CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

3812 GRO (goede ruimtelijke onderbouwing) Damlaan d.d. 16 mei 2024

Commissie Omgeving 26 juni 2024, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen ontwerp verklaring van geen bedenkingen voor Damlaan 38-40 in Leidschendam18.349 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Hier liggen de toegangen direct aan de openbare ruimte (zie figuur 3.7). Aan de achterzijde van het Damlaan-volume liggen de voordeuren van de woningen op de verdiepingen en zijn middels een galerij bereikbaar. Om de galerij achterzijde te verzachten, zijn buitenruimten gekoppeld en vormgegeven in een veranda stijl en maakt het hierom een meer open woonzijde. De oude nummercentrale wordt gevormd door het bestaande stramien van vier meter. Vorm en maat worden bepaald middels hoofdzakelijk de gevelopening ten behoeve van daglicht en strakkere metselwerkbanden. Door aan de steeg (tot aan de Rijnlandstraat) hetzelfde type baksteen toe te passen als bij het blok van de Damlaan, wordt het één geheel ervaren (zie figuur 3.8). Balkons op verspringende positie doorbreken het ritme van de banden en vormen zo een speels element aan zowel de steegzijde als de andere zijde (zie figuur 3.9). De architectuur blijft eenvoudig zodat het volume zich goed van voegen in zijn omgeving. De bestaande eengezinswoningen aan de Rijnlandstraat worden gekenmerkt door de in aaneengesloten rij twee, drie of vier woningen in eenzelfde stijl. Tussen de omliggende percelen en het nieuwe volume aan de Rijnlandstraat liggen openingen en deze blijven gehandhaafd. Voortbordurend op de eengezinswoningen wordt het volume opgedeeld in twee beeldvormen (zie figuur 3.10).

Aan de Rijnlandstraat komt de toegang tot de parkeerkelder, tevens is er op maaiveld voldoende ruimte nodig voor de parkeervoorzieningen. Dit maakt dat de woningen aan de Rijnlandstraat alle leefruimten op de verdiepingen hebben en op de eerste verdieping een daktuin. Op de hoek van de steeg is ruimte voor verbijzondering en wordt er aansluiting gevonden met de nummercentrale. Dit volume krijgt een vierde bouwlaag waardoor er een hoogte opbouw

27

richting de nog te ontwikkelen naastgelegen locatie komt. Het blokje van drie woningen worden drielaags met een kap. Verkeer en parkeren De grondgebonden woningen krijgen aan de voorzijde een directe ontsluiting aan de aanliggende straat. Het bouwplan voor de Damlaan voorziet in parkeren op maaiveldniveau (op de binnenplaats die via de Rijnlandstraat wordt ontsloten) en in parkeren in een ondergrondse parkeergarage. Op maaiveldniveau worden 34 parkeerplaatsen gerealiseerd. De parkeergarage voorziet in 25 parkeerplaatsen. De in- en uitrit van de binnenplaats en parkeerplaats op maaiveldniveau is gesitueerd aan de Rijnlandstraat. Het parkeren aan de achterzijde van de woningen en in de parkeergarage wordt met bovenstaande oplossing zo veel mogelijk aan het zicht onttrokken, hetgeen bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Voor wat betreft de berekende parkeerbehoefte en het voorzien in het aantal benodigde parkeerplaatsen, wordt ook verwezen naar paragraaf 4.1.3 van deze onderbouwing. Voor fietsparkeren zijn verschillende voorzieningen gecreëerd. De woningen aan de Damlaan en Rijnlandstraat beschikken over een eigen berging (dus de stadswoningen en woon-werkwoningen), waarin de fietsen geparkeerd kunnen worden. De 12 starterswoningen hebben een gezamenlijke fietsstalling. De overige appartementen hebben eveneens eigen bergingen voor de fietsen.

Ontsluiting naar openbaar gebied De ontsluiting van het plan naar het openbaar gebied verloopt via diverse zijden. De in- en uitrit van de binnenplaats en parkeerplaats op maaiveldniveau is gesitueerd aan de Rijnlandstraat. De 4 herenwoningen ontsluiten direct via de voordeur aan de zijde van de Rijnlandstraat. De woningen aan de Damlaan grenzen ook direct aan het wandelgebied van de Damlaan. De woningen hebben hetzij een eigen ingang (de woningen op de begane grond), hetzij een gezamenlijke ingang (de appartementen). Ook aan de steeg, tussen de Damlaan en de Rijnlandstraat, bevindt zich een ontsluiting. Via een hek kan de achterplaats worden bereikt. De commerciële ruimten aan die zijde hebben een eigen ingang. Belangen omwonenden Naast de beleving van de openbare ruimte en de kwaliteit van de nieuwe woningen, is er gekeken of het plan ook verantwoord is vanuit het perspectief van de bestaande bebouwing c.q. omwonenden. Hierover het volgende. De locatie van de nieuwe bebouwing komt voor een groot deel overeen met de locatie en situering van de bestaande bebouwing. Ook wat betreft hoogtes van de nieuwbouw sluit de nieuwbouw grotendeels aan op c.q. komt overeen met de bestaande hoogtes. Dat betekent dat er qua schaduwwerking geen relevante effecten zijn. Verder sluit de functie, namelijk wonen, aan op de omliggende functies (gemengd, met hoofdzakelijk wonen).

Dit nieuwbouwplan heeft om die reden geen onaanvaardbare negatieve gevolgen voor het woon- en leefklimaat van omwonenden.

28

Conclusie Het voorgaande rechtvaardigt de conclusie dat het voorliggende bouwplan weliswaar afwijkt van de bestemmingsregeling uit het vigerende bestemmingsplan ‘Damcentrum’, maar wel resulteert in een goede aansluiting op bestaande bebouwing en daarmee in een kwalitatiefruimtelijke verbetering voor dit gedeelte van Leidschendam-Centrum. De stedenbouwkundige aanvaardbaarheid van het plan is inmiddels in het supervisieteam aan de orde geweest en akkoord bevonden. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt wordt het bouwplan daarom positief beoordeeld en bestaat bovendien geen bezwaar tegen de afwijkingen van (de uitwerkingsregels uit) het vigerende bestemmingsplan.

Fig. 3.4 Gevelbeeld Damlaan

Fig. 3.5 Gevelbeeld steeg

Fig. 3.6 Gevelbeeld Rijnlandstraat

29

Fig. 3.7 Begane grond en maaiveld nieuwe situatie

30

Fig. 3.8 Ondergrondse stallingsgarage

3.3

Welstand Op 3 oktober 2023 is het bouwplan voor de Damlaan 38 - 40 behandeld in de Welstands- en monumentencommissie. De commissie is onder voorbehoud van het kleur- en materiaalgebruik akkoord met het voorliggende bouwplan: het bouwplan voldoet zowel op zichzelf beschouwd als in relatie tot zijn omgeving aan redelijke eisen van welstand. Voor zover relevant voor de ruimtelijke onderbouwing van de omgevingsvergunning is de conclusie dat ook in welstandstechnische zin (welstand zowel beoordeeld op zichzelf als in relatie tot de omgeving) geen belemmeringen bestaan voor het realiseren van de afwijkingen van het vigerende bestemmingsplan.

31

4.

VERKEERSKUNDIGE ASPECTEN In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de voor dit project relevante aspecten met betrekking tot het parkeren en met betrekking tot de ontsluiting van het gebied.

