CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

4324 Bijlage 2 Omgevingseffectrapport Leidschendam-Voorburg

Commissie Omgeving 9 september 2025, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsbrief informeren ontwerp-Omgevingsvisie Leidschendam-Voorburg 205038.627 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

De kleinere winkelgebieden in de woonwijken behoudt de gemeente, deze zijn belangrijk voor ontmoeting, de samenhang in de buurt en het voorkomen van onnodige verplaatsingen (wijkhubs). Op het gebied van recreatie en toerisme wil de gemeente zich verder ontwikkelen. Duurzaam toekomstbestendig De opwarming van de aarde is een dringend probleem. Hierin wil de gemeente haar verantwoordelijkheid nemen. Daarom maakt de gemeente de omgeving duurzaam en draagt de gemeente bij aan het tegengaan van de opwarming. De gemeente zorgt ervoor dat de omgeving wordt aangepast, zodat het de gevolgen van klimaatverandering kan opvangen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan hittegolven, extreme regenbuien, tegengaan van bodemdaling en droogte. De gemeente neemt daarom meerdere stappen. In 2050 is de gemeente CO2-neutraal. Dat betekent dat de hoeveelheid CO2 die de gemeente uitstoot in evenwicht is met de hoeveelheid die er wordt opgenomen. Dit doet de gemeente door energie te besparen. Maar minstens zo belangrijk is de overgang naar hernieuwbare energie. De wijken laat de gemeente stap voor stap deze overgang maken. In 2050 is de omgeving ook bestand tegen de gevolgen van klimaatverandering. Bij nieuwe bouwlocaties houdt de gemeente hier vanaf nu rekening mee. Bijvoorbeeld door veel groen toe te passen en maatregelen voor de natuur te treffen.

Verder werkt de gemeente eraan om materialen en grondstoffen zoveel mogelijk opnieuw te gebruiken en waar mogelijk conceptueel te bouwen. Tot slot is het voor een duurzame ontwikkeling belangrijk dat de gemeente energie-efficiënt bouwt. De koers en keuzes voor Leidschendam en Voorburg Ontwikkellocaties De gemeente kiest ervoor om binnen de bestaande bebouwde omgeving nieuwe woningen te bouwen. Geen uitbreidingswijken meer dus. Dit betekent dat de nieuwe bebouwing vaker hoog zal worden. In de omgevingsvisie geeft de gemeente aan welke ontwikkellocaties er komen. In de Bouwsteen groene woongemeente heeft de gemeente al een aantal ontwikkellocaties aangewezen. Vooral bij de knooppunten voor openbaar vervoer ziet de gemeente mogelijkheden. Voor de ontwikkellocaties maakt de gemeente programma’s. Deze bevatten de spelregels waarmee de gemeente ervoor zorgt dat er op die locaties veel van de ambities uit de omgevingsvisie worden waargemaakt. Bestaande omgeving De gemeente zet in op het mengen van wonen en werken in de woonwijken. Ook wil de gemeente de bestaande bebouwing goed benutten voor woningen. Bijvoorbeeld door splitsen, optoppen, kamerverhuur en uitbouwen bij bestaande woningen zoveel mogelijk binnen de bestaande regelgeving toe te staan in nauwe verbondenheid met een flexibele koers voor mobiliteit.

Voor de hoofdwegen zijn goed onderhoud en veilige oversteekpunten belangrijk. Verder zet de gemeente in op langzaam verkeer, openbaar vervoer en deelvervoer. De gemeente geeft extra aandacht aan verkeersveiligheid rond en naar scholen en andere voorzieningen. In de kernwinkelgebieden komen de voorzieningen in een kleiner en autoluwer gebied te liggen. Voor The Mall zet de gemeente vooral in op een goede bereikbaarheid met alle vormen van vervoer.

25 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief

De gemeente behoudt de 6 bedrijventerreinen (geen transformatie naar wonen) en biedt bedrijven waar mogelijk de ruimte om te groeien. De daken wil de gemeente vergroenen en benutten voor zonnepanelen. De wijken waar nu veel verharding is wil de gemeente vergroenen. In de hoofdgroenzones wil de gemeente meer ruimte voor natuur maken en meer sport, beweging en ontmoeting stimuleren. Vooral het gebied rond de Vliet wil de gemeente aanpakken en hier een Vlietpark van maken. De koers en keuzen voor Stompwijk Ontwikkellocaties In Stompwijk wil de gemeente de voorzieningen (m.n. school, wij/buurtcentrum, huisartsenpost en supermarkt) behouden. Daarvoor zijn waarschijnlijk nieuwe woningen nodig. De gemeente ziet 3 scenario’s voor de locaties waar die woningen kunnen bouwen: 1) in het dorp, 2) in de oksel van de Westeinderweg en 3) op de locatie van het sportveld. De gemeente gaat hier een onderzoek naar uitvoeren en op basis daarvan een keuze maken. Bestaande omgeving De gemeente zorgt ervoor dat het dorp haar voorzieningen behoudt en versterkt het groene karakter. Ook in Stompwijk wil de gemeente de bestaande bebouwing goed benutten voor woningen. Bijvoorbeeld door ze geschikter te maken voor ouderen of te splitsen in kleinere woningen. De gemeente behoudt de bedrijventerreinen, biedt de bedrijven waar mogelijk ruimte om te groeien en wil de daken benutten voor zonnepanelen.

De wegen maakt de gemeente veiliger en de gemeente zet in op openbaar vervoer tussen Stompwijk en Leidschendam en veilige fietsroutes. De koers en keuzen voor het buitengebied De gemeente behoudt het landschap als onbebouwde, groene tegenhanger van de stad. De gemeente wil dat duurzame boerenbedrijven hierin hun rol behouden. Om het landschap open te houden, ziet de gemeente hier geen ruimte voor zonneparken, maar zet in op andere duurzaamheidsmaatregelen. De gemeente gaat de verrommeling van de erven tegen. In de Meeslouwerpolder blijft de gemeente ruimte bieden aan kassen en overige lichte bedrijvigheid. De gemeente versterkt de natuur- en recreatiegebieden Vlietland, Duivenvoordecorridor, Leidschendammerhout en de Nieuwe Driemanspolder.

2.2

Bevindingen analyse opgaven en trends

Opgaven De ambities die in deze beleidsanalyse zijn geïnventariseerd zijn tegen elkaar afgewogen. Op basis daarvan komen er botsingen in het huidige beleid naar voren. De botsingen hebben betrekking tot de ruimteclaims die uit het beleid voortvloeien en de ruimte die in totaal beschikbaar is. Niet alles kan en er moeten keuzes worden gemaakt. Zo bestaat er bijvoorbeeld de ambitie om het geschikt dakoppervlak te benutten voor de opwek van zonne-energie, waar er ook de ambitie bestaat om de daken te vergroenen. Daarnaast bevinden zich in het vigerend beleid een aantal beleidshiaten. Deze hiaten hebben betrekking tot: - sociaal domein: er ontbreekt een doel over de waarde van de openbare ruimte voor de sociale cohesie; - circulaire economie: de uitwerking van de ambities over de circulaire economie ontbreken. Het advies is om hiervoor een programma op te stellen; - luchtkwaliteit en geluid: onder de Omgevingswet zijn actieplannen geluid en lucht verplichte programma’s voor gemeente Leidschendam-Voorburg.

Er is al wel een programma actieplan geluid vastgesteld voor de periode 2024-2028; - voedsel: in het vigerend beleid komt het onderwerp voedsel nog niet veel voor; - sporten in de buitenruimte: het ontbreekt nog aan concrete ambities of uitgangspunten om sporten en ontmoetingen in de openbare ruimte mogelijk te maken; - transitie in de landbouw: het ontbreekt aan een koers voor de transitie in het landelijk gebied, dit komt mede door het ontbreken aan een landelijke koers, mede door het wegvallen van het NPLG; - warmtetransitie: het ontbreekt nog aan de wijkuitvoeringsplannen waarin de uitgezette koers in het vigerend beleid verder wordt onderzocht.

