CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

4213 Ruimtelijke onderbouwing (incl bijlagen)

Raadsvergadering 15 april 2025, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel ontwerp verklaring van geen bedenkingen voor het plaatsen van geluidschermen langs de A4 (Duinwaterpad in Leidschendam)22.451 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

R001_04_L230623 | 28 januari 2025

Provinciale Staten uit 2019 heeft uitgewezen dat voor het tracé langs de Vogelplas Starrevaart een geluidscherm met een hoogte van 3,5 meter zorgt voor een hoorbare vermindering van het geluid (meer dan 3 dB, wat betekent een halvering van het geluid) direct aan de achterzijde van het scherm. Tevens is er gekozen voor een ontwerp met absorberende schermen zodat er geen sprake is van een toename van geluid naar de andere zijde van de Rijksweg A4 (waaronder Stompwijk) als gevolg van geluidreflectie. 4.4.2

Conclusie

Het geluidscherm heeft een positief effect op de geluidsituatie in het recreatiegebied achter het scherm en geen negatief effect aan de andere kant van de A4 als gevolg van geluidreflectie.

4.5

Bedrijven en milieuzonering

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van ruimtelijke plannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid moet erop toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). Die afstand moet ook weer niet onnodig groot zijn, omwille van een efficiënt ruimtegebruik. De VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ editie 2009 is een hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Met milieuzonering kan ervoor worden gezorgd dat nieuwe bedrijven op een verantwoorde afstand van gevoelige bestemmingen worden gesitueerd. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De publicatie hanteert een tweetal verschillende omgevingstypen voor de richtafstanden: het omgevingstype ‘gemengd gebied’ en het omgevingstype ‘rustige woonwijk/rustig buitengebied’. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een rustige woonwijk en in rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies voor.

De richtafstanden gelden voor een gemiddeld nieuw bedrijf en gaan uit van een rustig woongebied. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden, zonder dat dit ten koste gaat van het leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd als sprake is van omgevingstype ‘gemengd gebied’. In de navolgende tabel zijn de richtafstanden weergegeven.

R001_04_L230623 | 28 januari 2025

Tabel 4.1 Overzicht richtafstanden VNG-publicatie De bovengenoemde richtafstanden voor een rustige woonwijk en gemengd gebied gaan uit van het principe van functiescheiding. Binnen gebieden waar functiemenging is, bijvoorbeeld in een centrumgebied met veel winkels en voorzieningen, is er sprake van milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstanden van elkaar gesitueerd zijn. De richtafstanden uit tabel 4.1 zijn dan niet meer toepasbaar. In dat geval wordt er middels categorieën aangegeven onder welke omstandigheden activiteiten inpasbaar zijn: -

Categorie A activiteiten zijn toegestaan aanpandig aan woningen;

-

Categorie B activiteiten zijn toegestaan aanpandig aan woningen indien ze bouwkundig van elkaar afgescheiden zijn;

-

Categorie C activiteiten zijn alleen toegestaan indien ze gesitueerd zijn aan een hoofdweg.

4.5.1

Beoordeling

Een geluidscherm is noch een milieubelastende noch een milieugevoelige functie. In het onderhavige geval heeft het juist een positief effect op het woon- en leefklimaat aan de zijde van het recreatiegebied aangezien er sprake is van een halvering van de geluidbelasting direct achter het scherm en betonelement (zie ook paragraaf 4.4). 4.5.2

Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor dit plan.

4.6

Externe veiligheid

Het algemene rijksbeleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving van: -

Het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen);

-

Het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen);

-

Het transport van aardgas en brandstoffen door buisleidingen;

R001_04_L230623 | 28 januari 2025

-

Het gebruik van luchthavens en overige risicobronnen zoals bijvoorbeeld windturbines hoogspanningslijnen en zendmasten.

Het beleid voor inrichtingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi), voor zover de risico's door een inrichting worden veroorzaakt. Voor ondergrondse buisleidingen gelden het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). Voor het transport van gevaarlijke stoffen gelden sinds 1 april 2015 het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. De Basisnetten Weg, Water en Spoor geven de verhouding aan tussen ruimtelijke ordening en de risico's van het vervoer van gevaarlijke stoffen over rijkswegen, hoofdvaarwegen en spoorwegen. De normering voor risico’s als gevolg van het transport, het gebruik en de opslag van gevaarlijke stoffen en windturbines is gebaseerd op enkele begrippen. -

Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich altijd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het plaatsgebonden risico geldt voor kwetsbare objecten een grenswaarde van 10-6 per jaar (kans op één dode per jaar, mag één op de miljoen zijn). Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde.

-

Het groepsrisico (GR) is de kans per jaar dat in één keer een groep van een bepaalde grootte dodelijk slachtoffer wordt van een ongeval. Hoe meer mensen nabij de bron verblijven, hoe groter het groepsrisico. Het groepsrisico wordt vergeleken met de oriëntatiewaarde: met de kans op een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers van 10-5 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 dodelijke slachtoffers van 10-7 per jaar, en met de kans op 1000 of meer dodelijke slachtoffers van 10-9 per jaar.

Het bevoegd gezag moet bij een nieuwe ontwikkeling bepalen of er sprake is van een aanvaardbaar risico. Vervolgens moet het bevoegd gezag over de hoogte van het groepsrisico verantwoording moeten afleggen. Bij de verantwoording van het groepsrisico door het bevoegd gezag wordt er nader gekeken naar de gevolgen van de diverse scenario’s die zich kunnen voltrekken. Zo kan er gekeken worden naar de mogelijkheden voor het terugbrengen van de risico’s en optredende effecten, de zelfredzaamheid van personen en de mogelijkheden voor bestrijding en hulpverlening. Voor het transport van gevaarlijke stoffen is het Besluit Externe Veiligheid Transportroutes van toepassing (Bevt). Wanneer het ruimtelijk plan binnen 200 meter van een transportroute gelegen is moet ook aandacht worden geschonken aan de volgende aspecten: -

Dichtheid van personen en de verwachte veranderingen.

-

Hoogte van het groepsrisico.

R001_04_L230623 | 28 januari 2025

-

Maatregelen ter beperking van het groepsrisico (waaronder stedenbouwkundige opzet, bouwkundige voorzieningen en voorzieningen met betrekking tot de inrichting van de openbare ruimte).

-

Mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan.

Er is echter sprake van een uitzondering wanneer: -

Het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde.

-

Het groepsrisico, niet meer dan tien procent toeneemt en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden.

In dat geval hoeft alleen te worden gekeken naar de eerstgenoemde aspecten van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. 4.6.1

Beoordeling

Ontwikkeling in relatie tot omgeving Het geluidscherm heeft in beginsel geen invloed op de veiligheid in het gebied. Er is geen sprake van een nieuwe functie die tot een risicovolle inrichting behoort, en ook wordt geen transportroute voor gevaarlijke stoffen of een brandstofleiding mogelijk gemaakt. Omgeving in relatie tot de ontwikkeling Langs de zuidzijde van het geluidscherm ligt een gasleiding van de Gasunie. In het vigerende bestemmingsplan is voor deze leiding een dubbelbestemming opgenomen met een breedte van 5 meter aan weerszijden van de leiding. Het geluidscherm wordt gerealiseerd binnen de dubbbelbestemming. Hiervoor heeft afstemming met de leidingbeheerder (Gasunie) plaats gevonden. De Gasunie heeft inmiddels laten weten dat er waarschijnlijk geen beperkingen zijn om het scherm op circa 2,5 meter van de leiding te plaatsen. Het formele advies wordt verstrekt zodra het definitieve ontwerp vaststaat. In ieder geval moeten de werkzaamheden worden uitgevoerd conform de NEN3650 en VELIN graafvoorwaarden. Het uitgangspunt is dat bij de werkzaamheden hiermee rekening wordt gehouden. In dat geval zijn er geen belemmeringen. Verder zijn er geen risicobronnen in de omgeving die een belemmering kunnen vormen voor de realisatie van het geluidscherm en de aarden wal met betonelement. Er is geen sprake van een

R001_04_L230623 | 28 januari 2025

nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare functie. Verdere toetsing als gevolg van de gasleiding, andere buisleidingen of de A4 als transportroute voor gevaarlijke stoffen kan daarom achterwege blijven. 4.6.2

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor dit plan.