4.1 4.1.1

Parkeren Inleiding De parkeerbehoefte voor het centrumgebied van Leidschendam als geheel is ingeschat aan de hand van landelijk gehanteerde kencijfers, gecombineerd met de gegevens over de feitelijke situatie in het Damcentrum. Deze parkeerbehoefte is vertaald naar een integrale parkeerbalans voor het gehele centrumgebied. Bij de behandeling van de beroepen tegen het goedkeuringsbesluit van dit bestemmingsplan heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State deze parkeerbalans als niet in geding zijnde uitgangspunt bevestigd en gehanteerd. Op 31 oktober 2017 is deze parkeerbalans (geactualiseerd) vastgesteld door de raad. De uitgangspunten en systematiek van de balans voldoen nog steeds.

4.1.2

Toetsing parkeren Nota Parkeernormen 2023 De Nota Parkeernormen is vastgesteld op 26 september 2023 en beschrijft de parkeernormen voor fiets en auto binnen de gemeente Leidschendam-Voorburg. Hieraan moet worden voldaan bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente. De nota beschrijft de achterliggende rekenmethodiek en geeft aan onder welke voorwaarden van de norm mag worden afgeweken. Parkeren auto’s Op basis van dit programma zijn er 52 parkeerplaatsen benodigd (zie onderstaande tabel), zonder bezoekersparkeren. Met bezoekersparkeren zijn 58 parkeerplaatsen benodigd. Het plan voorziet in 59 parkeerplaatsen (34 parkeerplaatsen op de begane grond, zie figuur 3.7 en 25 parkeerplaatsen in de parkeergarage, zie figuur 3.8). Dat betekent dat er genoeg parkeerplaatsen worden gerealiseerd.

32

Er wordt dus ook een gedeelte gereserveerd voor bezoekersparkeren (zie figuur 4.1, het rood omcirkelde).

Fig. 4.1 Overzicht met bezoekersparkeren omcirkeld (rood) en de garageboxen (blauw) en gemeenschappelijke fietsenberging (paars)

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat in de balans rekening is gehouden met een berekeningsaantal voor een garagebox overeenkomstig hoofdstuk 4.1.3 van de Nota Parkeernormen 2023. Daarvoor geldt immers een berekeningsaantal van 0,4 per garagebox. Er zijn in dit plan 4 garageboxen (zie figuur 4.1, blauw omcirkeld). Het gebruik maken van deelmobiliteit zorgt nog voor een reductiefactor van 15%. Aanvullend kan nog een reductiefactor worden behaald indien er wordt voldaan aan een excellente fietsenstalling (zie ook onder ‘Parkeren fietsen’). Deze reductiefactoren zijn nog niet meegenomen in bovenstaand overzicht. Het voornemen is om hier wel gebruik van te maken, indien aan de voorwaarden kan worden voldaan. Echter ook zonder deze reductiefactoren wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen, zowel voor de auto als voor de fiets.

33

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat geen van de parkeerplaatsen openbaar is. Alle parkeerplaatsen worden onderdeel van een op te richten Vve. De parkeerplaatsen worden privaatrechtelijk gekoppeld aan de woningen. Voorts vindt er geen dubbelgebruik plaats. Parkeren fietsen Het bouwplan dient eveneens te voorzien in voldoende fietsparkeerplaatsen voor bewoners en bezoekers, zoals voorgeschreven in Bijlage 5 bij de Nota Parkeernormen 2023. Hierover het volgende. Voor fietsparkeren zijn verschillende voorzieningen gecreëerd. De woningen aan de Damlaan en Rijnlandstraat beschikken over een eigen berging (dus de stadswoningen en woon-werkwoningen), waarin de fietsen geparkeerd kunnen worden. Deze bergingen voor deze woningen zijn voldoende groot om te kunnen voldoen aan de aantallen zoals genoemd in bijlage 5 van de Nota Parkeernormen 2023 (5 - 6 fietsen voor woningen aan de Rijnlandstraat, 2 – 3 fietsen voor woningen aan de Damlaan) De 12 starterswoningen hebben een gemeenschappelijke fietsstalling (zie fig. 4.1, paars omcirkeld). De overige appartementen hebben eveneens eigen bergingen voor de fietsen waar gemakkelijk 2 – 3 fietsen in kunnen staan. Het voornemen is om te voorzien in een excellente fietsenberging als bedoeld in hoofdstuk 5.1.3 van de Nota Parkeernormen 2023.

Parkeerregulering Leidschendam Centrum Voor wat betreft de relatie met de parkeerregulering in Leidschendam Centrum het volgende. Het uitgangspunt is dat de verwachte parkeereis op eigen terrein wordt opgelost en dat elk huishouden optioneel 1 bewonersontheffing voor de omliggende parkeerschijfzone kan aanvragen. In overleg met de gemeente is in dit plan echter afgeweken van de huidige parkeereisen. Deze eisen zijn namelijk lager dan bij deze ontwikkeling worden gehanteerd. Dit is ontstaan door een gezamenlijke afspraak tussen de gemeente en de initiatiefnemer en sluit aan bij de parkeersituatie in Leidschendam centrum. Kortom: bij dit plan wordt de parkeereis ruimschoots opgelost op eigen terrein. En zoals aangegeven geldt dat elk huishouden optioneel 1 bewonersontheffing kan opvragen voor de omliggende parkeerschijfzone. Conclusie Gelet op het bovenstaande kan gesteld worden dat met de realisatie van het bouwplan geen sprake zal zijn van een onaanvaardbare toename van de parkeerdruk op de directe omgeving. 4.2 4.2.1

Verkeer Verkeerseffecten van het plan Vanwege de toevoeging van wonen (en overige functies) is door Goudappel onderzoek uitgevoerd naar de verkeerseffecten van deze ontwikkeling aan de Damlaan. Daarbij is ook de voorgenomen ontwikkeling aan de Rijnlandstraat (noordelijke deel) meegenomen. (Mobiliteitsstudie Damlaan 38 – 40 & Rijnlandstraat Noord Leidschendam, d.d. 10 december 2023, zie bijlage I). De nieuwe woningen genereren extra verkeer. De hoeveelheid verkeer, bepaald met behulp van landelijk te hanteren kencijfers, is vastgelegd in CROW-publicatie 3812. In deze publicatie zijn voor verschillende functies kencijfers voor de verkeersgeneratie en het benodigd aantal

34

parkeerplaatsen opgenomen. In de kencijfers wordt onderscheid gemaakt naar stedelijkheidsgraad en ligging ten opzichte van het centrum. De verkeersgeneratie van woonfuncties wordt bepaald door het CROW-kencijfer te vermenigvuldigen met het aantal te realiseren wooneenheden. Dit resulteert in een verkeersgeneratie per weekdagetmaal. Vervolgens kan dit vertaald worden naar werkdagetmaal en het aantal verplaatsingen per ochtend-/avondspits. Uit de mobiliteitsstudie blijkt dat ook na realisatie van de plannen sprake is van een goede doorstroming op de aansluitende Rijnlandstraat en de kruispunten Oude Trambaan – Rijnlandstraat en Damhoudersstraat – Nieuwstraat. Er is sprake van een acceptabele verkeerssituatie. 4.2.2