26 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief

Trends gemeente Leidschendam-Voorburg In de gemeente Leidschendam-Voorburg neemt het aantal inwoners tot 2050 naar verwachting toe met 9 %. Ook is er sprake van vergrijzing. Daarnaast neemt het aandeel alleenstaanden toe. Deze demografische ontwikkelingen hebben een impact op de vraag naar woningtypen. De gemeente heeft de ambitie om tussen 2025 en 2040 in totaal 4.500 tot 5.000 woningen toe te voegen. Er bestaat een tekort aan woningen. De meeste banen in de gemeente Leidschendam-Voorburg bevinden zich in de sectoren gezondheids- en welzijnszorg, groot- en detailhandel en reparatie van auto’s en advisering. De gemeente wil inzetten op de sectoren die momenteel ook al sterk zijn. Specifiek noemt zij de dienstverlening, detailhandel en zorg. De prognose van de gemeente is dat er tot 2030 2.000 extra banen worden gecreëerd. Er spelen ook trends in de agrarische sector, bijvoorbeeld door schaalvergroting en verduurzaming. Wat betreft de klimaatverandering is met name het bebouwd gebied gevoelig voor wateroverlast en de gevolgen van hittestress. Bodemdaling speelt vooral bij de agrarische percelen ten zuiden van Vlietland. Wereldwijd speelt er een verlies aan biodiversiteit. Daarnaast neemt de druk op het groen toe door een toename in recreatie en toerisme.

Sociaal-maatschappelijk is er sprake van toenemende eenzaamheid, waardoor er vraag is naar ruimte voor ontmoeting en beweging. Ook is er inzet benodigd voor de mobiliteitstransitie en de energie- en warmtetransitie, mede zodat dit voor iedereen haalbaar en betaalbaar is. Landelijk is er toenemende aandacht voor brede welvaart, positieve gezondheid en bewonersparticipatie.

27 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief

3 ONDERZOEKSAANPAK | HOE WORDEN DE ALTERNATIEVEN ONDERZOCHT? 3.1

Aanpak van het OER

Het OER (inclusief NRD) is als onderzoeksmiddel ingezet tijdens de ontwikkeling van de omgevingsvisie. Het OER brengt in het proces in beeld waar vanuit het oogpunt van milieu, de leefomgeving, er opgaven zijn en wat de bandbreedte van effecten is van mogelijke keuzes in de visie hierop. De inzichten vanuit het OER kunnen de keuzes in de omgevingsvisie onderbouwen en in beeld brengen wat daarna, onder welke voorwaarden, mogelijk is. Het gekozen voorgenomen beleid (waarschijnlijk een combinatie van elementen uit verschillende alternatieven) wordt tevens beoordeeld in het OER. Ook worden randvoorwaarden, aandachtspunten en onzekerheden vastgelegd in het OER, zodat daar in de beleidsuitwerking en monitoring aandacht aan besteed kan worden.

Hoofdvragen voor het OER Het OER gaat in op de volgende hoofdvragen: 1 wat is de huidige staat van de leefomgeving van de gemeente Leidschendam-Voorburg? 2 hoe ontwikkelt de leefomgeving zich autonoom? 3 welke ontwikkelrichtingen volgen uit de koersnotitie? 4 wat zijn de effecten van ontwikkelrichtingen die volgen uit de koersnotitie? 5 welk voorkeursalternatief volgt er uit het ontwerpend onderzoek en wat zijn de hierbij horende effecten? 6 wat zijn aandachtspunten, randvoorwaarden en onzekerheden voor monitoring en evaluatie? Onderzoeksaanpak voor het OER op hoofdlijnen De onderzoeksaanpak bestaat op hoofdlijnen uit 6 stappen: a het beschrijven van de huidige situatie van de gemeente Leidschendam-Voorburg (bijlage I); b het uitwerken van de beschrijving van de leefomgeving tot een referentiesituatie voor het OER (bijlage II); c het leveren van een bijdrage aan de beleidskeuzes voor de omgevingsvisie (uitgewerkt in alternatieven) op basis van de concretisering van de ambities en eventuele aanvullende aandachtspunten uit de koersnotitie; d het beschrijven en beoordelen van de effecten op de leefomgeving van de alternatieven en deze vastleggen in een rapport, het OER.

Via expert judgement worden op hoofdlijnen de effecten van 2 alternatieven in beeld gebracht; e het onderzoeken van een ontwerp-omgevingsvisie op de effecten op de leefomgeving; f het geven van een aanzet voor monitoring en bijsturing op de beoogde effecten op de leefomgeving. Bij het beschrijven en beoordelen van de referentiesituatie en de effecten van alternatieven en de ontwerpomgevingsvisie wordt een beoordelingskader gehanteerd. Het beoordelingskader bevat een uitwerking van de onderzoeksthema’s in het OER en aspecten en criteria waarmee effecten gestructureerd in beeld gebracht worden. Paragraaf 3.4 licht het beoordelingskader toe.

28 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief

3.2

Plan- en studiegebied

Het beleidskader richt zich op de gehele gemeente Leidschendam-Voorburg (plangebied). De effecten van het beleidskader kunnen echter ook effect hebben op het gebied buiten de grenzen van de gemeente (studiegebied). Anderzijds kunnen er ook effecten buiten de grenzen optreden die invloed hebben op het plangebied. Een voorbeeld is de ontwikkeling van de Binckhorst, op de grens van gemeenten Den Haag en Leidschendam-Voorburg. In de Binckhorst vindt verdichting plaats, en worden voorzieningen gerealiseerd. Er kan een grotere druk op de infrastructuur ontstaan wanneer inwoners van de gemeente LeidschendamVoorburg naar de (winkel-)voorzieningen in de Binckhorst reizen. Andersom kan er, doordat er weinig groen wordt gerealiseerd in de Binckhorst, een grotere druk op de groenvoorzieningen van de gemeente Leidschendam-Voorburg ontstaan. Inwoners en bezoekers van de Binckhorst wijken uit naar het groen van gemeente Leidschendam-Voorburg. Een ander voorbeeld van een ontwikkeling in het studiegebied die effecten heeft op het plangebied is de voorgenomen realisatie van de Vlietlijn. Dit is een tramverbinding tussen Voorburg, Rijswijk en Den Haag.

Niet alleen zorgt de realisatie van de tramverbindingen op een druk op de ruimte voor de fysieke aanleg van het tramspoor en de daarbij gemoeide ruimtelijke beperkingen, ook ontstaat er mogelijk extra druk op de voorzieningen in gemeente Leidschendam-Voorburg, zoals detailhandel en groen. De voornaamste effecten uit het studiegebied zijn meegenomen in het OER. De ontwikkelingen uit de Omgevingsvisie die Den Haag in procedure heeft gebracht zijn niet meegenomen, omdat ten tijde van het opstellen van het OER de omgevingsvisie nog niet is vastgesteld).

3.3

Situaties in het onderzoek

In het OER worden op allerlei aspecten van de leefomgeving (zie paragraaf 3.4 beoordelingskader) informatie gegeven. Daarbij worden de volgende situaties onderscheiden: - huidige situatie: dit is de feitelijke staat van de leefomgeving in het jaar 2025 of het meeste recente jaar waarover informatie beschikbaar is. In de praktijk is dit vaak het jaar 2022, 2023 of 2024; - referentiesituatie: de situatie die tot en met 2050 zou ontstaan als gevolg van de zogeheten autonome ontwikkelingen. Autonome ontwikkelingen zijn ontwikkelingen die zich ook zouden voordoen als de omgevingsvisie niet wordt gerealiseerd. Hierbij valt onderscheid te maken tussen: · generieke autonome ontwikkelingen afkomstig van buitenaf: algemene trends en ontwikkelingen zoals klimaatverandering of vergrijzing die de gemeente Leidschendam-Voorburg als het ware overkomen en waarop de gemeente niet of nauwelijks invloed heeft; · autonoom omgevingsbeleid: voortzetting van het huidige (sectorale) beleid en autonome ontwikkelingen.

In de autonome ontwikkeling worden in het OER alleen projecten meegenomen die al concreet zijn, zoals vastgestelde of ontwerp projectbesluiten, omgevingsvisies, omgevingsplannen en omgevingsvergunningen; - alternatieven: de alternatieven schetsen verschillende ontwikkelrichtingen voor de gemeente Leidschendam-Voorburg in 2050; - ontwerp-omgevingsvisie: het voorgenomen beleid bevat de keuzes van de omgevingsvisie. Voor het jaar 2050 is vaak beperkte informatie beschikbaar en bestaat de nodige onzekerheid over autonome ontwikkelingen. In het OER wordt aangegeven welke bronnen zijn gebruikt voor het schetsen van de referentiesituatie en of bijvoorbeeld prognoses tot 2040 zijn geëxtrapoleerd naar 2050.