4.7

Bodem

In het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ is het van belang om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in kaart te brengen. Duidelijk moet zijn of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. 4.7.1

Beoordeling

In het kader van het project is een milieuhygiënisch vooronderzoek uitgevoerd (zie bijlage I). Uit het onderzoek blijkt dat er concrete aanwijzingen zijn dat 10 locaties langs de Vogelplas Starrevaart verdacht zijn op het voorkomen van bodemverontreiniging, in de vorm van een slootdemping. Eén van de locaties ligt in de nabijheid van het tracé van het geluidscherm. De aanbeveling uit het onderzoek is om bij de slootdempingen een aanvullend bodemonderzoek uit te voeren voordat er grondroerende activiteiten kunnen plaatsvinden. 4.7.2

Conclusie

Het aspect bodemkwaliteit vormt naar verwachting geen belemmering voor dit plan. Wel moet er eerst een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd worden bij de slootdempingen voordat er grondroerende activiteiten kunnen plaatsvinden.

R001_04_L230623 | 28 januari 2025

4.8

Waterhuishouding

Besluit ruimtelijke ordening Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie uiteengezet (de watertoets). De watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten. Waterhuishoudkundige doelstellingen worden daarbij expliciet en op een evenwichtige wijze in beschouwing genomen binnen deze plannen/besluiten. De waterhuishouding wordt hierbij op een integrale wijze benaderd. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater moeten dus (in samenhang) in beschouwing worden genomen. Daarbij gaat het naast de kwantiteit ook om de kwaliteit. De integrale benadering van de waterhuishouding betekent ook dat de waterhuishouding moet worden benaderd in samenhang met andere beleidsvelden. Waterwet In de Waterwet staat het watersysteem centraal en zijn de doelstellingen van het waterbeheer gericht op het duurzaam goed functioneren van het watersysteem. Om het beheer in de toekomst zo goed mogelijk vorm te geven en uit te voeren, is van belang dat het huidige wettelijke instrumentarium wordt gestroomlijnd en gemoderniseerd. Daarbij staat integraal waterbeheer centraal.

De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. 4.8.1

Beoordeling

Ten behoeve van het project is op 03-10-2023 een digitale watertoets uitgevoerd (zie bijlage II). Op basis van de ingevoerde gegevens is de conclusie dat de korte procedure van toepassing is. Dit houdt in dat er een advies aangevraagd moet worden bij het Hoogheemraadschap Rijnland. Het advies is opgevraagd op 03-10-2023. Het Hoogheemraadschap Rijnland heeft in het advies aangegeven dat minimaal 5 meter afstand aangehouden moet worden tot primaire watergangen, om het onderhoud van de watergangen mogelijk te houden. Om dit te bekrachtigen is voor de watergangen een beschermingszone opgenomen aan beide zijden van watergangen. In onderhavige projecten (beide tracés) is geen sprake van het plaatsen van bouwwerken in de beschermingszone van nabij gelegen watergangen. Voor tracé 4 wordt een minimale afstand van circa 11,5 meter aangehouden tot de dichtstbijzijnde primaire watergang. De kortste afstand naar een overige watergang is minimaal 6,5 meter. Ook hier wordt er niet in de beschermingszone gebouwd. Met het oog op de waterkwaliteit wordt het gebruik van uitloogbare materialen zoals koper, lood en zink zoveel mogelijk voorkomen. Op de projectlocaties zijn verder geen activiteiten voorzien die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd.

R001_04_L230623 | 28 januari 2025

Figuur 4.1 Uitsnede legger oppervlaktewater van hoogheemraadschap Rijnland Er is sprake van een toename van oppervlakteverharding van circa 150 m2. Conform artikel 3.2 lid 2 sub g is het toegestaan om verharding aan te leggen met een oppervlakte tussen 500 m² en 5000 m² indien deze verharding wordt aangelegd op onverharde grond in een gebied dat niet op kaart 15 (behorende bij de Keur) is weergegeven. In dit geval is er sprake van onverharde grond dat niet is aangegeven op kaart 15 bij de Keur. Hierdoor geldt alleen de algemene regel met meldplicht voor het aanleggen van verharding. In de algemene regel is opgenomen dat er een compensatieplicht geldt waarbij 15% van het verhard oppervlak gecompenseerd moet worden in de vorm van: -

nieuw gegraven oppervlaktewater, en/of;

-

een afschrijving van een Berging Rekening Courant, en/of;

-

aantoonbaar extra gegraven oppervlaktewater in de vijf jaar direct voorafgaand aan de melding, dat niet is gegraven om te voldoen aan een andere compensatieverplichting.

Relevant hierbij is dat voor tracé 1 (overigens geen onderdeel van deze ruimtelijke onderbouwing aangezien daar geen afwijking van het bestemmingsplan voor nodig is) in totaal 2.260 m2 aan oppervlaktewater gedempt wordt, en daarvoor in de plaats 2.635 m2 nieuw oppervlaktewater gegraven wordt. Dat is een overschot van 375 m2 aan oppervlaktewater. Bij een toename van 150 m2 verharding voor tracé 4 moet er circa 22,5 m2 gecompenseerd worden. In

R001_04_L230623 | 28 januari 2025

het kader van de ruimtelijke procedure zal hiervoor nog een akkoord van het hoogheemraadschap op ontvangen moeten worden. 4.8.2

Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmeringen voor dit plan.

4.9

Flora en fauna

Bescherming in het kader van de natuurwet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming (hoofdstuk 2) en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming is geregeld in hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Op grond van deze wet is het verboden projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitatten en de habitatten van soorten kunnen verslechteren, of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Een andere vorm van gebiedsbescherming komt voort uit aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot frustratie van de natuurdoelen.

Anders dan bij gebieds- en soortenbescherming is de status als Natuurnetwerk Nederland niet verankerd in de Wet natuurbescherming, maar moet het belang in de planologische afweging een rol te spelen. Dit valt onder de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag. Soortenbescherming Soortenbescherming is altijd aan de orde. Hiervoor is hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming bepalend. Soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Er wordt onderscheid gemaakt tussen internationaal beschermde soorten en nationaal beschermde soorten. Van de nationaal beschermde soorten kan de beschermde status per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen aan (algemeen voorkomende) soorten. Het beschermingsregime is verschillend voor zowel de internationaal beschermde soorten (vogel- en habitatrichtlijn soorten) als de nationaal beschermde soorten. Tevens kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht, zowel voor soorten als hun (beschermde) leefgebied.

R001_04_L230623 | 28 januari 2025

4.9.1

Beoordeling

In het kader van het plan is een quick scan ecologie uitgevoerd (zie bijlage IIIa). In de quick scan zijn drie gebieden langs het recreatiegebied Vlietland onderzocht. Soorten Uit de quick scan blijkt dat in het totale onderzoekgebied (alle drie de gebieden) de aanwezigheid van de verschillende beschermde soorten niet is uit te sluiten. Voor het projectgebied van het geluidscherm gaat het alleen om de onderstaande waarnemingen: -

potentiële rust- en voortplantingsplaats en foerageergebied van algemeen grondgebonden zoogdieren en broedvogels;

-

foerageergebied en mogelijk aanwezige individuele exemplaren van de hermelijn en wezel;

-

potentieel foerageergebied als onderdeel van groter leefgebied en migratieroute van de ringslang;

-

potentieel foerageer-, overwinterings- en voortplantingsgebied en als onderdeel van groter leefgebied van algemene amfibieën;

-

potentiële voortplanting-, overwinterings- en foerageergebied van de rugstreeppad.