Relatie met een "Duurzaam Veilige" wegencategorisering Beleidsmatig wordt op rijks-, provinciaal - en gemeentelijk niveau gestreefd naar een Duurzaam Veilige inrichting van de wegenstructuur. Eén van de belangrijkste principes van Duurzaam Veilig is het categoriseren van wegen en afstemming van functie, vorm en gebruik. Alle wegen binnen het Damcentrum zijn gecategoriseerd als erftoegangswegen met een maximale snelheid van 30 km/uur. Een belangrijk kenmerk van erftoegangswegen is de menging van verkeers- en verblijfsfuncties. Voor fietsers zijn geen aparte voorzieningen aanwezig, automobilisten moeten door de inrichting van deze wegen het idee krijgen dat zij hier als het ware te gast zijn. Dit principe sluit aan bij de kernuitgangspunten voor de herinrichting van het Damcentrum. De weginrichting moet automobilisten ook stimuleren om hun snelheid aan te passen. De in- en uitrit van de binnenplaats, parkeerplaats op maaiveldniveau en de ondergrondse parkeergarage aan de Damlaan 38 - 40 is gesitueerd aan de Rijnlandstraat. Het bouwplan voor de Damlaan vraagt verder geen bijzondere inrichtingsmaatregelen of overige maatregelen. Vanuit dit oogpunt is verwezenlijking van het project dan ook aanvaardbaar.

35

5.

OMGEVINGS- EN MILIEUASPECTEN Dit hoofdstuk bevat een verantwoording van de milieu(hygiënische) aspecten die voor het bouwplan aan de Damlaan 38 - 40 relevant kunnen zijn. Daarbij wordt ook ingegaan op de milieutechnische consequenties die verwezenlijking van het project zowel binnen het projectgebied als daarbuiten kan hebben. Ook wordt in dit hoofdstuk nader ingegaan op de ecologische aspecten en consequenties van het bouwplan (gevolgen voor flora & fauna).

5.1

Geluid Voor de planologische inpassing van dit plan aan Damlaan 38 - 40 te Leidschendam dient te worden voldaan aan de normen uit de Wet geluidhinder. In dit geval is wegverkeerslawaai van belang. Er is akoestisch onderzoek uitgevoerd door Van Kooten Akoestisch Advies (Akoestisch onderzoek, Bouwplan Damlaan 40 in Leidschendam, d.d. 23 januari 2023, zie bijlage II). Van Kooten Akoestisch Advies komt tot de volgende conclusies: De geluidsbelasting vanwege de Oude Trambaan en de Bachlaan voldoet aan de voorkeursgrenswaarde. Deze geluidsbelasting leidt niet tot nadere afwegingen of maatregelen. Vaststelling van hogere waarden in het kader van de Wet geluidhinder is voor dit plan dan ook niet noodzakelijk. De geluidsbelasting vanwege de Damlaan en Rijnlandstraat bedraagt 55 á 56 dB ter plaatse van de voorgevels van woningen en daarmee is het wegverkeerslawaai voor de betreffende woningen wel relevant voor het woon- en leefklimaat. In hoofdstuk 4 van het geluidsonderzoek is onderbouwd dat deze geluidbelasting niet leidt tot verplichtingen vanuit wet- en regelgeving. In het kader van het realiseren van een goed wooncomfort wordt echter wel aanbevolen om een tweetal maatregelen in overweging te nemen: §

§

Het aanbrengen van akoestisch gesloten balustrades rond de buitenruimten aan de zijde van de Damlaan. Hiermee wordt het akoestisch klimaat op de buitenruimte verhoogd en de geluidsbelasting op de achterliggende gevels gereduceerd; Het aanbrengen van zodanige geluidwerende maatregelen dat de binnenwaarde van de geluidsbelasting vanwege 30 km/uur wegen wordt beperkt. Vanuit wooncomfort beschouwd is het realiseren van een binnenwaarde van maximaal 33 dB wenselijk.

Wettelijk gezien is deze maatregel niet noodzakelijk, dit betreft daarmee slechts een advies. Bij de uitwerking van de plannen zal beoordeeld worden of het haalbaar is om deze maatregel toe te passen. Conclusie Vanuit de Wet geluidhinder en het oogpunt van goede ruimtelijke ordening vormt het aspect 'geluid' geen belemmering voor het verwezenlijken van het bouwplan voor de Damlaan. 5.2

Milieuzonering De scheiding van milieubelastende en milieugevoelige functies is noodzakelijk in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Op die manier wordt voorkomen dat bij nieuwe ontwikkelingen sprake kan zijn van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies en wordt voldoende zekerheid geboden aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

36

De milieuhinder van bedrijven dient te worden geanalyseerd op hun invloed op mogelijke ontwikkelingen. Indien milieubelastende functies in het plangebied mogelijk worden gemaakt, dient de invloed op de omgeving inzichtelijk te zijn. Om te beoordelen of de afstanden tussen de milieubelastende activiteit en de milieugevoelige functie acceptabel is, kan worden aangesloten bij de richtafstanden zoals opgenomen in de VNG-brochure (‘Bedrijven en milieuzonering’). Planspecifiek In de omgeving van het plangebied zijn diverse centrumfuncties aanwezig. Het betreft horecagelegenheden, winkels, dienstverlenende bedrijven en maatschappelijke functies. Dat betekent dat de directe omgeving van de ontwikkellocatie kan worden aangemerkt als een omgevingstype ‘gemend gebied’. Vanwege de ligging van het plangebied binnen het omgevingstype 'gemengd gebied' zijn deze functies direct aangrenzend aan het plangebied toegestaan (ook ten aanzien van deze functies wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-brochure). In dit kader is het van belang om stil te staan bij de afstand tot het naastgelegen theater (Het Veur Theater). De VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering geeft voor theaters een richtafstand van 30 meter. Vanwege de omgevingstype ‘gemengd gebied’ mag deze afstand met één afstandsstap worden verkleind. Dat betekent dat er een richtafstand geldt van 10 meter.

De daadwerkelijke afstand van het nieuwbouwplan tot het theater bedraagt echter ongeveer 4 meter. Hier is echter reden om af te wijken van de richtafstand omdat de naar het bouwplan gekeerde zijde van het theater een ‘blinde’ muur betreft zonder te openen delen, met uitzondering van een zij-ingang. Dit is echter een backstage-ingang, die dus niet voor publiek is bedoeld. De hoofdingang zit aan de Damlaan. Gelet op deze situering kan worden uitgegaan dat van het theater geen relevante overlast is te verwachten en dat ter plaatse van de nieuwe woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal heersen. Hierbij kan nog opgemerkt worden dat de activiteiten in het theater hoofdzakelijk in de avond plaatsvinden. Overdag zijn de activiteiten beperkt. Mocht er al sprake zijn van overlast, dan is dat altijd beperkt. Kortom: In de (directe) omgeving van het bouwplan zijn geen bedrijven en / of instellingen aanwezig die een onaanvaardbaar milieubelastend effect kunnen hebben op het bouwplan aan de Damlaan. Tevens zijn er geen negatieve en / of belemmerende milieu-effecten te verwachten vanuit het bouwplan op omliggende functies. Conclusie Gelet op het voorgaande bestaan er vanuit het oogpunt van ‘bedrijven en milieuzonering’ geen belemmeringen voor de realisatie van dit plan. 5.3

Luchtkwaliteit De Wet milieubeheer bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. In deze wet zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer: § een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit; § ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven;

37

§ een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van de betreffende stoffen in de buitenlucht; § een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit); § een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip ‘niet in betekenende mate’ is vastgelegd in het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Er is blijkens deze regeling geen onderzoek nodig voor ‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’. Het project heeft betrekking op het realiseren van 53 eengezinswoningen en 3 commerciële ruimten in de plint van de bebouwing in het steegje tussen de Damlaan en de Rijnlandstraat. Daarmee valt het project onder de categorie ‘niet in betekenende mate’. Het plan is niet in strijd met het bepaalde in de Wet milieubeheer.