3.4

Beoordelingskader

Het beoordelingskader is het centrale onderdeel van het OER. Het beoordelingskader bevat een uitwerking van de beoordelingsthema’s en de indicatoren waarmee effecten gestructureerd in beeld gebracht worden. Dit beoordelingskader is vormgegeven aan de hand van de 5 perspectieven uit de koersdocument van de gemeente Leidschendam-Voorburg.

29 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief

Tabel 3.1 Beoordelingskader Thema

Aspecten

Indicatoren

gezondheid en leefbaarheid

luchtkwaliteit

concentratie fijnstof (PM10 en PM2,5) en NOx

geluid

aantal geluidgehinderden

overige gezondheidsaspecten (geur, licht en trillingen)

blootgestelde hinder door geur, licht of trillingen

hittestress

stedelijk hitte effect (ruimte voor groen en water)

landschap

landschappelijke waarden

cultureel erfgoed en stedenbouw

archeologie, historische (steden)bouwkunde

omgevingsveiligheid

omgevingsveiligheid

risicobronnen en zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties.

mobiliteit en bereikbaarheid

bereikbaarheid en toegankelijkheid gemotoriseerd verkeer

vervoersbewegingen gemotoriseerd verkeer

bereikbaarheid en toegankelijkheid openbaar vervoer

vervoersbewegingen openbaar vervoer

bereikbaarheid en toegankelijkheid langzaam verkeer

vervoersbewegingen langzaam verkeer

verkeersveiligheid

onveilige kruising van verkeersstromingen

wonen

woningaanbod

balans vraag en aanbod en betaalbaarheid

voorzieningen

voorzieningenaanbod

balans vraag en aanbod en nabijheid

verbondenheid

sociale cohesie en veiligheid

aantrekkelijkheid fysieke omgeving (ruimte om te bewegen en ontmoeten)

economisch vitaal, passend bij een woongemeente

economie

werkgelegenheid

balans vraag en aanbod

vestigingsklimaat

type bedrijvigheid

duurzaam toekomstbestendig

klimaatadaptatie

wateroverlast

risico op wateroverlast

waterveiligheid

risico op overstromingen

waterkwaliteit

KRW-doelen

bodemkwaliteit

aantal en omvang bodemverontreiniging

bodemdaling (droogte)

zettingen door droogte

beschermde natuurgebieden

Natura2000 en NNN

soortenbescherming en biodiversiteit

flora en fauna (beschermd en nietbeschermd)

emissie broeikasgassen

CO2-uitstoot door mobiliteit, energie en gebouwde omgeving

een hoogwaardig verblijfsklimaat

ruimtelijke kwaliteit

goed verbonden

een plek van en voor iedereen

bodem

natuur

klimaatmitigatie

30 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief

3.5

Wijze van beoordelen

Beoordeling huidige staat en referentiesituatie De staat van de huidige situatie en autonome ontwikkeling (referentiesituatie) worden beoordeeld aan de hand van de beoordelingsschaal uit tabel 3.2. De beoordeling is uitgevoerd op basis van het vigerend beleid tot aan het koersdocument. De doelen in het koersdocument vormen de basis voor de beoordeling van het doelbereik van de alternatieven (zie ‘doelbereik’).

Tabel 3.2 Beoordeling van huidige staat en referentiesituatie Beoordeling

Beoordeling huidige staat

goed

de staat is goed, er zijn geen knelpunten (ambities worden overal gehaald)

overwegend goed

de staat is overwegend goed, lokaal zijn er wat knelpunten (ambities worden grotendeels gehaald)

redelijk

de staat is redelijk, verspreid zijn er enkele knelpunten (ambities worden vaak wel, soms niet gehaald)

matig

de staat is matig, er zijn redelijk wat knelpunten (ambities worden soms gehaald)

slecht

de staat is slecht, er zijn redelijk veel knelpunten (ambities worden nergens gehaald)

Beoordeling alternatieven en voorgenomen beleid Voor elk van de te beoordelen alternatieven zijn op aspectniveau de effecten op de thema’s uit het beoordelingskader beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie op basis van een inschatting van meerdere onafhankelijke deskundigen uit verschillende disciplines (ook wel expert judgement). De omgevingseffecten zijn beschreven per indicator wat gezamenlijk leidt tot een beoordeling van een aspect. De beoordeling van de milieueffecten is gedaan ten opzichte van de referentiesituatie met behulp van de beoordelingsschaal in tabel 3.3. Voor elk van de aspecten zijn ook mitigerende maatregelen opgesteld. De mitigerende maatregelen dienen om de ontwerp-omgevingsvisie aan te scherpen of kunnen verwerkt worden in programma’s na vaststelling van de omgevingsvisie.

Tabel 3.3 Beoordelingsschaal omgevingseffecten Score

Toelichting

+

kans op een positief effect: verbetering ten opzichte van de referentiesituatie

0

neutraal: geen of nauwelijks verandering ten opzichte van de referentiesituatie

-

risico op een negatief effect: verslechtering ten opzichte van de referentiesituatie

Doelbereik Naast de beoordeling van effecten op de thema’s uit het beoordelingskader is in het OER ook het doelbereik van de alternatieven inzichtelijk gemaakt. Het doelbereik is de mate waarin de alternatieven bijdragen aan het behalen van de ambities van de gemeente Leidschendam-Voorburg. Dit zijn de ambities uit hoofdstuk 2 onder ‘toekomstperspectieven’. Deze toekomstperspectieven komen uit het koersdocument van de gemeente Leidschendam-Voorburg. De beoordelingsschaal voor het doelbereik is toegelicht in tabel 3.4.

31 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief

Tabel 3.4 Toetsing doelbereik Beoordeling

Toelichting

hoge potentie

hoge potentie voor behalen doel

beperkte potentie

beperkte potentie voor behalen doel

geen potentie

geen potentie voor behalen doel

3.6

Detailniveau van het onderzoek

Het OER voor de nieuwe omgevingsvisie sluit aan bij het abstractieniveau van de beleidsopties (alternatieven) die worden voorgesteld. Dit betekent dat een globale effectbeoordeling wordt uitgevoerd op aspectniveau, waarbij de effecten vaak kwalitatief of op basis van expert judgement worden beschreven en beoordeeld. Daarbij wordt gebruik gemaakt van open data en al uitgevoerde (beleids-)analyses. Deze bronnen worden voornamelijk gebruikt voor het bepalen van de huidige staat en kwaliteit van de fysieke leefomgeving. De autonome ontwikkelingen en de alternatieven worden veelal kwalitatief of op basis van expert judgement beoordeeld. Het gaat om een beschrijving van de verwachte effecten en de onzekerheden per alternatief of overkoepelend voor alle alternatieven (afhankelijk van aspect en beschikbare informatie). Uitgangspunten verkeersmodel MRDH Het verkeersmodel van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (V-MRDH) onderscheidt 3 toekomstscenario’s: WLO-Laag, WLO-Hoog en Stedelijke Referentie. Geen van deze 3 scenario’s komt qua uitgangspunten overeen met de invulling van de referentiesituatie zoals in deze studie vastgesteld. Hierdoor is het niet mogelijk om het V-MRDH te gebruiken voor de beoordeling van de referentiesituatie.

De beoordeling gebeurt daarom grotendeels op basis van expert judgement, waarbij de resultaten uit het verkeersmodel als indicatie dienen om deze beoordeling te onderbouwen. Huygenstunnel In de NRD is opgenomen dat in het OER een eerste verkenning wordt uitgevoerd naar de mogelijke effecten van de ondertunneling/overkluizing van de A12/spoor op termijn (Huygenstunnel). Deze ontwikkeling is zeer onzeker, nog niet concreet genoeg en valt hoogstwaarschijnlijk buiten de planhorizon van de omgevingsvisie. De Huygenstunnel is daarom ook niet beoordeeld als onderdeel van de alternatieven en het voorgenomen beleid. In paragraaf 8.3.1 (algemene aandachtspunten) is een aanbeveling voor het vervolg opgenomen.

32 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief

4 STAAT VAN DE LEEFOMGEVING | WAAR STAAT DE GEMEENTE LEIDSCHENDAMVOORBURG NU EN WAT KOMT ER OP DE GEMEENTE AF? 4.1

Samenvatting huidige situatie

Dit hoofdstuk toont de samenvatting van de huidige situatie in de gemeente Leidschendam-Voorburg. In bijlage I is de huidige situatie beschreven volgens het beoordelingskader.

