen te bewateren, wordt de bovengrond in dit gebied als PFAS-verdacht beschouwd. Het PFAS verdachte gebied is gevisualiseerd in bijlage 3d.

2.8

Asbestverdachtheid van de bodem

In tabel 2.3 is het vooronderzoek van asbest opgenomen. Tabel 2.3 Vooronderzoek asbest Asbestverdacht aspect

Verdacht?

Informatiebron/toelichting

(ja/nee/) Puinhoudende grond

Ja

Zie paragraaf 2.6. Op het noordelijk deel van het terrein is de bodem

Asbestverwerkende industrie

Nee

Geen aanwijzingen voor op basis van beschikbare bronnen

Asbest in industriële

Nee

Geen aanwijzingen voor op basis van beschikbare bronnen

Nee

Geen aanwijzingen voor op basis van beschikbare bronnen

Ja

Topotijdreis: Sprake is van gedempte sloten binnen de

puinhoudend, waargenomen in diverse bodemonderzoeken

voorzieningen Asbestbewerkingen, zoals zagen en slijpen en opslag van asbest Asbestwegen -erven, dammen en dempingen

onderzoekslocatie, gedempt in een asbestverdachte periode. Kwaliteit dempingsmateriaal is onbekend, mogelijk asbesthoudend. Voorgaand bodemonderzoek: Plaatselijk een puinlaag aanwezig onder de weg/parkeerplaats op het noordelijk deel van de onderzoekslocatie. Indicatief is geen asbest aangetoond. Vanwege indicatieve karakter kan niet met zekerheid gesteld worden dat geen sprake is van een asbestweg.

Historische ophogingen met

Nee

Geen aanwijzingen voor op basis van beschikbare bronnen

asbesthoudende bodem of baggerspecie

18/72

Kenmerk

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

Asbestverdacht aspect

Verdacht?

Informatiebron/toelichting

(ja/nee/) Asbesthoudende bebouwing

Ja

Topotijdreis: Op het noordelijk deel van de onderzoekslocatie is sprake van bouw en (plaatselijk) sloop van bebouwing in een asbestverdachte periode. Opdrachtgever: Ter plaatse van het zuidelijk deel is Overgoo 11-15 gebouwd in de asbestverdachte periode (eind jaren ’80). Onbekend is of deze bebouwingen asbesthoudend zijn geweest.

Asbesthoudende

Nee

Geen aanwijzingen voor op basis van beschikbare bronnen

Nee

Zie uitwerking locatie 8 bijlage 3b. Deze waren plaatselijk aanwezig ter

beschoeiingen of afperkingsschotten Glastuinbouw/kassen

plaatse van het voormalige volkstuinencomplex. Uit nader onderzoek blijk dat de bodem hier geen asbest bevat. Ongewone voorvallen met

Nee

Geen aanwijzingen voor op basis van beschikbare bronnen

Asbestbrand of explosie

Nee

Geen aanwijzingen voor op basis van beschikbare bronnen

Funderingslaag

Ja

Voorgaan onderzoek: Zuidelijk van Vlietweg 15 is een puinfundering

asbest

onder de weg aangetoond, niet onderzocht op asbest conform NEN5897. Zie locatie 4 bijlage 3b en bijlage 3c Stortingen

Nee

Geen aanwijzingen voor op basis van beschikbare bronnen

Voormalige opslag met

Nee

Geen aanwijzingen voor op basis van beschikbare bronnen

Nee

Geen aanwijzingen voor op basis van beschikbare bronnen

Nee

Geen aanwijzingen voor op basis van beschikbare bronnen

Ja

Zie paragraaf 2.6 en locatienummers 2 en 4 in bijlage 3b.

asbestverdacht materiaal (Voormalige) aanwezigheid van op- en overslag van puin of mobiele puinbrekers (Voormalige) aanwezigheid van depots puinhoudende grond Aangetoond asbest in eerdere onderzoeken

Uit het vooronderzoek blijkt dat onderstaande te onderscheiden asbestverdachte gebieden aanwezig zijn: 

Locatie 1: Noordelijk gebied huidige onderzoekslocatie, verdacht op asbest op basis van: -

Aangetoonde verontreinigingen met asbest in de grond (BP103), maar geen onderzoek uitgevoerd conform NEN5707 (locatienr. 4 van bijlage 3b) Bouw- en sloop van bebouwing in een asbestverdachte periode (zie paragraaf 2.3)