Een specifiek luchtkwaliteitsonderzoek behoeft om die reden niet te worden uitgevoerd. Voorts is er ter hoogte van het plan geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een geldende luchtkwaliteitseis. Er bestaan voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit dan ook geen belemmeringen. Conclusie Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat ‘luchtkwaliteit’ geen belemmering vormt voor het verwezenlijken van het bouwplan aan de Damlaan. 5.4 5.4.1

Flora en fauna Algemeen Vanuit de huidige natuurwetgeving is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van de in het projectgebied mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden. Het plan dient aan de Wet Natuurbescherming getoetst te worden. De Wet Natuurbescherming regelt de bescherming van gebieden en van diersoorten en plantensoorten. Deze natuurwetgeving kan mogelijk beperkingen opleggen aan de voorgenomen sloop- en nieuwbouwactiviteiten. De Wet natuurbescherming heeft als doel de volgende gebieden te beschermen: - Het Natuurnetwerk Nederland; - Bijzondere provinciale natuurgebied; - Bijzondere provinciale landschappen; - Nationale parken; - Bijzondere nationale natuurgebieden; - Natura 2000-gebieden. Voorts gelden er ingevolge de Wet Natuurbescherming algemene verboden tot het verwijderen van beschermde plantensoorten van hun groeiplaats, het beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren van voortplantings- of vaste rustplaatsen of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten of het opzettelijk verontrusten van een beschermde diersoort. Voor

38

activiteiten die een bedreiging kunnen vormen voor deze beschermde soorten, moet ontheffing worden gevraagd. Vooral wanneer er soorten voorkomen uit de zogenaamde ‘strenge’ categorie (Bijlage 4 van de Habitatrichtlijn en de bedreigde soorten van de diverse Rode Lijsten), kan dit een belemmering vormen voor het plan. Dit is het geval wanneer een plan significant nadelige effecten kan hebben voor deze soorten. 5.4.2

Natuurtoets Gelet op het voorgaande is een natuurtoets uitgevoerd door Blom Ecologie (Quickscan Wet natuurbescherming Damlaan 40 te Leidschendam, Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming, d.d. 17 januari 2023, bijlage III). In dit onderzoek wordt het volgende geconcludeerd. §

De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli).

§

De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een voorteots en / of nee-tenzij-toets is niet noodzakelijk. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. Dit kan middels de AERIUS-Calculator.

Conclusie Op basis van de uitgevoerde ecologische scan wordt kan worden geconcludeerd dat er uit het oogpunt van flora en fauna geen belemmeringen aanwezig zijn voor de realisatie van het project. 5.4.3

Effectbeoordeling stikstofdepositie Voor het beoogde plan heeft Langelaar Milieuadvies een stikstofbeoordeling uitgevoerd (Memo onderzoek stikstofdepositie Damlaan 40 Leidschendam, 2 april 2024, bijlage IV). Langelaar Milieuadvies komt tot de volgende bevindingen. §

§ §

Uit het uitgevoerde onderzoek stikstofdepositie blijkt dat zowel de inzet van machines en transportbewegingen in de aanlegfase bij een gefaseerde realisatie als verkeer in de gebruiksfase niet leidt tot een stikstofdepositietoename die groter is dan 0,00 mol/ha/jr op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in Natura2000-gebieden. Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebieden door stikstof kunnen op voorhand worden uitgesloten. Voor het project geldt geen vergunningplicht op grond van de Wet Natuurbescherming ten gevolge van stikstofdepositie.

Conclusie Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van stikstof geen belemmeringen zijn te verwachten.

39

5.5 5.5.1

Externe veiligheid Inleiding Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijk stoffen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet men rekening houden met verplichte afstandsnormen tussen de ruimtelijke ontwikkeling en de risicobron (inrichtingen met of vervoer van gevaarlijke stoffen) volgens onderstaande wetten: • Besluit externe veiligheid inrichtingen 2004 (Bevi), staatsblad 2004 nr. 250 • Besluit externe veiligheid buisleidingen 2011 (Bevb), staatsblad 2010 nr. 636 • Circulaire risiconormering vervoer van gevaarlijke stoffen (Crnvgs) voor transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of het water, juli 2012 Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat er te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Het algemene uitgangspunt is dat niemand blootgesteld mag worden aan een kans om door een activiteit met gevaarlijke stoffen te overlijden, die groter is dan één op de miljoen (10-6). In dat geval wordt gesproken over het plaatsgebonden risico, dat wordt weergegeven in een risicocontour.

Daarnaast bestaat er een zogenoemd groepsrisico: de kans dat bij één gebeurtenis een groep met ten minste een bepaalde omvang om het leven komt. Het groepsrisico wordt niet weergegeven in een contour, maar in een grafiek. Een aantal calamiteiten met gevaarlijke stoffen, zowel in binnen- als buitenland, heeft aangetoond dat een maatschappij zonder risico's niet bestaat. Het beleid op het gebied van externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. De beleidsmatige kernpunten zijn: • het ontstaan van nieuwe knelpunten tegengaan; • het stimuleren van de eigen verantwoordelijkheid van inrichtingen; • het saneren van bestaande knelpunten; • zorgvuldige risicocommunicatie; • hulpverlening: het bevorderen van de samenwerking en de kwaliteit van de uitvoering en het richting geven aan de organisatorische versterking.

5.5.2

Relevante risicobronnen voor het projectgebied Om inzicht te verkrijgen in voor het projectgebied van het bouwplan aan de Damlaan relevante risicobronnen is gebruik gemaakt van de provinciale risicokaart, GEO-Web Haaglanden en het bedrijvenbestand van de gemeente Leidschendam-Voorburg.

5.5.2.1 Risicovolle inrichtingen en locaties Zowel binnen als direct buiten het projectgebied zijn geen risicovolle inrichtingen resp. locaties gelegen (zie ook risicokaart hieronder, paragraaf 5.5.2.4). 5.5.2.2 Route gevaarlijke stoffen Door de gemeenteraad is geen route gevaarlijke stoffen vastgesteld. Wel zijn door het rijk binnen de gemeente Leidschendam-Voorburg de rijksweg A4 (Rotterdam-Leiden) en A12 (Utrechtsebaan) aangewezen als routering voor gevaarlijke stoffen, conform het zogenaamde basisnet (Wet basisnet, staatsblad 2013-307). Uit bijlage I van de Regeling basisnet (in werking d.d. 1 april 2015) blijkt dat voor de A4 ter hoogte van Leidschendam een afstand van 13 meter geldt ten aanzien van het PR-risicoplafond (bij de zogenaamde 10-6 contour). Uit de Regeling basisnet blijkt dat voor de A12 ter hoogte van Leidschendam een afstand van 48 meter geldt ten aanzien van GR-risicoplafond (bij de zogenaamde 10-7 contour). De afstand van het projectgebied tot de A4 is bedraagt meer dan