Tabel 4.1 Samenvatting huidige staat van de gemeente Leidschendam-Voorburg Thema

Aspecten

Beoordeling

gezondheid en leefbaarheid

luchtkwaliteit

matig

geluid

slecht

overige gezondheidsaspecten (geur, licht en trillingen)

matig

hittestress

redelijk

landschap

overwegend goed

cultureel erfgoed, stedenbouw

overwegend goed

omgevingsveiligheid

omgevingsveiligheid

redelijk

mobiliteit en bereikbaarheid

bereikbaarheid en toegankelijkheid gemotoriseerd verkeer

redelijk

bereikbaarheid en toegankelijkheid openbaar vervoer

overwegend goed

bereikbaarheid en toegankelijkheid langzaam verkeer

overwegend goed

verkeersveiligheid

redelijk

wonen

woningaanbod

slecht

voorzieningen

voorzieningenaanbod

overwegend goed

verbondenheid

sociale cohesie en veiligheid

overwegend goed

economisch vitaal, passend bij een woongemeente

economie

werkgelegenheid

overwegend goed

vestigingsklimaat

slecht

duurzaam toekomstbestendig

klimaatadaptatie

wateroverlast

overwegend goed

waterveiligheid

redelijk

waterkwaliteit

matig

een hoogwaardig verblijfsklimaat

ruimtelijke kwaliteit

goed verbonden

een plek van en voor iedereen

33 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief

Thema

Aspecten

Beoordeling

bodem

bodemkwaliteit

redelijk

bodemdaling (droogte)

redelijk

beschermde natuurgebieden

matig

soortenbescherming en biodiversiteit

matig

emissie broeikasgassen

slecht

natuur

klimaatmitigatie

4.2

Samenvatting referentiesituatie

Dit hoofdstuk toont de samenvatting van de referentiesituatie die tot en met 2050 zou ontstaan als gevolg van autonome ontwikkelingen in de gemeente Leidschendam-Voorburg. In bijlage II is de referentiesituatie beschreven volgens het beoordelingskader.

Tabel 4.2 Samenvatting referentiesituatie van de gemeente Leidschendam-Voorburg

een hoogwaardig verblijfsklimaat

Thema

Aspecten

Beoordeling

gezondheid

luchtkwaliteit

redelijk

geluid

matig

overige gezondheidsaspecten (geur, licht en trillingen)

redelijk

hittestress

matig

landschap

overwegend goed

cultureel erfgoed en stedenbouw

overwegend goed

omgevingsveiligheid

omgevingsveiligheid

redelijk

mobiliteit en bereikbaarheid

bereikbaarheid en toegankelijkheid gemotoriseerd verkeer

overwegend goed

bereikbaarheid en toegankelijkheid openbaar vervoer

overwegend goed

bereikbaarheid en toegankelijkheid langzaam verkeer

goed

verkeersveiligheid

overwegend goed

wonen

woningaanbod

slecht

voorzieningen

voorzieningenaanbod

redelijk

verbondenheid

sociale cohesie en veiligheid

redelijk

economie

werkgelegenheid

overwegend goed

vestigingsklimaat

redelijk

wateroverlast

overwegend goed

waterveiligheid

redelijk

waterkwaliteit

redelijk

bodemkwaliteit

redelijk

bodemdaling (droogte)

redelijk

beschermde natuurgebieden

slecht

soortenbescherming en biodiversiteit

slecht

ruimtelijke kwaliteit

goed verbonden

een plek van en voor iedereen

economisch vitaal, passend bij een woongemeente

klimaatadaptatie

duurzaam toekomstbestendig

bodem

natuur

34 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief

Thema

Aspecten

Beoordeling

klimaatmitigatie

emissie broeikasgassen

matig

35 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief

5 ALTERNATIEVEN | WAAR WIL DE GEMEENTE LEIDSCHENDAM-VOORBURG NAARTOE? 5.1

Totstandkoming alternatieven

In de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) voor het Omgevingseffectrapport (OER) van de omgevingsvisie Leidschendam-Voorburg heeft de gemeente in hoofdlijnen de belangrijkste ambities beschreven die bepalend zijn voor de te ontwikkelen alternatieven, te weten: - woningbouw, variërend in een bandbreedte van 4.000 - 8.000 woningen voor de periode tot 2050; - arbeidsplaatsen, variërend in een bandbreedte van 3.000 – 4.000 arbeidsplaatsen voor de periode tot 2050 en voorzieningen die meegroeien; - de mate van verschuiving van de mobiliteit naar meer duurzame vormen van mobiliteit op basis van het zogenaamde STOMP-principe. Bij de uitwerking is dit gekoppeld aan de mate waarin de nieuwe woningen en arbeidsplaatsen nabij HOV-locaties zullen worden ontwikkeld. Op basis van een gemeentelijke analyse van de harde en zachte plancapaciteit en een jaarlijkse groei van het aantal arbeidsplaatsen <1 % zijn de ambities van 6.000 woningen en 3.000 arbeidsplaatsen tot 2050 realistisch te noemen. Ten behoeve van het onderzoek naar de alternatieven is het wenselijk deze verder uit te werken in een tweetal alternatieven die een goed beeld geven van de bandbreedte van de te onderzoeken ambities. Die bandbreedte wordt vooral bepaald door: - de mate waarin de gemeente sturend kan en wil optreden bij de realisatie van de ambities.

Het uitgangspunt daarbij is dat bij veel woningen en arbeidsplaatsen en een ingrijpende sturing richting meer duurzame mobiliteit (waaronder concentratie rondom HOV) een sterke sturing vanuit de gemeente vraagt. Dit vraagt bij de uitwerking ook een beeld van de instrumenten die daarbij ingezet kunnen worden zoals bijvoorbeeld actief grondbeleid; - de mate waarin externe ontwikkelingen de haalbaarheid van de ambities in positieve of negatieve zin beïnvloeden. Het is nog onduidelijk hoe het huidige kabinet de ambities zal vertalen in ruimtelijk beleid. Ook lijkt op belangrijke dossiers zoals stikstof, energie-infrastructuur en beschikbaarheid van drinkwater onvoldoende voortgang te worden gerealiseerd om grote ambities qua woningbouw, arbeidsplaatsen en bijbehorende voorzieningen te kunnen realiseren. In de NRD is opgenomen dat in het OER een eerste verkenning wordt uitgevoerd naar de mogelijke effecten van de ondertunneling/overkluizing van de A12/spoor op termijn (Huygenstunnel). Deze ontwikkeling is zeer onzeker, nog niet concreet genoeg en valt hoogstwaarschijnlijk buiten de planhorizon van de omgevingsvisie. Zoals ook beschreven in paragraaf 3.6 is de Huygenstunnel daarom niet beoordeeld als onderdeel van de alternatieven en het voorgenomen beleid. In paragraaf 8.3.1 (algemene aandachtspunten) is een aanbeveling voor het vervolg opgenomen.

5.2

Uitgangspunten in beide alternatieven

De referentiesituatie vormt de basis voor beide alternatieven. De referentiesituatie, oftewel wel de ‘autonome ontwikkelingen’, bestaat uit generiek planoverstijgende ontwikkelingen, en autonome ontwikkelingen ten gevolge van gemeentelijk beleid. Voorbeelden van generiek planoverstijgende ontwikkelingen zijn vergrijzing en klimaatverandering. De autonome ontwikkelingen ten gevolge van gemeentelijk beleid zijn weergegeven in tabel ii.1.

36 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief

In aanvulling op de autonome ontwikkelingen uit tabel ii.1, zijn nog er een aantal uitgangspunten voor beide alternatieven. Dit zijn beleidsdoelen die nog niet in het vigerend beleid vastgesteld zijn, maar binnenkort worden vastgelegd. Het betreft de volgende uitgangspunten per thema: - mobiliteit en bereikbaarheid: snelheidsverlaging van 50 km/u naar 30 km/u bij bepaalde wegvakken gecombineerd met (her)inrichting van die wegvakken op een manier die past bij die snelheid.; - mobiliteit en bereikbaarheid: geen wijzigingen van OV ten opzichte van de referentiesituatie; - plek van en voor iedereen: voorzieningenniveau groeit mee met het aantal inwoners; - economisch vitaal, passend bij een woongemeente: glastuinbouw blijft gelijk aan de referentiesituatie; - duurzaam toekomstbestendig: geen nieuwe windparken en zonnevelden. Op de kaartbeelden van alternatief 1 en 2 staan ‘duurzame veehouderijen en boerenbedrijven’ als onderdeel van het ‘vitale buitengebied’. De maatregelen omtrent deze ambitie zijn onvoldoende uitgewerkt om mee te nemen in de beoordeling van de alternatieven.