-

Aangetroffen bijmengingen met puin in de grond, maar niet onderzocht op asbest conform NEN5707 (zie locatienummers 3 en 4 van bijlage 3b) Locatie 2: Overgoo 11 t/m 15 (zuidelijk gebied huidige onderzoekslocatie), verdacht op asbest op basis van de bouwperiode van deze bebouwing (circa 1985)

19/72

Kenmerk

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

Locatie 3: Parkeerplaats tussen Vlietweg 15 en trottoir noordelijk hiervan, vanwege

aangetoonde sterke verontreinigingen met asbest in ondergrond grenzend aan noordelijk deel huidige onderzoekslocatie bij Vlietweg 15 (locatienr. 1 van bijlage 3b) Locatie 4: Plaatselijk aangetroffen puinlaag onder weg/parkeerplaats zuidelijk van Vlietweg

15. Deze puinlaag is niet onderzocht conform NEN5897 maar indicatief (locatienr. 4 van bijlage 3b) Locatie 5: Dempingen van voormalige watergangen in een asbestverdachte periode (zie paragraaf 2.3) binnen de onderzoekslocatie. Onbekend is of hierbij asbesthoudend dempingsmateriaal is toegepast

2.9

Terreinverkenning

Door de heer Martin van Rijn van de gemeente Leidschendam-Voorburg is op 9 september 2024 ook een terreinverkenning uitgevoerd en is oostelijk van de Overgoo 15 een benzine afscheider aangetroffen. Op 10 september 2024 is voorafgaand aan het veldwerk door TAUW een fysieke terreinverkenning uitgevoerd. Daarbij zijn geen bijzonderheden waargenomen. Doordat de benzine afscheider kortstondig voor de veldwerkzaamheden is opgemerkt heeft binnen huidig onderzoek hier nog geen onderzoek plaatsgevonden. Onbekend is daarom wat de eventuele invloed van de benzine afscheider is op de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Verder zijn geen bijzonderheden waargenomen. Tijdens de terreinverkenning zijn geen invasieve exoten waargenomen. Foto’s van de fysieke terreinverkenning zijn opgenomen in bijlage 13.

2.10 

Beantwoording onderzoeksvragen vooronderzoek

Zijn er potentiële bronnen van bodembelasting (verdachte (deel)locatie(s)), zowel vanuit het verleden als het heden? Zo ja, wat zijn deze potentiële bronnen van bodembelasting, waar liggen ze en wat zijn de mogelijke bodembedreigende stoffen? Op locatie zijn potentiële bronnen van bodemverontreiniging bekend welke beschreven zijn in paragraaf 2.6. De locatieligging van de verdachte bronnen zijn weergegeven in bijlage 3c.

Welke kwaliteitsklasse is toegekend aan de bodem in de bodemkwaliteitskaart en welke lagen zijn daarbij te onderscheiden? De kwaliteitsklasse die van toepassing is op de projectlocatie betreft industrie voor het noordelijk deel en klasse achtergrondwaarde voor het Midden-, west- en zuidelijk deel.

Is de bodem asbestverdacht? Ja, op basis van eerder uitgevoerd onderzoek (zie paragraaf 2.6) en de tabel uit paragraaf 2.8 is het noordelijk deel van de onderzoekslocatie en het zuidelijk deel (enkel langs de bebouwing van Overgoo 11-15) verdacht op het voorkomen van verontreinigingen met asbest. Daarnaast is het toegepaste dempingsmateriaal bij de voormalige watergangen verdacht wanneer sprake is van bodemvreemde materialen in de dempingslaag.

20/72

Kenmerk

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

Wat is de bodemopbouw en geohydrologie en is er binnen het onderzoeksgebied sprake van verschillende fysische kwaliteiten en/of bodemvreemde lagen? Zo ja, welke fysische kwaliteiten en/of bodemvreemde lagen zijn er en waar bevinden deze zich? Zie paragraaf 2.5 en bijlage 3b voor meer informatie over de regionale bodemopbouw en geohydrologie. Plaatselijk is in eerder onderzoek een puinlaag aangetroffen op het noordelijk deel van de onderzoekslocatie, voor visualisatie hiervan binnen de onderzoekslocatiegrens zie bijlage 3c. Op het noordelijk deel zijn plaatselijk bijmengingen met puin of baksteen aangetroffen in de grond. Op het zuidelijk deel van de onderzoekslocatie zijn geen bodemonderzoeken uitgevoerd, de bodemopbouw is daarom hier niet bekend.