Voor al deze waarnemingen geldt dat er geen nader onderzoek nodig is, maar dat er wel voorzorgsmaatregelen gelden. Die staan beschreven in de quick scan. Natuurnetwerk Nederland Voor wat betreft het Natuurnetwerk Nederland wordt geconcludeerd dat tijdens de uitvoering sprake kan zijn van verstoring door geluid en optische verstoring op de karakteristieke soorten van de beheertypen en het landschapstype. Dit leidt echter niet op een wezenlijk effect op het NNNgebied wanneer de werkzaamheden worden uitgevoerd in de periode september tot maart. Ook dienen er rijplaten te worden toegepast om spoorvorming en bodemverdichting zoveel als mogelijk te voorkomen Op de lange termijn worden geen negatieve effecten verwacht op het NNN-gebied. Er zijn geen vervolgstappen nodig. Stikstofdepositie In het kader van het project is een AERIUS berekening uitgevoerd (zie bijlage IV). Hierin is geadviseerd om de werkzaamheden uit te voeren met volledig intern emissieloos materieel (exclusief intern transport), zodat onder de wettelijke limiet voor stikstofdepositie gebleven wordt. Het aanvragen van een vergunning is dan niet aan de orde. 4.9.2

Conclusie

Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor dit plan.

4.10

Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie De Wet op de Archeologische Monumentenzorg (2007) is de implementatie van het Verdrag van Malta (1998) en regelt de omgang met het archeologisch erfgoed. Uitgangspunt van het verdrag is R001_04_L230623 | 28 januari 2025

het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke te bewaren en beheermaatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. Het archeologische erfgoed bestaat uit voorwerpen, structuren, landschappelijke- en infrastructurele elementen die in de bodem bewaard zijn gebleven. Dit bodemarchief levert een bijdrage aan de cultuurhistorie van de stad en maakt de beleving van het verleden bovendien tastbaar. Om het bodemarchief beter te beschermen, dient de gemeente bij het vaststellen van een bestemmingsplan rekening te houden met de in de grond aanwezige of te verwachte monumenten. Als behoud in de bodem geen optie is, dan worden archeologische resten opgegraven. De initiatiefnemer van een ruimtelijk plan dat bodemverstoring tot gevolg heeft, is verantwoordelijk voor de planologische en financiële inpassing van het archeologisch onderzoek. Een bouwplan dient te voorzien in maatregelen om archeologische overblijfselen volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie te documenteren en de informatie en vondsten te behouden. Cultuurhistorie De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bundelt de voorgaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien is aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd.

Het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed was geregeld in zes verschillende wetten en een regeling, waarin roerend, onroerend en archeologisch erfgoed allemaal hun eigen specifieke definities, procedures en beschermingsmaatregelen hadden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die naar verwachting in 2021 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen. Het gaat daarbij om de volgende zaken: -

vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten;

-

verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie;

-

bescherming van stads- en dorpsgezichten.

4.10.1 Beoordeling

Archeologie In het kader van het project is een archeologisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage V). Voor tracé 4 was het niet nodig om een onderzoek uit te voeren. Cultuurhistorie Op de planlocatie zijn geen rijks- of gemeentelijke monumenten, of andere cultuurhistorisch waardevolle objecten of elementen aanwezig. R001_04_L230623 | 28 januari 2025

4.10.2 Conclusie

De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor dit plan.

R001_04_L230623 | 28 januari 2025

5

Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.1

Economische uitvoerbaarheid

5.1.1

Algemeen

Bij een omgevingsvergunning voor planologisch afwijken van het bestemmingsplan moet op grond van artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening (Wro) in de plantoelichting van de planologische ontheffing omgevingsvergunning minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wro de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. 5.1.2

Grondexploitatie

Afdeling 6.4 van de Wro beschrijft een publiekrechtelijk stelsel waarbinnen de gemeenten eisen gesteld kunnen worden aan de grondexploitatie. Dit publiekrechtelijk instrumentarium is aanvullend van aard: het primaat ligt bij vrijwillige, privaatrechtelijke afspraken tussen de gemeente en de ontwikkelaar. Deze privaatrechtelijke afspraken worden vastgelegd in ofwel een anterieure overeenkomst (indien er nog geen exploitatieplan vastgesteld is) of in een posterieure overeenkomst (indien er wel al een exploitatieplan vastgesteld is). 5.1.3

Planschade

Artikel 6.1 van de Wro biedt de grondslag voor de vergoeding van zogenoemde ‘planschade’. Deze vergoeding wordt in beginsel toegekend door het besluitvormend orgaan aan degene die waardevermindering van onroerend goed ondervindt door het besluit om van het bestemmingsplan af te wijken. Artikel 6.4 onder a van de Wro bepaalt dat de gemeente de mogelijkheid heeft om een met een initiatiefnemer van een plan (degene die om het besluit om van het bestemmingsplan af te wijken verzoekt) een overeenkomst te sluiten. Voor het onderhavige plan zal een planschadeovereenkomst ondertekend worden. Hiermee is het risico op planschade voor de gemeente afgedekt. 5.1.4

Conclusie

Gezien het voorgaande wordt het plan financieel uitvoerbaar geacht.

R001_04_L230623 | 28 januari 2025

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.2.1

Plan(vormings)proces

De ruimtelijke onderbouwing wordt gelijktijdig met de omgevingsvergunning voor de activiteit 'handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening' ter inzage gelegd. Gedurende de ter inzage termijn wordt eenieder in de mogelijkheid gesteld schriftelijke en/of mondelinge zienswijzen te geven op het ontwerp van de omgevingsvergunning. Eventueel ingediende zienswijzen worden samengevat en beantwoord. 5.2.2

Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een plan burgemeester en wethouders waar nodig overleg plegen met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Van plan tot plan dient te worden beoordeeld met wie dit overleg dient plaats te vinden. In het kader van het onderhavige plan is vooroverleg gevoerd met de gebruikelijke overlegpartners. 5.2.3

Conclusie

Gezien het voorgaande wordt het plan maatschappelijk uitvoerbaar geacht.

R001_04_L230623 | 28 januari 2025

6

Conclusie

In de voorgaande hoofdstukken is het plan getoetst aan het relevante ruimtelijke beleid en aan de milieu- en omgevingsaspecten. Uit deze beoordeling zijn geen belemmeringen naar voren gekomen voor de uitvoerbaarheid van het plan. Geconcludeerd wordt dat vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening kan worden ingestemd met de realisatie van een geluidscherm en aarden wal met betonelement langs de A4 ter plaatse van recreatiegebied Vlietland.

LBP|SIGHT BV

J.C (Jos) Wiegman MSc

J.J. (Jacob Jan) van Burg MSc

R001_04_L230623 | 28 januari 2025

Bijlage I Milieu hygiënisch onderzoek

R001_04_L230623 | 28 januari 2025

55

Bijlage II Digitale Watertoets

Bijlage III Quick scan ecologie en soortgericht onderzoek

Bijlage IV AERIUS berekening

Bijlage V Archeologisch onderzoek

Ptolemaeuslaan 3528 BP Utrecht T +31 88 99 04 800

MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK Vlietland in Leidschendam (zuidoostelijk deel)

Ref.: NL202023407.002-R22-957 15 december 2022

Provincie Zuid-Holland Contactpersoon De heer D. Broekhuizen

RPS advies- en ingenieursbureau bv Projectnummer NL202023407.002

Adres

Postbus 90602

Kenmerk

NL202023407.002-R22-957

2509 LP DEN HAAG

Datum

15 december 2022

Versie

1.0

Projectleider: Adviseur/auteur: Controleur:

Fredo van der Sterre Ed Kamperdijk Chris Stuij

In verband met digitale verwerking van deze rapportage ontbreekt de handtekening. Dit rapport is aantoonbaar gecontroleerd en vrijgeven.