5.3

Verschillen tussen alternatieven

Op basis van de invalshoeken zijn 2 alternatieven te onderscheiden: 1 gematigde gespreide groei: 4.000 woningen (1.000 rond OV, 3.000 verspreid) en 3.000 arbeidsplaatsen (1.800 rond OV, 1.200 verspreid). Gematigd doorvoeren van het STOMP-principe (Stappen, Trappen, Openbaar Vervoer, Mobility as a Service, Privéauto); 2 ambitieuze groei, geconcentreerd rondom (H)OV: 8.000 woningen (2.500 rond OV, 5.500 verspreid) en 4.000 arbeidsplaatsen (2.000 rond OV, 2.000 verspreid). Maximaal doorvoeren van het STOMP-principe. Deze 2 alternatieven geven de volledige bandbreedte van de te maken keuzes en de realisatie van de beoogde ambities. De koppeling van de ambitieuze groei aan concentratie nabij HOV-locaties en maximale doorvoering van het STOMP-principe is logisch, omdat juist bij de ambitieuze groei de mogelijkheden van duurzame mobiliteit maximaal verkend moeten worden om congestie van het autoverkeer te kunnen voorkomen. Op de volgende 2 pagina’s zijn de kaarten voor woningbouw en arbeidsplaatsen per alternatief opgenomen. De gehanteerde woningaantallen en hun locaties zijn gebaseerd op de door de gemeente aangeleverde uitgangspunten voor de alternatieven, en sluiten daarmee niet per definitie één-op-één aan op de aantallen uit de Woondeal.

37 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief

Afbeelding 5.1 Woningen in alternatief 1

Afbeelding 5.2 Arbeidsplaatsen in alternatief 1

38 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief

Afbeelding 5.3 Woningen in alternatief 2

Afbeelding 5.4 Arbeidsplaatsen in alternatief 2

39 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief

6 OMGEVINGSEFFECTEN VAN DE ALTERNATIEVEN In dit hoofdstuk worden de omgevingseffecten van de alternatieven beoordeeld op basis van de beoordelingsschaal in tabel 3.3. Ook worden voor elk aspect mitigerende maatregelen benoemd. Dit zijn voorbeelden van maatregelen die de gemeente kan nemen om de omgevingseffecten te reduceren.

6.1

Hoogwaardig verblijfsklimaat

6.1.1

Gezondheid en leefbaarheid

Onderstaande tabel bevat een beknopt overzicht van de gegeven beoordelingen binnen het thema ‘gezondheid en leefbaarheid’ voor alternatief 1 en 2. Tabel 6.1 Beoordeling thema gezondheid en leefbaarheid Aspect

Beoordeling referentiesituatie

Beoordeling omgevingseffecten alternatief 1

Beoordeling omgevingseffecten alternatief 2

luchtkwaliteit

matig

0

-

de groei in woningen en arbeidsplaatsen leidt tot een toename van verkeer en daarmee emissies. De gespreide opzet met een focus op duurzame mobiliteit (gematigde inzet op STOMP) en snelheidsverlaging kan leiden tot minder geconcentreerde emissies. In hoeverre deze mitigerende maatregelen de luchtkwaliteit op het niveau van de referentiesituatie houden, is onzeker, mede omdat gematigde inzet op STOMP niet is uitgewerkt in dit alternatief

de geconcentreerde stijging in woningen en arbeidsplaatsen zorgt voor een hoog risico op een negatief effect op de luchtkwaliteit door een grote toename in verkeer en een toename in emissies

0

-

groei in woningen en arbeidsplaatsen leidt tot een toename van verkeer en daarmee de kans op geluidsoverlast. De gespreide opzet met een focus op duurzame mobiliteit (gematigde inzet op STOMP), snelheidsverlaging en de toepassing van stil asfalt kan leiden tot minder geconcentreerde verkeerstromen en daarmee een beperking van geluidsemissies. In hoeverre deze mitigerende maatregelen de geluidsoverlast op het niveau van de referentiesituatie

de geconcentreerde stijging in woningen en arbeidsplaatsen zorgt voor een hoger risico op meer geluidsoverlast door een grotere toename van verkeer. De effecten van snelheidsverlaging, maximale inzet op STOMP en stil asfalt kunnen hierdoor onvoldoende zijn om de geluidsoverlast te beperken. Ook is de expliciete focus op geen extra OV een risico op extra autogebruik, wat leidt tot een verdere toename van geluidsoverlast

geluid

matig

40 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief

Aspect

Beoordeling referentiesituatie

Beoordeling omgevingseffecten alternatief 1

Beoordeling omgevingseffecten alternatief 2

houden, is echter onzeker, mede omdat gematigde inzet op STOMP niet is uitgewerkt in dit alternatie

overige gezondheidsaspecten (geur, licht en trillingen)

redelijk

hittestress

matig

0

-

gespreide ontwikkelingen, gecombineerd met verduurzaming en innovaties in bouw en landbouw, bieden kansen om geurhinder, lichtvervuiling en trillingen te beperken. Voor lichthinder geldt dat deze afkomstig kan zijn van diverse bronnen, zoals bouwactiviteiten, sportverlichting en reclameverlichting. Tegelijkertijd blijft onzeker of deze maatregelen voldoende zijn om de mogelijke toename van gezondheidsrisico’s, die samenhangen met stedelijke uitbreiding en intensiever ruimtegebruik, effectief te mitigeren. Deze onzekerheid wordt mede veroorzaakt doordat gematigde inzet op STOMP niet is uitgewerkt

de hogere concentratie van bouwactiviteiten, werk, woningen, bewoners en bijkomende verkeersbewegingen kan lokaal leiden tot meer geur-, licht- en trillinghinder, ondanks genomen maatregelen. Voor geur en licht geldt dat de hinder uit verschillende bronnen kan voortkomen, zoals verkeer, bedrijvigheid, sportvoorzieningen en reclameverlichting.

-

-

extra woningbouw leidt tot een toename aan verhard oppervlak en verstoring van de windpatronen. Doordat verspreid wordt gebouwd is het effect op hittestress mogelijk beperkt. Desondanks wordt er nog wel een toename verwacht

extra woningbouw leidt tot een toename aan verhard oppervlak, wat resulteert in meer hittestress. Een gedeelte van de extra woningbouw zal bestaan uit hoge gebouwen. Dit beperkt de afname aan groen, maar leidt tot een sterkere afname van windcirculatie. Hierdoor wordt in vergelijking met de referentiesituatie warmte langer vastgehouden in het bebouwde gebied en hogere temperaturen bereikt in de nacht

Luchtkwaliteit Alternatief 1 In alternatief 1, waar een gematigd gespreide ontwikkeling wordt voorgesteld, leidt de groei in woningen en arbeidsplaatsen tot een (beperkte) toename van verkeer en daarmee emissies ten opzichte van de referentiesituatie. Dit heeft een negatief effect op de luchtkwaliteit. Echter, de gespreide opzet van de ontwikkeling, gecombineerd met duurzame mobiliteit gebaseerd op het STOMP-principe (Stappen, Trappen, Openbaar Vervoer, Mobility as a Service en Privé vervoer), en snelheidsverlaging van 50 km/u naar 30 km/u bij bepaalde wegvakken in combinatie met (her)inrichting van die wegvakken, kan zorgen voor minder geconcentreerde emissies. De mate waarin de emissies afnemen is onder andere afhankelijk van de uitwerking van het STOMP-principe. In alternatief 1 wordt gematigd ingezet op het STOMP-principe, maar uit het alternatief wordt niet duidelijk wat dit inhoudt.