Wordt de grondkwaliteit of de kwaliteit van het grondwater op de locatie beïnvloed door de omgeving? Zo ja, hoe en waar? Nee, hier zijn geen concrete aanwijzingen voor op basis van het uitgevoerde vooronderzoek. Opgemerkt wordt dat (mogelijk) enkele verdachte bronnen aanwezig zijn geweest ter plaatse van of nabij de geplande werkzaamheden, waarvan de invloed op de milieuhygiënische bodemkwaliteit onbekend is. Zie hiervoor paragraaf 2.6 en 2.9.

Wordt op de locatie of een deel daarvan een toevalsvondst en/of een overschrijding van de maximaal toelaatbare kwaliteit voor bouwen verwacht? En/of zijn er reeds bekende gevallen van ernstige bodemverontreiniging bekend? Zoals in paragraaf 2.6/bijlage 3b beschreven, is grenzend aan de noordelijke zijde van de onderzoekslocatie (noordelijk van Vlietweg 15) een verontreiniging met asbest in de ondergrond bekend. Onbekend is of deze verontreiniging ook aanwezig is binnen de onderzoekslocatie. Verder zijn geen aanwijzingen op overschrijdingen van de maximaal toelaatbare kwaliteit voor bouwen of het voorkomen van een toevalsvondst.

Is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem afdoende bekend of is bodemonderzoek noodzakelijk? Nee, ter plaatse en nabij het noordelijk deel van de onderzoekslocatie zijn (voormalige) verdachte activiteiten (mogelijk) aanwezig (geweest) (zie paragraaf 2.6 en 2.9) waarvan de invloed op de milieuhygiënische bodemkwaliteit onbekend is. Daarnaast is plaatselijk een verontreiniging met asbest in grond onvoldoende afgeperkt richting de onderzoekslocatie. Op het noordelijk deel is plaatselijk een matige verontreiniging met nikkel en een verontreiniging met asbest aangetoond. In de bovengrond zijn bijmengingen met puin aangetroffen welke niet is onderzocht op asbest conform NEN5707.

21/72

Kenmerk

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

Voor het merendeel van het zuidelijk deel van de onderzoekslocatie wordt verwacht dat de bodemkwaliteit overeenkomt met de verwachtingen op basis van de bodemkwaliteitskaart. Dit doordat hier geen verdachte bronnen of bodemonderzoeken geregistreerd zijn. Om hier inzicht in te krijgen is ook op dit deel de bodem onderzocht. Uitzondering hierop is de aangetroffen benzine afscheider en de (mogelijk puinhoudende) grond rondom de (potentieel asbestverdachte) bebouwing bij Overgoo 11-15. De invloed van deze bronnen op de bodemkwaliteit is niet bekend. 

Welke hypothese over de bodemkwaliteit en welke strategie zijn van toepassing bij de uitvoering van bodemonderzoek (inclusief de indeling van de onderzoekslocatie in deellocaties met verschillende strategie)? Voor de geadviseerde onderzoeksstrategieën op basis van de resultaten van het vooronderzoek wordt verwezen naar paragraaf 3.1. In bijlage 3d zijn de deellocaties van de geadviseerde onderzoeksstrategieën gevisualiseerd.

2.11

Vooronderzoek waterbodem

Voorafgaand aan het onderzoek is een vooronderzoek volgens NEN 5717 uitgevoerd. Het doel van het vooronderzoek is een uitspraak te doen over de verwachte milieuhygiënische kwaliteit van de waterbodem, de daaruit vrijkomende baggerspecie en eventueel overige relevante gegevens (zoals de aanwezigheid van kwetsbare objecten en obstakels op de locatie en in de directe omgeving). In bijlage 4 zijn de resultaten van het vooronderzoek opgenomen. Uit het vooronderzoek is gebleken dat in eerder uitgevoerd waterbodemonderzoek de waterbodem als klasse B is beoordeeld. Tevens is in het onderzoek (na heronderzoek) geen verontreinigingen met PFASverbindingen aangetoond. Zie ook uitwerking locatie 7 van bijlage 3b.

22/72

Kenmerk

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

3 Onderzoeksstrategie en uitgevoerde werkzaamheden 3.1

Onderzoeksstrategieën landbodemonderzoek

Het gehele onderzoeksgebied valt te verdelen in de volgende deelgebieden: 1. Noordelijk deel 2. Midden-, zuiden- en westelijk deel Op basis van het vooronderzoek en de veldwerkzaamheden is binnen deze deelgebieden sprake van sublocaties die separaat of gecombineerd zijn of nog dienen te worden onderzocht. Voor deelgebied 1 betreffen dit:  1.1 Bedrijventerrein met voormalige bodembedreigende activiteiten (plaatselijk inclusief PFAS) en bouw en sloop van bebouwing in asbestverdachte periode   