40

500 meter en tot de A12 circa 3.000 meter. Aan die basisnetafstanden wordt dus ruimschoots voldaan. Men dient wel te bedenken dat bij een ongeval met giftige stoffen een invloedsgebied geldt van 4 km en zodoende het plangebied binnen de 4 km zone komt. Bij nieuwbouw is het niet mogelijk om maatregelen te treffen aan de risicobronnen, maar het beheersen en verminderen van het effect op een incident is wel mogelijk. Te denken valt aan het goed sluiten van ramen en deuren en het uitzetten van mechanische ventilatie, wanneer een ongeval plaatsvindt. Het aspect Externe Veiligheid bij transport van gevaarlijke stoffen is geen belemmering voor het bouwplan. Toekomstige bewoners zullen zich echter bewust moeten zijn van bovenstaande risico’s. 5.5.2.3 Transport gevaarlijke stoffen per spoor / water In de omgeving van het projectgebied bevindt zich geen spoor waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Over de Vliet / Zuidvliet vindt alleen zeer incidenteel transport van gevaarlijke stoffen plaats. De Vliet is echter niet aangeduid als vaarweg waarmee specifiek rekening gehouden moet worden op het gebied van de externe veiligheid. De Vliet / Zuidvliet is van lokale dan wel regionale betekenis maar vervult voornamelijk een toeristische functie en minder een goederentransportfunctie.

Ook voor de toekomst worden met betrekking tot de externe veiligheid in relatie tot vervoer van gevaarlijke stoffen in de binnenvaart binnen de gemeente Leidschendam-Voorburg, en dus voor het projectgebied, geen knelpunten verwacht. 5.5.2.4 Buisleidingen Uit de risicokaart van de provincie Zuid-Holland blijkt dat binnen resp. in de directe omgeving van het projectgebied geen hogedruk-aardgasleidingen aanwezig zijn. Ook andere leidingen die voor de externe veiligheid relevant zijn, zijn niet in of nabij het projectgebied aanwezig.

Fig. 5.1 Uitsnede risicokaart (blauwe pijl: projectlocatie)

41

5.5.3

Conclusie Externe veiligheid is voor de in het projectgebied voorziene nieuwe ontwikkeling geen relevant thema. Het plaatsgebonden risico resp. het groepsrisico zal niet worden gewijzigd ten opzichte van de bestaande situatie, noch van de situatie zoals die in het vigerende bestemmingsplan ‘Damcentrum’ in juridisch-planologische zin is voorzien.

5.6 5.6.1

Water Inleiding Van belang is eveneens te onderzoeken in hoeverre het project gevolgen heeft voor de waterhuishouding ter plaatse. Het Besluit ruimtelijke ordening schrijft immers dwingend voor dat in de toelichting van een bestemmingsplan dan wel in de ruimtelijke onderbouwing van andere ruimtelijke plannen en besluiten een beschrijving is opgenomen van de wijze, waarop in het plan/besluit rekening is gehouden met de effecten van het plan op de waterhuishouding. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de verschillende watergerelateerde aspecten van het project en wordt verslag gedaan van de resultaten van de watertoets. In de Waterwet (2009) zijn acht 'oude' wetten op het gebied van water samengebracht. De Waterwet regelt het beheer van waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Europese Kaderrichtlijn Water te implementeren en geeft ruimte voor de implementatie van toekomstige Europese richtlijnen.

De waterschappen hebben op grond van de Waterwet een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties met uitzondering van: • onttrekkingen voor drinkwater; • koude- en warmteopslag; • grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verder gaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater.

5.6.2

Waterbeleid In tal van beleidsdocumenten wordt aandacht besteed aan het belang van 'water'. Centraal uitgangspunt van het waterbeleid is, dat water meer ruimte moet worden gegeven om te voorkomen dat de waterproblematiek in tijd of ruimte wordt afgewenteld. Daartoe worden twee drietrapsstrategieën als doelstelling gegeven: • ten aanzien van de waterkwantiteit: vasthouden - bergen - afvoeren; • ten aanzien van de waterkwaliteit: schoonhouden - scheiden - zuiveren. Daarnaast zijn aspecten als het beperken van bodemdalingen en het vergroten van de ecologische potenties van water inclusief de oeverzones van belang. Deze strategieën vertalen zich voor het stedelijk gebied in aandachtspunten als: • meer ruimte voor water; • meer ruimte voor een relatie tussen het stedelijk water en water in het omliggende gebied; • vergroting van het waterbergend vermogen, met name in de stadsranden; • verbetering van de waterkwaliteit; • vergroting van de belevingswaarde van water; • kansen voor natuur en recreatie in en rondom stedelijk water.

42

De opties voor uitbreiding van de bergingscapaciteit in en rond het projectgebied zijn beperkt, omdat het bestaand stedelijk gebied betreft dat van oudsher vrijwel geheel verhard is. 5.6.3

Watertoets Onder de 'watertoets' wordt verstaan een procedure, waarbij een initiatiefnemer in een vroeg stadium over een beoogde ruimtelijke ontwikkeling overleg voert met de waterbeheerder. De watertoets heeft als doel het voorkomen van ruimtelijke ontwikkelingen, die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het bouwplan voor de Damlaan 38 - 40 wijkt op de in paragraaf 1.2 van deze onderbouwing beschreven onderdelen af van het vigerende bestemmingsplan ‘Damcentrum’ uit 2005. Deze afwijkingen zijn echter niet zodanig, dat als gevolg daarvan beïnvloeding van de in het vigerende bestemmingsplan beschreven waterkwaliteit en -kwantiteit verwacht kan worden. Het aantal m2 verhard oppervlak dat in het bouwplan concreet wordt gerealiseerd, is ongeveer gelijk aan de maximale bouwmogelijkheden die in het vigerende bestemmingsplan zijn vastgelegd. Het huidige bestemmingsplan biedt binnen de uitwerkingsregels immers de mogelijkheid om het gehele plangebied te bebouwen en dus te verharden. Het bouwplan voorziet daarentegen nog in daktuinen (boven de parkeerplaatsen) voor de 4 grondgebonden eengezinswoningen aan de Rijnlandstraat. Onderhavig van het bestemmingsplan afwijkende plan is voor een nieuwe watertoets aan het Hoogheemraadschap van Rijnland voorgelegd.

Bij e-mailbericht van ………………… (zie bijlage V) heeft het Hoogheemraadschap Rijnland aangegeven positief te kunnen instemmen met het plan.

5.6.4

Watersysteem Het plan is gelegen binnen het boezemgebied (zomerpeil NAP min 0,61 m, winterpeil NAP min 0,64 m). Aan de westzijde van het plangebied ligt de landscheiding en de Klein Plaspoelpolder in het beheersgebied van Delfland met een waterpeil van NAP – 1,0 m.

Fig. 5.2

Legger Hoogheemraadschap Rijnland

43

Zoals uit bovenstaande uitsnede van de legger blijkt, ligt het plan niet in de invloedzone van waterkeringen of persleidingen. 5.6.5 Riolering en afkoppeling 5.6.5.1 Afkoppeling en vervanging riolering In het gehele Damcentrum wordt gestreefd naar het maximaal afkoppelen van de schone verharde oppervlakte en het deels vasthouden van het water binnen het verharde gebied. De schone verharde oppervlakte wordt zo min mogelijk aangesloten op de riolering. Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw verplicht een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • hemelwater vasthouden voor benutting; • (in-)filtratie van afstromend hemelwater; • afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; • afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. In de Damlaan en Rijnlandstraat ligt een gescheiden stelsel waarop aangesloten moet worden. Dit hemelwaterriool zal worden aangesloten op de nieuwe boezemwatergang (zie ook fig. 5.2) langs de Schoorlaan. Voor de bouw worden duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toegepast (dus geen zink, lood, koper, en PAK's- houdende materialen) om diffuse verontreiniging van water en bodem te voorkomen.