Dit rapport is vertrouwelijk. Geen enkel deel van dit rapport mag aan derden openbaar worden gemaakt zonder schriftelijke toestemming van RPS advies- en ingenieursbureau bv of van de opdrachtgever. Alleen aan het originele complete rapport kunnen rechten worden ontleend. Dit rapport mag UITSLUITEND in zijn geheel worden gereproduceerd.

rps.nl Ref.: NL202023407.002-R22-957 | 15 december 2022 Pagina 2 van 12

INHOUDSOPGAVE 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6

INLEIDING ................................................................................................................................... 4 Algemeen ..................................................................................................................................... 4 Aanleiding ..................................................................................................................................... 4 Doelstelling ................................................................................................................................... 4 Toegepast normen ....................................................................................................................... 5 Gebruikte informatiebronnen ........................................................................................................ 5 Opbouw rapportage...................................................................................................................... 5

2

LIGGING ONDERZOEKSLOCATIE EN ALGEMENE GEGEVENS ........................................... 6

3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6

HISTORISCHE GEGEVENS ....................................................................................................... 7 Landgebruik .................................................................................................................................. 7 Terreinverkenning ........................................................................................................................ 8 Poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) ............................................................................................ 8 Achtergrondwaarden .................................................................................................................... 8 Geologie en geohydrologie .......................................................................................................... 9 Conventionele Explosieven (CE) ................................................................................................. 9

4 4.1 4.2 4.3

EERDER UITGEVOERDE ONDERZOEKEN ............................................................................ 10 Ref.01: Bodemonderzoek Leidschendammerhout ZH191609066 ............................................. 10 Ref.02: Grootdeel recreatiegebied Vlietlanden ZH191609027 .................................................. 11 Historisch onderzoek gemeente Leidschendam-Voorburg 2 februari 2007............................... 11

5

CONCLUSIES ............................................................................................................................ 12

BIJLAGEN 1. 2. 3. 4. 5.

Onderzoekslocaties Tekening met bodeminformatie Locatie inspectie formulier Foto's Relevante bodeminformatie

rps.nl Ref.: NL202023407.002-R22-957 | 15 december 2022 Pagina 3 van 12

1

INLEIDING

1.1

Algemeen

Dit rapport behandelt het milieuhygiënisch vooronderzoek dat RPS advies- en ingenieursbureau bv (RPS) heeft verricht in opdracht van de provincie Zuid-Holland. Het onderzoek is uitgevoerd op het zuidoostelijk deel ter plaatse van de voorgenomen herontwikkelingen in het recreatiegebied Vlietland (gemeente Leidschendam). Het onderzoek staat bij RPS geregistreerd onder nummer NL202023407.002.

1.2

Aanleiding

De aanleiding voor het onderzoek (4 locaties) is de voorgenomen herontwikkelingen in het recreatiegebied Vlietland. In augustus 2022 is door ons bureau een milieuhygiënisch vooronderzoek (rapport met kenmerk NL202023407.002-R22-584 d.d. 11 augustus) uitgevoerd binnen het noordelijk deel. Dit vooronderzoek behandelt het zuidoostelijk deel waar (mogelijk) ook herontwikkeling plaatsvindt.

1.3

Doelstelling

Tijdens het onderzoek wordt informatie verzameld over het voormalige en huidige gebruik van de locatie. Tevens wordt vastgesteld of er al bodemonderzoeken op de locatie zijn uitgevoerd. Op basis van deze gegevens wordt geconcludeerd of de locatie verdacht is op (water)bodemverontreiniging. In het vooronderzoek wordt conform de NEN 5725:2017 antwoord gegeven op de onderstaande vragen voor het landbodemonderzoek: • Wat is de afbakening van de onderzoekslocatie en is deze voldoende? • Is er sprake van potentiële bronnen van bodemverontreiniging, zowel vanuit het verleden als het heden? Zo ja, wat zijn de potentiële bronnen van bodemverontreiniging, waar liggen ze en wat zijn verdachte parameters? • Is de bodem asbestverdacht? • Welke kwaliteitsklasse is toegekend aan de bodem in de bodemkwaliteitskaart en welke lagen zijn daarbij onderscheiden? • Wat is de bodemopbouw en geohydrologie en is er binnen het onderzoeksgebied sprake van verschillende fysische kwaliteiten en/of bodemvreemde lagen? Zo ja, welke fysische kwaliteiten en/of bodemvreemde lagen zijn er en waar bevinden deze zich? • Is er sprake van beïnvloeding vanuit de omgeving van de bodemkwaliteit of de kwaliteit van het grondwater? Zo ja, welke beïnvloeding en waar? • Wordt op de locatie of een deel daarvan (een geval van ernstige) bodemverontreiniging vermoed? Zo ja, waar bevindt deze zich? • Is de milieuhygiënische

kwaliteit van de bodem afdoende bekend of is bodemonderzoek noodzakelijk? Deze rapportage geeft geen uitsluitsel over de daadwerkelijke (water)bodemkwaliteit en/of eventuele saneringsnoodzaak. Wel is aangegeven of er aanleiding bestaat voor de uitvoering van verder (water) bodemonderzoek.

rps.nl Ref.: NL202023407.002-R22-957 | 15 december 2022 Pagina 4 van 12

1.4

Toegepast normen

Het onderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5725:2017 (Nederlandse Norm: 'Bodem - Landbodem Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek', oktober 2017).

1.5

Gebruikte informatiebronnen

Voor het milieuhygiënisch vooronderzoek zijn diverse bronnen geraadpleegd. De geraadpleegde bronnen zijn: • Omgevingsdienst Haaglanden. • Gemeente Leidschendam. • Website voor historisch kaartmateriaal (www.topotijdreis.nl). • Interactieve bodemkaart (www.bodemloket.nl).

1.6

Opbouw rapportage

In hoofdstuk 2 zijn de algemene gegevens van de onderzoekslocatie beschreven. In hoofdstuk 3 is de relevante (water)bodem informatie van het plangebied beschreven. Eerdere onderzoeken die op en in de omgeving van de onderzoekslocaties zijn uitgevoerd staan beschreven in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 is de conclusie beschreven en worden aanbevelingen gedaan.

rps.nl Ref.: NL202023407.002-R22-957 | 15 december 2022 Pagina 5 van 12

2

LIGGING ONDERZOEKSLOCATIES EN ALGEMENE GEGEVENS

De onderzoekslocaties Vlietland grenst in het noorden aan recreatieplas “De Vlietlanden’’ en het dorp Voorschoten. In figuur 2.1 is de globale ligging van de onderzoekslocaties rood omrand.

Figuur 2.1: ligging onderzoekslocaties, rood omrand (bron: ArcGIS)

In tabel 2.1 zijn de algemene gegevens van de onderzoekslocaties samengevat. In bijlage 1 zijn de onderzoekslocaties en kadastrale percelen weergegeven. Tabel 2.1: algemene gegevens onderzoekslocaties algemene gegevens locatie

informatiebron Vlietland t.h.v. Hofpolderpad, Weegpad, Meeslouwerpolderpad en

opdrachtgever

Duinpolderpad (locaties 1 t/m 4) huidige eigenaar

provincie Zuid-Holland

opdrachtgever

x-,y-coördinaten (middelpunt) oppervlakte

910.970 - 458.063 totaal: circa 40,5 ha

arcmap opdrachtgever

huidig gebruik

natuurgebied met wandel- en fietspaden

opdrachtgever

bestemming

herontwikkeling

opdrachtgever

terreinverharding

onverhard en asfalt paden

opdrachtgever

rps.nl Ref.: NL202023407.002-R22-957 | 15 december 2022 Pagina 6 van 12

3

HISTORISCHE GEGEVENS

3.1

Landgebruik

In de huidige situatie zijn de onderzoekslocaties ingericht als onderdeel van het recreatiegebied Vlietlanden. Ten zuiden van de onderzoekslocaties ligt de Rijksweg A4. Binnen de onderzoekslocaties bevinden zich paden die verhard zijn met asfalt. Er komt sporadisch wat bebouwing voor in het gebied. Het overgrote deel bestaat echter uit park. Binnen de onderzoekslocaties vindt herontwikkeling plaats. Historische ontwikkeling Op basis van de beschikbare oude luchtfoto’s en kaartmateriaal (via: www.topotijdreis.nl) is de historie van de onderzoekslocaties onderzocht. In figuur 3.1 is de globale ligging van de onderzoekslocaties (rood omrand) weergegeven in 1940 (linksboven), 1970 (rechtsboven), 1990 (linksonder) en 2022 (rechtsonder). Uit het kaartmateriaal blijkt dat de onderzoekslocaties tot begin jaren ’70 gelegen was in de “Riet- en Spekpolder”. In de jaren ’70 maakt een groot gedeelte van de onderzoekslocaties deel uit van de recreatieplas “De Vlietlanden”. In de jaren ’80 is het gebied ingericht als het hedendaagse recreatiegebied.