1.2 Gedempte watergangen (1950) 1.3 Asbestverontreiniging Vlietweg 1.4 Funderingslaag rijbaan

1.5 Calamiteitslocatie spil diesteltank vrachtwagen 2008

Voor deelgebied 2 betreffen dit:   

2.1 Onverdacht gebied 2.2 Gedempte watergangen (1990) 2.3 Bebouwing Overgoo 11-15

  

2.4 Funderingslaag parkeerplaats 2.5 Benzine afscheider 2.6 Voormalig volkstuinencomplex

Onderstaand zijn de deelgebieden en sublocaties weergegeven. Het overzicht hiervan is tevens opgenomen in bijlage 3d:

23/72

Kenmerk

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

Figuur 3.1 Overzicht deelgebieden

Zoals beschreven in de inleiding betreft onderhavige rapportage een tussenrapportage van de resultaten tot op heden. De resterende werkzaamheden worden in een latere fase aangevuld in onderhavig rapport. Bij het mengmonsters waar overschrijdingen van 0,5 * de interventiewaarde of de interventiewaarde zijn aangetoond, heeft uitsplitsing plaatsgevonden. Hierbij zijn de individuele deelmonsters separaat geanalyseerd op de matig tot sterk verhoogde parameters. De (separaat geanalyseerde) lagen waar sterke verontreinigingen (>Interventiewaarde) zijn aangetoond, zijn in de meeste gevallen verticaal afperkt door de lagen onder en/of boven de sterk verontreinigde lagen te analyseren op de verhoogde parameters. 3.1.1 3.1.1.1

Noordelijk deelgebied Sublocatie 1.1 Bedrijventerrein met voormalige bodembedreigende activiteiten

Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Op basis van de resultaten uit het vooronderzoek is op het gehele noordelijke deel sprake van een bedrijven terrein met (voormalige) bedrijfsactiviteiten. De gehele locatie wordt daarom als verdacht beschouwd. De locatie is conform de onderzoeksstrategie voor een ‘diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming’ (VED-HE) uit de NEN 5740 onderzocht. Op basis van het vooronderzoek wordt daarbij verwacht dat de bovengrond de meest verdachte bodemlaag is.

24/72

Kenmerk

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

In verband met de toekomstige ontgravingsdiepte zijn alle boringen doorgezet tot minimaal 1 m -mv of tot de onderzijde van de zintuiglijk verdachte laag. De grond en het grondwater is onderzocht op het standaardanalysepakket. PFAS Onderzoek naar PFAS heeft tot op heden nog niet plaatsgevonden. Aanbevolen is om dit onderzoek uit te voeren tijdens de vervolgfase. Ter plaatse van of nabij de PFAS verdachte puntbronnen (zie paragraaf 2.7) wordt per PFAS verdachte activiteit een boring geplaatst. De grond rond grondwaterstand en het grondwater van bestaande peilbuizen worden onderzocht op PFAS. Verwacht wordt dat het PFAS zich rond de grondwaterstand accumuleert. Verkennend asbest in bodemonderzoek NEN 5707 Vanwege de bouw en sloopwerkzaamheden in een asbestverdachte periode, de ophoging in asbestverdachte periode en de aanwezigheid van puinhoudende grond in het gebied, is de bodem verdacht op asbest. Het reguliere verkennend bodemonderzoek is gecombineerd uitgevoerd met een verkennend asbest in bodemonderzoek. Het gebied is onderzocht conform de strategie voor een ‘verdachte locatie met een diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld’ conform NEN5707. De bovengrond is als verdachte laag beschouwd. 3.1.1.2

Sublocatie 1.2 Gedempte watergangen 1950

Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Op het noordelijk deel zijn in de periode rond 1950 diverse watergangen gedempt ten behoeve van een vermoedelijke verkaveling van het gebied. Doordat verwacht wordt dat alle watergangen met gebiedseigen grond zijn gedempt is hier maatwerk toegepast. Van de 5 slootdempingen zijn 2 dempingen onderzocht middels een boorraai van drie boringen tot 2,0 m - mv die haaks op de demping zijn verricht. Hiermee is getracht de voormalige watergangen te lokaliseren. De resultaten van de 2 dempingen worden representatief gesteld voor de overige 3 slootdempingen. Daarnaast is bij de verspreiding van de overige boringen in het gebied ook rekening gehouden met de voormalige watergangen. Per raai zijn van de boven- en/of ondergrond mengmonsters samengesteld en geanalyseerd op het standaardpakket grond. Vanwege overschrijdingen van 0,5 x de interventiewaarde en interventiewaarde van het mengmonster van boorraai 1 (boringen 400 t/m 402) zijn het mengmonsters uitgesplitst en zijn de deelmonsters separaat geanalyseerd op de matig en sterk verhoogde parameters.