41 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief

Verder draagt de verduurzaming van de mobiliteit ook bij aan een betere luchtkwaliteit. Het voorgenomen beleid ondersteunt deze maatregelen door de ambitie te benadrukken dat de luchtkwaliteit vanaf 2030 moet voldoen aan de strengere EU-normen. Als volgende stap wil de gemeente voldoen aan de WHO-normen van 2021 Echter, het is onzeker in hoeverre de luchtkwaliteit daadwerkelijk verbetert door alle maatregelen. Dit hangt bijvoorbeeld af van de uitwerking van het aspect Openbaar Vervoer binnen het STOMP-principe. Er wordt onder andere ingezet op een hogere frequentie van de metro, maar er komen geen extra OV-haltes bij. Voor woningen en arbeidsplaatsen die verder van een OV-halte liggen, bestaat het risico dat de auto de gangbare optie blijft. Als dat het geval is, neemt het gebruik van auto’s toe, en dat heeft een negatief effect op de luchtkwaliteit. De beoordeling van alternatief 1 voor het aspect luchtkwaliteit is daarom ‘neutraal’ ten opzichte van de referentiesituatie. Een gedeelte van de woningbouwlocaties ligt nabij de Rijkswegen. Het realiseren van woningen op deze locaties kan leiden tot negatieve gezondheidseffecten voor de nieuwe bewoners.

Mitigerende maatregelen: - concretiseer de snelheidsverlaging van 50 km/u naar 30 km/u bij bepaalde wegvakken en de (her)inrichting van die wegvakken op een manier die past bij die snelheid; - concretiseer wat de gematigde inzet op het STOMP-principe inhoudt; - aandacht voor een stedelijke planning die rekening houdt met de invloed van bouwhoogtes en bebouwingsdichtheid op de luchtcirculatie en de luchtkwaliteit, met als doel de luchtkwaliteit te verbeteren. - implementatie van groene zones, parken en groene daken om luchtverontreiniging te absorberen. Er is geen specifieke richtlijn voor de hoeveelheid groen die gerealiseerd moet worden om de luchtkwaliteit met een bepaald percentage te verbeteren. Wel is bijvoorbeeld bekend dat eén m2 aan groen dak 200 g fijnstof kan afvangen (Ginkelgroep, z.d.). Hoe meer groen er geïmplementeerd wordt, des te groter het effect op de luchtkwaliteit; - installatie van luchtzuiveringssystemen in stedelijke gebieden. Alternatief 2 In alternatief 2 leiden de geconcentreerde ontwikkelingen tot een hogere concentratie van woningen en arbeidsplaatsen ten opzichte van de referentiesituatie tot extra verkeer en daarmee een toename van emissies. Hoewel er duurzame maatregelen worden genomen (zoals maximale inzet op het STOMP- principe), kunnen deze niet voorkomen dat de luchtkwaliteit verslechtert ten opzichte van de referentiesituatie.

Bovendien wordt uit het alternatief niet duidelijk wat maximale inzet op het STOMP- principe inhoudt. Verder wordt een gedeelte van de arbeidsplaatsen en woningen gerealiseerd op plekken die niet nabij OV-haltes liggen. Hierdoor bestaat het risico dat de auto de meest gangbare vervoersoptie blijft. Het aantal auto’s en daarmee gemoeide emissies stijgt. Dat heeft een negatief effect op de luchtkwaliteit. Een gedeelte van de woningbouwlocaties ligt nabij de Rijkswegen. Het realiseren van woningen op deze locaties kan leiden tot negatieve gezondheidseffecten voor de nieuwe bewoners. De geplande woningbouw door geconcentreerde verstedelijking in bepaalde gebieden zal de luchtkwaliteit ook negatief beïnvloeden. Dit komt mede doordat geconcentreerde verstedelijking leidt tot slechtere luchtcirculatie, meer verkeers- en industriële activiteit en de vorming van een microklimaat, waardoor de verspreiding van lucht wordt beïnvloed en verhinderd. Ondanks de beleidskaders zoals de nationale omgevingsvisie en de omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland, die streven naar verbetering van milieukwaliteit, blijkt dat de voorgenomen maatregelen in combinatie met geconcentreerde ontwikkeling niet voorkomen dat de luchtkwaliteit verslechtert. Op basis van deze constateringen leidt het alternatief voor het aspect luchtkwaliteit tot een verslechtering ten opzichte van de referentiesituatie.

42 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief

Mitigerende maatregelen: - zet in op gespreide ontwikkeling in combinatie met het STOMP-principe. Bij gespreide ontwikkelingen is de luchtvervuiling minder geconcentreerd. Inzet op het STOMP-principe voorkomt dat inwoners de auto pakken, wat de luchtkwaliteit juist weer kan verslechteren; - concretiseer de snelheidsverlaging van 50 km/u naar 30 km/u bij bepaalde wegvakken en de (her)inrichting van die wegvakken op een manier die past bij die snelheid km/ukm/u; - concretiseer wat de maximale inzet op het STOMP-principe inhoudt; - implementatie van groene zones, parken en groene daken om luchtverontreiniging te absorberen. Er is geen specifieke richtlijn voor de hoeveelheid groen die gerealiseerd moet worden om de luchtkwaliteit met een bepaald percentage te verbeteren. Wel is bijvoorbeeld bekend dat eén m2 aan groen dak 200 g fijnstof kan afvangen (Ginkelgroep, z.d.). Hoe meer groen er geïmplementeerd wordt, des te groter het effect op de luchtkwaliteit; - installatie van luchtzuiveringssystemen in stedelijke gebieden. Geluid Alternatief 1 De geplande verstedelijking in alternatief 1 leidt tot een tijdelijke toename van geluidsoverlast door de geplande bouwwerkzaamheden en ontwikkeling van onder andere woningen. Ook kan er meer permanente geluidsoverlast ontstaan door de toename van verkeer. Deze wordt wel weer beperkt door de gespreide ontwikkeling van woon- en werkplekken.

Ook snelheidsverlaging, gebruik van stil asfalt en de gematigde inzet op het STOMP-principe dragen bij aan minder geconcentreerde verkeersstromen en daarmee minder geluidsoverlast. In alternatief 1 worden er geen extra OV-haltes gerealiseerd, terwijl er wel inwoners en arbeidsplaatsen bij komen op plekken die niet nabij OV-knooppunten liggen. Hierdoor ontstaat het risico dat de auto de meest voor de hand liggende vervoersoptie blijft. Als dat het geval is, kan het gebruik van auto's en individuele reisbewegingen toenemen. Bovendien wordt uit het alternatief niet duidelijk wat gematigde inzet op het STOMP-principe inhoudt. De groei in arbeids-en woonplaatsen leidt, ondanks de nadruk op de verbetering van milieukwaliteit en veiligheid in de maatregelen, tot een neutrale beoordeling ten opzichte van de referentiesituatie, aangezien er wel een toename is in verkeersbewegingen.

Mitigerende maatregelen Het voorkomen van negatieve effecten als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen door: - maatregelen aan de bron: · gebruik van stil asfalt; · snelheidsverlaging; · concretisering van gematigde inzet op het STOMP-principe · strikte regulering van bouwtijden om nachtelijke geluidsoverlast te verminderen; - afscherming van de bron: · geluidswallen of geluidsschermen langs drukke wegen en spoorlijnen; - bouwkundige maatregelen: · gevelisolatie bij geluidgevoelige gebouwen; · isoleren van (oudere) woningen.

43 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief

Alternatief 2 Het geluid neemt toe ten opzichte van de referentiesituatie. In eerste instantie door de bouw van en ontwikkelingen omtrent arbeidsplaatsen en woningen en vervolgens door bijkomende geconcentreerde verkeersbewegingen. In alternatief 2 zorgen de bouw van huizen en bijbehorende ruimtelijke ontwikkelingen voor een tijdelijke toename in geluid. In de eindsituatie zorgt concentratie van woningen en arbeidsplaatsen vervolgens voor meer verkeer in bepaalde gebieden, wat leidt tot een toename van geluidsoverlast. Beoogde maatregelen, zoals stil asfalt en de snelheidsverlaging van 50 naar 30 km/u, kunnen de geluidsbelasting met 2-3 dB reduceren. Samen met de maximale inzet op het STOMP-principe kan dit de geluidstoename beperken. Of dit voldoende is om de toenemende geluidsbelasting door een toename in verkeersbewegingen te mitigeren, is onzeker. Zeker omdat er veel verkeer bij komt op geconcentreerde locaties door bevolkingsgroei en een groei van arbeidsplaatsen en woningen die niet nabij OV-knooppunten liggen. De reductie van de geluidsbelasting door stil asfalt en snelheidsverlaging hangt af van waar en in welke mate deze maatregelen worden toegepast. Bovendien wordt uit het alternatief niet duidelijk wat maximale inzet op het STOMP-principe inhoudt. De geluidsoverlast neemt toe ten opzichte van de referentiesituatie.