1940

1990

1970

2022

Figuur 3.1: Historisch kaartmateriaal (Bron: topotijdreis)

rps.nl Ref.: NL202023407.002-R22-957 | 15 december 2022 Pagina 7 van 12

Potentieel bodembedreigende (bedrijfs)activiteiten Voor zover bekend zijn op de locatie geen (ondergrondse) brandstoftanks aanwezig (geweest). Tevens zijn er voor zover bekend geen potentieel bodembedreigende (bedrijfs)activiteiten op de locatie aanwezig (geweest). Calamiteiten Er zijn op de onderzoeklocatie geen calamiteiten bekend die de bodemkwaliteit ter plaatse heeft kunnen aantasten.

3.2

Terreinverkenning

Op 30 mei 2022 heeft een medewerker van RPS de heer T.A.J. Groeneveld een terreinverkenning uitgevoerd. De terreinverkenning is destijds uitgevoerd binnen het oostelijk- en het zuidoostelijk deel. Er zijn geen bodembedreigende situaties geconstateerd. Op de onderzoekslocaties zijn geen verdachte deellocaties zichtbaar.

3.3

Poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS)

Poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) zijn chemische stoffen die van nature niet in het milieu voorkomen. De stofgroep bestaat uit ruim 6.000 stoffen. Hiertoe behoren onder meer de stoffen perfluoroctaanzuur (PFOA), perfluoroctaansulfonaat (PFOS) en HFPO-DA (GenX). PFAS zijn stoffen die door mensen zijn gemaakt vanwege hun specifieke eigenschappen, zoals brandwerendheid en vuil- en waterafstotendheid. Ze worden toegepast is allerlei alledaagse toepassingen, zoals verf, blusschuim, pannen, kleding en cosmetica. Inmiddels worden er al meer dan vijftig jaar producten gemaakt en gebruikt waar PFAS in voorkomt. Door het wijdverbreide gebruik en door emissies en incidenten wordt PFAS in Nederland en breder in Europa, inmiddels niet alleen bij puntbronnen, maar diffuus verspreid in het milieu aangetroffen. In heel Nederland zijn de bovengrond en geroerde bodems verdacht op het (diffuus) voorkomen van PFAS. Bron: Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie en website bodemplus FAQ PFAS

3.4

Achtergrondwaarden

De gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar beschikken over een gezamenlijke Nota Bodembeheer/bodemkwaliteitskaart (auteur: Marmos bodemmanagement, kenmerk: P10-20, d.d. 10-10-201.), hierin zijn gemiddelde en achtergrondwaarden opgenomen die in het gebied voorkomen. De locatie ligt in bodemkwaliteitszone ‘5’ De bovengrond (0,0 – 0,5 m -mv) voldoet aan bodemkwaliteitsklasse ‘achtergrondwaarde’ en de ondergrond (0,5 – 2,0 m -mv) aan bodemkwaliteitsklasse ‘achtergrondwaarde‘. In de boven- en ondergrond kunnen maximaal lichte verontreinigingen worden verwacht. In de bodemkwaliteitskaart zijn geen gegevens opgenomen over het voorkomen van PFAS.

rps.nl Ref.: NL202023407.002-R22-957 | 15 december 2022 Pagina 8 van 12

3.5

Geologie en geohydrologie

Voor een beschrijving van de regionale bodemopbouw en geohydrologie is gebruikgemaakt van de Grondwaterkaart van Nederland, via dinoloket (TNO). Lokale bodemopbouw (op basis van eerdere bodemonderzoeken) De bodem opbouw is globaal te omschrijven als: • De bodem tot 0,50 m -mv bestaat uit zwak zandig, zwak humeus klei. • De bodem van 0,50 m -mv tot 2,0 m -mv bestaat uit matig lemig/siltig zwak zandig klei. • Vanaf 2,0 m -mv bestaat de grond uit zwak kleiig veen. Geohydrologie In tabel 3.1. is geohydrologie tot circa 14,4 m -mv opgenomen. Tabel 3.1: geohydrologie onderzoekslocaties diepte (m -mv) geohydrologische eenheid 0,0 - 13,7 complexe eenheid, holocene afzettingen 13,7 - 14,4 formatie van Boxtel

lithologie afwisseling van zandige klei, midden en fijn zand, klei en veen en weinig grof zand zand, zeer fijn tot grof, lokaal kleiig, grindig of humeus; leem, lokaal zandig, lokaal humeus; klei, siltig tot zandig; veen, kleiig

Grondwater De regionale grondwaterstroming is noordwestelijk gericht. Zeer lokaal kan de grondwaterstroming afwijken door verschillen in bodemopbouw of door humane bodemverstorende activiteiten. De onderzoekslocaties liggen niet in een grondwaterbeschermingsgebied. Ook vindt er in de directe nabijheid geen grondwateronttrekking plaats.

3.6

Conventionele Explosieven (CE)

In de direct omgeving van de onderzoekslocaties lagen in het verleden meer wapenopstellingen en loopgraven. De onderzoekslocaties zijn echter niet verdacht op CE. Bron: vooronderzoek Gemeente Leidschendam-Voorburg, auteur AVG Explosieven opsporing Nederland, kenmerk: 1462056-VO-03, d.d. 4 februari 2016

rps.nl Ref.: NL202023407.002-R22-957 | 15 december 2022 Pagina 9 van 12

4

EERDER UITGEVOERDE ONDERZOEKEN

Bij de gemeente Leidschendam-Voorburg en de Omgevingsdienst Haaglanden is navraag gedaan naar beschikbare bodemonderzoeken op de onderzoekslocaties en de naastgelegen percelen. Na inventarisatie van de beschikbaar gestelde dossiers zijn de voor dit project relevante onderzoeken beoordeeld. De hieruit voorkomende relevante gegevens en conclusies zijn in onderstaande paragrafen beschreven. In bijlage 2 zijn de locaties (ref. nr.) van de ontvangen onderzoeken weergeven.

4.1

Ref.01: Bodemonderzoek Leidschendammerhout ZH191609066

Verkennend- en historisch onderzoek recreatiegebied Vlietland, auteur: De Staat, kenmerk: B02A0563, d.d. 24 maart 2003 De onderzoekslocatie uit 2003 overlapt met een klein deel van de huidige onderzoekslocaties. Net buiten de onderzoekslocaties is op drie grote percelen bodemonderzoek uitgevoerd in het kader van natuurbouw. Op locaties waar grondroerende activiteiten hebben plaatsgevonden is bodemonderzoek uitgevoerd. Uit de analyseresultaten blijkt dat de grond hooguit licht verontreinigd is met EOX, PAK, minerale olie en zware metalen. Destijds is vastgesteld dat de Rijksweg A4 geen invloed heeft gehad op de bodemkwaliteit binnen de locatie. Er is geen onderzoek uitgevoerd naar de kwaliteit van het grondwater. Uit het historisch bodemonderzoek blijkt dat binnen de huidige onderzoekslocaties sprake is van elf slootdempingen die potentieel verdacht zijn op bodemverontreiniging, zie onderstaand figuur. In bijlage 2 zijn deze dempingen ook weergegeven. De dempingen hebben betrekking tot de onderzoekslocaties 3 en 4.