25/72

Kenmerk

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

Verkennend asbest in bodemonderzoek NEN 5707 Doordat de dempingen hebben plaatsgevonden in een asbestverdachte periode (1945-1993) is het verkennend bodemonderzoek gecombineerd uitgevoerd met een verkennend bodemonderzoek naar asbest. Het onderzoek is verricht middels het graven van inspectiegaten tot 0,5 m - mv waarbij de boringen (waar mogelijk) zijn doorgezet met een boordiameter van 12 cm. Per slootdemping is de meest verdachte bodemlaag geanalyseerd op asbest. Op basis van de zintuiglijke waarnemingen is dit bij alle slootdempingen de bovengrond geweest. Ter plaatse van monsterpunt 403 is asbestverdacht plaatmateriaal waargenomen in de bovengrond waardoor hier een separaat grondmonster en verzamelmonster is samengesteld voor de analyse op asbest. 3.1.1.3 Sublocatie 1.3 Asbestverontreiniging Vlietweg – nog uitvoeren Grenzend aan de onderzoekslocatie is in 2022 een nader asbestonderzoek uitgevoerd waarbij 200 mg/kg d.s. aan asbest in de bodemlaag van 0,5 tot 1,3 m -mv is aangetoond. Deze is richting de onderzoekslocatie niet afgeperkt. Om uit te sluiten dat de huidige onderzoekslocatie is verontreinigd met asbest dient in de parkeerplaats nog een nader bodemonderzoek asbest te worden uitgevoerd. Het onderzoek wordt in een later stadium uitgevoerd volgens methode 2 (onderzoeksvariant 1, deelgebieden van 50-200 m2).

Doordat de locatie volledig verhard is met klinkers en het een parkeerplaats van een bedrijventerrein betreft, is het niet wenselijk sleuven te graven. Derhalve wordt gemotiveerd afgeweken van de NEN 5707 door één sleuf te veranderen in twee graafgaten met boringen. Op basis van een oppervlak van 570 m2 wordt de locatie verdeeld in 4 vakken van elk circa 140 m2. Per vak worden twee graafgaten gegraven waarbij van de verdachte bodemlaag (0,5-1,3 m -mv) één mengmonster wordt samengesteld voor de analyse op asbest. Van de boven- en onderliggende grondlagen worden in het veld wel mengmonsters samengesteld maar enkel geanalyseerd indien de resultaten van de verdachte lagen daar aanleiding toe geven. In combinatie met het asbestonderzoek wordt tevens de milieuhygiënische kwaliteit van de bovenen ondergrond tot 1 m -mv bepaald doordat in voorgaande onderzoeken hier onvoldoende gegevens van zijn verzameld. Onderzoek vindt plaats volgens NEN 5740 (VED-HE) en wordt verwerkt in de resultaten van sublocatie 1.1. 3.1.1.4 Sublocatie 1.4 Funderingslaag rijbaan Op basis van het vooronderzoek was bekend dat onder de aanwezige klinkerverharding een funderingslaag aanwezig was. Om vast te stellen of sprake is van een asbestweg conform het Besluit asbestwegen is de funderingslaag onderzocht op asbest.

Tevens heeft samenstellingsonderzoek (PAK, PCB, minerale olie) en uitloogonderzoek (15 zware metalen, 4 anionen) plaatsgevonden ten behoeve van het indicatief bepalen van de hergebruiksmogelijkheden. Op basis van een oppervlak van circa 410 m2 waren 4 inspectiegaten met boringen voorzien volgens de strategie ‘kleinschalige afgedekte funderingslaag’ uit de NEN5897. Hierbij is van het funderingsmateriaal één mengmonster samengesteld voor de analyse op asbest en één mengmonster samengesteld voor samenstelling- en uitloogonderzoek.