Mitigerende maatregelen Het voorkomen van negatieve effecten als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen door: - maatregelen aan de bron: · gebruik van stil asfalt; · snelheidsverlaging; · concretisering van maximale inzet op het STOMP-principe · strikte regulering van bouwtijden om nachtelijke geluidsoverlast te verminderen; - afscherming van de bron: · geluidswallen of geluidsschermen langs drukke wegen en spoorlijnen; - bouwkundige maatregelen: · gevelisolatie bij geluidgevoelige gebouwen; · isoleren van (oudere) woningen.

Overige gezondheidsaspecten (geur, licht en trillingen) Alternatief 1 Net zoals bij de bovengenoemde milieuaspecten luchtkwaliteit, is het onzeker of de gespreide ontwikkelingen en groei in alternatief 1, gecombineerd met verduurzaming en andere maatregelen, leiden tot een toename van geurhinder, lichtvervuiling en trillingen. Onder andere de innovaties in bouw en landbouw, zoals verduurzaming van bestaande landbouw, kunnen deze gezondheidsaspecten verbeteren. In alternatief 1 wordt er gestreefd naar een gezonde en veilige leefomgeving en verbetering van milieukwaliteit. De bijbehorende maatregelen kunnen er daarom voor zorgen dat de emissies en daarmee de geurhinder, lichtvervuiling en trillingen beperkt blijven. De gespreide opzet van de ontwikkeling, in combinatie met duurzame mobiliteit op basis van gematigde inzet op het STOMP-principe en het verlagen van de maximumsnelheid van 50 naar 30 km/u op bepaalde wegvakken, draagt bij aan minder geconcentreerde emissies. De daadwerkelijke impact is echter onzeker, omdat de gematigde inzet op het STOMP-principe niet is uitgewerkt. Bovendien wordt er niet ingezet op extra OV-haltes. Tegelijkertijd komen er wel inwoners en arbeidsplaatsen bij op locaties die niet nabij OVknooppunten liggen. Hierdoor bestaat het risico dat de auto het meest voor de hand liggende vervoersmiddel blijft.

Dit kan het gebruik van de auto juist doen toenemen, wat een negatief effect heeft op zowel geurhinder als trillingen. Trillingen door verkeer zijn met name te verwachten op veendijken, vooral veroorzaakt door vrachtverkeer en openbaar vervoer. Bij gespreide bebouwing in het buitengebied kan de overlast hierdoor toenemen. Daarnaast leidt de geplande verstedelijking in alternatief 1 tot een tijdelijke toename van lichtvervuiling door de geplande bouwwerkzaamheden en ontwikkeling van woningen. Ook ontstaat er meer permanente lichtvervuiling door de toename van verkeer en nieuwe gebouwen.

44 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief

De beoordeling van alternatief 1 is daarom 'neutraal' ten opzichte van de referentiesituatie. Ondanks de nadruk op de verbetering van milieukwaliteit en veiligheid in de maatregelen, blijft het onzeker in hoeverre de gespreide ontwikkelingen en groei daadwerkelijk leiden tot een vermindering van geurhinder, lichtvervuiling en trillingen. Alternatief 2 In alternatief 2 leidt de hogere concentratie van bouwactiviteiten, werk, bewoners en bijkomende verkeersbewegingen lokaal tot meer geur-, licht- en trillinghinder. Geurhinder kan worden veroorzaakt door toename in verkeer en industrie. De hoeveelheid lichtvervuiling wordt groter door de toename in bebouwing (zowel woon- als arbeidsplaatsen) en verkeer. Trillingshinder neemt vooral toe tijdens de bouw van woonen arbeidsplaatsen en stedelijke verdichting. Ook een toename in het gebruik van bijvoorbeeld het openbaar vervoer (waaronder treinen) en (bestemmings)verkeer kan leiden tot lokaal meer trillingen. Ondanks de genomen maatregelen zoals strengere regelgeving en verduurzaming en innovaties, is het onzeker of de ontstane hinder volledig beperkt wordt. Hierin speelt ook mee dat maximale inzet op het STOMP-principe niet is uitgewerkt. Het aspect overige gezondheidsaspecten verslechtert in alternatief 2 ten opzichte van de referentiesituatie.

Mitigerende maatregelen alternatief 1 en 2: - gespreide ontwikkelingen gecombineerd met verduurzaming; - innovaties in bouw en landbouw; - verduurzaming van bestaande landbouw; - wegen versmallen. Hierdoor wordt doorgaand verkeer ontmoedigd, wat zorgt voor minder voertuigen en minder geuremissies, licht (van koplampen) en trillingen. Het is belangrijk om de inrichting van de wegvakken aan te laten sluiten bij de snelheid en de wegen niet meer dan 2 keer zo nauw als de hoogte van aanliggende gebouwen te maken (zie de uitleg bij het aspect luchtkwaliteit); - regeling van bouwactiviteiten om hinderlijke trillingen te beperken; - promotie van stille en duurzame energieoplossingen; - concretisering van maximale inzet op het STOMP-principe; - geur: Implementatie van geurfilters en controle op industriële en agrarische emissies; - licht: Gebruik van slimme verlichtingstechnologie die lichtvervuiling minimaliseert. Het advies is ook om met gebiedsindelingen te werken conform de NSVV-richtlijn. Hiermee is het mogelijk te toetsen aan lichthinder; - trillingen: Implementatie van trillingsdempende technologie in infrastructuur en transportmiddelen. Hittestress Alternatief 1 In vergelijking met de referentiesituatie neemt hittestress beperkt toe in alternatief 1. In alternatief 1 wordt gespreide groei gerealiseerd van woningen.

De extra woningen verstoren huidige windcirculatiepatronen, leiden hoogstwaarschijnlijk tot een toename aan verharding, leiden tot een toename aan warmte absorberende materialen een toename van warmte-uitstotende menselijke activiteiten. Dit tast het microklimaat overdag en ’s nachts aan. Afhankelijk van de precieze positionering van de woningen, de mate van verspreiding en de mate waarin huidige beleidspunten wat betreft het beperken op hittestress worden uitgevoerd is de toename aan hittestress beperkt of groot. De beoordeling is vooralsnog ‘negatief’.

45 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief

Mitigerende maatregelen: - zet in op groen: · beperk de toename van verharding door maximaal in te zetten groene daken, en waar mogelijk op groen in private- en open ruimte; · implementeer de 3 / 30 / 300-regel. Dit houdt in dat er minimaal 3 woningen zichtbaar zijn vanuit elke woning, minimaal 30 % kroonbedekking in de wijk is, en dat er binnen 300 meter van de woning toegang is tot een groene (en dus koele) plek; · op locaties met laagbouw hebben grote bomen die veel schaduw bieden de voorkeur. Op locaties met meer hoge gebouwen is ventilatie belangrijker, hier wordt het advies gegeven om te werken met lage groenstructuren of groene gevels. De groene gevels hebben als bijkomend voordeel dat ze CO2 en andere broeikasgassen opnemen zonder de luchtcirculatie te hinderen; · creëer open ruimtes en groene corridors voor het bevorderen van ventilatie; · van belang is dat grondgebonden woningen zelf over voldoende ruimte beschikken voor verkoeling buitenshuis. Kavels van grondgebonden woningen omvatten daarom minimaal 25% onbebouwde en groene ruimte. Voor gestapelde bouw streven naar 15% ruimte voor verkoeling en ontmoeting in de open lucht; - zorg dat hoge gebouwen maximaal 2 keer zo hoog zijn als dat de straat breed is om street canyons te voorkomen; - ontwerp hoge gebouwen trapsgewijs. Dat wil zeggen: gebouwen zijn aan de voet breder, en naar boven toe steeds smaller.