Figuur 4.1 bekende slootdempingen

Beoordeling: Op basis van deze rapportage is er geen aanleiding om sterke (>Interventiewaarde) bodemverontreiniging te verwachten met uitzondering van de bodem ter plaatse van de (bekende) slootdempingen.

rps.nl Ref.: NL202023407.002-R22-957 | 15 december 2022 Pagina 10 van 12

4.2

Ref.02: Grootdeel recreatiegebied Vlietlanden ZH191609027

Verkennend onderzoek recreatiegebied Vlietland, auteur: Tauw, kenmerk: R001-4486912TJV-Bom-V01-NL d.d. 24 april 2007. De onderzoekslocatie uit 2007 overlapt voor een groot deel met de huidige onderzoekslocatie. De huidige onderzoekslocatie is in het onderzoek uit 2007 aangeduid als perceel 14 (het zuidelijk deel tussen de Riepolderweg en rijksweg A4), 15 (noordwesten en midden van de onderzoekslocatie) en 16 (ten oosten van de Rietpolderweg). In de bovengrond zijn op deze percelen incidenteel streefwaarden overschrijdingen aangetoond. Het betreft overschrijdingen van zware metalen en EOX. De ondergrond is ter plaatse van de onderzoekslocatie licht verontreinigd met EOX. Het grondwater is plaatselijk matig verontreinigd met arseen, chroom en kwik. Ook is het grondwater licht verontreinigd met arseen, chroom, nikkel, lood, zink, naftaleen en minerale olie. De verhoogde concentraties zware metalen worden toegeschreven aan natuurlijke oorzaken of aan de gevolgen van menselijke ingrijpen in de waterhuishouding. Bovengenoemd onderzoek heeft betrekking tot onderzoekslocatie 1. Beoordeling: Op basis van het destijds uitgevoerd bodemonderzoek is er geen aanleiding om bodemverontreiniging te verwachten.

4.3

Historisch onderzoek gemeente Leidschendam-Voorburg 2 februari 2007

In 1972 is binnen het meest oostelijk deel van de onderzoekslocatie een ophoging met puin uitgevoerd ter hoogte van de Meeslouwepolder. Deze puindemping bevindt zich tevens deels op de grens of net binnen de huidige onderzoekslocatie (deelgebied 3). Puin is potentieel verdacht op verontreiniging met onder andere asbest. De locatie is ingetekend op bijlage 2. Daarnaast is de relevante bodeminformatie uit dit historisch onderzoek opgenomen in bijlage 5. In het onderstaande figuur is de puinstort weergegeven. De puinstort heeft betrekking tot onderzoekslocatie 3.

Figuur 4.2 puinstort: paarse contour betreft onderzoekslocatie 3.

Beoordeling: Op basis van deze rapportage is er aanleiding om bodemverontreiniging met onder andere asbest te verwachten.

rps.nl Ref.: NL202023407.002-R22-957 | 15 december 2022 Pagina 11 van 12

5

CONCLUSIES

Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek zijn er concrete aanwijzingen naar voren gekomen dat enkele delen van de onderzoekslocaties verdacht zijn op het voorkomen van bodemverontreiniging. Het betreft de aanwezige slootdempingen en het gebied dat grenst aan de puinstort van 1972 (locaties 3 en 4). Voor het overgrote deel van de onderzoekslocaties (locaties 1 en 2) geldt op basis van de bodemkwaliteitskaart en al uitgevoerde bodemonderzoeken dat er slechts lichte verontreinigingen in de grond voorkomen. Uit de eerdere onderzoeken blijkt daarnaast dat het grondwater verontreinigd is met verschillende zware metalen. Dit betreffen van nature aanwezige ‘regionaal verhoogde achtergrondconcentraties’. Aanbeveling onderzoek: Voor onverdachte locaties (locaties 1 en 2) geldt dat grondverzet op basis van de bodemkwaliteitskaart is toegestaan. Bij de puinstortlocatie en de (bekende) elf slootdempingen dient aanvullend bodemonderzoek te worden uitgevoerd alvorens er grondroerende activiteiten kunnen plaatsvinden.

rps.nl Ref.: NL202023407.002-R22-957 | 15 december 2022 Pagina 12 van 12

Bijlage 1. Onderzoekslocaties

rps.nl

schaal 1:100.000

Regionale ligging Legenda

Onderzoekslocatie

0

1.500

3.000

4.500

6.000 m

Project:

Historisch onderzoek Vlietland Opdrachtgever:

Provincie Zuid-Holland Omschrijving:

Projectnummer: NL202023407.010.003

Formaat:

A3

F. van der Sterre

Schaal:

1:14.000

E. Kamperdijk

Status:

Definitief

Rapportage

Datum:

10-11-2022

Projectleider: Auteur: Fase: Logo opdrachtgever:

Blad: Nummer:

NL202023407.010.003 pdf/print door: kamperdijke, 9-12-2022

1 van 1 Wijz:

© ondergrond: Esri Nederland, Community Map Contributors

Ligging onderzoekslocatie

Q:\GGI\1 Projecten\NL202023407\NL202023407.010 Rietpolderweg & omgeving O&CM\NL202023407.010.003 BODEM\3 Werkdossier\04 Tekeningen\HO scope wijz nov 22\tekeningen met dwg - scope.mxd

Bijlage 2. Tekening met bodeminformatie

rps.nl

Geen info bekend AA191606716

schaal 1:100.000

Regionale ligging Legenda

Geen info bekend AA191606695

Onderzoekslocatie Ref. 01 Ref. 02

Geen info bekend AA191606716

Puinstort 1972

Slootdemping

0

1.500

3.000

4.500

6.000 m

Project:

Historisch onderzoek Vlietland Opdrachtgever:

Provincie Zuid-Holland Omschrijving:

Projectnummer: NL202023407.010.003

Formaat:

A3

F. van der Sterre

Schaal:

1:12.500

E. Kamperdijk

Status:

Definitief

Rapportage

Datum:

10-11-2022

Projectleider: Auteur: Fase: Logo opdrachtgever:

Blad: Nummer:

NL202023407.010.003 pdf/print door: kamperdijke, 9-12-2022

1 van 1 Wijz:

© ondergrond: Esri Nederland, Community Map Contributors

Ligging onderzoekslocatie met bodemlocaties

Q:\GGI\1 Projecten\NL202023407\NL202023407.010 Rietpolderweg & omgeving O&CM\NL202023407.010.003 BODEM\3 Werkdossier\04 Tekeningen\HO scope wijz nov 22\tekeningen met dwg - scope.mxd

Bijlage 3. Locatie inspectie formulier

rps.nl

VELDVERSLAG LOCATIEBEZOEK

Adres onderzoekslocatie:

Recreatiegebied Vlietland

Inspectie uitgevoerd door:

T.A.J. Groeneveld

Datum uitvoering:

30-5-2022

1.

De onderzoekslocatie betreft een recreatiegebied.

SVP aankruisen of de onderstaande onderdelen aanwezig zijn op de onderzoekslocatie

2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10 11

bovengrondse tank (zo ja, inhoud en soort brandstof) ondergrondse tank (zo ja, inhoud en soort brandstof) olieopslag (drums, jerrycans) spoelplaats stortplaats (van bijv. afval) opslag bestrijdingsmiddelen gedempte sloot (kan je soms zien aan glooiing in landschap) brandplaats (voor bijv. afval) werkplaats / garage Vinden er verdachte (dubieuze) activiteiten plaats? Zo ja, welke:

JA

NEE

NVT

☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐

☒ ☒ ☒ ☒ ☒ ☒ ☒

☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐

☐ ☐ ☐

☒ ☒ ☒

☐ ☐ ☐

Opmerkingen:

12.