26/72

Kenmerk

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

Tijdens de veldwerkzaamheden is echter gebleken dat de omvang van de funderingslaag groter is dan vooraf vastgesteld. De totale oppervlakte wordt op basis van de huidige gegevens geschat op circa 2.400 m2. Op basis van dit oppervlak worden 13 inspectiegaten en 3 analyses per verdachte bodemlaag voorgeschreven waar binnen dit huidig onderzoek niet volledig aan is voldaan. Het onderzoek naar asbest in de funderingslaag is derhalve niet volledig conform NEN 5897 uitgevoerd. 3.1.1.5 Calamiteitslocatie spil vrachtwagen 2008 Ter hoogte van de locatie waar in 2008 een calamiteit en sanering heeft plaatsgevonden van de grond als gevolg van een lekkage van diesel uit een vrachtwagen, is een boring met peilbuis geplaatst om te controleren of er geen sprake is van verontreinigingen met aromaten in het grondwater. 3.1.2

Midden-, zuiden- en westelijk deelgebied

3.1.2.1

Sublocatie 2.1 Onverdacht gebied

Behoudens sublocatie 2.2 tot en met 2.6 zijn binnen het gebied geen verdachte puntbronnen bekend of zijn geen bodemonderzoeken uitgevoerd waar sterke verontreinigingen zijn vastgesteld. Dit gebied wordt daarom beschouwd als onverdacht op het voorkomen van bodemverontreiniging. Derhalve is dit gebied onderzocht conform de onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie (ONV) van de NEN 5740 om de verwachte kwaliteit op basis van de bodemkwaliteitskaart te bevestigen of uit te sluiten. Het te onderzoeken gebied heeft een oppervlak van circa 20.700 m2. De voorgeschreven boringen tot 0,5 m -mv, zijn tot minimaal 1 m -mv doorgezet in verband met de verwachte ontgravingsdiepte van circa 1 m -mv. Vanwege plaatselijk geplande verbreding van de watergangen zijn een aantal boringen langs de huidige watergangen geplaatst om de kwaliteit van de vrijkomende grond te bepalen. De grond en het grondwater is geanalyseerd op het standaardpakket grond en grondwater. Eén mengmonster is op basis van de resultaten uitgesplitst waarbij de individuele deelmonsters van het mengmonster separaat zijn geanalyseerd op de sterk verhoogde parameter. 3.1.2.2 Sublocatie 2.2 Gedempte watergangen (1990) Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Op het midden en zuidelijk deel zijn in de periode rond 1990 diverse watergangen gedempt ten behoeve van herontwikkeling en ophoging van het gebied.

Doordat verwacht wordt dat alle watergangen met gebiedseigen grond zijn gedempt is hier maatwerk toegepast. Van de 5 slootdempingen is 1 demping onderzocht middels een boorraai van drie boringen tot 2,0 m - mv die haaks op de demping zijn verricht. Hiermee is getracht de voormalige watergang te lokaliseren. De resultaten van deze demping wordt representatief gesteld voor de overige 4 slootdempingen. Daarnaast is bij de verspreiding van de overige boringen in het gebied ook rekening gehouden met de voormalige watergangen.

27/72

Kenmerk

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

Van de raai is van de ondergrond een mengmonster samengesteld en geanalyseerd op het standaardpakket grond. Verkennend asbest in bodemonderzoek NEN 5707 Doordat de dempingen hebben plaatsgevonden in een asbestverdachte periode (1945-1993) is het verkennend bodemonderzoek gecombineerd uitgevoerd met een verkennend bodemonderzoek naar asbest. Het onderzoek is verricht middels het graven van inspectiegaten tot 0,5 m - mv waarbij de boringen (waar mogelijk) zijn doorgezet met een boordiameter van 12 cm. Doordat bij het onderzoek geen asbestverdachte materialen of bijmengingen zijn waargenomen is besloten om geen analyse uit te voeren. Formeel gezien kan de verdenking alleen worden verworpen middels analytisch onderzoek. 3.1.2.3

Sublocatie 2.3 Bebouwing Overgoo 11-15

De reguliere grondmonsters zijn meegenomen in het analyseschema van het onverdachte terreindeel van sublocatie 2.1. Deze sublocatie is alleen ten behoeve van asbest separaat onderzocht. Verkennend asbest in bodemonderzoek NEN 5707 Vlak voorafgaand aan de uitvoering van het veldwerk werd bekend dat de bebouwing van Overgoo 11-15 verdacht is op de aanwezigheid van asbesthoudende toepassingen. Als gevolg van bouwwerkzaamheden, ophoging en verwering van eventuele asbesthoudende bouwmaterialen is de locatie rondom de bebouwing bestempeld als asbestverdacht. Ter plaatse van deze locatie was onderzoek voorzien volgens de strategie ‘verdachte locatie met diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld’ uit de NEN 5707. Hierbij is de bovengrond in een strook van circa 5 m uit de gevels van de bebouwing als verdachte laag beschouwd. Per abuis zijn echter diverse monsterpunten rondom het gebouw niet afgewerkt als graafgat waardoor het onderzoek niet voldoet aan de NEN 5707. Het resultaat geeft enkel een uitspraak over de aan- of afwezigheid van asbest en kan niet worden getoetst aan de norm voor nader onderzoek. Op basis van een oppervlak van circa 1.450 m2 dienden 8 inspectiegaten te worden verricht waarvan één wordt doorgezet tot aan de onderzijde van de verdachte laag. In verband met de voorgenomen ontgravingsdiepte zouden in dit geval alle gaten doorgeboord worden tot 1,0 m -mv.