Dit gaat street canyons en hun negatieve effecten tegen; - oriënteer hoge gebouwen op een slimme manier om windstromen te geleiden. Straten met een noordzuidoriëntatie houden meer warmte vast ten gevolge van (ontbrekende) luchtstromen dan straten met een oost-westoriëntatie; - gebruik zoveel mogelijk lichte materialisatie die warmte en zonnestraling afstoot. Materialen met een hoge albedo-waarde, zoals lichte dakbedekkingen, trottoirs en gevels, kunnen de hoeveelheid geabsorbeerde warmte significant verminderen; - gebruik waar mogelijk permeabele bestratingsmaterialen die helpen bij het verbeteren van de waterinfiltratie; - overweeg op verblijfslocaties met hoge hittestress om nevelinstallaties of stromende waterconstructies zoals fonteinen te plaatsen. Alternatief 2 In alternatief 2 neemt het aantal nieuwe woningen ten opzichte van de referentiesituatie verder toe, maar dan op een meer verdichte manier. Dit betekent een toename van het bebouwde oppervlak en vooral ook een toename in de hoogte van gebouwen. De toename van bebouwing zal tot dezelfde effecten leiden als in alternatief 1, maar dan versterkt. De toename in hoge gebouwen heeft daarnaast extra effecten op hittestress. Wanneer gebouwen meer dan 2 keer zo hoog zijn als de straat breed is, ontstaan street canyons. Door deze street canyons kunnen bestaande windstromen aangepast worden.

Wanneer de wind parallel aan de richting van de straat waait, ontstaat er tussen de gebouwen een sterkere windstroom dan wanneer er geen sprake is van een street canyon. Dit effect is sterker als de breedte van de straat varieert; dezelfde hoeveelheid wind moet opeens in een smaller stuk straat passen, waardoor het harder gaat waaien. Wanneer de wind haaks op de richting van de straat waait, waait hij alleen over de toppen van de gebouwen en gaat hij de street canyon niet ‘in’. Hierdoor blijft de lucht tussen de gebouwen stilstaan, en blijven zowel warmte als uitlaatgassen hangen. Het vasthouden van de warmte versterkt het stedelijk hitte-eiland effect. Dit kan vooral 's nachts resulteren in hogere temperaturen, wat de gezondheid van inwoners sterk kan schaden. Er is ook een positief effect van nieuwbouw: overdag zorgt het voor meer schaduw. Desondanks heeft alternatief 2 risico op een negatief effect. De mate waarin hittestress zal toenemen, hangt sterk af van de compositie waarin de verdichting plaatsvindt en de mate van groene oppervlakken die kunnen worden behouden of teruggebracht. Mitigerende maatregelen zoals de integratie van groene daken, verticale tuinen, en voldoende open en groene ruimtes om de warmteafvoer te bevorderen, dragen hieraan bij.

Hoge gebouwen die slim zijn ontworpen om windstromen te geleiden en schaduw te bieden op verblijfsplaatsen zonder de luchtstroom volledig te blokkeren, kan ook helpen om de temperatuur te reguleren en hittestress te beperken.

46 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief

Mitigerende maatregelen: - zet in op groen: · beperk de toename van verharding door maximaal in te zetten groene daken, en waar mogelijk op groen in private- en open ruimte; · implementeer de 3 / 30 / 300-regel. Dit houdt in dat er minimaal 3 woningen zichtbaar zijn vanuit elke woning, minimaal 30 % kroonbedekking in de wijk is, en dat er binnen 300 meter van de woning toegang is tot een groene (en dus koele) plek; · op locaties met laagbouw hebben grote bomen die veel schaduw bieden de voorkeur. Op locaties met meer hoge gebouwen is ventilatie belangrijker, hier wordt het advies gegeven om te werken met lage groenstructuren of groene gevels. De groene gevels hebben als bijkomend voordeel dat ze CO2 en andere broeikasgassen opnemen zonder de luchtcirculatie te hinderen; · creëer open ruimtes en groene corridors voor het bevorderen van ventilatie; · van belang is dat grondgebonden woningen zelf over voldoende ruimte beschikken voor verkoeling buitenshuis. Kavels van grondgebonden woningen omvatten daarom minimaal 25% onbebouwde en groene ruimte. Voor gestapelde bouw streven naar 15% ruimte voor verkoeling en ontmoeting in de open lucht; - zorg dat hoge gebouwen maximaal 2 keer zo hoog zijn als dat de straat breed is om street canyons te voorkomen; - ontwerp hoge gebouwen trapsgewijs. Dat wil zeggen: gebouwen zijn aan de voet breder, en naar boven toe steeds smaller.

Dit gaat street canyons en hun negatieve effecten tegen; - oriënteer hoge gebouwen op een slimme manier om windstromen te geleiden. Straten met een noordzuidoriëntatie houden meer warmte vast ten gevolge van (ontbrekende) luchtstromen dan straten met een oost-westoriëntatie; - gebruik zoveel mogelijk lichte materialisatie die warmte en zonnestraling afstoot. Materialen met een hoge albedo-waarde, zoals lichte dakbedekkingen, trottoirs en gevels, kunnen de hoeveelheid geabsorbeerde warmte significant verminderen; - gebruik waar mogelijk permeabele bestratingsmaterialen die helpen bij het verbeteren van de waterinfiltratie; - overweeg op verblijfslocaties met hoge hittestress om nevelinstallaties of stromende waterconstructies zoals fonteinen te plaatsen.

6.1.2

Ruimtelijke kwaliteit

Onderstaande tabel bevat een beknopt overzicht van de gegeven beoordelingen binnen het thema ‘ruimtelijke kwaliteit’ voor alternatief 1 en 2.

47 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief

Tabel 6.2 Beoordeling thema ruimtelijke kwaliteit Aspect

Beoordeling referentiesituatie

Beoordeling omgevingseffecten alternatief 1

Beoordeling omgevingseffecten alternatief 2

landschap

overwegend goed

0

-

de verhouding tussen bebouwd en onbebouwd gebied is vrijwel gelijk aan de referentiesituatie. Wel blijft het voor de ontwikkellocaties onduidelijk of er aandacht is voor landschappelijke inpassing en de concrete uitwerking hiervan

er wordt ingezet op een toename aan woningvoorraad in het buitengebied, dit beïnvloedt de verhouding tussen het bebouwd en onbebouwd gebied. Ook blijft het voor de ontwikkellocaties onduidelijk of er aandacht is voor landschappelijke inpassing en de concrete uitwerking hiervan

-

-

het is onduidelijk in hoeverre er bij de locatiekeuze rekening is gehouden met het ondergrondse kanaal van Corbulo en het beschermd stadsgezicht Voorburg. Ook is niet duidelijk hoe wordt ingezet op het behoud van (archeologische) monumenten en (religieus) erfgoed

het is onduidelijk in hoeverre er bij de locatiekeuze rekening is gehouden met het ondergrondse kanaal van Corbulo, het beschermd stadsgezicht Voorburg en de wederopbouwwijk de Heuvel en Prinsenhof. Ook is niet duidelijk hoe wordt ingezet op het behoud van (archeologische) monumenten en (religieus) erfgoed

cultureel erfgoed en stedenbouw

overwegend goed

Landschap Alternatief 1 In alternatief 1 worden er tot 2050 2.445 extra woningen toegevoegd ten opzichte van de referentiesituatie. Ten behoeve van het OER is een inschatting gemaakt van de mogelijke spreiding van de beoogde woningaantallen en arbeidsplaatsen over de verschillende ontwikkellocaties. Ten opzichte van de referentiesituatie zijn dit voor woningbouw de volgende ontwikkellocaties: het terrein bij Overgoo (1.000 woningen), bedrijventerrein de Star (175 woningen) en the Mall of the Netherlands (100 woningen), het Koningin Julianaplein (175 woningen), Voorburg West (200 woningen), rondom treinstation Den Haag Mariahoeve (400 woningen), Den Haag Laan van NOI (125 woningen) en OV-knooppunten station Voorburg (150 woningen) en Voorburg ’t Loo (150 woningen). Hieruit blijkt dat de woningbouwopgave hoofdzakelijk binnenstedelijk wordt gerealiseerd nabij de bestaande wijken. In het noordoosten van Leidschendam (voormalig glastuinbouwgebied) en in Stompwijk worden respectievelijk 70 en 20 woningen minder gebouwd ten opzichte van de referentiesituatie. Wel is het in Stompwijk onduidelijk of er wordt ingezet op inbreiding en/of uitbreiding. Dat is een aandachtspunt voor het landschap. Ook wordt het landschap net als in de referentiesituatie in het noordoosten van Leidschendam anders gebruikt door de transformatie van de voormalige glastuinbouwlocatie naar woningbouw.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=25f61d2d-9c34-4bd9-be6d-daa4ee63777a