5.6.5.2 Riool- en baggerbeheer Het riool- en baggerbeheer heeft een belangrijke invloed op de waterkwaliteit. Het baggerplan is sinds 2003 operationeel, waardoor is voorzien in regelmatig baggeren. Het Gemeentelijk Water- en Rioleringsplan 2022-2027 is inmiddels vastgesteld en is een gedeeltelijk verbreed GRP. 5.6.6

Waterkeringen en waterveiligheid De gronden in het projectgebied van het voorliggende plan zijn op de plankaart van het vigerende bestemmingsplan "Damcentrum" niet (mede) bestemd voor "Primair waterkeringsdoeleinden". Wel ligt vlak langs het plangebied de landscheiding tussen Delfland en Rijnland. Deze heeft wel de status van waterkering maar in dit gebied geen feitelijke waterkerende functie. Dat betekent dat voor de verwezenlijking van onderhavig geen watervergunning nodig is voor activiteiten in, op of nabij waterkeringen. Het belang van de bescherming van waterkeringen staat dus aan het verwezenlijken van dit project niet in de weg.

5.6.7

Klimaatadaptatie Gezien de verwachte klimaatverandering waardoor steeds vaker langdurige hevige regen optreedt en hitte vaker voorkomt is het raadzaam om verharding zo mogelijk te beperken, regenwater vast te houden waar het valt en vertraagd af te voeren. Hierdoor worden hoge waterstanden verkleind en daarmee de kans op wateroverlast. Op hitte heeft het aanleggen van groen (en daarmee verharding verminderen) een verminderend effect: het versterkt verdamping wat een verkoelend effect heeft. Voorbeelden

44

hiervan zijn: ontharden / vergroenen van het achterterrein, toepassen van doorlatende verharding, infiltratie van regenwater in de bodem, platte of flauw hellende daken vergroenen. De ontwikkeling wordt gerealiseerd conform de laatste technische bouweisen. Dat betekent ook dat de woningen wordt geïsoleerd conform die eisen (EPC-norm). Voorts worden de woningen voorzien van een gasloze energievoorziening. Op de daken van de eengezinswoningen en appartementen worden zonnepanelen gelegd om aan het Bouwbesluit te voldoen (energieprestatieberekening). Bij de bouw wordt zoveel als mogelijk gebruik gemaakt van duurzame (bouw)materialen. Het is aan de eindgebruiker van de woningen om deze naar eigen wens zo energiezuinig mogelijk in te richten, bijvoorbeeld door het toepassen van waterbesparende kranen, het aanleggen en gebruiken van zonne-energie en/of het toepassen van LED-verlichting. 5.6.8

Grondwater Het advies van de gemeente is om de bouwpeilen te kiezen zodat minimaal een hoogteverschil van 0,20 – 0,30 m tussen de weghoogte (kruin) en het vloerpeil wordt gerealiseerd. Dit hoogteverschil is nodig om de riolering zonder problemen te laten afvoeren naar het straatriool tijdens hevige neerslag. Het wegpeil ligt op circa NAP 0,10 m. Het gebied kent volgens een recent grondwatermeetpunt Voorburgseweg (5) een grondwaterstand van NAP -0,60. Dit is onvoldoende om grondwateroverlast tegen te gaan. Het aanlegpeil dient daarom rond NAP +0,40m. in overleg met de riool- en waterbeheerder te worden vastgesteld. Eventuele kelders moeten voldoende (grond)waterdicht zijn uitgevoerd.

5.6.9

Conclusie Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat er uit het oogpunt van het aspect ‘water’ geen belemmeringen zijn voor realisatie van het plan aan de Damlaan. En zoals opgemerkt, heeft het Hoogheemraadschap Rijnland bij e-mailbericht van ……………. (zie bijlage V) aangegeven in te kunnen instemmen met bovenstaande waterparagraaf.

5.7

Bodem Als er sprake is van ernstige bodemverontreiniging, dan is de Wet bodembescherming (Wbb) van toepassing. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de land- of waterbodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop of waarin deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Op de locatie aan de Damlaan te Leidschendam is door Van der Helm Milieubeheer BV een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Verkennend milieukundig (asbest)bodemonderzoek aan te Damlaan 40 te Leidschendam, d.d. 10 februari 2023, zie bijlage VI). Uit dit onderzoek blijkt het volgende. Geconcludeerd wordt dat er, milieuhygiënisch gezien, geen belemmeringen aanwezig zijn voor de voorgenomen herinrichting. Ter onderbouwing van het bovenstaande wordt het volgende geconcludeerd:

45

§ § §

§

in de grond zijn maximaal licht verhoogde gehalten aan enkele zware metalen en PCB aangetoond; in het grondwater ter hoogte van peilbuis 01 zijn geen verhoogde concentraties van de geanalyseerde parameters aangetoond; de hypothese ‘verdachte locatie’, zoals vastgesteld in het vooronderzoek, wordt aangenomen vanwege het aantreffen van verhoogde gehalten van de geanalyseerde parameters. Nader onderzoek is niet noodzakelijk; zowel op het maaiveld als in het opgeboorde materiaal zijn geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. De totaal gewogen asbestconcentraties (maximaal < 2 mg/kg d.s.) overschrijden de norm voor nader asbestonderzoek niet. De locatie wordt op basis van de onderzoeksresultaten als onverdacht op asbest beschouwd. De hypothese ‘verdacht op asbest’ wordt verworpen.

De terreindelen waar in dit onderzoek geen veldwerkzaamheden konden worden uitgevoerd vormen een aandachtspunt tijdens de herinrichting. Aanbevolen wordt om tijdens de grondwerkzaamheden in het kader van de herinrichting alert te zijn op zaken die kunnen duiden op bodemverontreiniging. Afhankelijk hiervan is mogelijk aanvullend verkennend bodem- en/of asbestonderzoek noodzakelijk. Conclusie Met in achtneming van het voorgaande wordt niet verwacht dat het aspect bodem milieuhygiënisch een belemmering vormt voor dit plan. 5.8

Niet-gesprongen explosieven In opdracht van de gemeente Leidschendam-Voorburg heeft AVG Explosieven opsporing Nederland onderzoek gedaan naar de mogelijke aanwezigheid van conventionele explosieven (CE) uit de Tweede Wereldoorlog. Tevens zijn alle oorlogshandelingen (zoals loopgraven, stellingen, bomkraters, lanceer-installaties) in kaart gebracht. De uitkomsten van het onderzoek van AVG maken voldoende aannemelijk dat niet-gesprongen explosieven voor dit bouwplan geen belemmering vormen.

5.9 5.9.1

Vormvrije m.e.r.-beoordeling Inleiding Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.-beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarden vallen, moet daarom een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Deze zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: - belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; - belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r.