Van de verdachte laag dienden 2 (meng)monster te worden geanalyseerd. Binnen huidig onderzoek zijn 3 inspectiegaten (10, 11 en 27) en 2 analyses verricht waarvan één een funderingslaag betreft. Van deze 3 inspectiegaten zijn er echter 2 onderdeel van funderingsonderzoek wat hier onder wordt beschreven. Om een volledige uitspraak te kunnen doen over de asbesthoudendheid van de bodem dient aanvullend onderzoek plaats te vinden in de onverharde delen waarbij 7 nieuwe inspectiegaten met boringen worden verricht. Bij monsterpunt 11 is in de bovengrond asbestverdacht plaatmateriaal waargenomen waardoor de grond hier separaat is bemonsterd en geanalyseerd op asbest. Van het plaatmateriaal is een verzamelmonster samengesteld.

28/72

Kenmerk

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

Verkennend asbest in bodemonderzoek NEN 5897 (funderingslaag) Ter plaatse van de klinkerverharding aan de oostzijde van de bebouwing is onverwachts bij de monsterpunten 10 en 27 een funderingslaag aangetroffen onder de klinkers waardoor is overschakeld naar asbest in puin onderzoek volgens de NEN 5897. Van het funderingsmateriaal zijn twee analyses op asbest uitgevoerd waarbij het funderingsmateriaal van monsterpunt 27 is opgemengd met funderingsmateriaal buiten sublocatie 2.3 (monstercode MMA). Het oppervlak van het gebied waar een funderingslaag aanwezig is, kan op basis van huidig onderzoek niet worden bepaald. Het onderzoek voldoet qua veld- en analysewerkzaamheden niet aan de NEN 5897. Het resultaat geeft enkel een uitspraak over de aan- of afwezigheid van asbest en kan niet worden getoetst aan de norm voor nader onderzoek. De funderingslaag (bij monsterpunt 27) is niet onderzocht op samenstelling- en uitloogonderzoek. Voor het reguliere onderzoek conform de NEN5740 wordt deze locatie niet als aparte deellocatie onderzocht omdat reeds voldoende gegevens zijn verzameld. 3.1.2.4

Sublocatie 2.4 Funderingslaag parkeerplaats

Bij monsterpunt 29 en 30 welke zijn verricht in de meest zuidelijk gelegen parkeerplaats is onder de klinkers tijdens de veldwerkzaamheden onverwachts een funderingslaag aangetroffen. Derhalve zijn hier graafgaten verricht en is van het funderingsmateriaal een mengmonster samengesteld voor de analyse op asbest (monstercode MMA) volgens de NEN 5897. In het mengmonster is tevens een funderingslaag opgenomen welke buiten de parkeerplaats is waargenomen (monsterpunt 27). Hierdoor is het gehalte asbest in dit monster mogelijk overschat doordat de funderingslaag bij monsterpunt 27 verdachter is op asbest. De parkeerplaats heeft een oppervlak van circa 1.450 m2. Volgens de strategie ‘terreinen – kleinschalig – afgedekte funderingslagen’ uit de NEN 5897 dienen op basis van het oppervlak 7 inspectiegaten door de verhardingslaag te worden verricht en 2 analyses te worden uitgevoerd. Op basis van de huidige uitgevoerde werkzaamheden voldoet het onderzoek niet aan de NEN 5897. Het resultaat geeft enkel een uitspraak over de aan- of afwezigheid van asbest en kan niet worden getoetst aan de norm voor nader onderzoek De funderingslaag is niet onderzocht op samenstelling- en uitloogonderzoek. 3.1.2.5 Sublocatie 2.5 Benzine afscheider Bij de terreinverkenning is ten oosten van Overgoo 13-15 een benzine afscheider waargenomen.

Doordat sprake is van een klein oppervlak wordt hier de onderzoeksstrategie van de NEN 5740 ‘verdachte locatie met plaatselijke bodembelasting met duidelijke verontreinigingskern’ (VEP) gehanteerd. Hier dienen drie boringen tot circa 2 m - mv te worden verricht waarvan 1 boring is afgewerkt met een freatische peilbuis. Zowel de grond als het grondwater dient te worden geanalyseerd op het tankstationpakket (minerale olie (C6-C40) en vluchtige aromaten (BTEXN). Het onderzoek is momenteel nog niet uitgevoerd en kan deels worden gecombineerd met het aanvullende onderzoek naar asbest rondom Overgoo 11-15.