SVP aangeven welke activiteiten er op naastgelegen percelen plaatsvinden (weg/woonhuis/tankstation/water/etc) wegen en een waterplas

13.

Algemene indruk van de locatie: in gebruik als recreatiegebied (wandel en water activiteiten)

14.

Verharding op de locatie (bijv. tegels/klinkers/asfalt/deels onverhard/betonplaten etc.) deels asfalt en half verharding maar grotendeels onverhard.

15.

Overige opmerkingen: -

03-01-2022

Bladzijde 1 van 1

4. Foto’s

rps.nl

Fotobijlage

001

002

003

004

005

006

Fotobijlage

007

008

009

010

011

012

Fotobijlage

013

014

015

016

017

018

Fotobijlage

019

020

021

022

023

024

Fotobijlage

025

026

027

028

029

030

Fotobijlage

031

032

033

034

035

036

Fotobijlage

037

038

039

040

041

042

5. Relevante bodeminformatie

rps.nl

Historie Vlietlanden Oostvlietweg 40 tlm 54 te

LEIDSCHENDAM

Topografi sche k aart uit 2002

Historisch onderzoek uitgevoerd door : Ing. M. van Rijn

Datum

Gemeente Leidschendam-Voorburg, afdeling REO/RIWM

: 02 februari 2007

INHOUDSOPGAVE

1.0

INLEIDING

1

1.1

Terreingegevens

1

2.0 2.2 2.3 2.4 2.5

ITISTORISCH ONDERZOEK Diverse (historische)l kaarten en luchtfoto's Aanleg-vergunningen en inrichting Vlietlanden Bouwvergunningen Hindetwet- en milieuvergunningen Archeologie

2 2 6

2.6

Milieukundige bodemonderzoeken

t7

2,1

8

l3 15

3.0 GEOIIYDROLOGM

21

4.0 OVERZICHT GERAADPLEEGDE ARCHIEFSTUKKEN

22

5.0 CONCLUSIES

23

BIJLAGEN geen

Historisch onderzoek Vlietlanden eo

1.

INLEIDING

In verband met een voorgenomen grondtransactie van de provincie, een voorgenomen milieukundig bodemonderzoek door TALIW (in opdracht van de provincie), voorgenomen bouwplannen van de provincie en een archeologisch onderzoek door de firma RAAP, heeft de gemeente LeidschendamVoorburg (afdeling STAD/RO) een historisch onderzoek uitgevoerd. Het historisch onderzoek omvat Vlietlanden vanaf de Kniplaan t/m de gemeentegrens met Zoeterwoude. Het onderzoeksgebied omvat de volgende bestemmingsplannen: geheel plangebied Vlietland Noordoost 2005, gedeelte toekomstig Buitengebied 2007 enplangebied Oostvliet 1984. De norm NVl.l -5725 enhet handboek Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) zijn in acht genomen.

In dit rapport wordt het historisch onderzoek weergegeven afkomstig uit:

- verticale en schuine luchtfoto's van Gemeente Leidschendam; - verticale luchtfoto's afl<omstig van de topografische dienst te Emmen van 1939 tot heden; - archief van Gemeente Leidschendam (o.a. bouw- en hinderwetarchief en bodemgegevens); - het boek "Over, door en om de Leytsche Dam"; - gegevens afkomstig van de Archeologische Werkgroep Leidschendam-Voorburg (AWLV); - computerbestanden uit ARCHIS (archeologie) en BIS (Gem. Bodeminformatiesysteem); Het onderhavige rapport betreft geen diepgravend historisch onderzoek naar het lroegere gebruik van de percelen. De volgende gegevens NIET geraadpleegd - provinciaal archief bijv. vergunningen/toestemmingen voor de zandwinning, ontgrondingsvergunning, sondeergegevens van Vlietlanden opgesteld door Grondmechanica d.d. 1969, bestekken inzake aanleg van Vlietlanden, gegevens bouwrijp maken, kwaliteit ophoogzand of ophooggrond, aanlegvan bomen (bos), aanleg infrastructuur, etc. - archief van Hoogheemraadschap Rijnland o.a. inzake de waterhuishouding, dempen sloten - Hinderwet of Milieuvergunningen voor een jachthaven en nadere zakenterplaatse van de recreatieplas Vlietlanden. - sloopvergunningen in het gemeentelijk archief.

1.1 Terreingegevens Er zijn geen gegevens geinventariseerd over de huidige en voormalige kadasterpercelen. De locatie is gelegen in het bestemmingsplan "Oostvliet 1984", "Vlietlanden noordoost 2005" en "Buitengebied2007". Het totale oppervlakte van het te onderzoeken terrein, dus de waterplas en omliggende terreinen is ca. 2.860.000 m'1. De RD-coördinaten van de hoeþunten van het onderzoeksgebied zijn weergegeven in onderstaande tabel van het

x

Y

98.810

458.010 457.260 459.600 460.510

90.270 92.520 92.030

De X/Y coördinaten van het midden van het te onderzoeken terrein (terrein ten oosten van de waterplas) is: 90.100 1459.920.

Historisch onderzoek Vlietlanden eo te Leidschendam

2.0 HISTORISCHONDERZOEK 2.1, Diverse (historische)l kaarten en luchtfoto's In het boek 'Over, door en om de Leytsche Dam' (lit. l) over de historie van Leidschendam blijkt dat het onderhavige plangebied vroeger onderdeel uitrnaakte van het uitgestrekte veengebied ten oosten van de Vliet. "Het turßteken in het grote Hollands-Utrechtse veengebied geschiedde al vanaf de Romeinse tijd. Vanaf de middeleeuwen komt het verveningsproces hier echter pas op grote schaal op gang. Op een kaart van het hoogheemraadschap Rijnland van 1615 toont een veengebied waar nog volop uitvening plaatsvond. ',¡¡"

J.

F

û \.J'

*f g"i

J

Van Berkenrode I 609-1 61 9

Lit. 1: "Het oorspronkelijke veenlandschap had een natuurlijke añvatering en lag vele meters boven het tegenwoordige maaiveld." In de beginfase kon het veen eenvoudig worden gestoken. De veenontginning ging vanzelfsprekend gepaard met ontwatering. Door oxidatie en inklinking van het veen ontstond een aanzienlijke maaiveldverlaging. Door de ontginning veranderde het min of meer bolle oppervlak van de veengebieden, waarbij de rivieren lager lagen, in een hol landoppervlak, waarbij de rivieren juist hoger kwamen te liggen dan de omgeving. Hierdoor stagneerde de natuurlijke afrratering. Noodgedwongen we¡den de akkers op het veen, die oorspronkelijk ruim boven het grondwater hadden gelegen, veranderd in weilanden en moesten de bewoners meer en meer overgaan op kunstmatige afuatering. Eerst verschenen hand- ofpaardenmolentjes, later vervangen ofaangevuld door een houten wipmolen (Spechnolen). Door de ontwatering kwam het veenoppervlak echter zo laag te liggen dat men moest gaan baggeren. Het veen dat men voor de furfiuinning gebruikte was meestal veenmosveen. Dit werd weggebaggerd tot op de bovenste laag van de Afzettingen van Calais. Plaatselijk liet men bij het baggeren een laagje rietveen achter omdat dit minder bruikbaa¡ was bij de verwerking tot briketten dan de korte turf. Deze niet-weggebaggerde veenlagen heten restveen.

Mogelijk is ook in de Speþolder nog restveen aanwezig, Het uitgeveende en gedaalde land was alleen nog geschikt voor veeteelt." Uit een kaart van 1645 blükt dat tussen de Vliet en de Stompwijke','watering een aantal polders met bijbehorende molens is gesticht, waaronder de Specken polder (later Spekpolder) en de Rieþolder.