46

De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie hoofdcriteria centraal: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; 3. de kenmerken van de potentiële effecten. 5.9.2

Onderzoeksresultaten vormvrije m.e.r.-beoordeling Het bouwplan voor de Damlaan 38 - 40 kan worden geschaard onder 11.2 van de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’ Dit plan van 53 woningen en 3 commerciële ruimten wordt (in beginsel) niet gezien als een m.e.r.-plichtige activiteit omdat deze pas geldt bij de volgende drempelwaarden: - een oppervlakte van 100 hectare of meer, - een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of - een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Voor onderhavig plan is een zogenaamde m.e.r.-aanmeldnotitie opgesteld (Aanmeldnotitie Vormvrije m.e.r.-beoordeling ten behoeve van bouwplan Damlaan 38 - 40 te Leidschendam, Legalexion, d.d. 2 april 2024), waarin onderzocht wordt in hoeverre van het plan belangrijke milieugevolgen zijn te verwachten (zie bijlage VII). Uit voornoemde m.e.r.-aanmeldnotitie blijkt dat er, gelet op de kenmerken van het project, met name de aard en de omvang in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., geen belangrijke milieugevolgen zijn te verwachten.

5.9.3

Conclusie Mede gelet op de overige in dit hoofdstuk behandelde milieu- en omgevingsaspecten, kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de ontwikkeling voor de Damlaan 38 - 40 in voldoende mate is afgewogen, en dat er geen belangrijke negatieve milieugevolgen zullen optreden. Een m.e.r.(-beoordeling) is dan ook niet noodzakelijk.

47

6

CULTUURHISTORIE & ARCHEOLOGIE In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de eventueel in of direct nabij het projectgebied aanwezige cultuurhistorische - en/of archeologische waarden en de eventuele consequenties daarvan voor de verwezenlijking van het bouwplan.

6.1

Monumenten / Beschermd stads- en dorpsgezicht Op het perceel Damlaan 34-36 bevindt zich een gemeentelijk monument (voormalige jongensschool, onderwijzerswoning en patronaatsgebouw). De herontwikkeling van de percelen aan de Damlaan en Rijnlandstraat mag geen negatieve invloed hebben op de cultuurhistorische waarde en bouwkundige toestand van dit gemeentelijk monument. Hierover het volgende. Rond 1914 is het voormalige patronaatsgebouw aan de Damlaan opgetrokken gelijktijdig met de voormalige jongensschool en de onderwijzerswoning. Het behoorde tot een aaneenschakeling met duidelijk een pandsgewijze verdeling van de drie functies. De gebouwen waren zo gemaakt dat ze afleesbaar familie van elkaar waren maar als zelfstandige panden in de Damlaan uit die tijd niet misstonden. Helaas is de voormalige school in de jaren zeventig van de twintigste eeuw onherstelbaar verbouwd waardoor typische kenmerken van de familie verloren zijn gegaan. Het voormalige patronaatsgebouw en de onderwijzerswoning zijn behouden gebleven. Voor het voormalige patronaatsgebouw geldt, ondanks de aanpassingen die zijn aangebracht door de jaren heen, dat de oorspronkelijke architectuur nog goed afleesbaar is. Dankzij de pandsgewijze opzet van het plan uit 1914 hebben de verschillende gebouwen ook een mate van zelfstandigheid.

Duidelijk is dat het voormalige patronaatsgebouw zichtbaar leunt tegen het naastgelegen voormalige schoolgebouw. Op de bouwtekeningen komt dit veel beter tot zijn recht door de familiaire verschijningsvorm van de school. Wat afleesbaar is op de tekening en in de praktijk is te zien, is juist ook het bevreemdende effect van het ‘afkorten’ van de gevel van het voormalig patronaatsgebouw aan de zijde met de school. Dat aan de zijde met de voormalige onderwijzerswoning het uiterste gedeelte van de gevel meer maat kent dan aan de zijde met de voormalige school verstoort de in basis symmetrisch opgezette gevel. Met het verwijderen van de restanten van het schoolgebouw blijft er een onafgewerkte gevel over. Het nieuwe plan houdt middels het formeren van ruimte rekening met het voormalige patronaatsgebouw. De gevel van het voormalige patronaatsgebouw in zijn nieuwe zelfstandige positie kan worden volmaakt. Dit is een kans om de bestaande architectuur van de gevel te versterken. Uitgangspunt is het aanhelen van de gevel van het voormalige patronaatsgebouw met passende bakstenen in een maat die bijdraagt aan de symmetrie basis.

6.2

Molenbiotoop In de provincie Zuid-Holland is een groot aantal cultuurhistorische waarden aanwezig, die beschreven zijn in de provinciale cultuurhistorische hoofdstructuur. Het behoud van deze cultuurhistorische hoofdstructuur is van provinciaal belang. Het beschermen of versterken van de molenbiotoop van traditionele windmolens is een daarvan afgeleid deelbelang. Artikel 13 van de provinciale Verordening Ruimte beoogt daaraan uitvoering te geven. Een aanzienlijk deel van het Damcentrum ligt binnen de molenbiotoop van de traditionele windmolen ‘De Salamander’ die zich ten noorden van het centrumgebied bevindt. Het

48

projectgebied van het bouwplan aan de Damlaan ligt voor een zeer klein deel binnen de invloedssfeer van deze molenbiotoop. Op grond van de bij de molenbiotoop behorende bepalingen uit het vigerende bestemmingsplan is ter plaatse van de Rijnlandstraat bebouwing toegestaan tot een maximale hoogte van 1/30 x de afstand van de bebouwing tot de onderste punt van de staande wiek van de molen. Het bouwplan aan de Damlaan 38 - 40 is maximaal 15,8 meter hoog. Het deel van het plan dat het meest nabij de molen ligt, bevindt zich op ca. 400 meter afstand van de betrokken molen, daaruit resulteert bij recht een maximaal toegelaten bouwhoogte van 13,3 m. De onderste punt van de verticaal staande wiek ligt op een hoogte van 9,50 m. De maximaal toegelaten bouwhoogte op de projectlocatie bedraagt dus 13,3 m. + 9,50 m. = 22,80 m. Het voorliggende bouwplan overschrijdt deze hoogte niet aangezien de te realiseren bebouwing binnen de molenbiotoop een maximale hoogte heeft van ca. 15,8 m. De molenbiotoop vormt daarom géén belemmering voor het verwezenlijken van het voorliggende bouwplan. Overigens kan aanvullend nog worden opgemerkt dat de omliggende bebouwing in het Damcentrum al zodanig veel hoger is dan in dit bouwplan wordt voorzien, dat de vrije windvang e.d. als gevolg van dit bouwplan hoe dan ook niet (extra) negatief wordt beïnvloed. 6.3 6.3.1

Archeologie Inleiding De Erfgoedwet verplicht gemeenten om bij het opstellen van o.a. nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met mogelijke archeologisch waarde. Om die reden, en vanwege het gemeentelijke beleid, heeft voor onderhavige locatie archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Hierover het volgende.