29/72

Kenmerk

3.1.2.6

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

Sublocatie 2.6 Voormalig volkstuinencomplex

Het voormalige volkstuinencomplex maakt onderdeel uit van sublocatie 2.1 (onverdacht terrein). In het verleden is in het slib van de omringende watergangen PFAS aangetoond. Omdat verwacht wordt dat oppervlaktewater uit deze watergangen is gebruikt voor bewatering van de volkstuinen is de bovengrond verdacht op PFAS. Derhalve is een bovengrond monsters van sublocatie 2.1 op dit terreindeel aanvullend onderzocht op PFAS. Doordat het terrein in 2015 reeds voldoende is onderzocht op asbest en de standaard parameters inclusief bestrijdingsmiddelen is de locatie voor het NEN5740 en NEN5707 onderzoek niet als aparte deellocatie onderzocht.

3.2

Onderzoeksstrategieën waterbodemonderzoek

Voorafgaand aan dit onderzoek was het waterbodemonderzoek opgedeeld in 3 watergangen en één niet lijnvormig oppervlaktewater. Tijdens veldwerkzaamheden is gebleken dat in de watergang op het zuidelijk deel van het gebied de vaste waterbodem uit twee hoofdgrondsoorten, namelijk klei en zand, bestond met een duidelijke overgang. Op basis hiervan zijn in de zuidelijke watergang 10 slibsteken extra geplaatst. Een overzicht van de locaties voor het waterbodemonderzoek en de vakindeling is weergegeven op de kaarten in bijlage 4b en 5. Totaal zijn vijf deeltrajecten te onderscheiden voor het waterbodemonderzoek (vier lijnvormige trajecten en één niet-lijnvormige traject /locatie). De onderzoekslocaties zijn weergegeven op de kaart in bijlage 4b. Voor het waterbodemonderzoek conform NEN 5720 in vak 1 tot en met 4 is de volgende onderzoeksstrategie gehanteerd ter plaatse van de watergangen:  Lintvormig water, normale onderzoeksinspanning (LN) Daarnaast is binnen de projectlocatie ook een niet-lijnvormige waterlichaam aanwezig waar werkzaamheden gaan plaatsvinden. Ter plaatse van de niet-lijnvormige locatie is de volgende onderzoeksstrategie gehanteerd:  Overig water, normale onderzoeksinspanning (ON) In dit onderzoek zijn slibsteken geplaatst tot 0,5 m in de vaste waterbodem en zijn in het laboratorium mengmonsters van zowel de sliblaag als de vaste waterbodem samengesteld.

30/72

Kenmerk

R002-1296961ORM-V01-pws-NL

De lengtes en/of oppervlaktes van de waterlichamen zijn als volgt:   

Vak 1: 210 meter Vak 2: 261 meter Vak 3: 101 meter

 

Vak 4: 411 meter Niet lijnvormig oppervlaktewater: 470 m2

Behoudens het niet lijnvormig oppervlaktewater is tijdens de veldwerkzaamheden geconstateerd dat in elke watergang niet bij alle slibsteken dezelfde hoofdtextuur in de vaste waterbodem is aangetroffen. Om te voldoen aan de NEN 5720 zijn slibsteken bijgeplaatst om aan het vereiste aantal van 10 deelmonsters te voldoen. Aangezien de aangetroffen vaste waterbodem in vak 1 en 2 niet homogeen bleek (afwisselend veen, klei en zand), zijn enkele deelmonsters uit deze vakken met elkaar gemengd. Het betreft de vaste waterbodem van slibsteken 327, 328 en 329 die met de vaste waterbodem uit vak 1 zijn opgemengd. Ook de vaste waterbodem van slibsteek 315 uit vak 1 is opgemengd met de vaste waterbodem uit vak 2. Tijdens de bemonstering van vak 3 is geconstateerd dat geen sliblaag aanwezig was. De reden dat geen sliblaag aanwezig is, was op moment van monstername niet duidelijk. Op basis hiervan is enkel de vaste waterbodem van vak 3 bemonsterd. Slibsteek 315, 318 en 319 zijn per abuis niet binnen de onderzoekslocatie geplaatst. Enkel de sliblaag van slibsteek 318 en 319 is geanalyseerd. Van boring 315 is zowel de sliblaag als vaste waterbodem geanalyseerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=5c6d84e0-38ea-4671-a926-70f1794bfecc