)

Historisch onderzoek Vlietlanden eo te Leidschendam

Topografische kaart uit 1995 (30H Zoetermeer, schaal I : 25.000)1995

..rþê

{

{

Topografische kaart uit 1989 (30H Zoetermeer, schaal I : 25.000)

*¡Jb

Topografische kaart uit 1986 (30H Zoetermee¡ schaal I : 25.000)

J

Historisch onderzoek Vlietlanden eo te Leidschendam

',:-i {i tl.

':ar-

/,.

,t

ii, /-.

q.

4

l/

a?

t o,.a/a

_t'

¿i

'1 , ,l

t¡

::

<ì

,?

Topografi sch e kaart uit I 974 (30H Za etermeer, schaal I : 25. 000)

1, '4.,

je

7,

','

'1t ^u

q;.

i,.

i' { ¡-.

,ií'

*"

,.

-f'

Topografischekaartuit 1968 (30H Zoetenneer, schaal 1 : 25.000)

¡

,l

'2. i ' ko'i , . rQ-.

{. ! . lrrr:'

L

I'l ìct

r(

I";ir: t¡'Åt

t;,... ", -'' t

/¿

,;t'.1 '

.),

.,,t.

7

tI

,?

t:: -"-:'

.t-

t

I

4

Historisch onderzoek Vlietlanden eo te Leidschendam

Verticale Luchtfoto uit juni 1986 (Topografische dient Emmen; nr.: 30612)

Verlicale luchtfoto uit maart 1981 (topografische dienst Emmen; nr.: 30613 en 30611)

Luchtfoto uit omstreels 1976

5

Historisch onderzoek Vlietlanden eo te Leidschendam

Op een serie schuine luchtfoto's (zwart wit) uit omstreeks 1976 is het volgende zichtbaar (zie bovenstaande foto): Het terrein ten oosten van de huidige waterplas (bos, grasvelden, parkeerplaatsen, etc.) werd omstreeks 1976 aangelegd. Als herkenningpunt is o.a. de brede sloot tussen de Vliet en de snelweg van belang. Restanten van deze sloot aan de Vliet en aan de snelweg zijn heden ten dage nog aanwezig. Ten oosten vøn deze sloot is in een halve cirkel een dijk met daaromheen een sloot aangelegd. Tussen de dijk is water (waterplas) aanwezig en door het water kan men nog de slootpatronen herkennen. Derhalve klopt het dat op de topografische kaart uit 19'74 water is ingetekend. Er zijn geen aanwijzingen in het archief gevonden dat ter plaatse van dit terrein graafwerkzaamheden hebben plaatsgevonden. Het terrein zal zijn opgehoogd (dempen van de waterplas) met grond van onbekende herkomst (mogelijk grond afkomstig uit de zandwinput want de eerste 10 meter zal uit klei hebben bestaan).

2.2 Aanleg vergunningen en inrichting Mietlandenl Op 2 oktober 1986 heeft de provincie aan Recreatiecentrum Rijnland een ontheffing op grond van de Verordening op de Ontgrondingen Zuid-Holland en de Verordening op de Opspuitingen zuid-Holland verleend. Op 7 februari 1969 heeft Recreatiecentrum rijnland aan de gemeente Leidschendam verzocht om een aanlegvergunning voor de uitvoering van zandwinningsprojecten in het recreatieschap "Vlietland". Op 10 april 1969 is door B&W van Leidschendam een aanlegvergunning verleend aan Recreatieschap Rijnland N.V. voor het tot water vergraven van gedeelten van de Rieþolder, de Speþolder en de Meeslouwerpolder ten behoeve van het wirmen vanzand alsmede voor het verrichten van opspuitingen in genoemde polders ten behoeve van recreatie.

. ir.

<) .''

%-""t."ù^*, -Q, a/ o_s

-..1 .

',;

Op de aanlegtekening staat het volgende vermeld (zie bovenstaande tekening) terrein ten westen van de Kniplaan (nr.: 1) Terrein wordt nog niet ontwikkeld en is dus weiland. Anno 2007 is het een waterpartij vol met vogels (vogelplas). Volgens de topografische kaart uit 1968 bevond de polder zich op een diepte van 4,3 m - NAP. waternlas tussen eilanden en de Kniplaan (nr.: 2) Betreft de voormalige Meeslouwerpolder. Het maaiveld in 1969 was gemiddeld ca. 3,8 m - NAP. Het terrein rondom de waterplas zal worden opgehoogd tot ca. 0,4 m * NAP, derhalve een ophoging van ca. 4,2 meter. Volgens de topografrsche kaart uit 1968 bevond de Meeslouwerpolder zich op een diepte van 4,0 m -

NAP. De ophoging langs de randen zal beduidend minder zijn. Te denken valt aan het fietspad langs de Vliet en de panden aan de Oostvlietweg 40 tlm 54 (even en oneven). Een strook grond ter plaatse van de panden gelegen aan de Meeslouwerpolderpad (o.a. Meeslouwerweg 1-3) is niet opgehoogd. De bodem van de zandput zal ca.35 m - NAP worden.

1 Recreatiegebied

's-Gravenwoude" uitvoering plan vlietlmd 1981-1994 Cl.855.41) en Verzoeken om verlening van een aanlegvergming

I 967-l 995; R tor z (-l .778.5 I I )

6

Historisch onderzoek Vlietlanden eo te Leidschendam

waterplas tussen eilanden en recreatiestrand aan de oostkant van de plas (nr.: 3) Betreft de voormalige Rieþolder en Speþolder. Het maaiveld was in 1969 ca. 1,6 m - NAP. Volgens de topografische kaart uit 1968 bevond de Rieþolder zich op een diepte van 1,5 m - NAP en de Spekpolder op een diepte van 1,5 -NAP/ Ook hier geldt dat de randen en het eiland worden opgehoogd metzand, met uitzondering van een toegangs\ryeg (een gedeelte is nog intact, de rest is water geworden). recreatieterrein. bos. zonweiden. water. parkeerplaatsen aan oostkant van watetplas fnr.: 4) Betreft de voormalige Ho$older. Volgens de topografische kaart uit 1968 bevond de polder zich op een diepte vaî 1,7 - NAP. Volgens de topografische kaart uit 1998 bevindt het restant van de Hofpolder (gemeente Leiden) zich op een diepte

van 1,6 en 1,2 m-NAP. Op de aanlegtekening uit 1 969 is aangegeven dat in dit deelgebied zand zal worden gewonnen tot een diepte van 3l meter - NAP over globaal een cirkel van 120 meter doorsnede. Terrein ophoeen met puin Op 8 december 1972 heeft Recreatieschap Rijnland aan het college van B&W verzocht om toestemming om de Meeslouwerpolder gedeeltelijk op te mogen hogen met puin of ander inert grof vuil. Volgens de tekening betreft het terrein rondom deelgebied 2. Op 8 mei 1973heeft de gemeente ingestemd met het verwerken van puin in Vlietland mits gebruik wordt gemaakf van velvoer over water, In een brief van het college d.d. 9 januari 1976 werd ook bevestigd dat voor de aanvoer van puin geen gebruilct zal worden gemaakt van de Kniplaan, Stompwijkseweg, Dr. van Noortstraat en de Oostvlietweg en dat er van uit wordt gegaan dat eventuele puinaanvoer uitsluitend per schip zal geschieden. Er zal ook een Hinderwetvergunning noodzakelijk zijn. Een hinderwetvergunning is in het gemeente archief niet aangetroffen. Het is nog maar de waag of de gemeente een Hinderwetvergunning moet verlenen omdat de provincie het bevoegde gezagis voor het toepassen van afualstoffen op en in de bodem. Uit een tekening is te lezen dat Recreatiecentrum Rijnland van plan is om het puin vanuit Leiden per schip aan te voeren. Dit is ook schriftelijk op 1 8 novemb er 197 5 bevestigd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=fbc3fecc-8ee8-47a9-8cc5-b5fc4a9b647c