6.3.2

Archeologisch onderzoek Bij de voorbereiding van het vigerende bestemmingsplan ‘Damcentrum’, maar ook bij de voorbereiding van diverse andere ruimtelijke besluiten die zijn genomen om de revitalisatie van het centrumgebied te kunnen verwezenlijken, zijn archeologische onderzoeken verricht. Op basis van een aantal van deze onderzoeken is in 2005 een archeologische verwachtings- en advieskaart opgesteld. Aangezien op de archeologische verwachtings- en advieskaart een bouwblok soms verschillende bodemtypen en daarmee verschillende adviezen voor vervolgonderzoek omvat, heeft RAAP op verzoek van de gemeente een adviesdocument opgesteld waarbij per bouwblok advies over de omgang met de eventueel aanwezige archeologische waarden wordt gegeven (adviesdocument 1 juni 2005). Dat adviesdocument is mede gebaseerd op de inhoud van RAAP-Rapport 955 uit 2005. Vervolgens is voor deze locatie in 2023 door Transect een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd (Archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase, Leidschendam, Damlaan 40, Gemeente Leidschendam-Voorburg Transect-rapport 4559, d.d. 6 maart 2023, zie bijlage VIII). In dit onderzoek wordt het volgende geconcludeerd. §

Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek ligt het plangebied op de flank van een strandwal, waarvan een groot deel is afgedekt met veen. Op de top van de duinafzettingen kunnen archeologische resten vanaf het Neolithicum worden verwacht. In de omgeving van het plangebied zijn op dergelijke flanken reeds vondsten vanaf het Neolithicum bekend. De lagere flanken van de strandwallen zijn vanaf de Midden-Bronstijd als gevolg van een voortdurende grondwaterspiegelstijging vernat. In veenlagen op de flank van de strandwal kunnen nederzettingsresten of bijvoorbeeld

49

afvallagen van een nederzetting op de strandwal zelf worden verwacht. Vanaf de Romeinse Tijd vernat het gebied echter verder en wordt naar verwachting de hele strandwal bedekt met veen. In 1500 is het plangebied ingepolderd en direct ten zuiden van het plangebied is in de 12de – 13de eeuw een dijk aangelegd, de Landscheiding. In het plangebied kunnen in theorie resten van deze Landscheiding worden verwacht. Echter gezien de mate van (moderne) verstoring en het ontbreken van een verhoging op het AHN is het onwaarschijnlijk dat hiervan (nog) resten aanwezig zijn. Op basis van topografische kaarten is het plangebied in ieder geval vanaf de 17de eeuw onbebouwd geweest en in gebruik als weiland. Er geldt om deze redenen een lage archeologische verwachting voor de periode Romeinse tijd – Nieuwe tijd. §

Ter plaatse van de kelder in het plangebied is een verstoring aanwezig tot 370 cm -Mv. Hier zullen de archeologisch relevante niveaus reeds verloren zijn gegaan. Hier geldt om deze reden een lage archeologische verwachting. In de rest van het plangebied zijn ook verstoringen door de aanwezige bebouwing te verwachten. Aangezien het plangebied echter op de flank van een strandwal ligt, en de hoogte hiervan lokaal sterk kan verschillen en ook in het bovenliggende veen archeologische sporen en/of lagen aanwezig kunnen zijn, is hier nog sprake van een hoge archeologische verwachting.

Transect komt op basis van het voorgaande tot het volgende advies: Op basis van het onderzoek geldt voor het plangebied een hoge archeologische verwachting. Archeologische resten kunnen zich bevinden op de flank van een strandwal of in veenlagen hierop. Op basis van eerder uitgevoerd onderzoek wordt de top van de strandwal tussen de 50 cm en 400 cm -Mv verwacht. Bij de aanleg van de toekomstige kelder tot 390 cm -Mv worden de archeologisch relevante niveaus dus geheel vergraven. In het deel van het plangebied dat nu nog niet onderkelderd is (circa 750 m2), adviseren wij daarom om een archeologische begeleiding van de graafwerkzaamheden uit te voeren. Ter plaatse van de bestaande kelder is het archeologisch relevante niveau reeds vergraven geraakt en worden er geen archeologische resten meer verwacht. Voor het uitvoeren van gravend onderzoek is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk, dat door de bevoegde overheid is beoordeeld en goedgekeurd. Conclusie Het onderzoeksbureau adviseert dus om aanvullend archeologisch onderzoek (in de vorm van een archeologische begeleiding) uit te voeren in een deel van het plangebied. Dit advies wordt door de gemeente onderschreven en overgenomen De archeologische begeleiding kan pas worden uitgevoerd nadat de bovenbouw is gesloopt en wordt (daarom) straks gekoppeld als voorwaarde aan de omgevingsvergunning.

Voor de archeologische begeleiding is een Programma van Eisen (PvE) verplicht. Het PvE is op het moment van schrijven van deze onderbouwing in voorbereiding. 6.3.3

Toevalsvondst Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, bestaat de verplichting om deze vondsten conform artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet te melden bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Deze aangifte dient te gebeuren bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort en de archeologisch adviseur van de Gemeente Leidschendam-Voorburg. Conclusie Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat archeologie geen belemmering vormt voor de realisatie van de woningen aan Damlaan 38 - 40 te Leidschendam.

50

7

UITVOERBAARHEID Dit hoofdstuk bevat een verantwoording van de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bouwplan voor de Damlaan 38 - 40.

7.1

Economische uitvoerbaarheid Het voorliggende plan maakt onderdeel uit van het grotere geheel van de herontwikkeling en herinrichting van Damcentrum. De ruimtelijke inrichting van het plangebied voorziet in het realiseren van een nieuwe juridisch-planologische - en feitelijke situatie, waaruit aanzienlijke kosten (kunnen) voortvloeien op het gebied van de grondexploitatie, planschaderisico's, enzovoorts. De economische uitvoerbaarheid van een ruimtelijk besluit moet op grond van het Bro onderzocht worden respectievelijk aannemelijk worden gemaakt. Dat betekent enerzijds dat aannemelijk moet worden gemaakt dat de door de gemeente te maken kosten moeten zijn gedekt dan wel op de bij de uitvoering van het project betrokken partijen moeten kunnen worden verhaald. Anderzijds moet worden onderzocht of de kosten van overige partijen van een deugdelijke dekking zijn voorzien en of het project naar objectieve maatstaven, ook geabstraheerd van de concreet betrokken partijen, vanuit financieel-economisch perspectief tot uitvoering zou kunnen komen. Met betrekking tot de dekking van de door de gemeente te maken kosten kan worden vastgesteld dat alle kosten die de gemeente mogelijkerwijs maakt of zou kunnen maken door middel van de overeenkomst tussen de gemeente en de ontwikkelende partij, op deze ontwikkelende partij zijn afgewenteld, inclusief planschade.

Het kostenverhaal is daarmee anderszins verzekerd in de zin van artikel 6.12 tweede lid van de Wro wat ook betekent dat kan worden besloten géén exploitatieplan vast te stellen. Voorts kan worden opgemerkt dat er daadwerkelijk behoefte bestaat aan de betreffende woningen en het dus zeer aannemelijk is dat het plan ook uitgevoerd wordt. De behoefte blijkt uit het volgende. Op dit moment zijn meerdere plannen in ontwikkeling voor het centrum van Leidschendam, zoals aan de Rijnlandstraat en Leytsche hof. De interesse voor deze plannen overvraagt veruit het aanbod. Verwacht wordt dat ook voor dit plan aan de Damlaan zich vele geïnteresseerden zullen melden als potentiële kopers van de woningen. Deze verwachting onderschrijft de actuele behoefte aan de betreffende woningen. Dat betekent dat er redelijkerwijs van uit kan worden gegaan dat niet wordt gebouwd voor de leegstand en dat het plan ook realiseerbaar en uitvoerbaar is ingeval de herontwikkeling onverhoopt wordt overgenomen door andere (markt)partijen. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voor de Damlaan voorziet in een behoefte. Voorts wordt hier opgemerkt dat het plan wordt gerealiseerd binnen het stedelijk gebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=91af9266-1bbc-4b47-abf9-018513843f50